BBP: een kanttekening
Het boekje Over welvaart van onze premier heb ik nog niet gelezen, maar het zou raar moeten lopen als er nergens iets ongunstigs over het postmodernisme en het neoliberalisme wordt gezegd. Ik zal er mijn slaap niet voor laten. Wat het postmodernisme precies inhoudt weet ik niet, en wat het neoliberalisme inhoudt weet niemand. Voor links betekent het meestal niet meer dan dat de liberale principes ook op het economische domein worden toegepast, en dát zal wel de definitie van De Wever niet zijn. Marc Reynebeau (DS 25/2) verzekert mij ervan dat ik mij geen zorgen hoef te maken:
Hoezeer hij ook stelt het neoliberalisme te verfoeien, Bart De Wever lijkt nog in de ban te blijven van de sfeer waarin hij in de jaren 80 politiek opgroeide, die van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher.
Dat is een hele geruststelling.
Minder geruststellend is de opmerking van Ive Marx (DS 24) dat van De Wevers humor in zijn recente essay niet zoveel te merken valt. Maar dat wist ik al. In zijn vorige essays Over Identiteit en Over Woke bleven de grappen ook achterwege. Marx maakt nog een andere kanttekening:
In De Wevers boekje vind je een grafiekje dat laat zien dat het bruto binnenlands product per inwoner in de Verenigde Staten sterker is gegroeid dan in de EU … Als je echter begint om te rekenen naar productiviteit per uur, dan wordt het verschil met de best presterende Europese landen – waaronder België – bijna volledig uitgewist. De enige reden waarom er een kloof per hoofd van de bevolking is, is simpelweg omdat we hier een pak minder uren werken. We nemen bijvoorbeeld meer vakantie op.
Dat klopt natuurlijk. De Amerikanen nemen kortere lunchpauzes, werken langere uren, en klagen over de Europeanen die ‘altijd op vakantie zijn.’ Nu kun je bij die aantekening van Marx ook weer aantekeningen maken. De grafiek is bijvoorbeeld niet zozeer interessant omdat hij een kloof in productiviteit aantoont, maar omdat die kloof groter wordt. Dat is niet omdat de Amerikanen ondertussen nóg kortere lunchpauzes nemen, nóg langere uren werken en nóg minder op vakantie gaan. Het tegendeel is waar: ook de Amerikanen werken minder en minder, iets wat socioloog Charles Murray documenteert én betreurt in Coming Apart. Bovendien is het normaal dat in een vrijere economie meer plaats is voor sectoren met een lage productiviteit – hamburger restaurants – naast sectoren met een hoge productiviteit. Het is dat laatste wat De Wever wil aankaarten, en dat weet Marx ook wel. De rest van zijn eigen betoog gaat over die ‘éne sector’ die verantwoordelijk is voor de ‘kloof’ namelijk de informatietechnologie.
Dit gezegd zijnde blijft de kanttekening van Marx over het bbp interessant. We hebben het bbp-cijfer nodig als we willen spreken over welvaart, maar het is een erg ruwe benadering. De rijkdom van een rustig leven en veel vakantie wordt niet gemeten. En als we het bbp willen gebruiken om iets te bewijzen, moeten we dubbel oppassen. Een liberale uiteenzetting die een positief verband legt tussen vrije markt en bbp, moet er toch ook even de Gini-index bij halen om te zien of dat bbp een beetje redelijk verdeeld is. En een linkse* uiteenzetting die een positief verband legt tussen migratie en bbp moet minstens dat BBP per inwoner uitrekenen.
Frédéric Bastiat heeft indertijd op nog een andere valstrik gewezen. Het moedwillig kapotslaan van een ruit en het laten herstellen ervan komt in het bbp terecht in dezelfde kolom als het maken van een nieuwe broek. Elchardus legde het op zijn manier uit:
Of, om een actueel voorbeeld te nemen, wanneer een vrouw tijdens het joggen wordt aangerand, ernstig gewond raakt en medische verzorging nodig heeft, wordt dat als een bijdrage aan het bbp geregistreerd.
Cijfers, het blijft een moeilijke kwestie. Wie dat niet gelooft, kan best eens twee columns over migratie met elkaar vergelijken, bijvoorbeeld een van Frank D’hanis (hier) en een van Mark Elchardus (hier).
* Eventueel ook van links-libertarische zijde.












