zaterdag 18 februari 2017

Verdient Siegfried Bracke te veel?

Als Kamervoorzitter verdient Siegfried Bracke ongeveer 16 000 euro netto per maand. Premier Michel van zijn kant krijgt maar  11 000 euro. Dat is nog altijd vier keer meer dan wat ik ontvang, maar ’t is behoorlijk wat minder dan Siegfried, die toch  eigenlijk maar een gewone parlementariër is.
     De reden voor dat verschil is, geloof ik, de volgende. De Kamervoorzitter vertegenwoordigt de wetgevende macht – hij is de ‘eerste burger’ van het land – en men heeft indertijd door dat hoge bedrag willen duidelijk maken dat de wetgevende macht het hart van ons democratisch bestel is. De premier en de andere ministers zijn wezenlijk niets meer dan dienaren van de koning en van het parlement. En dat de dienaar wat minder krijgt dan de meester, is redelijk en rechtvaardig. Er is een verschil in waardigheid*.
     Je zou dat verschil in salaris kunnen verklaren als een vorm van ‘populisme’. Hoe breng je de gewone volksmens aan het verstand dat het parlement boven de regering staat? Die  volksmens, zo redeneert de populist,  zal toch wel best de taal van de centen begrijpen zeker? Wie het meeste verdient is de grootste. Onze leraar wiskunde, die een paar jaar in de Congo had gewerkt, vertelde daar een mooi verhaal over. Hij had een keer in een dorp een toespraak van Mobutu bijgewoond en de Grote Leider had toen maar één onderwerp: hoe rijk hij wel was. Hij bouwde dat zorgvuldig op. Eerst zei hij dat hij één miljoen had. Daar volgde applaus op. Daarna verzekerde hij de toehoorders dat het eigenlijk twee miljoen was, waarop het applaus toenam. Zo dreef hij zijn rijkdom geleidelijk op. Tegen het einde van de toespraak bezat hij een miljoen miljoen. Het publiek was uitzinnig.
     Toch heb ik tegen dat hogere salaris van de Kamervoorzitter enkele bezwaren. Zo’n voorzitter moet natuurlijk de debatten volgen en kan niet zoals andere parlementsleden op zijn mobieltje naar leuke kattenfilmpjes kijken. Hij moet bovendien op alle Kamerzittingen aanwezig zijn, terwijl een ander parlementslid naar hartenlust het absenteïsme kan bedrijven. Je zou met enige goeie wil kunnen zeggen dat de voorzitter in de Kamer harder werkt dan de anderen. Maar ... een parlementslid dat op Kamerzittingen  afwezig blijft, is misschien op dat eigenste ogenblik handjes aan het schudden op een worstenkermis, of hij is – ook niet mis –  in een bejaardentehuis bezig het levensverhaal van mogelijke kiezers te vernemen. Zo nu en dan kom je de absenteïstische volksvertegenwoordiger op een regenachtige morgen tegen, als hij met leden van de plaatselijke partijafdeling vlugschriften op de vrijdagmarkt uitdeelt. De Kamervoorzitter zit dan in een lekker verwarmde zaal en hanteert de hamer. Ik zie in dat alles dus geen reden om hem aanvullend smartengeld te betalen.
     Ook het populistische argument  moeten we even tegen het licht houden. Het kan best dat een hoog inkomen vroeger in de ogen van de volksmens een buitengewone  waardigheid verleende aan degene die een ambt bekleedde. Tegenwoordig is het evenwel omgekeerd. De  volksmens vindt – vaak luidruchtig –  dat de meeste politici al veel te veel krijgen voor wat ze waard zijn. Hoe meer zo’n politicus verdient, hoe verachtelijker de volksmens hem vindt**. Een populist moet dan met zijn tijd meegaan. Als hij wil dat de ‘eerste burger’ het meeste respect krijgt, dan moet hij ervoor zorgen dat die eerste burger juist minder betaald krijgt de andere parlementariërs en ministers.
     En die waardigheid … pff. Siegfried Bracke zal wel altijd een pias blijven, al geef je hem een miljoen per jaar, of al behang je zijn schouders met hermelijn.



* Bart Maddens wijst erop dat zo’n verschil in waardigheid niet verantwoord wordt door ons constitutioneel systeem. Hij legt het hoge salaris van de Kamervoorzitter uit als een kwestie van ‘loonspanning’. Het parlement als bedrijf – zo kun je het ook zien.
**Je zou in die afkeer van rijke politici, of is het afgunst? – mijn leerlingen houden die twee woorden moeilijk uit elkaar – je zou in die afkeer of afgunst dus  een vooruitgang kunnen zien tegenover de verering van vroeger. Zo kun je overal vooruitgang zien, als je je best maar doet.

1 opmerking:

  1. Toen de Grondwet opgesteld werd, was het gebruikelijk dat de koning de regering samenstelde. De regeringsleider en de andere leden waren niet noodzakelijk volksvertegenwoordigers of senatoren. Het was gewoon de Uitvoerende Macht onrechtstreeks geleid door de vorst. De Wetgevende Macht schreef de procedures (wetten), die de Uitvoerende Macht diende te volgen en controleerde dit, maar greep niet in de uitvoering. Een en ander verklaart de positie van de Kamervoorzitter. Later verzaakte de koning al of niet onder druk van de politieke omstandigheden aan dit privilege van de eigen gekozen regering. Hij kon nog wel, een nu door het Parlement voorgesteld regeringsleider of -lid wraken. In feite is de Wetgevende Macht gefuseerd met de Uitvoerende Macht. Dit is in wezen ongezond. Dit werd in de VS-constitutie voorkomen daar men daar de Uitvoerende Macht (President) kiest. Het Congres vervult er nog de wetgevende en controlerende taken. In veel Europese staten bestaat de Trias Politica niet meer.

    BeantwoordenVerwijderen