zondag 24 juni 2018

Gewetensnood

Anders dan bij Homer staat op mijn twee schouders een duiveltje
     Vanmorgen ging ik verse broodjes halen bij de bakker. Ik doe dat elke zondag want vrouw en zoon vinden dat fijn. Zelf ben ik een gewoontedier dat ’s morgens en ’s middags liever zijn dagelijkse boterhammen (Breughelbrood Delhaize) heeft. Ik besmeer die met Vache qui rit - light, en daar schil ik dan een peer bij.
     Ik kwam dus thuis van de bakker, plaatste de zak met broodjes op de tafel, smeerde mijn boterhammen en moest dan in paniek vaststellen dat er niets geen peren meer in huis waren. Iemand anders zou nu kunnen denken: wat nu? Maar die vraag kwam helemaal niet bij mij op. Dat ik die boterhammen zonder peer zou opeten, behoorde gewoon niet tot de mogelijkheden. Ik reed dus naar de plaatselijke Proxy Delhaize, kocht voor de zekerheid meteen ácht peren, en nam in een moeite door ook nog een vers Breughelbrood mee.

     Maar dit keer spookte de wat-nu?-vraag wel door mijn hoofd terwijl ik naar huis terugreed. Zou ik thuis die oude gesmeerde boterhammen opeten, of zou ik er nieuwe smeren van het verse brood? Ik verkeerde in gewetensnood. Verschillende slechte eigenschappen streden om de voorrang. Zou ik toegeven aan mijn genotszucht en het verse brood tot mij nemen? Zou ik daarbij de heiligsschennis begaan om de besmeerde boterhammen weg te gooien? Ik kwam ooit als kind in een café en daar was een dronken volksvrouw die telkens maar herhaalde: Je l’ai vu jeter du pain dans la poubelle hier. C’est scandaleux. Moi je ne jette jamais du pain. Ça non. On je jette pas du pain.
     Halverwege de terugweg voelde ik dat de beslissing op een onderbewust niveau al genomen was. Ik zou de oude boterhammen opeten. Ik ben namelijk ook erg lui, en ik wist dat ik ertegenop zou zien om nieuwe boterhammen te smeren, als er oude gesmeerde klaarliggen. Aan die verleiding zou ik niet kunnen weerstaan.

zaterdag 23 juni 2018

Worden de rijken rijker en de armen armer?

