LONGREADS

BOEKEN -- RECENSIES & NOTITIES

zondag 26 april 2026

Verzamelde kortjes

Monopolie in de entertainment business
     Een van de sterke a priori argumenten tegen het ongebreideld kapitalisme is dat het leidt tot monopolies die slechte kwaliteit aanbieden tegen veel te hoge prijzen. Maar daar zie ik nooit voorbeelden van. Welke producten zijn ten gevolge van monopolievorming te duur? Krielaardappelen? Computers? Piano’s? Gisteren kreeg ik op Het Nieuws eindelijk een voorbeeld. Door de samenwerking van Live Nation an Ticket Master was er een concertgigant ontstaan die te hoge prijzen aanrekende voor tickets. ‘Dat is waar,’ zei mijn vrouw, ‘zulke tickets kosten makkelijk 100 of 200 euro.’ Maar is dat te duur? vroeg ik mij af. Zo’n concert organiseren brengt aardig wat kosten mee. De Standaard (17/4) van de dag erna bracht het antwoord: experts van de Amerikaanse overheid hebben betoogd dat de Ticketmaster gemiddeld 1,72 dollar per ticket te veel aanrekende.’ Niet veel meer dan 1 procent dus. Hoe ze het hebben uitgerekend weet ik niet, maar die experts waren er niet op uit om de prijsverhoging zo klein mogelijk voor te stellen.


Planlast in het onderwijs
     Schooldirecteur Dimitri Meurrens (DS 17/4) schrijft een filosofische bezinning over de onderwijshervormingen. De titel is misleidend: ‘Hoe maak je van planlast planlust?’ Ik had het stuk daarom bijna overgeslagen. Maar het bevat juist een heel goede opsomming van wat de moderne planlast in het onderwijs inhoudt:  

Leerlingenvolgsystemen, de toenemende juridisering, online platformen waarop van alles moet worden geregisteerd, allerlei actieplannen die moeten worden opgesteld … Kortom, veel schrijfwerk, en dus ook veel leeswerk. Maar waarom wordt dat alles doorgaans als een last ervaren? … Onderwijsmensen zijn meestal plichtsbewust en doen wat ze denken dat van hen wordt verwacht, ook als die inspanningen niet in verhouding staan tot het beoogde effect.

     De lijst is redelijk volledig. Er ontbreekt nog ‘vergaderwerk’. Zelf geef ik toe dat ik het ‘leeswerk’ de laatste jaren van mijn carrière wat verwaarloosd heb, ook al werd het ‘schrijfwerk’ van mijn collega’s daardoor nog een fractie nuttelozer.  

Naegels over 'problemen' en 'symbolen'

     Tom Naegels en ik hebben dezelfde commentaar bij de verkiezingsnederlaag van Viktor Orban, maar dan omgekeerd.  We denken allebei dat er geen alleenzaligmakende strategie bestaat om een dam op te werpen tegen extreem, radicaal, autoritair of illiberaal rechts. Ik betwijfelde in een stukje* of een verenigd front van links de beste garantie op succes is, en Naegels drukt dezelfde twijfels uit over een verenigd front van centrumrechts (DS 18/4). We hebben, geloof ik, allebei gelijk, wat niet moeilijk is zolang je je beperkt tot algemene wijsheden**.
      Verder geef ik Naegels ook gelijk als hij schrijft dat progressieven hun idealen niet moeten opgeven vanwege een politieke strategie: ze moeten niet toegeven aan de chantage dat ze met hun idealen extreemrechts ‘provoceren’. Zo moeten ook rechtsliberalen en conservatieven niet toegeven aan de chantage dat ze met hun politiek extreem-recht ‘nabootsen’ of ‘in de kaart spelen’.
     Verder houdt Naegels natuurlijk vast aan de overtuiging dat de activisten aan de linkerkant de goeien zijn, terwijl de activisten aan de rechterkant een soort beroepsmalcontenten zijn. Eerst legt hij uit wat het ‘feministische, antiracistische, queer of ecologische engagement
 inhoudt: 

Anders dan rechtse mensen vaak denken, draait progressief zijn niet alleen om performatieve signalen uitsturen, zoals de juiste woorden gebruiken of de juiste snor dragen. Progressieven zetten zich in voor echte problemen van echte mensen … 

     Aan de overkant gaat het anders toe: 

Er is ondertussen een hele bibliotheek volgeschreven over het profiel van de radicaal-rechtse kiezers. Ze voelen zich verweesd … Allerlei zaken kunnen symbool gaan staan voor dat gevoel niet meer meetellen, van een bushokje dat wordt afgeschaft over een botte uitspraak van een linkse schrijver tot de aanwezigheid van mensen met een andere huidskleur in de eigen wijk, in een stad niet zo veraf, of op de televisie. Dat zijn begrijpelijke gevoelens, maar er is geen politicus, zelfs geen hele regering, zelfs geen Europese Unie die daar iets aan kan verhelpen***.

       Ik zal het wat scherper formuleren. De progressieve activisten zoeken een redelijke oplossing voor echte problemen van echte mensen. Rechts daarentegen is gefixeerd op symbolen en gevoelens van frustratie, kwesties waar geen oplossingen voor bestaan, en als er oplossingen bestaan, dan zijn het zeker niet die die door rechtse activisten worden voorgesteld.
      Zelf denk ik dat de fixatie op symbolen, reële problemen, en problemen waar ‘een hele regering niets aan kan verhelpen’, nogal gelijk verdeeld is aan beide uiteinden van het politieke spectrum. En over wélke halfslachtige oplossingen de moeite zijn om uit te proberen, verschillen Naegels en ik vermoedelijk óók van mening. 

* Zie mijn stukje hier.

** Welke strategie succesvol is moet min of meer afhangen van de grondstroom in een bepaalde samenleving. In Hongarije is die wellicht niet links-liberaal.

*** Naegels geeft blijk van een scherp inzicht in de ziel van de radicaal-rechtse kiezer: ‘Het meest op de zenuwen van die kiezer werkt de progressief, die de indruk wekt zich als enige goed te voelen in de nieuwe cultuur, en die die zelfs nog verder in de ongewenste richting wil doen evolueren.’ How very true! En omdat ik nogal wat linkse kiezers onder mijn FB-vrienden heb en hun commentaren lees, kan ik verzekeren dat het omgekeerde, mutatis mutandis,  evenzeer waar is: ‘Het meest op de zenuwen werkt de conservatief [c.q. de neoliberaal] die de indruk wekt enzovoort ... ’ 

zaterdag 25 april 2026

Bim bam beieren

     De Standaard viert de Paastijd met een aantal vrije tribunes onder de titel Bim bam beieren. Iedere keer als ik die titel zie moet ik denken aan een reeks Herr Seele-cartoons waarin de uitdrukking ‘Heilige vader, bimbam de klokken’ werd gebruikt. 
     In de bijdrage van 10/4 borduurt dichteres Charlotte Van den Broeck voort op het oorspronkelijke kinderrijmpje: 

                                    Bim bam beieren
                                    de koster lust geen eieren
                                    wat lust hij dan
                                    spek in de pan.’

     Dat is een ritmisch meesterwerkje, met de subtiele metrische verschuivingen en de harde cesuur vóór het laatste vers. Vandenbroeck buigt zich echter niet over de poëtische kwaliteit van het gedicht maar bezint zich over de vraag of dergelijke kinderrijmpjes het traditionele rollenpatroon in het gezin niet al te veel bevestigen: de vrouw die alle huishoudelijke werk op zich neemt. Haar antwoord: 

                                    ‘Bim bam beieren
                                    Man, bak toch gewoon zelf je eieren.’ 

     Dat is een ritmisch onding. Het moet zijn: 

                                    ‘Bim bam beieren
                                    Man bak zelf je eieren.’ 

     Dat is trouwens wat ik vanavond zal doen. Er staat een lekkere pokébowl in de koekast en daar hoort een spiegeleitje bij, vind ik.



 

De functie van de taal

     In de lessen over taalkunde zei ik ook snel iets over de ‘fatische’ functie van de taal: spreken om te spreken, om het communicatiekanaal open te houden, om jezelf en anderen gerust te stellen, om te bewijzen dat je bereid bent te luisteren als wederdienst omdat de andere ook bereid is om naar jou te luisteren. Had Freek Van de Velde toen al zijn column gepubliceerd ‘Praatziek zijn is gezond’ (DS 13/4), dan had ik die zeker in de les gebruikt. Van de Velde legt uit dat taal niet zo goed werkt om informatie over te brengen.

 Als je weleens vanop afstand, door de telefoon, hebt moeten uitleggen hoe je een radiator ontlucht, het oliepeil checkt van een auto, of een papieren hoedje vouwt, dan weet je dat zoiets een uiterst frustrerende activiteit is.

     En dan moet je dat eens proberen in een vreemde taal! Sommige handboeken voor Frans en Engels wilden warempel dat leerlingen instructies konden geven in een vreemde taal, iets wat hun leraren zelf amper konden. Het communicatieve taalonderwijs slaagde erin om de lat tegelijkertijd te hoog en te laag te leggen.
     Ik had de column van Van de Velde ook kunnen gebruiken in andere hoofdstukjes: over het ontstaan van taal, en over het verschil tussen dieren- en mensentaal. Onze taal, schrijft Van de Velde 

 lijkt minder op de waarschuwingskreten van apen dan op een andere activiteit die je bij onze naaste biologische verwanten kunt waarnemen: ze vlooien elkaar. Bij een haarloze soort als de mens is dat lastiger. Dan maar de sociale banden aanhalen door gezellig te beppen.

dinsdag 21 april 2026

Censuur, vrije woord, chatcontrol

De argumenten voor het vrije woord
     Wie argumenten zoekt voor het vrije woord, komt onvermijdelijk terecht bij J.S. Mill, met zijn boekje On Liberty. Ik heb daar in mijn boekenkast een exemplaar van dat toebehoord heeft aan een Labour-politicus A.W.F. Haycock. De uitgave dateert van 1905 maar Haycock heeft het verworven op 3 juli 1913, en hij heeft allerlei aantekeningen in de marge gemaakt. Bij Pinker vond ik een heel elegante samenvatting van de argumentatie.

There are three reasons why an unwelcome opinion should not be suppressed. For all we know, it might be true; even if it’s false, it may contain a grain of truth; and even it’s completely false, showing why it’s false gives us a sounder understanding of what is true.

     Zo'n mooie samenvatting  zou ik het nooit kunnen schrijven dacht ik. Maar ik heb eens in mijn oude stukjes gekeken, en daar vind ik er eentje van 11 oktober 2015 die op die van Pinker gelijkt.  

Dissidenten konden bijvoorbeeld gelijk hebben, zegt Mill, – of half gelijk – je wist maar nooit. En discussie was altijd verrijkend. 


Drie argumenten tegen het vrije woord
     Er worden drie argumenten ingebracht tegen onbeperkte vrije meningsuiting: de mogelijke verspreiding van hate speech, van fake news en van ‘gevaarlijke meningen.’ Bij die gevaarlijke meningen horen: klimaatscepticisme, desinformatie over gezondheid, woke ideeën, ‘verheerlijking van geweld’, subversie, en ‘buitenlandse beïnvloeding’. In vroeger tijden was ketterij de gevaarlijkste mening, want die bracht het zielenheil van de gelovigen in gevaar. 
     Het nieuwste gevaarlijke idee is AI-optimisme. Filosoof Stijn Bruers besluit een stuk in De Morgen als volgt: ‘Mensen die nu even stellig verkondigen dat AI niet zo gevaarlijk is, kunnen zo ook medeverantwoordelijk worden voor een grote ramp.’ Daar moet aan worden toegevoegd dat de argumenten van Bruers over het AI-gevaar helder zijn geformuleerd, en dat hij niet pleit om het AI-optisme als gevaarlijke mening te verbieden in de media of aan de universiteit. Dat deed hij wel met meningen over de Gaza-oorlog die hem niet bevielen*.

* Zie mijn stukjes hier en hier.


De grenzen aan de vrije meningsuiting
     Hoe helder een schrijver zich uitdrukt, kun je vaststellen als hij iets uitlegt wat je zelf ook al hebt proberen uit te leggen. Ik heb al verschillende keren geschreven over de kwestie van het vrije woord, en over de grenzen die daaraan kunnen worden gesteld. De formulering van Pinker in Common Knowledge vond ik bijzonder helder. Hij herhaalt dat het vrije woord ook geldt voor ‘crude, offensive and hateful speech’ en somt drie soorten van uitzonderingen op, terwijl ik er zelf maar twee zag. Ik heb de uitzonderingen van Pinker genummerd: 

  1. misdrijven die door hun aard zelf met woorden worden gepleegd, zoals afpersing, omkoping, laster, fraude en bedreigingen
  2. onmiddellijke aanstichting tot onwettig handelen 
  3. beperkingen op het tijdstip, de plaats en de wijze van uiting (Het Eerste Amendement geeft je niet het recht om om 3 uur ’s nachts je manifest door een luidsprekerwagen in een woonwijk te schallen, of om je zeepkist midden op een drukke snelweg neer te zetten.)

     Pinkers eerste punt verraadt dat hier een getrainde linguïst aan het woord is die weet heeft van de ‘performatieve taaldaden’-theorie.



Democratisch besliste censuur
     Begin januari was er op de opiniepagina’s van De Standaard een polemiek tussen juristen. Advocaat Joris Van Cauter had J.D. Vance gelijk gegeven over de kwestie van de vrije meningsuiting in Europa (DS 6/1). Die wordt volgens Van Cauter en Vance aan banden gelegd. Van Cauter haalde onder andere aan dat de Europese Raad sancties had uitgesproken (inreisverbod, beperking op gebruik van digitale diensten) tegen de Zwitserse oudkolonel Jacques Baud vanwege het verspreiden van pro-Russische standpunten en complottheorieën. Van Cauter noemde een en ander praktijken waar de ‘voormalige DDR alleen maar van kon dromen.’
     Die overdrijving werd meteen tegen hem gebruikt in het antwoord van twee professoren in EU-recht. Ik zou dat ook doen. Je moet geen stroman-argumentatie verzinnen als de opponent zelf een stroman in elkaar flanst. In hun antwoord legden de professoren dus uit dat er een heel verschil is tussen de DDR en de EU.  Binnen de EU worden nieuwe wetten en regelingen, in tegenstelling tot in de DDR vroeger, heel-heel-heel lang besproken in verkozen parlementen en onverkozen commissies. Ook gaven de professoren aan dat die oud-kolonel in beroep kon gaan tegen de beslissing van de Raad. Dan zou het Hof van Justitie nagaan of de kolonel écht, en op gecoördineerde manier, complottheorieën verspreid had.
     Maar dat maakt de zaak er niet veel beter op. Dat een censuurregeling veel tijd vergde en democratisch werd beslist, en dat sancties op grond van die regeling worden gecontroleerd door een gerechtelijke instantie, dat verandert niets aan de censuur zelf. Democratische en rechtstatelijke censuur is óók censuur.
     De professoren geven toe dat de EU met haar nieuwe regelgeving rond ‘verspreiden van desinformatie en Russische propaganda’ vragen doet rijzen zoals

‘hoe de scheidingslijn moet worden getrokken tussen informatie, misinformatie en desinformatie, maar dat is iets helemaal anders dan niet wenselijk geachte meningen sanctioneren.’

     Dat is helemaal niet iets anders! Het is precies hetzelfde. In een vrije maatschappij maakt noch de wet noch de rechter onderscheid tussen een informatie, misinformatie en desinformatie*. Er is geen censuur tegen wat sommigen desinformatie vinden, en anderen niet. Het enige aanvaardbare argument voor censuur is dat van de nationale veiligheid die bedreigd wordt door buitenlandse subversie**, en zelfs dat argument schept een gevaarlijke opening naar verdere censuur over andere onderwerpen.

* Een interessante uitzondering is wanneer een burger door een andere burger beschuldigd wordt van opzettelijke desinformatie en daarom een proces wegens laster inspant. Dan moet de rechter natuurlijk wel het onderscheid maken tussen informatie en desinformatie. Zie daarvoor de film Denial (2016) over holocaust-negationisme.


** Uiteindelijk is buitenlandse subversie ook het argument van de EU tegen de Zwitserse oud-kolonel, en de zaak bewijst hoe makkelijk dat argument kan worden misbruikt.



