woensdag 27 februari 2019

Kerncentrales of brandhout

     Laatst werd ik getroffen door een wat ongelukkige kop in  Het Laatste Nieuws: ‘Experts maken brandhout van voorstel op N-VA-congres.’ ’t Ging over de nieuwe kerncentrales die ‘volksverlakkerij’ werden genoemd. Dat woord ‘verlakkerij’ vind ik wel aardig, maar ik had met de kop twee problemen. Ten eerste, dat brandhout. Dat is in de context een ongelukkige metafoor. Als we iets aan het milieu willen doen, moeten we juist van dat brandhout af zien te komen. En twee, die experts. Zoals het er staat, lijkt het wel of álle experts, of laten we zeggen 97 % ervan, tegen nieuwe kerncentrales zijn. In werkelijkheid laat Het Laatste Nieuws vier experts aan het woord. Als ik wat zoek, vind ik misschien vier experts die het tegenovergestelde beweren.
     Een van die experts is Alex Polfliet die consultancy aanbiedt over hernieuwbare energie. Hij vindt – wie had dat ooit kunnen vermoeden?– dat hernieuwbare energie beter is dan kernenergie. Een andere expert is Axel Verbruggen die milieu-econoom is aan UAntwerpen. Hij heeft zijn informatie van de ceo van Engie. Die heeft hem gezegd dat kernenergie ‘een aflopend verhaal’ is. Dat kan natuurlijk, maar ik vind dat de expert zoiets aan de ceo moet vertellen en niet andersom.
     Dan hebben we Pieter Vingerhoets van Energieville. Die vindt dat gascentrales beter zijn dan kerncentrales. ‘Efficiënte’ gascentrales, zegt hij, stoten weliswaar CO2 uit, maar nu hebben wij onze rechten op CO2-uitstoot verkocht aan andere landen. Als we die rechten nu terugkopen, moeten die andere landen hun CO2-uitstotende installaties sluiten. Ja, dat is waar. Overigens vraag ik mij af waarom we eigenlijk efficiënte gascentrales zouden bouwen. Onefficiënte centrales zouden beter zijn, want daarmee stoten wij nog meer CO2 uit, kunnen we nog meer rechten terugkopen en moeten die anderen landen nog meer installaties sluiten.
    Ten slotte hebben we Tomas Wyns van de VUB. Hij is het die het mooie woord ‘volksverlakkerij’ gebruikt. Zijn argumentatie wordt door de krant op zo’n manier weergegeven, dat je er kop noch staart aan krijgt. Hij lijkt het te hebben over de bouwtijd van nieuwe centrales, maar wellicht heeft hij het in werkelijkheid over de kostprijs. We zouden het aan hemzelf moeten vragen, want uit het krantenstuk komen we het niet te weten.
    Maar Tomas zegt ook iets dat mij doet mijmeren. De kernenergie, zegt hij, kan bij ons niet binnen de private markt. Het zou alleen kunnen met een ‘overheidsvehikel’. ‘Zoiets kan wel in China, maar niet bij ons,’ verduidelijkt hij.
     Als voorstander van de private markt en tegenstander van ‘overheidsvehikels’ moet ik zo’n argument even laten bezinken. Is de private markt niet in staat om de grote investeringen te doen die de bouw van een kerncentrale meebrengt? Dat zou me verwonderen. In de Noorse tv-serie ‘The State of Happiness’ (Lykkeland) kun je zien hoe Amerikaanse bedrijven hele grote bedragen investeren om de Noordzeebodem af te speuren naar olie en om boorplatforms te bouwen. Waarom zouden ze zulke bedragen niet kunnen investeren in kerncentrales?
    Daar zijn natuurlijk verschillende redenen voor. Zolang gascentrales goedkopere elektriciteit leveren, kun je beter dáár je centen in investeren. Maar als die elektriciteit uit gas duurder wordt gemaakt door CO2-taksen, valt die reden weg. Maar dan blijft er een andere reden: de onzekerheid over de toekomst. Nu moet wie investeren wil, zijn zenuwen onder controle hebben en om kunnen gaan met economische onzekerheid, anders zoekt hij beter een andere activeit. Maar met politieke onzekerheid ligt dat anders.
     Stel, je wil een kerncentrale bouwen. De prijs van een kerncentrale wordt voor een heel groot deel bepaald door de veiligheidsvoorschriften. Je  gaat bijvoorbeeld een centrale bouwen waarbij de kans op een meltdown is teruggebracht tot 1 op 10 miljoen jaar. Maar halverwege de bouwwerken, beslist de regering dat die kans moet verminderd worden naar 1 op 100 miljoen jaar. Daar sta je dan. Je kerncentrale kost dan niet drie keer meer dan je eerst had gedacht – want je had de kosten onderschat – maar dertig keer meer. Of nog sterker. Groen komt in de regering en dwingt een kernuitstap af. Het enige wat je nog kunt doen, is een schadevergoeding te eisen.