     Nu moet je eens in de zoekbalk van Google of van een andere internetverkenner het volgende zinnetje intikken: ‘De rijken worden rijker en de armen worden armer’. Je zult veel succes hebben. Je zult cijfers te weten komen over 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. In mijn linkse tijd probeerde ik zulke cijfers te onthouden. Dat ging heel moeizaam. Al die losse cijfers zonder achtergrond of samenhang beletten mij een overzicht te krijgen van het grote geheel.
     In het laatste boek van Steven Pinker, Enlightenment Now, kreeg ik zo’n overzicht wel, ondersteund met statistieken, tabellen en grafieken. Niet iedereen houdt daarvan. Sommige mensen geloven, in navolging van Mark Twain, dat cijfers en statistieken niets dan leugens zijn. Maar het is zoals met wapens: net zoals die niet kunnen doden, kunnen statistieken niet liegen*. Het zijn ménsen die liegen en die daarvoor cijfers vervalsen of, wat vaker voorkomt, heel eenzijdig uitkiezen.
     Pinker liegt niet. Zijn cijfers hebben goede bronnen, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes.** Ze maken één zaak duidelijk: ook vandaag is het niet waar dat ‘de rijken rijker en de armen armer’ worden.
     Als je de hele wereld overschouwt is er zelfs een duidelijke daling van de ongelijkheid. Die wereldongelijkheid was geleidelijk gestegen tot 1960, bleef dan even op dezelfde hoogte, en is dan beginnen dalen vanaf de jaren 1980. Je kunt dat op verschillende manieren uitrekenen. Je kunt de landen onder elkaar vergelijken, of de individuele wereldburgers, je kunt het inkomen als uitgangspunt nemen of de consumptie, telkens kom je weer uit op een daling van de wereldongelijkheid vanaf 1980. Ik denk dat veel godsdienstleraren en derdewereldactivisten blij zullen zijn met dat nieuws, nadat ze de kleine teleurstelling te boven zijn gekomen dat hun wereldbeeld wat achterliep op de feiten.
     Die daling van de wereldwijde ongelijkheid kun je ook weergeven met een sprekende  grafiek. In de grafiek is een kameelrug verborgen – de grijze lijn met twee bulten – die de toestand van de wereld weergeeft in 1975.  In dat jaar bevinden heel wat mensen zich in de eerste bult van de halve-tot-één-dollar-per-dagverdieners. Dan is er een ‘kloof’ en daarna komt er een tweede bult van de 10-tot-20-dollarverdieners. Hogere inkomens van 50 dollar zijn zeldzaam en komen alleen in de Westerse landen voor. Heel anders is de toestand in 2015. De ‘kloof’ is weg. Er is nu een dromedarisrug met één bult in de plaats gekomen. Wiskundigen zouden het een normaalverdeling noemen. Wereldwijd zitten de meeste mensen in die ene bult van 5-tot-20 dollarinkomens, en inkomens van 50 dollar zijn géén Westerse uitzondering meer.
     Goed. De ongelijkheid is wereldwijd is afgenomen. Maar hoe zit dat als je onze westerse wereld uit dat geheel licht? Daar, moet Pinker toegeven, heeft zich een omgekeerde ontwikkeling voltrokken. De auteur illustreert dat vooral met cijfers voor de Verenigde Staten. De ongelijkheid is daar in de 19de eeuw gestegen, in de twintigste eeuw gedaald, na 1940 lange tijd gelijk gebleven, en dan vanaf 1980 geleidelijk weer gestegen. In de 19de eeuw bedroeg de Gini-coëfficiënt 0,5, in 1940 was hij gedaald tot 0,35, en sinds 1980 is hij gestegen tot het huidige niveau van 0,4. (In België is de Gini-coëfficiënt na 1980 gestegen van 0,22 naar 0,25 maar de laatste tien jaar blijft hij stabiel).***
     Er zijn dus twee tegengestelde tendensen sinds 1980. In de hele wereld daalt de ongelijkheid, maar in de Westerse wereld – en vooral in de Verenigde Staten – neemt de ongelijkheid toe. Dat komt niet omdat de ene armer wordt, en de andere rijker, maar omdat de ene sneller rijker wordt dan de andere. Als men zegt dat de wereldwijde economie winnaars en verliezers voortbrengt, drukt men de stand van zaken dus niet helemaal correct uit. De wereldwijde economie heeft overal winnaars voortgebracht, maar de ene wint veel  en de andere heel wat minder. Ook die tendens kan worden voorgesteld in een grafiek waar een aardig dier in verborgen is.
     Let op. De grafiek geeft geen inkomens weer, maar de stíjging van de inkomens, over 30 jaar, en die stijging is overal positief en nergens gelijk aan nul. Aan de linkerkant van de grafiek, de staart van de olifant, zitten de 10 procent armsten ter wereld, veelal Afrikanen. Die zijn er 20% op vooruitgegaan. Daarna wordt het interessant. Het hele lichaam en de kop van de olifant stellen de inkomens voor van de mensen wier inkomen met 40 tot 60 procent gestegen is. Veel van die mensen zijn hardwerkende Aziaten, dus die hebben dat verdiend. Vervolgens komt het minst leuke deel van de grafiek: de krul van de slurf, waar zich de arbeidersklasse van de Westerse wereld bevinden. Die zijn er slechts 10 procent op vooruitgegaan. Wie in een autofabriek of bij een staalreus is blijven werken, is er natuurlijk veel meer op vooruit gegaan, maar het aantal van zulke arbeidsplaatsen is verminderd en er zijn er andere in de plaats gekomen bij koeriersdiensten, schoonmaakbedrijven en hamburgerrestaurants. Die nieuwe, minder betalende arbeidsplaatsen halen het gemiddelde loon van de arbeidersklasse naar beneden. Waar de slurf ten slotte weer steil de hoogte in gaat, vanaf de 4 procent rijkste wereldburgers, is de inkomensstijging weer interessant. Ik geloof dat ik daar als Vlaamse leraar nog net bij hoor. ’t Is ook het verhaal dat mijn loonbriefjes mij vertellen.
     Zal ik dat allemaal kunnen onthouden. Ik denk het wel. 1980. Daling van wereldwijde ongelijkheid. Stijging van ongelijkheid in het Westen. Kameel, dromedaris, olifant.  Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 0,35 naar 0,4. Belgische van 0,22 naar 0,25. Loon Vlaamse leraren in stijgende lijn.

* Sommige statistieken hebben, dat moet ik toegeven, een vrije verhouding met de werkelijkheid. In veel derdewereldlanden lees je aan het bruto binnenlands product maar een klein deel van de economische werkelijkheid af. Toch blijft dat product een redelijke graadmeter om te vergelijken met soortgelijke landen, of om tendensen van stijging of daling te onderkennen.

** De cijfers in dit stuk komen uit de primaire bronnen van Pinker en enkele andere internetpublicaties.
- Moatsos, M. e.a. 2014. Income inequality since 1820. In J. van Zanden e.a. (red) How was life? Global well-being since 1820. Paris: OECD. (Voor de niet gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen tussen 1820-2000)
 - Milanovic, B. 2012. Global income inequality by the numbers: In history and now – an overview. Washington: World Bank Development Research Group. (voor de gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen 1945-2012)
- Milanovic, B. 2016. Global inequality: A new approach for the age of globalization. Cambridge, MA: Harvard University Press. (Gini-index vergelijking tussen wereldburgers op basis van inkomen (1825-1890 en op basis van inkomen en consumptie tussen 1980-2015, daling en stijging van Gini-index in de Verenigde Staten 1775-2013, olifantgrafiek).
- Gapminder, via Ola Rosling, http://www.gapminder.org/tools/mountain. (voor de kameel- en dromedarisgrafiek)
- United Nations Development Program. 2004 [via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_landen_naar_inkomensverschillen]. (voor de Gini-index van Europese landen)
- De Ivoren Toren, http://www.ivorentoren.be/2017/08/07/dertig-jaar-inkomensverdeling-in-belgie/ (voor de evolutie van de Gini-index in België)

 *** De Gini-coëfficiënt geeft de mate van ongelijkheid weer. Een coëfficiënt van 0 betekent dat iedereen precies hetzelfde verdient. Een coëfficiënt van 1 betekent dat één iemand zich alle inkomen toe-eigent, en al de rest niets krijgt. De Gini-coëfficiënt in Europa schommelt tussen 0,25 (België, Finland, Zweden) en 0,33 (Frankrijk, Nederland, Zwitserland).

