zaterdag 27 augustus 2016

De schildklier van mijn grootvader

Eén jaar na de succesvolle heelkundige ingreep
     Drie dagen voor Pasen, in het jaar 1937, werd mijn grootvader onwel. Hij had al geruime tijd last van versnelde hartslag, vermoeidheid en aanhoudende onrust, maar nu ging het helemaal niet meer. De arts schreef rust voor, kwam elke dag langs, maar beterschap bleef uit. Wat nu?
     Niet iedereen zou het in die tijd gedurfd hebben, maar mijn grootmoeder benaderde heimelijk een ándere arts, een jonge snuiter met moderne opvattingen. De jonge arts belde aan na het vallen van de avond – want de buren moesten onkundig blijven van de therapeutische ontrouw – en hij voerde een grondig onderzoek uit, waarbij hij mijn grootvader onder meer vroeg om zijn arm voor zich uit te strekken. Toen dat armstrekken met hevige trillingen gepaard ging, wist hij genoeg: overdreven activiteit van de schildklier. Een heelkundige ingreep was noodzakelijk. En dat zou geen eenvoudige zaak worden, want de zwelling was onzichtbaar, wat betekende dat ze zich áchter het borstbeen bevond. Dus opnieuw: wat nu?
         Nu was er in Doornik een chirurg die zich gespecialiseerd had in schildklieroperaties, een zekere dr. D. Hij was jarenlang chef de clinique geweest in Straatsburg, waar gezwollen schildklieren veelvuldig voorkwamen door de jodium in de lucht, en had dus veel ervaring. Dr. D. wou de operatie op mijn grootvader best wel uitvoeren, maar dan moest die eerst enkele maanden in het ziekenhuis verblijven, in welke periode hij door complete bedrust zijn hartslagritme naar beneden moest zien te krijgen. En de ingreep kostte 5 000 frank. 5 000 frank! Ik heb het mijn grootmoeder tientallen keren horen vertellen, en ze snoof daarbij met de neus en sperde de ogen, om het belang van het bedrag te onderstrepen.
     Zo’n bedrag zegt ons anders niet veel meer. Het jonge geslacht moet het eerst omrekenen naar euro en daarna moeten ook de iets ouderen voor ogen houden dat onze centen in 1937 twintig keer meer waard waren dan nu, en de lonen vijf keer lager waren. De eenvoudigste benadering om die 5000 frank te vatten is deze. Het gemiddelde maandloon moet in 1937 ongeveer 750 frank geweest zijn. De ingreep kostte dus ongeveer zeven maandlonen. Daarnaast is mijn grootvader ook nog eens, voor en na de ingreep, meer dan een jaar arbeidsongeschikt geweest, waarbij hij geen loon ontving. Alles samen kostte de ziekte aan mijn grootouders dus ongeveer twintig maandlonen, of naar hedendaagse maatstaven, 40 000 euro*. En dat moest allemaal uit eigen middelen worden betaald, want aan sociale zekerheid deed men toen niet.
    Zo’n financiële tegenvaller werd in die tijd op twee manieren gepareerd. Ten eerste had men de gewoonte om erg zuinig te leven en zo een appeltje voor de dorst bij elkaar te sparen. Bij mijn grootouders kwamen aardappelen, groenten en fruit alleen uit de eigen tuin,  brood werd gebakken van zelfgemalen graan, sokken werden gestopt, schoenen werden gelapt, kleren werden vakkundig hersteld en nieuwe truien werden gebreid van wol die gewonnen was door oude truien te ontrafelen. Ik heb mijn grootvader nooit anders weten schrijven dan met een vulpen waarvan het vulsysteem kapot was, zodat hij ze als een gewone pen in de inktpot moest dopen om ermee te kunnen schrijven. Daar kwam bij dat het lage loon dat hij zoals iedereen ontving, netto was. Er werd amper iets afgehouden voor belasting of sociale wetten. Daardoor was het ook makkelijker om zelf elke maand iets opzij te leggen.
     De tweede manier om een financieel malheur op te vangen was de vriendenlening. Mijn grootvader bijvoorbeeld kon een beroep doen op zijn schoonbroer die in vlas handelde en die, als het nodig was, vlot over de brug kwam**. In de bellettrie van de negentiende eeuw – Austen, Dickens, Balzac – vind je veel zulke voorbeelden. De econoom Frédéric Bastiat (1801-1850) stelt in één van zijn boeken een denkbeeldig gezinsbudget op en voorziet, geloof ik, vijfentwintig procent voor het helpen van vrienden in nood.
     Maar, zul je vragen, als men toch zó zuinig was, waarom wilde men dan met alle geweld een dure specialist uit Doornik onder de arm nemen? Over die kwestie had mijn grootmoeder zich uitgebreid laten voorlichten. In Gent was er, naar het scheen, ook een arts die wel eens in een schildklier opereerde, en wellicht werkte die goedkoper, maar, en daar was iedereen het over eens, ’t was een knoeier. Je wist nooit zeker of hij bij het snijden in de schildklier niet meteen ook de stembanden doorsneed***. En dát zou een drama geweest zijn, want mijn grootvader was koster en verdiende met orgelspelen en zingen zijn brood, en de invaliditeitsuitkeringen in die tijd stelden niets voor.
     Met mijn grootvader is het goed gekomen, zoals je op de foto van een jaar later kunt merken (zie hierboven). Wel moest hij gedurende enkele maanden bloederige lever eten om ‘aan te sterken’. Dat vond hij vreselijk, want hij was met zijn eten erg kieskeurig, zoals ik. Maar daarna zong hij weer als de beste, en speelde fuga’s van Bach met handen en voeten.

___________


*Voor België weet ik zo gauw niet hoe je de geldontwaarding moet berekenen, maar voor Nederland vond ik op het internet een programma (hier) dat alles voor mij deed. Een benaderende vergelijking van de lonen vroeger en nu, vond ik hier, en cijfers over het huidige gemiddelde nettoloon – ongeveer 2 000 euro - hier.
 
**Dr. Jan Van Duppen reageerde op mijn blogbericht door fijntjes op te merken dat de Doornikse specialist ‘zijn patiënten blijkbaar met grote vaardigheid wist te wegenen hun draagkracht voor zijn renumeratie’ goed inschatte.
***Een dorpsgenote van mijn grootouders had zich aan haar schildklier laten opereren in Gent en had daar een schorre stem aan overgehouden, vandaar het stembandenverhaal dat de ronde deed. Maar vooral: Dr. D. zélf had tegen mijn grootvader kordaat gezegd: ‘Gij laat u opereren door mij, of gij laat u opereren in Leuven. Dat is mij gelijk. Maar gij gaat níet naar Gent!’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen