donderdag 28 augustus 2025

De vakbond en de pensioenen

     In De Morgen (14/8) verscheen een stuk van vakbondsman Jef Maes over de pensioenhervorming van De Wever. Hij concludeert: 

België bengelt al onderaan het Europese peloton. Ons pensioen bedraagt gemiddeld 48 procent van het vroegere inkomen, terwijl dat in de rest van Europa 61 procent is. Volgens het Planbureau zal onze vervangingsratio tegen 2070 nog met meer dan 9 procent dalen voor de werknemers en met meer dan 11 procent voor de ambtenaren*. Zo worden we definitief het kneusje van Europa.

     Mijn eerste reactie is om even te mijmeren bij die datum van 2070. Ik zal er dan niet meer zijn. Hoe zal de wereld er dan uitzien? Maar ik begrijp dat een radicaallinkse militant bij zulke getallen aan iets anders denkt. Waarom krijgen wij geen pensioen dat 61 procent bedraagt van ons vroegere inkomen? 61 procent nu! Wie kan daar tegen zijn? Als het goed is voor de andere Europeanen, is het ook goed voor ons.
     Nu kan ik mij allerlei redenen voorstellen om die 48 en die 61 procent te relativeren. Maar laten we de cijfers even aanvaarden, en ons een PVDA-PS-Groen-regering voorstellen die de pensioenen wil optrekken tot 61 procent van het vroegere inkomen. Er wordt vandaag door de overheid 60 miljard aan pensioenen uitbetaald. Als ik enkele keren de regel van drie toepas, blijkt dat de  pensioenverhoging naar 61 procent niet minder dan 16 miljard zou kosten, terwijl zelfs de voorgestelde miljonairstaks van de PVDA, naar eigen zeggen van de partij, slechts 8 miljard zou opbrengen.
     Neen, als we pensioenen willen van 61 procent, dan moeten we de productiviteit verhogen – minstens al voldoende om 16 miljard aan nieuwe goederen en diensten voor de gepensioneerden te creëren. De andere twee mogelijkheden zijn: langer werken, of een groter deel van ons loon afstaan in ruil voor een hoger pensioen. De eerste oplossing is de beste op lange termijn; de tweede oplossing is de beste op korte termijn.

* Ik hoop dat die voorspelde daling er een is in procenten, en niet in procentpunten.




Daklozen in Washington

     Trump zet 800 manschappen van de National Guard inzetten om in de stad Washington de misdaad te bestrijden. Is dat een goede zaak voor de liberale democratie? Zeker is dat law and order enerzijds en liberale democratie anderzijds een moeilijke verhouding hebben. Ze zijn als die geliefden die niet mét en niet zónder elkaar kunnen. Je leest altijd over die banlieues in Parijs waar de politie zich amper durft te vertonen. Moet je dan het leger sturen op ‘orde op zaken te stellen?’ Ik weet het niet. Ik ben al blij dat ik niet in een van die banlieues woon, noch in een door jeugdbendes geteisterde buurt van Washington.
     Iets anders trok mijn aandacht in het stuk dat Steven De Foer schrijft over de kwestie (DS 12/8). Hij citeert het Community Partnership van Washington:

 Er slapen gemiddeld iedere nacht achthonderd mensen op straat, en er verblijven ruim vierduizend in de noodopvang of behuizingsprojecten voor daklozen. Voor een Amerikaanse stad met ongeveer 700.000 inwoners zijn dat geen uitzonderlijke cijfers.

       Wat mij interesseert is de verhouding tussen die 800 die op straat slapen en die meer dan 4000 die opvang krijgen. Waarom krijgen ze niet allemaal opvang? Is dat omdat er 20 procent opvangplaatsen te weinig zijn of omdat 20 procent van de daklozen die opvangplaatsen om een of andere reden weigeren op te zoeken? 

 

Dumping van Chinese producten

     Stijn Decock had het enige tijd geleden in De Standaard over de overproductie in China. Het land kan nu 50 miljoen auto’s per jaar bouwen terwijl de hele wereld er maar 75 miljoen nodig heeft. De fabrieken draaien maar op halve kracht. Miljoenen onverkochte auto’s staan op parkings te wachten op een koper.
      Toen ik nog marxist was, had ik daar een gemakkelijke verklaring voor gevonden. Het kapitalisme in China is hersteld en dan krijg je ook de kwalen van crisis en overproductie erbij. De lonen van de uitgebuite Chinese arbeiders zijn te laag waardoor ze geen auto’s kunnen kopen. Er heerst chaos in de productie want de provincies nemen autonome beslissingen zonder een globaal plan te volgen.
     Ondertussen ken ik andere oorzaken, die ik ook in het artikel van De Cock aantref: ‘Via subsidies en goedkope leningen werd de bouw van auto- en batterijfabrieken aangemoedigd.’ Subsidies en goedkoop geld zorgen er inderdaad voor dat er geproduceerd wordt zonder op de vraag te letten. Die binnenlandse vraag is trouwens niet zó klein. Volgens Decock behoort nog niet de helft van de gezinnen tot de middenklasse die een auto kan kopen. Nog niet de helft, dat betekent dat de kleine helft van de Chinezen wél een auto kan kopen. Ik vind dat goed nieuws. Zei ik al dat het kapitalisme in China was hersteld?
     Wat Decock schrijft over de export van Chinese auto’s begrijp ik dan weer niet goed. Hij schrijft: ‘Zo tracht BYD zo veel mogelijk auto’s in Europa te verkopen, omdat het hier meer winst maakt.’ En wat verder: ‘China tracht steeds meer goederen te exporteren tegen prijzen die ver onder de kostprijs liggen.’ Hoe je meer winst maakt door onder de kostprijs te verkopen, is mij een raadsel. Decock spreekt niet noodzakelijk over dezelfde sectoren, maar elk bericht over dumpingprijzen bekijk ik met grote argwaan. 

woensdag 27 augustus 2025

De Standaard en de 2-statenoplossing, e.a.


De Standaard en de tweestatenoplossing

      In De Standaard van 27/8 staat, in de marge van een groot artikel over de tweestaennoplossing, een kort historisch overzicht over de houding van de Israeli’s en de Palestijnen tegenover die kwestie:

 1993-1995: De Oslo-akkoorden. Israël erkent geen Palestijnse staat. De Palestijnse leiders erkennen Israël wel … 1996:Benjamin Netanyahu is openlijk tegen de Oslo-akkoorden. 2002: Het Arabisch vredesinitiatief. De Arabische landen (willen) Israël erkennen in ruil voor de Israëlische erkenning van Palestina. Toenmalig premier Ariël Sharon wees het voorstel af …

     Dit overzicht is eenzijdig. Het lijkt wel of het altijd alleen maar Israël was die een tweestatenoplossing afwees. Ik wil hier niet ingaan op de keren dat de Arabieren en Palestijnen in het verdere verleden een zon oplossing verworpen hebben: in 1937, in 1947, in 1967. Misschien hadden de Arabieren toen gelijk en waren de voorgestelde oplossingen onrechtvaardig, of leidden ze niet echt tot twee staten. De Standaard is ook niet verplicht om een vollédig overzicht te geven van die geschiedenis, en zelf heb ik geen zin om dat weer allemaal opnieuw uit te zoeken.
     Alleen dit. Bij het overzichtje staat een foto van Bill Clinton. Die Bill Clinton zei onlangs het volgende over de onderhandelingen van juli 2000, de zogenaamde Camp David Summit:

 Look, I worked on this hard, and the only time Yasser Arafat didn’t tell me the truth was when he promised me he was gonna accept the peace deal that we had worked out, which would have given the Palestinians a state on 96 percent of the West Bank and 4 percent of Israel and they got to choose where the 4 % of Israel was. So they would have the effect of the same land of all the West Bank. They would have a capital in East Jerusalem. They would have the - I can hardly talk about this - they would have equal access all day, every day to the security towers that Israel maintained all through the West Bank up to the Golden House. All this was offered, including, I will say it again, a capital in East Jerusalem and two of the four quadrants of the old city of Jerusalem. Confirmed by the Israeli Prime Minister Ehud Barak and his cabinet. And they said no. (31 oktober, 2024, verkiezingsmeeting in Muskegon Heights, Michigan)

     Ik beweer niet dat de Israëlische voorstellen van 2000 evenwichtig waren. Ik beweer niet dat Clinton de voorwaarden correct weergeeft. Ik beweer evenmin dat de onderhandelingen van 2000, en de vergelijkbare van 2008 tussen Ehud Olmert en Mahmoud Abbas, alleen mislukten door de houding van de Palestijnen. Ik beweer alleen dat het overzicht van De Standaard – dat noch 2000, noch 2008 vermeldt – eenzijdig is.  

Pieter Embrechts en het zionisme
     In zijn column (DS 27/8) slaat Pieter Embrechts de spijker op de kop. Hij vergelijkt Palestina-Israël met Brabo-Antigoon: de kleine Romeinse soldaat tegen de reus. Brabo en Palestina nemen de positie in van de underdog. Dat is inderdaad een belangrijke reden waarom veel mensen voor Palestina kiezen. Of het een voldoende reden is, blijft de vraag.
     Wat verder echter slaat Embrechts naast de kop van de spijker: ‘Ook de Israëlische historicus Yuval Noah Harari noemt het zionistische project van Netanyahu de grootste bedreiging ooit voor het Jodendom.’ Dat is een verkeerde of minstens eenzijdige interpretatie van het begrip ‘zionisme’.
     Het zionisme is een nationalistisch project om voor de Joden een veilig thuisland te creëren. Zoals elk nationalisme kan dat in twee richtingen gaan: een verdraagzaam, inclusief, pragmatisch zionisme, dat een veilige staat Israël wil naast een veilige staat Palestina. De andere richting is die van een chauvinistisch, expansionistisch zionisme, dat doelen nastreeft als Joodse overheersing, een Groot-Israël met de volledige controle over Gaza en de Westbank en eventueel de etnische zuivering van het gebied. Het is in dat expanisionistisch zionisme dat Harari de grootste bedreiging ziet van de morele en intellectuele erfenis van het Jodendom.

Ingangsexamen geneeskunde
     Het ingangsexamen geneeskunde wordt niet meer afgenomen zoals vroeger, toen enkele duizenden kandidaten zich verzamelden op de Heizel om meerkeuzevragen op te lossen op papier. Nee, het gebeurt nu op verschillende plaatsen zoals in secundaire scholen en universitaire campussen, en de kandidaten voeren hun antwoorden in op computer. Ik betreur die evolutie, omdat je op die manier fraude moeilijk kunt uitsluiten. Ik vrees dat whiz kids altijd een weg zullen vinden om de computer als zoekmachine te gebruiken. Studenten die niet frauderen zijn dan het slachtoffer van degene die wel frauderen. En je begrijpt dat ze dan een klacht indienen, zoals nu gebeurd is.
     Er heeft nog een andere evolutie plaatsgevonden sinds de tijd dat mijn zoon het ingangsexamen aflegde. In die tijd werd een moeilijk examen voorgelegd, waarvoor slechts een kleine minderheid slaagde. De anderen zaten met het gevoel opgescheept dat ze te dom waren, of ze konden zich voorbereiden op een tweede zittijd waar opnieuw een kleine minderheid slaagde. Nu heeft men beslist om het examen veel gemakkelijker te maken, maar slechts een deel van de geslaagden toe te laten tot de opleiding. Dat zal in de praktijk niet veel verschil maken. Het zullen niet helemaal maar toch ongeveer hetzelfde type kandidaten zijn die vroeger in de eerste en tweede zittijd slaagden, en die nu voldoende punten halen om geselecteerd te zijn. Maar voor een grote groep kandidaten lijkt het nieuwe systeem  onrechtvaardig: geslaagd, en toch niet geselecteerd.
     Eén nadeel van het nieuwe systeem is dat men het op de nieuwsredacties niet begrijpt. Ik hoorde op maandagavond op de radio dat het ‘slaagpercentage dit jaar zo hoog was omdat er een record aantal deelnemers was.’ Onzin natuurlijk. Het tegenovergestelde is veel logischer: hoe meer kandidaten, hoe lager het slaagpercentage dat je mag verwachten.

Witte scholen
     Vaak ben ik blij dat ik als leraar nu op pensioen ben. Ik kan nu De Standaard openslaan en kennis nemen van de campagne tegen de 
witte scholen zonder mij al te veel te ergeren. Als ik het goed begrepen heb komt het hierop neer. Veel ouders sturen hun kinderen liever naar een school met een kleiner aantal anderstalige leerlingen omdat ze hopen dat de leerresultaten daar beter zouden zijn. Volgens taalsocioloog Orhan Agirdag, die in de krant geciteerd wordt, is dat een ‘raar’ vooroordeel. Vroeger zou ik dan van alles hebben moeten opzoeken om die Agirdag op zijn plaats te zetten, maar nu blijf ik er rustig bij.
     De teneur van De Standaard-stukken is dat het beleid en de scholen iets moeten doen tegen de verkeerde opvattingen en tegen de verkeerde keuzes van ‘witte’ ouders. Ik erger mij om twee redenen dat woord ‘wit’. Ten eerste moet het ‘blank’ zijn, en ten tweede heeft het met huidskleur niets mee te maken. Als ik een ouder van kleur was, zou ik ook liever mijn kind sturen naar een school met minder anderstaligen. Maar mijn ergernis is beperkt. Ik word stilaan gewend aan dat verkeerde gebruik van ‘wit’, en ik heb geen kinderen van schoolgaande leeftijd.
      Het hoofdartikel van Karel Verhoeven (26/8) heb ik dus maar half gelezen. Verhoeven betreurt de verkeerde houding van de ouders die alleen aan onderwijskwaliteit en niet aan diversiteit belang hechten. Ik moet daar overigens niet op antwoorden. Dirk Van Damme heeft dat al gedaan op x.com : 

‘Dus als ik het goed begrijp, ouders die in hun schoolkeuze een bepaalde pedagogische voorkeur uitdrukken, zijn fout en moeten bijgestuurd (heropgevoed?) worden. Gaan we hetzelfde zeggen over verkiezingen? Vrije schoolkeuze gaat ook over democratie.

     Ik heb daar niet veel aan toe te voegen.

Gegoochel met statistieken
 
     In Amsterdam werd vorig jaar een 17-jarig meisje vermoord. De vermoedelijke dader is een asielzoeker. Het is onvermijdelijk dat extremistische feministen nu gebeten zijn op álle mannen, en dat extremistische nationalisten op álle migranten. Daar valt niet veel tegen te beginnen.
      Maar laat ik het over iets subtielers hebben. Naar aanleiding van de moord plaatste de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema een tweet over seksuele misdrijven in Nederland. Ze liet twee grafieken zien, waarvan de eerste absolute cijfers bevatte, en de tweede een ‘gegoochel’ met cijfers. 
     Kijk, ik heb dat niet graag, dat iemand een statistiek die zijn of haar overtuiging tegenspreekt al te snel snel wegzet als leugens, of als gegoochel met cijfers.’ Trouwens, Halsema heeft ongelijk, want de twee grafieken zijn ongeveer allebei even correct en ze vullen elkaar aan. De ene bevat niet meer gegoochel dan de tweede. Het beste is om ze allebei eens goed te bekijken, want ze tonen allebei een ander aspect van de waarheid.



      De statistiek met de absolute cijfers die Halsema zo triomfantelijk presenteert, laat zien dat 90 procent van de seksuele misdrijven in Nederland door autochtonen gebeurt, en slechts 10 procent door asielzoekers. Dat komt omdat er 100 keer meer autochtonen dan asielzoekers zijn. De tweede grafiek laat zien dat er onder de asielzoekers verhoudingsgewijs 10 keer meer seksuele delinquenten zijn dan onder de autochtonen. Dat komt waarschijnlijk door voorafgaande trauma’s, culturele ontworteling, en het overwicht in die populatie van jonge mannen.
      Ik wil niet te streng zijn, maar juist de linkse grafiek van Halsema bevat naar mijn smaak enige misleiding. Het aantal delinquente asielzoekers wordt nodeloos opgesplitst per nationaliteit, zodat de staafjes kleiner lijken in vergelijking met de lange staaf die het aantal autochtonen voorstelt. En ik durf er iets op verwedden dat er zich onder de ‘autochtonen’ ook recentelijk genaturaliseerde migranten en zelfs asielzoekers bevinden
.
     Maar laat ik fair zijn. Halsema heeft gelijk als ze concludeert dat het probleem van seksueel geweld niet zou worden opgelost door een strenger asielbeleid (‘over de grens duwen van het probleem’). Hoogstens zou dat het probleem kunnen doen dalen met 10 procent. 


 

 

dinsdag 26 augustus 2025

M. Peeters en D. Hermans, e.a.


Marnix Peeters en Dalilla Hermans

     Ik zag twee weken geleden op Facebook een column van Marnix Peeters die iets schreef over Dalilla Hermans. Hermans wordt door ons land afgevaardigd naar de wereldtentoonstelling in Osaka waar ze een spreekbeurt zal geven of gegeven heeft onder de titel Seen and silenced. Being a woman of colour in Belgium. Peeters vond geloof ik dat de titel al werd tegengesproken door het blote feit alleen dat Hermans als vrouw van kleur helemaal naar Osaka mocht afreizen om daar gezien en gehoord te worden. En verder was hij geen voorstander van subsidies aan ‘de sector’. Die heeft een punt, dacht ik, maar besteedde er verder geen aandacht aan. Ook niet toen ik reacties zag voorbijflitsen als ‘Hoe Marnix Peeters de extreemrechtse hordes op Dalilla Hermans afstuurt’ en ‘Wat de nieuwe haatcampagne tegen Dalilla Hermans ons leert’. Er zullen ook wel racistische reacties geweest, maar die heb ik gelukkig niet gezien op mijn kleine hoekje op de sociale media.
 
     Maar dan kreeg ik van ernstig te nemen FB-vrienden de aanmaning om een antwoord-video van Hermans te bekijken. In principe hebben ze gelijk, want je moet de twee kanten van een verhaal kennen. Maar moet je die ook kennen als het verhaal je niet erg interesseert? Als je eigenlijk nooit naar informatieve videofilmpjes kijkt vanwege te lineair? Als je vrouw het filmpje al na één minuut weer afzette? Maar wat mijn vrouw kan, kan ik ook heb nu juist naar de eerste minuut geluisterd. Daarin zegt Hermans onder andere dat de video vrij lang zal zijn maar dat ze hoopt dat de kijker het respect zal hebben om tot het einde te beginnen luisteren. Daarna zegt ze dat ze vier punten zal behandelen.
     Retorisch is daar wel wat op aan te merken. Het lijkt mij gevaarlijk om aan het begin van je speech al te zeggen dat je erg lang zult spreken. Janne Desmet herhaalt aan het begin van haar monoloog Arme Tante Dani enkele keren dat het drie uur zal duren, maar ze doet daar iets grappigs mee. Ze zegt geloof ik dat iedereen op gelijk welk moment de voorstelling mag verlaten. Het echter wat aanmatigend om op voorhand te vragen dat iedereen blijft luisteren. De Brutus van Shakespeare doet het zo in zijn grafrede: ‘Be patient till the last’ … ‘and have respect for mine honor.’ Dat klinkt allemaal fraai, maar het is de rede van Marcus Antonius die we bestuderen om te zien hoe het beter kan. Ook zeggen dat je vier punten zult behandelen is in een causerie niet aangeraden. Ik raadde het mijn leerlingen in elk geval af.
     Er is nog een reden waarom ik het filmpje niet tot het einde beluisterd heb. Een progressieve FB-vriend vond de verdediging van Hermans heel interessant, maar er waren toch enkele dingen bij waar hij zich aan ergerde. En hij is progressief! Hoe zal een conservatieve zak als ik dan niet reageren? En ik ken mijzelf: als er iets is waar ik mij aan erger, dan wil ik daar een stukje over schrijven, en dat terwijl die Hermans mij nooit iets misdaan heeft. En ik vroeger al eens over haar geschreven heb toen ze het middelpunt was van een echte mediarel*.

* Over die vorige polemiek rond Hermans, zie hier en hier.

‘Echt gebeurd’ in tv-series
     Een serie die echt gebeurde feiten vertelt, zonder die feiten al te veel aan te passen, vertoont enkele verschillen met een serie die helemaal uit fictie bestaat. Een fictioneel drama zal een zekere eenheid van handelen nastreven. De verhaallijnen zijn met elkaar verbonden, onbetekenende details blijken achteraf een belangrijke plotwending aan te kondigen. In het echte leven zijn de feiten meer als los zand. Om Toynbee te parafraseren: Life is just one damn thing after another.
     De echt-gebeurd verhalen kunnen dat verschil in hun voordeel uitbuiten. In de serie SuperPumped wordt het verhaal gedaan van de opkomst van Uber. Een van de eerste medewerksters is een zekere Austin Geidt. Een keer moet ze een vergadering verlaten om naar een bijeenkomst van de Anonieme Alcoholisten te gaan. Een andere keer wordt eerst alle alcohol verwijderd uit een hotelkamer voor ze er haar intrek neemt. De kijker denkt dan dat er met dat alcoholisme iets zal gebeuren. Dat ze bijvoorbeeld op een belangrijk moment in het verhaal weer aan de fles zal gaan. Maar dat gebeurt niet. Men heeft gewoon een detail geleend van de werkelijkheid en er verder niets mee gedaan. Dat is verfrissend.
     Maar het kan voor de kijker ook fout lopen. In de serie Unbelievable worden twee verhaallijnen door elkaar verweven. In 2008 wordt een meisje verkracht in Seattle. De politie gelooft haar niet en ze wordt zelfs veroordeeld wegens valse aangifte. In 2011 zijn twee vrouwelijke detectives bezig met het oplossen van een reeks verkrachtingen in de staat Colarodo. Ik verklap niets als ik zeg dat de dader van Seatlle en die van Colorado dezelfde is, want dat is voor de kijker van bij het begin duidelijk.
     Het is een aardige serie. Toni Colette won voor haar rol als een van de detectives een prijs, maar die was beter naar haar collega Merritt Wever gegaan. Die zet een veel origineler personage neer: ingehouden, bazig, discreet, empathisch. Af en toe zijn de dialogen, zoals dat bij procedurals gaat, aan de didactische kant. De detectives leggen aan elkaar hun werkmethodes uit, of ze citeren statistieken van huiselijk geweld. De strekking is dat slachtoffers soms niet worden geloofd, dat vrouwen die er op het eerste gezicht niet erg betrouwbaar uitzien, toch de waarheid kunnen spreken, en dat vrouwelijke detectives verkrachtingszaken ernstiger nemen dan mannelijke detectives dat doen. Ik veronderstel dat dat allemaal waar is.
     Wat mij bij het kijken echter frustreerde was dat de twee verhaallijnen, zoals dat ook in de werkelijkheid was gebeurd, gescheiden bleven. Met het verkrachte meisje van Seattle ging het van kwaad naar erger. Ze werd niet geloofd, ze werd geïntimideerd, ze verloor haar werk, haar woning en haar vrienden, ze kreeg ruzie met haar pleegmoeder, ze werd onhandelbaar. En in de andere verhaallijn waren er twee begripvolle en gedreven detectives aan het werk die stap voor stap vooruitgang maakten met hun onderzoek. Je wil eigenlijk maar één ding: dat die detectives naar Seatle trekken en het meisje de troost bieden die ze verdient. Aflevering na aflevering vloekte ik: wanneer komen de verhaallijnen samen? Maar dat hadden ze in de werkelijkheid ook niet gedaan.
     De makers van de serie moeten dat ook beseft hebben. Helemaal aan het einde hebben ze een telefoongesprek verzonnen tussen het meisje en een van de detectives. Dat was niet echt gebeurd, en het klonk ook niet echt. 

Het cynisme van Friends en Seinfeld
     De twee meest succesvolle series van de 1990 sitcom boom waren Seinfeld en Friends. Als je erbij stilstaat, merk je dat de personages van die series vrij onsympathiek en egoïstisch zijn. In Friends doet men lacherig over dat egoïsme, in Seinfeld is de toon iets harder. Maar eigenlijk is de toon dezelfde: kijk, zo zijn wij nu eenmaal. Bij drama en tragedie is de toon vaak: het zou zo niet mogen zijn. De werkelijkheid en de mensheid zitten in de beklaagdenbank. Komedie is meestal cynischer.

zondag 24 augustus 2025

Boudry: Gescinska, whataboutery, de VS.


      Voor mijzelf ben ik heel streng als het op whataboutery aankomt. Ik heb over die drogreden veel geleerd van Maarten Boudry en was dan ook geïntrigeerd toen ik een stuk zag voorbijkomen waarin Alicja Gescinska juist Boudry schijnt te verwijten dat hij zich eraan bezondigd had. (De Morgen 19/8)
  
     Misschien moet ik eerst verduidelijken dat de polemiek zich afspeelt in de marge van het Gaza-debat. Boudry heeft daar een ‘contraire mening’ over, dixit Gescinska, waaruit ik besluit dat zijzelf dichter aansluit bij de mainstrain van de opiniemakers. Dus Boudry min of meer pro-Israël, en Gescinska min of meer pro-Palestina. Wie alleen daarin geïnteresseerd is, kan nu al stoppen met lezen. Mij interesseert in de eerste plaats de vraag of de kritiek van Gescinska terecht is. Ik vind van niet.
     Waarover gaat het? De rectoren van de Belgische universiteiten hadden een gezamenlijke brief gepubliceerd waarin ze de onmenselijke omstandigheden in Gaza aanklagen. Ik citeer daarover de Gescinska zelf:

De rectoren zeggen dat ze niet langer kunnen zwijgen over de mensonterende situatie in Gaza; volgens Boudry kunnen ze wel heel goed zwijgen over mensonterende situaties. Over Soedan, Jemen, Noord-Korea, Afghanistan, Iran… hoor je hen immers niet … Het whataboutism is een zeer hinderlijk fenomeen in het publieke debat. De argumentatieve truc is welbekend: zodra iemand probleem A aankaart, begin je over probleem B, waar de ander niets over gezegd heeft. Daarmee heb je zijn inconsistentie of hypocrisie aangetoond. Als je zo bekommerd bent om Gaza in naam van de mensenrechten, waarom zeg je dan niets over de Oeigoeren in China. Dat soort redeneringen springt in regel niet voort uit oprechte bekommernis om de Oeigoeren.

     Kijk, het verwijt van whataboutery mag ook geen Pavlov-reflex worden. Je hoort in een debat over Gaza het woord Oeigoeren en je drukt op de buzz-knop. Dat is verkeerd. Ik heb zelf al drie keer naar de Oeigoeren verwezen in de context van de Gaza-controverse. Ik heb die drie alinea’s zojuist herlezen, en geen van de drie is een geval van whataboutery.
     Je kunt redelijkerwijze slechts van whataboutery spreken als je in een discussie een ander onderwerp aansnijdt met de bedoeling om (1) het oorspronkelijke onderwerp te ontwijken; (2) het oorspronkelijke onderwerp te relativeren; (3) je opponent, zoals Gescinska het noemt, ‘inconsistentie of hypocrisie’ aan te wrijven. En Boudry doet geen van de drie. Hij vergelijkt Gaza met de andere humanitaire rampen om aan te tonen dat het standpunt van de rectoren niet alleen een humanitaire maar ook een politieke keuze is. In de woorden van Boudry ‘nemen ze stelling in een politiek omstreden kwestie.’
      Zowel het argument als de conclusie lijken mij verantwoord. Geen
 whataboutery. Nog sterker: als je de tekst van Gescinska heel goed leest, schrijft ze zelf ook niet letterlijk dat Boudry zich eraan bezondigt. Eerst schrijft ze iets over Boudry, en daarna schrijft ze iets algemeens over whataboutery en daarna schrijft ze weer iets over Boudry. Slim.
      De rest van Gescinska’s argumentatie gaat over iets anders. Boudry vindt dat rectoren wel een politieke mening mogen uiten ‘ten persoonlijken titel’ maar niet in naam van hun instelling. Gescinska’s regel is eenvoudiger: Iedereen mag altijd zijn mening geven. 

 Hoe meer stemmen hoe meer vreugd. Het publieke debat moet zo polyfoon mogelijk zijn. Niemand zou daarvan uitgesloten moeten zijn omwille van zijn maatschappelijke rol of professionele functie … De kracht van opinies bestaat niet enkel uit wat er gezegd wordt, maar ook door wie het gezegd wordt. Daardoor is het juist relevant dat bij een opiniestuk staat welke functie, welke maatschappelijke rol de schrijver ervan vervult. Dat laat ons toe om de betekenis van de opinie beter af te wegen. Wanneer een Holocaust-overlevende zich uitspreekt tegen Netanyahu heeft dat een andersoortig gewicht dan wanneer ik dat doe. Wanneer een genocide-expert zich buigt over de vraag of er in Gaza een genocide gebeurt, heeft dat een andersoortig gewicht dan wanneer Boudry dat doet. Wanneer de koning spreekt, hebben die woorden een andersoortig gewicht dan wanneer mijn bakker dat doet. Ja, de rectoren nemen wat van het cachet van hun onderwijsinstellingen over, maar niet zonder reden en niet zonder verdienste. Het is een reden om wat langer bij hun standpunt stil te staan.

      Daarmee verlegt ze de vraag van het deontologische vlak naar dat van de gezagsargumenten, en daarbij gooit ze drie soorten gezagsargumenten op een hoopje. Het gezag van de betrokkene (Holocaust) tegenover de buitenstaander, van de deskundige (‘genocide-expert) tegenover de leek, en van de instelling (koning, rector) tegenover het individu. De Gescinska heeft gelijk als ze zegt dat de drie soorten gezag in een discussie een plaats mogen krijgen, maar zeker in het derde geval stellen zich deontologische problemen. Bij de koning is de deontologie zelfs om begrijpelijke redenen in de wet vastgelegd. Gescinska zou het ook niet prettig vinden als onze koning zich morgen, zonder goedkeurig van de verkozen regering, uitsprak tegen abortus.
     Bij de rectoren van een universiteit is het moeilijk om precies de grens te trekken tussen het deontologisch toelaatbare en het deontologisch ontoelaatbare. Er is een verschil tussen een rector die tussen vele anderen een petitie ondertekent, en de verzamelde rectoren die samen een manifest opstellen. Er is een verschil tussen een manifest over een humanitaire kwestie waar iedereen het over eens is, en dat dus overbodig is, en een over een controversieel onderwerp. Er is een verschil tussen een manifest over de noden in het hoger onderwijs, over een kwestie van sociaal-economische politiek, of over een van buitenlands beleid. En er is het verschil dat Gescinska zelf aanhaalt: dat tussen een vrijblijvend manifest en een officieel decreet waar de leden van de universiteit zich aan moeten onderwerpen.
     Ik wil best aannemen dat er discussie kan bestaan over die verschillen, en over de grenzen die moeten worden getrokken. Alleen: Boudry heeft een argument gegeven voor de grens die hij trekt: professoren en andere leden van de universitaire gemeenschap mogen en moeten aan het maatschappelijk debat deelnemen, vanuit hun expertise en hun moreel gezag (als ze dat maar niet te veel in de collegezaal doen). Maar juist om dat debat ongehinderd te laten verlopen moet de universiteit – en haar gezagsdragers – neutraal blijven. Die neutraliteit maakt dat de leden van de universiteit zich niet geremd moeten voelen om andere meningen te uiten dan die van de gezagdragers. Voor vastbenoemde professoren is dat misschien wat overbodig, maar al heel wat minder voor opinieschrijvende onderzoekers.
     Gescinska is in haar column een pleitbezorgster van het polyfone debat. Ze vindt dat Boudry als ‘horzel in het debat’ niet meer doet dan wat je van een filosoof kan verwachten. Maar als ik mij een kleine whataboutery mag veroorloven: waarom zegt ze dan niets over de brief die vier professoren emeriti van de Universiteit van Gent onlangs aan het Gentse rectoraat richtten waarin ze hun ongerustheid uitdrukten over Boudrys zionistisch getinte meningen? Is het in een klimaat waarin zo’n brief mogelijk is, niet dubbel belangrijk om de neutraliteit van het rectoraat te benadrukken, om duidelijk te maken dat het rectoraat geen keuze maakt voor of tegen het zionisme dan wel voor of tegen het antizionisme? Zodat de leden van de universitaire gemeenschap dat wel kunnen doen? 

* Zie hier.


Weg met Boudry, nu ook in de VS

    Maarten Boudry heeft het ver gebracht. Nu wordt hij ook al op de korrel genomen in de VS. Hij heeft namelijk een bijdrage geschreven voor de bundel de The War on Science*. Het tijdschrift New York Magazine wijdde een negatieve recensie aan het boek en een aparte alinea aan de less familiar skeptic philosopher Maarten Boudry.
     Je zou de toon en de strekking van de recensie kunnen vergelijken met de stukken die bij ons op De Wereld Morgen verschijnen, maar beter geschreven, zij het op zijn Amerikaans. De recensente verwijt de auteurs dat ze “spew out a ton of information, accurate or not, that opponents have no possibility of refuting in the time available.” Dat herken ik. Het is een gevoel dat ik ook vaak heb als ik een boek lees met een mij onwelgevallige strekking.
     Een uitweg is dan om te kijken of de logische redeneringen in het boek enigszins zindelijk zijn. Dat is niet het geval volgens de recensente. Volgens haar staat het boek vol ‘sloppy arguments’. Maar haar voorbeelden overtuigen niet. Zo had Boudry aanstoot genomen aan het antwoord van gewezen Harvard-rector Claudine Gay. Die had bij een commissiehoorzitting in het Amerikaanse parlement moeten antwoorden op de vraag of ‘oproepen tot genocide op Joden’ strijdig waren met het Harvard-reglement tegen ‘bullying en harrassment’. In plaats van gewoon ‘ja’ te zeggen, had ze daarop geantwoord dat dat ‘afhankelijk was van de context.’
      Dat was een heel ongelukkig antwoord. De recensente doet alsof dat niet terzake doet en verlegt slim de aandacht van Gay naar Boudry ‘who does not include a single example of students calling for the extermination of Jews.’ Dat is flauw. De Harvard-rector had op de hypothetische vraag een ander antwoord moeten geven, ook als er geen ‘single example’ van genocidale oproepen aan haar universiteit bestond.
      En óf er geen ‘single example’ bestaat, daar ben ik ook niet zeker van. De recensente schrijft dat Boudry daar geen bewijzen van geeft, en concludeert dat hij aandringt op ‘the unequivocal condemnation of something
 that did not actually happen at Harvard.’ Afwezigheid van bewijs als bewijs van afwezigheid, het is alweer een voorbeeld van sloppy logic. 

* Andere auteurs die aan de bundel bijdroegen zijn Richard Dawkins, Nial Ferguson, Steven Pinker en Alan Sokal. De recensie staat hier.

vrijdag 22 augustus 2025

De 'smeerlapperij' van Diependaele (2)


Lezen en schrijven over Gaza
     
Veel commentatoren manen ons aan om ‘niet weg te kijken van Gaza.’ Die aanbeveling is voor de meesten van ons die een krant lezen of naar tv kijken overbodig. Ik kan zelfs niet wegkijken van de commentaren over Gaza. En ik zit zo in elkaar dat ik over die commentaren blijf piekeren, en dat ik over dat gepieker iets wil schrijven. Ik doe dat met een zekere aarzeling, omdat ik weet dat ik daar op mijn beurt commentaren op zal krijgen, en sommige daarvan zijn vermoeiend. Ze zijn off topic, trekken mijn morele of intellectuele vermogens in twijfel, of getuigen van een verkeerde lezing -  uit haast, domheid of moedwil. Meestal uit haast, geloof ik. Daar valt niets tegen te beginnen. In een uitwisseling van gedachten kan ik alleen zelf proberen zorgvuldig en voorzichtig te zijn. Andere commentaren zetten mij dan wel weer op het spoor van nieuw gepieker.
      Hier volgt enig nieuw gepieker als vervolg op mijn stuk van gisteren. De opmerking over het ‘levend schild’ had ik achteraf reeds als voetnoot toegevoegd.

Kinderen als menselijk schild
     In mijn vorig stuk citeerde ik Diependaele die zei dat Hamas ‘kinderen gebruikt als levend schild.’ Een lezer wees mij erop dat er weinig bewijzen zijn dat Hamas-strijders letterlijk kinderen voor zich uitduwen in een gevecht. Maar ik had Diependaeles woorden metaforisch geïnterpreteerd: dat Hamas-strijders zich verschuilen in appartementsgebouwen van burgers, in schoolgebouwen, ziekenhuizen, enzovoort. Hamas past daarbij de tactiek toe die Mao zijn guerrilla-strijders aanbeviel: zich bewegen onder de massa’s als vissen in het water. Ik zie ook niet welke ándere tactiek Hamas zou kunnen toepassen.
 
    Overigens heb ik Diependaeles woorden over het Israëlische leger dat schiet op kinderen’ evenmin letterlijk geïnterpreteerd als ‘doelgericht schieten op kinderen’. Wel kan ik aannemen dat zowel het letterlijke menselijke schild en het doelgericht schieten op kinderen’ wel eens voorkomt. Dat Hamas of het Israëlisch leger geen oorlogsmisdaden zouden begaan, is onwaarschijnlijk. Maar om die concrete gevallen na te gaan, terwijl de propaganda-oorlog langs twee kanten woedt, daar begin ik niet aan. Ik denk dat het zelfs voor onafhankelijke waarnemers, in het heetst van de strijd en met hoog oplaaiende passies, moeilijk is om de geloofwaardigheid van de getuigenissen te controleren. 

Mijn grootmoeder als levend schild
     Ik moet bij dat alles denken aan een verhaal van mijn grootmoeder. Toen de Duitsers zich in 1944 terugtrokken uit Wevelgem, richting Lauwe geloof ik, waren er partizanen die het terugtrekkende leger onder vuur namen. Mijn grootouders woonden in de Lauwestraat in een huis met een portiek. Een partizaan belde aan en vroeg beleefd of hij zich tussen twee schoten door in die portiek mocht verschuilen. ‘Ik heb dat natuurlijk geweigerd,’ zei mijn grootmoeder. ‘Die man had zo’n belachelijk klein revolvertje. Je had dat moeten zien.’
    Mijn grootmoeder was geen heldin. Ze wilde niet dat haar huis een doelwit zou worden van het Duitse leger. Ze had, om de metafoor wat op te rekken, geen zin om als levend schild op te treden voor de partizaan.

De intentie van Hamas
     Een zwakke alinea in mijn vorige stuk ging over de intenties van de stijdende partijen. Ik schreef: ‘Volgens mij is het niet Israëls intentie dat er zoveel mogelijk slachtoffers vallen en is dat wél de intentie van Hamas. Maar ik kan die intenties niet echt kennen, dus kan ik er beter over zwijgen.’ Men antwoordde mij dat die praeteritio op een sofisme neerkwam en dat ik op mijn best was als als ik zweeg.
     Ik blijf natuurlijk mijn onwetendheid over de intenties staande houden maar zie nu dat er een andere veronderstelling mogelijk is: dat beide partijen zich niet te veel aantrekken van het aantal burgerslachtoffers, zonder dat een maximaal aantal slachtoffers het doel is.     Als ik die veronderstelling toepas op Hamas is die op het eerste gezicht moeilijk te geloven.  Als een groot aantal Palestijnse burgerdoden niet het rechtsstreekse doel van Hamas is – om daarmee een propagandaslag tegen Israël te winnen – wat is dan wel het doel? Toch niet om die oorlog militair te winnen? Ze moeten toch weten dat ze militair niet kunnen winnen?
      Nu ik de vraag stel, ben ik niet meer zeker van het antwoord. In álle oorlogen tegen Israël heeft het Arabische kamp zichzelf militair overschat. Nu luidt het dat de inname van Gaza-stad tot de verplettering van het Israëlisch leger zal leiden. Dat is uiteraard propaganda, maar iedereen weet hoe makkelijk men het slachtoffer wordt van propaganda die men zelf verzonnen heeft. 

Kant kiezen
     Een lezer noemde de houding van Diependaele om ‘geen kant te kiezen’ een ‘drogreden’ getuigend van ‘een zekere lafheid en struisvogelmentaliteit.’ Hij citeerde een mooi vers van Goethe: ‘Aufrichtig zu sein, kann ich versprechen /unparteiïsch zu sein aber nicht!’ En hij voegt er een mopje aan toe: ‘Het is altijd goed om Kant te kiezen... Immanuel Kant!
     Ik heb met die imperatief om een kant te kiezen twee problemen. Ten eerste is die imperatief – om met Kant te spreken – allesbehalve categorisch. Tijdens de reformatie waren er moreel hoogstaande mensen die absoluut de kant wilden kiezen van de Paus of Luther, en je had eveneens moreel hoogstaande mensen die geen kant kozen, zoals Erasmus. Goed, Eramus was wellicht wat laf, maar bij de kant-kiezers waren er dan weer die erg bloeddorstig waren. En als ik vandaag lees over die theologische ruzies van 500 jaar geleden, sta ik dichter bij Erasmus dan bij de kantkiezers. Ik heb dat ook als ik lees over de 30-jarige oorlog. Ik voel mij in mijn verbeelding niet geroepen om mij bij aan te melden bij een van de strijdende partijen.
     Mijn tweede probleem betreft de betekenis van ‘kant kiezen’. Als Diependaele zegt dat hij geen kant wil kiezen tussen Hamas en het Israëlisch leger, maar alleen voor de slachtoffers, dan vind ik dat een respectabel standpunt. Ik begrijp ook dat dat niet genoeg is. Mijn eigen kantkiezen zou ik als volgt samenvatten:

  1. voor de vrijlating van de gijzelaars; 
  2. voor de ontmanteling van Hamas; 
  3. tegen het voortzetten en uitbreiden van de oorlog; 
  4. tegen een ethnische zuivering van Gaza; 
  5. voor een veilig Israël; 
  6. voor een tweestatenoplossing.
      Zo. Dat was gemakkelijk. Nu nog die punten met elkaar verzoenen en een realistische manier verzinnen om ze in de praktijk te brengen. En hopen dat de strijdende partijen naar mij zullen luisteren. 

Welk soort oorlog woedt in Gaza?
     Er bestaan over de oorlog in Gaza grosso modo twee zienswijzen. De Israël-supporters zien een militair conflict tussen twee legers: het IDF en Hamas, met daartussen gevangen de burgerbevolking. De Palestina-supportersploegen zien een oorlog van een leger tegen een volk. Ik ken ongeveer de argumenten van de twee supportersploegen. Ik denk dat er waarheid zit in de twee zienswijzen. Wat mij betreft, als de oorlog slechts 10 procent te verklaren valt als een militair conflict – wat ik niet geloof – dan sta ik voor die 10 procent aan de kant van Israël.

 

donderdag 21 augustus 2025

De 'smeerlapperij' van Diependaele


      Ik begrijp alweer de verontwaardiging niet, dit keer over de uitspraak van minister-president Diependaele. De verontwaardiging die ik overal aantref, is zo groot dat ik af en toe de oorspronkelijke uitspraak moet herlezen om te zien of ik de eerste keer wel juist gelezen heb. Dit is wat hij zei:

Hoe leg je uit wie de grootste smeerlap is? Aan de ene kant staat een innovatief, modern land dat zich op westerse normen zou moeten baseren, maar disproportioneel geweld gebruikt en zonder enig mededogen mensenrechtenschendingen pleegt. Aan de andere kant zie je een terreurorganisatie die er haar hand niet voor omdraait om zich te verschuilen achter een levend schild*. Wie is nu de grootste smeerlap? Diegene die schiet op kinderen? Of diegene die ze gebruikt als levend schild? Ik weet het niet. Ik kies voor de onschuldige slachtoffers.

     Hoe vaak ik de zinnen ook herlees, ik zie de fout niet. Maar CD&V-voorzitter Sammy Mahdi vindt de uitspraak ‘beschamend’. Waarom? Mij lijkt het dat alleen fanatieke supporters voor Hamas of van Netanyahu erg boos moeten worden als hun vriendjes worden uitgescholden voor ‘smeerlappen.’ 
     Zelf vind ik de scheldwoorden terecht, zeker als ik de uitleg lees die Diependaele eraan toevoegt. Een vriend van Israël zoals ik moet kunnen erkennen: ja, dat disproportioneel geweld, dat is waar, en de Israëli
s hadden dat op voorhand kunnen weten. Een vriend van de Palestijnen moet kunnen erkennen: ja, die Hamas-strategie, die zorgt voor een maximaal aantal slachtoffers en ook dat wisten die mannen op voorhand. 
     Toegegeven, ik zie ook een nuance die Diependaele niet geeft: volgens mij is het niet Israëls intentie dat er zoveel mogelijk slachtoffers vallen en is dat wél de intentie van Hamas. Maar ik kan die intenties niet echt kennen en zeker niet bewijzen, dus kan ik er beter over zwijgen. Bovendien maken die intenties voor de slachtoffers weinig verschil.
     Waarom is Diependaeles uitspraak dan voor sommige politici en commentatoren ‘beschamend’ of ‘afschuwelijk’, ook al zijn die politici en commentatoren geen fanatieke supporters van Hamas of Netanyahu? Ik zie enkele redenen. Het woord ‘smeerlap’ is een woord dat je van een minister-president niet verwacht. Dan zijn er in de klas altijd kinderen die roepen ‘meester, meester, hij heeft smeerlap gezegd!’ Misschien hebben ze wel begrepen ‘dat alle Joden smeerlappen zijn’ of ‘alle Palestijnen smeerlappen zijn.’ Tegen verkeerde interpretaties uit domheid of moedwil is geen kruid gewassen.
     Er is ook een politieke en redelijke verklaring. Diependaele deed zijn uitspraak terwijl hij weigerde om de regering vervroegd samen te roepen zodat een Palestina-verklaring of Israël-boycot had kunnen worden afgesproken. Wie een hevig voorstander is van zo’n verklaring of boycot is, en bovendien vindt dat die er bij hoogdringendheid moeten komen – anders loopt het in Gaza helemaal fout – die zal zich storen aan de weigering van Diependaele. Maar dat verandert niets aan de uitspraak zelf die niets ‘beschamends’ of ‘afschuwelijks’ bevat, noch iets waarvan men zich moet ‘distantiëren.’
     Een derde verklaring ligt in de bevooroordeelde blik van de pro-Palestijnse sympathisanten. Je ziet die bijvoorbeeld in het commentaar van Mooijman in De Standaard (21/8):

Een moreel oordeel reduceren tot de vraag ‘wie de grootste smeerlap is’ miskent zoveel aspecten van de situatie dat het pijnlijk wordt. Een vernietigingsoorlog, zeker als die het mogelijke karakter van een volkerenmoord heeft, is niet weg te relativeren door een afweging te suggereren met andere gruwelijkheden.

     Waar is in godsnaam de ‘relativering’ als Israël beschuldigd wordt van ‘het schieten op kinderen?’ En heeft Diependaele het over ‘ándere gruwelijkheden’ als hij zegt dat Hamas kinderen ‘als levend schild’ gebruikt? Mooijman gaat zover om te schrijven dat ‘je zou kunnen denken dat Diependaele zijn partij als pro-Israëlisch wil profileren.’ Terwijl de helft van Vlaams Belang op Facebook te keer gaat tegen N-VA dat ‘Israël verraden heeft.’ Of vindt Mooijman dat het loutere aanhalen van de smeerlapperijen van Hamas een pro-Israëlisch standpunt is? Daarmee miskent hij toch, om het in zijn woorden te zeggen, veel aspecten van de situatie.
     Ik zie nog een vierde verklaring voor de ergernis bij pro-Palestijnse sympathisanten. Diependaeles verklaring voldoet niet aan hun beeld van N-VA**. Het probleem is niet dat Diependaele zijn partij als pro-Israëlisch geprofileert. Het is het omgekeerde. De scherpe veroordeling van Israëls oorlog – én van Hamas – vertroebelt het beeld. 
     Als men N-VA wil afschilderen als een ‘pro-Israël-partij’ moet men teruggaan naar 7 oktober 2023, toen De Wever, helemaal terecht, zijn solidariteit uitsprak met de ‘kant van het licht’. Of men grijpt terug naar een sarcastische oneliner die hij op een debat met Maarten Boudry bovenhaalde: ‘Als ik echt zeg wat ik over Israël denk, kan ik morgen mijn ontslag aanbieden.’ Een goede verstaander zag daar een sneer in naar het eenzijdige Gaza-beeld dat in pers en politiek domineert. En voor de slechte verstaander voegde De Wever eraan toe: ‘Ik denk over Israël trouwens verrassend genuanceerd.’
     En nuances, dat is bekend, kunnen zorgen voor veel ergernis.

Vietnam

     Door de Gaza-oorlog moet ik dezer dagen vaak terugdenken aan de commotie rond de Vietnam-oorlog in de jaren 60-70. Ons land heeft toen de kans gemist om die oorlog te beëindigen. Sammy Mahdi zal er geloof ik nu op toezien dat we die fout geen tweede keer maken. 


* Een FB-vriend wees mij erop dat er weinig bewijzen zijn dat Hamas-strijders kinderen voor zich uitduwen in een gevecht als menselijk schild. Ik had Diependaeles woorden metaforisch geïnterpreteerd: dat Hamas-strijders zich verschuilen in appartementsgebouwen van burgers, in schoolgebouwen, ziekenhuizen, enzovoort. Hamas past daarbij de tactiek aan die Mao zijn guerrilla-strijders opdroeg: zich bewegen onder de massa's als vissen in het water. Ik zie ook niet welke ándere tactiek Hamas zou kunnen toepassen. Zo heb ik ook de Diependaeles woorden over het Israëlische leger dat schiet op kinderen’ niet geïnterpreteerd als ‘doelgericht schieten op kinderen’. Wel kan ik aannemen dat zowel het letterlijke menselijke schild en het doelgericht schieten op kinderen’ wel eens voorkomt. Dat Hamas of het Israëlisch leger geen oorlogsmisdaden zouden begaan, is onwaarschijnlijk. Maar om die concrete gevallen na te gaan, terwijl de propaganda-oorlog langs twee kanten woedt, daar begin ik niet aan. Ik denk dat het zelfs voor onafhankelijke bronnen, in het heetst van de strijd en met hoog oplaaiende passies, moeilijk is om de geloofwaardigheid van de getuigenissen te controleren. 