zaterdag 16 juni 2018

Eén academica in het migratiedebat

      Ik las vandaag een bijdrage van postdoctoraal onderzoekster Luce Beeckmans op Knack.be. Beeckmans is doctor in iets, werkt aan de Gentse universiteit en doet onderzoek naar ‘de ruimtelijke implicaties van immigratie’. Zeker, iemand moet dat doen. Ze stelt zich voor als ‘geen wereldverbeteraar, maar wel academica’. Welja, die moeten er ook zijn. Ik wou meteen een antwoordje schrijven, maar bij een tweede lezing zonk de moed mij in de schoenen. In elke zin zat wel een slakje dat uitnodigde om er zout op te strooien. Het was té veel. Ik voelde mij als de Joker in Tim Burtons Batman. ‘So much to do and so little time,’ zucht die, terwijl hij ijverig verdergaat met het uitknippen van plaatjes uit een tijdschrift.
     De academica stoort zich zoals zovelen aan de wóórden die gebruikt worden in de immigratiediscussie. Ze heeft het vooral gemunt op de uitdrukking ‘illegale vluchteling’ en, een beetje verrassend, ook aan het woord ‘mensensmokkelaar’. Ik laat die semantische discussies echter graag terzijde om meteen de positieve boodschap van de academica voor het voetlicht te brengen. Die luidt als volgt. De Conventie van Genève moet dringend worden aangepast. Niet alleen redenen van vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging, maar ook economische redenen moeten recht geven op het vluchtelingenstatuut. De academica ondersteunt dat standpunt door te verwijzen naar de globalisering en de vrijemarkteconomie die toelaten dat ‘multinationals mensen aan de andere kant van de wereld tegen een hongerloon laten werken.’ Dat zorgt volgens haar voor een ‘structureel onevenwicht’ en het is dat ‘structureel onevenwicht’ dat de “illegale migratiestromen”* op gang brengt’.
     Ik ben niet helemaal zeker wat met dat ‘structureel onevenwicht’ wordt bedoeld. Meent de academica dat die multinationals de landen aan de andere kant van de wereld ármer maken, waardoor de mensen dan naar hier moeten komen om te overleven? Dan heeft ze ongelijk. En ergens weet ze dat zelf ook, geloof ik, want ze geeft als voorbeeld van zo’n door multinationals geplaagd land … Vietnam. Dat is nu niet meteen het land dat zijn zonen en dochters in groten getale naar Europa zendt. De zonen en dochters – vooral zonen geloof ik – die hier aankloppen, komen uit landen die opvallend gespáárd zijn gebleven van de plaag der multinationals – landen als Somalië, Soedan, Eritreia en Afghanistan.
     Aan de andere kant heeft de academica ook gelijk. De globalisering zorgt waarlijk voor ‘structurele onevenwichten’ doordat die arme landen … rijker worden**. Het is die toenemende ríjkdom die zorgt voor een toestroom van migranten. Toen de hongersnood toesloeg in Biafra (1967) of Bangladesh (1974), kwamen er uit die landen helemaal geen vluchtelingen aankloppen op de Europese achterdeur. Om te kunnen vluchten naar Europa moet je enige financiële reserves hebben. Die hadden de Biafranen en Bengalezen niet.
     De dag van vandaag kost een oversteek van Libië naar Italië alleen al 1000 euro voor een volwassene en 500 euro voor een kind. En dan hebben we het nog niet over de kosten om in Libië te geraken, of om van Italië in een ander, meer gewenst land te komen. Veel vluchtelingen betalen tot 4000 euro per man voor een combinatie van vliegtuig- en bootreis. Er bestaan goedmenende lieden die geloven dat de immigratiestroom alleen kan worden gestopt door een versnelde economische ontwikkeling van de arme landen. Op lange termijn is dat zo. Maar op korte en middellange termijn is het net omgekeerd: door die economische ontwikkeling krijgen meer mensen de financiële middelen die nodig zijn om de vlucht naar Europa te wagen.

