De traditionele en de nieuwe hoofddoek
Over het ontslag van Hadija Amajoud kan ik kort zijn. Ik wens mijn medestanders in het hoofddoekendebat veel moed en succes toe, maar aan deze ronde zal ik niet deelnemen. Mijn eigen mening ken ik ondertussen en die zal niet veel meer veranderen: ik ben voor de eerstkomende 50 jaar tegen die hoofddoek op school. Daarna, als de islam zich inhoudelijk gemoderniseerd heeft, zal het mij niet zoveel meer kunnen schelen. Misschien ben ik dan al dood of heeft AI de mensheid uitgemoord.
Ondertussen lees ik hier en daar een nieuwe formulering of een nieuw argument. Een journaliste van De Standaard (15/9) stelt de vraag: ‘Maar misschien hoeft een leerkracht met een hoofddoek in een goed geïntegreerde samenleving geen discussiepunt te zijn?’ De mogelijke antwoorden op die vraag liggen wel erg voor de hand. Verder las ik een tekst van Kamel Daoud (Le Point, 9/9) die de traditie van de sluier onderscheidt van de heropleving ervan. Die heropleving, schrijft Daoud, was een een uiting van anti-Westers verzet of van een anti-Westerse ideologie, gepredikt door bijvoorbeeld een seculier als Frantz Fanon, en later overgeslagen naar Iran.
Een laatste vraag: kunnen we het hele debat niet ontdoen van al het drama dat errond gemaakt wordt? Dat is moeilijk. Een ‘pragmatische’ oplossing voor wat aan beide kanten als een symbolenstrijd wordt opgevat, is niet realistisch. Vroeg of laat moet zelfs iemand als ik erkennen dat symbolen ertoe doen.
De 13 Gazaanse studenten en de hoofddoek
Als ik de opiniepagina’s van De Standaard doorblader, zal ik geen auteurs discrimineren omdat ze een hoofddoek dragen. Het stuk over ‘islamofobie’ van Arthemis Snijders heb ik dan ook helemaal gelezen, ook al draagt ze een hoofddoek op het fotootje ernaast. Ik heb wel even geaarzeld toen ik las dat ze ‘doctoraatsonderzoeker rond gegenderde islamofobie’ was.
Haar eerste zin ontlokt mij meteen een bedenking.
‘België laat nog altijd dertien studenten aan hun lot over in de levensgevaarlijke openluchtgevangenis die Gaza is.’
Men bekritiseert van alle kanten minister Anneleen Van Bossuyt die in het toelaten van de Gazaanse studenten een ‘precedent’ ziet, dat tot een ‘domino-effect’ kan leiden. Maar Snijders treedt ongewild de visie van de minister bij, want als de ‘gevaarlijke openluchtgevangenis’ een argument in de discussie is, dan geldt dat niet alleen voor de 13 studenten, maar ook voor de 2,2 miljoen andere Gazanen.
Snijders gebruikt ook de uitdrukking ‘hondenfluitje’ als ze het over een sociale-mediapost van Theo Francken heeft. Die had na zijn vakantie in Albanië geschreven:
‘Een moslimland zonder hoofddoeken of islamitische dominantie.’
Ja, dat vind ik zelf ook beter dan een moslimland mét hoofddoeken en mét islamitische dominantie. Het is goed dat Francken erop wijst dat niet alle moslimlanden ten prooi zijn aan fundamentalisme en fanatisme.
Ik lees bij Snijders voor de zoveelste keer dat het hoofddoekenverbod geen ‘neutrale neutraliteit’ is. Dat is mooi gezegd en het klopt. Als er één bepaalde groep is die het moeilijker met de opgelegde neutraliteit, dan zal de regel door die groep anders ervaren dan door de groepen die daar minder zwaar aan tillen. Daar is niets aan te doen.
De hoofddoek: achterliggende motieven
Thomas Goorden verwerpt in een lang stuk op FB de argumentatie van de hoofddoekverbieders. Wat ze zeggen is ‘bullshit’. Hun echte reden is de volgende:
‘Bepaalde mensen willen gewoon hun (culturele) macht demonstreren door te kunnen bepalen wat vrouwen wél of niet mogen dragen.’
Zelf neem ik aan dat die echte redenen van allerlei aard zijn en niet tot één enkele kunnen worden herleid.
