‘Particratie’ is, zoals ‘neoliberalisme’, een woord dat bijna alleen door tegenstanders ervan wordt gebruikt. En ‘burgerdemocratie’ wordt bijna alleen door ervan voorstanders gebruikt. Toch zag ik laatst kort na elkaar twee voorbeelden van het tegenovergestelde. Eerst was er Valérie Van Peel die uit de kast kwam als voorstandster van de particratie. Van Peel:
Ik heb altijd geloofd in de particratie, omdat een parlement met 150 Jean-Marie Dedeckers niet zou werken. Leve Jean-Marie, maar je zou alleen nog populistische statements krijgen. Eén persoon kan geen expert zijn in 137 verschillende thema’s. Partijen brengen al die expertise samen, voeren een intern debat om hun standpunten te bepalen en ondersteunen de regering. Anders krijg je chaos.
Nu is Van Peel zelf voorzitter van een partij, en dan zou het inderdaad vreemd zijn als ze tekeer ging tegen de macht van politieke partijen is, maar het blijft vreemd dat ze dat zo vlakaf zegt, zonder rond de pot te draaien. Ik ben overigens zelf ook voorstander van ‘particratie’, zeker als je het begrip een beetje fatsoenlijk invult. Een mooie invulling is bijvoorbeeld die van Rudi Laermans (DS 3/7):
Politieke democratie, dat is partijpolitiek conflict, de georganiseerde botsing en afweging van uiteenlopende ideologieën en belangen. Verkozen politici ontlenen hun legitimiteit juist aan die strijd. De burger stemt op de partij die volgens hem het beste aansluit bij zijn overtuigingen en besognes.
De column van Laermans is een briljant antwoord op een eerder voorstel van acht promimenten, waaronder David Van Reybrouck, om de senaat te vervangen door een aparte kamer, een soort federaal panel van door loting aangeduide burgers en neutrale experts. Laermans noemt dat ‘burgerisme’.
Het ‘burgerisme’ vertrouwt op de zuivere rede waarin de overtuigingskracht van argumenten losstaat van ideologische opvattingen en onderliggende belangen … De deelnemers overleggen geïnformeerd en rationeel. De burger van de burgerdemocratie koestert geen uitgesproken standpunten, vergeet individuele belangen en is een passieloos wezen. Hebben we dan wel met een burger te maken?
Je zou in de burgerkamer de zoveelste poging kunnen zien om te weten te komen wat de volonté générale is*. Dit keer moeten de burgers die dat bepalen niet moreel volmaakt zijn maar zij moeten volmaakt redelijk zijn. Je vraagt je af welke veronderstelling het verst van de werkelijkheid verwijderd is.
Laermans gebruikt terecht het voorbeeld van het asielbeleid**, waarover hij, naar ik vermoed, een totaal andere mening heeft dan ik. Wie wil zo’n kwestie nu in godsnaam overlaten aan een burgerpanel? Ik in elk geval niet. Ik zou om te beginnen al heel weinig vertrouwen hebben in de experts die de discussies van de burgers moeten begeleiden.
Ik ben zelfs pessimistischer dan Laermans. Hij gelooft dat het deliberatieve proces op zich nog wel tot een eenstemmige burgerkamer zou kunnen leiden. Ik betwijfel dat. Mochten mensen als Laermans en ik in die burgerkamer zitten, dan zou snel blijken dat we een zo verschillende ideologische achtergrond hebben dat eenstemmigheid ver buiten ons bereik ligt. Het enige haalbare is een compromis.
Je zou de kans op eenstemmigheid kunnen verhogen door op voorhand de hevigste voor- en tegenstanders van bijvoorbeeld een streng dan wel laks asielbeleid van het panel uit te sluiten. Je ziet dat soms in Amerikaanse rechtbankfilms waarin een verdachte ter dood kan worden veroordeeld. De advocaat wraakt de jurykandidaten die hartstochtelijke voorstanders zijn van de doodstraf, en het openbaar ministerie wraakt de jurykandidaten die hartstochtelijke tegenstanders zijn. Maar zou het eerlijk zijn om juist die mensen van de burgerkamer uit te sluiten die hartstochtelijk in de samenlevingsproblemen geïnteresseerd zijn? Is het rechtvaardig om over brandende kwesties alleen de onverschilligen te laten delibereren?
Dat is ongeveer de redenering die ik zou hebben gebruikt tegen de burgerkamerdemocratie. Ik zou er nog wat persoonlijke ervaringen met panel- en plenumdiscussies aan toegevoegd hebben. Hoe vaak werden die niet geleid door gewiekste manipulatoren, lieden die helaas niet zo moreel volmaakt, onbaatzuchtig en redelijk waren als utopisten dat graag zouden willen.