     De academica schrijft ook iets over de mensensmokkelaars. Goed, ze bestaan, ze geeft het toe, en ze houden er ‘drieste praktijken’ op na waarvoor ze ‘vervolgd zouden moeten worden’. Maar ’t zijn anderzijds ook maar mensen die ‘proberen een alternatieve overlevingseconomie aan te boren’. Ja, zo kun je het ook bekijken. ‘Vluchtelingen hebben mensensmokkelaars nodig.’ Voorwaar een nuchtere zienswijze. Mensensmokkelaars zijn ‘niet de oorzaak, maar een gevolg van de vluchtelingencrisis’, schrijft de academica. Ik twijfel er niet aan. ‘De jacht op mensensmokkelaars,’ voegt ze er nog aan toe, is al te veel een voorwendsel geworden om de vluchtelingenstroom in te dijken.’ Goed, goed, we hebben het begrepen. De academica wil niet te veel indijken.
     En hoe wil ze de mensensmokkel dan aanpakken? Eenvoudig. Door vluchtelingen asiel te laten aanvragen in hun land van herkomst en hen vervolgens naar hier te laten komen langs ‘alternatieve, veilige en legale routes’. Het zou de vluchtelingen ‘een dure en onmenselijke reis kunnen besparen, zowel in het geval van erkenning als van niet-erkenning’. Is er dan ook niet-erkenning?, vraag je je verschrikt af. Ja, er is ook niet-erkenning! Want ‘natuurlijk kunnen we niet alle vluchtelingen asiel verlenen’, aldus de academica.
     Die aanpak zal, vrees ik, niet goed werken. Eerst breid je de categorie van vluchtelingen uit tot de economische migranten, dan vergemakkelijk je de asielprocedure en zorg je voor een goedkope reis, en ten slotte ga je dan aan een deel van de arme drommels zeggen dat de boot vol is. Wedden dat die arme drommels zo snel als het licht een mensensmokkelaar onder de arm nemen om door een andere boot te worden overgezet. Ik zou die andere boot dan graag ‘illegaal’ willen noemen, maar de academica houdt niet van dat woord.

* Dr. Beeckmans schrijft de uitdrukking tussen aanhalingstekens. Ze haalt op het einde een academische gewoonte aan die ik niet kende. ‘[In de academische wereld] plaatsen we woorden die naast hun gangbare betekenis ook een andere invulling hebben of die omstreden zijn tussen aanhalingstekens.’ Ik zal daar in het vervolg eens op letten.

** Steven Pinker, in het besluit van zijn hoofdstuk ‘Inequality’ (2018, Enlightenment Now, p. 120): ‘As globalization and technology have lifted billions out of poverty and created a global middle class, international and global inequality have decreased.’ Je leest beter het hele hoofdstuk.