Chatcontrol als hefboom voor censuur
    
 Van Cauter had  in De Standaard (6/1) naar digitale supervisie via ChatControl verwezen als een hefboom voor censuur. Daar kwam een antwoord op van twee professoren in EU-recht die vonden uitlegden dat er verschillende niveaus van digitale supervisie bestaan. Zo bestond er volgens hen onder andere een verschil tussen het rondsturen 
van pedofiel beeldmateriaal en het verspreiden van discriminerende boodschappen’.
     Zeker is daar een verschil in, maar ik vraag mij of dat de professoren dat verschil erkennen. Mijn indruk is dat ze dat pedofiel beeldmateriaal en die discriminerende boodschappen allebei onder de noemer ‘onwettelijk’ samenbrengen. Vanuit hun vak hebben zij gelijk. Maar vanuit de liberale principes zou het eerste verboden moeten zijn en het tweede niet.
     En daar komt nog iets bij. V
oorstanders van de vrije mening zijn bang dat de technische mogelijkheden om pedofiele beelden te superviseren, later zullen worden aangewend om ‘discriminerende boodschappen’ te superviseren, plus eventueel andere niet wenselijk geachte meningen die na heel-heel-heel lange besprekingen in verkozen parlementen en onverkozen commissies aan de lijst van misdadige desinformatie worden toegevoegd.

 

maandag 20 april 2026

Culturele impact van sociale media

Videobeeldcultuur
  
     Van de nieuwste verfilming van Wuthering Heights wordt gezegd dat de koortsachtige visuele stijl het verhaal op de achtergrond duwt. Arthur Goemans (DS 26/2) zag er een symptoom in: het was een film voor de jeugd die gewend is geraakt aan korte video-filmpjes op de sociale media. Die jeugd zou daardoor hoe langer hoe minder in lange verhalen geïnteresseerd zijn, zoals die vroeger in geschreven vorm werden verspreid en genoten. Hij betreurt het mogelijk verdwijnen van de geschreven cultuur die ons wetten, wetenschap en kritisch denken heeft geschonken.
      Is Goemans nu een zwartkijker? Beroepsoptimist Steven Pinker schreef op x.com een commentaar die heel nauw bij die van Goemans aansluit.

 Lezen en geletterdheid behoren tot de dingen die goed zijn voor ons, maar cognitief onnatuurlijk. Dat wil zeggen: ze gaan in tegen onze geëvolueerde natuur. We zijn niet geëvolueerd met drukwerk; dat is een recente uitvinding. Lezen is voor velen van ons zo vanzelfsprekend geworden dat we er simpelweg van uitgaan dat het de meest natuurlijke manier is om informatie te verkrijgen.Maar wat we hebben gezien, vooral in de afgelopen tien jaar, is dat veel mensen, in tegenstelling tot ons, veel liever luisteren en kijken dan lezen. Je ziet het gewoon: wanneer ik naar Google ga en een basisvraag stel over hoe ik mijn printer weer aan de praat krijg, krijg ik in een oogwenk vijf video’s te zien. Maar ik wil helemaal geen Seth die mij komt vertellen: “Hallo, welkom bij mijn show. Als je het leuk vindt, abonneer je en geef een like.” Ik wil gewoon mijn probleem zo snel mogelijk oplossen. Maar blijkbaar is er iets ongewoons aan mij, want mensen kiezen voor de video. En de enorme beschikbaarheid van video—van TikTok, van YouTube—betekent dat mensen misschien niet de oefening krijgen of de inspanning leveren voor geletterdheid, waarvan we mogen aannemen dat die een van de drijvende krachten was achter het stijgende IQ van de laatste eeuwen. 


Verbod voor kinderen?
    Ik heb al vaker geschreven dat ik de sociale media voor kinderen een slechte zaak vind, en daarom voorstander ben van een verbod. Voor Vlaanderen is er nu een verbod voor kinderen tot 13 jaar. Voor mij, en voor Koen Vidal (DS 16/4) mag dat gerust nog wat strenger. Twee bedenkingen bij het commentaar van Vidal. Hij framet de kwestie wel heel erg tégen Big Tech.

Veel ouders merken dat ze moeten opboksen tegen oppermachtige techbedrijven techbedrijven die topneurologen inhuren om via allerlei geraffineerde technieken zo veel mogelijk beslag te leggen op de speeltijd van hun kinderen.

     Zo heb ik dat nooit ervaren. Toen mijn zoon 16 was, was er weinig dat hij liever deed dan videogames als Grand Theft Auto en Fifa spelen. Na enkele uren achter het scherm vertoonde hij dan ontnuchteringsverschijnselen die mij ongerust maakten. Daar moest, vond ik, worden ingegrepen. Maar was dat nu opbotsen tegen mijn zoon, tegen mijn eigen laksheid, of tegen de boosaardige firma’s die hun spelletjes altijd maar aantrekkelijker maakten?
     Een tweede bedenking is deze. Vidal verwijst naar het boek van Jonathan Haidt: Generatie angststoornissen en noemt dat een ‘wetenschappelijke’ beschrijving van wat miljoenen ouders op microniveau voor hun ogen zien gebeuren. Dat boek van Haidt is een degelijk boek, een invloedrijk boek, een onderbouwd boek. Het is een boek dat dringend nodig was. Maar het is geloof ik verkeerd om het ‘wetenschappelijk’ te noemen. Het is alsof ik zou schrijven dat Maarten Boudry in zijn laatste boek wetenschappelijk beschrijft hoe de Verlichting verraden wordt.
     Dan rijst de vraag: mag de overheid een wet uitvaardigen op grond van een stevig vermoeden, zonder sluitend en definitief wetenschappelijk bewijs? Ik denk het wel. 

China en de kernenergie

    Ik ben geboren in het atoomtijdperk, drie jaar voor de wereldexpo in Brussel. Als kind las ik strips van de Jetsons. In de godsdiensles leerde ik dat kernenergie de wereld kon vernietigen, maar de wereld ook kon redden. Ik ben dat geloof van mijn kindertijd trouw gebleven. De ramp in Tjernobyl veranderde mijn mening niet. De Russische televisie verspreidde videobeelden van Andrei Sacharov die toen nog in binnenlandse ballingschap verkeerde. De dissident stond in een telefooncel en legde uit dat de ramp geen reden was om het kernenergieprogramma stop te zetten. Als zelfs Sacharov het zei, kon ik gerust zijn.
      Maar later begon men in Europa kernenergie te vervangen door windmolens. Voor mij was dat de schuld van de geitenwollensokkendragers. Ik heb toen mijn blik op het Oosten gericht, waar de toekomst stralend is. In China, dacht ik, zijn er geen geitenwollensokkendragers, daar zullen de autoriteiten zonder complexen voor de beste en de goedkoopste energievorm kiezen. Het was dan ook een tegenvaller toen ik in de krant (DS 10/4) een grafiek zag die de energiemix in China weergaf. Het ging kennelijk alleen over de elektriciteit, en daarvan werd slechts een minuscuul deel opgewekt door kernenergie, naar de grafiek te oordelen niet meer dan 2 procent.
      Ik heb mij dan in paniek tot Grok gewend, die mij geruststelde. De grafiek in de krant gaf de theoretische capaciteit weer. In de reële elektriciteitsproductie vertegenwoordigde Chinese kernenergie 4,5 procent. Er worden jaarlijks kerncentrales bijgebouwd zodat het aandeel binnen tien jaar of vijftien zou kunnen verdubbelen. Op korte en middellange termijn wordt het meest ingezet op zonne- en windenergie omdat die snelst en goedkoopst kan worden ontwikkeld. ‘Voor de allerlangste termijn (na 2040-2050),’ besluit Grok, ‘kan kernenergie nog belangrijker worden.’


Verzamelde kortjes

Het voordeel van linkse columns
     Zoals veel rechtsliberalen erger ik mij aan de halfslachtigheid van onze regeringen. De noodzakelijke besparingen blijven uit. In het onderwijs is de tanker nog lang niet gekeerd. De asielmigratie is nog lang niet gestopt. Enzovoort. Daarom ben ik blij met de dagelijkse FB-columns van Frank D’hanis die door zijn scherpe aanvallen op het beleid duidelijk maakt dat er toch iets gebeurt.


Slimmer
     Word je slimmer van het lezen van romans dan van het kijken naar films casu quo tv-series? Ik denk het wel - ceteris paribus natuurlijk. Een caveat echter: je leest geen romans of kijkt niet naar films om slimmer te worden. Mutatis mutandis kun je dezelfde afwegingen maken over muziek maken, muziek beluisteren, videospelletjes spelen en doomscrollen op de sociale media.


 Het loon van de renner
     In de aanloop van de Ronde van Vlaanderen publiceerde De Standaard (3/4) een stuk over de lonen van renners. Als je wilde weten wat het minimumloon was (44.150 euro bruto) of hoeveel Pogacar verdient (8 miljoen bruto, exclusief bonussen en sponsordeals) moest je het artikel lezen. Maar als je wou weten wat je van de vrije markt moet denken, volstond de titel: ‘Een derde is overbetaald en een derde onderbetaald.’ Volgens die redenering is er dus ook een derde dat de correcte vergoeding ontvangt. Hoeveel van de egalitaristische ideologie is terug te brengen tot die basisgedachte: dat het mediane loon het correcte loon is?


Verloop bij de PVDA
     Marc Ernst heeft op SamPol een artikel*geplaatst over het grote verloop onder PVDA-leden en mandatarissen. Hij wijst er terecht op dat zoiets zich ook al voordeed in de beginjaren van de partij, toen ze nog Amada heette. Het grootst was dat verloop helemaal bij het begin, toen de partij nog een ‘beweging’ was. Als je iemand tegenkwam op straat of in de trein, dan was de eerste vraag die je kreeg: ‘Ben je nog bij de beweging?’ of ‘Is die en die nog bij de beweging?’ 

* Zie hier.


Klimaatproblemen
      Het was mij de laatste tijd ook opgevallen dat de temperatuur overdag en ’s nachts meer verschilt dan we gewoon waren. De Standaard (10/4) heeft de verschillende verklaringen voor dat verschijnsel op een rijtje gezet. Bij de verwoording van een van die verklaringen, moest ik glimlachen. ‘Een hogedrukgebied gaat doorgaans gepaard met prettig weer … De straalstroom is hier de boosdoener.’


Vrije gender-keuze in de rechtsleer
      Jean-Louis de Lolme (1740 – 1806) schrijft in zijn Constitution of England, hoofdstuk X:          

‘It is a fundamental principle with the English lawyers, that Parliament can do everything, except making a woman a man or a man a woman.’ 

     Geciteerd in Tocquevilles De la démocratie en Amérique.  


 Hoe omgaan met Zombies?
     Arthur Goemans schrijft dat hij zich, mocht het zover komen, niet zou verzetten tegen een naderende zombie-massa. Met een jachtgeweer kun je een aantal van die hoofden doen uiteenspatten, maar er zijn altijd weer andere. Dan kun je er beter naar toe gaan en zeggen: ‘Tast toe.’ Hoewel ik sympathiseer met Goemans’ gebrek aan overlevingsdrang, vind ik zijn specifieke remedie weerzinwekkend. Dan zou ik het jachtgeweer liever gebruiken om mijn eigen hoofd te doen uiteenspatten. 


Sociale ongelijkheid
     Ik lees een kop in De Standaard (11/4): ‘Hoe meer sociale ongelijkheid, hoe onbeschofter de mens op sociale media’. Het stuk verwijst naar een ‘studie’. Hoe groot is de kans dat die studie wetenschappelijk iets waard is?


Nathalie Baye (1948 - 2026)
    
      De Franse filmactrice Nathalie Baye is overleden. Mijn neiging om haar te verwarren met Anny Duperey. Ik vraag mij af in welke film ik Baye voor het eerst heb opgemerktLa nuit américaine? La gifle? Mado? Telkens speelden er actrices mee die ik beter herkende : Jacqueline Bisset, Annie Girardot, Romy Schneider …


Uitspreken van eigennamen
     Niet alleen de spelling maar ook de uitspraak van eigennamen kan voor problemen zorgen. Hoe spreek je bijvoorbeeld de naam uit van Peter Magyar? Op de televisie hoor ik de ene keer /mɑhia:r/ en een andere keer /mɑːdjɑːr/. In de jaren 80 hoorde je de ene keer over Lech /wɑlesɑ/ en de andere keer over Lech /vɑl
ɛnsɑ/. 
    Gelukkig kun je dat vandaag meestal oopzoeken op de Engelse Wikipedia. Maar is die wel altijd betrouwbaar? Op Het Nieuws zei de presentator dat de Franse filmactrice Nathalie Baye overleden was. Ze sprak het uit als /baj/. Dat was ook de mening van Wikipedia. Maar ChatGPT vertelde me dat het /bɛ/ moest zijn, zoals ik heel mijn leven gedacht had. ChatGPT zei vlakaf dat Wikipedia ernaar streeft om ‘een fonetische uitspraak voor Engelstaligen weer te geven, wat vaak onnauwkeurigheden oplevert, zeker bij Franse namen.’
     Ik had dus gelijk: het is /bɛ/. Alleen hoorde ik op France 24 duidelijk dat ze daar ook /baj/ zeggen. 


Verloren momenten
     De psychologische wetenschap zal ondertussen al wel achterhaald hebben vanwaar onze indruk komt dat de tijd altijd maar sneller gaat. Als kind al voelde ik dat elk schooljaar korter duurde dan het vorige, en de tweede helft van de grote vakantie duurde veel korter dan de tweede. Een van de redenen moet zijn dat we ons met het ouder worden minder van onze dag herinneren. Als ik ’s morgens heen en weer ren tussen badkamer, wc, keuken en eetkamer is er altijd een moment dat ik mijn mobieltje niet meer vind. Ik weet dan dat het op een kast in de slaapkamer ligt, maar ik kan mij niet herinneren dat ik in die slaapkamer ben geweest. Dat moment ben ik verloren.

 

Links-liberaal en sociaal-liberaal
     De Standaard van 15 april levert voorbeelden van zowel de links-liberale als de sociaal-liberale kant van de krant. Het commentaar van Bart Brinckman is typisch links-liberaal: de vakbonden bij de Bpost moeten zich leren aanpassen aan de gewijzigde economische situatie. Andere dienstverlening – van brieven naar pakjes – brengt andere werkuren mee. Jammer voor de postbodes die gewend waren geraakt aan de vroege uren, waardoor ze konden bijklussen en tijd hadden voor allerlei hobby’s. De economische logica moet worden gerespecteerd. Dat is de links-liberale kant want die is economisch liberaal.
     Op pagina 6 komt dan de sociaal-liberale kant naar boven: een groot stuk over de uitgebuite kleinverdieners, met emotionele getuigenissen van een poetshulp, een weinig betrouwbare vakbondsbevraging, en een kop die suggereert dat poetshulpen nu dubbel zo hard werken als een jaar geleden. ‘We doen nu evenveel in vier uur als vroeger in acht uur.’ Ondertussen geloof ik best dat de werkdruk voor poetshulpen gemiddeld verhoogd is. Een van de beschreven mechanismen lijkt mij geloofwaardig. Doordat de dienstencheques duurder worden, verandert het klantenbestand: minder gepensioneerden en meer tweeverdieners. Die tweede groep stelt hogere eisen dan de eerste groep.


zondag 19 april 2026

De elite en Tocquevilles aristocratie


      Af en toe vraag ik mij af wie nu eigenlijk deel uitmaakt van die elite waar populisten het altijd over hebben. Ik weet het ongeveer. Ian Buruma (DS 1/3) vatte het nog eens samen: ‘de pers, de universiteiten, rechters en politici.’ Verder vernoemt hij nog de ‘experts’ die overigens vooral door de universiteiten geleverd worden. Bij de ‘pers’ zou ik eraan toevoegen de lui die vaak door de pers worden opgevoerd.
      Buruma is niet gelukkig met de populistische kritiek op de elite. Ze verstrekt de roep om ‘een sterke man’ en dus om dictatuur. Maar hij begrijpt ook waar de kritiek vandaan komt. De elite is in zekere opzichten geprivilegieerd en zelfgenoegzaam, wat afgunst en wrevel veroorzaakt. De specialisatie van de universiteiten staat heel ver af van de interesses van de gemiddelde burger. En wat de pers betreft, schrijft Buruma:  ‘Wie heeft er nog journalisten nodig als iedereen zijn mening op het internet kan spuien?’
     Die laatste vraag kan worden uitgebreid. Wie heeft er überhaupt een elite nodig? Je kunt gemakkelijk argumenteren dat we computerspecialisten nodig hebben, net als rechters, goede journalisten, economen, sociologen, gezondheidsspecialisten, volksvertegenwoordigers en ministers. Maar moeten die samen een elite vormen, met een eigen smaak, met een eigen ideologie, met eigen voorkeuren? Misschien wel, maar wat is dan de functie van die elite?
     ‘Een liberale democratie is in veel opzichten afhankelijk van een elite,’ schrijft Buruma. Dat is een interessante gedachte. Tocqueville beschreef in 1835 de jonge, liberale democratie in de Verenigde Staten, die het grotendeels zonder elite – Tocqueville spreekt van ‘aristocratie’ – moest stellen. Het universitair onderwijs en de pers stelden niet veel voor, en de volksvertegenwoordigers onderscheidden  zich amper van het plebs. Alleen de juristen vormden een soort aristocratie, met een eigen maatschappelijke missie: de bescherming van tradities, de verspreiding van een verlichte beschaving, de begunstiging van ratio boven emotie, en de zorg voor een stabiel beleid ondanks de wispelturigheid van het volk.

Notities bij 'Reset' van M. Elchardus

Toenemende ongelijkheid

      In zijn razend interessante boek Reset beweert Mark Elchardus om de zoveel bladzijden dat de ongelijkheid in de wereld toeneemt, dat dat erg is voor de maatschappelijke samenhang en voor de economische ontwikkeling, dat dat komt door de neoliberale deregulering, door de kwalijke praktijken van de financiële elite en door de de belastingsverlagingen voor de bedrijven.
     Ik ben het eigenlijk met geen van die beweringen erg eens. Het meest nog kan ik akkoord gaan met die kwestie van de maatschappelijke samenhang, maar al die andere dingen zitten geloof ik enigszins anders in elkaar. Ook Elchardus zelf laat af en toe doorschemeren dat hij eigenlijk wel weet dat de werkelijkheid genuanceerder is. Ergens schrijft hij over ‘haast een miljard mensen (vooral in Oost-Azië) die uit de armoede klommen en waarvan velen de middenklasse vervoegden.’ Als we dat miljard in rekening brengen, is het waarschijnlijk dat de mondiale ongelijkheid eerder afgenomen is dan toegenomen. Je kunt die berekening op verschillende manieren maken*. 
     Een ander voorbeeld. Als Elchardus het over de geïndustrialiseerde landen heeft, weet hij als socioloog best wel dat er meer aan de hand is dan deregulering, financiële malversaties en belastingsverlagingen. Hij spreekt bijvoorbeeld nooit over ‘de arbeidersklasse’ of ‘het proletariaat’ of de ‘loontrekkenden’, maar wel over ‘de laaggeschoolden’. Hij is dus op de hoogte van minstens één andere oorzaak van de toenemende ongelijkheid:  de groeiende productiviteitskloof tussen geschoolde en ongeschoolde arbeid, iets waar Hayek, Reagan, Thatcher en de bankiers van Goldman Sachs weinig voor tussen zitten. 
     Voor een liberaal als ik, is dat voortdurend hameren op de ongelijkheid, nogal ergerlijk. Nochtans heb ik het recht niet om mij te ergeren. Ik wist op voorhand dat ik een boek las van een socialist, en vooral een etatist. Je kunt niet uit je comfortzone komen, en dan klagen over gebrek aan comfort. Bovendien schrijft Elchardus zoveel dingen waar ik het wel mee eens ben.
    Af en toe is de fixatie van Elchardus trouwens ook een bron van hilariteit. In hoofdstuk 16 lees ik bijvoorbeeld over de emigratie-landen het volgende: ‘Er zijn de falende gemeenschappen, gekenmerkt door groeiende ongelijkheid, corruptie, grootschalig geprofiteer, onvoorspelbaarheid van het leven, grote ongelijkheid, onzekerheid, onveiligheid, en gebrek aan perspectief voor veel burgers.’ Die overbodige herhaling van ‘ongelijkheid’ is natuurlijk een klein slordigheidje, waar de eindredactie óver heeft gelezen, maar mij deed ze denken aan de western Blazing Saddles** waarin op zeker moment de opperschurk Hedley Lamarr een bende handlangers wil rekruteren. De bandieten komen een voor een naar voren om hun geloofsbrieven af te geven. Bij een van hen gaat de dialoog als volgt:

  • What are your qualifications?
  • Rape, murder, arson and rape.
  • You said rape twice. 
  • I like rape.

     Bij linkse auteurs heb je iets wat daarop lijkt: ze houden van hun stokpaard. En dan oreren ze over het neoliberalisme met zijn ongelijkheid, zijn geprofiteer, zijn corruptie en zijn ongelijkheid

* Andere stukjes over ongelijkheid staan hierhierhier en hier.
** Je vindt het fragmentje hier. 


Links of rechts

     Hierboven bespotte ik de ‘linkse auteurs zoals Elchardus’ die wat al te graag over de ‘toenemende ongelijkheid in de samenleving’ praten. Misschien zullen lezers nu reageren: ‘Dat je Elchardus nog links noemt, verbaast me.’
     ’t Is inderdaad niet altijd makkelijk om uit te maken wat ‘links’ of ‘rechts’ is. In mijn extreem-linkse jeugd was het eenvoudig. Je had vooreerst de échte communisten, dat waren wijzelf. Dan had je de knechten van het grootkapitaal, de fascisten en de contrarevolutionairen, waartoe ook een deel van extreem-links toe behoorde. Dat was allemaal één reactionaire pot nat. En dan had je de ‘eerlijke linksen’, dat wil zeggen iedereen die graag met de échte communisten wou samenwerken zonder het zelf te zijn.
     Later geloofde ik dat niet meer, en ging ik op zoek naar een wat genuanceerdere kijk op ‘rechts’ en links was. Bij De Slegte bladerde ik in het boekje De linkse traditie in Europa, van David Caute. De achterflap beloofde een antwoord op al mijn vragen: ‘Wat noemen wij links in Europa en waar precies ligt de scheidingslijn met rechts?’ Ik nam het boekje mee naar huis. Het was een beetje saai maar ik las het toch helemaal uit.
     Caute begint zijn onderzoek naar links en rechts met de Franse revolutie. Hij bekijkt de verschillende stromingen en bestudeert vooral hun houding tegenover de volkssoevereiniteit. Dat wordt voor hem de toetssteen. Links is de stroming die voor onbeperkte volkssoevereiniteit staat. Het volk, alleen het volk, en het gehele volk kiest zijn vertegenwoordigers en die nemen soeverein, meerderheid tegen minderheid, beslissingen over alles wat de res publica aangaat. Zij worden niet beperkt door eeuwenoude privileges, niet door een constitutionele monarch, niet door een erfelijke House of Lords, niet door cijnskiesrecht, en ook niet door aangeboren, natuurlijke, of door God geschonken rechten.
     Als we de begripsomschrijving van Caute volgen, is Mark Elchardus, in zijn boek Reset, een van de meest linkse denkers van Europa, want juist volkssoevereiniteit is de rots waarop hij zijn stelsel bouwt, tegen de oude beperkingen, en tegen de nieuwe, zoals: universele mensenrechten, activistische rechtspraak, eurocraten, multinationals en hun lobby’s, en ten slotte politici die ongestraft beslissingen nemen tegen de meerderheid van het volk in. Elchardus vertrekt trouwens in zijn politieke analyse net als Caute van de verschillende strekkingen binnen de Franse Revolutie.
     Maar het uitgangspunt van Caute heeft zijn beperkingen. Het verklaart bijvoorbeeld niet waarom linkse lezers het boek van Elchardus als ‘rechts’ verworpen hebben: Louis Tobback, Meyrem Almaci, Dimitri Van den Meersche, Pascal Debruyne, Jelle Versieren enzovoort*. Naar het schijnt hebben ook Marc Reynebeau en Walter Zinzen het boek door de mangel gehaald, maar die hun commentaren lees ik beter niet, want ik weet uit ervaring hoe ik daarop reageer. Aan de andere kant heeft rechts, bij monde van Bart De Wever, Tom van Grieken, Jean-Pierre Rondas en nog enkele anderen het boek geprezen.
     Een klassieke manier om die paradoxale reactie van links en rechts te verklaren is het gebruik van een dubbele as. In plaats van een algemene links-rechts-as neem je twee assen: de eerste is economisch (liberaal vs. socialistisch) en de tweede is sociaal-cultureel (conservatief vs. progressief). Dat levert een vierkant op met vier kwadranten erin. Ik heb voor het schrijven van dit stukje eventjes snel de Political Compass vragenlijst ingevuld en daaruit blijkt dat ik mij in het economisch rechtse, sociaal-progressieve (libertarian) kwadrant bevind. Dan zou Elchardus zich bijvoorbeeld in het economisch linkse, sociaal-conservatieve kwadrant kunnen bevinden en zouden wij wij diagonaal tegenover elkaar staan.