     Die politieke onzekerheid lijkt mij de belangrijkste reden waarom de private sector eerst nog een poos de kat uit de boom zal kijken. En het is meteen de verklaring waarom de zaken er in China anders voorstaan. Beslist de Chinese regering om kerncentrales te bouwen, dan moet niemand vrezen dat die beslissing en cours de route wordt herzien, na een tegenvallende verkiezing.
     Ik verwacht eigenlijk veel van de Chinese kameraden. Of kerncentrales nu economisch rendabel zijn of niet, zal daar in de praktijk worden uitgemaakt. Een staatseconomie als de Chinese is niet het beste systeem om de noden van de consumenten te kennen, sectoren op elkaar af te stemmen of om de totale behoefte aan energie correct in te schatten. Maar men moet er wel min of meer in staat zijn om af te wegen hoe eenzelfde product – elektriciteit – op de meest kostenefficiënte manier wordt geproduceerd.
     In mijn revolutionaire jeugd wist ik het al: het Rode China is een lichtbaken voor de hele wereld.

zondag 24 februari 2019

Greta Thunberg en die ándere Zweedse activist

     De foto van de kleine Greta Thunberg die moederziel alleen – weliswaar opgewacht door de pers – de trappen van een Brussels station afdaalt, heeft mij ontroerd: een vlechtenmeisje met kleurige sokjes, anorakje, rugzakje, skimutsje en een piekfijn beschilderd, uit duurzaam materiaal vervaardigd, protestbordje: ‘Skolstrejk for klimatet’. Koppige Greta is helemaal van Zweden gekomen met de trein, over Kopenhagen en Keulen vermoed ik, alhoewel een reis met het vliegtuig sneller en goedkoper is. Ze doet me denken aan het koppige Veenmanneke van Louis-Paul Boon. Als die jongen bij een spelletje wordt aangeduid om een eindje zuidwaarts te lopen, loopt hij aan een stuk door tot hij een maand later de zuidkust van Frankrijk bereikt.
     Greta Thunberg kwam eigenlijk om deel te nemen aan de donderdagse klimaatbetoging, maar nu ze toch in Brussel was, mocht ze ook een toespraakje houden voor de Europese Commissie. Ze leek niet in het minst onder de indruk van het hoge gezelschap. Ze las gewoon haar tekstje voor. Hier was geen enthousiaste spring-in-’t-veld aan het werk als Anuna De Wever, die je makkelijk kunt verwarren met een deejay op een popfestival of een animator voor bejaarden in Torremolinos. Hier was het anders. Hier sprak een kind van vijftien haar zekerheden uit over het lot van de mensheid. Ik vond het nogal beangstigend. Ik stel mij geestdrijvers voor als oude mannen –  Savonarola in het vijftiende-eeuwse Florence of de High Sparrow in Game of Thrones. Ik denk niet meteen aan kleine meisjes.
     Het toespraakje zat anders goed in elkaar. Politici wilden niet met haar spreken, zei ze, en dat was goed, want zij wou ook niet met hen spreken. Haar enige eis was dat de klimaatakkoorden van Parijs zouden worden uitgevoerd, maar ook die uitvoering zou niets veranderen aan de klimaatramp die ons te wachten stond. ‘We have to focus every inch of our being to chimate change.’ Ons hele politieke en economische system, vond Greta, met vrije concurrentie en dergelijke, moest onmiddellijk worden omgegooid.  Politici spreken over de klimaatcrisis, zei ze, alsof het slechts één van de vele problemen is die ze moeten oplossen. Dat maakt hen tot de grootste schurken van de geschiedenis. De klimaatopwarming bedreigt ons bestaan en onze beschaving. Binnen elf jaar is het te laat en komt er een onomkeerbare kettingreactie op gang, ‘beyond human control’. Dat alles, zei ze nog, is geen onderwerp van discussie, het is een feit.
     Dat laatste is, geloof ik, niet waar. Greta verwijt de politici dat ze niet luisteren naar de wetenschap en naar het IPCC, maar zelf luistert ze ook maar met een half oor. Als ze de dikke rapporten van het IPCC doorneemt, onderstreept ze meest dramatische passages en redeneert daar logisch op verder. Dat op de volgende bladzijde een voorbehoud wordt gemaakt, een andere prognose worden berekend, een rooskleuriger scenario wordt uitgewerkt, past niet goed in haar manier van denken, vrees ik.
     En zoals wel meer alarmisten heeft Greta een voorkeur voor rampen met spektakelwaarde. De gewone voorspellingen van meer hittegolven, hogere zeespiegel - 30 tot 90 cm* -, overstromende rivieren, grotere verspreiding van de malariamug, op de ene plek meer droogte en op de andere plek meer neerslag, misschien zelfs heviger orkanen – dat alles is op zichzelf wel erg, maar daarmee overtuig je niemand dat het bestaan zelf van de mensheid op het spel staat. Greta maakt er in haar toespraakje dan ook geen woorden aan vuil. Als het over dat soort eenvoudige rampen gaat, begint een mens al snel aan prozaïsche oplossingen te denken: afkoelstystemen in huis, zeedammen, afgebakende overstromingsgebieden, muskietennetten en insectenverdelgers, irrigatie, bouwkundige voorzorgsmaatregelen …
     Het enige gevolg van de opwarming waar Greta wél even over spreekt is de kans dat ‘extremely powerful’ methaangas uit de toendra opstijgt, waardoor het klimaat definitief en onomkeerbaar op hol slaat. Ja, dán zijn we natuurlijk allemaal de sigaar. Enkele jaren geleden bestond het spektakelscenario uit de plotse onderbreking van de Golfstroom, die in enkele dagen tijd Europa in een ijsvlakte zou veranderen. Daar is toen een spannende film over gemaakt, maar nu hoor je er niet veel meer over.
    Misschien hebben sommige mijner lezers na het beluisteren van Greta Thunberg niet goed de slaap kunnen vatten, of hebben ze hun arts om angstremmers gevraagd. Of misschien hebben ze gedroomd van een terroristische aanslag waarbij ze corrupte politici uitschakelen en een groene dictator aan de macht te brengen. Hen wil ik de raad geven om nog wat te wachten met die angstremmers en dat terrorisme, en even het boekje Feitenkennis te lezen van een andere Zweedse activist, de onlangs overleden arts en epidemioloog Hans Rosling.
     Hans heeft meer dan alleen zijn geboorteland met Greta gemeen. Hij wil zoals zij ook altijd iedereen overtuigen en bekeren. Op Youtubefilmpjes zie je hem met verbetenheid en humor – een zeldzame combinatie – verkondigen hoe de wereld wél en hoe de wereld niet in elkaar zit. Kort gezegd komt het hier op neer dat de arme landen de laatste veertig jaar een geweldige vooruitgang gemaakt hebben die de meeste mensen in de rijke landen nog altijd niet beseffen. Hans is het ook met Greta eens dat de klimaatverandering een bedreiging vormt waar iets moet aan moet worden gedaan.** Hij aanvaardt de gemiddelde  cijfers van het IPCC als uitgangspunt, zoals hij de cijfers van álle internationale instellingen aanvaardt, of die nu in zijn kraam te pas komen of niet. Zelfs cijfers die hij maar half gelooft, neemt hij als uitgangspunt aan, zolang hij zelf geen betere cijfers kan verzamelen.
     Maar in tegenstelling tot Greta, beschikt Hans over een kennis van de wereld die tot stand gekomen is door een jarenlange strijd tegen zijn eigen vooroordelen. Zijn kennis, zegt hij, komt niet uit statistieken, maar uit gesprekken met mensen uit heel verschillende milieus en in heel verschillende landen – van VN-bureaucraten tot stamhoofden in zwart Afrika. Het waren die mensen die hem op zijn misvattingen wezen. Daardoor kwam hij te weten wat de problemen niet waren, wat ze wel waren, en waar naar oplossingen moest worden gezocht. Pas daarna begon hij cijfermateriaal te verzamelen dat hij dan in prachtige, bewegende grafieken wist weer te geven. De eerste keer dat ik zo’n grafiek zag, was ik even ontroerd als door het beeld van Greta op de Brusselse stationstrappen. Maar tóen had mijn grootvaderleeftijd daar niets mee te maken.
     Hans Rosling gelooft niet, zoals Greta Thunberg dat doet, dat het klimaat het enige wereldprobleem is. Het is één van de wereldproblemen.*** Daarnaast heb je onder andere het gevaar van een mondiale griepepidemie, een derde wereldoorlog, een instorting van het financiële systeem en het voortbestaan van de extreme armoede.**** Dat laatste is overigens geen gevaar in de toekomst, maar een realiteit van nu.
     Rosling heeft lang nagedacht over de vraag waarom we de wereld zo slecht begrijpen. We besteden te veel aandacht aan extremen en aan negatieve berichtgeving. We letten niet op geleidelijke veranderingen. We onderschatten hoe grillig de zaken evolueren. We laten ons leiden door angst en veralgemeningen. We zijn te snel onder de indruk van grote cijfers. We zijn op zoek naar boosdoeners die verantwoordelijk zijn voor alles wat misgaat – denk aan Greta’s schurken van politici. En we zijn ten prooi aan het ‘urgentie-instinct’ waardoor we de zaken niet meer nuchter bekijken.