donderdag 14 juni 2018

Belgen wonen ruimer dan nodig

Molensloot - waar kapitein Haddock Bianca Castafiore ontvangt
     Ik zal nooit iets slechts zeggen over ons aardige huisje aan de bosrand, maar ’t is geen kasteel, en eigenlijk kun je toch niet helemaal gelukkig zijn als je niet in een kasteel woont. Dat kasteel moet dan liefst niet zo groot zijn als dat van Chambord, of dat van Citizen Kane in die film – liever iets als Molensloot van kapitein Haddock, of dat landhuis van Milou en mai, of zo’n neo-gotisch optrekje midden in een parkje, zoals je vaak ziet langs de kant van de weg als je ergens naartoe rijdt. Zelf heb ik het geluk om op een kasteelachtige school les te geven, met ruime lokalen, hoge muren, brede gangen, royale trappen en een uitgestrekt park. De verkwisting van ruimte is er hartverwarmend.
     Zo’n kasteel – ’t is vind ik de enige beschaafde manier van wonen. Iedereen zou er eentje moeten hebben. Ook het dienstmeisje dat er het stof opneemt en de butler die er opdient zouden ’s avonds thuis moeten komen in woning van vorstelijke afmetingen. Soms zie je interviews met rijke mensen uit Hollywood, oude filmsterren of populaire zangers of producers, en die zitten dan hun verhaal te vertellen in een kamertje van vier op vier, met de rug tegen de muur gedrukt, in een fauteuil die te veel te groot is voor de krappe ruimte. Zielig vind ik dat.
Château du Calaoué waar Milou in mei zijn gasten ontvangt
     Iedereen een kasteel? Wij zijn er nog lang niet, maar in ons land zijn we al wat dichter bij dat ideaal dan andere landen. Europa houdt daar statistieken van bij. ’t Zijn helaas niet de cijfers die ik zou willen weten, namelijk die van de hoeveelheid vierkante meter woonruimte waarover de gemiddelde Belg, Nederlander, Fransman of Maltees beschikt. Of liever nog: van de hoeveelheid kubieke meter, want de hoogte van de kamers telt ook mee. Ik ben opgegroeid in een huis met hoge kamers.
     Maar de Europese cijferaars hebben dus geen kubieke meters geteld. Ze hebben geteld hoeveel slaapkamers een gezin heeft per aantal gezinsleden, zonder de grootte of de hoogte van die slaapkamers mee te tellen.* En aangezien het om Europa gaat, heeft men meteen een Europese norm uitgewerkt voor dat aantal slaapkamers. Als je bijvoorbeeld een gezin hebt met twee kinderen van hetzelfde geslacht en die zijn jonger dan twaalf jaar, dan hebben die recht op één gemeenschappelijke slaapkamer. Maar als er eentje ouder wordt dan twaalf, moet het gezin verhuizen zodat de kinderen elk een aparte slaapkamer krijgen – anders wordt niet aan de norm voldaan. Zo’n twee jongens of zo’n twee meisjes – één van twaalf en één van dertien – op één kamer, dat kan Europa moeilijk goedkeuren, dat begrijp je wel.
     In ons land valt het in elk geval goed mee. Slechts 5 procent van de bevolking woont krapper dan de norm en 67 procent  woont ruimer dan de norm, wat De Standaard van 13 juni dan verwoordt als ‘ruimer dan nodig’. Dan nodig? Ik zal het maar meteen toegeven: wij wonen ruimer dan nodig, want we hebben drie slaapkamers en maar één kind. We reizen ook verder dan nodig, we baden ons vaker dan nodig, en we eten grotere ijsjes dan nodig. Ik zit langer achter de computer dan nodig, mijn vrouw ververst de lakens vaker dan nodig, en mijn zoon voetbalt scherper dan nodig. Naar zijn punten te oordelen, studeert hij ook harder dan nodig. En ik denk dat we met het hele gezin– als we het oude Indische ascetisme als maatstaf nemen – frequenter inademen dan nodig.
     Uitstekend nieuws dus: wij Belgen wonen ruimer dan nodig. Maar we moeten niet op onze lauweren rusten. In 2012 woonde nog 73 procent van de Belgen ruimer ‘dan nodig’ en nu maar 67 procent meer.Wij zijn dus zes procentpunten gezakt. Wij zijn potverjandriedubbeltjes ingehaald door Cyprus, terwijl we enkele jaren geleden nog drie procentpunten voor lagen op die eilandbewoners. Het is tijd dat we die inzinking te boven komen. Op naar de 100 procent overschrijding van de norm! En op middellange termijn: iedereen zijn kasteel!


* Ook de keuken met kookeiland, de studeerkamer en het biljartzaaltje worden in de Europese cijfers niet in rekening gebracht.