     Maar zo eenvoudig is het niet. Na het lezen van Reset, vermoed ik dat Elchardus en ik na het invullen van de vragenlijst op ongeveer gelijke hoogte zouden uitkomen komen wat de sociaal-culturele as betreft. Dat dat ons in de onderste sociaal-progressieve helft zou plaatsen, komt omdat de vragen van Political Compas té Amerikaans zijn, en ondertussen zelfs daar grotendeels achterhaald. Er wordt mij gevraagd of ik tegen het homohuwelijk ben, of tegen elke vorm van abortus? Natuurlijk niet, wat denken ze wel? Maar dat standpunt deel ik in ons land niet alleen met de progressieven maar ook met de meerderheid van de conservatieven. 
     De kwestie is deze. De meeste sociaal-progressieve strijdpunten uit het verleden zijn bij ons binnengehaald. Ze zijn een verworvenheid. Ondertussen heeft woke zijn opwachting gemaakt en dat heeft hele sociale as van een nieuwe ijking voorzien. Het achterhaalde Political Compas stelt geen vragen over positieve discriminatie, dekolonizering van de geesten, Zwarte Piet of genderinclusieve toiletten. Verder heb je controverses rond migratie waarvan niet duidelijk is of ze op de economische dan wel op de sociale as thuishoren. En wat doe je met standpunten rond seksuele vrijheid, pornografie, puritanisme en censuur die op de as van plaats verwisseld schijnen te zijn.  En wat met het secularisme? Is het dragen van een religieuze symbolen, of het tolereren ervan, sociaal-pogressief of sociaal-conservatief? 
     Er is nog een ander bezwaar tegen het kwadrantenvierkant. Aparte antwoorden op een vragenreeks doen geen recht aan de ideologische voedingsbodem waaraan die antwoorden ontspruiten. Zeker bij een in hoge mate coherent boek als dat van Elchardus is dat een nadeel. Het lijkt mij daarom beter om terug te vallen op een derde schema: de driehoek van Hayek, zoals die ontwikkeld wordt in The Constitution of Liberty. Hayek onderscheidt drie polen: conservatisme, liberalisme en socialisme. Ook die driehoek is niet perfect. Hij heeft geen aparte plaats voorzien voor nationalisme, dat hij onderbrengt bij het conservatisme. Ook het  ‘personalisme’ van Mounier, Karol Woytilla en onze eigen CD&V heeft hij – jammer, jammer – niet in zijn schema kunnen betrekken. Een enkeling kan niet met alles rekening houden, zoals Hayek maar al te goed weet.
     Hayek gaat met zijn driehoek ook in op de raakvlakken tussen de verschillende denkstromingen, en op de mogelijke bondgenootschappen. Als één van de polen erg dominant wordt, krijg je een vervorming van de driehoek en komen de andere twee polen dichter bij elkaar elkaar. De socialistische gedachte bijvoorbeeld beheerste, volgens Hayek en Elchardus, de politieke agenda in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Dan was het normaal dat conservatieven en liberalen elkaar in die tijd vonden, verenigd tegen de gemeenschappelijke vijand.  
    De vervormde driehoek zou ook een mooie verklaring kunnen zijn voor de huidige ideologische ontwikkeling waarin traditioneel rechts en links elkaar soms vinden. Dan zouden Tatcher en Reagen een neoliberale dominantie hebben ingeluid, waardoor socialisten en conservatieven dichter bij elkaar kwamen, en waardoor Mark Elchardus, Sarah Wagenknecht, Jean-Luc Mélenchon en de Deense sociaaldemocraten standpunten gaan delen met Bart De Wever, Georges-Louis Bouchez, Tom van Grieken en Marine Le Pen. Op dezelfde manier kan de conservatieve dominantie in de 19de eeuw het bondgenootschap tussen socialisten en liberalen verklaren.



     Die vervormde driehoeken bieden een mooie verklaring, maar zijn ze ook werkelijk meer dan ‘nen uitleg’? Zijn ze geldig in het huidige tijdsgewricht? Zelf twijfel ik eraan. Is er bijvoorbeeld al 40 jaar een liberale dominantie? De voortschrijdende invloed van woke kun je desnoods, als je dat echt wil, als een liberaal exces lezen –maar dat is geen reden waarom zogenaamd rechtse liberalen zich niet tegen dat exces zouden kunnen verzetten, samen met conservatieven en socialisten. En of het economisch neoliberalisme zó dominant geworden is vanaf de jaren 80, staat voor mij ook niet vast. De toenemende belastingsdruk vertelt in elk geval een ander verhaal. Maar misschien is de perceptie van een economie die losgeslagen neoliberaal is al genoeg om bepaalde conservatieven en socialisten dichter bij elkaar te brengen.

* Conner Rousseau in De Tijd was opvallend positief. Hij vindt dat Elchardus op een heldere en overtuigende manier beschrijft waarom we meer nood hebben aan socialisme. Dat is zeker een van de stellingen van het boek. Of Rousseau het boek gelezen heeft, kunnen we niet met zekerheid zeggen. Van Meyrem Almaci kunnen we dat wel: ze heeft het niet gelezen. Haar reactie in De Tijd was zo naast de kwestie dat er geen andere verklaring overblijft.