    In 2009 werd Rosling gecontacteerd door de Amerikaanse ex-vicepresident Al Gore, die de wereld rondreisde om te spreken over de komende klimaatramp. Of Rosling zo’n mooie bewegende grafiek kon maken waaraan je kon aflezen wat er zou gebeuren als niet onmiddellijk-nu-meteen een alomvattende klimaatpolitiek in werking trad. Nu was Al Gore een van Roslings helden, maar toch weigerde de Zweed om mee te werken. Hij was net als Greta Thunberg niet snel onder de indruk van hoog gezelschap.***** Hij had begrepen dat Gore een grafiek wou met een ‘worstcase’-scenario om de mensen angst aan te jagen. ‘Ik kon niet voldoen aan wat hij vroeg,’ schrijft hij. ‘Ik hou niet van overdrijving. Overdrijving ondermijnt de geloofwaardigheid van goed onderbouwde data … En ik hou niet van angst … Angst plus urgentie levert domme, drastische beslissingen op, met onvoorspelbare neveneffecten. Daarvoor is de klimaatverandering te belangrijk. Die vraagt om systematische analyse, doordachte beslissingen, stapsgewijze maatregelen en zorgvuldige evaluatie ….’
     ‘Stapsgewijze maatregelen en zorgvuldige evaluatie …’ wat zou de jonge Greta daar op antwoorden?

 

* In het zeer, zeer, zeer onwaarschijnlijke geval dat de zeespiegel geleidelijk zes meter zou stijgen over een periode van honderd jaar, zouden grote gebieden onder water kunnen lopen. Er zouden grote werken nodig zijn om dat te vermijden. Zulke werken zouden jaarlijks één procent van het bruto wereldproduct kosten maar ze zouden uiteindelijk het ondergelopen gebied wereldwijd beperken tot een oppervlakte ter grootte van Nederland. Slechts 15 miljoen mensen zouden in de loop van de eeuw moeten verhuizen. Je kunt zoiets moeilijk laten doorgaan voor het einde van de menselijke beschaving.

 ** Bij Rosling is niet helemaal duidelijk hoe prioritair hij het klimaatprobleem inschat. Hij gelooft dat we door nú de CO2-uitstoot te beperken, we grotere kosten in de toekomst vermijden. Hij vindt dat de rijke landen, die per inwoner de grootste CO2-uitstoot hebben, die uitstoot dringend en drastisch moeten beperken. Anderzijds wil hij niet dat de landen met lage inkomens (Afrika) en middeninkomens (Indië, China) ook al meteen op duurdere energie of duurdere energiebesparing overstappen. Zo’n dubbel beleid zal, vermoed ik, op wereldvlak onvermijdelijk leiden tot een grotere totale uitstoot van CO2.

*** Hans Rosling houdt er evenmin van dat alle andere wereldproblemen worden teruggebracht tot de klimaatverandering. Heel zorgwekkend vindt hij in dat verband de term “klimaatvluchtelingen”. ‘Voor zover ik weet, schrijft hij, is het verband tussen klimaatverandering en migratie zeer, zeer zwak.’

 **** Een uitgebreide lijst van wereldproblemen is uitgewerkt in het kader van de Kopenhagen Consensus, met een voorgestelde rangorde van belang, kostprijs en kans op snelle resultaten. Verminderen van CO2-uitstoot staat op de dertigste plaats, na een hele reeks interventies die vooral de arme landen betreffen: verstrekken van vitamines, vaccinaties, ontworming, betaalbare scholen, goedkope hartmedicijnen, bestrijding van de malariamug, opsporen en behandelen van tbc, HIV-preventie, waterzuivering …

  ***** Toen Rosling uitgenodigd werd om in Cuba onderzoek te doen naar een dodelijke epidemie, werd hij op zijn werkplek opgezocht door Fidel Castro die zich zoals gewoonlijk persoonlijk op de hoogte wilde stellen van het nieuwe initiatief. Veel buitenlanders voelden zich vereerd door zo’n bezoek, maar Rosling vond Castro een moeial.