In bevragingen, bijvoorbeeld in Duitsland, heeft men gepeild naar de redenen waarom moslima’s een hoofddoek dragen. Die vrouwen gaven aan aan, in volgorde van belang: religieuze plicht, gevoel van veiligheid, herkenbaarheid als moslim, traditie, bescherming tegen lastige mannen, mode-overwegingen, vraag van de partner, sociale verwachtingen, vraag van familie. Ik weet niet of ik zulke antwoorden durf vertrouwen, want ‘sociale verwachtingen’ en ‘vraag van familie’ scoorden wel erg laag.
Op dezelfde manier zou men de hoofddoekverbieders kunnen bevragen naar hún motieven. Ook daar zullen wel verschillende redenen meespelen, en ook die antwoorden zou ik niet helemaal vertrouwen. Zou ikzelf bijvoorbeeld gedreven worden door de wil ‘om mijn culturele macht te demonstreren door te bepalen wat vrouwen wél of niet mogen dragen.’ Ik denk het niet. Maar zelfs als die wil zou meespelen, dan zou het toch zeker mijn énige reden niet zijn.
En dan is er nog een groep die men zou kunnen bevragen: de hoofddoektoleranten. Mensen zoals Thomas Goorden bijvoorbeerd, of zoals Lode Cossaer. Die leggen trouwens ook zonder bevraging uitgebreid hun redenen uit op FB of op hun substack. De redenen van Goorden vind ik redelijk slecht, en die van Cossaer vind ik redelijk goed*. Maar tegen het weerleggen van beiden ‘zie ik op als tegen de Himalaya.’ Ik zou er mij het liefst van afmaken met verwijzing naar mijn vorige stukjes, en er dan aan toegeven ‘dat ik al gegeven heb.’ Of ik zou een zinnetje kunnen gebruiken zoals Johan Leman er eentje had:
‘Mijn niet dogmatische voorkeur gaat naar het niet etaleren van levensbeschouwelijke kenmerken in het onderwijs, zonder er een absoluut breekpunt van te maken.’
Over dat breekpunt verschil ik van mening met Leman, maar het was het antwoord van Goorden aan Leman dat mij het meest trof:
‘Dat is toch totaal een zwaktebod. Wat een lui denken is me dat.’
Lui denken ... dat is precies wat mij overkomt. Bij het lezen van die pleidooien voor hoofddoekvrijheid verdrinkt mijn denken in een poel van lamlendige vermoeidheid. Ik zoek dan verlichting bij stukjes van linksrepublikeinen als Jan De Zutter met wie ik het dan voor één keer eens kan zijn.
* De x.com-berichten van Cossaer over de kwestie vind ik dan weer zwakker: ‘Waarom mag een moslima met een hoofddoek gebruikmaken van de trein en mag een moslima (leerlinge) met een hoofddoek geen gebruikmaken van het publiek onderwijs? Waarom speelt 'neutraliteit' bij het ene wel en bij het andere niet?’ Nou ja, openbaar onderwijs, openbaar vervoer, ik zie wel een verschil. En nu het toch daar over gaat. Ik zit soms als enige man op de bus van Kortrijk naar Menen met als medepassagiers tien of vijftien moslima’s met hoofddoek: oudere dames die telefoneren in een taal die ik niet begrijp, en jonge meisjes die kwetteren in het West-Vlaams. Dat laatste vind ik leuk.


Wat een groepje onaantrekkelijke dames daar op dat plaatje. Uiteraard vinden feministen hen geweldig.
BeantwoordenVerwijderenDe AI-dreiging. Het nieuwste eschatologisch verhaaltje gepeddeld door de verkleuterde woke-krantjes genre de Standaard of de Morgen. Het klimaatverhaaltje mobiliseert niet veel meer , het gemekker over Gaza begint te vervelen en de " hittedoden" zijn ondertussen al vergeten.
BeantwoordenVerwijderen*'[e]n later overgeslagen naar Iran*. Zo is dat gegaan. Via de figuur van Ali Shariati. En van kompanen als Abolhassan Banisadr. Het was Banisadr, de president onder Khomeini na de Revolutie van 1979 en kort daarna in ongenade gevlucht naar Frankrijk, aan boord gesmokkeld van een Iraanse jet, die Fanon's *Les damnés de la terre* (1961) vertaalde. Later dat decennium uitgegeven, tussen 1966 en 1969, in twee delen. Met inbegrip van Sartre's inleiding. Banisadr was de eerste vertaler en hij was in de omgeving van Khomeini. Al was Shariati via Fanon's 'Damnés', wel de spilfiguur voor de fusie van een soort — en overigens met nadruk niet-marxistisch — Perzisch/Iraans Links met de islam in een traditie van 'Karbala', de nooit geheelde wonde van 680 en van het 'schisma' in de islam. We vergeten niet de rol van Michel Foucault die in 1978 door *Corriere della Sera* en *Le Nouvel Obs* (16-22 oktober 1978, 'À quoi rêvent les Iraniens'?) naar Iran werd gestuurd om er een verslag te schrijven van de broeiende revolutie. Foucault die er met de invloedrijke Ayatollah Shariatmadari sprak. Foucault die, net als vele anderen van Links in 1978, Khomeini bezocht in Neauphle-le-Château waar die heen was gegaan met gevolg na zijn uitwijzing door het Irak van Saddam in 1978. In *Le Droit de Vivre*, *Le DDV*, wordt Foucault 'patient zéro de l'islamogauchisme* genoemd. https : //www . leddv . fr/analyse/michel-foucault-patient-zero-de-lislamo-gauchisme-20211112
BeantwoordenVerwijderenWie heeft de bordjes van die anti-westerse dames met zo'n onberispelijk Nederlands volgekrabbeld? Één of andere witte islamo-gauchistische alloctonenknuffelaar?
BeantwoordenVerwijderen'Sacksen Kuechen', klopt dat wel?
VerwijderenWat mij steeds weer verbaast is dat in mijn ´jonge jaren´, de hoofddoek slechts zeer beperkt gedragen werd. Tenzij dat misschien niet klopt.
BeantwoordenVerwijderenIk moet daarvoor niet teruggaan naar mijn jonge jaren. Ik schreef daarover onlangs het volgende:
Verwijderen"Mijn moeder ging dertig jaar geleden in Menen wonen. Er moeten toen enige migranten in het straatbeeld aanwezig zijn geweest, maar mijn moeder merkte die niet, omdat ze zo’n kleine minderheid gewoon was. In Wervik zag je in de jaren 60 ook al wat Algerijnen rondlopen die af en toe de Frans-Belgische grens overstaken. Sommige van hen bezochten onze bioscoop. Maar 15 jaar geleden, naar haar schatting, begon de zichtbaarheid van migranten in Menen snel toe te nemen.
Die 15 jaar moet een juiste schatting zijn. Ik stond enkele weken geleden bij de bakker op de Menense markt en voor mij was een Pakistaanse vrouw aan het kletsen met de bakkersvrouw. Bleek dat die Pakistaanse in Menen geboren was. Vijftien jaar geleden was ze met haar man naar Pakistan verhuisd om voor zijn zieke vader te zorgen. Haar kinderen hadden Urdu op school gesproken maar in de huiselijke kring werd het Menens dialect in ere gehouden. Nu was ze met haar gezin voor goed naar Menen teruggekeerd. En wat was ze geschrokken: ‘Vijftien jaar geleden waren mijn man en ik hier de enige vreemdelingen.
Naegels heeft alweer gelijk dat die zichtbaarheid van migranten zelfs met het striktste migratiebeleid nog zal toenemen door de demografische evolutie. Daar valt niets tegen te beginnen. Maar we kunnen hopen op een andere evolutie. Toen de migranten in Menen aankwamen droeg een deel van de vrouwen een hoofddoek en en een vormloze jurk, tot groot ongenoegen van mijn modebewuste moeder. Maar drie of vier jaar geleden begon die hoofddoekdracht plots heel snel toe te nemen. Dat lag niet aan de demografie, maar aan de imams.
Het appartement van mijn moeder ligt recht tegenover de technische school waar ze zelf ooit nog lesgegeven heeft. ’s Middags en s’avonds ziet ze de meisjes buitenstromen uit de school en zodra ze de schoolpoort voorbij zijn doen ze allemaal snel een hoofddoek om. Drie of vier jaar geleden was dat nog niet zo. Dát is dus óók een zichtbaar proces en we mogen hopen dat het, in tegenstelling tot de demografie, wel omkeerbaar is: dat die meisjes, of hun toekomstige dochters of kleindochters, die hoofddoek weer zullen afdanken. Dat kan bruusk gebeuren in een opwelling van feministische rebellie of als onderdeel van een generatieconflict, dan wel voorafgegaan worden door een langzaam veranderende betekenis van de hoofddoek. ’t Zou in elke geval een vorm van zichtbare integratie zijn."