De censuur en de ‘unperson’
In het verleden gebeurde het wel eens dat boeken voor volwassenen herschreven werden voor kinderen. Men ging dan de taal vereenvoudigen, zoals Charles en Mary Lamb deden met hun Tales from Shakespeare. Terwijl men bezig was, ging men, in een moeite door, ook het origineel zuiveren van stukjes die aanstootgevend waren. Jonge lezertjes moesten gespaard blijven van Lady Macbeths ruwe woorden als ‘Unsex me here … Come to my woman’s breasts / And take my milk for gall’. En natuurlijk ook van de scabreuze taal die de poortwachter uitslaat. Het mocht allemaal wat braver. Ik kan daar enig begrip voor opbrengen.
Anders wordt het als men literaire werken gaat veranderen met als voornaamste reden een aanpassing aan de morele normen van de nieuwe tijd**. Ook dat is in het verleden gebeurd. Op hetzelfde ogenblik dat de Lambs bezig waren met hun Shakespeare voor kinderen – het begin van de 19de eeuw – werkten Thomas en Harriet Bowdler aan hun eigen gecensureerde versie van Shakespeare***. Zij hielden zich echter niet bezig met vereenvoudigen. Zij lieten de tekst zoals hij was, maar vervingen hier en daar een schunnig of blasfemisch woord of schrapten een passage die verwijzingen bevatte naar seks en extreme wreedheid. De Bowdlers dachten hierbij zowel aan de behoeften van de culturo huisvader die Shakespeare wou voorlezen aan zijn kinderen, als aan die van literair weetgierige vrouwen wier gevoeligheden moesten worden gespaard. Koningin Victoria zat nog niet op de troon, maar de nieuwe preutsheid hing al in de lucht. De Droogstoppels, ‘die zo op zedelijkheid gesteld zijn’, begonnen zich warm te lopen****.
‘Ze voer mee op oude zeilschepen met Joseph Conrad. Ze ging naar Afrika met Ernest Hemingway en naar India met Rudyard Kipling’.
En toch wordt de overbodige ingreep doorgevoerd. Dat komt door de censuurmethode. Een censor die schrapt, zal dat zuinig doen; een censor die aanpast, weet van geen ophouden. Ik heb zelf ooit eindredactie op boeken gedaan heeft, en hier en daar wat vertaald, en ik ken de verleiding van de onnodige ingreep. De auteur heeft geschreven platbranden; laten we er afbranden van maken. Er is zelfbeheersing nodig om een tekst met rust te laten. En met inhoudelijke ingrepen begeeft men zich op een hellend vlak. ‘We hebben nu al een paar keer wit en zwart en man en dik en lelijk geschrapt. Laten we die Kipling er ook maar bijnemen.’
Met mijn derde bezwaar begeef ik mij, ik weet het, op het pad van de overdrijving. Ik geef het toch maar even mee. Met het schrappen van de naam Kipling komen we volgens mij in de buurt van Orwells unperson*****. Ik kan begrijpen dat men de boeken van Kipling niet meer wil uitgeven vanwege zijn opvattingen. Ik kan begrijpen dat ze in bibliotheken worden opgeborgen in speciale kasten en alleen ontleend kunnen worden als je een speciale dispensatie kunt voorleggen – vroeger werd die door de bisschop verleend, wie dat nu moet doen weet ik niet. Ik kan ook begrijpen dat men die boeken uitgeeft zonder de kolonialistische passages, of dat men in inleiding en voetnoten ‘duiding’ verschaft bij al dat zedenbederf. Maar dat de naam niet mag worden vermeld?
* Ik citeer uit De Morgen: ‘De bekende verhalen van Roald Dahl zijn herschreven om het taalgebruik politiek correct te maken. Zo zijn Oempa Loempa’s nu genderneutraal en worden personages niet langer omschreven als ‘dik’ of ‘lelijk’, dat schrijft The Telegraph. De uitgever Puffin heeft sensitivity readers ingehuurd om de verhalen onder de loep te nemen. Er zouden honderden dingen veranderd zijn. Kleurrijke beschrijvingen van Roald Dahl werden aangepast om de personages minder grotesk te maken. Volgens de uitgever moeten die wijzigingen ervoor zorgen dat de boeken ‘vandaag de dag door iedereen kunnen worden gewaardeerd.’ Zo zijn veel verwijzingen naar het fysieke uiterlijk van de personages een stuk braver gemaakt. Het woord dik is uit elk boek weggehaald. Ook woorden als gek zijn geschrapt, net als zwart en wit.’
** Zie over censuur en zelfcensuur ook mijn stukje hier.
*** Vandaar de term ‘bowdlerising’ voor nuffige censuur toegepast op literaire werken.
**** Zie Max Havelaar (1860), hoofdstuk IV.
***** Het is mogelijk, ik weet het niet, dat de naam van Kipling overleeft in het het begin van het boek waar wordt opgesomd welke klassieke auteurs Mathilda allemaal leest.
Braafheid en lafheid van woke-verstehers
Bij woke denk ik in de eerste plaats aan domme bekrompenheid, onverdraagzaamheid en hysterie. Maar dat is een onrechtvaardig vooroordeel. Het laat een heleboel andere intellectuele en morele kenmerken van woke onbesproken. De kwestie Dahl heeft een aantal van die andere kenmerken aan het licht gebracht, zeker toen, na enige aarzeling, de censuurverdedigers het woord kregen.
Op Facebook stootte ik gisteren op een interviewtje met jeugdschrijfster Anna Woltz die begrip opbracht voor de ingrepen in Dahls boeken. Ik besloot, tegen mijn gewoonte in, het interviewtje aan te klikken en te beluisteren*. Het was de moeite. Luister even mee. ‘Ik vind het vergaand, dat is zeker, maar ik vraag mij af of het te ver gaat … Ik zie het niet als censuur … Het is niet zo dat de uitgeverij dit zonder overleg doet … Ik ben ervan overtuigd dat hierover is nagedacht … ik heb bepaalde aanpassingen gelezen waarvan ik denk, ja, daar ben ik eigenlijk wel niet tegen.’
Die korte stukjes hierboven geven geen volledig beeld van wat Woltz vertelt. Ze lijkt mij eerder een woke-Versteher dan een voorganger. Ze is in haar oordeel nogal genuanceerd. Ze begrijpt het verschil tussen morrelen aan werk van levende schrijvers en van dode schrijvers, omdat die laatsten hun toestemming niet meer kunnen geven. Ze spreekt met een zekere ironie over het beschermen van de ‘kinderziel’. Ze begrijpt dat kinderen Dahls verhalen graag lezen omdat de auteur ‘altijd zo ontzettend lekker gemeen’ is. Ook begrijpt ze waarom iets toevoegen vanuit literair oogpunt erger is dan iets schrappen. Uit het interview is het niet duidelijk, maar ik hoop dat ze ook het morele verschil begrijpt. Verder noemt ze bepaalde aanpassingen ‘idioot’ en zelfs ‘waanzin’.
De nuances van Woltz – ’t is zonde dat ik het zeg – maken de zaak eigenlijk alleen maar erger. Woltz begrijpt allerlei zaken die de sensitivity readers – ik hoop dat dat in onze taal een vreemd woord blijft – niet begrijpen. Neem haar eigen ervaring. Ze had een boek geschreven over een dertienjarige jongen die aan epilepsie lijdt. Die jongen vond zichzelf in het begin van het boek een ‘freak’. De schrijfster had dat woord doelbewust gebruikt, nadat ze uit haar voorafgaande ‘research’ begrepen had hoe moeilijk epileptici het hadden om hun ziekte te accepteren. Maar toen het boek vertaald werd, maakte de Engelse uitgeverij bezwaar. Het woord ‘freak’ moest eruit**. Dat was een ‘dealbreaker’. Woltz heeft daar toen lang over nagedacht, veel met haar uitgever overlegd, en uiteindelijk toegegven. 15.000 extra exemplaren die over Engelse scholen worden ‘uitgestrooid’, het is niet niks.
’t Is eerlijk van haar dat ze het zo vertelt, en op het eerste gezicht lijkt het op het rondborstige opportunisme van Hendrik van Navarra die zich tot het katholicisme bekeerde om koning van Frankrijk te worden. Paris vaut bien une messe. Maar bij Woltz is het ook lafheid. Of ze niet het gevoel heeft dat ze door de knieën is gegaan, vraagt de interviewster. En in plaats van nog eens de 15.000 exemplaren aan te halen, begint ze praatjes te verkopen. Het is het bekende verhaal: eerst geef je toe aan druk van buitenaf, en dan ga je die toegeving voor jezelf verantwoorden als een soort voortschrijdend inzicht. Op dezelfde manier is Woltz ‘heel anders over Zwarte Piet gaan denken.’
’t Is niet allemaal lafheid wat op het menu van de woke-Versteher staat. Er is ook échte braafheid. We denken bij deugmenserij al gauw aan schijnheiligheid, maar brave mensen bestáán nu eenmaal. De jeugdschrijfster lijkt mij zo iemand te zijn. Ze is verstandig genoeg om de uitleg van de sensitivity readers te doorzien. Een epileptisch jongetje voelt zich niet gekwetst als het leest over een ander epileptisch jongetje dat zichzelfs een ‘freak’ noemt. Het voelt zich eerder begrepen.
Maar dan komt Woltz met haar eigen uitleg. Boeken lezen op school is ‘iets wat we heel graag willen, maar wat we ook willen … is dat kinderen een beetje leuk en aardig tegen elkaar zijn en elkaar niet uitschelden.’ Hier gaat het dus niet meer om om het sparen van de gevoelige lezer die zou kunnen schrikken van het woord ‘freak’ maar om het opvoeden van die lezer zodat hij zelf zo’n woorden niet meer gebruikt. ‘Iemand is toch soms gewoon ook dik,’ probeert de interviewster nog, ‘mag je dat dan niet meer zeggen?’ De schrijfster heeft haar antwoord klaar: ‘Ik heb een vijfjarige en leer hem inderdaad dat als we in het openbaar iemand zien die dik is, dat hij dat niet zegt, dat is gewoon niet aardig.’
Ja, dat herken ik, mijn vader en moeder, ik bedoel mijn ouders, want het hadden zoals sensitivity readers weten ook een vader en een vader kunnen zijn, of een moeder en een moeder ... nu ja goed, mijn ouders dus, hebben mij ook zo opgevoed: niet met de vinger wijzen op straat en niet roepen ‘wat is die mevrouw dik’. Ik heb dat dan ook nooit geroepen, want ik was een braaf kind. Ik heb mijn zoon ook zo opgevoed en hij was ook een braaf kind. Ik leef graag in een brave wereld waar men elkaar op straat niet uitscheldt. Omgekeerd zou ik graag, als ik dat wil, stukjes blijven schrijven over bijvoorbeeld Karel de Dikke*. En het mag ook niet té braaf worden. Tom Lanoye moet mij in zijn geschriften nog altijd een partydrug snuivende extreemrechtse schedelmeter kunnen noemen. Ik zou mij ongemakkelijk voelen in een wereld waarin Tom bij een sensitivity reader langs moet die zulke leuke vondsten schrapt.
Als je erover nadenkt, is de opvoeden-tot-braafheid redenering eigenlijk nog zwakker dan de niet-kwetsen redenering. Je kunt je nog enigszins inbeelden dat zwarte kinderen zich beledigd voelen door Zwarte Piet, als hen maar vaak genoeg wordt aangepraat dat dat een belediging is. Maar dat kinderen, adolescenten en volwassenen zomaar woorden en gedrag uit boeken overnemen, is een wilde veronderstelling. Als je die volgt, mag je écht niet veel meer schrijven. Eerst noemt zo’n lezer een voorbijganger dik of lelijk of zwart omdat hij die woorden in een boek gelezen heeft, en voor je het weet slaat hij hem ook het hoofd in met een bevroren lamsbout omdat hij dat in een ander boek gelezen heeft.
*Voor mijn stukje over Karel de Dikke, zie hier.
** Mijn oud-collega M.V. wijst erop dat het woord freak in het Amerikaans meestal een hardere betekenis heeft dan in het Nederlands, waar het vaker enthousiasteling betekent. Maar mij gaat het natuurlijk om de motieven die Woltz zelf opgeeft, en die waren niet taalkundig.
Transcriptie van het interview met Anna Woltz
Honderden termen aangepast. Dik en lelijk weggelaten of genderneutraal gemaakt. Hoe kwalijk is dat?Ik zal het bespreken met Anna Woltz, schrijfster van kinderboeken.
Honderden woorden aangepast in zo’n boek van Roald Dahl om kinderen te beschermen, gaat dat niet veel te ver?
Nou, zoals ik het begrepen heb gaat het sowieso om zijn hele oeuvre Hein en is het niet honderden woorden in één boek maar hebben ze al zijn boeken herlezen en in al die boeken wat dingen aangepast.
En vind je het te ver gaan?
Ik vind … het … vergaand … dat is zeker, maar ik vraag mij af of het te ver gaat. Ik ben al langer Engelse en Amerikaanse uitgeverijen gewend. Dat maakt dat ik er minder van schrik. Wij zijn daar hier in Nederland nog niet aan gewend en in zowel Groot-Brittannië als in Amerika zijn de sensitivity readers al een heel aantal jaar actief en ik heb dat dus ook meegemaakt met vertalingen van mijn boeken en de eerste keer dat ik dat meemaakte vond ik dat veel te ver gaan en langzamerhand ga je daarover nadenken. Het is bij mij een beetje gegaan zoals met Zwarte Piet. Vijftien jaar geleden had k daar nog nooit van mijn leven over nagedacht en had ik er geen enkele moeite mee. Daar ben ik totaal anders over gaan denken. En heel veel mensen zijn daar anders over gaan denken. Ik denk dat dat bij deze dingen … bij sommige dingen ook zo zal zijn. Dat mensen langzamerhand van mening erover veranderen. Ik meen wel dat het te ver gaat. De machines in de fabriek van Wonka, die mogen niet meer zwart zijn. Nou, dat is natuurlijk idioot.
Je zei in het begin, je vond het in het begin ook veel te ver gaan bij mijn eigen werk. Dat was waarschijnlijk een vertaling in het Engels. Kun je je nog herinneren wat dat dan was?
Bijvoorbeeld in mijn boek Alaska dat gaat over een jongen van 13 en die heeft epilepsie. Aan het begin van het boek vindt hij dat heel lastig om te verteren, hij gaat naar een nieuwe school, hij is bang hoe zijn klasgenoten hem zullen zien, en hij noemt zichzelf een ‘freak’. Ik noem hem dus niet zoals schrijver, hij noemt zichzelf zo en later in het verhaal, daar zit een hele ontwikkeling in, hij gaat zijn ziekte accepteren. Maar mijn Engelse uitgeverij vond dat ook in het begin van het verhaal: die jongen mag zichzelf geen freak noemen. Dat moest er uit?
En waarom vonden ze dat?
Ja, dat is kwetsend voor mensen die zelf epilepsie hebben. Dat iemand kan bedenken dat je je een freak zou voelen, dat is te pijnlijk. Ik heb heel veel research gedaan voor dat boek, ik heb gepraat met heel veel mensen die zelf epilepsie hebben en die hebben daar natuurlijk ook hun eigen gevoelens over en die hebben dat ook moeten accepteren en die zijn er ook niet sowieso blij mee en ik heb dus juist van veel mensen gehoord dat het helpt dat mijn hoofdpersoon eerst zo boos is en juist zo eerlijk is en dan is het zonde om dat weg te halen.
Maar goed, uiteindelijk wordt het allemaal veel te braaf denk ik dan, als je dat soort dingen eruit haalt.
Na ja, ik heb er lang over nagedacht en ik heb her er met mijn uitgever over gehad en dat was voor hen een dealbreaker dat zij … een bepaalde Engelse stichting zou het boek heel wijd op Engelse scholen gaan verspreiden wat natuurlijk fantastisch is. Daardoor zijn dan 15 000 exemplaren van mijn boek over de scholen uitgestrooid maar ja, die stichting voelt zich verantwoordelijk voor de kinderziel en vindt dan dat, ja die willen daar geen problemen mee krijgen.
Heb je dan toch wel het gevoel dat je door de knieën bent gegaan?
Nou, weet je, wat voor mij een belangrijk punt is, ik schrijf voor kinderen, ik ben echt in hart en ziel een kinderboekenschrijver en ik hou altijd al rekening met mijn publiek. Er zijn natuurlijk schrijvers voor volwassenen, die kunnen daar volstrekt los van hun publiek hun eigen verhaal vertellen. Maar ik moet er gewoon over nadenken of een tienjarige de woorden die ik gebruik wel snappen. Ik zie het niet als censuur.
Nou zag ik op het journaal een meisje en dat zei, ja maar dat is toch gewoon een fantaisieverhaal. Toen dacht ik, hé, kinderen kunnen dat verschil heel goed maken.
Ze kunnen dat verschil ook zeker maken, maar je moet toch denken dat boeken ook heel veel op scholen worden gebruikt en worden voorgelezen en stel je voor … natuurlijk … en dat is iets wat we heel graag willen maar wat we ook willen is ... dat kinderen een beetje leuk en aardig tegen elkaar zijn en elkaar niet uitschelden.
Mag je dan iemand niet meer dik noemen bijvoorbeeld?
Maar dat willen we toch ook niet.
Ja, maar iemand is toch soms gewoon ook dik, en mag je dat dan niet zeggen?
Euhm ja, ik heb een vijfjarige en leer hem inderdaad dat je inderdaad als we in het openbaar iemand zien die dik is, dat hij dat niet zegt, dat is toch gewoon niet aardig.
Iets anders is dat dit postuum gebeurt, zonder dat toestemming van de schrijver. Dat maakt natuurlijk nog wel een verschil.
Dat maakt natuurlijk heel erg wat uit, want inderdaad, als een Engelse uitgeverij mij opbelt om te overleggen, wat zullen we doen met dat woord en ik mag daar iets anders voor suggereren dat is natuurlijk heel anders dan Roald Dahl die daar niet meer zelf over kan beslissen. Er is een stichting die er nu wel over beslist. Het is niet zo dat de uitgeverij dit zonder overleg doet, maar het is pijnlijk, juist bij Roald Dahl die zo ontzettend lekker gemeen was altijd, dat is ook echt een man bij wie je denkt, ja, misschien had hij wel gezegd: liever al mijn boeken de winkel uit dan deze veranderingen.
Hoe zou jij het vinden als ze na jouw dood je boeken gaan aanpassen. Stel dat er dan bijvoorbeeld een nog conservatiever tijdsgeest waait.
Nou, ik zou eigenlijk vooral ontzettende blij zijn als zo lang na mijn dood mijn boeken nog gelezen worden want dan zouden het totale klassiekers worden. Ik ben ervan overtuigd dat hier over nagedacht is, ze zijn absoluut een beetje doorgeschoten, dat zeker, maar ik heb ook bepaalde aanpassingen gelezen waarvan ik denk, ja, daar ben ik eigenlijk wel niet tegen.
Zoals?
Nou bijvoorbeeld dat, er wordt bijvoorbeeld gezegd dat … in De heksen, dan staat er iets over ja, maar hoe zit het dan met heksen in de rest van de wereld, en dan krijg je een klein opsomminkje van landen van de rest van de wereld: Amerika, Duitsland, Holland, Frankrijk en Noorwegen. En dat opsomminkje hebben ze weggelaten. En eerst denk je, huh, waarom zouden ze de namen van landen nou weglaten, maar in de tijd van Roald Dahl, als je het had over de rest van de wereld, dan dacht je alleen maar aan Amerika en een paar Noord-Europese landen. Ik vind het eigenlijk aangenaam dat men er nu niet meer van uit gaat dat de rest van de wereld alleen die paar Noord-Europese landen zijn.
Over die heksen gesproken, er is ook een toevoeging bij die heksen die een pruik dragen. Er staat: Er zijn allerlei redenen waarom vrouwen pruiken kunnen dragen en daar is niks mis mee.
Dat is een voorbeeld van een vreselijke aanpassing. Ja, dat is natuurlijk echt waanzin, en iets schrappen vind ik ook vaak minder erg dan zo’n toevoeging ook in gewoon slecht geschreven totaal niet in de stijl van Roald Dahl dat haalt je totaal uit het verhaal, dat hadden ze natuurlijk totaal niet moeten doen.
Dankjewel, Anna Woltz die kinderboeken schreef De Tunnel bijvoorbeeld en Mijn bijzonder rare week met Tess.
Bart Eeckhout: ‘Niets met woke te maken’
Hier en daar worden de aanpassingen in Roald Dahls boeken goedgepraat of gerelativeerd. Heeft Dahl, lees je dan, zijn boeken zelf niet aangepast onder invloed van actiegroepen als de NAACP? En ja, het gaat om honderden aanpassingen, maar dat is voor álle boeken samen. Per boek zijn het er veel minder dan honderd. En dan, het gaat maar om woordjes: de essentie blijft ongewijzigd. Bij Paul Baeten Gronda, die het ‘geen zak kon schelen’, vond ik dat de nieuwe Dahl-versies vergelijkbaar zijn met de Nederlandse vertalingen die hij las als kind. Die vertalingen waren een aanpassing aan een andere plaats, de huidige ingrepen zijn een aanpassing aan een andere tijd. Ja, als je het zo bekijkt …
Iemand die het niet zo bekijkt is Bart Eeckhout. Bart bekijkt het anders. Hij vindt, net als ik, het protest tegen de Dahl-censuur terecht en hij geeft daar enkele redenen voor op. De grappigste is dat ouders de nodige politiek correcte ingrepen zelf wel kunnen uitvoeren bij het voorlezen. Verder betreurt hij dat de verontwaardiging niet tegelijkertijd is ‘gericht op de veel grotere [conservatieve] censuurgolf’ in Amerikaanse scholen.’ Ik begrijp zijn teleurstelling. Zelf betreur ik het ook dat de Dahl-discussie zich niet richt op de ‘veel grotere [progressieve] censuurgolf’ aan de Amerikaanse universiteiten. Maar Bart en ik beseffen allebei het gevaar van whataboutery.
De kern van Barts betoog gaat trouwens een andere richting uit. ‘De ingrepen in het oeuvre van Roald Dahl hebben niets met woke te maken,’ stelt hij in de titel. Ach so! En met wat dan wel? Dat weet Bart eveneens: het is een pure kwestie van commerciële belangen. Netflix is eigenaar geworden van de stichting die Dahls erfenis moet bewaken, en net als de grote techgiganten willen ze ‘preventief alles vermijden wat ophef kan veroorzaken’. Het gaat dus om geld versus kunst. ‘Alles wat winstmaximalisatie verhindert, moet uit de weg. Voor een paar grijpstuivers meer wordt de unieke, pittige Dahl-smaak aangepast aan de doorsneeprak die je in het pretpark opgediend krijgt.’
Als ik zulke overdrijvingen lees, ben ik bijna geneigd om zelf de ingrepen in Dahls boeken te gaan minimaliseren. Maar ik houd mij in. Liever wijs ik erop dat de hele redenering van Eeckhout ons in een kaarsrechte lijn naar de conclusie voert dat de ingrepen wel degelijk alles met woke te maken hebben. Of de Netflix-mensen bezeten zijn door de woke-gedachte, dat weet ik niet. Ik geloof net als Eeckhout dat ze in elk geval nog méér bezeten zijn door de geld-gedachte. Maar juist die financiële berekening brengt hun blijkbaar tot een – al dan niet enthousiaste – capitulatie voor het woke kamp.
We mogen ervan uitgaan dat de Netflix-mensen hun huiswerk hebben gemaakt. Ze moeten weten dat jonge, boekenlezende Amerikaanse ouders, die pas enkele jaren van de universiteit af zijn, dat zulke ouders vaak nogal woke zijn in hun opvattingen . Woke is veel meer is dan de marginale rimpeling die de woke-Verstehers ervan maken. Ook zijn de Netflix-mensen ongetwijfeld op de hoogte van de sociologische wet van Nassim Taleb: een onverdraagzame minderheid kan altijd haar wil opleggen aan een onverschillige meerderheid. Als de woke-fanatiekelingen voldoende stennis maakten rond het ‘racisme’ en ‘seksisme’ bij Dahl, dan zou een flink deel van de brave meerderheid de boeken en verfilmingen van zijn werk links laten liggen. Omgekeerd, als je weet dat de woke-strekking in laatste instantie de publieke opinie zal sturen, dan is een rel rond censuur mooi meegenomen en krijgen ze bij Netflix, zoals mijn Facebook-vriend Edgar Frederix schreef, ‘gratis reclame’. Dan wordt het inderdaad: ‘Zeg Jos, die Dahl waar iedereen over schrijft op Facebook, zou dat niet iets zijn voor onze kleine?’
Maar, vraagt de lezer zich af, kan het niet anders lopen? Kan zo’n rel niet het begin van het einde zijn van woke? Zal woke door de Dahl-kwestie niet bezwijken onder het gewicht van haar eigen ridicule idiotie? Zullen de mensen niet massaal op zoek gaan naar de oude edities die daardoor in waarde zullen stijgen en op die manier een duidelijk marktsignaal zullen geven aan de uitgevers? En als de uitgevers dan de oude edities heruitgeven, zou het protest van de wokers dan niet evengoed zorgen voor gratis reclame? Hebben we dat 50 jaar geleden ook niet meegemaakt met het succès de scandale van de film Turks Fruit? Dominees en pastoors die vanop de kansel tekeergingen tegen een zedenkwetsende film met als gevolg dat de mensen in groten getale die film wilden gaan zien?
Ik vrees dat dat een illusie is. Het succes van Turks Fruit was de uitkomst van een zedenverwildering die al vele jaren bezig was. De krachtige beweging tegen de oude versleten moraal werd in 1964 al bezongen in Bob Dylans The Times They Are a-Changin. De dominees en pastoors waren in 1973 hun gezag al een poos aan het verliezen. En zelf geloofden ze er ook maar half meer in. Ik heb meer dan één priester gekend – euh … twee eigenlijk – die in weerwil van al het gepreek vanaf de kansel drie dorpen verder incognito de film gingen bekijken.
Zo’n krachtige tegenbeweging zie ik vandaag niet op gang komen. Woke is nog lang niet versleten. De predikanten ervan zijn hun geloof nog lang niet aan het verliezen. Anderhalf jaar geleden zeurde ik over een waarschuwend tekstje dat men in Gentse bibliotheken bij de Pipi-Langkousboeken wou voegen*. Aangaande het woord n*gerkoning, geloof ik. Ik had toen nooit kunnen denken dat uitgeverijen zo onbeschaamd zouden zijn om aan De heksen van Dahl, in de tekst zelf, het zinnetje toe te voegen: ‘Er zijn overigens heel wat andere redenen waarom vrouwen pruiken zouden dragen, en daar is helemaal niks mis mee.’ Ik zou bij dat zinnetje in de lach schieten als ik mij niet zo ergerde aan het staartje ‘en daar is niks mis mee’. Ik lees dat te vaak in betuttelende krantenkoppen.
Ik wil, tot slot, niet te pessimistisch zijn, maar als in een film iemand zegt: ‘Nu kan het niet meer erger,’ dan weet je zeker dat het een seconde later begint te stortregenen.
* Zie mijn stukje hier.
Body-shaming
De Dahl-censoren hielden zich niet alleen bezig met in diens boeken het neokolonialistisch en eurocentrisch woordgebruik te schrappen, ze waren ook heel streng op alles wat met de fysieke verschijning van mensen te maken had. Woorden als dik en lelijk werden geschrapt. De censoren waren wellicht bang dat zulke woorden konden leiden tot ‘stereotypering’, dat ze de lezertjes konden aanzetten om zelf ook zulke woorden te gebruiken, of dat ze kwetsend konden overkomen voor wie zichzelf dik en lelijk vond. Vooral met dat kwetsen is het einde zoek. Je moet dan immers ook oppassen met de woorden slank en mooi, want wie zich niet slank en mooi vindt, kan ook door die woorden gekwetst worden. Vandaar dat mevrouw Zilver in Ieorg Idur veranderd is van een ‘aantrekkelijke vrouw’ in een ‘vriendelijke vrouw van middelbare leeftijd.’ Ik ben er trouwens niet zeker van of dat zo’n gelukkige ingreep is; ik zou een vrouw nooit in haar gezicht ‘van middelbare leeftijd’ durven noemen. Zouden die gevoeligheidslezers eigenlijk zelf wel zo gevoelig zijn?
Iets anders nu. Toen ik als kind naar zee ging, kon je in alle strandwinkels en -kiosken postkaarten kopen met, zoals Orwell dat noemt, een ‘endless succession of fat women in tight bathing-dresses.*’ Orwell besluit zijn essay over die postkaarten met de wens dat ze nooit zouden verdwijnen. Ondertussen zijn ze verdwenen, en ik althans mis ze niet. Ik ben ook nooit zo’n liefhebber geweest van de Billy Turf-strip met die luie dikke schooljongen en die graatmagere schoolfrik in toga en baret. Ik vond dat als kind al brute uitlach-humor. Wel ben ik blij dat die postkaarten en die Billy Turf-strip vanzelf verdwenen zijn, zonder censuurwetten en zonder sensitivity readers. Ik zal een of ander soort verbod op vulgariteit altijd erger vinden dan de vulgariteit zelf. En zelfs ga ik akkoord met Orwell dat een Sancho Panza vulgariteit een noodzakelijk tegengewicht vormt tegen de ‘hogere moraal’, die desondanks toch altijd de bovenhand haalt.
Maar in het Dahl-debat gaat het voor mij nog om iets anders dan vulgariteit en stereotypering. Het gaat ook om de realiteitsaanvaarding. In een radio-interview zei de jeugdschrijfster Anna Wolf dat we nu eenmaal niet willen dat men iemand dik noemt. ‘Ja, maar iemand is toch soms gewoon ook dik, mag je dat dan niet zeggen?’ vraagt de interviewster. Waarop de jeugdschrijfster antwoordt dat ze haar vijfjarig zoontje opvoedt om in het openbaar niet te roepen: ‘Kijk eens hoe dik die mevrouw is.’
Neen, natuurlijk, in het openbaar mag men niet roepen dat iemand dik is. Maar mag het bijvoorbeeld in de beslotenheid van de huiskamer? Wellicht is het altijd beter om kinderen de eufemismen aan te leren die dan in de mode zijn**. En terwijl je toch bezig bent, kun je meteen ook uitleggen dat je mensen niet te veel mag beoordelen naar hun uiterlijk. Maar het heeft ook geen zin om te ontkennen dat er mooie en lelijke mensen bestaan, dat je aan jezelf mag toegeven dat je het verschil ziet, en dat je daar soms ook iets over mag zeggen.
Ik begrijp dat men met kinderen voorzichtig moet zijn. Specialisten beweren dat pesten vooral voorkomt bij kinderen en jongeren tussen de 4 en 19 jaar. Als ik aan mijn eigen ervaringen als kind terugdenk zou ik zeggen tussen 4 en 15 jaar. Ik herinner mij ook dat scheldwoorden over fysieke kenmerken daar een grote rol in speelden. Je werd niet gepest omdát je dik of lelijk was – pesters waren zelf vaak dik en lelijk – maar áls je gepest werd, dan werd je minstens voor ’lelijk’ uitgescholden, hoe je er ook uitzag, en ook voor ‘dik’ als je dat toevallig was.
Mijn eigen ervaringen betreffen echter de exclusieve jongensscholen van vroeger. Hoe het er in meisjesscholen toeging, weet ik niet, en ook niet hoe de zaken er nu voorstaan in gemengde scholen. Nog minder weet ik hoe dat zit met pesten op de sociale media. Aangezien jongeren vandaag sociale media haast uitsluitend gebruiken voor foto’s en filmpjes, lijkt het mij waarschijnlijk dat pesten zich nog meer dan vroeger op fysieke verschijning toespitst. Ouders kunnen daar dus best enige aandacht aan besteden in hun opvoedende preekjes en in hun eigen voorbeeld. Het schrappen van de woordjes dik en lelijk in kinder- en jeugdboeken zal daar niet veel toe bijdragen, al was het maar omdat scheldende kinderen wel ruwere woorden vinden als het erop aankomt.
Maar eigenlijk ben ik niet zo bezig met de kinderziel. Zelfs bij de Dahl-kwestie, denk ik in de eerste plaats aan volwassenen. ‘Toen ik een kind was,’ schrijft Paulus ‘sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.’ Dus: hoe zit dat met volwassenen en bodyshaming?
Mijn ouders waren van een generatie die over zulke dingen nog vrijer praatte. Ze waren, zoals mijn zoon dat zou zeggen, nogal judgy. Hun oordelen over mensen waren in de eerste plaats moreel, en betroffen eigenschappen als eerlijkheid, netheid, vriendelijkheid, spaarzaamheid, gastvrijheid, gelijkmoedigheid, ijver, goed karakter, wilskracht, gezond verstand, huwelijkstrouw, enzovoort. Maar over een bijzonder lelijke vrouw zeiden ze ook dingen als : ‘’t Kind kan er niets aan doen, maar ’t is een remedie tegen de liefde.’ Ik heb ooit maar één vrouw gekend, lang geleden, waarbij ik hetzelfde dacht. Maar ik zou zoiets, zelfs als ik het dacht, nooit luidop zeggen, tegen niemand. Noch mijn vrouw, noch mijn zoon, noch de meeste van mijn vrienden zouden zoiets dulden.
Anderzijds, maar dat is eigenlijk hetzelfde, konden mijn ouders ook makkelijker complimentjes geven over iemands verschijning. Op mijn proclamatie als afgestudeerd romanist, raakte mijn moeder aan de praat met mijn professor Spaanse literatuur, een pittige Argentijnse. ‘Vous ressemblez tellement à une de nos connaissances, zei mijn moeder. Mais vous êtes bien plus belle qu’elle.’ En wat later tegen mijn vader: ‘Je weet wel, Ilona***, maar ’t is niet waar dat ze mooier is hoor. Heb je haar neus gezien?’
Dat vrije spreken heeft iets aardigs. Een legerofficier die ik heb gekend begon een toespraak voor een nieuw peloton, compagnie of bataljon altijd met een waarschuwing. ‘U moet weten dat ik een vooroordeel heb tegen dikke mensen. Ik denk dat dikke mensen luieriken zijn. Als u dik bent, aan u om mij te bewijzen dat ik mij vergis. Of om er iets aan te doen.’ Dat is een rondborstigheid die mij wel aanstaat.
Een legerofficier vandaag zal zoiets niet meer zeggen, geloof ik. Maar het vrije spreken over het uiterlijk zal daarom nog niet verdwijnen. Vrouwen zullen onder elkaar nog blijven praten over een ‘mooie man’, en eventueel zelfs over een ‘mooi kontje’. En mannen zelf … ja, dat hoef ik de lezer niet uit te leggen hoop ik. Zelfs mijn vader, die een toonbeeld van beschaving was, zei over une belle passante wel eens ‘kijken mag’ of ‘dat doet zeker geen pijn aan de ogen.’ Het zou treurig zijn als in de literatuur – voor kinderen én voor volwassenen – minder vrijheid zou heersen dan in een ongedwongen gesprek tussen beschaafde mensen.
* George Orwell, Collected Essays 2, ‘The art of Donald McGill’.
** Koningin Victoria sprak over een erg zwaarlijvig nichtje als over ‘une personne forte’. Mijn zoon wil zijn kinderen later opvoeden om ‘wat voller’ te zeggen in plaats van ‘dik’. Zelf ben ik voorstander van ‘niet zo erg mager’ – omdat je zo’n litotes voor alles kunt gebruiken.
** Ilona, contesse Godts de Steyr zu Ratzenberg, maar ze had een aanmerkelijk kortere naam toen mijn vader haar eerst leerde kennen.
Trish en Sarah
Progressief links heeft bij ons in de zaak-Roald Dahl* een respectabele afstand bewaard van de woke partij. Een mooi voorbeeld is Ilja Leonard Pfeijffer. Natuurlijk, zijn stuk in HP/De Tijd begint met een captatio om zijn woke vrienden niet vanaf de eerste woorden tegen de haren te strijken. ‘Dahl heeft bij leven zijn teksten ook aangepast aan de veranderde normen,’ en verder: de huidige tekstwijzigingen zijn niet ideologisch geïnspireerd maar ‘hebben te maken met commerciële motieven.’ In tegenstelling tot Bart Eeckhout echter werkt Pfeijffer daarna een uitgebreide argumentatie uit tegen het beginsel van moraliserende censuur.
‘Die sensitivity readers zijn het probleem,’ schrijft Pfeijffer**, ‘waarmee ik bedoel dat het een probleem is dat zij überhaupt bestaan … Zo is het voor kinderen, young adults en volwassenen van fundamenteel belang dat zij, in zoverre zij al lezen, niet lezen wat zij al toch al de hele tijd vinden, maar geconfronteerd worden met denkbeelden die hen wellicht schokken. Lectuur is niet bedoeld om je te bevestigen in je wereldbeeld. Boeken moeten werelden voor je openen, ook werelden waar je niet bij wilt horen.’ De lezer begrijpt waar Pfeijffer naartoe wil: progressief, akkoord, maar het mag niet te braaf worden en de sentivity readers moeten met hun tengels van mijn teksten afblijven. ‘De schrijver zelf mag zijn teksten herzien, iemand anders niet,’ voegt hij er voor de duidelijkheid aan toe.
Maar, denkt de lezer nu, er moeten toch ook pleitbezorgers van sensitivity reading bestaan. Ja, die bestaan. Trish Lockard bijvoorbeeld, een Amerikaanse tekstredactrice en writing coach, en Sarah Jilani, docente Engels aan de Universiteit van London***. De argumentatie van Trish en Sarah loopt gelijk. Ze tonen met cijfers**** aan dat welgestelde, blanken oververtegenwoordigd zijn onder schrijvers, redacteurs en uitgevers. Sensitivity readers uit gediscrimineerde gemeenschappen kunnen enigszins helpen om die verhouding recht te zetten, vooral als ze daar een opleiding voor hebben genoten. ‘Jawel, sensitivity reading wordt gedoceerd op academisch niveau,’ schrijft Trish. Ja, daar heb ik nooit aan getwijfeld.
De vraag is echter: hoe kunnen die sensitivity readers helpen om het tekort aan niet-blanke auteurs uit gediscrimineerde gemeenschappen op te vangen? Hier wordt het verwarrend omdat met wisselende definities wordt gewerkt, die verschuiven naargelang het Trish en Sarah goed uitkomt. De ene keer spreken ze van het vermijden van kwetsende taal, en de andere keer van een soort fact checking zodat de gediscrimineerde gemeenschap niet foutief wordt voorgesteld. Dat zijn twee heel verschillende zaken.
Veronderstel dat een blanke Amerikaan een roman schrijft over een zwarte kerk in de Deep South. De man doet zijn research, bezoekt zo’n kerken, en stelt vast dat er goed en uitbundig gedanst wordt. Hij heeft genoeg ‘feiten’ voor zijn beschrijving. Fact checking is overbodig. Maar dan stelt zich een heel andere vraag: mag hij dat dansen beschrijven? Is dat geen stereotypering? Mag hij iets zeggen over het ‘ritmegevoel’ van die zwarte gelovigen, of is het onder hen nu mode om je door zulke beschrijvingen of opmerkingen gekwetst te voelen.
De hele vergelijking met factchecking, waar Trish en Sarah zoveel aandacht besteden, is niet meer dan een fopargument. ‘Sensitivity readers,’ schrijft Sarah, ‘zorgen voor feedback op maat, om de auteurs te helpen vol zelfvertrouwen te schrijven over milieus die buiten hun eigen ervaringswereld liggen.’ Ja, inderdaad, auteurs schrijven wel eens over de milieus die buiten van hun ervaringswereld liggen. Een volwassene kan schrijven over een kind, een man over een vrouw, een bourgeois over een mijnwerker, een blanke over iemand van kleur, een hetero over een homo, een jongeling over een grijsaard en een kerngezonde over een kankerpatiënt. En omgekeerd. Als die auteur het realisme nastreeft, wat niet noodzakelijk het geval is, dan moet hij zich wat voorbereiden, zich documenteren en veel praten met kinderen, vrouwen, mijnwerkers, mensen van kleur, homo’s, grijsaards en kankerpatiënten. Als die voorbereiding niet helpt, dan heeft hij geen sensitivity reader nodig, dan kan hij beter over iets anders schrijven. Of niet schrijven.
Daarmee is het factchecking argument van de baan, geloof ik. Over het niet-kwetsen argument, dat de échte reden van sensitivity reading is, zeggen Trish en Sarah heel weinig. In een poging om toch iets te zeggen schrijft Trish: ‘Geen enkele auteur wenst zijn lezer, of erger, een hele categorie van lezers, te beledigen.’ Oh boy! Waar moet ik beginnen. Met Multatuli’s ‘Publiek, ik veracht u met grote innigheid?’ Met Louis-Paul Boons ‘Ik houd de lezer een spiegel voor en zeg: spuw?’ In de hele tweede helft van de negentiende eeuw is het moeilijk om een roman te vinden die niet op een of andere manier minachting laat zien voor de bourgeoisie, die nochtans het publiek uitmaakte van die romans.
Nee, Trish had beter haar licht opgestoken in universiteiten waar sensitivity reading wordt gedoceerd op ‘academisch niveau’. Mag ik raden wat in zo’n opleiding aan bod komt? Wat statistieken en geschiedenis aangaande gediscrimineerde gemeenschappen. Misschien enkele journalistieke en literaire teksten over het onderwerp. En dan vooral veel introspectieve verkenning, groepsdiscussies en reflectieverslagen. En veel oefeningen in ‘ideologiekritiek’ en in het herkennen van kwetsende woorden, van hondenfluitjes en van discriminerende stereotypen in beschrijvingen, karakteriseringen en verhaallijnen.
Ik geef het toe, in laatste instantie wortelt mijn ergernis in reactionaire gevoelens. Trish en Sarah doen erg uit de hoogte tegen auteurs die hun onafhankelijkheid verdedigen tegenover uitgevers, redacteurs en sensitivity readers. Het soort jonge auteurs met een houding van ‘niemand moet mij vertellen wat ik mag en niet mag schrijven.’ Ik word warm als ik aan zulke jonge auteurs denk, maar Trish vindt ze vlakaf ‘naïef’. En Sarah is nog veel heviger. We moeten weg, schrijft ze, van ‘het genie dat eenzaam achter een typmachine een meesterwerk creëert.’ Dat is niet de ‘moderne manier’. Bovendien getuigt het van de pretentie eigen aan de welgestelde blanke man ‘die denkt dat de taal van hem’ is, en dat zijn gedachten het verdienen om in ‘zuivere, onversneden vorm’ bij het publiek aan te komen. Het zijn ‘belachelijke provinciaaltjes, neerbuigende poortwachters.’ Als we hen zouden volgen, ‘dan zouden we geen critici, redacteurs, uitgevers en professoren literatuur meer nodig hebben.’
Ja, dát zou de hel op aarde zijn, hoor.
* Mijn eerdere stukjes vind je hier, hier, hier, hier en hier.
**Het stuk van Pfeijffer vind je hier.
***De stukken van Trish Lockard en Sarah Jilani hier en hier.
**** Een veel voorkomende drogredenering: de lezer wordt overdonderd met cijfers die slechts van heel in de verte de verdedigde stelling onderbouwen.
Nog enkele notities
De twee ‘Dahl Collections’. Mijn vrouw, die goed op de hoogte is van zulke dingen, vertelde mij vorige week maandag al dat er een plan bestond om twee versies van Dahls jeugdboeken uit te geven, – de woke versie en de originele. Ik kon ik mij toen niet goed voorstellen hoe dat in zijn werk zou gaan. Nu weet ik het want het staat in de krant. De woke versie komt eerst uit, en de originele versie zal op een later tijdstip volgen, in de vorm van een Classic Collection, met extra archief materiaal. Ik vermoed dat de Classic Collection duurder en luxueuzer zal zijn, en vooral zal worden gekocht door de meer elitaire ouders – met andere woorden door de meest door woke beïnvloede ouders. Ze kunnen die versie kopen met een zuiver geweten. Zelf doorzien ze immers het seksisme en het neokolonialisme van de Dahl, maar als verlichte geesten ‘kunnen ze dat plaatsen’. En als ze voorlezen kunnen ze, zoals Bart Eeckhout hen voordeed, hier en daar een aanpassingetje aanbrengen. Ze hebben zelfs ruim in de pers kunnen lezen wélke aanpassingen ze moeten aanbrengen.
De twee ‘Dahl Collections’ (2). Ik heb niets tegen de twee-versies-oplossing. Maar het is oneerlijk dat alleen de oude versie een apart label krijgt. De nieuwe versie moet minstens ook een aparte naam krijgen. De Woke Collection, of de Sensitivity Collection. Eigenlijk moet voor mij alléén de nieuwe versie een apart label krijgen, zoals in de tijd van de Bowdlers. Je had Shakespeare - Works, zonder meer, en je had de Family Shakespeare.
Woke of commercie? Is de Dahl-censuur een kwestie van woke of van commercie? Van allebei natuurlijk. De inhoud van de aanpassing had te maken met de gevoeligheden van woke, het motief van de aanpassing had te maken met de belangen van de commercie. Ik speculeer graag over motieven, maar ik discussieer liever over inhoud.
Woke-sympathisanten. Bij ons hebben weinig woke-sympathisanten het opgenomen voor de Dahl-censuur. Ze vielen terug op de tweede verdedigingslinie: ‘Het heeft niets met woke te maken.’ Verdedigers moest je gaan zoeken in het academische milieu: kinderpsychologen en literatuurwetenschappers. Van die laatste verwondert mij dat niet. Er zijn er daar veel die ongaarne de literatuur overlaten aan mensen die daar niet voor hebben gestudeerd, d.w.z. de schrijvers.
Aanzienlijke literaire achteruitgang. Alle aanpassingen die ik in de pers heb gelezen, waren een aanzienlijke literaire achteruitgang tegenover het origineel. Ik denk aan de gruwelijke toevoeging aangaande de pruiken van de heksen: ‘en daar is niets mis mee’. Maar ook eenvoudige schrappingen kunnen een tekst bederven. Neem het stukje ‘Hoe zit het met de rest van de wereld? Hoe zit het met Amerika en Frankrijk, en Holland en Duitsland? En hoe zit het met Noorwegen?’ In de nieuwe versie is de opsomming van landen, wegens eurocentrisch, weggelaten. En ik hou net zo van opsommingen.
De twee tantes. Het meest spectaculaire voorbeeld van literaire achteruitgang vond ik de aanpassing van het versje over Aunt Sponge en Aunt Spiker.
Dahl:
Aunt Sponge was terrifically fat
And tremendously flabby at that,
Aunt Spiker was thin as a wire
And dry as a bone, only drier.
De Sensitivity knoeiers:
Aunt Sponge was a nasty old brute
And deserved to be squashed by the fruit
Aunt Spiker was much of the same
And deserves half of the blame.
Cosmetische ingrepen. Professor jeugdliteratuur Vanessa Joossen vindt dat een gezonde jeugdliteratuur meer nodig heeft dan enkele ‘cosmetische ingrepen’. De heksen van Dahl draait volgens haar rond ‘de historisch gezien seksistische en problematische beeldvorming van heksen.’ Hoe is ’t mogelijk? Dat doceert literatuur aan de universiteit en begrijpt het verschil niet tussen een stout sprookje en een geschiedenisboek. Nee hoor. Dahls boek draait niet om de historische heksen. De heksen van Dahl hebben niets gemeen met de ‘beeldvorming’ in 15de-eeuwse handboeken voor heksenjagers. Wat denkt Joossen wel? Dat Dahl-lezende kinderen gaan opgroeien tot niet-inclusieve volwassenen die de heksenvervolging goedkeuren? Dat ze gaan geloven dat die vrouwen toen op de brandstapel kwamen omdat ze met hun toverdrankjes kinderen in muizen veranderden? Als ik polemisch wilde zijn, nam ik de suggestie van Simon Gelten over en schreef: Her wit’s dry as a bone, only drier.
Dahl blijft koloniaal. Nog volgens Joossen is Sjakie en de chocoladefabriek een ‘door en door koloniaal verhaal’ want ‘Willy Wonka laat zijn chocoladefabriek draaien op onbetaalde geïmporteerde werkkrachten.’ Alweer: nee hoor. Het kolonialisme draaide niet om de ‘import’ van onbetaalde werkkrachten uit de kolonies. En de grillige Willie Wonka is geloof ik niet als moreel voorbeeld voor kinderen bedoeld. Dahl lees je niet voor de stichtende strekking. En bovendien! Voor tot indoctrinatie geneigde ouders is de klassieke Dahl-versie juist een goede aanleiding om over sociaal onrecht te vertellen. Vergelijk maar. ‘Ik heb dus de hele Oempa-Loempa-stam naar hier gebracht,’ zegt Wonka, ‘mannen, vrouwen en kinderen. Ik smokkelde ze binnen in grote kisten met gaten. Ze spreken nu allemaal Engels.’ Met zo’n zinnetjes kun je als woke papa of mama iets leerrijks vertellen over het sociale onrecht van vroeger en nu. Maar de nieuwe versie? ‘Alle Oempa-Loempa’s gingen akkoord om mee te komen. Ze vinden het hier fijn.’ Is zo’n versie eigenlijk niet systeembevestigend?