Maar Laermans voegt aan de redenering een schakel toe waar ik zelf nooit op zou zijn gekomen. Veronderstel, zegt hij ongeveer, dat een burgerpanel eenstemmig een reeks verstandige, redelijke aanbevelingen zou formuleren, wat dan? Waarom zouden de andere burgers van het land die aanbevelingen moeten aanvaarden? Waarom zouden zij ze ‘redelijk en verstandig’ moeten vinden? Omdat Laermans en Clerick ze ‘redelijk en verstandig’ vinden? Er zou in werkelijkheid al snel een kloof groeien tussen de burgers in de burgerkamer en de burgers buiten de burgerkamer, waarbij we niet mogen vergeten dat die laatsten die eersten niet eens verkozen hebben. Ze zijn met elkaar zelfs niet verbonden door die denkbeeldige draad die van het verkiezingshokje naar de zetel van de verkozene loopt.
Men kan nu antwoorden: Clerick, die kloof waar je over spreekt is er nu ook: tussen de burger en de politiek verkozenen. Dat is waar. Om op de asielkwestie terug te komen, er is een kloof tussen het asielbeleid dat gevoerd wordt en het asielbeleid dat ik zou willen. Er is ook een kloof tussen dat asielbeleid en dat wat Laermans zou willen. Maar de kloof tussen wat wij allebei willen is nóg groter. Het is geloof ik omdat Laermans en ik dat allebei weten dat we voorstander van de representatieve democratie en van de ‘georganiseerde botsing en afweging van uiteenlopende ideologieën en belangen’ waarbij de samenleving al zigzaggend van het ene compromis in het andere rolt.
Botsen, afwegen, zigzaggen en compromissen sluiten is een onvermijdelijk onderdeel van de democratie. Meningsverschillen horen erbij. Laermans begint zijn stuk met de stelling dat de politieke macht meer speelruimte moet krijgen vergeleken met de ‘marktmacht’. De politici moeten meer meer middelen hebben om op te treden tegen ‘mondiaal opererende kledingsketens als Primark of techgiganten als Meta.’ Daar begint het al. Ik ben de tegenovergestelde mening toegedaan, namelijk dat de politici zich niet te veel moeten wringen tussen Primark en Meta enerzijds en hun klanten anderzijds. Alweer een moeilijke kwestie – die ik niet door een burgerkamer wil opgelost zien.
* Zie over het begrip volonté générale bij Rousseau ook mijn stukje hier.
** Voor een voorbeeld rond het klimaatbeleid, zie het stuk van Syp Wynia hier.
Oliba,Ohiliba oladie, olada.....
BeantwoordenVerwijderenIk schrok toch even toen de doorgaans zo gemodereerde opsteller dezer blog plots met deze pornografische bijbelse referenties over 2 hete troelen voor de dag kwam. Is niet ongeveer alles beeldspraak in de bijbel? En beeldspraak in die tijd moest sterk zijn zodat de opsteller niet moest twijfelen dat zijn lezers het zouden begrijpen. Verbeelden de nymfomane Oliba en Ohiliba niet het joodse volk (Samaria en Judea) dat steeds maar in miserabele spirituele ontrouw vervalt tov Jahweh zowel in Egypte als nadien in Asyrië en Babylonië. En die zonden moeten redelijk zwaar geweest zijn. Maar de verleidingen om God ontrouw te zijn aldaar moeten ook navenant groot geweest zijn voor het volk van Jaweh. Verwijzen de bovenmaats gedoteerde Egyptische minnaars met dito kwak niet daarnaar?
Ik denk trouwens dat het Soedanese negers moeten geweest zijn de zgn Nubiërs. Leni riefenstahl moet die passage ook gelezen hebben, want nadat ze de partijdagen van de NSDAP niet meer moest documenteren ging ze vooral in de Nubische contreien vertoeven alwaar ze veel artistieke plaatjes schoot van atletische inheemsen. Ðat leerde ik toch indertijd uit een fotoboek van haar dat ik in de slegte zag liggen.
Dat Oliba en Ohiliba het joodse volk symboliseren is best mogelijk. Ik ben geneigd om zulke teksten nogal letterlijk te lezen. Of hoogstens als metoniem. Leni Riefenstahl, inderdaad. Ik heb die fotoboeken met atletische Nubiërs nog zien liggen in de studeerkamer van Ludo Martens.
Verwijderen