dinsdag 23 juli 2019

Hoe ondankbaar is Ilhan Omar?

     
Trumps favoriete doelwit op dit moment
In zijn twitterbericht van vorige week week zei Trump enkele onvriendelijke dingen over  niet nader genoemde ‘Congresswomen who originally came from countries whose governments are a complete and total catastrophe … and [who are] viciously telling the people of the United States, how our government is to be run.’ Dat Congresswomen is meervoud, maar het is eigenlijk het beste toepasbaar op één Congresswoman in het bijzonder, namelijk Ilhan Omar, die geboren is in Somalië en op twaalfjarige leeftijd als vluchtelinge met haar familie in de VS terechtkwam.
     Nu is Ilhan Omar sinds 2000 Amerikaans staatsburger en behoort ze dus zelf tot ‘the people of the United States’. Ze heeft dus, in weerwil van wat Trump suggereert, het recht om mee te bepalen hoe haar eigen ‘government is to be run’, zonder dat ze eerst even als ingangsexamen orde op zaken moet gaan stellen in haar geboorteland. Ze zou dat niet kunnen, geloof ik, maar ik zou het ook niet kunnen en Trump evenmin. Ilhan Omar heeft het recht, als elke Amerikaanse burger, om, zonder bijkomende voorwaarden, scherpe kritiek te hebben op haar nieuwe land, zijn leiders, zijn instellingen en zijn tradities. Geen vooruitgang zonder kritiek. Daarmee is alles gezegd.
     Of toch bijna.
     Als ik Omar bezig zie, of over haar lees, vormt zich bij mij onweerstaanbaar de gedachte: wat is er mis met een beetje dankbaarheid? Dat kind komt uit een van de armste en onveiligste landen van de wereld. Ze heeft vier jaar overleefd in een vluchtelingenkamp in Kenia. Als zo iemand aankomt in een van de rijkste landen ter wereld, dan waant die zich toch in een soort paradijs, zou je denken. Maar zo is het niet. Van bij haar aankomst loopt alles fout. De brief van George W. Bush waarmee hij de familie welkom heet, staat vol belachelijke formele taal en is wellicht niet eens door hemzelf geschreven. Het appartementsblok waar ze gaat wonen is vervallen, de straten zijn vuil, op school voelt ze zich gepest om haar hoofddoek, en overal waar ze om zich heen kijkt ziet ze extreem onrecht en racisme. En hoe ouder ze wordt, hoe meer onrecht en racisme ze ziet.
    Later gaat ze over dat onrecht vertellen op scholen. Ooit zag ze in een rechtszaal in Minneapolis een ‘lieve Afrikaans-Amerikaanse dame die in de cel terechtkwam omdat ze een brood had gestolen om haar vijf jaar oude kleindochter van de hongerdood te redden.’ Omar had zich in de rechtszaal niet kunnen bedwingen en had haar verontwaardiging luidkeels uitgeschreeuwd. Het is een verhaal dat zo uit een negentiende-eeuwse roman zou kunnen komen. Of beter: het verhaal kómt uit een negentiende-eeuwse roman. In Les misérables van Victor Hugo is het Jean Valjean die na het stelen van een brood in de gevangenis komt. De plotwending moet toen al een cliché  zijn geweest. Achteraf heeft Omar toegegeven dat ze zich sommige details misschien niet correct herinnerd had. De politie van Minneapolis, zo bleek, mag geen mensen arresteren voor winkeldiefstal waarbij geen geweld werd gebruikt, en de typische straf voor zo’n diefstal is het bijwonen van een cursus van drie uur. Ik neem aan dat in die cursus wordt uitgelegd hoe je in de VS legaal aan gratis voedsel kunt komen met food stamps.
     Op National Review las ik een lange discussie tussen Charles C.W. Cooke en David French over de dankbaarheid die immigranten en asielzoekers zouden moeten voelen. De twee heren hebben allebei goede redenen voor hun standpunt, maar na lang aarzelen, ga ik eerder akkoord met Cooke. Migranten zijn géén speciale dankbaarheid verschuldigd voor wat vorige generaties in hun nieuwe land met vallen en opstaan hebben opgebouwd. Dat soort dankbaarheid mag je verwachten van álle burgers, autochtoon of allochtoon.  Natuurlijk mogen die burgers ook kritiek hebben op wat hun voorgangers fout hebben gedaan en op de hedendaagse gevolgen ervan, maar het is zoveel gemakkelijker voor iedereen als die kritiek gematigd is, opbouwend, en de goede kanten niet uit het oog verliest. En als je toch een radicale verandering noodzakelijk acht, dan is het wenselijk om Friedrich Hayeks raad te volgen en dat radicalisme te beperken tot één welomschreven terrein. Zo deden de mensenrechtenactivisten dat bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie.
     Het probleem van veel migranten, besef ik nu, is niet dat van de wenselijke dankbaarheid, maar dat van feitelijke ondankbaarheid. De dankbaarheid of loyaliteit tegenover de gemeenschap is bij een groot deel van de autochtone bevolking zo vanzelfsprekend dat ze niet eens wordt aangevoeld. Migranten moeten die dankbaarheid en loyaliteit verwerven in een strijd met zichzelf. Er is immers een werktuigelijke loyaliteit met het land van herkomst die de nieuwe loyaliteit bemoeilijkt.
     Die dubbele loyaliteit moet natuurlijk niet altijd tot problemen leiden. Als het gaat om een beschaafd uitgedrukte sympathie voor een vreemde voetbalploeg die het tegen ónze jongens opneemt, ach, vooruit dan maar. Amerikanen van Duitse afkomst hadden rond de voorlaatste eeuwwisseling in hun huis wel ergens een boek liggen met fraaie illustraties over ‘Germany’s Iron Chancellor’. Ik heb dat boek ook, uitgegeven in Akron, Ohio, 1897. Amerikanen van Italiaanse afkomst hadden een klein borstbeeldje van Mussolini op hun bureau. Zoiets moest niet noodzakelijk tot grote moeilijkheden leiden.
     Het wordt allemaal wat ingewikkelder als het land van herkomst volgens bepaalde maatstaven inferieur is aan het nieuwe gastland. Zoiets geef je niet graag toe. In de alleraardigste komedie Ninotchka (Lubitsch, 1939) komt een Russische communiste, gespeeld door Greta Garbo, in het mondaine leven van Parijs terecht. Het duurt even, maar na enige tijd valt ze voor de decadente charme van het kapitalisme. Als ze dan op een feest verschijnt in een dure baljurk wordt ze daar door een aartshertogin op aangesproken. ‘Madame Yakushova,’ zegt de aartshertogin, ‘Is that what they’re wearing in Moscow this year?’ – ‘No, last year, Madame,’ luidt het antwoord. Dat is heel leuk gezegd, maar het is ook een leugen, en uit die leugen blijkt dat onze communiste, zelfs na haar bekering, de achterstand van haar land van oorsprong moeilijk kan toegeven.*
     Bij de hedendaagse derde-wereld-immigratie speelt nog een andere kwestie.** Die derde-wereldlanden zijn gewezen kolonies. Hun inwoners hebben zich vernederd gevoeld door buitenlandse superieuren. Ze hadden gehoopt dat met de nieuwe onafhankelijkheid alles anders zou worden. Zonder koloniale uitbuiting zou de welvaart toenemen, de cultuur bloeien, en iedereen zou gelukkig zijn. Toen dat niet gebeurde was de verleiding groot om de moeilijke zoektocht naar oplossingen op te geven en op zoek te gaan naar wie nu eigenlijk schuld had aan het debacle. En die schuldigen waren snel gevonden: dat waren de vroegere koloniserende landen. De tijd heelt alle wonden zegt men, maar na de dekolonisatie gebeurde het tegenovergestelde. De begrijpelijke rancune tegenover het Westen werd in veel landen niet stilletjes aan minder en minder maar werd juist groter en groter. Het Westen kreeg de schuld voor alle problemen van het verleden, het heden en de toekomst. En in het Westen stonden geleerden en activisten klaar, mensen als Jean-Paul Sartre en Ludo Martens, om die rancune te prijzen.
     Het is die anti-Westerse rancune die veel derde-wereldimmigranten, zoals Ilhan Omar, meebrengen naar hun nieuwe gastland waar ze de gedaante aanneemt van slachtofferdenken – slachtofferdenken dat dan mooi past bij het autochtone politiek correcte discours op campussen, in kranten en op televisiezenders. Zo’n rancune kan in sommige gevallen leiden tot terechte kritiek op de Westerse samenlevingen maar evengoed tot overdrijvingen, verdraaiingen en leugens. Bovendien, en daar is het mij hier om te doen, staat ze een natuurlijk gevoel van dankbaarheid en loyaliteit tegenover het nieuwe land in de weg.
     Nu, ondankbaar of niet, enig politiek talent kun je Ilhan Omar ondertussen niet ontzeggen. Ze leert bij. Indertijd noemde ze de aanslag op de Twin Towers ‘something some people did’. Trump heeft die uitspraak tegen haar gebruikt en ik geloof niet dat ze dat ongelukkige eufemisme in de toekomst nog zal gebruiken. Ze heeft ooit de Amerikaanse Israël-politiek afgedaan als een zaak van corrupte Joodse financiers. ‘It’s all about the benjamins,’ had ze geschreven, daarmee verwijzend naar briefjes van honderd dollar met het portret van Benjamin Franklin. Ze heeft geleerd dat zoiets ook in linkse kringen slecht aankomt, en ze spreekt nu, gemeend of niet, kwaad van het antisemitisme. Ze heeft in 2016 acties ondersteund om mildere, alternatieve straffen te krijgen voor jihadisten die op het punt stonden naar Syrië te vertrekken. Sindsdien houdt ze zich ver van dat soort acties. Ze heeft geleerd dat ze nog het meeste succes behaalt als ze haar aanhangers gewoon vertelt dat Trump elke niet-blanke uit de VS wil deporteren. Er is altijd een publiek dat zoiets wil geloven, in de VS en in Europa.
     Eén raad zou ik Omar nog willen geven, en die betreft haar kledij. Je ziet haar op foto’s zowel met een traditionele moslimse hijab als met een gestileerde afro tulband. Ik zou haar aanraden om resoluut voor dat laatste te kiezen. Theologisch zal het niet veel verschil maken, want de haren zijn in de twee gevallen bedekt, maar de afro tulband doet minder denken aan islamitisch fundamentalisme en meer aan seculier zwart activisme à la Maya Angelou. Veel linkse kiezers in de VS zullen nog altijd dat laatste verkiezen boven dat eerste. 