woensdag 13 februari 2019

Stakers en de psychologische wetenschap

     Staken doen de mensen om allerlei redenen. Leraar Peter Van Menen, lees ik in Het Nieuwsblad, staakt vanwege zijn ‘gevoel dat leraars te weinig respect krijgen’. Dat gevoel ken ik. Anderen doen het misschien uit opstandigheid, uit solidariteit of om een overleden vader of moeder te eren die hen geleerd heeft ‘never to cross a picketline’. Over dat soort persoonlijke gevoelens heb ik niets te melden.
    Mij gaat het hier om lui die zeggen hun ‘koopkracht’ te willen verdedigen. Die koopkracht heeft onder andere te maken met de hoogte van de lonen en die wordt in ons land afgesproken bij onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Maar de staat legt bij die onderhandelingen een ‘marge’ op voor mogelijke verhogingen– dit keer een marge van 0,8 procent.  De vakbonden vinden dat te weinig en zelf vind ik het ook niet veel.
     Maar eigenlijk vind ik die hele staatstussenkomst maar niks. Ik vind het verkeerd als bedrijven door de staat verplicht worden om loonsverhogingen toe te kennen – bij indexoverschrijding – maar ik vind het ook verkeerd als het aan bedrijven verboden wordt loonsverhogingen toe te kennen boven een zekere marge. Anderzijds zal zo’n dubbele aanpak ook wel zijn voordelen hebben. Voor de werknemer telt in elk geval alleen het eindresultaat, zijn koopkracht, waarin hij, zoals iedereen, graag een stijgende lijn ziet.
     En is die lijn nu stijgend of dalend? Om dat te weten moet er gerekend worden. Lonen – en in mindere mate uitkeringen – zijn sinds 2013 flink gestegen, maar de prijzen zijn ook flink gestegen.  Je moet die prijsstijgingen dus aftrekken van de inkomensstijging om de verandering in koopkracht te kennen. Dat is allemaal erg ingewikkeld. In zo’n geval kijk ik naar de consensus binnen de wetenschap, want dat moet van Tom Naegels. De economen van het planbureau hebben uitgerekend dat de gemiddelde koopkracht sinds 2013 gestegen is met 3,5 procent*. En econoom Philip Defeyt heeft uitgerekend dat de koopkracht sinds 1998 gestegen is met 16 procent. (hier) Die cijfers betreffen dus de netto stijging van de inkomens, nadat de prijsstijgingen zijn afgetrokken.
     Maar als onze koopkracht gestegen is, waarvandaan komt dan het gevoel bij de stakers, en bij de anderen, dat die gedaald is? Daarmee komen we aan de psychologische wetenschap. Amos Tversky en Daniel Kahneman beschreven voor het eerst het verschijnsel van ‘loss aversion’. Dat verschijnsel houdt in dat we meer verdriet hebben als we een briefje van 50 euro verliezen, dan vreugde als we een briefje van 50 euro vinden. Ik heb als student ooit een briefje van 2000 frank verloren en als ik daaraan terugdenk voel ik nog altijd de pijn.

     Veronderstel dat ik boeken verzamel van Jean Ray. Ik bezit een mooie eerste uitgave van Les contes du Whisky en een andere verzamelaar wil er mij 120 euro voor betalen. Ik denk er niet aan om het boek te verkopen. Wat later zie ik bij De Slegte, in de glazen kast, een mooie eerste uitgave van Les derniers contes de Canterbury. Die zou ik eigenlijk nog liever hebben, maar de prijs schrikt mij af: 100 euro. Ik koop het boek dan maar niet. Dat is heel irrationeel van mij. Had ik die Canterburyverhalen gékocht en mijn Whiskyverhalen vérkocht, dan had ik nog 20 euro over om mij een goedkope uitgave van Le grand nocturne aan te schaven.
     Die ‘aversion loss’ maakt het voor een regering moeilijk om beleid te voeren. De tax shift was een gezond economisch beginsel. Voor werknemers betekende het een broekzak-vestzakkwestie. We betalen minder directe belastingen, en meer indirecte belastingen – in de vorm van prijsstijgingen. Wat we winnen aan de ene kant, verliezen we aan de andere kant. Maar, en daar gaat het over, ook al is het bedrag dat we winnen en verliezen hetzelfde, het verlies weegt psychologisch zwaarder. Voor wie prijsbewust door het leven gaat, is het nog erger, want zo iemand ziet zijn winst één keer per maand op zijn loonbriefje, maar hij voelt het verlies elke keer opnieuw als hij naar de winkel gaat.
      Mijn vrouw heeft een grote, luxueuze firma-auto met tankkaart. Er is sprake van dat die auto’s worden afgeschaft en vervangen door een gelijkwaardige geldelijke vergoeding. Verstandelijk bekeken is dat voor ons een verbetering. We kunnen dan zelf beslissen of we met dat geld weer een grote luxueuze auto kopen, of omgekeerd voor een goedkoop karretje kiezen dat ons even goed van A naar B brengt. Met het geld dat we over hebben gaan we dan naar New York. Maar iedere keer dat we met de nieuwe auto bij de benzinepomp staan – zonder tankkaart – zal dat een steek zijn door ons hart.
     Bij onze koopkracht speelt nog een ander pschychologisch verschijnsel. Hans Rosling noemt het ons ‘grootte-instinct’, dat een onderdeel is van ons ‘drama-instinct’. We zijn bijzonder onder de indruk van grote getallen en spectaculaire veranderingen. Bij de prijsstijgingen van de laatste 20 jaar zijn nogal wat van die grote getallen: elektriciteit: + 97 procent, brandstof + 95,7 procent, brood + 69, 1 procent, groenten + 47,1 procent. Maar dat zijn de uitschieters. We moeten die zien in het geheel van onze aankopen, en daarvan zijn de prijzen veel, veel minder snel gestegen, en soms zelfs gedaald. Maar gevoelsmatig hebben we dat overzicht niet. Wij zijn blind voor gemiddeldes.
    En daarom moeten we ons verlaten op de ‘consensus binnen de wetenschap’.

    

* Die 3,5 procent is een gemiddelde en is vooral representatief voor de middeninkomens. De 10 procent rijksten kregen er maar 3,1 procent bij, en de 10 procent armsten maar 0,7 procent. Dat laatste houdt, geloof ik, verband de regeringspolitiek die meer belang gaf aan lonen dan aan uitkeringen.

 ** De vakbond aanvaardt die consensus niet, verwijst naar de jaren 2016 en 2017 en haalt er de indexsprong bij. Misschien denkt de vakbond dat een niet gekregen loonstijging hetzelfde is als een loondaling.  Of dat het planbureau en Defeyt die overgeslagen loonindexering niet in rekening hebben gebracht.

zondag 10 februari 2019

De leugen van Joke Schauvliege

     Als ik minister was van iets en ik deed een domme uitspraak waarmee ik half Vlaanderen over mij heen kreeg, dan was ik geloof ik liever bij N-VA dan bij CD&V. Misschien heeft Wouter Beke gedaan wat in zijn vermogen lag om zijn partijgenote Joke Schauvliege te steunen, maar dan is dat vermogen eerder beperkt.
    Maar misschien moeten we verder kijken dan de beperkte vermogens en de wat zwakke ruggengraat van de huidige CD&V-leiders. Walter Pauli van Knack is iemand die verder heeft gekeken. Hij veronderstelt dat CD&V in de zaak Schauvliege meer belang hechtte aan ‘algemene regels’ dan aan het eigen partijbelang, wat bij N-VA anders zou zijn. Dat zou mooi zijn van CD&V, maar ik geloof er niet veel van. Anderen denken dat CD&V het niet eens zo erg vond om een zwakke vakminister af te voeren. Dan heeft de partij daar zo kort voor de verkiezingen een ongelukkig moment voor gekozen. En of Schauvliege nu echt zo’n zwakke minister was, weet ik niet. De journalisten schrijven dat, maar weten zij dat zelf wel zo goed?