** Voor de extremistische pro-Palestijnen is de N-VA een Netanyahu-partij. Gematigde pro-Palestijnse commentatoren zien een partij die verscheurd is tussen een fractie die Israëls oorlog steunt en een oppositie die tegen die oorlog is. Terwijl ik Bart De Wever al na enkele maanden oorlog op tv hoorde zeggen: Door Gaza binnen te vallen, maakt Israël een grote fout. Ze trappen in de val van Hamas. Als vriend van Israël mag ik dat zeggen.


Trump - dictatuur - Democraten


   
 Frans Verhagen is een van de vaste leveranciers van anti-Trump opinies voor De Standaard. Laatst leverde hij twee stukken die elkaar in zekere zin tegenspreken. Het ene verscheen op 13 augustus en het andere op 20 augustus. 
    Neem zijn stuk van 20 augustus. De kop heeft de inhoud van het stuk goed weer: De Verenigde Staten zijn een politiestaat geworden. Dat is een veralgemening van een hele reeks maatregelen die in het stuk zelf worden opgesomd: inroepen van de noodtoestand, misbruik van wetgeving, gratie voor Capitoolbestormers, inzetten van National Guards, FBI-agenten en Customs Enforcement, negeren en aanvechten van gerechtelijke bevelen, vernietigen van de wereldhandel, chanteren van advocatenkantoren, universiteiten en bedrijven, voorstellen om het stemrecht voor vrouwen af te nemen, zuiveren van bibliotheken, vervangen van hoge ambtenaren, het hertekenen van musea, de ontmanteling van het onderwijs, enzovoort. Al deze punten zijn op zich ook veralgemeningen en op die grondslag wordt de president herhaaldelijk een dictator genoemd en de VS een dictatoriale politiestaat.’ Die laatste uitspraken zijn dus een veralgemening in het kwadraat.
     Ik heb niets tegen veralgemeningen. Ik eis niet dat Verhagen elk van zijn veralgemeningen uitgebreid motiveert en nuanceert. Daarvoor zou hij telkens een boek nodig hebben. Ik heb ook begrip voor wat overdrijving in een column, maar dan neem ik voor mijzelf ook de vrijheid om uitdrukkingen als ontmanteling van het onderwijs’ en ‘zodra er ergens protest opduikt zal daar de volgende noodtoestand worden afgekondigd’ met een korrel zout te nemen. En dat geldt ook voor het eindoordeel ‘dictatuur.’ Ik zou dat woord niet gebruiken voor een land waarin de pers dagelijks tientallen artikels publiceert die ongeveer hetzelfde beweren als Verhaegen.
    Het eindoordeel ‘dictatuur’ is ook enigszins in tegenspraak - zoals ik al zei - met een eerder stuk van van Verhaegen van 13 augustus. Daarin schat hij de kansen hoog dat de Democraten de volgende verkiezingen winnen, waarmee een einde zou komen aan het Trump-tijdperk. Terwijl het eigene van een dictatuur nu juist is dat je een regering niét naar huis kunt sturen middels een verkiezingsoverwinning.
     In dat stuk van 13 augustus geeft Verhaegen overigens heel wat wijze raad aan de Democraten. Ik citeer enkele losse zinnen. 

 De relatieve stilte van de Democraten is verstandig … Laat Trump maar Trump zijn …Sommige dingen zullen succesvol zijn, sommige niet* ... Laat mensen zelf vaststellen of en dat Trump 2.0 niet deugt … Profiteer ondertussen van Trumps sloopwerk … Positieve discriminatie kon wat realiteitszin gebruiken … We kunnen wel wat bureaus en ambtenaren missen … Politieke correctheid wás doorgeschoten … Wat minder regulering kan geen kwaad … Er zijn te veel futiele milieu- en omgevingsregels … Leer je mond houden over abortus. De kiezer weet al hoe de Democraten daarover denken. Laat het maar aan Republikeinen over om tegen abortus te zijn … Kiezers willen een beperkte toestroom aan de grenzen … Laat je geen cultuuroorlog opdringen.

     Wijze woorden allemaal. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat Verhagen er wat laat mee is. Je las dat soort adviezen al de de dag na Trumps verkiezingsoverwinning. Maar dat de Democraten ‘zich niet moeten laten afleiden door de puissant rijken’, zal voor veel Europeanen vreemd overkomen. Nochtans heeft Verhagen volgens mij gelijk. De slagzin tegen de one percent is misschien in de VS ontstaan, er hangt een on-Amerikaans intellectueel-elitair reukje rond. Zou de Amerikaanse blue collar zich, denk ik dan, niet meer op zijn gemak bij een plebejische miljonair, dan bij een tweeddragende professor die de sociale gelijkheid predikt?
     En als ik nog één raadgeving mag toevoegen aan het adres van de Democratische strategen, bovenop de raadgevingen die Verhagen al gaf: noem de Verenigde Staten liever geen 
dictatuur’. Verhagen mag dat gerust schrijven in De Standaard. De meeste lezers zullen instemmend knikken. Maar ik vermoed dat de doorsnee Amerikaan daar anders op zal reageren. Ik ken de VS niet goed genoeg om alles precies een plaats te geven, maar iedere keer dat ik, hier in Europa, lees dat de Europese Unie een dictatuur is, en Ursula von der Leyen een dictator, dan groeit mijn sympathie voor de Unie en voor Ursula. Terwijl er nochtans veel op aan te merken is. 

dinsdag 19 augustus 2025

Miranda - de productiviteit - de klant


 
      Vakbondsvrouw Miranda Ulens pleit voor meer vakbondsmacht gezien de opmars van Artificiële Intelligentie (DS 13/8). Ze citeert een Deense studie. 

Onderzoekers volgden 25.000 werknemers en 7.000 werkplekken in elf beroepen. Bedrijven introduceerden LLM’s en interne AI-modellen, gaven trainingen en moedigden gebruik aan. Het effect? Geen verandering in loon of werktijd. De productiviteitswinst van gemiddeld 3 procent kwam nauwelijks bij de werknemers terecht.

     Die klacht hoor je vaak. De productiviteitswinst komt niet bij de werknemers terecht. De suggestie is dat alles dan ‘in de zakken van de patroons’ terechtkomt. Maar daarbij wordt de belangrijkste begunstigde van productiviteitswinst over het hoofd gezien: de klant. Er moeten in de sector van de electronica de laatste decennia fabelachtige productiviteitswinsten gemaakt zijn. Het is vooral de klant die daarvan profiteert: betere en goedkopere TV’s, computers en mobieltjes. En aangezien werknemers ook klanten zijn, komt die productiviteitswinst uiteindelijk toch bij hen terecht.
     Dat is overigens geen argument tegen vakbondsmacht. Van mij mág een een deel van de productiviteitswinst rechtstreeks naar de werknemers gaan in de vorm van wat Ulens vraagt: ‘een toename van meer werkbaar werk.’ Waarom niet? Bedrijven zullen daar wellicht voor openstaan. Als ze hun werknemers op eigen kosten getraind hebben in het gebruik van AI, dan hebben ze er alle belang bij om hen daarna met ‘werkbaar werk’ aan het bedrijf te binden, liever dan ze naar een ander bedrijf te zien vertrekken waar ze hun AI-kennis te gelde kunnen maken.
     Ik moet denken aan de discussies die we als jonge marxistjes voerden over de Amerikaanse autofabrikant Ford. Wij hadden geleerd dat loonsverhogingen nooit een ‘cadeau van de patroon’ waren, maar de vrucht van stakingen en klassenstrijd. En dan hoorden we dat Ford, een halve fascist nota bene,  in 1914 de lonen van zijn arbeiders op eigen initiatief zomaar verdubbelde. Hij had de productiewinst – invoering van de lopende band – vrijwillig met zijn arbeiders gedeeld. Hoe moesten we dat nu verklaren?
     Uiteindelijk vonden we wel enkele aanvaardbare verklaringen. Maar we beseften nog altijd niet dat we eigenlijk de verkeerde vraag hadden gesteld. Het ging niet in de eerste plaats om de ‘patroon’ of om de ‘arbeiders’ maar om de klant. De belangrijkste evolutie was niet dat de lonen in 1914 stegen van 2,34 naar 5 dollar per dag. De belangrijkste evolutie was dat prijs van de auto tussen 1908 en 1920 daalde van 850 dollar naar 280 dollar. Vooral daardoor kon de arbeider zich een auto aanschaffen voor anderhalf maandloon. 

‘De Pride’ en de ‘ruimdenkendheid’

     Een aantal persoonlijkheden – waaronder Bert Engelaar, Tom Lanoye, Johan Depoortere, Peter Adriaensen en mijn FB-vriend Hans Claus – hebben een manifest ondertekend over de Pride (DS 5/8). Ze vinden het geen leuke gedachte dat centrumrechtse politici aan de Pride zullen deelnemen, terwijl die mensen toch, dat is bekend, een andere mening dan de hunne hebben over Israël-Palestina en terwijl ze ook anders denken over ‘het grootkapitaal van bedrijven die bang zijn voor hun winstmarge.’
      Ik verbaasde mij vooral over de volgende zin: ‘Die politici afficheren zichzelf graag als toffe peren, terwijl deze Pride niets te maken heeft met ruimdenkendheid maar met menselijkheid.’ Niets te maken met ruimdenkendheid? Ik geef graag toe dat ‘menselijkheid’ en ‘ruimdenkendheid’ niet hetzelfde zijn. Je kunt menselijk zijn en niet erg ruimdenkend. En je kunt ook ruimdenkend zijn, en niet erg menselijk.
     Maar toch blijven het voor mij allebei mooie dingen. Had men mij tot voor kort gevraagd om het woord ruimdenkend op een dusdanige manier in een zin te gebruiken dat het een ongunstige bijklank krijgt, dan zou ik niets hebben kunnen bedenken. Nu wel. Wat denkt u wel meneer, onze - vul in: beweging, bedrijf, partij, club, familie - heeft niets met ruimdenkendheid te maken.’ 

Over Lea Ypi's marxisme (longread)



Het communisme in Albanië: roze of rood

      Het autobiografische boekje Vrij van de Lea Ypi* heeft een prachtige openingszin.  ‘Ik heb me nooit afgevraagd wat vrijheid eigenlijk inhield, tot de dag dat ik Stalin omhelsde.’ Nou vraag ik je.  ’t Is kort, ’t is krachtig en ’t is een leugen, want de lezer begrijpt dat dat omhelzen van Stalin niet echt was, al was het maar omdat vadertje al een hele poos dood was toen Ypi werd geboren.
     Lea Ypi heeft een gelukkige kindertijd gehad in het communistische Albanië van de jaren 80. Ze groeit op in een leuk intellectueel gezinnetje: een brave vader, een kordate moeder en een pittige grootmoeder, die veel talen kende. De kleine Lea gaat graag naar school en luistert aandachtig naar de communistische propaganda van juf Nora. De imperialisten beweren, zegt juf Nora, dat Stalin klein van stuk was, maar dat was een leugen. Bovendien ‘was het een typische imperialistische fout om je aandacht te richten op uiterlijkheden in plaats van op wat werkelijk van belang was. Stalin was een reus, en zijn daden waren veel belangrijker dan zijn lichaamsbouw.’ Ook wordt in de klas de vraag behandeld of Stalin evenveel van kinderen hield als Lenin. ‘Ongeveer evenveel,’ weet de juf, want de juf weet veel. Alleen raakt zij niet goed wijs uit de filosofen Hegel en Engels, die ze dan maar herdoopt tot ‘Hangel’, de ene keer een leermeester, de ander keer een leerling van Marx. De kleine Lea neemt het allemaal gretig in zich op. Ze is het soort leerling dat zich goed voelt in de artificiële wereld van klas en school. Ik denk dat ze graag gezien was door juf Nora; zelf had ik zulke leerlingen ook graag.
     Albanië moet het armste land van Europa zijn geweest – dat is het wellicht nog –, maar de kleine Lea merkt daar niets van. Iedereen bezit even weinig, niemand komt om van de honger en iedereen heeft een dak boven zijn hoofd. Je moet in de rij staan om eten te kopen, en de porties zijn klein, maar Lea heeft dat nooit anders geweten. Het maakt deel uit van het leven; het is iets waar je je geen vragen bij stelt. Soms ziet Lea vreemde wezens, toeristen, die een vreemde geur verspreiden*, en het gebeurt dat die toeristen een leeg colablikje achterlaten. Zo’n mooie rode cilinder wordt dan meegenomen naar huis en als ornament op de televisie geplaatst. Ja ze hebben zelfs televisie – maar als ze iets leuks willen zien, zoals een voetbalmatch, het Eurosongfestival of ‘reclama’, dan moeten ze uitwijken naar zendstations van andere planeten zoals Italië en Joegoslavië.
     Albanië was indertijd ook het meest onvrije land van Europa, maar zelfs dat wordt door een kind niet opgemerkt. Lea moet haar ouders en haar juf gehoorzamen, zoals alle kinderen waar ook ter wereld. Als ze wil spelen met vriendjes of vriendinnetjes moeten ze sámen afspreken wát ze gaan doen. Zelf zingt ze het liefste liedjes zoals op de televisie; haar vroegrijp vriendinnetje speelt liever ‘bruidjes en baby’s’, en de bullebak van de buurt wil altijd ‘fascisten en partizanen’ spelen. Maar als ze van school naar huis wil, kan ze helemaal zelf beslissen welke weg ze neemt: links, rechts of rechtdoor. Als ze zonnebloempitten wil kopen, kan ze kiezen tussen gezouten en ongezouten, geroosterd of ongeroosterd.
     Ypi gebruikt met succes de oude truc om de Grote Mensen-wereld te beschrijven door de ogen van een kind. Zo is ze jaloers op haar vriendinnetjes in wier huis een portret van partijleider Enver Hoxha aan e muur hangt. Ze wil dat haar ouders ook zo’n portret aan de muur hangen, maar die stellen dat altijd maar uit omdat ze geen geschikte fotolijst vinden. De kleine Lea vindt dat een uitvlucht en roept boos: ‘Jullie houden niet van oom Enver.’ Er verschijnt paniek in de ogen van de ouders. De grootmoeder neemt het kind apart en vraagt dringend dat het nooit meer zoiets zal zeggen, niet binnen het gezin, en zeker niet buiten het gezin. De volwassen lezer begrijpt dat een gebrek aan warme gevoelens voor oom Enver nare gevolgen kan hebben. 
    Soms ook tast die volwassen lezer evenzeer in het duister als de kleine Lea zelf. De ouders hebben bijvoorbeeld een overdreven belangstelling voor alles wat met universiteiten te maken heeft. Ze hebben het er voortdurend over. Sommigen van hun kennissen doen heel erg lang over hun studies, tot twintig jaar. Sommigen studeren af, maar er zijn er ook die opgeven, of zakken voor het examen. Dat laatste komt door docenten die overdreven streng zijn. De kleine Lea begrijpt het allemaal niet zo goed, en de volwassen lezer zet in potlood een vraagteken in de marge, erop hopend dat het mysterie in een volgend hoofdstuk wordt uitgeklaard.
     Zelf begon mijn kijk op Albanië door het lezen van die kindertijdmemoires zoetjesaan roze te kleuren. Misschien was het allemaal niet zo erg als ik had gedacht. Akkoord, de mensen hadden niet de vrijheid om op oom Enver te schelden, maar het volstond dat je dat achterwege liet om veilig te zijn. Mensen bleven altijd en overal mensen, en er was nog leven buiten de politiek. Er stond misschien op elk plein een standbeeld van Stalin, maar een standbeeld stuurt geen mensen naar de Goelag. Albanië begon voor mij te lijken op een poppenhuisversie van het stalinisme.
     Ik dacht terug aan mijn laatste jaar in het middelbaar. Onze school stuurde ons toen op bezinningsweek. Je mocht geloof ik kiezen tussen een aantal plaatsen. Ik koos ervoor om een week in een klooster door te brengen. Je moest een paar gebedsdiensten per dag bijwonen, en enkele gemeenschappelijke maaltijden, en verder bleef je in je cel, om je over te geven aan vrome bezinning. Nu, vroom was ik wel, zij het niet in de betekenis die de paters aan het woord gaven. Ik had het boek Histoire du Parti du Travail d’Albanie meegenomen, 738 pagina’s dundruk. Het moet ongeveer het saaiste boek zijn dat ik ooit heb gelezen. Ik deed er een week over; toen ik naar huis ging was het uit.
    In deel drie van het boek werden vele bladzijden gewijd aan het ideologisch conflict tussen Enver Hoxha en Chroestsjov, en in één zinnetje werd vermeld dat een zekere Liri Belishova het bestaan had om het in deze kwestie niet niet eens te zijn met oom Enver. Nu stond het er niet bij, maar ik ging er vanuit dat onze vriendin Liri naar aanleiding van dat meningsverschil was gearresteerd en geëxecuteerd. Vele, vele jaren later, het moet na 1991 geweest zijn, zag ik op televisie een reportage over Albanië, en wie werd daar opgevoerd: een kranig oud vrouwtje, helemaal in het zwart gekleed, dat niemand minder dan Liri Belishova bleek te zijn. Ze was helemáál niet geëxecuteerd, ze had gewoon dertig jaar in de gevangenis gezeten. Misschien, dacht ik nu, was er in Albanië wel niemand geëxecuteerd. 
     In een van de latere hoofdstukken van Vrij, vertelt Lea Ypi hoe het communisme in Albanië in elkaar gestuikt is. Ook leggen haar ouders in dat hoofdstuk eindelijk uit hoe dat zat met die universiteiten. Dat was codetaal voor gevangeniskampen. Iemand die na twintig jaar afstudeerde was iemand die na twintig jaar werd vrijgelaten. Een strenge docent was een wrede kampbeul. Wie zijn studies opgaf, had zelfmoord gepleegd. Iemand die zakte voor een examen, was geëxecuteerd. 
     Dus toch.

Voor de strenge maar rechtvaardige recensie van Herman Jacobs, zie hier.
** De geur van zonnebrandolie.


Hoe Ypi trouw blijft aan het marxisme

     Door het lezen over haar jonge jaren in Albanië heb ik veel sympathie opgevat voor het hoofdpersonage, ook als het kind een lastige adolescent wordt, wat ongeveer samenvalt met de ineenstorting van het communisme. Wat er in de plaats van dat communisme komt, staat haar niet aan. Vroeger hielden de mensen zich niet met geld bezig. Er was amper iets om te kopen. Maar na de bevrijding is iedereen bezeten van de gedachte om meer geld te vergaren. Dat vindt ze vreselijk. Ook maakt de solidaire eenheid van vroeger plaats voor verdeeldheid. Haar moeder omarmt enthousiast het neoliberalisme, haar vader wordt een twijfelaar, ‘links op gebied van rechtvaardigheid en rechts op gebied van vrijheid’; anderen blijven het socialistische ideaal toegedaan; zelf gaat ze, vanwege de moslimafkomst van haar familie en omdat haar vriendinnen het ook doen, een hoofddoek dragen. Dat laatste duurt niet lang, want de grootmoeder, een Jacobijnse van de oude stempel, grijpt in. ’t Is allemaal erg verwarrend, en dat op een leeftijd dat álles verwarrend is.
     Men noemt de adolescentie wel eens l’âge ingrat. Bij Ypi is die ondankbaarheid letterlijk. Albanië wordt overspoeld met Westerse hulp, tot grote ergernis van Ypi. Bij het Rode Kruis kon je een gratis pak rijst krijgen. Dat ontlokt een zure commentaar: ‘Die verschilde van de rijst die we vroeger van onze buren leenden: ten eerste was het meer, ten tweede kwam het uit het Westen en ten derde stond er een ‘houdbaar-tot-datum’ op, die je informeerde wanneer je de rijst moest opeten, gewoonlijk de week ervoor.’ Die laatste opmerking staat mij tegen, want ondankbaarheid verdraag ik niet goed. En rijst of andere droge voeding waarvan de houdbaarheid een week overschreden is, is even goed en smakelijk als andere rijst, zeker als je die opdient met gepelde tomaten, rode paprika, rijst en champignons. Maar Ypi, begrijp ik, voelt zich vernederd door die overschreden datum.  
     Dat gevoel van vernedering heeft ze ook als een buitenlandse expert zijn intrek neemt in de straat. Hij wil de Albanezen komen uitleggen hoe zij een financieel systeem moeten opzetten zoals dat in Europa gebruikelijk is. Die durft nogal, schijnt Lea Ypi te denken.  Was ons land niet tot voor kort een ‘lichtbaken voor Europa’? Die expert is ongeveer het enige personage dat ze genadeloos en satirisch beschrijft, terwijl wat de brave man kwam vertellen waarschijnlijk veel gezonder was dan de Ponzi-schema’s waar de Albanezen zichzelf in hebben gestort.
     In het laatste hoofdstuk kondigt Ypi aan dat ze filosofie wil gaan studeren. Ze wil in het reine komen met het marxisme. ‘Ik weet niets over het marxisme,’ zegt ze tegen haar vader. ‘Ik zie wel dat het jullie levens heeft verwoest. Maar …’ ‘Het zou jouw leven ook verwoest hebben als je een paar jaar eerder was geboren,’ antwoordt haar vader. En ook: ‘Je praat nu al als een marxist,’ zei hij. ‘Die denken altijd te weten wat de juiste richting is.’
    Dat was overdreven, want Ypi moest nog een en ander uitklaren. Ze vertrekt naar Italië om te studeren en komt daar in gauchistische milieus terecht waar men zich in dezelfde marxistische theorie verdiept als die die zij als kind in kinderlijke vorm heeft meegekregen. In Albanië had die theorie tot veel miserie geleid, weet Ypi. Was die miserie onvermijdelijk? Kon ze als filosofe geen eigen versie van het marxisme verzinnen, een en ander moderniseren, de slechte stukken eruit snijden, aangekoekt vuil verwijderen, terugkeren naar de bron? Een beetje zoals een progressieve moslim probeert te doen met zijn islam?
     Vandaag doceert Lea Ypi aan de London School of Economics en schrijft ze geleerde artikels waarin ze uitlegt dat de goeie ouwe dictatuur van het proletariaat waar oom Enver over sprak nog altijd de enige manier is om tot een rechtvaardige maatschappij te komen**. ‘De cirkel is rond,’ schrijft ze in het nawoord van haar boek. 

Moet er nog dictatuur van het proletariaat zijn?


      Naast charmante mémoires heeft Lea Ypi* ook taaiere publicaties op haar naam, die in geleerde filosofische tijdschriften verschijnen. Een ervan draagt als titel: ‘Democratic Dictatorship: Political Legitimacy in Marxist Perspective.’ Het is geen artikel dat een schokgolf zal veroorzaken in de wereld van de politieke filosofie. Daarvoor is het, geloof ik, niet origineel genoeg. Het meeste van wat erin staat, was mij als twintigjarige marxist-leninist al min of meer bekend. Ook past het niet in een van de huidige mode-stromingen. Het is al zeker niet ‘woke’. Op één plaats verdedigt Ypi het concept van de proletarische dictatuur door die in een gedachte-experiment te vergelijken met een ‘welwillend kolonialisme’. ’t Is moedig hoor, maar ook een beetje wereldvreemd; het zal haar niet veel credits opleveren, vrees ik.
     Vergeleken met de marxistische geschriften die ik vijf decennia geleden las, is Ypi’s essay een wonder van beschaving. Ze citeert afwijkende meningen zonder de vertolkers ervan uit te schelden. Ze citeert Marx zonder uit dat citaat een gezagsargument te puren. En ze probeert niet eindeloos zichzelf en anderen te herhalen. Verder schrijft ze zoals men nu eenmaal schrijft in een geleerd filosofisch tijdschrift. Ze bakent haar onderwerp af, analyseert begrippen, citeert en becommentarieert klassieke auteurs, toont zich min of meer op de hoogte van de recente vakliteratuur, en als het nodig is introduceert ze nuances die zo subtiel zijn dat ik ze onmiddellijk nadat ik ze gelezen heb weer vergeet.
     In haar inleiding schrijft Ypi: ‘Those who disagree with the core of Marx’s theory … or who maintain that there is in fact no superior (or more just) alternative to capitalist relations, will find very little of interest in the following pages.’ Die voorspelling gaat zeker op voor mijzelf. Ik vind kapitalistische relaties – ‘capitalist acts between consenting adults**’ –  inderdaad superieur en rechtvaardiger dan die van een staatseconomie. De vraag ‘how to conceptualise the transition’ van een beter naar en minder goed systeem, waar Ypi’s stuk over gaat, boeit mij op zich inderdaad niet zo erg. Liever discussieer ik over de redenen om het ene systeem beter te vinden dan het andere. Maar ’t is Ypi haar tekst, en ik gun haar de vrijheid om zelf haar onderwerp te kiezen.
     Ik schrijf dat laatste met enige ironie want precies over de vrijheid om te kiezen, of ten minste over het principe ervan, verschillen Ypi en ik erg van mening. Zij maakt ‘in de radicale traditie van Macchiavelli, Rousseau, Kant en Hegel’ een verschil tussen ‘ogenschijnlijke vrijheid’ en ‘authentieke vrijheid’. Ik ben dan altijd bang dat men in naam van de ‘authentieke vrijheid’ de ‘ogenschijnlijke vrijheid’ wil beperken of afschaffen. Vrijheid is volgens Ypi ‘ogenschijnlijk’ als ze zich beperkt tot vrijheid van keuze, terwijl ik die vrijheid van keuze al heel wat vind. Van ‘authentieke vrijheid’ is volgens Ypi alleen sprake als beslissingen worden genomen door mensen die ‘vrij zijn van vrees, behoefte, vooroordeel, partijdigheid en manipulatie.’ Op díe vrijheid zouden we wel eens lang kunnen wachten. Tenzij er natuurlijk een hogere instantie is die bepaalt wanneer men partijdig is en wanneer niet, waaraan men behoefte mag hebben en waaraan niet, waarvoor men vrees mag koesteren en waarvoor niet, welke meningen vooroordelen zijn en welke niet, welke praktijken manipulatie inhouden en welke niet. 
     In elk geval, wie op school of ergens anders enige leesvaardigheid heeft ontwikkeld, voelt al waar Ypi naar toe wil: de dictatuur van het proletariaat is een manier om de ‘authentieke vrijheid’ te verwezenlijken, misschien niet helemaal, maar toch in grote mate. ’t Is in elk geval een stap in de goede richting naar die vrijheid.
     Ypi’s betoog rust op twee grondgedachten: de dictatuur van het proletariaat is nodig, en de dictatuur van het proletariaat is niet zo erg als het woord laat vermoeden. Om dat ‘nodig’ te begrijpen moeten we ons eerst, zij het tijdelijk, laten doordringen van de gedachte dat een ondernemerseconomie berust op uitbuiting***. Dan krijg je in de maatschappij drie groepen die het klassieke marxisme de kapitalisten (de uitbuiters), het proletariaat (de uitgebuiten) en de kleinburgerij (noch uitbuiters, noch uitgebuiten) noemt. Ypi beseft de noodzaak om haar terminologie wat te moderniseren – zo wereldvreemd is ze nu ook weer niet – en ze spreekt van winners, losers en bystanders. Als nu haar wens uitkomt en het smerige laken van de uitbuitersmaatschappij komt in een revolutionaire wasmachine en komt er als stralend-wit weer uit (ossenbloedrood eigenlijk, maar je begrijpt wat ik bedoel) dan rest er op dat laken nog een vuile vlek van vroegere winners, lui die hun voordelen zijn kwijtgeraakt, die zich dus ‘onderdrukt’ voelen, en die het eigenlijk, vanuit hun standpunt, ook zijn. Díe onderdrukking, dat is ‘de dictatuur van het proletariaat’. 
    Is het maar dat, vraagt de lezer zich af, wat afgeschafte privileges? Nee, niet helemaal. De oude, onrechtvaardige maatschappij heeft ook een ‘epistemische onrechtvaardigheid’ veroorzaakt. Dat is een geleerd neologisme ter vervanging van oude boerse termen zoals ‘vals klassenbewustzijn’ enzovoort. Het komt hierop neer dat er naast de minuscule groep van ex-winners die écht iets verloren hebben in de nieuwe orde, nog andere mensen zijn die dénken dat ze iets verloren hebben. Dat moeten dan vooral bystanders zijn****. Ook zij willen de oude orde terug, maar dat gaat niet.  En ook die mensen voelen zich dus onderdrukt, zoals een klein kind dat zijn zin niet krijgt zich eveneens onderdrukt voelt. En wat moet er met die groep gebeuren? Dat is het mooie: niets eigenlijk.
     Hier begint de tweede grondgedachte van Ypi: de dictatuur van het proletariaat is zo erg niet als de term laat vermoeden. Die ‘dictatuur’ moet niet letterlijk worden opgevat. Ze kan immers verwezenlijkt worden met behoud van de oude democratische en politieke vrijheden. Ypi hoopt op een scenario waarin ‘the revolutionary political order … exercises that power without suppressing existing freedoms (e.g. the freedom to vote, to associate or to express one’s opinions) as Marx and Engels emphasized*****.’ Dat is mooi. Helaas werkt Ypi die gedachte niet uit. Ik doe het dan maar zelf.
     Als ik het goed begrepen heb, is er onder Ypi’s proletarische dictatuur volledige politieke vrijheid. De oude elite van winners mag zich dus met een groepje bystanders verenigen in een neoliberale partij en haar boodschap verkondigen. Daarmee brengt ze de nieuwe orde niet in gevaar. Ze zal immers geen aanhang vinden bij de ‘vast majority’ van vroegere losers die tijdens hun politieke strijd ‘epistemic insight’ hebben verworven – hier flirt het neologisme met de tautologie vrees ik, want hoe niet-epistemisch inzicht eruit ziet, weet ik niet. Verder is er geen beletsel om vrije verkiezingen te organiseren. Een neoliberale partij kan alleen stemmen halen bij mensen die ‘zelfzuchtig, onwetend of immoreel zijn, of een combinatie van die drie’, aldus Ypi. Mensen zoals ik dus, en die vormen, gelet op Ypi haar mensbeeld, alweer een kleine minderheid. Zo’n neoliberale partij is gedoemd tot een marginaal bestaan en het is niet eens de moeite om haar te ondrukken. 
       Heb ik Ypi goed begrepen? Zou een neoliberaal als ik – of zoals Ypis moeder – onder de proletarische dictatuur nog politieke vrijheid genieten, of is die voorbehouden voor partijen en strekkingen die de nieuwe orde gunstig gezind zijn? Zinsneden als ‘fundamental break with the previous constitutional order’ stellen mij niet gerust. En dan schrijft Ypi nog iets dat mij zenuwachtig maakt: ‘Bias and resentment risk undermining citizens’ capacity to endorse the new political authority.’ Dat suggereert de mogelijkheid van een grotere weerstand tegen de nieuwe orde dan die van een kleine groep geprivilegieerde winners en bystanders. Misschien heeft de ‘vast majority’ dan toch onvoldoende ‘epistemic insight’ verworven vooraleer ze aan de macht kwam. En als de weerstand tegen de nieuwe orde groter is dan ingeschat, dan wordt het argument voor een échte dicatoriale onderdrukking – in de gewone betekenis van het woord – ook sterker. 
     Het zou allemaal duidelijker zijn geweest als Ypi, naast commentaar bij een paar zinnetjes van Marx en Engels, ook wat had geschreven over de duizenden bladzijden die Lenin, Stalin, Mao Zedong en Enver Hoxha aan het begrip ‘dictatuur van het proletariaat’ hebben gewijd – om van de daarmee samenhangende praktijk maar te zwijgen******. Ze koos ervoor om het niet te doen. Het zij zo.  

 

* Zie mijn stukjes hier en hier.

** De geestige formulering is van Robert Nozick.

*** Er wordt uitdrukkelijk in het midden gelaten of die uitbuiting afhankelijk is van de controversiële marxistische meerwaardetheorie.

**** Ypi geeft als voorbeeld de oude ‘administrative, and political elites who are not directly oppressed and are therefore ideologically blind to the scale of injustice’. Hier zie je duidelijk de nadelen van haar nieuwe terminologie. Zulke ‘elites’ zouden in normaal taalgebruik echt wel bij de winners worden gerekend. Net zoals in een normaal taalgebruik en een normale analyse de losers geen vast majority vormen, maar eerder een, eventueel omvangrijke, minderheid. Terwijl het moderne begrip ‘middle classes’ juist wel een meerderheid in de samenleving beschrijft.

***** Niet alleen Marx en Engels wilden die politieke vrijheden behouden, ze stonden ook ingeschreven in de stalinistische grondwet van 1936, wat een pijnlijk contrast opleverde tussen theorie en praktijk.

****** Marxisten van de brave soort vinden dat in Rusland, China enzovoort men te snel heeft geprobeerd het socialisme in te voeren. De wrede dictaturen waren daar het gevolg van.


De communistische heilstaat en de kneedbare mens



     Marxisten, en gewezen marxisten zoals ik, weten dat de dictatuur van het proletariaat, in zijn loodzware stalinistische vorm, of in de academische light versie van de ravissante, of in elk geval fotogenieke, Lea Ypi, slechts een tijdelijke toestand is*. Bij de Romeinen duurde een dictatuur gewoonlijk de vooraf afgesproken zes maanden, en werd daarna de oude republikeinse orde hersteld. De dictatuur van het proletariaat duurt langer, want die moet geen oude orde veilig stellen, maar een nieuwe scheppen, en ondertussen de nostalgici onder controle houden. Dat vraagt meer tijd. Hoeveel? Ypi spreekt, in navolging van Friedrich Engels, van de duur van een generatie, waarna een ‘generational change takes care of the epistemic effects of class conflict.’ 
     Maar een generatie van laat ons zeggen 25, 30 jaar is wat aan de magere kant. Een jonge telg uit een kapitalistisch geslacht kan zijn hele leven lang blijven dromen van de badkamer met gouden kranen van zijn jeugd. Je neemt dus best een periode van minstens 70 jaar zodat die telg zeker dood of seniel is op het ogenblik dat de dictatuur wordt beëindigd. 70 jaar om de kapitalistische mentaliteit er volledig uit te stampen, dat lijkt voldoende**. In Rusland heeft men bewezen dat het kan, met, zoals dat heet, alle gevolgen van dien: een fatsoenlijk kapitalisme komt er niet van de grond.  In Polen, Hongarij en Tsjechië werkt dat kapitalisme wel, wat bewijst dat 45 jaar oostblokregime onvoldoende is om de weg terug onmogelijk te maken.
     En wat komt er na de tijdelijke toestand van 70 jaar proletarische dictatuur?  Ook dat weet elke marxist, gewezen of niet – en eigenlijk ook iedereen die de coronatijd en de triomf van Frank Vandenbroucke heeft meegemaakt. Dan komt het Rijk der Vrijheid.  Ook de minuscule vormen van onderdrukking die burgerlijke nostalgici onder de light versie van de proletarische dictatuur ondervonden, verdwijnen. Mensen die terugverlangen naar het kapitalisme moeten zich niet meer onderdrukt voelen: ze bestaan niet meer. Je zou de nieuwe toestand een communistische heilstaat kunnen noemen, maar het is nog beter: de staat zelf bestaat niet meer, en zeker niet als repressief apparaat.  Politieke dissidenten zijn er niet meer en er is amper nog misdaad. Ypi haalt er de jonge Marx bij die in 1845 schreef dat in de echte menselijke maatschappij alles anders wordt. ‘De misdadiger ziet in zijn medemens slechts zijn natuurlijke bevrijder van de straf die hij zichzelf oplegt.’ Hier raak ik een beetje de draad kwijt, want mijn kennis van de dialectische methode is wat roestig.
    In de communistische maatschappij, schrijft Ypi, gedraagt iedereen zich netjes zonder daarbij gedreven te worden ‘door angst voor straffen of begeerte naar beloningen’; wetten zijn eigenlijk niet meer nodig; alle ‘structurele’ redenen tot conflicten zijn verdwenen, de mensen zijn voorgoed bevrijd van ‘materiële noden’ en van de ‘concurrentie voor macht en erkenning’. 
     Het klinkt allemaal utopisch en dat is begrijpelijk want het artikel is geschreven voor een conferentie over ‘utopie in de politiek’. Maar Ypi lijkt haar utopie toch als realiseerbaar en realistisch voor te stellen***. Ze vergelijkt haar ideale samenleving met de ‘well-ordered society’ van Rawls. De hare is ambitieuzer, en kan het, in tegenstelling tot die van Rawls, dus zonder repressie stellen. Rawls van zijn kant denkt dat het altijd nodig zal zijn om duidelijke wetten af te kondigen, en met straffen te zwaaien om mogelijke wetsovertreders af te schrikken en om brave burgers een veilig gevoel te geven. Rawls noemt dat ‘a permanent fact of life, or seems so.’
     Ypi vindt dat Rawls zich hier bezondigt aan de ‘reification of human nature’. Ze vindt het ‘pervers’ te geloven dat mensen zich in een volledig communistische maatschappij nog altijd zouden misdragen. Mocht dat toch nog gebeuren, dan zou het op een oneindig veel kleinere schaal zijn. ‘Een goed geordende maatschappij die voor echte vrijheid zorgt,’ schrijft Ypi, ‘ kan de houding van mensen, hun pyschologische aanleg, hun gevoelens van wederzijds vertrouwen en solidariteit sturen in een richting die wij nu niet kunnen anticiperen.’ Ondertussen heeft ze met haar woordkeuze aangegeven welke richting zij zélf anticipeert. 
    De brave, optimistische Rawls wordt  verweten een ravenzwart Hobbesiaans wereldbeeld aan te hangen, waarin elke mens oorlog voert tegen elke andere mens.  Maar dat klopt niet. Zoals de meeste liberalen vertrekt Rawls van een mensbeeld dat noch volledig goed, noch volledig slecht is. Veel van die liberalen geloven dat materiële en culturele vooruitgang kán leiden tot morele vooruitgang.**** Het is aan marxisten als Ypi gegeven om te geloven dat één generationele omslag voldoende is om een mens in het leven te roepen, die helemaal anders is dan degene die beschreven wordt in de wereldliteratuur, van het Gilgamesj-epos over de Goddelijke komedie van Dante en de Menselijke komedie van Balzac, tot, laat ons zeggen de laatst verschenen Houellebecq*****.
     Godwin voorspelt dat in elke politieke of morele discussie op het internet vroeg of laat de naam van Hitler opduikt. Mijn eigen ervaring is dat in elk beschaafd gesprek over het communisme, weze het op café, bij vriendenbezoek of op een familiefeestje, vrij snel het woord ‘menselijke natuur’ opduikt. Ik heb over die menselijke natuur mijn mening, maar ik probeer mij buiten de discussies te houden. Dat de menselijke natuur in enkele generaties grondig kan veranderen geloof ik niet, maar ik kan die mening niet bewijzen en ik zal er zeker niemand mee overtuigen die wel in een meer kneedbare mens gelooft. Dat anderzijds de menselijke natuur niet geschikt is voor het communisme geloof ik wél, maar ik zeg dat niet graag hardop. Dan zou het lijken alsof ik dat communisme een weliswaar onmogelijk maar toch hoogstaand ideaal is. En dat vind ik eigenlijk niet.

 

* Zie mijn stukjes hierhier en hier.

** De kapitalistische mentaliteit krijg je er op 70 jaar misschien uit de nieuwe mens. Maar als je er ook alle egoïsme uitkrijgt, is een andere vraag.

*** Als de communistische utopie niet realiseerbaar is, vervalt een belangrijke schakel in de redenering van Ypi. Dan is haar dictatuur immers niet meer tijdelijk.

**** Zie voor een zorgvuldige redenering in dat verband: Steven Pinker, The Better Angels of Our Nature.

***** In de Albanese versie van het communisme nam het  begrip ‘Nieuwe Mens’ een nogal centrale plaats in.


De communistische heilstaat en de vergadercultuur



     Als ik niet oplet waaien mijn gedachten, zoals in mijn laatste blogstukjes, wel eens onwillekeurig over de rode utopie van mijn jeugd, meer bepaald over het tweede stadium ervan: het ideale communisme*. Wat hield dat ook weer in? Karel van het Reve heeft het indertijd samengevat in tien kenmerken, al formuleerde hij ze hier en daar wat fraaier. Onder het communisme

  1. is iedereen gelukkig, niemand is ‘vervreemd’
  2. zijn de bedrijven eigendom van de gemeenschap 
  3. wordt de economie centraal gepland 
  4. is er een heel hoog technisch peil bereikt, met een heel hoge productie
  5. is het platteland verstedelijkt
  6. wordt arbeidsspecialisatie vervangen door polyvalentie
  7. bestaan er geen maatschappelijke klassen meer
  8. zet iedereen zich vrijwillig in, zo goed als hij kan
  9. ontvangt iedereen alle producten en diensten die hij nodig heeft
  10. is iedereen vrij, verdwijnt repressie en sterft de staat af.
        Er is op die utopie veel en grondige kritiek gekomen van economen, sociologen en filosofen. Sommige punten van de utopie lijken onderling tegenstrijdig, zoals een heel hoog technisch peil en afwezigheid van arbeidsspecialisatie** ; andere zijn al grotendeels gerealiseerd zónder communisme, zoals de heel hoge productie en de verstedelijking van het platteland. Maar de ontwikkelde leek sleurt er graag – vooral bij de punten (1), (8), (9) en (10) – de ‘menselijke natuur’ bij, en meer bepaald het egoïsme dat er een onderdeel van zou zijn. Dàt, en het feit dat de pogingen om de utopie te verwezenlijken grotendeels het tegenovergestelde ervan hebben bereikt. Je zou kunnen zeggen dat negentig procent van de kritiek op het communistisch ideaal erop neerkwam dat het niet realiseerbaar was.
    Ik wil die kritiek inzake de realiseerbaarheid van de utopie even vergeten, en mij in plaats daarvan bezinnen over de wenselijkheid ervan. Ik geef hier een wat vrije vertaling van Lea Ypi’s versie van het komende communisme. ‘Individuele verschillen en onenigheden blijven bestaan, maar conflicten die eruit voortvloeien kunnen eindelijk een redelijke vorm aannnemen***. Mensen kunnen nog altijd gekwetst worden, zich beledigd voelen of boos worden door iets wat iemand anders doet. Maar de maatschappij vindt altijd wegen om die conflicten op te lossen door verdraagzaamheid, overleg en solidaire inspanning.’
     Die verdraagzaamheid vind ik prima, maar dat ‘overleg’ en die ‘solidaire inspanning’ maken mij achterdochtig. In Lea Ypi haar ideaal zijn wetten, straffen en politie verdwenen, alsook de vrije markt – zo interpreteer ik haar ‘profoundly modified property arrangements’ – en wat er in de plaats komt zijn, zoals ik het zie, overlegorganen, wijkcommissies, bedrijfsraden, vormingsorganisaties, vakgroepen, oudercomités en volksvergaderingen****, kortom alles wat niet erg verenigbaar is met mijn menselijke natuur. Ik begin al sneller te ademen als ik moet overleggen met mijn vrouw over de aanschaf van een nieuw nachtkastje, en dat gaat dan om iemand die ik graag zie en om een beslissing die ik onbelangrijk vind.
     Bij auteurs die het eerste stadium van de rode utopie hebben meegemaakt, zoals Pasternak, Kundera en Ypi zelf, vind je indringende beschrijvingen van hoe de vergadercultuur van volkscomités al bloeide vóór het communistische eindstation was bereikt. Een naar kenmerk dat in die beschrijvingen naar voren komt, zijn de geborneerde partijmensen en autoritaire bureaucraten die aan de volkscomités leiding geven. Maar wordt het veel beter als je die partijmensen en bureaucraten wegdenkt? Verloopt het overleg dan ipso facto in een gemoedelijke en verdraagzame sfeer? Behoren gemoedelijkheid en verdraagzaamheid wel tot de kernwaarden van de ‘nieuwe mens’? Als ik denk aan Marx en Lenin …
     Neem de recente corona-tramelant. Eén ding werd snel duidelijk, namelijk dat er inderdaad veel ‘individuele verschillen en onenigheden’ bestonden. Ik heb gemeenschappelijke Facebookvrienden elkaar te lijf weten gaan met een heftigheid die ik niet voor mogelijk had gehouden. Vanaf het begin was duidelijk dat er verschillende belangen waren. 
Niet iedereen liep evenveel gevaar op ernstige ziekte of overlijden. Jonge mensen moesten zich weinig zorgen maken*****. Verder was niet iedereen even goed geïnformeerd, en bij degenen die zich wel goed probeerden te informeren, had je grote verschillen in voorkennis en in het soort bronnen die ze raadpleegden. Ten slotte was er een groot verschil in de waarde die men hechtte aan gezondheidsrisico’s enerzijds en bewegingsvrijheid anderzijds. Dát verschil had weinig met belangen te maken want veel van mijn Facebookvrienden behoren tot dezelfde generatie, en dus vaak tot dezelfde risicogroep. 
     Het uitwerken van een algemene gedragslijn werd, in het licht van al die verschillen, een hele klus. Ze kwam tot stand met vallen en opstaan, geholpen door politieke compromissen, rechterlijke uitspraken, raadpleging van specialisten, drammerige berichtgeving in de media en straatprotest. Er kwamen regels, en boetes voor wie die regels overtrad, te streng voor de enen, te slap voor de anderen. 

     ’t Was natuurlijk een systeem van dwang, en volgens Ypi is onder het communisme geen plaats voor dat soort dwang. Ofwel zou iedereen spontaan ‘het goede’ doen, ofwel zou men in overleg uitmaken wat ‘het goede’is. Maar wat ís hier ‘goed’? Gezondheidsrisico’s vermijden is goed, maar dat iedereen zich vrij kan bewegen is ook goed. Hoe moet ik mij dan een overleg à la Ypi voorstellen? Wordt dat geregeld op plaatselijk niveau, in een wijkcomité? Ik kan mij een beetje voorstellen wie daar het langst en het vaakst aan het woord zullen komen. En hoe worden de wijkbeslissingen dan nationaal en internationaal gecoördineerd? En vervolgens: hoe worden ze afgedwongen als er geen politie is? Wordt het dreigement van de boete dan vervangen door dat van sociale controle, roddel en uitsluiting? Of worden de collectief gemaakte afspraken onder het communisme vanzelf een onderdeel van het persoonlijk geweten?

    Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer het ideale communisme op mij overkomt als een maatschappij waar repressie is vervangen door sociale druk ván iedereen óp iedereen. Niet de politie controleert of je misschien geen verboden barbecue organiseert, maar de buurman kaart het aan op de eerstvolgende bijeenkomst van het wijkcomité. Dan heb ik de zaken nog liever zoals ze nu zijn, met een beetje dwang hier, een beetje gewetensvrijheid daar, een scheut burgerzin als het kan, een boete als het nodig is, flink wat door de traditie ingegeven gewoontes waar je niet bij moet nadenken, en liefst veel soevereine beslissingen waar ik geen verantwoording over moet afleggen, maar waar ikzelf de gevolgen van draag. Dat ik dan afhang van de soevereine beslissingen van anderen met wie ik vriendschappelijke, sociale, professionele of commerciële relaties aanga, dat vind ik niet zo erg. Als ik maar een beetje zelf kan kiezen met wie ik die relaties aanga.

     Karel van het Reve vertelt dat zijn leermeester Jacques Presser veel sympathie had voor de door het communisme geïnspireerde studentenopstand die ‘inspraakorganen’ eiste. Toen die inspraakorganen er kwamen, verklaarde hij zichzelf ‘permanent verhinderd’ om eraan deel te nemen. Ik volg Presser.

 

* Het eerste stadium van het communisme is, in de geest van Marx en Lea Ypi, de ‘dictatuur van het proletariaat’. Zie mijn stukjes hier en hier.

** Mises betoogde dat gemeenschappelijk bezit van bedrijven niet verenigbaar is met een heel hoge productie; Hayek liet zien dat centrale planning en vrijheid niet goed samengaan. Zelf zie ik een tegenstelling tussen geluk en opgelegde polyvalentie. Hoe meer ik mij kon specialiseren in mijn beroep (leraar) en vak (Nederlands), hoe gelukkiger ik was. Als ik daarnaast ook nog eens pijpleidingen had moeten lassen in de woestijn of onder water, zou mij dat zeker niet gelukkiger hebben gemaakt.

*** Lea Ypi veronderstelt dat de conflicten redelijker worden, omdat de conflicten niet meer voortkomen uit verschillende ‘belangen’. Maar verschillen in opvattingen en waarden leiden in mijn ervaring tot minstens even emotionele conflicten als die over ‘belangen’.
**** Onder het kapitalisme bestaat dat soort comités en vergaderingen ook. Het vreselijke aan het communisme lijkt mij dat ze ook echt iets te beslissen zouden hebben.

*****Er waren met betrekking tot corona ook grote verschillen in omstandigheden. Wie op een klein appartementje woonde, leed meer onder een quarantaine-regeling dan wie een landhuisje bewoonde aan de rand van een bos. Een bloeiende handelszaak zag haar inkomsten dalen, maar een noodlijdende zaak genereerde door subsidies een hoger inkomen. Die verschillen laat ik hier onbesproken omdat ze par hypothèse onder het communisme niet zouden bestaan.