* Een soortgelijke scène komt voor in de prachtige Poolse film Zimna wojna (Cold War). Een arrogante Parisienne vraagt aan de Poolse emigrante Zula of ze niet onder de indruk is van de luxueuze Franse winkels. Dat is Zula helemaal niet. De winkels in Polen zijn veel luxueuzer, vindt ze. 

** En nog veel andere kwesties. Ik ga in dit stukje niet in op het onvermijdelijke ongemak die immigranten in hun nieuwe land meemaken: vreemde taal, vreemde omgeving, racisme. Een speciaal probleem is de vaak optredende declassering. Omars vader was in Somalië docent aan een instituut voor lerarenopleiding. In de VS moest hij aan de kost komen als taxichauffeur en later als postbeambte. Misschien verdiende hij in de laatste betrekkingen wel meer dan vroeger als docent, maar zo’n daling in sociale status moet bijna zeker een bittere smaak in de mond nalaten.

maandag 22 juli 2019

De racistische tweet van Trump

  In het verre Amerika is vorige week veel te doen geweest rond een Twitterbericht van Trump. Daarin stond dat zekere leden van het Congres beter naar hun eigen land konden terugkeren om daar orde op zaken stellen; daarna konden ze nog altijd terugkomen om de Amerikanen te vertellen hoe een en ander moest worden aangepakt. De president zei er niet bij wíe hij precies bedoelde, maar er wordt meestal gedacht aan een aantal vrouwelijke Congresleden met een immigratieachtergrond zoals Alexandria Ocasio-Cortez, Rashida Tlaib en Ilhan Omar. De twee eerste zijn in Amerika geboren maar zijn van respectievelijk Puerto-Ricaanse en Palestijnse afkomst. De derde is in Somalië geboren, maar woont sinds haar twaalfde in de VS en is staatsburger sinds 2000.
     Een van de vragen die men zich stelde was deze. Is zo’n bericht nu eigenlijk racistisch? Het Amerikaans congres heeft daar een stemming over georganiseerd, en, ja, de meerderheid – waaronder ook enkele Republikeinen – vonden het bericht racistisch.
     Die racismevraag interesseert mij niet zo erg. Als het bericht niet racistisch was, was het xenofoob, en als het niet xenofoob was, was het nativistisch, of nog iets anders dat ook erg is. Mij stoort bij het bericht vooral de demagogische kant. Ik heb, toen ik nog communist was, tientallen keren een vergelijkbare opmerking moeten aanhoren: ‘Als het hier niet goed is, waarom ga je dan niet in Rusland of China wonen?’ Dat was, achteraf beschouwd, geen onaardige plaagstoot, maar als argument reikte het niet verder dan een ‘ad hominem’. Ik had iets gezegd over de lage lonen van de dokwerkers, de hoge winsten van Albert Frère, de bodemvervuiling in Hoboken, of de gesel van de ‘prestatiegeneeskunde’, en in plaats van dáárop te antwoorden, gooide men mij mijn communistische overtuiging voor de voeten. Alsof een communist nooit iets juists kon zeggen over de omstandigheden in zijn eigen land, hoe verkeerd hij het verder ook voorhad wat Rusland of China betrof.
     Mijn opponent in zo’n woordentwist was meestal een fabrieksarbeider, of zijn vrouw, die ik door aan te bellen gestoord had bij een leuk werkje in keuken, tuin of garage, of bij het kijken naar een gezellig televisieprogramma. Dat kregelige antwoord was dus begrijpelijk en had verder geen grote gevolgen op landelijk niveau. Maar als een president het woord neemt, zijn die gevolgen er wel. Enkele dagen na zijn Twitterbericht sprak Trump een menigte aanhangers toe, en die menigte begon te scanderen, doelend op de vrouwelijke Congresleden: ‘Send them back! Send them back!’. Nu ging het niet meer over teruggáán, maar over terugstúren. Trump keek goedkeurend toe, en zei achteraf dat hij geprobeerd had de menigte te doen zwijgen door snel verder te spreken. Dat was een leugentje.
     Ik wil wat zich afspeelt op een massa-bijeenkomst van Trump-aanhangers, niet dramatiseren. Er bestaat  natuurlijk niet de geringste kans dat Amerikaanse Congresleden-met-migratieachtergrond ooit écht zullen worden uitgewezen. Maar het is een treurige gedachte dat een scanderende menigte vindt dat zoiets eigenlijk wél zou moeten kunnen.
     Er is in de kranten behoorlijk wat gespeculeerd over de redenen van Trump om zijn go-back-to-your-own-country-bericht te plaatsen. Had hij misschien gedurende 48 uur níet in het middelpunt van de belangstelling gestaan? Dan had hij inderdaad dringend een nieuw schandaaltje nodig. Wou hij zijn eigen aanhangers paaien door een straffe uitspraak? Dat is ook mogelijk, en het is, te oordelen naar het spreekkoor op de daarop volgende massabijeenkomst, goed gelukt.
     Volgens Mijlemans en Temmerman in Het Nieuwsblad is er nog een andere verklaring. Volgens hen, of volgens de de buitenlandse kranten die ze gelezen hebben, probeerde Trump om kiezers uit het Democratische kamp voor zich winnen. Dat is geen slechte uitleg. De Democraten maken de laatste tijd bijvoorbeeld veel ophef rond hun eis om het minimumloon in het hele land op te trekken tot 15 dollar per uur. Dat is misschien economische onzin, maar een sociaal voelend, Democratisch stemmend lid van de middenklasse, die zelf wel wat meer dan 15 dollar verdient, is zo’n eis vaak genegen. Op zo’n moment komt het Trump goed uit om op dergelijke eisen de gezichten te plakken van drie of vier arrogante nieuwkomers die aan de Amerikanen eens gaan vertellen wat ze moeten doen. Misschien zegt die sociaal voelende Democraat wel geërgerd bij zichzelf: weet je wat, dat ze dat minimumloon van 15 dollar eerst maar eens invoeren in Somalië.

     De redenering van Mijlemans en Co heeft evenwel het nadeel van alle electorale speculaties. De zet van Trump zal waarschijnlijk een aantal Democratische kiezers aantrekken, maar hij zal tegelijk ook een aantal andere Democratische kiezers afstoten. Voorspellen welke groep de grootste zal zijn, doet men best ná de verkiezingen. Dan kan ik het ook.


maandag 15 juli 2019

Wat gelooft de Vlaamse bouwmeester?

 In de televisieserie How I Met Your Mother is er een personage dat Garrison Cootes heet. Cootes is een advocaat die zijn hele loopbaan processen heeft gevoerd om de natuur te beschermen en het klimaat te redden. Op een bepaald moment raakt hij ervan overtuigd dat er niets meer aan te doen valt. ‘I’ve seen the research,’ zegt hij. Hij trekt daaruit de enige logische conclusie. In plaats verder te zwoegen op dossiers en wetboeken, geeft hij voor zijn medewerkers elke dag een feest met taart. En als de taart op is, bestelt hij een nieuwe, nog grotere taart.
     Zelf geloof ik dat het met het klimaat wel goed komt.  We zullen, een beetje laattijdig, overschakelen op kernenergie, wat de CO2-productie gevoelig zal verminderen. We zullen technieken ontwikkelen om als dat nodig is de aarde af te koelen, en die technieken zullen binnen twintig jaar goedkoper zijn dan de zonnepanelen en windmolens van nu, omdat binnen twintig jaar álles goedkoper zal zijn. Ik ben daar misschien te optimistisch in, maar dat is nu eenmaal wat ik geloof. Ik heb dus geen reden, of excuus, om elke dag taart te eten.
     Maar hoe zit dat met de klimaatalarmisten, de vijf-voor-twaalf-mensen? Wat geloven die? Zullen die op taart overschakelen als hun deadline overschreden is? Wat zal Nic Balthazar doen als de groene revolutie binnen 20 jaar niet heeft plaatsgevonden? Want daarna is het volgens hem te laat om nog iets te beginnen.
     Er zullen natuurlijk klimaatalarmisten bestaan die overdrijvingen gebruiken als strategie om ‘de mensen wakker te schudden’. Maar vele anderen geloven écht in hun sombere voorspellingen. Alleen, wat is écht geloven? Toen ik twintig was geloofde ik samen met mijn vrienden écht in de komende communistische revolutie. Onze deadline was vijftien-twintig jaar. Tegelijk moet toch ook, diep verborgen onder metersdikke ideologie, het besef geleefd hebben dat er misschien wel helemaal geen revolutie zou komen.
     Onze Vlaamse bouwmeester Leo van Broeck is, geloof ik, goed bevriend met Anuna Dewever en Nic Balthazar. En wat zei hij onlangs in Het Nieuwsblad: ‘
Het wederopbouwen van goed gelegen woningen is iets minder urgent, aangezien de creatie van natuur en open ruimte nog net iets dringender is dan het terugdringen van onze uitstoot.’ Ik moest het twee keer lezen. Het bestrijden van lelijke lintbebouwing en het creëren van leefruimte voor wilde dieren is dus ‘nog net iets dringender dan het terugdringen van onze uitstoot.’* Terwijl volgens zijn vriend Nic Balthazar niets minder dan het voortbestaan van de mensheid afhangt van die uitstoot. Wat maakt die bouwmeester zich toch druk om autostrada’s en verkavelingen als straks heel Vlaanderen toch door de zee wordt overspoeld?
     Of gelooft de bouwmeester die klimaatalarmisten toch maar half? 
 


* Ik ken overigens genoeg mensen die nu zouden aanhalen dat die lintbebouwing, autostrada’s en verkavelingen alles te maken hebben met onze uitstoot. Dat zo’n bewering, waar of onwaar, geheel buiten de discussie valt, lijken ze niet te begrijpen.

zondag 14 juli 2019

Cultuurreizen*

     Het blijft mij verbazen hoeveel bekenden je tegenkomt op vakantie. Je kijkt er natuurlijk niet van op als je in Blankenberge op de dijk je buurman tegen het lijf loopt. Je kent enkele honderden mensen, en het zou al raar moeten lopen als geen enkele daarvan ooit onze populaire badplaats zou uitkiezen om daar een dagje met veel zand, zon en zee door te brengen. Het rare is eigenlijk dat jij daar óók rondloopt.
     Bij verre bestemmingen is dat anders. Je landt in Napels en terwijl je op je bagage wacht, zie je daar je collega C. die net op dat ogenblik uit Napels weg wil. ‘Het is een vuile stad,’ zegt haar man. Of je wurmt je door de mensenmassa op Times Square en, dan zie je plots een lange kerel die zich enkele meter vóór je ook door de massa aan het wurmen is. Zou dat P. kunnen zijn? Je roept zijn naam en, waarempel, het is P.Hij is op zoek naar een restaurant en omdat je al enkele dagen langer in New York bent dan hij, kun je hem Tony’s aanraden.
     Dit jaar zijn we we naar Wenen gegaan. Prachtige stad. Op een morgen zitten we op een terrasje te kijken naar de voorbijgangers, want dat doe je op vakantie, en plots komt daar M. voorbij met haar man en haar drie hipsterzonen. Wat een toeval! Ze zijn pas sinds gisteren geland en aangezien wij er al een dag eerder arriveerden, zijn wij de Wenen-kenners. Of we weten in welk museum je het beroemde schilderij van Klimt kunt zien? Jje weet wel: De kus. Was dat nu het Leopoldmuseum of de Belvedere?
     ‘We gaon die gàsten ier wà kelteur baaibringe,’ zegt M. nog.



* Zie ook hier, hier en hier.

zaterdag 29 juni 2019

Hoeveel wangen heeft de mens?

     De Nederlandsspreker heeft twee wangen, maar de Duitsspreker, de Engelsspreker en de West-Vlaamsspreker heeft er gemakkelijk vier – cheeks, Backen, kaken. Om de onsterfelijke Schoolmeester te variëren:

     De mens wordt vierkakig geboren:
     Twee van achteren en twee van voren;
     Of, volgens anderen, twee aan zijn rechterhand:
     En de andere twee aan deze kant.

     Kijken wij door dat taalverschil anders tegen die lichaamsdelen aan? Die vraag maakt deel uit van een oud taalkundig probleem. Wordt de manier waarop we naar de zaken kijken beïnvloed door de namen die we aan die zaken geven? De Fransen geloof ik gebruiken het woord joue alleen om een deel van het gezicht aan te duiden. Zouden zij minder oog hebben voor bepaalde gelijkenissen die in andere talen zo worden benadrukt?
     Ik heb enige tijd de telefoon opgenomen voor een advocaat die R. heette. Dat was een jonge Franstalige aristocraat die een mooie etage bewoonde van een Brussels herenhuis. In het salon stond een reusachtige vleugelpiano. R. was niet getrouwd en werd voortdurend door jonge vrouwen opgebeld. Het was mijn taak hen te vertellen dat R. niet op kantoor was. ‘Il est allé plaider au Palais, mademoiselle.’
     Eén van die juffrouwen herinner ik mij nog omdat ze zo’n kleuterstem had. Ik had wat moeite om haar te overtuigen dat R. uithuizig was. ‘Bon’, zei ze ten slotte, ‘dites-lui que je l’embrasse sur les quatre joues. Dites-le lui exactement comme ça. Sur les quatre joues.’ Ik heb R. toen op de hoogte gebracht van de boodschap.
     Met die gelijkenis tussen de bedoelde lichaamsdelen valt het anders wel mee vind ik. Ik zal mij in elk geval niet snel vergissen. De smid in Chaucers verhaal maakt die vergissing als de molenaarsvrouw haar achterwerk door het raam steekt, maar dat gebeurde ’s nachts, en in de duistere middeleeuwen was er zo al weinig licht. Ook is het een verzonnen verhaal en die molenaar, die molenaarsvrouw en die smid hebben niet echt bestaan.
     Het volgende verhaal wordt echter voor waar verteld door de eerbiedwaardige Mme de Genlis (1746 – 1830). Toen Edward Gibbon in Parijs was, bezocht hij zoals alle beroemdheden van zijn tijd, het salon van Mme Du Deffand. Mme Du Deffand was blind en ze had de gewoonte om de gezichten van nieuwe bezoekers te betasten zodat ze zich een beeld kon vormen van hun uiterlijk, karakter en verstandelijke vermogens. Gibbon onderwierp zich gewillig aan de inspectie. Maar de beroemde geschiedschrijver was een dikkerdje met gladde bolle wangen en toen Mme Du Deffand die aanraakte, dacht ze dat ze het slachtoffer was van een flauwe grap. ‘Voilà une mauvaise plaisanterie!’ riep ze verontwaardigd uit.
     Nadat het misverstand was rechtgezet, is alles goed gekomen tussen Mme Du Deffand en Gibbon. De madame kon wel voor eeuwig met hem blijven praten, zei ze, en zelf noemde de geschiedschrijver haar ‘an agreeable young lady of eighty-two years of age’. Je mocht in die tijd blind zijn of stokoud, je mocht babywangetjes hebben en eruit zien als een pompoen. Als je de kunst van de geestige conversatie maar machtig was.

woensdag 26 juni 2019

Johan Leman en de wetten van Croughs

     Kent iemand de wetten van Croughs? De Nederlandse libertariër formuleerde in 1995 de ‘drie wetten van het progressief-intellectuele denken’:
  1.  De wet van het abjecte Westen: ‘Bij een conflict tussen westers en niet-westers kiest de progressieve intellectueel voor niet-westers.’
  2. De wet van de onderdrukte minderheid: ‘Bij een conflict tussen een minderheid en een meerderheid kiest de progressieve intellectueel voor de minderheid.’
  3. De wet van de botsing: ‘In gevallen waar de twee wetten met elkaar in botsing komen, wordt het ingewikkeld.’
     Van die laatste wet zagen we van de week een fraai voorbeeld. Pater Johan Leman, die aan pluralistisch bekeringswerk doet in Molenbeek, had in De Standaard verklaard dat je nu eenmaal moet ‘weten dat je hier als homokoppel misschien niet hand in hand over straat kan lopen’. Wat moet de progressieve intellectueel nu denken bij zo’n uitspraak? Die homo’s vormen een minderheid (wet 2)  maar de moslims die geen homokoppels hand in hand in hun buurt willen zien wandelen, komen uit een niet-westerse cultuur (wet 1). Wat nu?
   In de reacties op Leman zag je drie soorten linkse mensen opstaan. Gert Verwilt (Vlinks) bijvoorbeeld koos onverkort voor de homorechten. Zijn reactie telt in dit verband niet mee, want Gert is een secularist en een tegenstander van moslimobscurantisme. Als dusdanig volgt zijn denken niet de wet van het abjecte Westen.  Helemaal anders is dat bij Hilde Sabbe (One Brussels). Die volgde heel plichtsgetrouw wet 1 en nam het voor de moslims op: die moesten meer tijd krijgen om te wennen aan die homo’s. ‘We moeten niet in hun nek staan hijgen.’ En ze verwees naar het abjecte West-Vlaanderen waar een lesbische vriendin van haar haar partner niet kon meebrengen op een familiefeestje. Nog anders was de reactie van Gaea Schoeters (schrijfster). Op haar facebookpagina noteerde ze: ‘Met dank aan Johan Leman om weer een hoop holebi’s in de armen van rechts te duwen en rechtse demagogen als Maarten Boudry een open goal te bieden.’ Rechtse demagogen als  Maarten Boudry ...
     Wat moeten we denken van die groen-linkse activisten die zich, zoals Schoeters, ontzettend boos maken op Leman. Er kan bij hen, zoals bij Verwilt, een zeker secularisme meespelen. Dat is uiteindelijk een linkse traditie. Maar misschien is er ook iets anders aan de hand. In De Afspraak viel Leman uit tegen een ‘progressieve middenklasse’ die ‘een droombeeld heeft van het multiculturalisme’. Het minste dat je kunt zeggen is dat Leman dat droombeeld met zijn uitspraken heeft verstoord. ‘Ik verbloem dat niet,’ zegt hij in De Standaard, ‘je moet daar niet naïef in zijn.’
     Eigenlijk komt het hierop neer. Leman beschrijft de zaken zoals ze zijn. In Molenbeek ligt meer vuil op straat dan ergens anders. Vrouwen die er in een zomerse korte rok rondlopen, krijgen schunnige opmerkingen. Je kunt er als homokoppel niet hand in hand over straat lopen. En daar nog eens bovenop is Leman nogal pessimistisch voor de onmiddellijke toekomst en gelooft hij niet dat er voor die problemen eenvoudige oplossingen bestaan. Dat pessimisme verklaart zijn raad aan de middenklasse Vlaming die naar Molenbeek wil verhuizen: pas je wat aan, probeer aan te voelen wat mogelijk is, provoceer niet, lok niets uit, schrik niet van wat vuil, en als je dat niet kunt, kom dan hier niet wonen want het zal niet snel veranderen. Maar dat is een onduldbare toestand, vindt de boze progressieve intellectueel. Ja, dat is een onduldbare toestand, maar het is nu eenmaal zo, en niet anders.
     Is de raad van Leman een voorbeeld van ‘soumission’? Ik weet het niet. Het is in elk geval een voorbeeld van realisme. Als ik een zoon had die homo was, zou ik hem evenmin aanraden om hand in hand met zijn vriend in Molenbeek rond te lopen. Als ik een dochter had, zou ik haar evenmin aanraden om er in een korte, zomerse rok rond te lopen. En ik zou én mijn homo zoon, én mijn hetero dochter afraden om daar te gaan wonen, ook al zijn de huizen er goedkoop.
     Kan er iets aan de toestand worden gedaan? Leman weet in elk geval wat níet werkt: grote verklaringen, boze tweets, verontwaardigde lezersbrieven en ‘inburgeringscursussen’ waarop een toets volgt met meerkeuzevragen als : Wanneer is de vrouw gelijkwaardig aan de man? (A) Altijd – (B) Meestal – (C) Soms – (D) Nooit. Hij meent ook te weten wat je wél kunt doen: een ‘stevig’ immigratiebeleid en een ‘verstandig’ uitwijzingsbeleid voeren, de Saoedische invloed in moskeeën beperken, meer politiepatrouilles op straat sturen, en meer subsidies aan zijn ‘Foyer’ geven.
     Aan die subsidies twijfel ik een beetje. Ik geef niet graag veel geld aan een man die, toen hij zelf nog beleidsverantwoordelijkheid had, weinig deed om een ‘stevig’ immigratiebeleid uit te werken. Hij was toen vooral bezig geloof ik met ‘racismebestrijding’. Nu heeft hij het echter begrepen. ‘Denk vooral niet dat alle Marokkanen voor open grenzen zijn,’ zegt hij. Onlangs had hij er nog enkele horen discussiëren. ‘Je gaat toch geen vrouw zoeken in Marokko,’ had een van hen gezegd. Dat zijn wijze woorden die vanuit een strengere gezinsherenigingswet enige ondersteuning verdienen.