Democratie


      Ik wilde eigenlijk graag iets schrijven over de verhouding tussen democratie en mensenrechten zoals Mark Elchardus die behandelt in zijn boek Reset. Maar bij het schrijven doken enkele aanverwante kwesties op waar ik mij eerst snel van af wil maken. 
     Zelf ben ik een koele minnaar van de democratie. Zeker, ze is tot nu toe het ‘minst slechte’ systeem gebleken. Zeker, ze is redelijk goed verenigbaar gebleken met vrije markt en mensenrechten. Zeker, ze blijft de beste manier om bij onvrede van regering te veranderen zonder bloedvergieten. Zeker, ze kan leiden tot alternance, waarbij de fouten van de ene partij periodiek worden rechtgezet door de fouten van een andere partij. Maar heel veel verder zou ik niet willen gaan. Elchardus gaat veel verder. Democratie is voor hem de geïncarneerde volkswil. Hij lijkt democratie niet het minst slechte, maar het beste systeem te vinden, niet een noodzakelijk kwaad, maar een wezenlijk goed.
     Laat mij eerst een meningsverschil tussen Elchardus en mij tussen haakjes zetten: dat over de gepaste omvang van het politieke domein, vergeleken met die van het economische domein. Mochten we elkaar op café treffen en onder elkaar als tijdverdrijf een politiek stelsel ontwerpen, dan zouden Elchardus en ik het over veel eens zijn. We zouden de politiek niet laten beslissen over de design van mobieltjes of de smaak van frisdrank, en we zouden de  vrije markt niet laten beslissen over de beteugeling van de misdaad. Maar er bestaat een grijze zone tussen die twee uitersten. Elchardus zou, geloof ik, een nogal groot stuk van de grijze zone aan de politiek overlaten, ik veel minder. James Buchanan en anderen hebben geprobeerd om aan te tonen dat politieke beslissingsprocessen nogal inferieur kunnen zijn aan die genomen in een vrije marktomgeving. Ik geloof Buchanan.
     Maar dàt belangrijke, maar ingewikkelde debat wil ik hier dus graag uit de weg gaan. Ik wil wel kort iets zeggen over een andere vraag, namelijk hoe het politieke domein – of het nu groot of klein is – best kan worden ingevuld. Is democratie een goede invulling, en zo ja, hoe goed is die invulling? 
     In een moderne context wegen we democratie vooral af tegen technocratie. Aristocratie, absolute monarchie, theocratie, militaire dictatuur, fascisme en communisme zijn bij ons uit de mode. Om dan de superioriteit van de democratie tegenover technocratie te bepleiten, gebruikt Elchardus een paar keer het beeld van ‘voelsprieten’. De vele miljoenen burgers zijn even zoveel voelsprieten van de samenleving. Met hun verschillende levens en ervaringen, hebben ze allemaal uitzicht op een klein stukje van de samenlevingspuzzel, en bij verkiezingen komen al die puzzelstukjes bij elkaar. ‘Met het algemeen enkelvoudig stemrecht,’ schrijft Elchardus, ‘werd in feite een van de meest presterende waarnemingsmachines ooit ontworpen.’ 
     Dat is een goed argument. Technocraten leven in een bubbel, kennen alleen andere technocraten, en kennen alleen hun eigen comfortabele levensomstandigheden. Ze hebben vaak een heel eenzijdig beeld van hoe het er in de ‘society at large’ toegaat. Ze hebben een beperkt waarnemingsveld. En als hun waarneming een ruimer veld bestrijkt, is die niet doorleefd. ‘I know all the statistics,’ zegt Sir Humphrey Appelby. Ja, ja, de statistieken, dat zal wel, denkt de kijker.
     De vraag is echter of de beste waarnemingsmachine ook de beste beslissingsmachine is. Een technocraat zou kunnen antwoorden dat voelsprieten geen denksprieten zijn. Dat het electoraat wel problemen kan signaleren, maar geen samenhangende oplossingen kan aanbrengen en zelfs niet in staat is om voorgestelde oplossingen te evalueren. Dat de verkiezingsresultaten in het beste geval signalen zijn waar de technocraat mee aan de slag kan. Ik ben geen voorstander van technocratie, maar je kunt die bezwaren niet zo makkelijk weerleggen.
    Toch deel ik Elchardus zijn voorkeur voor democratie boven technocratie. Ik volg gedeeltelijk zijn voelsprietenargument, maar meer nog een ander argument dat als achtergrond in heel Reset aanwezig is: het belangenargument. Verschillende mensen hebben in de samenleving verschillende belangen en noden. Hoogopgeleide grootverdieners, zoals technocraten nu eenmaal zijn, hebben andere noden en belangen dan laaggeschoolde kleinverdieners. 
     Een democratie met algemeen enkelvoudig stemrecht kan ervoor zorgen dat bij het nemen van beslissingen die verschillende belangen en noden allemààl op de weegschaal worden gelegd. Dat proces is natuurlijk onvolmaakt. Sommige zaken zijn voor hervorming vatbaar. Elchardus heeft zelf een aantal hervormingsvoorstellen om de belangen van de laaggeschoolde kleinverdieners meer te laten doorwegen dan nu het geval is. Andere nadelen zijn wellicht niet met hervormingen weg te werken maar zijn daarentegen inherent aan de democratie zelf.
     En daarmee ben ik weer bij mijn beginpunt: is democratie het ‘beste’ syteem, dan wel het ‘minst slechte’? Wie optimistisch is over de hervormbaarheid van de democratie zal ze het ‘beste’ systeem vinden. Wie pessimistischer is, zal blijven spreken van het ‘minst slechte’. Maar is dàt de moeite waard om ruzie over te maken? In een volgend stukje vind ik wel iets om echt ruzie te maken met de socioloog. De verhouding tussen mensenrechten en democratie bijvoorbeeld. 