     Er is een derde verklaring die ik oorspronkelijk de meest aannemelijke vond. Schauvliege heeft zich met haar uitspraken tégen de klimaatbetogers uitgesproken, terwijl CD&V die jongens en meisjes liever te vriend hield en zeker niet wou afstoten als mogelijke kiezertjes. Dat zou geen slechte strategie zijn. De betogers prijzen voor hun bezorgdheid en hun idealisme en daarna heimelijk de ecorealistische koers voeren die N-VA meer openlijk voorstaat. Maar dan kwam Beke achteraf verklaren dat de klimaatbeweging ‘gekaapt werd door extreemlinks’. Zo hou je die beweging natuurlijk niet te vriend.
     Ja maar Clerick, zul je zeggen, die Schauvliege heeft toch gelógen. Heeft dat er dan niets mee te maken?
     Nou ja, gelogen ... Het gebeurt inderdaad wel eens dat onze politieke vertegenwoordigers wat – hoe zal ik het zeggen – lichtzinnig omspringen met de waarheid: loze beloftes, halve waarheden, slechte rekenkunde, grootspraak, misleidende woordkeuze, leugentjes om bestwil, spreken zonder nadenken, eigen twijfels die overschreeuwd worden, vermoedens die als zekerheid worden voorgesteld, een doelpubliek dat naar de mond wordt gepraat. Je mag dat van mij allemaal ‘leugens’ noemen. Zelf weerleg ik liever iets wat ik onwaar vind, dan luid te roepen dat de ander een vuile leugenaar is.* Ik las bij Liesbeth van Impe dat de beschuldiging van ‘leugenaar’ altijd geschrapt wordt uit de verslagen van het Parlement. Dat lijkt mij een goede gewoonte.
    Want wat heeft Schauvliege ook weer gezegd: ‘Er zit meer achter dan alleen een spontane actie voor ons klimaat. Ik weet wie achter heel die beweging zit, zowel de zondagse betogingen als de spijbelaars op donderdag. Men heeft mij dat ook verteld vanuit de Staatsveiligheid.’
     We weten ondertussen dankzij CD&V en De Tijd ongeveer wie Schauvliege bedoelde als ze sprak over ‘wie achter heel die beweging zit’: organisaties als Climaxi, Climate Express, Act for Climate Justice, Greenpeace, De Wereld Morgen, Hart boven Hard … En in die organisaties zijn of waren mensen actief als de anarchist Arno Kempynck en PVDA-leden Nathalie Eggermont en Wiebe Euyekman.
     Wiebe Eekman! Ik kom met een plons terecht in het zwembad van mijn jeugdherinneringen. Daarin is Wiebe een hele lange kerel, met een luide stem, een goed humeur, een overvloedige rode bos haar** en een rode baard. Hij werkt als scheepshersteller of zoiets en spreekt met een Hollands accent. Misschien is hij wel een Fries. Hij ziet er in elk geval uit als een Viking. En die Wiebe zit achter de klimaatbetoging?
     Ach, volgens mij doen Wiebe en die anderen weinig terzake. Anuna De Wever en haar vrienden moesten hun ‘bezorgdheid voor het klimaat’ niet halen bij Greenpeace en de PVDA. Het klimaatalarmisme wordt hun al jaren bijgebracht door wat ze lezen in de krant, horen op televisie en studeren voor de lessen Aardrijkskunde, Godsdienst, Zedenleer en straks Burgerzin. Ook kunnen radicaallinkse groepjes zo’n grote actie niet afdwingen. Ik weet dat, want in mijn radicaallinkse jeugd was ik samen met mijn kameraden voortdurend in de weer om ‘massa-acties op poten te zetten’: vergaderen, brochures schrijven, vlugschriften uitdelen … niets werkte. Af en toe was er wel een grote actie, maar zo’n actie barstte los en ging voorbij als een regenbui. Wij hadden daar weinig invloed op. Gedurende die actie konden we voorop lopen, organiseren, toespraken houden, nog meer brochures schrijven, nog meer vlugschriften uitdelen. Sommigen van ons werden beschouwd als ‘leiders’ van de actie. Maar na enkele dagen of weken was het afgelopen en was het ook gedaan met dat leiderschap. Er restte ons niets meer dan nog wat leden te werven voor ons groepje.
     Als Schauvliege dus zegt dat de klimaatbetogingen geen spontane beweging zijn maar het werk van duistere lieden achter de schermen, dan bewijst ze daarmee dat ze in elk geval geen radicaallinks verleden heeft, anders zou ze wel beter weten. Het is juist wél een spontane beweging. Zulke grote acties kun je beter beschrijven met de onvoorspelbaarheden van de chaostheorie, dan verklaren vanuit sluwe politieke machinaties.

     En dat van die Staatsveiligheid van wie Schauvliege haar informatie gekregen had? Ja, dat was natuurlijk onzin. De Staatsveiligheid rapporteert niet aan de minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Maar misschien heeft het arme schaap alleen maar gedácht dat de Staatsveiligheid zich met de zaak bezighield, of zich zou moeten bezighouden. Of misschien heeft ze niets gedacht, dat kan ook. Of misschien heeft ze iemand anders iets over de Staatsveiligheid horen zeggen. Of heeft ze haar informatie gekregen van de christelijke werknemersorganisatie Beweging.net, maar wou ze die bron niet vermelden in een toespraak voor het Algemeen Boerensyndicaat. Je kunt die bewering in elk geval geen ‘fake news’ noemen, want het was juist níet de bedoeling dat die woorden in het nieuws zouden komen. Die zijn maar in het nieuws gekomen omdat haar vijanden van Climaxi de toespraak hebben gefilmd en online gezet.
     Kijk, wij kunnen ons ook een ander scenario voorstellen. Schauvliege geeft een interview aan De Standaard en vertelt daarin dat de klimaatbetoging gemanipuleerd wordt door mensen achter de schermen. De journalist vraagt terecht wat haar bronnen zijn. Als ze daarop antwoordt ‘Ik weet dat van de Staatsveiligheid’, dan is dat voor mij een andere zaak. Dan zou ik het naast een domheid, blunder, flater of stommiteit ook nog een leugen noemen. Maar meestal probeer ik voorzichtig om te gaan met dat woord in een politieke context.