     Leman wil ook meer politiemensen in Molenbeek. Liefst meteen 200. Ik geef hem gelijk. En als er dan toch meer politiemensen zijn, mogen ze wat harder optreden ook. Ik herinner mij de rellen van vorig eindejaar waarbij van alles vernield werd en in brand gestoken terwijl de politie toekeek. Wie het filmpje niet gezien heeft waarin burgemeester Cathérine Moureaux die rellen in lachwekkend Nederlands minimaliseert, moet zeker hier eens kijken.
     Maar de homo-en-korte-rokken-vraag is daarmee niet opgelost. Als de instroom van nieuwe moslimmigranten in Molenbeek stopt, en de politie loopt wat meer rondjes op straat, en treedt wat strenger op, kun je dán als homokoppel hand in hand op straat lopen zonder gevaar voor verbale agressie of erger? Ik zal de raad van Leman volgen, niets verbloemen en niet naïef zijn. Het antwoord is neen. De droom van een nabij harmonieus multiculturalisme laat ik over aan degenen die Leman ‘bepaalde progressieve Vlamingen’ noemt.
     Vierde wet van het intellectueel-progressieve denken: ‘Wanneer de progressieve intellectueel gewekt wordt uit zijn droom, is hij boos.’

zondag 23 juni 2019

IS-kinderen en IS-volwassenen

     Ik zie op Facebook af en een toe een ruzietje over de IS-kinderen passeren en dan kom ik niet tussen, want ik ken daar niets van. Als het waar is wat ik soms lees - dat die kinderen in kampen sterven van ontbering - dan moet daar dringend iets aan worden gedaan. En er moet iets aan worden gedaan voor àlle kinderen in die kampen, en niet alleen voor die kinderen die misschien mogelijk eventueel de Belgische nationaliteit hebben. Of die laatste ook moeten worden opgehaald om hier in ons land bij de grootouders of andere familieleden te worden afgeleverd is een andere vraag.
     In die ruzies over de IS-kinderen worden veel emotionele argumenten gebruikt. Ik hou daar in het algemeen niet zo van. Maar als ik er ergens begrip voor kan opbrengen, dan hier. ‘Het maakt mij boos en triest, schreef Pascal Kerkhove in De Zondag, ‘want met kinderen in nood is het simpel: die help je. Altijd, overal én onvoorwaardelijk.’ Ja, daar kan ik weinig op zeggen, want het zijn inderdaad kinderen en ze zijn in nood.
     ’t Is anders een raar stuk dat Kerkhove geschreven heeft. ‘Oordelen is zoveel makkelijker dan denken,’ waarschuwt hij in de eerste zin. Maar wat verderop vergeet hij dat denken helemaal. ‘Ken jij één vader of moeder’, schrijft hij,  ‘die vindt dat zijn of haar kind een extra straf verdient voor het eigen crimineel gedrag?’ Voor het eigen crimineel gedrag?! Nee,  zulke mensen ken ik niet persoonlijk, maar wat een onzinnige vraag is het ook. Natuurlijk vinden criminelen niet dat hun kinderen moeten worden gestraft. Meestal vinden ze dat ze zelf ook niet moeten worden gestraft. Ook heb ik die criminelen niet nodig om te weten dat kinderen niet schuldig zijn aan de misdaden van hun vader of moeder. Maar moet ik Kerkhove nu op zijn stommiteit wijzen op een ogenblik dat die kinderen nog altijd echt in nood zijn? Ik voel mij daar ongemakkelijk bij.
     Het zijn anders niet allemaal emoties die je in de discussies ziet; er wordt ook wel eens inhoudelijk over de zaak getwist. Theo Francken schreef een stuk voor Doorbraak waarin hij vier redenen aanhaalde om de IS-kinderen ‘niet actief te repatriëren’. Hij kreeg een antwoord van Hendrik Wallijn. Dat antwoord was ook emotioneel. Wallijn spreekt als ‘pleegvader van twee fantastische pleegkinderen’ en verwijt ‘Francken en de hele N-VA-top’ hun ‘onmenselijkheid’. Hij maakt zelfs bezwaar tegen het woord ‘IS-kinderen’. ‘Het ontmenselijkt die kinderen,’ schrijft hij. Ik volg hem niet in dat laatste bezwaar, want ik hou van taalkundig gemak. Maar ondertussen vergeet Wallijn de inhoud niet en antwoordt hij zorgvuldig op alle redenen die Francken had opgegeven.
     Ik werd in die twist getroffen door één punt. Francken wilde vooral vermijden dat, na de IS-kinderen, later ook de IS-moeders, en nog later de gesneuvelde en weer verrezen IS-vaders zouden volgen. Wallijn vindt daarentegen dat die moeders en vaders ook terug moeten kunnen keren. We moeten volgens hem consequent zijn.  ‘Als we buitenlandse criminelen hier veroordelen,’ schrijft hij, ‘en dan naar het land van herkomst brengen, moeten we binnenlandse criminelen kunnen berechten en in een Belgische gevangenis plaatsen.’ Met die ‘binnenlandse criminelen’ bedoelt hij IS-strijders die de Belgische nationaliteit hadden.
     Ik weet niet of dat waar is – dat wij hier zo consequent mogelijk moeten zijn. Een land als het onze wil geloof ik zo weinig mogelijk criminelen op eigen bodem. Als een buitenlander in ons land zware misdaden begaat, willen we die liever kwijt dan rijk. Als het land waar hij vandaan komt, hem uit onze handen wil overnemen en hem zelf in de gevangenis wil stoppen, dan komt ons dat goed uit. Omgekeerd gebeurt het dat een Belg in het buitenland misdaden begaat, terrorisme of moord of drugsmokkel, en dat dat andere land hem graag wil houden om hem zelf te berechten en te straffen. Ook dat komt ons goed uit. Ik neem aan dat we als land bepaalde verplichtingen hebben tegenover zo’n burger, maar ik betwijfel of die verplichting ook inhoudt dat we hem met alle mogelijke middelen proberen terug te halen om hem in een onzer eigen gevangenissen te stoppen? Ik zou daar, als het om een IS-strijder gaat, niet sterk op aandringen.
     Wallijn vindt dat het allemaal een kwestie is van ‘inclusief nationalisme’, dat hij samenvat als ‘geen Belg = geen rechten, wél Belg = wél rechten.’ Dat laatste beginsel treed ik bij, maar ik weet niet of het veel met het eerste te maken heeft. Ik weet het niet zeker, want ik ben geen nationalist, maar ‘inclusief nationalisme’ lijkt mij te gaan over de bereidheid om nieuwkomers, onder bepaalde voorwaarden, op te nemen als leden van de eigen samenleving. IS-strijders geloof ik voldoen niet aan die voorwaarden.

donderdag 13 juni 2019

Ik ben vierenzestig geworden*

     Voor de meesten van ons – ik laat meditatiemensen die in het ‘nu’ leven er eventjes buiten – wordt het bestaan vooral draaglijk door de gedachte dat er morgen of overmorgen, of volgend jaar, iets leuks zal gebeuren. Als je wat ouder wordt, krijgt die situatie iets van een paradox. Morgen of overmorgen of volgend jaar overkomt je misschien iets leuks, maar je bent dan ook een dag, of twee dagen of een heel jaar dichter bij je levenseinde**. In een sombere stemming schreef Shakespeare

                To-morrow, and to-morrow, and to-morrow,
                Creeps in this petty pace from day to day,
                To the last syllable of recorded time.

     We zijn daar door de week gelukkig niet zo mee bezig, maar onze voorgangers waren daar ook niet zo mee bezig en, kijk, waar zijn ze nu? ‘And all our yesterdays have lighted fools the way to dusty death,’ had de melodieuze Zwaan van Stratford-upon-Avon nog verder verduidelijkt.
     Neem nu mijzelf. Ik ben onlangs 64 geworden. Ik kan dus volgend jaar met pensioen. Dat is iets om naar uit te kijken. Gedaan met vergaderingen bijwonen, 
visieteksten lezen, ‘toezichten’ doen, huistaken verbeteren, examens regelen, emails beantwoorden. Ook zal ik dan een half uurtje of een uurtje langer kunnen slapen. Dat is allemaal uitstekend nieuws voor volgend jaar. Maar volgend jaar ben ik ook alweer 365 dagen kwijt van de rest van mijn leven nu. Ik mag daar niet te veel aan denken want onthechting is mij vreemd: wat ik heb, hou ik met de twee handen vast, en ik doe niet graag afstand van iets.
     Nu moet je niet denken dat ik daar erg ongelukkig van word, want dat is niet zo. Van karakter ben ik een lichtjes ordinaire optimist. Bij mijn pensioen denk ik niet aan ziekte en verval maar aan boeken lezen en inbinden, stukjes schrijven, muziek beluisteren, kleine uitstapjes maken met de fiets of met de trein***. Dat zijn allemaal leuke dingen om te doen. Je kon daar vroeger over lezen in het tijdsschrift ‘Genieten’, dat zich tot een ‘iets oudere doelgroep’ richtte.
     Dat genieten in pensioenverband heeft iets griezeligs. Wij zijn er als mensen niet op ingesteld om krenten te eten zonder het brood eromheen. We willen moeilijkheden overwinnen, vijanden verslaan, ons engageren voor de goede zaak, plannen maken voor de toekomst. En met die plannen steekt onze paradox van daarstraks zijn lelijke kop weer op. Stel dat ik Russisch zou willen leren. Ik wil dat helemaal niet, maar stel. Dan zou ik lessen kunnen volgen aan het Centrum voor Levende Talen in Leuven. Dat zou wat voeten in de aarde hebben, want op mijn leeftijd een nieuwe taal leren is moeilijk. Maar als ik zeven jaar lang vlijtig naar de les ga, en mijn lessen goed voorbereid en herhaal, dan zou ik wellicht een aardig woordje Russisch kennen … als ik 72 ben. 72! Dan sta ik met één voet in het graf. Wat ben ik dan met dat Russisch?
     De truc is natuurlijk om je grote doel op te splitsen in kleinere doelen. ’t Is een raad die opgaat voor allerlei mensen: zakenlui – alhoewel die liever over ‘targets’ spreken –, geneeskundestudenten, wereldverbeteraars, bergbeklimmers, anonieme alcoholisten, huizenverbouwers. Zelf zou ik bijvoorbeeld graag piano kunnen spelen. Ik heb daar geen aanleg voor, maar ik zou het graag kunnen. Als ik alle graden van de muziekacademie doorworstel, en de meeste jaren ervan twee keer, dan kan ik op het einde van het parcours een aanvaardbare prelude en fuga van Bach spelen. Maar dan ben ik 80! En waarom zou ik met alle geweld zo’n prelude en fuga willen spelen? Ik heb die allemaal op mijn mobieltje staan en ik speel ze af wanneer ik wil.
     Ik ga dat anders aanpakken. Ik heb onlangs op het internet een boekje gekocht met allerlei klassieke stukjes in heel erg vereenvoudigde versie: Für Elise, Mondschein Sonate, Jesu meine Freude, Canon in D, Air, Claire de Lune. Het boekje heet ‘Very Easy Collection For Beginners’. Niet alleen ‘easy’ maar ‘very easy’, en dan nog voor ‘beginners’. Op dat boekje staat een prentje van een klein meisje in een blauw jurkje dat die stukjes speelt met de ogen toe. Dan kan het niet zó moeilijk zijn. Als ik flink oefen, kan ik die stukjes misschien volgend jaar ook spelen. Dan ben ik pas 65 en ligt de hele toekomst nog voor mij open.

* Voor mijn andere verjaardagsstukjes: zie hier, hier, hier en hier

** Als je nóg veel ouder wordt, verandert die paradox, geloof ik, in zijn tegendeel. Je kijkt dan uit naar een prettige gebeurtenis, en als het dan zo ver is, heb je het gevoel dat je de tussentijd van het wachten gewonnen hebt in plaats van verloren. Je kunt dan zeggen zoals Noëlle B. zei als ze een nieuwe besparingsmaatregel had bedacht: ‘Cest toujours autant de gagné sur l’ennemi’.

*** Veel commentaren lezen op Facebook is er eigenaardig genoeg niet bij als ik aan die toekomstige activiteiten denk. 

dinsdag 11 juni 2019

Afpersing binnen de PVDA?

   Op RTL was er vorige zondag een journalist die anonieme getuigenissen had verzameld over de interne werking van de PVDA. De militanten van die partij, vertelde hij onder andere, werden onder druk gezet om een substantieel deel van hun loon – alles wat boven een bepaald minimum ging – af te staan aan de partij. Een echtpaar dat samen 3000 euro verdiende moest alles afstaan boven de 2100 euro.*
        Raoul Hedebouw heeft die financiële kwestie nogal gemakkelijk afgewimpeld: ‘Elk lid van de PVDA betaalt gewoon 20 euro per jaar. Koppels krijgen een korting en betalen samen 30 euro per jaar. Georganiseerde leden betalen 60 euro steungeld per jaar. Ten slotte kunnen militanten met een hoog inkomen ervoor kiezen om aan een arbeidersloon te leven.’ Hij begon zijn uitleg met: ‘Het is simpel.’ (Zie hier)
     Maar het bijdragesysteem van de PVDA is niet simpel. Enkele maanden geleden heeft  de partij zelf nog in grote lijnen het systeem van het ‘referentiebudget’ uitgelegd (hier). Het gaat om een systeem dat geldt voor ‘kaderleden en militanten die verantwoordelijkheid dragen’. Voor een alleenstaande zonder kinderen start dat budget vanaf 1755 euro. Wat hij daarboven verdient draagt hij volgens zijn ‘vrijwillige en individuele keuze’ af aan de partij. Wat is het referentiebudget voor een gezin van twee personen? 2500 euro? Dan zouden twee leraren met een masterdiploma die allebei ‘militeren’ en van wie de kinderen de deur uit zijn maandelijks het verschil tussen hun gezamenlijk inkomen – 5000 euro – en het referentiebudget – 2500 euro? – in de partijkas moeten storten. Gebeurt dat? Ik weet bijna zeker van wel.
     Maar ze doen dat ‘vrijwillig’ luidt de uitleg van PVDA. Die militanten berekenen zelf welk deel van het verschil ze daarvan afdragen: 500, 1000, 1500, 2000 of de volle 2500 euro. Dat klinkt goed. Maar als die militanten toch zelf beslissen, wat is dan de zin van het hele referentiebudget? Of is het toch een listig drukkingsmiddel om mensen bedragen te laten storten die ze helemáál vrijwillig eigenlijk niet zouden storten.
    Ik kan mij bij dat ‘vrijwillig’ allerlei problemen voorstellen.
    Zelf ben ik een groot deel van de jaren 70 en 80 militant geweest van Amada-PVDA of aanverwante organisaties**. Toen ging het er op vlak van bijdragen nogal Spartaans aan toe. We kregen jaarlijks een lange tekst met berekeningen, normen en geïndexeerde bedragen***. Ik geloof dat die referentienorm op een bepaald ogenblik 13 000 fr was toen ik 20 000 fr verdiende. Ik was toen alleenstaand. Maar het kon ingewikkelder. Een koppel mocht bijvoorbeeld samen 21 000 fr houden, plus het kindergeld, plus daarbovenop nog een extra som per kind. Wie een auto bezat – want íemand moest de kameraden naar  de fabriekspoort voeren – kreeg nog een extra budget. Er was bij de tekst zelfs een bijlage gevoegd waarin berekend werd welke auto binnen de norm paste: een Renault R4.
     Over die regels werd binnen de partij nooit moeilijk gedaan. Buitenstaanders vonden het raar dat wij overal op stakingen aandrongen tegen te lage lonen, terwijl wij het beste bewijs leverden dat je met een nog lager inkomen toch kon rondkomen. Maar zelf zagen we dat probleem niet.
    Er waren eigenlijk maar twee moeilijkheden. Wat deed je met gemengde huwelijken, dat wil zeggen met partijmilitanten die getrouwd waren met een niet-militant? Je kon moeilijk de gezinsregel toepassen, want dan kwam je aan het loon van de partner en die deed al zo lastig over de bijdragen. En hoe berekende je het bijkomende budget voor de kinderen? Moest dat gesplitst worden? Ik weet niet meer hoe dat allemaal geregeld werd, maar het was stof voor discussie.
     En dan was er een tweede moeilijkheid: wat deed je met erfenissen? Ook daar waren uitgebreide richtlijnen over, maar in wezen kwam het hierop neer dat je die erfenis in de partijkas moest storten. Er zijn partijleiders die met de noorderzon vertrokken toen ze een mooi huis erfden dat ze niet aan de partij wilden afstaan. In de cel waar ik in de jaren 70 lid van was – een basisgroep in de communistische partij heet een ‘cel’ – was er een jongen die een paar miljoen erfde toen zijn vader stierf. Die was fabrikant geweest. Die jongen wou een deel van het geld aan de partij geven en een ander deel verdelen onder de arbeiders die door zijn vader uitgebuit waren geweest. Daar is toen flink over gediscussieerd tot die jongen begreep dat hij geen geld moest storten aan de arbeiders – dat was ‘arbeiderisme’. Nee, dat geld moest naar de partij van de arbeiders gaan.
     Maar behalve die gemengde huwelijken en die erfenissen was er weinig discussie. Als je partijlid werd, wist je waar je aan begon. De economische crisis kon elk moment uitbreken, de staat evolueerde naar fascisme, de supermachten bereidden een derde wereldoorlog voor – dan was een bijdrage van een paar duizend frank meer of minder het laatste van je zorgen. En er waren duidelijke afspraken. ’t Is zoals met de orde en tucht in de klas. Als de regels duidelijk zijn, ontstaan er weinig problemen.
     De strenge bijdrageregels hadden echter ook een nadeel. De bedoeling van de partij was om arbeiders te rekruteren uit ‘de grote fabrieken’, en daar waren stevige syndicalisten bij die het communisme genegen waren, maar die niet bereid waren een derde van hun loon af te dragen. Er werd dus een nieuwe regel ingevoerd. Voor gewone leden, en kleinburgerlijke studenten die in een fabriek waren gaan werken, zoals ik, bleef de oude referentienorm gelden, maar voor échte fabrieksarbeiders, arbeiders van vader op zoon, kwam er een nieuwe regel. Zij konden militant worden als ze een bijdrage betaalden van enkele honderden franken in de maand. Die regeling was voor die arbeiders voordelig, maar voor de partijkas nadelig. Daarom werd er een voorwaarde aan toegevoegd. Om de zoveel maanden moest op de celvergadering ‘de discussie worden aangegaan’ om bijdrage geleidelijk te verhogen in de richting van de algemene norm.
     De cel waar ik in de jaren 80 lid van was – een andere dan die van hierboven – telde maar twee échte arbeiders. Een ervan was onlangs afgedankt en zijn inkomen was lager dan de referentienorm. Maar de andere had een inkomen dat daar flink boven kwam. Elke maand bracht die brave man vier of vijf briefjes van duizend frank mee om zijn bijdrage te betalen. Ik voelde mij daar altijd erg beschaamd bij. De man betaalde veel meer dan het minimum. Toch had de cel de plicht om - ik geloof om de drie maanden - ‘de discussie aan te gaan’ zodat die bijdrage nog hoger werd. Ik geloof niet dat we daar in onze cel ooit sterk op hebben aangedrongen. Ik denk dat de andere leden ook een beetje beschaamd waren.
     De PVDA van nu is in veel opzichten een andere partij dan die die ik heb gekend
.Dat referentiebudget is echter een hardnekkig restant uit de oude tijd. Dat Raoul er nu slechts in heel vage woorden naar verwijst, bewijst dat hij het sekte-achtige ervan wel aanvoelt. Het verklaart waarom hij liever spreekt over lidgelden van 20 en 30 euro. Het verklaart ook waarom hij benadrukt dat de helft van de PVDA-verantwoordelijken toch al kleine inkomens heeft, zelfs kleiner dan het referentiebudget, en dat die verantwoordelijken dus ook maar 20 en 30 euro moeten afstaan. Dat van die kleine inkomens is best mogelijk en ik heb ook een vermoeden hoe het komt. Er zullen bij die partijverantwoordelijken nogal veel mensen zijn die slechts deeltijds werken zodat ze deeltijds partijwerk kunnen doen, en anderen die zich in slecht betalende vzw’s en ngo’s hebben genesteld waar ze aan politiek bekeringswerk doen.
      Sommige mensen vinden het sympathiek dat PVDA-parlementsleden het grootste deel van hun wedde aan de partij afstaan. En veel mensen vinden dat 6000 euro per maand voor een parlementslid veel te veel is.**** Maar een partij waar als norm geldt – ook al is het geen regelrechte verplichting – dat je een substantieel deel van je loon afstaat, dat is een heel andere zaak. Wat gebeurt er, denkt de buitenstaander, als díe aan de macht komen? Moeten we dan ook verplicht een deel van ons loon afstaan? Of zal men dan met ons de discussie aangaan’? Dat is allemaal heel wat minder sympathiek. Raoul weet dat (hier).