Papa’s en mama’s. Eva Dierickx, pedagoge en kleuterlerares, zei in Het Nieuwsblad: ‘Kinderen luisteren áltijd mee. Lees je een boek, dan nemen ze daar boodschappen uit mee … En dan kan een switch van bijvoorbeeld mama’s en papa’s naar ouders wél uitmaken … Ik ken een kind van een lesbisch ouderpaar dat expliciet zegt dat ze een papa wil zoals de rest. Waarom? Onder meer omdat ze haar gezinsvorm nooit terugziet.’
Daar zit iets in. Je kunt dat kind inderdaad helpen door het woord papa zo weinig mogelijk in boeken te gebruiken. Ik kan dat billijken. Maar veel verschil zal het niet maken zolang bijna alle vriendjes en vriendinnetjes een papa hebben. En verder zou ik het woord papa graag behouden zien in de strip van Guust Flater met het eindeloze zinnetje: ‘De papa’s en de mama’s van de papoea’s zijn papaoepapapa’s en papoeamama’s, en de papa’s en de mama’s van de papoeapapa’s en van de papoeamama’s zijn papoeaopa’s en papoeaoma’s enzoverder enzovoort.’
Veralgemeningen. Een aantal aanpassingen betroffen de veralgemenende stijl van Dahl. ‘Like all extremely old people, he was delicate and weak’ moest worden: ‘Like most extremely old people’. Zien die knoeiers niet dat de eerste zin veel beter is dan de tweede. Zelf strooi ik in mijn tekstjes kwistig woordjes rond als wellicht, misschien, veel, de meeste en vaak. Maar ik schrijf nu eenmaal veel minder mooi dan Dahl, en over heel andere dingen. En dan, wat is de winst uiteindelijk als je in zo’n zin all door most vervangt? Mogen we voortaan de ergste racistische beledigingen uiten als we ‘alle vreemdelingen’ vervangen door ‘de meeste vreemdelingen’?
Stereotypen. Bij stereotypen denken we aan zinnetjes zoals dat van Bomans: ‘Er was eens een dik jongetje dat in de tweede klas van de lagere school zat en daar voortdurend sliep.’ Ja, zo’n zinnetje berust op het stereotype dat alle dikke jongetjes lui zijn en alle luie jongetjes dik. Wie om zich geen kijkt, weet dat dat niet waar is. Maar stereotypen behoren nu eenmaal tot het materiaal waar literatuur mee werkt en speelt. In literatuur komt het er niet op aan dat de schrijver stereotypen vermijdt, maar dat de lezer ze doorziet. Wie met alle geweld een stereotype wil vermijden, vervalt al snel in de tegenovergestelde stereotype. Ik heb mij indertijd door mijn zoon laten overhalen om met hem naar de film Ready Player One te kijken. Daarin namen allerlei avatars het tegen elkaar op. Een van die avatars was de majestueuze vechtmachine Aech. ‘Wedden,’ zei mijn zoon, ‘dat er een zwart, lesbisch meisje achter steekt.’ Hij had gelijk.
De vaatwas. Bart Eeckhout schreef dat hij bij het voorlezen uit Jip en Janneke een moeder aan de afwasbak wel eens veranderde in een vader. Zijn vijanden hebben hem daarvoor uitgelachen. Zelf vind ik het ook een beetje dom. Zo’n woki papa moet eerst de oorspronkelijke zin van Annie M.G. Schmidt voorlezen, en dan tussen zijn tanden grommen: ‘Ja, ja, maar hier thuis is het altijd de papa die aan de afwasbak staat.’ Het kind zal daar meer pret aan beleven, en het zal er meer uit leren.
Storm in een glas water. Sommigen hebben de Dahl-censuur afgedaan als een ‘storm in een glas water’. Het ging maar ‘om enkele woordjes’. Het was een ‘commerciële redenering’ geweest. Met het werk van Willem Elsschot heeft er zich ook ooit ‘een storm in een glas water’ voorgedaan. Men herinnere zich de voorlaatste alinea van Tsjip waarin de grootvader fantaseert over de opvoeding die hij zijn kleinkind wil meegeven: ‘Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij veel doen moet van wat ik heb nagelaten en veel nalaten van wat ik heb gedaan; dat hij de gevulde hand moet afstoten, dat hij niet bukken mag voor het geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers. Dat hij moet opstappen met de verdrukte scharen om vorsten en groten tot brij te vertrappen.’ Toen het werk in het Duits verscheen, had de vertaalster als een ware sensitivity reader rekening gehouden met de gevoeligheden van de nazi-leiders en het laatste zinnetje weggelaten. Elsschot was razend. Het ging nochtans maar om ‘enkele woordjes’. De uitgever en de vertaalster hadden ‘commercieel geredeneerd’ dat het boek anders niet door de censuur zou zijn geraakt.
Zijn sensitivity readers analfabeten?
Het antwoord is: helaas niet. In de TV-reeks The Offer, komt een sensitivity reader van de Italian-American Civil Rights League, dat wil zeggen de maffia, het script van The Godfather controleren. Dat is gelukkig wél min of meer een analfabeet. Het script blijft daardoor in zijn oorspronkelijke staat.
De Nederlandse Volkskrant publiceerde een essay van Loes Reijmer over de Dahl-cenuur. Ik heb mij over de hemeltergende pretentie van dat stuk – ik zweer het – veel meer opgewonden dan over de Dahl-censuur zelf. Met die censuur kon er af en toe gelachen worden.
Maar de argumenten in het stuk van Reijmer! Dat de Nederlandse pers alles veel beter had moeten duiden. Dat The Daily Telegraph [die het verhaal eerst uitbracht] een conservatieve, rechtse krant is. Dat het maar om enkele honderden aanpassingen ging. Dat het woord lelijk niet overál was geschrapt. Dat sommige aanpassingen niet door een woke ideologie waren geïnspireerd waren, maar door iets anders. Dat men in een bepaalde passage niet alleen de naam van Jane Austen – een vrouw – had toegevoegd, maar ook die van John Steinbeck – een man. Ja hoor, dát maakt de zaak er veel beter op.
Loes Reijmer heeft verder ‘ontdekt’ dat de woke versie eigenlijk al een aantal maanden in de Engelse boekenwinkels ligt, en dat niemand daar iets van gemerkt had vóór het artikel in The Daily Telegraph verscheen. Het leven ging gewoon verder. Niets aan de hand. Waarom dan al dat gezeur?
Het ergste vind ik eigenlijk nog de titel van het stuk: Nog een keer over Roald Dahl, omdat het allemaal net iets anders zit dan werd voorgespiegeld. Dat is het superieure toontje van de fellowtravellers die terugkwamen uit nazistisch Duitsland, stalinistisch Rusland en maoïstisch China, en die dan trots vertelden dat ‘het daar allemaal net iets anders zat dan werd voorgespiegeld.’


Geen opmerkingen:
Een reactie posten