Mensenrechten

     Volgens Elchardus moet in een fatsoenlijke Westerse maatschappij de democratie het laatste woord krijgen, boven al de rest. Er is een grondwet, er zijn internationale afspraken en bondgenootschappen, er zijn rechtbanken, er zijn mensenrechten, maar als puntje bij paaltje komt moet een meerderheid van de bevolking kunnen beslissen om een grondwet te wijzigen, een verdrag te verbreken, een bondgenootschap te  verlaten,  een jurisprudentie door nieuwe wetten ongedaan te maken of anderszins tegen te gaan, en mensenrechten toe te voegen, te schrappen of anders te interpreteren.
     Ik zal mij hier beperken tot de kwestie van de mensenrechten. Elchardus haalt aan dat er internationaal  ondertussen rond de driehonderd mensenrechten erkend zijn, zoals ‘recht op deelname aan het culturele leven’, ‘recht op rust en ontspanning’, ‘recht op de hoogste mentale en fysieke gezondheid’, ‘recht op goede gezondheid’, ‘recht op gunstige werkomstandigheden’, ‘recht op een adequate levensstandaard’, ‘recht op kinderopvang’,  ‘recht te genieten van wetenschappelijke vooruitgang’ … Elchardus bespot die overvloed aan inflatoire ‘universele’ rechten door erop te wijzen dat er in Nigeria geen loket bestaat waar de inwoner kan aankloppen om te zeggen dat hij onvoldoende geniet van de wetenschappelijke vooruitgang en daarvoor compensatie eist.
    Elchardus heeft een aantal verklaringen voor die exponentiële toename van rechten, maar hij vergeet de voornaamste. De harde kern van de mensenrechten bestond vroeger uit de oude individuele rechten: vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling van alle burgers, enzovoort (de zogenaamde ‘negatieve vrijheden’), een lijst die van nature nogal beperkt is*. Die liberale waarden werden later aangevuld met sociale rechten (de zogenaamde ‘positieve vrijheden’), waarvan de lijst oneindig kan worden uitgebreid**. De oude liberale vrijheden zijn gratis maar ze bieden geen garanties op daadwerkelijke invulling. Het kost de Nigeriaanse staat geen cent om de persvrijheid in te schrijven in de grondwet, maar dat biedt geen garantie dat elke Nigeriaan die dat wil ook een krant kan uitgeven. Maar als die staat het recht op goede gezondheid wil verzekeren, hangt daar een stevig prijskaartje aan vast. Er moeten ziekenhuizen gebouwd, apparatuur gekocht en lonen betaald worden. De liberale vrijheden kunnen dus onvoorwaardelijk worden toegekend, zonder naar geld om te zien, de nieuwe sociale rechten daarentegen hangen af van de budgettaire mogelijkheden.
    Maar de liberale vrijheden, zijn ook niet helemaal onvoorwaardelijk. Ze zijn ondermeer afhankelijk van de welwillendheid van de heersers en van de meerderheidsopinie van de bevolking. Niet elke cultuur koestert dezelfde opvattingen over eer, ouderlijk gezag, godsdienstvrijheid, kindhuwelijken, pornografie, homoseksualiteit, vrouwenrechten, kritiek op autoriteiten, enzovoort waardoor de vraag rijst of de mensenrechten die ermee samenhangen wel zo universeel zijn als de internationale verdragen laten uitschijnen. Elchardus meent van niet, en Patrick Loobuyck, die hem van antwoord diende in Knack, meent van wel. Het kan een kwestie van beroepsmisvorming zijn, want de ene is socioloog en de andere filosoof.
     Maar universeel of niet, interessanter is voor mij de vraag over de verhouding tussen democratie en mensenrechten. Kan of mag een democratie, meerderheid tegen minderheid, een bepaald mensenrecht afschaffen of invoeren?  Neem bijvoorbeeld een fundamenteel recht als dat om om niet gefolterd te worden. Dat recht staat ingeschreven in de Europees Verdrag van de Rechten van de Mens onder artikel 3. Ik zou het niet afgeschaft willen zien, ook niet als daar een democratische meerderheid voor bestaat. Dat mensenrecht is voor mij belangrijker dan de democratie.
     Daarnaast is rond dat artikel 3 een controverse ontstaan waar Elchardus uitgebreid op ingaat. Het Europees Hof van de Rechten van de mens heeft namelijk op grond van dat artikel 3 beslist dat immigranten niet mogen uitgewezen worden naar landen waar ze mogelijk gefolterd zouden kunnen worden. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat het Hof dus een nieuw mensenrecht gecreëerd heeft namelijk het immigratierecht voor alle inwoners van landen waar wel eens gefolterd wordt. Dat zijn er heel wat. Elchardus vermoedt dat de meerderheid van onze landgenoten niet akkoord gaan met zo’n interpretatie, en dus moet er volgens hem een democratische procedure komen waarmee die interpretatie van het Hof ongedaan kan worden gemaakt. Ik volg hem volledig. De democratie is voor mij hier belangrijker dan dat nieuwe mensenrecht, of anders gezegd: de democratie moet hier beslissen wat wel en niet een mensenrecht is.
     Maar ’t is niet helemaal eerlijk van mij om, zoals mijn muts mij staat, de ene keer een mensenrecht boven de democatie te verkiezen en een andere keer de democratie boven een mensenrecht. Bovendien kan het mij eigenlijk niet zoveel schelen hoe een mensenrecht dat mij lief is tot stand komt, of hoe een onrecht dat mij tegenstaat wordt tegengehouden. Vrije immigratie lijkt mij een onrecht om redenen die ik hier niet zal uitleggen. Als het Europees Hof op grond van artikel 3 dat onrecht in het leven roept, wil ik dat teruggeschroefd zien en het maakt mij niet uit of dat gebeurt door een democratie, een autocratie of een andere gerechtelijke instantie. Ik ben die dag dan tegen het Europees Hof. Maar als morgen het Europees Hof onze racisme- en seksismewetgeving verwerpt omdat ze de fundamentele vrijheid van meningsuiting schendt, zou ik morgen vóór het Hof zijn. Ik blijf ronddraaien in dezelfde cirkel.
    Vroeg of laat moet ik toch een onderscheid maken tussen inhoud en procedure. Inhoudelijk vind ik de oude liberale vrijheden veel belangrijker dan de democratie. Maar democratie als procedure is een ultieme troefkaart. Als Elchardus aan de democratie het laatste woord wil geven, kan ik daar eigenlijk niet veel tegen inbrengen. Als iemand of iets ‘het laatste woord’ moet hebben, dan is democratie de minst slechte en in elk geval de meest logische kandidaat. Ik heb in mijn linkse jeugd vaak aan vergaderingen van ‘actiecomités’ deelgenomen. Wij beslisten daar bijvoorbeeld over het houden van een manifestatie. Een vraag die dan vaak terugkwam was deze: wordt aan de autoriteiten toestemming gevraagd om te manifesteren of doen we het zonder toestemming? De discussie kon hoog oplaaien, maar uiteindelijk moesten knopen worden doorgehakt. Dat kon door een stemming worden opgelost, maar wie zich in de minderheid wist, was tegen het houden van zo’n stemming. Ik heb meer dan één keer meegemaakt dat er dan na uren discussie gestemd werd over de vraag of er gestemd kon worden. Er zat niets anders op: democratie is in laatste instantie altijd 50 % plus één. 
     Die laatste instantie is natuurlijk de crux van de zaak. In veel gevallen is het beter als een consensus kan worden bereikt door een compromis. Of als er minstens een grote meerderheid verreist is. Voor verregaande beslissingen formuleert Elchardus als voorwaarde dat met een ‘bijzondere meerderheid’ beslist wordt. Dat is een goede, al lang bestaande praktijk: er moet dan een meerderheid zijn van 55 %, of van 66 %, of een meerderheid in de aparte regio’s van een land, enzovoort. Maar ook hier bots je op de brute rekenkunde van de democratie: 50 % + 1 heeft in laatste instantie alle macht. Als de volkswil toch het enige is wat telt, waarom moet een meerderheid dan ‘bijzonder’ zijn? vraagt Louis Tobback zich in zijn bespreking van Reset af. Hij heeft voor één keer gelijk. Wat doe je immers als een gewone meerderheid stemt om de bijzondere meerderheid af te schaffen?
     De democratische procedure, doorgedreven tot zijn ultieme logische consequentie, leidt dus onvermijdelijk tot de macht van 50% + 1, eventueel tot de dictatuur van 50% + 1, in sommige gevallen zelfs tot de tirannie van 50 % + 1***. Het enige kruid dat daartegen gewassen is, bestaat uit een vrijwillige democratische zelfbeheersing. De democratie legt zichzelf beperkingen op door een compromiscultuur maar ook door procedures als grondwettelijke bepalingen, bijzondere meerderheden, juridische toetsing van haar beslissingen, onvervreemdbare ‘natuurlijke’ mensenrechten, en is bereid om die beperkingen ook te aanvaarden als ze minder gelegen uitkomen. ’t Is een kwestie van mentaliteit. Als die mentaliteit verdwijnt, stellen de procedurele remmen niet veel meer voor.
     Elchardus drijft de spot met het ‘duizendjarig rijk van de mensenrechten’. Louis Tobback zag daar een verwijzing naar het nazisme in, en gaf lik op stuk. Elchardus was zelf in het voetspoor getreden van nazi-collaborateur Hendrik de Man, schreef hij nijdig. Maar ik denk niet dat Elchardus aan het nazisme dacht toen hij de uitdrukking gebruikte. Hij lijkt meer te verwijzen naar het mythische karakter van onvervreemdbare en universele rechten die niet wetenschappelijk zijn af te leiden uit wat we geleerd hebben van de wetenschappelijke psychologie, de antropologie en de etnografie. 
    Zelf hou ik van dat mythische karakter. De fundamentele mensenrechten zijn niet ‘natuurlijk’, zijn niet onvervreemdbaar, zijn waarschijnlijk niet door God gegeven, en zijn ook niet noodzakelijk een duizendjarig bestaan beschoren. Maar het is beter om te doen of we geloven dat dat wel het geval is. Het is beter om ze te beschouwen als totem en taboe van onze stam, boven discussie verheven, behalve op het meest theoretische niveau. Ze zijn trouwens niet wetenschappelijk te bewijzen, maar ze zijn ook niet wetenschappelijk te weerleggen. 
    Maar zo’n heiligverklaring van mensenrechten – Elchardus spreekt van ‘sacralisering’, in navolging van Durkheim – zal maar lukken als in de driehonderd internationale mensenrechten geschrapt en gesnoeid wordt tot slechts een harde kern overblijft**** die althans in het Westen sterk verbonden is met de Verlichtingstraditie, en waarover een sociaaldemocraat als Elchardus en een liberaal als ik het ongeveer eens kunnen zijn: verbod op foltering, vrijheid van meningsuiting, vrijheid om handel te drijven, gelijkheid van man en vrouw, onafhankelijke rechtspraak, scheiding van kerk en staat, gelijke rechten voor alle burgers ongeacht hun origine, vreedzame betrekkingen tussen de staten. Over de modaliteiten van die rechten kan worden gediscussieerd en moeten er beslissingen worden genomen. Democratisch dan maar.

 

 

* Het is verkeerd om te geloven dat er nieuwe individuele rechten ontstaan, zoals lgbt-rechten. In wezen zijn die niet meer dan het oude individuele recht om te doen wat je wil als je er niemand schade berokkent en het eveneens oude individuele recht om gelijk behandeld te worden. Het beginsel blijft hetzelfde. Maak je er echter groepsrechten van, dan heb je aan het alfabet niet genoeg. Lgbt wordt dan lgbti, lgbtiq, ligbtiqa, enzovoort.


* Het 19de-eeuwse onderscheid tussen ‘positieve’ en ‘negatieve’ vrijheden en rechten werd populair dankzij Isaiah Berlin met zijn Two Concepts of Liberty (1958). Bart De Wever gebruikte het in zijn laatste essay in De Standaard. Ook Elchardus gebruikt het onderscheid, zij het met een zekere tegenzin. Het verschil is niet altijd even duidelijk, biijvoorbeeld bij de migratie- en milieuproblematiek, maar in het algemeen is de negatieve vrijheid van de burger eerder abstract en inhoudloos en bestaat erin dat hijzelf om het even wat mag doen of zeggen, zolang hij niemand anders schade berokkent. De positieve vrijheid is concreet en houdt in dat de burger bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen. Persvrijheid is bijvoorbeeld een negatieve vrijheid;  subsidies aan de pers zijn een positieve ‘vrijheid’. Recht op eigendom is een negatieve vrijheid omdat niemand vastlegt wat je met je eigendom moet doen. Een werkloosheidsuitkering is een positieve ‘vrijheid’ omdat de gerechtigde met dat geld, in de woorden van Elchardus ‘greep krijgt op zijn leven.’ Negatieve vrijheden worden in verband gebracht met liberalisme, positieve vrijheden met socialisme.


*** De tirannie van 50 % + 1 wordt vooral ondraaglijk als het politieke domein erg omvangrijk wordt, ten nadele van het privé-domein en het domein van de vrijwillige handelsbetrekkingen. De kwestie werd ook aan de orde gebracht door Philippe Nys (Open-Vld) in zijn antwoord op Reset (Knack.be, 22/10/2021) .


**** Ook Elchardus pleit voor van kern-mensenrechten, vooral in een internationale context.