* Die relatief lage bedragen verwijzen waarschijnlijk naar de situatie van enkele jaren geleden. Die ex-leden zeggen ook dat bij discussies over de bijdragen gevraagd werd om belastingsuittreksels mee te brengen. Raoul ontkent dat. Misschien is die praktijk ondertussen stopgezet. 

** De Kommunistische Jeugdbond, de studentenorganisatie MLB. Dat waren heel kleine organisaties die wij ironisch genoeg ‘massa-organisaties’ noemden, in tegenstelling tot de partij zelf die alleen een elite rekruteerde.

*** Die indexering moet nog altijd gangbaar zijn, gelet op de niet afgeronde norm van 1755 euro.


*** Ik vind dat niet (hier).

zaterdag 8 juni 2019

Koekje van eigen deeg

     Jan zijn vriendin Kaat zit soms bij ons aan de ontbijttafel. Dat is sinds kort een hele eer, want Kaat heeft deelgenomen aan het populaire televisieprogramma De Mol en wordt op straat herkend. Velen dachten indertijd dat Kaat zelf de mol was, maar dat was niet zo. In elk geval, Jan, Kaat, mijn vrouw en ik eten dan van dat lekkere Breughel Bruin van Delhaize, waar ik al eens over geschreven heb . Kaat is het met mij eens dat dat Breughel Bruin het lekkerste brood ter wereld is en zij kan het weten want ze is tot in de binnenlanden van Vietnam gereisd om iets beters te vinden.
     Met mijn jongste broer spreek ik wel eens over dat brood. Mijn broer is net als ik groot geworden op bruin brood van Wevelgemse bakkers* – die van Wervik deugden niet – en dan mag je je een kenner noemen. ‘Dat Breughel Bruin,’ zegt mijn broer, ‘is niet helemáál hetzelfde als het Wevelgemse brood van vroeger, maar het komt in de buurt.’ ‘Het komt áárdig in de buurt,’ antwoord ik dan. Maar dáár gaat mijn broer weer niet mee akkoord. Aardig in de buurt doet aan de verschillen geen recht, vindt hij.
     Het brood kun je bij ons in Keerbergen kopen in de grote én in de kleine Delhaize. Meestal koop ik er dan twee of drie tegelijk, waarna de broden in een dubbele zak worden gestopt om langer vers te blijven. Het gebeurt dat ik op die manier heel egoïstisch de laatste twee of drie broden van het rek neem, en dat is pijnlijk voor andere klanten die al klaar staan om ook hún brood te nemen.
     Maar vandaag gebeurde dus het omgekeerde. Ik kom in de grote Delhaize en ik zie al van in de verte dat er nog drie broden zijn. Ik voel een kleine serotoninestoot. Plots duikt uit het niets een mevrouw op met een grote tas en ze gaat voor mijn neus met die drie broden aan de haal. Weg serotonine. Ik krijg een koekje van eigen deeg. Je reçois la monnaie de ma pièce. I get a taste of my own medicine. Katholieke theologen zouden hierin een geval van immanente rechtvaardigheid herkennen of van ‘contrapasso’, zoals in de Hel van Dante, waar de straf van de zondaars gelijkt op – of het tegendeel is van – de zonde zelf.
     Mijn verhaal, beste lezer, kent net als de Comedia, een  gunstige afloop. Na mijn ongelukkige wedervaren ben ik gauw gauw naar de kleine Delhaize gereden om te kijken hoe het aldaar** gesteld was met het Breughel Bruin. Ik zag het al van in de verte: er waren er nog drie. Schuimend stroomde de serotonine uit mijn hersencellen.


* Over de Wevelgemse bakkers: zie ook de Gedenksschriften van mijn klasmakker Arnold Seynaeve.
** ‘Aldaar’ vind ik een leuk woord. Mijn leerlingen vertellen soms dat één of andere auteur, Elsschot bijvoorbeeld, te Aldaar is overleden. Als ik dan in de lach schiet, zeggen ze verontwaardigd dat het zo op Wikipedia staat.

dinsdag 4 juni 2019

Cordon


     Of je als partij wel of niet aan tafel mag zitten met Vlaams Belang kun je niet laten afhangen van een document dat dertig jaar gelden werd ondertekend door lang vergeten staatslieden als Geysels, Van Peel, Hancké, Beysen, Anciaux (Vic!) en een zekere ‘J. Decorte’. Het duurde even voor ik begreep dat het bij die laatste om Jan Decorte ging die voor Van Rossem in de Vlaamse Raad zat. Ik heb lang geleden, voor de Punische oorlogen geloof ik, ooit eens een theaterstuk gezien waarin Jan de rol van een gekke koning speelde. ’t Was verschrikkelijk … In elk geval dus, dat document dat dertig jaar geleden werd ondertekend door J. Decorte, verwijst expressis verbis naar een partij die niet meer bestaat – het Vlaams Blok  – en naar een program dat verlaten werd – het 70-puntenplan dat ooit werd uitgedokterd door Filip Dewinter*. Dát cordon sanitaire is een vodje papier.
    ’t Was anders ook een gek idee. Zes partijen beloven aan elkaar om geen coalitie aan te gaan met het Vlaams Blok. Maar waarom moeten ze zoiets beloven? Als een partij niet wil samenwerken met het Vlaams Blok, kan toch niemand haar daartoe verplichten. Daar is helemaal geen cordon voor nodig. Als een andere partij zo’n samenwerking wél wil, is dat, zou je denken, de zaak van die andere partij, is ’t waar of niet? De ondertekende tekst bevatte wel mooie en hoogdravende principes, maar geen enkele partij betrouwde er blijkbaar op dat die principes zouden volstaan om de  ándere politieke partijen ervan af te houden een voordelige coalitie met het Blok te sluiten. Elke partij was bereid zich een hand op de rug te laten binden, maar alleen op voorwaarde dat elke andere partij zich ook een hand op de rug laat binden. Zoiets moet het geweest zijn. Maar ik wil niet te streng zijn. Door zo’n tekst te ondertekenen maakt men in de de eerste plaats een breed symbolisch gebaar en dat mag je niet te ernstig nemen maar je mag het ook niet kapot analyseren.
    Ondertussen moet elke Vlaamse partij, met of zonder cordon, na elke verkiezing opnieuw uitmaken of ze weer twee vrije handen wil of niet. De laatste dertig jaar wilde niemand dat. Hoe sterk of hoe zwak Vlaams Belang ook scoorde, samenwerking met die partij werd routineus uitgesloten. Men was dat nu eenmaal zo gewoon en ‘habit is a great deadener’ zegt Didi in Waiting for Godot. Maar met de laatste verkiezingsuitslag moet elke partij opnieuw voor zichzelf een aantal vragen beantwoorden. Hoever wijkt het politieke program van Vlaams Belang af van het eigen program?  Wat zijn de electorale vooruitzichten van een partij die samenwerkt met het Belang? Wat zijn de electorale vooruitzichten van het Belang zelf als het aan een regeringscoalitie deelneemt? Versterkt of verzwakt zo’n coalitie onze positie tegenover de Waalse partijen? En hoe zit het met de ‘ethische kwestie’ die zoveel emoties opwekt zowel bij voor- als tegenstanders?
     Die ethische kwestie is die van het racisme.
     Nu heeft het Vlaams Belang, geloof ik, weinig heuse racistische eisen in haar program. De mensen die het opstellen zijn geen idioten en ze kennen de wetgeving tegen het racisme. Ik zal het nog sterker zeggen: zelfs het 70-puntenplan van Filip Dewinter bevatte weinig racisme in de strikte zin. Het bevatte wel een reeks schunnige voorstellen tot  discriminatie, segregatie en deportatie.  Een apart onderwijsnet voor kinderen van vreemdelingen. Een belasting op tewerkstelling van vreemdelingen. Verbod voor vreemdelingen om eigendom te verwerven. Verbod voor vreemdelingen om verenigingen op te richten zonder voorafgaande toestemming van de overheid. Verbod voor vreemdelingen om van beroepssector te veranderen**. Een begeleide verwijdering van vreemdelingen in drie fasen: eerst de illegalen, criminelen en werklozen, dan de eerste generatie, ten slotte de tweede en derde generatie. Vervang hierboven telkens het woord ‘vreemdeling’ door het woord ‘Jood’ en je krijgt een soort naziprogram. Probeer het maar eens. ‘Een belasting op de tewerkstelling van Joden.’ In het plan staat evenwel niet ‘Jood’ of ‘Marokkaan’ of ‘Turk’ maar ‘vreemdeling’, en élke wetgeving maakt een terecht onderscheid tussen de rechten van de eigen staatsburgers – die dus evengoed van Marokkaanse of Turkse afkomst kunnen zijn – en die van vreemdelingen die nog niet tot staatsburger genaturaliseerd werden.***
     Racisme is een ruim woord. Je kunt een heel klein beetje racist zijn, of juist heel erg. Het kan zijn dat je liever niet wil dat je dochter trouwt met een jongen van een andere groep (1), of dat je over mensen van een andere groep denkt in stereotypes (2) of dat je je meer op gemak voelt onder mensen van je eigen groep (3), of dat je mensen van een andere groep wantrouwt (4), of dat je vindt dat de groepen beter gescheiden blijven (5), of dat mensen van een andere groep minderwaardig zijn (6), of minder rechten horen te hebben (7), of als vijanden moeten worden uitgeroeid (8). Er zijn overigens ook overtuigingen en gevoelens die slechts zijdelings met racisme te maken hebben. Je houdt bijvoorbeeld niet van enig ideeëngoed – zoals de islamgodsdienst – dat sterk leeft in een andere groep. Dat is op zichzelf helemaal geen racisme. Je bent geen racist omdat je ideeën verfoeit. Maar zo’n afkeer van ideeëngoed kán veroorzaakt worden door een afkeer voor de groep mensen die dat ideeëngoed aanhangt of, omgekeerd, de verachting voor dat ideeëngoed kán ertoe leiden dat je de groep mensen die het aanhangt ook gaat verachten.
     Filip Dewinter verdenk ik, op grond van zijn 70-puntenplan, minstens van het racisme dat ik hierboven beschreef onder (5): dat groepen gescheiden moeten blijven. Dat is al een redelijk extreme vorm van racisme. Tegelijk verdenk ik álle, of toch de meeste, of toch heel veel, Vlamingen ervan om een klein racistisch huisdiertje te onderhouden in een slecht verlicht hokje van hun geest. Sommigen zijn daar dan een beetje beschaamd over. Het zit misschien in de menselijke natuur maar het hoort niet. Die schaamte verklaart meteen de heftigheid van de discussie over het cordon. De linkse Vlaming probeert krampachtig te bewijzen hoe weinig racistisch hij is door een grote fluim op Vlaams Belang te spugen en de rechtse Vlaming wordt dan woest omdat hij daar een vorm van goedkope hypocrisie in ziet. ‘Die linkse rakker is als het erop aankomt even racistisch als ik,’ denkt de rechtse Vlaming, ‘maar hij doet zich voor als een heilig boontje.’ En van een hautaine Waal verdraagt hij nog minder. Als de Waalse pers over extreemlinks schrijft: ‘Le PTB au moins n’est pas raciste’, hoort de rechtse Vlaming: ‘Nous au moins, on n’est pas raciste.’
    Als alle, of de meeste, of heel veel, mensen in zekere mate tot racisme geneigd zijn, is ook de vraag beantwoord of Vlaams Belang racistisch is. Natuurlijk is de partij dat – in zekere mate. Er leven racistische gevoelens zowel in de partij zelf als onder het kiespubliek van de partij. Die leven immers overal. Die leven dus ook in de andere partijen en onder het kiespubliek van de andere partijen. Alleen is dat racisme onder het Vlaams Belang-publiek, geloof ik, openlijker, ruimer verspreid, en bevat het meer van de erge varianten. Men mag daar van mij gerust eens een sociologische studie over maken, als ik die maar niet hoef te betalen. Maar hoe je het draait of keert, dat racisme van Vlaams Belang is een kwestie van graadverschil, en geen verschil van essentie.
     ’t Doet ook niet zoveel ter zake, vind ik. Sam Van Rooy, heb ik begrepen, is een hardliner binnen Vlaams Belang. Ik ben tegen hardliners. Maar is Sam een grotere racist dan bijvoorbeeld ikzelf? Sam lijkt mij juist iemand die er geen graten in zou zien als zijn dochter met een Marokkaan of een Soedanees thuiskwam, als die maar atheïst is en een boekje tegen de islam geschreven heeft. Maar als ik met hem zou moeten overhandelen over een coalitie zou de relatie die hij heeft met zijn Marokkaanse of Soedanese schoonzoon het laatste zijn waar ik rekening mee hield.
     Bij coalitiebesprekingen mag het, vind ik, niet te veel gaan over bewuste of onbewuste neigingen, valse of echte schaamte, en over vermoedens van achterliggende motieven. Ethiek speelt een rol, maar vooral in de mate dat ze gestalte krijgt in beleid. En dat beleid moet voor mij – waar het migratie betreft – twee soorten maatregelen samenbrengen: het beperken van de immigratie en het integreren van de immigranten. Het Vlaams Blok propageerde het eerste en verwierp het tweede. Het Vlaams Belang propageert nog altijd het eerste en heeft weinig te zeggen over het tweede. Dat is onvoldoende.
     Geloven dat gelijk welk integratiebeleid op korte of middellange termijn tot een harmonieuze samenleving tussen oude en nieuwe Vlamingen zal leiden is onrealistisch. Het zou al goed zijn als het er voorlopig voor zorgde dat onze samenleving niet nog meer uit elkaar viel. De geschiedenis van de laatste vijftig jaar heeft laten zien dat er niet alleen integratieproblemen zijn met de eerste, maar ook met de tweede, de derde en de vierde generatie. Dat zal niet snel veranderen, want het gaat hier om gedrag van mensen, en de mogelijkheid om gedrag van mensen door beleid bij te sturen is beperkt. De aanwezigheid van migranten laat ons evenwel maar drie keuzes: integratie****, segregatie of deportatie. Wie niet met – desnoods wat geforceerd – enthousiasme de eerste keuze omarmt, impliceert dat hij de tweede en de derde keuze achter de hand houdt.
     Ik hoop vurig dat een toekomstige regering een heel strikt anti-immigratiebeleid voert. En dat de daaropvolgende regering een nog strikter beleid voert. Maar zo’n beleid heeft ook zijn nadelen. Het heeft iets egoïstisch. Mensen die hier heel graag willen komen wonen, houd je tegen omdat het óns gezellig samenzijn verstoort. Het is ook egoïstisch van die mensen om óns gezellig samenzijn te verstoren, maar dat terzijde. Je sluit mensen op in centra omdat ze anders onderduiken in de illegaliteit. Je wijst mensen uit omdat ze niet weerhouden worden in een of andere bureaucratische procedure. Je vergroot het onderscheid tussen de rechten van de eigen burgers – van welke origine ook – en nieuwe vreemdelingen om op die manier immigratie minder aantrekkelijk te maken. Dat is allemaal noodzakelijk, en het alternatief is dat van open grenzen – een alternatief dat ook PVDA en Groen niet onomwonden durven verdedigen. Maar het blijft hardvochtig.
    En dan is er nóg een nadeel. Door mensen tegen te houden geef je de indruk dat er met die mensen iets mis is. Dat het profiteurs zijn, of misdadigers, of potentiële terroristen. Door die indruk te geven zorg je ervoor dat de ergere vormen van racisme zich ruimer onder de bevolking verspreiden. Natuurlijk zijn er onder de de migranten profiteurs en misdadigers en potentiële terroristen, en misschien wat meer dan onder de West-Vlaamse plattelanders, maar de meeste van die immigranten willen gewoon van een arm land naar een rijk land verhuizen, iets wat die West-Vlaamse plattelanders ook zouden willen als de situatie omgekeerd was. Wij houden die migranten tegen omdat het ons minder goed uitkomt, en niet omdat ze minderwaardige mensen zijn. Het zijn mensen zoals wij, en door integratiemaatregelen te nemen voor de migranten die hier al wonen, en die maatregelen met enige ophef te verkopen, laten we zien dat we dat ook geloven.
     Vlaams Belang heeft aangekondigd dat het aan de coalitiegesprekken deel wil nemen ‘zonder breekpunten’. Good for them. Zelf heb ik, hoewel ik aan die gesprekken niet deelneem, wél een breekpunt. De partij moet zich dringend met de integratiegedachte verzoenen, die gedachte met enige overtuigingskracht uitdragen, en in een moeite door Filip Dewinter eens en voorgoed op zijn plaats zetten.
     En wat doe je met het extreme anti-islamverhaal van Vlaams Belang, zul je vragen. Ja, daar schrijf ik misschien later nog eens een stukje over. Dit hier is alweer veel te lang.

* Het 70-puntenplan werd verlaten door Vlaams Belang, maar werd nooit verloochend door Filip Dewinter, zoals blijkt uit een gesprek met Etienne Vermeersch uit 2004 (hier). Dewinter vond zijn plan van toen ‘niet langer realistisch’ maar veel erder ging hij niet. 

** Bij dat laatste punt wordt er fijntjes op gewezen dat de vakbonden zoiets in de jaren zestig al vroegen.


*** Het 70-puntenplan bevat de ontstellende bepaling dat vreemdelingen die genaturaliseerd werden na 1974 hun burgerschap weer kunnen verliezen als ze ‘onvoldoende geassimileerd’ blijken.

**** Het 70-puntenplan gebruikt de termen ‘integratie’ en ‘assimilatie’. Mij maakt de term niet veel uit, maar ik begrijp wel dat hier een inhoudelijke discussie kan worden gevoerd. Ik kreeg gisteren een een brief van de VUB om geld te vragen voor een project om Arabische taallessen te organiseren. Dat zou Arabische kinderen helpen om zich open te stellen voor onze cultuur. Bij deze laat ik de VUB weten dat ik voor die vormen van ‘integratie’ geen geld stort.

vrijdag 31 mei 2019

Verkiezingen - Losse gedachten bij de

* Bij het avondeten vroeg ik wie aan tafel een oplossing had voor de politieke impasse. Vrouw en kind zwegen en zelf wist ik ook niets te verzinnen. Van de Lanotte, Reynders, De Wever en Di Rupo zullen de knoop dus zelf moeten ontwarren.

 * De stemtest van vrt en rtbf werd meer dan drie miljoen keer ingevuld. Ik heb dat zelf niet gedaan, maar ik ken mensen die tot hun grote verbazing uitkwamen bij PVDA of Vlaams Belang, terwijl dat juist de partijen waren waar ze helemaal niet op wilden stemmen en waar ze ook niet op hébben gestemd. Zelfs goed gemaakte stemtesten bevoordelen blijkbaar de partijen die de meest onrealistische zaken beloven.

* Ik heb in een stukje vóór de verkiezingen vijf redenen gegeven waarom kiezers van N-VA naar Vlaams Belang overstapten. Daar komt nu nog een reden bij: mensen stemmen graag voor een underdog maar toch vooral als die groot en sterk is.

