Longreads: als het ietsje (of veel) langer mag zijn
▼
zaterdag 12 december 2015
Ik zou een slechte Arabier zijn
In het vijftigste
hoofdstuk van Decline and Fall geeft
Gibbon (1737-1794) een erg levendige beschrijving van de Arabische woestijn.
Overal waar je kijkt, niets dan zand en rotsen, een zon van lood, en winden die
geen verfrissing brengen, maar juist nieuwe hitte aanvoeren. En dan de
bewoners! Van hen somt hij, zoals het zijn gewoonte is, zowel hun slechte als
hun goede eigenschappen op. De Arabier, schrijft Gibbon, voelt
zich gemakkelijk verongelijkt. Komt hij tussen de zandbergen een vreemdeling
tegen met mooie kleren, dan vindt hij dat een groot onrecht. Hij stormt woedend
op hem af en roept: ‘Mijn vrouw loopt in vodden. Geef diekleren aan mij of ik vermoord je’. Bij zijn goede
eigenschappen vermeldt Gibbon zijn gastvrijheid en zijn verbazingwekkende
vrijgevigheid. Als iemand erom vraagt, geeft hij hem alles: zijn paard, al het
geld dat hij op zak heeft, al het goud dat hij in huis heeft, tot zijn laatste
slaven toe … Of dat allemaal waar is, van dat
verongelijkt zijn en die vrijgevigheid, dat weet ik niet. Ook is Gibbon allang
dood, en kunnen de zonen en dochters van de woestijn ondertussen veranderd zijn.
Maar áls het waar is, dan zou ik een
slechte Arabier zijn. Ik kijk zonder afgunst naar de os, de ezel en de mooie vrouw
van de buurman, zonder dat ik mij tekort gedaan voel. Als die buurman een grotere boekenkast
heeft, denk ik: good for him! Als hij in een mooiere Jaguar rijdt, denk ik: wat
een mooie Jaguar! Maar zelfs als iemand met aandrang erom vraagt, zal ik hem
noch mijn paard, noch mijn geld, noch mijn goud, noch mijn slaven geven. Als
hij geld, goud, paarden of slaven wil, zal hij daar zelf moeten zien aan te
komen. Mijn
is mijn en dijn is dijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten