Longreads: als het ietsje (of veel) langer mag zijn

zondag 11 januari 2026

Zuhal Demirs 'vriendjespolitiek'


Zuhal Demirs 
vriendjes      
     Onderwijsminister Zuhal Demir kende 8,5 miljoen euro toe aan het expertisecentrum Onderwijs en Leren van Tim Surma*. Ze deed dit via een ‘vertrouwelijke mededinging’ en niet via een ‘openbare aanbesteding’. Tim Surma en zijn ploeg zullen het geld gebruiken om een vijftigtal pilootscholen te begeleiden bij het toepassen van de nieuwe minimumdoelen voor het basisonderwijs. Ze zouden daarvoor onder andere een reeks podcasts maken.
       Mocht ik nog les geven, dan zou ik dat wellicht grondiger onderzoeken. Nu wil ik alleen iets zeggen over twee kritieken die tot Demir werden gericht. De eerste is die van Hannelore Goeman van Vooruit. Ze stelde in een Tiktokvideo dat ‘N-VA het onderwijs voor de happy few maakt.’ Dat is een sluw verwoorde kritiek omdat ze twee – eigenlijk drie – zaken tegelijk suggereert. Ten eerste zouden alleen een beperkt aantal scholen – de ‘happy few’ – van de subsidie profiteren. Die kritiek ontkent de mogelijke dynamiek van een pilootproject dat nuttige ervaring kan opleveren voor álle scholen. Soit, n’insistons pas. Ten tweede zou het project zélf ten goede komen aan slechts een beperkte groep van leerlingen, waarbij alweer twee zaken door elkaar worden gegooid: de happy few van best presterende leerlingen dan wel de happy few van leerlingen uit de hogere klasse. Die laatste, emotionele betekenis, kleurt de hele boodschap. Het is begrijpelijk dat mijnwerkersdochter Demir daar woest op reageerde.
      De tweede kritiek op Demir is dat ze aan ‘vriendjespolitiek’ doet door niet via een openbare aanbesteding te werken. Dat is een begrijpelijke kritiek. De openbare aanbesteding is een manier om corruptie te beperken. Als je politici hun gang laat gaan, zullen ze projecten kiezen die hun, in het ergste geval smeergeld, en in het beste geval stemmen zullen opleveren. Een openbare aanbesteding met verschillende offertes is daarentegen een objectieve manier om zicht te krijgen op prijs/kwaliteit.
     Is ze dat ook in de materie van onderwijscurriculum? Dat betwijfel ik. Want wat is kwaliteit? Er is in de onderwijspolitiek al lang een ideologisch conflict aan de gang over de fundamentele doelstellingen van het onderwijs. Men spreekt in die context niet van ‘ideologie’ maar van ‘visie’, maar dat komt op hetzelfde neer. Toen ik les gaf, kreeg ik geen podcasts, maar wel een eindeloze stroom van vernieuwende pedagogische richtlijnen. Ik werd op studiedagen, interne vergaderingen en bijscholingen in de richting geduwd van ‘vaardigheden’, constructivisme, zelfontdekkend leren, inductieve methode, begeleid zelfstandig leren, groepsprojecten, vakoverschrijding, communicatief onderwijs, en procesevaluatie. Ook moest ik vertrekken van de leefwereld en de ‘natuurlijke leergierigheid’ van het kind. Over al die zaken dacht ik ongeveer het tegenovergestelde van wat het ministerie van Onderwijs en de Guimardstraat voor de geest stond. Maar zou men die visie-verschillen in objectieve termen van ‘kwaliteit’ kunnen duiden? Alweer: dat betwijfel ik. Aan beide kanten van de controverse schermde men met de term ‘evidence based.’
     Ik moet Karel Verhoeven (DS 10/1) gelijk geven als hij de toewijzing van het curriculum-project aan Onderwijs en Leren als volgt beschrijft: ‘De minister selecteert die [onafhankelijke experts] voor hun opvattingen en hun ideologie.’ Zeker, zeker. Ik zou het ook zo gedaan hebben. Ik zou er vanuit gegaan zijn dat het hier niet gaat om een neutrale ‘kwaliteit’ – zoals die van bouwmaterialen – die dan tegen een bepaalde kostprijs kan worden afgewogen, maar dat het gaat om een ‘visie’.
       Ik had natuurlijk kunnen proberen om die visie in de aanbestedingscriteria te vertalen, maar dat biedt onvoldoende garanties. Van Michael Oakeshott heb ik geleerd dat beleid met zoveel impliciete ‘details’ te maken heeft dat het niet exhaustief in teksten kan worden gevat. Ik zou dus, als minister van Onderwijs, met verschillende experten gesproken hebben om af te toetsen of ik al dan niet ‘op dezelfde golflengte’ zat. Ik denk dat ik na een informeel gesprek van vijf minuten al zou geweten hebben of iemand tot de oude garde van de vernieuwers behoorde dan wel tot de nieuwe wind van back to the basics. En die oude garde had ik niet binnengelaten, hoe goed ze ook scoorden op een openbare aanbesteding.
     Demir heeft zelf toegegeven dat de toekenning van het budget ‘geen schoonheidsprijs’ verdiende. Natuurlijk was een openbare aanbesteding ceteris paribus beter geweest. De geijkte, beproefde procedures zijn de beste –  behalve als je tegen de stroom wil inroeien. Dan kunnen die procedures een status-quo bestendigen die ik in het onderwijsbeleid zou betreuren. 


* Tim Surma ken ik niet maar hij heeft samen met Paul Kirschner een boek geschreven over onderwijs. Van Kirschner heb ik indertijd wel enkele artikels gelezen. Ze waren een balsem op de wonden die telkens weer toegebracht werden door de richtlijnen van het ministerie en de Guimardstraat. 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten