vrijdag 19 juni 2020

Guust en ik en Amada



Disclaimer: mocht de huidige PVDA, die voortkomt uit de organisatie hieronder beschreven, enigerlei schade ondervinden van onderstaand stuk, dan is dat mooi meegenomen, maar t is niet de bedoeling. De PVDA is ondertussen een heel andere organisatie geworden. De huidige PVDA zou door de organisatie waar Guust en ik toe  behoorden, beschouwd zijn geweest als een verzameling revisionisten, rechts-opportunisten, reformisten en ‘valse communisten’. (1)
 Alhoewel ik een trage lezer ben en soms meer dan twee maand aan één boek knaag, heb ik het levensverhaal van Guust van Mol (367 bladzijden) in een namiddag en avond uitgelezen, want ik kon het boek niet neerleggen. Het hielp dat ik Guust een klein beetje heb gekend, sterker nog, ik heb hem als ‘Guust’ gekend, hoewel dat niet zijn echte naam is. Guust en ik waren lid van Amada, later PVDA (2), en het was de gewoonte om onder kameraden, met het oog op politiespionnen, nooit onze echte naam te gebruiken, maar onze partijnaam. Guust heette ‘Guust’ in de partij, en ik heette ‘Leon’ in de jeugdbond van die partij. Mijn contact met de nationale leiding verliep langs ‘Rik’. Toen ik jaren later bij de paracommando’s terechtkwam – het boek legt uit waarom Amadezen daar terechtkwamen – hoorde ik voor het eerst de echte naam van ‘Rik’.
In het boek worden verder weinig partijnamen gebruikt, maar vooral afkortingen. Veel van de afkortingen kan ik thuisbrengen. Wie Kris M. en Ludo M. zijn kunnen veel lezers-generatiegenoten wel raden, maar ik weet ook wie Maggy D. is, en Roos D., Patrick D., Wim D. en Boudewijn D., die in het boek een ‘oen’ wordt genoemd en die in de organisatie als second in command optrad. Tegelijk leer ik bij. Ik wist wel wie Karel V.G. was of Jo C., maar niet dat die eerste ‘de Lenin van Lier’ werd genoemd, of dat de tweede ooit een kettingroker was geweest. Je kunt niet alles weten.
We krijgen in het boek het hele verhaal van Guust en zelfs dat van zijn ouders. Zijn vader was een schoolmeester en een tiran die zijn eigen kinderen sloeg. Zijn moeder, verneem ik, gaf raad aan jonggehuwden over de ‘lichamelijke kant van het getrouwd zijn’. Ze gebruikte daarvoor het boek van Th. Van de Velde, Het volkomen huwelijk, een erg moeilijk en expliciet boek met veel Latijnse, Duitse, Franse en Italiaanse citaten. Het stak in het nachtkastje van mijn vader.
Op school is Guust eerst een lastig kind, maar alles wordt beter als hij naar Rijksnormaalschool van Lier gaat. Er doceren ‘inspirerende leraars’. Er zitten ‘vreemde vogels’ onder de studiemeesters. Op de speelplaats wordt volop gediscussieerd. In de Franse les leest men Les mains sales van Sartre. Er is een leerlingenraad en een schoolkrant. Guust werkt aan alle twee mee. En hij begint een pijp te roken. Ikzelf ben nooit een erg lastige leerling geweest, vind ik, en nooit naar een rijksschool gegaan, maar al de rest herken ik, ook Les mains sales van de Franse les en dat pijproken.
In de winter van 1969 wordt Guust, net zestien, met twee medescholieren, door Karel V.G., de voornoemde Lenin van Lier, meegenomen naar het partijhoofdkwartier in Antwerpen waar hij de voornoemde Jo C. aantreft, die hen kettingrokend uitlegt welke boeken ze allemaal moeten lezen van Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. De titels worden niet vermeld in het boek, maar ik ben er bijna zeker van dat Het historisch en dialectisch materialisme van Stalin erbij hoorde.
Guust leest die boeken en hij vindt er een antwoord in op alle vragen die hij zich ooit gesteld had, en ook op veel vragen die hij zich nooit gesteld had. Door de ‘massamedia’ – dat was toen een nieuw woord –  werd je in de jaren 60 voor het eerst uitgebreid ingelicht over de vele problemen in de wereld, vaak ver weg – honger, armoede, oorlog. Maar diezelfde ‘massamedia’ boden geen verklaringen en oplossingen aan voor die problemen. Die verklaringen en oplossingen vond je wel in de boeken van Jo C., misschien niet helemaal concreet, maar toch in algemene lijnen, en redelijk onweerlegbaar. Ik vermoed dat Guust, net als ik, pas vele jaren later bij Popper heeft ontdekt dat die onweerlegbaarheid eerder de zwakte dan de sterkte van een verklaring uitmaakt.
Er breekt een periode aan van ‘politiek engagement’ in ‘de beweging’. Guust doet aan bekeringswerk in het jeugdcentrum, probeert de ‘apathie’ van zijn medeleerlingen te doorbreken, zoekt naar redenen, en vindt ze, om een schoolstaking te organiseren, gaat naar Vietnam-betogingen en voorstellingen van revolutionaire films (La bataille d’Algers), schrijft manifesten met ‘analyses’ van het ‘neo-kapitalistische produktie-konsumptie-proces’ – let op de progressieve spelling, die vaak nog veel verder ging. Hij trekt naar de universiteit waar hij psychologie zou studeren, maar in werkelijkheid gaat bijna al zijn tijd naar politieke studie, agitatie en propaganda, kortweg ‘agitprop’. Na een poos stopt hij met studeren om in een fabriek te werken, later zelfs in de mijn. Hij behoort nu tot het ‘kader’, de subtop van de partij, werkt mee aan het weekblad Amada, later Solidair, is aanwezig op het stichtingscongres van de PVDA.
 Maar niet alles loopt perfect. Guust stopt met fabriekswerk om voor arts te studeren, komt ontgoocheld terug van een China-reis, begint zich te ergeren aan het amateurisme van de partijorganisatie, de autoritaire manier van leidinggeven, het slaafs na-apen van wat in China gebeurt en geschreven wordt, en het fanatisme waarmee de partij de ene dag  beweert dat 2 + 2 exact 3 is, niet meer en niet minder, om de dag erna met evenveel fanatisme te verkondigen dat het exact 5 is, niet meer en niet minder. Uiteindelijk wordt Guust beschuldigd van zware afwijkingen van de partijlijn zoals ‘het verdedigen van standpunten ten gunste van de universele, absolute democratie boven de klassen’. Als antwoord stuurt Guust een ontslagbrief naar de partijleiding, die hem vervolgens jarenlang blijft bespioneren. Guust wordt huisarts in Turnhout, sp-parlementslid en spa-senator en -gemeenteraadslid, breekt met de sp.a, wordt huisarts in een achterstandswijk in Rotterdam, en eindigt als rechtse zak, zoals ik. Zijn broer Johan, een trouw partijlid, keert zich tegen hem en verwijt hem dat hij ‘in zijn opvattingen, levensstijl en engagement iedere sociale dimensie heeft laten vallen.’ Zijn schoonzus voedt haar kinderen op met de gedachte dat ‘ome Guust de fascisten doorlaat.’
Guust en ik hebben in de ‘beweging’ en de ‘partij’ gedeeltelijk dezelfde, en gedeeltelijk een andere weg afgelegd. Hij ging eerst naar de universiteit en dan naar de fabriek, ik ging eerst naar de fabriek en dan naar de universiteit. Hij behoorde tot het kader, ik behoorde tot het voetvolk. Dat was een heel verschil. ‘Voetvolk is er overal genoeg,’ zei Boudewijn D., ‘kaders, díe hebben we nodig.’ En verder hadden Guust en ik een verschillend temperament. Hij bruiste van energie, enthousiasme en inzet, terwijl ik mij altijd aangetrokken voelde tot het ‘rustige leventje’ waar in partijteksten zo voor werd gewaarschuwd. In Guust brandde een innerlijk vuur, terwijl mijn vlammetje nogal afhing van de omstandigheden en het publiek om mij heen. Als er gevochten werd, zoals bij de VMO-betoging in Leuven in 1975, zat Guust bij de  falanx die dóór het VMO-blok heen stormde, terwijl ik bij het groepje zat dat door de rijkswacht achterna werd gezeten en over de daken vluchtte. 
Ook is Guust iemand die niet over zich laat lopen, terwijl ik mij altijd schaam als ik voor mijn eigen belangen op moet komen. Toen Guust zijn vrouw betaald werd met ongedekte cheques, ging hij naar de werkgever om met een proces te dreigen. Toen hij een huis bouwde, sleepte hij aannemer en architect voor de rechtbank. Toen de PVDA op roekeloze manier dokter Jan C. en zijn eigen broer naar Libanon had gestuurd, snauwde hij Kris M. toe dat hij hem bij een fatale afloop persoonlijk een kogel door de kop had geschoten. ‘En het strafste,’ voegt Guust er in het boek aan toe, ‘is dat ik het waarschijnlijk ook had gedaan.’ Ik geloof hem. 
***
 In het boek heb ik hier en daar  streepjes gezet bij gedachten die mij troffen of die speciale herinneringen opriepen. Dit zijn er enkele.

·      de vormingsvergaderingen in de ‘Sociale Raad’ in Leuven, op dat moment nog in de Bogaerdenstraat; toen ikzelf in het middelbaar zat, zocht ik valse voorwendselen om op vrije dagen naar Leuven te trekken; je kon pech hebben als de vorming geleid werden door Luki M., maar je kon ook geluk hebben als ‘de voorzitter’ zelf sprak; (zie volgend punt)
·      de hypnotiserende spreekstijl van Ludo M.: volgens Guust lag die gedeeltelijk aan de balpen die hij tussen zijn vingers liet glijden, dan omdraaide en dan opnieuw tussen zijn vingers liet glijden, als in een soort perpetuum mobile; later ontwikkelde hij de gewoonte om met altijd bezige handen een traag-bezwerend ritme aan zijn betoog te geven; ook bouwde hij aarzelingen in zodat de aanwezigen konden anticiperen op wat hij zou kunnen zeggen; een voorbeeld van de bezige handen en de slimme aarzelingen vind je hier;
·      de revolutie die nakend was, maar ook weer niet zó nakend; Guust verwachtte de revolutie op een termijn van 15 jaar; ikzelf herinner mij de uitdrukking van Ludo M.:  ‘10, 15, 20 jaar’;
·      de ijskoude zolderkamers waar je logeerde bij kameraden als je ergens tijdens een strenge winter voor enkele weken naar een staking werd gestuurd om agitprop te bedrijven en rekruteringswerk te doen; beneden was het gezelliger, tussen de hanglampen in rijstpapier en de Kewlox-schuifdeurkasten;
·      de stapels vuile vaat in de partijhuizen: de partijleiding probeerde die wantoestand recht te zetten met slogans aan de muren: ‘de partij opbouwen met ijver en spaarzaamheid’;  toen Ludo M. enkele weken in Kortrijk logeerde om een reeks ‘sessies van kritiek en zelfkritiek’ te leiden, deed hij al eens zelf de vaat; daar werd jaren later nog over gesproken;
·      het ongezonde fabriekswerk: wanneer Guust op de munitiefabriek in Balen werkt, heeft hij dagelijks hoofdpijn en misselijkheid door het inademen van TNT-dampen; toen ik in de sector van metallisatie werkte, droeg ik de hele dag een soort duikerspak als in een Kuifje-album, waar koude lucht in werd geblazen; ik ben zeven maanden aan één stuk verkouden geweest;
·      gratis melk: wanneer Guust in de asbestfabriek in Mol werkt, krijgen hij en zijn medearbeiders dagelijks een fles melk van het bedrijf; de melk is bedoeld om de vezels van de asbeststof te neutraliseren door meer slijmproductie; toen ik in een tapijtenfabriek werkte, kregen we die gratis melk ook, om de verfdampen te neutraliseren;
·      de problemen met het thuisfront: de jonge communist gaat, gesteund door zijn onfeilbare geloof, de rollen omdraaien en zich tegenover zijn ouders de rol van opvoeder aanmeten; in een ontroerende brief aan zijn ouders schrijft Guust:  ‘De revolutie nadert, wat er ook gebeure. De loop van de geschiedenis is onstuitbaar. Ik vraag niet dat je ook kommunist zoudt worden, dat is nu nog niet mogelijk, denk ik. Het enige dat ik wens is dat je eerlijk verder zoudt proberen het volk te dienen.’
·      het kerkelijk huwelijk met als episteltekst de parabel van ‘De dwaze oude man die de bergen verzette’; bij sommige Amada-huwelijken werd vermeld dat de parabel van Mao Zedong is, bij andere niet; maar bijna altijd werd het slot weggelaten over het imperialisme, het feodalisme en de leidende rol van de communistische partij;
·      de ‘ijzervreters’ van de partijleiding: Guust noemt Lieven S. een ijzervreter; er waren er ergere, maar Lieven S. kon er inderdaad wat van; hij heeft mij ooit eens uitgelegd wat het doel was van de stakingen voor loonsverhogingen: ‘het enige doel is dat de arbeiders dan genoeg kunnen eten en voldoende sterk zijn om een geweer vast te houden waarmee zij de bourgeoisie van de macht verjagen’; daar zat een zekere logica in;
·      het utilitarisme versus het humanisme: partijdokter Jan C. is gegijzeld in Libanon door een terroristische groep; Johan, de broer van Guust, vertrekt naar Libanon om te kijken of hij Jan vrij kan krijgen en krijgt daarbij weinig steun vanuit de partijstructuren; Johan zijn vrouw trekt naar de reeds vermelde Boudewijn D. en vraagt om hulp; juist op dat moment echter is er een staking van de mijnwerkers begonnen; ‘Kameraad Karine,’ zegt Boudewijn D., ‘kunt gij mij zeggen wat het zwaarste weegt, de Grote Revolutionaire Mijnstaking of Jan C?’;
·      de plechtige strikvragen: dat doet mij dan weer denken aan die keer toen mijn vrouw een boek schreef over en in naam van een beroemde partij-arbeider, ook een Jan C. Ze deed dat op basis van uitgebreide interviews met de man en moest op partijvergaderingen rapporteren over de voortgang van het werk; zekere keer vraag een partijkader aan mijn vrouw: ‘Kameraad, wie schrijft dat boek eigenlijk?’; mijn vrouw antwoordt voorzichtig ‘Jan en ik’. ‘Fout kameraad, antwoordt het kader, ‘de partij schrijft dat boek’;
·      de soixante-huitards rond de partij: veel studenten die de gloriedagen van de contestatie hebben meegemaakt hangen ‘rond’ de partij maar zien er tegen op om zich te ‘proletariseren’; ze blijven in Leuven hangen en zoeken wanhopig naar bezigheden waarmee zij de verbanning naar de fabriek kunnen uitstellen; Guust heeft in Leuven een huisgenoot die zich bezighoudt met ‘revolutionair straattoneel’;
·      de soixante-huitards in de partij: velen van hen verkommeren in een provinciestad waar ze heen zijn gestuurd; ze hebben als student een fijne tijd beleefd, de revolutionaire lucht in hun longen gezogen, allemaal samen leuk meeslepende liedjes gezongen als ‘Bella Ciao’ en dagelijks hypnotiserende redevoeringen gehoord van Ludo M., maar nu staan ze twee of drie keer per week aan een fabriekspoort een weekblad te venten aan arbeiders die hen met minachting, medelijden of onverschilligheid voorbijlopen;
·      bij het vorige: Guust noteert de woorden van een vrouwelijke kameraad die hem in haar auto meeneemt van Ninove naar Leuven: ‘Kameraad,’ zegt ze, ‘iedere keer als ik in Leuven kom krijg ik buikkrampen van heimwee; ik heb hier zoveel mooie momenten beleefd; ik kan dat maar niet vergeten; en Ninove is heel ver weg van alles en iedereen;”
·      de barre jaren 74-77 (voor Guust zijn dat ook de jaren in de mijn): tot en met 1973 drijven veel militanten nog op de enthousiasmegolf van 1968-mijnstaking-dokwerkersstaking; dan wordt het moeilijker, en juist op dat moment worden de eisen aan de partijleden verhoogd; het is de tijd van drie extra vergaderingen per week, rapporten opstellen met zelfkritiek, fiches invullen van de tijdbesteding, wekelijkse karatelessen in partijverband; na 1977 treedt een versoepeling in en dat is leuk; maar dan komt voor velen de sleur erin: het partijwerk wordt saai;
·      de onkunde om met ‘rechts’ te discussiëren; alle inspanningen zijn erop gericht linkse rivalen te weerleggen; als in Chili de socialist Allende wordt verdreven, kan Guust perfect uitleggen waarom Allende niet ver genoeg ging met zijn socialisme; maar wanneer een non uit Chili uitlegt dat hij juist veel te ver ging, kan hij daar amper op antwoorden;
·      niet-partijlectuur als guilty pleasure;  lezen beperkt zich in regel tot de marxistische ‘klassiekers’, het partijblad, interne teksten van de partij, Pékin Information, met hier en daar een stukje goed proza als guilty pleasure; Guust vindt dat in het dagelijks verschijnend stripverhaal van Maarten Toonder in Het Volk, met van dat heerlijk virtuoze Nederlands; de meeste partijleden vinden hun wekelijks stukje leesbaar Nederlands in Humo;
·      de culturele bekrompenheid als norm: Lieven S., die jaren vóór Conner Rousseau de aanspreektitel ‘kameraad’ wel eens verving door ‘maat’, vroeg mij ooit waarom ik soms naar de cinema ging: ‘Is dat om te kunnen opscheppen over alle films die je gezien hebt, maat?’; later ging Lieven zich onder andere bezighouden met de cultuursector van de partij, wat geloof ik beter overeenkwam met zijn oorspronkelijke temperament;
·      bij het vorige en ter attentie van Marc Vanfraechem: Ludo M. behield zijn literaire smaak te midden van de barbarendom dat hij in het leven riep; over de zwarte revolutionair Mulele schreef hij: ‘Il fut très porté sur ses armes’; een eindredacteur vond dat geen goed Frans; ‘Hoezo,’ vroeg Ludo, ‘je vindt de uitdrukking bij Stendhal. Ken jij iemand die beter Frans schreef dan Stendhal?’
