De ministers leveren in, etc.
Sommige cijfers – fiscale of sociale fraude bijvoorbeeld – zijn niets meer dan ruwe schattingen, maar ook met precieze cijfers kun je beginnen goochelen. Als je om een of andere reden je cijfers klein wil houden, kies je voor netto-bedragen over korte periodes; wil je graag zo groot mogelijke cijfers, dan kies je voor brutobedragen over langere periodes, en het liefst nog cumulatief*.
Neem de salarissen van onze politici. Een populist zal er in vage termen over spreken, erop wijzen dat een ‘groot deel’ van de vergoedingen ‘belastingvrij’ is, en insinueren dat de politici ook op andere manieren ‘geld in hun zak steken.’ Maar ik kan kan die populist toch even van zijn stuk brengen door de precieze netto maandsalarissen aan te halen. Voor een parlementslid is dat 5.600 euro, voor een minister 8.500 euro. Voor iemand zoals ik, die nooit veel ambitie heeft gehad, lijkt dat heel veel, maar als mijn zoon die cijfers ziet, zegt hij: ‘Ik hoop dat ik later hoger uitkom.’
Ik discussieer even verder met mijn populist en wijs op de recent afgesproken niet-indexering van de politieke salarissen. ‘Ach wat stelt dat voor: één of twee procent?’ schampert de populist. Ik heb meteen mijn antwoord klaar. Dit keer zal ik de inlevering zo groot mogelijk voorstellen: met brutobedragen, cumulatief berekend over een lange periode. ‘Over de gehele regeringsperiode levert een parlementslid 27.000 euro in en een minister 63.500,’ zeg ik. ‘Met die bedragen had het parlementslid een middenklasse voertuig kunnen kopen en de minister een executive model.’ Maar wat ik zeg, klopt niet, want je koopt een auto natuurlijk met je netto-inkomen, en als je netto rekent, moet je de inlevering van de politici halveren. Dan levert het parlementslid maar 13.500 in en de minister 31.750. Daar koop je heel wat minder auto voor.
Die bruto-netto discussie werd in het parlement op het scherp van de snee gevoerd door Kim De Witte (PVDA) en Frank Vandenbroucke. Kim De Witte zei: ‘Iemand met een netto pensioen van 2.250 euro per maand gaat 250 euro per jaar verliezen. 2.250 euro per maand, is dat te veel?’ Let erop dat hij voor het pensioen een bedrag per maand opgeeft, en voor de inlevering een bedrag per jaar. En Frank Vandenbroucke antwoordde: ‘We vragen een inspanning van iemand met een bruto pensioen van 3.600 euro per maand. Dat is solidariteit.’ Alhoewel ik inhoudelijk aan de kant van Vandenbroucke sta, vind ik zijn demagogische verschuiving van bruto naar netto demagogischer dan het trucje van De Witte.
Maar het kan natuurlijk nog veel demagogischer. De vakbonden zijn daar kampioen in. De regering morrelt aan de pensioenen van leraren en gaan de vakbonden op zoek naar de scenario’s die de grootste inlevering meebrengen, liefst iemand aan het begin van zijn carrière die uiteindelijk zal beslissen vervroegd op pensioen te gaan. Dat levert een verlies op van enkele honderden euro’s. En die inlevering wordt dan vlug vermenigvuldigd met twintig pensioenjaren, wat dan weer een bedrag van honderdduizend euro en meer oplevert. Ik heb de acht jaar geleden de toenmalige vakbondscenario’s eens nagerekend en toen een pittige, maar leerrijke, discussie gehad met mijn vakbondsafgevaardigde. Nu denk ik: och, die pensioenen, niemand weet hoe de situatie er binnen 20 of 30 jaar zal uitzien.
De handigste goochelarij met cijfers zien we naar aanleiding van de indexsprongen, zoals er geweest zijn in 1984 en 2015. Iedereen kan makkelijk berekenen wat zo’n indexsprong betekent: het is een loonstijging van 2 % die niet doorgaat, een aangezien de levensduurte met wél met 2 procent is gestegen is, kun je je verlies uitrekenen door je loon te vermenigvuldigen met 0,02. Maar dan begint het. Ik ben slecht in cijfers, en dat is de reden waarom ik er zo vaak over nadenk en schrijf. Ik zie zo’n indexsprong als een uitstel. Stel dat ik als leraar 5.500 euro verdien. Ik mis een indexaanpassing van 2 %, zijnde 110 euro bruto. Ik moet wachten op de volgende indexaanpassing en dan pas krijg ik mijn 110 euro bruto. Ik vind dat niet erg: ik heb enkele maanden moeten wachten op mijn loonaanpassing.
Maar dat is natuurlijk verkeerd geredeneerd. In werkelijkheid is mijn loon vanaf die indexsprong elke maand 110 euro lager dan het zou geweest zijn zonder die sprong, en eigenlijk meer dan 110 euro, want de nieuwe index had op een verhoogd bedrag moeten worden berekend. Het is voorspelbaar dat de vakbonden van die cijfers een heerlijk stoofpotje kunnen koken. Hoe groot is niet het verlies, vragen ze zich af, als je dat verlies van 110 euro – dat bij elke aanpassing groter wordt** – gaat uitrekenen over een periode van 30 jaar? En dan komen ze natuurlijk tot bedragen van tienduizenden euro’s per werknemer.
De PVDA vermenigvuldigt dat nog een keer met het totaal aantal werknemers in ons land en komt tot honderden miljarden die op die manier werden ‘gestolen’ van de werknemers, een ordegrootte die het volledige jaarlijkse bruto nationaal product benadert. En waarom niet meteen rekenen vanaf de eerste indexaanpassing in 1954 onder de regering Achiel Van Acker IV? Zonder alle ‘indexvervalsingen’ vanaf 1954 zouden de huidige werknemers vandaag 35 procent meer verdienen, nietwaar. Oh, really? En 35 procent meer consumeren? Waar zouden die 35 procent goederen en diensten vandaan komen?
De absurditeit van de vakbondsredenering wordt duidelijk als je weet dat België ongeveer het enige land van Europa is, samen met Luxemburg en Malta, dat een loonindexering kent. Zo bekeken is de hele naoorlogse geschiedenis van alle andere Europese landen één grote, permanente indexsprong. En toch hebben die landen vergelijkbare loon- en koopkrachtevoluties gekend als België – misschien met meer horten en stoten – maar met een vergelijkbaar eindresultaat. Landen zonder index steunen iets meer op de andere mechanismen – zoals onderhandelingen – die verzekeren dat de lonen evolueren met de levensduurte, met de productie en de productiviteit, en met de vraag naar arbeid.
Met dat alles wil ik niet argumenteren dat de loonindexering en de loonnormwet moeten worden afgeschaft. Anderen kunnen dat veel beter dan ik. Ik wil ook de mogelijke voordelen van indexering en loonnorm niet ontkennen. Misschien is een stabiele evolutie op zich wel beter dan één met vinnige fluctuaties. Ik denk het niet, maar misschien vergis ik mij. En evenmin wil ik een discussie beginnen over wat de PVDA in een dossier ‘de transfer van arbeid naar kapitaal’ noemt. Alleen al het woord ‘transfer’ doet mij duizelen. Misschien bekijk ik die PVDA-cijfers eens een andere keer.
* Het gegoochel begint al met de keuze van de cijfers. Als je de ‘ongelijkheid’ in de maatschappij wil meten, kan je het bezit, het inkomen of de consumptie als maatstaf nemen. De resultaten onderling verschillen spectaculair.
** De eerste aanpassing na de sprong had eigenlijk 112 euro moeten zijn, berekend op een brutoloon van 5.610 euro.
Historische parallellen
Historische parallellen zijn altijd een beetje belachelijk, maar de ene is altijd net iets belachelijker dan de andere. Twee beroemde columnisten, Thomas Friedman van de New York Times en Marc Reynebeau van De Standaard maakten van de week een vergelijking tussen de geopolitiek van nu en de appeasement-politiek van 1938, waarbij de Britse premier Chamberlain en Franse premier Daladier toegevingen deden aan Hitler in de hoop hem van zijn oorlogsplannen af te brengen.
Maken ze dan dezelfde vergelijking? Niet helemaal. Friedman vergelijkt Trump met het Chamberlain-Daladier en Poetin met Hitler. Reynbeau vergelijkt de EU met Chamberlain-Daladier en Trump met Hitler. Schematisch:
(1) Chamberlain-Daladier = Trump / Hitler = Poetin, die Europa bedreigt
(2) Chamberlain-Daladier = EU / Hitler = Trump, die Europa in de steek laat
Goed, daar kan ik om lachen.
Maar Reynbeau schrijft ook iets waar ik minder om kan lachen: ‘Minister van Defensie Theo Francken (N-VA) dreigt in die (trans-Atlantische) val te trappen als hij de bevrijding van door Rusland bezet Oekraïens territorium ook nu opnieuw “niet realistisch” noemt.’ In welke wereld leeft Reynebeau*? Denkt hij echt dat het Westen de Oekraïeners steunt door de bevrijding van bezet gebied wél realistisch te noemen.
Als je zoiets schrijft, lach je de Oekraïeners uit in hun gezicht. Hun soldaten vechten in de modder, en dan moet het Westen hen bijspringen door iets iets realistisch te noemen waarvan iedereen weet dat het niet realistisch is.
* En niet alleen Reynebeau lijkt de realiteit te negeren. De dag ervoor had Hendrik Vos in De Standaard een andere oplossing voor het Oekraïense conflict. Europa moest benadrukken dat het niet meedeed aan ‘patserige machtspolitiek.’ Zie mijn stukje hier. Natuurlijk zijn Vos en Reynebeau veel slimmer dan dat. Maar Vos geeft niet graag toe dat er meer geld naar defensie moet, en Reynebeau valt liever dood dan toe te geven dat Theo Francken, al was het maar voor één keer, gelijk heeft.

Top
BeantwoordenVerwijderenNiet vergeten dat parlementsleden en ministers een riante onbelaste onkostenvergoeding krijgen van meer dan 2000 euro netto krijgen ..
BeantwoordenVerwijderen