* Ik herinner mij een bespottelijk  stuk waarin moraalfilosoof Loobuyck zich in de titel afvroeg wat men moest doen met ‘politici die liegen’. Zuhal Demir en Liesbeth Homans hadden onvriendelijke woorden gesproken over Unia. Als je het stuk las, was het echte verwijt van Loobuyck aan Demir en Homans dat ze aan ‘stemmingmakerij’, ‘polarisering’ en ‘grofbekkerij’ deden. Zo verliest het woord ‘leugen’ zijn oorspronkelijke betekenis van ‘opzettelijke onwaarheid’ en verwordt het tot een trucje in de polemiek.

** Jan Van Duppen stelt het epiteton ‘helmboswuivend’ voor. Dat geeft het kapsel van de jonge Wiebe aardig weer. Op recente foto’s vallen de haren helaas naar beneden en zijn ze grijs geworden. Ook herinnert Jan mij eraan dat Wiebe slechts één handdruk van Lenin verwijderd is aangezien zijn oma nog op de thee geweest is bij de leider van het wereldproletariaat.

zaterdag 9 februari 2019

Boon, Boni, Beethoven

     Toen ik in de voorlaatste klas van het middelbaar zat, moesten we een werkje maken over een onderwerp naar keuze. Ik besloot om iets te schrijven over Louis-Paul Boon. Ik had gelezen dat dat een linkse rakker was en op de foto zag hij eruit als een echte proletariër. Mijn plan was om eerst alle boeken van die auteur te lezen. Ik heb daar toen zoveel tijd aan besteed dat ik er geen meer over had om dat werkje zelf te schrijven. Forever reading, never to be read.
     Die boeken van Boon te pakken krijgen, was in die tijd geen sinecure. We leefden toen in een gepolariseerde maatschappij. In mijn geboortestad had je vier katholieke bibliotheken, maar daar vond je vooral boeken van de zeer eerwaarde Armand Boni, en niks van de viezentist Louis Booni. Bij de liberalen was het beter. Die hadden de zolder boven hun café als bibliotheek ingericht en je vond er, onder de hanenbalken, in bruin papier gekafte deeltjes van Wapenbroeders en De bende van Jan de Lichte.

     En bij de socialisten vond je nog meer. Hún bibliotheek bevond zich in een soort schuurtje áchter hun café. Ook daar was Boon gekaft in bruin papier: De voorstad groeit, Vergeten straat, Blauwbaardje en andere grimmige sprookjes voor verdorven kinderen. Dat laatste boek werd mij door de rode bibliothecaris warm aanbevolen. En het dikste boek dat ze daar van Boon hadden was : Zomer te Ter-Muren. Ik wist toen nog niet dat dat een vervolg was op het beroemdere Kapellekensbaan, waardoor ik dus deel 2 las vóór ik aan deel 1 begon. Later overkwam mij iets soortgelijks met The Godfather 1 en 2.
    Jan heeft laatst geprobeerd om de eerste bladzijden van De Kapellekensbaan te lezen. Zijn diagnose – als bachelor in de medicijnen – was dat de auteur toen hij dat schreef herstellende was van een hersenbloeding. Ik vond dat nogal faciel. Hij had moeten doorlezen, vind ik, want het moet niet altijd makkelijk zijn. Toen ik die boeken las, vond ik ze ook niet makkelijk.

     Neem nu dat eerste hoofdstuk uit Zomer. ‘Voor Elise’ heet het.  Het gaat over Ondineke die met haar twee vlechtjes op de rug komt aangetippeld over de Kapellekensbaan. ‘Trippeltippel tippel-tip,’ schrijft Boon. Ze gaat naar de beek van het kasteel om te zwemmen en doet haar hemdje uit. Van achter de haag wordt ze begluurd door een viezerik die Peperbus heet. ‘Dedoemedoem’ schrijft Boon. En hij betreurt het ook nog dat hij geen Beethoven is. Ik begreep die tippeltip en die doemedoem niet en ook niet wat Beethoven ermee te maken had.
     Later breidde ik mijn zoektocht naar Boon uit tot de grote bibliotheek van het naburige Wevelgem. Daar ging men uit van brede beginselen. De boeken waren niet bruin gekaft, maar je vond er zowel Boni, A. als Boon, Louis-P. En ze hadden ook een platenafdeling waar ik onder de B. van Beethoven een stuk vond dat ‘Für Elise’ heette. Zó zat dat dus in elkaar. Het zilveren trippeltippel-tip van Ondineke stond voor de hoge noten mi-re-mi-re-mi** en de doemedoem Peperbus stond voor de lage noten la-mi-la.
     Ik heb daarna maandenlang ‘Für Elise’ het mooiste stukje muziek ter wereld gevonden.



 * Lezers van De Kapellekensbaan denken nu misschien aan het hoofdstuk ‘dubo-dubon-dubonnet’.
 
** Re-kruis, bedoel ik, maar het klinkt niet erg mooi als je het rijtje zo uitspreekt.