·      de groepsreizen naar Albanië waar je aan de grens gecontroleerd werd op geïllustreerde tijdschriften, westerse literatuur, lang haar en brede broekspijpen; tijdschriften en literatuur werden in beslag genomen of met de schaar bewerkt; te lang haar werd ter plekke bijgeknipt; je moest een broek lenen van iemand anders; maar dat werd allemaal goed gemaakt door de rode vlaggen die buiten en binnen de fabrieken hingen; zo’n rode vlag was in een Belgische fabriek immers niet denkbaar; dat kwam omdat het een kapitalistische fabriek was;
·      het Albanië-brochuurtje met de wervende titel: Lichtbaken van het socialisme in Europa; zoals alle partijpublicaties in die tijd verscheen het naamloos; nu verneem ik dat het voor de helft volgeschreven was door Guust; hij noemt het nu een ‘tragisch’ boekje; partijgenoot Wim D., herinner ik mij, noemde het een ‘komisch’ boekje; het leven is een komedie, schijnt Hippocrates gezegd hebben, voor hen die denken en een tragedie voor hen die voelen; laten we het in dit geval bij tragi-komisch houden, omdat de meesten van ons denken én voelen – zij het niet altijd in dezelfde verhouding;
·      de knullige proces-verbalen na een of ander kat-en-muisspel met de politie: Guust citeert een leuk voorbeeld “Van Mol G. … samen met zijn vriend Marc M is hij een van de meest opruierige Amada-militanten van de kern van Amada hier te Geel; betrokkene voerde tijdens de staking geregeld het woord tot de arbeiders, en huldigt daarbij de slagzin: hoe dichter naar de revolutie, hoe dichter de bevrijding;” (bij de laatste zin schoot ik in de lach);
·      bij het vorige: ik herinner mij zo’n proces-verbaal dat over mij en in mijn naam werd opgesteld: ‘Ik, Clerick, Philippe, Alphonse, Gaston, Basile, drager van baard en bril, verklaar hierbij dat ik geen verklaring wens af te leggen’;
·      de gunstige invloed van de legerdienst: dankzij de legerdienst werd een militant tijdelijk uit het partijleven gelicht en kwam hij gedurende een jaar bijna alleen in contact met normale mensen; bij de terugkeer naar het gekkenhuis wou een en ander wel eens tegenvallen en kwamen de eerste reserves; Guust besliste een jaar na zijn legerdienst om weer naar de universiteit te gaan, tegen de partijlijn in; hij bleef daarna nog vijf jaar lid, maar het was hetzelfde niet meer;
·      bij het vorige: na mijn tijd bij de para-commando’s was mijn engagement veranderd; een jaar later besloot ook ik om weer te gaan studeren; het was een  beslissing die mij een lange, hevige en bittere huilbui bezorgde; ook daarna bleef ik nog tien jaar sympathiserend en actief lid, waarvan vier erg plezierige jaren in de studentenbeweging, maar toch was er iets gebroken;
·      het schuldgevoel van het ex-partijlid over zijn verkeerde keuze:  dat schuldgevoel is niet gesteund op de schade die men heeft aangericht, want veel is dat meestal niet geweest; ikzelf kan mij niemand voor de geest halen die helemaal alleen door mijn ongedeelde schuld in het partijgekkenhuis terechtkwam – en zo erg zou dat nu ook weer niet zijn geweest; het schuldgevoel betreft veeleer wat men had kúnnen aanrichten als de partij, onder een gunstig gesternte, de macht had gegrepen; het ex-partijlid beseft dat hij in zulke omstandigheden een potentiële beul zou zijn geweest; ik geloof dat Guust meer onder die gedachte lijdt dan ik; de zwartheid van mijn ziel kende ik al vóór ik bij de partij terecht kwam; ik las Dostojewski vóór ik Lenin las;
·      sarcasme tegen dissidenten; soms werden dissidenten geroyeerd, maar vaak ook werden ze een poos getolereerd; Guust beschrijft hoe Paul T. op het stichtingscongres telkens opnieuw amendementen mocht indienen, die dan door Ludo M. met denigrerend sarcasme werden beantwoord, en waarna een stemming volgde die een verpletterende unanimiteit opleverde min één stem, die van Paul T.;
·      hetzelfde sarcasme heb ik meegemaakt op het tweede (of derde) congres; toen was Luc W. de dissident die amendementen indiende; ik herinner me een charge van Ludo M. die begon met ‘le camarade W. vient de faire ici de la démagogie pendant 2 jours; permettez-moi d’en faire pendant 2 minutes’;
·      lichte scherts was dan weer niet het sterke punt van de meeste partijleiders; bij een discussie tussen Kris M. en Guust slaat die laatste zo hard op tafel dat de bloempot die boven de tafel hangt naar beneden valt, op de neus van de partijleider; achteraf zegt die met een lachje ‘Ge begrijpt, kameraad Guust, dat dit onder Stalin niet zonder gevolgen zou zijn gebleven;’ dat is op zich geen slechte boutade, maar wie de stem, intonatie en mimiek van Kris gekend heeft, zal begrijpen dat ze voor een ongemakkelijke stilte zorgde; de reeds voornoemde Lieven S. zou ermee weggekomen zijn omdat hij in zulke gevallen precies de toon wist te treffen tussen menens en om te lachen.  
***
De geduldige lezer vraagt zich ondertussen af of er over de hele Amada- en PVDA-geschiedenis niets rooskleurigs te vertellen valt. Waren een er geen momenten van geluk, vreugde en kameraadschap? Dat kan bijna niet anders, want sommige partijgenoten waren ook vrienden, en dat is heel iets anders dan kameraden. Maar voor een ex-lid valt het niet mee om die leuke momenten terug te vinden. Hij moet zich behelpen met zijn geheugen dat, zoals geweten, onbetrouwbaar is. Verder is bekend dat de toon van de verhalen die we aan onszelf vertellen, gekleurd wordt door de goede of, in het geval van ex-leden van Amada, de slechte afloop ervan. Als je zoals Guust beschikt over een uitgebreid archief van documenten, partijteksten en eigen notities, zul je de momenten van vreugde in elk geval daar niet aantreffen.
Was het dan geen leven met interessante ervaringen? Er moeten bij de kameraden toch boeiende mensen rondgelopen hebben?  Mja. Die ervaringen waren nogal vaak uit hetzelfde vaatje getapt, en die boeiende kameraden waren er zeker, maar soms denk je dat ze heel wat boeiender waren geweest zonder die partij erbij. Verder moeten we bedenken dat Amada en de vroege PVDA grondig verschilde van de huidige PVDA die eruit gegroeid is en die meer op een normale politieke partij gelijkt, zonder het sektegedoe, de opdringerigheid en het wildeactivisme waarvan het rendement schommelde tussen -0,1 procent en  +0,1 procent (3).
Of de hele partij-ervaring achteraf een bittere smaak nalaat, is weer een andere kwestie. Bij mij in elk geval niet. Ik droom wel eens van de partij. Dat zijn hele rustige dromen. Een erg vriendelijke kameraad die ik niet kan thuisbrengen maar die ik toch op een of andere manier al mijn hele droomleven lang ken, komt mij vragen of ik een ‘partijtaak’ op mij wil nemen. Ik twijfel, durf niet goed ‘nee’ zeggen, maar heb ook niet veel zin. En al twijfelend word ik wakker. Dan twijfel ik niet meer.
 ***
Guust en ik zijn ongeveer op dezelfde manier bij de partij terechtgekomen, maar we hebben ze op een verschillende manier verlaten, overeenkomstig ons verschillend temperament. Hij vertrekt met slaande deuren, vanwege grote meningsverschillen met de partijtop. Enkele jaren erna vindt hij een nieuw engagement bij de sp.a waar hij zich weer helemaal ‘gooit’ en weer meningsverschillen krijgt met de partijtop. Daarna gaat hij naar Rotterdam waar hij in een achterstandsbuurt werkt en in 2006 het werk ontdekt van Theodore Dalrymple die net als hij arts is geweest in een achterstandsbuurt, en daarover had nagedacht. Wat Guust bij Dalrymple leest, komt overeen met wat hij in zijn huisartspraktijk meemaakt, en hij wordt vanaf dat moment wat hij zijn hele leven had verfoeid: rechts en conservatief.
Bij mij is het anders gegaan. Ik heb de partij verlaten zonder meningsverschillen. Jarenlang bleef ik braaf geloven in het socialisme en het komende communisme en de ‘leidende rol van de partij’. Alleen stond het dagelijks militeren mij tegen, politieke huisbezoeken legde ik af met een diep schaamtegevoel, op vergaderingen verveelde ik mij, kritiek krijgen op mijn ‘wereldopvatting’ stond mij tegen en er zelfkritiek over beoefenen nog veel meer. Ik begon weer te lezen. Schopenhauer was op dat moment voor mij een verademing, en Popper en Karel van het Reve hielpen mij ten slotte om mijn communisme achter mij te laten. Ik werd, zonder dat ik het zelf gemerkt had, een sociaaldemocraat, een soc-dem zoals een van mijn facebook-kennissen ze noemt.  Ik heb bij de verkiezingen wellicht dan ook een keer voor de soc-dems gestemd.
Rond die tijd gingen wij een week op vakantie naar Normandië met enkele vrienden en ook de bovenvermelde dokter Jan C., die ondertussen in Libanon was vrijgelaten, was meegekomen. Jan was goed voorbereid en had van een ervaren kader uitleg gekregen over het reactionaire pessimisme in de filosofie, dus Schopenhauer kon hij aan. Maar die vakantie viel einde 1989 toen Ceaușescu juist ten val was gekomen. Ik had het Tien-an-Men-plein-protest nogal afstandelijk ondergaan. Die studenten overdreven vond ik, en Deng Xiao Ping had veel goeds gedaan. Maar of Ceaușescu ooit iets goeds gedaan had, daar twijfelde ik aan, en wel luidop zodat iedereen het kon horen. Jan C. had het daar erg moeilijk mee want over Roemenië had de partijleiding hem niet kunnen voorbereiden; alles was zo plots gebeurd. Het werden moeilijke dagen.
Mijn sociaal-democratie heeft niet lang stand gehouden. Via Popper kwam ik op Hayeks Road to Serfdom. Ik was niet meteen overtuigd, maar het was toch goed beredeneerd wat Hayek schreef. Mijn vrouw bracht een boekje in huis van P.J. O’Rourke, Republican Party Reptile. Dat was grappige lectuur, en het was mijn eerste kennismaking met de libertair-conservatieve stroming. Ik las ook de andere boeken van O’Rourke zoals Parliament of Whores, en daar vond ik in 1991 wat Guust in 2006 zou ontdekken bij Dalrymple. O’Rourke had al een eigen formulering avant la lettre gevonden van de wet van Dalrymple. Een van zijn hoofdstukken luidt: ‘Poverty Policy: How to Endow Privation’ (4). Wat Guust leerde door de pijnlijke botsing met de realiteit, werd mij op een presenteerblaadje aangeboden door een van de beste hedendaagse humoristen. 
***
Ik schreef in het begin van het stuk dat ik Guust een klein beetje gekend heb. Op betogingen kon je moeilijk naast hem kijken omdat hij zo groot was, zo’n opvallend krulhaar had en omdat hij zo luid riep. In die omstandigheden heb ik hem dus tientállen keren gezien, want er waren toen véél betogingen. Soms zag ik hem van dichterbij. In 1973 kwam ik als vertegenwoordiger van de Menense scholieren op een congres in Leuven, een uitloper van de stakingen tegen Vandenboeynants’ legerplannen. Guust zat als waarnemer in de zaal en deed op het einde een vurige oproep om solidair te zijn met de boeren die leden onder het slechte weer en de overstromingen. De oproep was zo vurig dat ik een beetje bang van hem was. Ik ben dan maar snel een paar dagen gaan helpen op een boerderij. Veel later kwamen Guust en ik en een reeks andere kameraden voor de rechtbank wegens deelname aan een verboden betoging. Ook die keer viel Guust op door een vurige tussenkomst, dit keer vanaf de beklaagdenbank, terwijl ik braafjes zweeg. Ik ben toen vrijgesproken. Van Guust weet ik het niet. De derde keer was nog later, op een interne vormingsvergadering. Herwig L. hield een uiteenzetting over de landbouwpolitiek in het Rusland van de jaren dertig. De meningsverschillen tussen Boecharin en Stalin werden daarbij besproken, en Guust stelde lastige vragen. Na de vergadering sprak ik Guust aan. ‘Vind je dan dat Boecharin gelijk had’, vroeg ik. ‘Dat weet ik niet’, zei Guust, ‘maar Stalin had zeker ongelijk. Dát weet ik wel.’ Guust was al op het slechte pad. 
***
 Ik  heb hier lang stilgestaan bij het Amada-PVDA-gedeelte van het boek, maar het leven van Guust is veel meer dan dat. In de hoofdstukken over de sp en sp.a wordt De blinde spiegel van Piet van Aken dunnetjes overgedaan. Het verhaal van de intriges is ontnuchterend, vooral als je bedenkt dat het in andere partijen wellicht op ongeveer dezelfde manier toegaat. De anekdotes over de achterstandswijk in Rotterdam zijn zoals je kunt verwachten hilarisch en tragisch tegelijk. Over het boek verspreid, wordt verder een inkijk gegeven in de relatie tussen Guust en zijn lief, later zijn vrouw … Marianne - ik vind het moeilijk om die naam te gebruiken want, gvd, ze héét niet Marianne, maar goed, zo staat het in het boek. Wanneer Guust en … Marianne dus, elkaar leren kennen is zij 16 en hij 17. Die gedachte alleen al ontroert mij. Zij wordt ook partijlid, blijf het zelfs langer dan hij, maar ze is minder geëxalteerd, meer down to earth, zoals dat met vrouwen gaat. Mijn vrouw heeft dat ook. Als zij indertijd over de hoogste partijkaders praatte, besefte ik voor het eerst in mijn leven dat het ook gewone stervelingen waren. Voor dat inzicht ben ik haar nog altijd dankbaar.
Het gezinsleven van Guust en Marianne kan niet gemakkelijk zijn geweest, ook niet voor de kinderen, als Guust bijvoorbeeld weer eens om partijpolitieke redenen moest verhuizen, of in Rotterdam ging werken en alleen in de weekends thuis kwam. Ook hadden hij en zijn vrouw beslist hun huwelijk ‘open’ te houden, wat bij mij erg ingewikkeld overkomt. Guust schrijft ergens dat ze zich op een naturistenkamp beperkten tot twee minnaars en minnaressen, een occasionele passage niet te na gesproken. Wat wordt daar nu mee bedoeld? Dat moet je mij met een grafiek uitleggen, want anders weet ik nooit hoeveel minnaars en minnaressen er in totaal waren, Guust en zijn vrouw inbegrepen. Ik heb hetzelfde probleem gehad toen de regering de Covid-beslissing nam over de bubbels van vier. Hoeveel mensen waren dat nu samen: acht, zestien, tweeëndertig? Maar met dat al, krijgt de lezer de indruk dat Guust en Marianne zich bij elkaar niet vaak hebben verveeld. 
* * *
Louis van Dievel die het boek over Guust neerschreef, heeft zelf een extreem-links verleden als trotskist en is verder, geloof ik, politiek links gebleven. Hij vindt dat Guust op facebook laat zien dat hij ‘gebiologeerd’ is door rechts en dat hij zijn geloof in Marx heeft ingeruild voor dat in Dalrymple. Daaraan zie je dat Van Dievel ‘maar’ trotskist is geweest. Het diepe rotsvaste ijzervretersgeloof van de stalinist is hem duidelijk onbekend gebleven, als hij denkt dat dát geloof ook maar iets gemeen heeft met het af en toe instemmend knikken als men iets leest waar men het eens mee is, bij Dalrymple, of Burke, of Scheffer, of bij een van de tientallen auteurs die, anders dan in de marxistische orthodoxie, allemaal complexloos hun eigen versie ontwikkelen van conservatisme, liberalisme of rechtse sociaal-democratie. Rik van Cauwelaert vatte mooi samen wat Van Dievel zo moeilijk begrijpt: ‘Je moet het boek tot het einde lezen en dan zul je merken dat Guust van Mol nog altijd even geëngageerd is als vroeger, alleen, vandaag is hij een vrij man.’ 

(1) Eddy Daniëls noemt de huidige PVDA ‘sociaaldemocratisch naar het voorbeeld van Kautsky’. Dat is juist. Vooroorlogse sociaaldemocraten als Kaustky streefden met vreedzame middelen een integraal socialisme, met alle belangrijke sectoren in handen van de staat. De meeste hedendaagse sociaaldemocraten daarentegen aanvaarden de markteconomie maar ze willen de staatscontrole erover uitbreiden en de opbrengst ervan gelijker verdelen door belastingen. De huidige PVDA wil, geloof ik, allebei: eerst het tweede, en daarna het eerste.
(2) In andere stukjes heb ik ook af en toe iets geschreven, soms terloops, over Amada en de vroege PVDA: hier, hier, hier, hier, hier, hier en hier. In volgend stukje heb ik het vooral over de huidige PVDA maar wordt naar het verleden van de partij verwezen: hier.
(3) Karel van het Reve schreef daarover: “Van een normale politieke partij staat iedere actie in een zekere verhouding tot de werkelijkheid, tot de haalbaarheid van het door die actie nagestreefde doel.” Bij de communisten is dat anders. Of het nu gaat om “poolreizigers, guerrillastrijders in Vietnam, hoogleraren aan de Sorbonne, tramconducteurs in Amsterdam of door de Gestapo vervolgde communisten in Duitsland”, altijd houden ze zich bezig met  “vergaderen, moties aannemen, besluiten nemen, Lenin lezen, geschriften uitgeven, optochten houden, menigten toespreken, leden winnen, cursussen organiseren of althans met een of meer van die dingen.”
(4) Via O’Rourke leerde ik Charles Murray kennen die nóg vroeger, in Loosing Ground (1984), soortgelijke stellingen als die van Dalrymple met indrukwekkende statistieken onderbouwd had.

8 opmerkingen:

  1. Mooi en intrigerend zoals steeds, Philippe.
    Hier en daar enkele verkeerde lidwoorden, wat dan weer atypisch is voor de auteur ;)

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Als ik de tekst nu herlees, zal ik die verkeerde lidwoorden niet vinden. Binnen een paar dagen misschien wel. ;)

      Verwijderen
    2. Ik kan me er iets bij voorstellen.
      Ik vermoed dat wel meer mensen dat hebben.

      Verwijderen
  2. Mooi! en er staat mij zoiets voor van Stendhal, het ging geloof ik over familiewapens, maar waar hij dat zegt? Slo mij duud, zeggen ze in Gent... alleen zijn dagboek al is een goeie 1000 bladzijden. Straf dat er bij Amada mensen waren die Stendhal lazen, toch geen voorbeeld van revolutionaire ijver.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Interessante materie, vlot leesbaar gebracht. Zit daar geen boek in waarin die geschiedenis nog meer wordt uitgediept?

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Ondertussen is er in elk geval het Guust-boek dat de geschiedenis uitdiept.

      Verwijderen