* Een VRT-reporter vroeg aan Theo Francken of hij met zijn ‘terminologie’ niet mee verantwoordelijk was voor het succes van Vlaams Belang. Dat was een domme vraag. Wie naar de resultaten kijkt van N-VA en het Belang in Vlaams Brabant ziet dat daar het omgekeerde is gebeurd.

* Je kunt met hetzelfde gemak zeggen dat een bepaald soort linkse propaganda verantwoordelijk is voor het VB-succes. Als je voortdurend beweert dat N-VA niets meer is dan een light versie van Vlaams Belang, dan moet je niet schrikken als mensen uiteindelijk het ándere product kiezen. 

* Heeft trouwens ooit al een VRT-reporter aan een SP.a-kopstuk gevraagd of hun linkse kiesbeloften mee verantwoordelijk zijn voor het succes van PVDA?

* N-VA heeft in de campagne goed ingespeeld op de thema’s die zich aandienden: klimaat, onderwijs en zelfs verkeer, al was dat in de vorm van een koerswijziging. Je kunt niet decreteren waar een campagne over moet gaan. Maar de naam Marrakesh had wellicht wat vaker mogen vallen.
* De PVDA-kiezer wil zaken die niet samengaan op korte termijn: hoger loon, hoger pensioen, minder werkuren, lagere pensioenleeftijd. Maar op lange termijn kunnen die doelen wel degelijk samengaan door een stijging van de productiviteit.

* De Vlaams Belang-kiezer wil iets wat onmogelijk is op korte én op lange termijn: minder vreemdelingen op straat. Het is wél mogelijk om de grenzen voor ongewenste migratie min of meer te sluiten, maar de vreemdelingen die hier al zijn, blijven op straat rondlopen en blijven kinderen hebben. En hun geslaagde inburgering zal niet voor morgen zijn.
* Ik kreeg op mijn Facebookpagina herhaaldelijk een filmpje te zien van Vlaams Belang waarin minister Homans over de hekel werd gehaald. Homans had ‘met plezier’ gratis inburgeringscursussen aangeboden aan vreemdelingen. 4300 euro per persoon! En ik die dacht dat Vlaams Belang juist verplichte inburgeringscursussen (hier) wilde. Of zouden de vreemdelingen die verplichte cursussen zelf moeten betalen, zoals de Mexicanen zelf voor Trumps muur zouden betalen?

* Ik heb verschillende commentaren gelezen over de fout die Bart De Wever gemaakt had in het debat met Crombez over de pensioenen. Maar niemand legde uit wat die fout nu juist was. Bij Jambers hoorde ik eindelijk de uitleg van De Wever zelf : ‘Ik wist dat dat van die levensverwachting in ons programma stond, ik kon dat dus niet ontkennen, maar, eerlijk gezegd, ik was vergeten dat daar duidelijk bij stond: “tegen 2070”.’
* In zijn boek ‘Identiteit’ geeft De Wever interessante oplossingen aan om de migratie te beperken en de integratie te bevorderen. Maar dan schrijft hij, op bladzijde 89: ‘Als gevolg daarvan [een goede inschakeling van de migranten in onze economie] zou ook het draagvlak en de tolerantie tegenover migratie opnieuw versterken.’ De Wever spreekt hier de zuivere waarheid. Maar ik zou zoiets nooit schrijven, uit angst dat niet Crombez maar mijn vijanden ter rechterzijde de zin uit zijn context zouden citeren en misbruiken.

* Vlaams Belang heeft haar racistisch verleden min of meer afgezworen, en PVDA heeft haar leninistisch-stalinistisch verleden min of meer afgezworen. Prima. Maar het doet mij ook denken aan die Rus met plasproblemen. Na een sondage van de blaas vroeg men hem hoe hij zich voelde. ‘Opgelucht,’ zei hij, ‘maar je weet wat men over laster zegt. Il en reste toujours quelque chose.’
* Het cordon lijkt terug te gaan op de gedachte dat racisme – of wat daarnaar zweemt – in de politiek een doodzonde is, terwijl korte-termijndenken, verspilling, corruptie, onrechtvaardige belastingen, maar dagelijkse zonden zijn.

* Je leest soms dat Vlaams Belang ‘racisme aanwakkert’ of ‘verdeeldheid zaait’ of ‘vijandbeelden creëert’. Dat racisme, die verdeeldheid en die vijandbeelden zouden dus niet bestaan zonder het Vlaams Belang. En dat is dan weer strijdig met de theorie dat dat racisme enzovoort in het Vlaamse DNA zijn ingebakken.
* N-VA zei tijdens de campagne dat Vlaams Belang de positie van links zou versterken door stemmen af te snoepen van regeringsbereid centrumrechts. Vlaams Belang antwoordde dat N-VA, als het erop aankomt, bereid is om in een coalitie te stappen met links. De twee beweringen zijn waar.

* Zou links blij zijn met een grotere versnippering van rechtse stemmen ook als dat een groter Vlaams Belang betekent? Dat weet ik niet. Ik ben rechts en ik ben niet blij met een grote versnippering van linkse stemmen als dat een groter PVDA betekent. Maar ik moet ook geen regering vormen.

zondag 26 mei 2019

Paljas

   De laatste tijd kreeg ik veel boodschappen van Vlaams Belang op mijn pagina waarin De Wever voor leugenaar en windhaan werd gescholden. Dat was eigenaardig, want het Belang beweerde tegelijk dat ze wilden samenwerken met N-VA. Zo’n samenwerking moet je anders aanpakken, vond ik, meer zoals De Wever die Crevits voor de camera het hof maakte.
     De Wever vatte de VB-campagne tegen hem op een beeldende manier samen: “Die partij is als iemand die elke dag een drol in een krant rolt, ze voor uw deur in brand steekt, aanbelt en wegloopt. En die dan nog loopt te roepen dat ze onze vriend zijn en dat ze ons de hand reiken.” Tom van Grieken begreep dat met opzet verkeerd, zoals politici dat vaak doen, en maakte ervan, voor de televisiecamera’s, dat Vlaams Belangs-stemmers door De Wever ‘drollen’ werden genoemd, waarop De Wever hem binnensmonds en ‘off-mike’ een “paljas” noemde. Niemand had het gehoord, tot Van Grieken begon te roepen: ‘Paljas! Paljas! Heb je dat gehoord?’
     Paljas of pias, het is een mooi woord. Jan vertelt mij dat sociaal incapabele Michiel het vaak gebruikt in De Ideale Wereld. Ik heb het ook eens gebruikt in een stukje over de ruzie in de Gentse gemeenteraad. Burgemeester Termont (Sp.a) had Siegfried Bracke (N-VA) voor profiteur uitgemaakt en Bracke had daarop gereageerd als een verongelijkt kind. Bracke was een pias, vond ik (hier).
     Gepast reageren op een beledigend woord, is een hele kunst. Toen Jan nog in de jeugdreeksen voetbalde, kreeg hij van een tegenstander wel eens te horen dat zijn moeder een hoer was. “En een hele goeie,” antwoordde Jan. “Ze verdient dubbel zoveel als jóuw moeder.” Dat was woord voor woord het antwoord dat mijn vrouw hem voor zulke situaties had ingeprent en dat hij als een gehoorzame zoon herhaalde.
     En niet alleen van mijn vrouw, maar ook bij Shakespeare kun je leren hoe je een belediging pareert. In Much Ado About Nothing laat de Bard zien hoe het niet moet. De schurk Conrade zegt tegen de schout: ‘Away! You are an ass!’ Waarop de schout antwoordt: ‘Dost thou not suspect my place! Dost thou not suspect my years? Oh, that he were here to write me down an ass! But masters, remember that I am an ass, though it be not written down, yet forget not that I am an ass.” En het hele verder stuk herinnert hij iedereen eraan dat hij door Conrade “an ass” genoemd werd. De lezer heeft begrepen dat de schout een paljas is.
     Wie echter géén paljas is, dat is koning Hendrik in Henry V. De Franse kroonprins stuurt een ambassadeur naar het Engelse hof met een beledigend geschenk: een stelletje tennisballen. Hendrik – althans Laurence Olivier – antwoordt met een fijn lachje, en trekt dan van leer:

We are glad the Dauphin is so pleasant with us;
His present and your pains we thank you for:
When we have match’d our rackets to these balls,
We will, in France, by God’s grace, play a set

Shall strike his father’s crown into the hazard.
And tell the pleasant prince this mock of his
Hath turn’d his balls to gun-stones; and his soul
Shall stand sore charged for the wasteful vengeance
That shall fly with them: for many a thousand widows
Shall this his mock mock out of their dear husbands;
Mock mothers from their sons, mock castles down;
And some are yet ungotten and unborn
That shall have cause to curse the Dauphin’s scorn.

So get you hence in peace; and tell the Dauphin
His jest will savour but of shallow wit,
When thousands weep more than did laugh at it.**


     ’t Is één van de mooie redevoeringen in het stuk en het laat overtuigend zien dat Hendrik geen paljas is. Met Hendrik kun je naar de oorlog, zoals we dat in Vlaanderen zeggen.


 

* In de vertaling van Burgersdijk wordt dat “Wat! Despecteert gij mijn ambt niet? Desepecteert gij mijn jaren niet? – O was hij nog maar hier om op te schrijven, dat ik een ezel ben! – Maar mannen, onthoud, dat ik een ezel ben; als is het niet opgeschreven, vergeet niet, dat ik een ezel ben.”

** In de vrije vertaling van Lannoye wordt dat:


Heb dank voor zijn present en uw presentie
En meld hem dat zijn ballen mij bevallen
Hij zoekt plaisanterie? Ik zal weldra,
Op Franse grond, mij graag laten verleiden
Tot een gepast partijtje jeu de boules.
De spotternij van uw plezante prins
Maakt van zijn zachte ballen stenen kogels
Voor mijn kanon; zijn ziel zal zuchten onder
De hete wraak die met elk projectiel
Verwoestend en vermalend in zal slaan.
Zijn spot lacht duizenden weduwen weg
Zwanst met vedriet van moeders om hun zonen,
Er zijn er die nog ongeboren zijn
En zijn gevoel voor humor reeds vervloeken.
Zodus, ga heen in peis en zeg uw prins

Dat men zijn grap maar flauw plezant zal vinden.
Bon voyage!