zondag 10 juni 2018

Nogmaals over de 1000+ academici

     Nu zouden er al meer dan 1200 academici de open brief ondertekend hebben waar ik gisteren over schreef. Marc Ernst heeft uitgerekend dat dat meer dan 3 % is van het totale aantal academici. Ik heb de lijst van ondertekenaars niet overlopen, want ik ken die mensen niet, maar ik hoor van anderen dat er dit keer ook normale geleerden bij zijn, mensen die niet ’s morgens opstaan en meteen gaan tobben over de polarisering in onze samenleving en hoe ze die kunnen bestrijden – of misschien wel aanwakkeren. En toch hebben die mensen allemaal een stuk ondertekend waarvan Maarten Boudry terecht schrijft dat het ‘slordig’, ‘lichtzinnig’, ‘belabberd’ en ‘aanstellerig’ is. Hij noemt het verder nog ‘slappe kost’.
     Als ik erg mijn best doe kan ik die ondertekenaars een heel klein beetje begrijpen. Ik zou zelf ook wel een slap geschreven en slecht beredeneerd stuk ondertekenen als in Saoedi-Arabië of Soedan een homoseksueel of een overspelige vrouw werd terdoodveroordeeld. Ik weet niet eens of ik een petitie daartegen wel helemaal zou lezen. Als ik mij maar herkende in de algemene strekking van het stuk.
     Ook realiseer ik mij ik dat mensen nu eenmaal van mening verschillen zodra men het domein van de wiskunde en de natuurwetenschap verlaat. Theo Francken tweette dat de rectoren met hun Mawda-verklaring ‘de boomerang in hun gezicht’ konden krijgen. Dat was een onduidelijke uitspraak en ze komt in de open brief ter sprake. Jan Demolyn ziet er een flagrant dreigement van Francken in dat die de herverkiezing van de rectoren wil dwarsbomen en de subsidies van de universiteiten wil afpakken. Ik zie er een waarschuwing in om geen uitspraken te doen over individuele dossiers waar je het fijne niet van weet. Misschien hebben we allebei ongelijk.
     Wat veel ondertekenaars trachten te doen, is geloof ik, hun gevoelens uitdrukken over het drama van het doodgeschoten meisje. We kennen die gevoelens dankzij dr. Kübler-Ross – ‘that chick from Chicago, man, who without the benefit of dying herself has broken up the proces of death in five stages’.  ‘Depression’ is een van die gevoelsstadia, en ‘denial’, en ‘acceptance’, maar toch in de eerste plaats ‘anger’ - woede en verontwaardiging. En die verontwaardiging heeft een ankerpunt nodig, een schuldige.
     In de Nederlandse les vertel ik soms iets over sensatiejournalistiek. Je leest in Bild, zeg ik dan, of in een soortgelijk blad, een sterk verhaal. Een vader gaat winkelen met een baby in de wagen. De vader koopt een zak aardappelen en plaatst die in de koffer. Dan komt uit die zak aardappelen een rat gekropen die de baby bespringt en diens halsslagader overbijt. Overal bloed. De baby is dood. Dat verhaal, ga ik verder, is om twee redenen ongeloofwaardig. Eén, er zitten geen ratten in de aardappelzakken en twee, een sensatiejournalist zou dat verhaal nooit zo brengen. Hij laat die vader eerst nog de auto uitstappen om sterke drank of sigaretten te kopen, en terwijl hij het kind alleen achtergelaten heeft om zijn verslaving te voeden, slaat de rat toe. Het kind is doodgebloed voor de vader weer bij de auto komt, want hij heeft eerst nog een sigaret gerookt of een borrel gedronken. Dat is pas een verhaal, met een heuse Dickensian villain in een prominente rol.
     Het Koerdische meisje Mawda is waarschijnlijk het slachtoffer geworden van een heel ongelukkige samenloop van omstandigheden. Boos opzet is weinig aannemelijk. Maar kunnen we dan werkelijk níemand als boosdoener aanwijzen? Dat zou bitter zijn. Er zijn anders kandidaten genoeg: de roekeloze politie-agent, de onnadenkende ouders,  de mensensmokkelaar die het voertuig bestuurde. Helaas wil niemand zeggen wie het voertuig bestuurde, zwijg je beter over ouders die net hun kind verloren hebben – en die politieagent die het ongelukkige schot gelost heeft … als je er even over nadenkt, krijg je vooral medelijden met de man. Dat helpt ons niet veel verder.
     Gelukkig hebben we met academici te maken. Voor zulke mensen mag de Dickensian villain gerust een abstractie zijn: de dehumanisering van vluchtelingen, de verharding van de samenleving, het polariserend discours. Dat klinkt goed. Of die dehumanisering, die verharding en die polarisering ook echt plaats vinden is een andere zaak. Ik zou het niet weten. De open brief heeft in elk geval heel weinig gedaan om het te bewijzen. Maar de broosheid van de bewijzen wordt meer dan vereffend door de zwaarte van het drama op de achtergrond. Wie wil over bewijzen zeuren als een kind is omgekomen? 
     Sommige van de academici – de besten onder hen vermoed ik –  hebben met de open brief eigenlijk een soort rouwregister willen ondertekenen. Wát ze ondertekend hebben is een politiek pamflet.

vrijdag 8 juni 2018

1042 academici tegen Theo Francken

     1042 academici hebben een opiniestuk ondertekend waarin ze de ‘dehumanisering van vluchtelingen’* en de ‘beperking van de vrije meningsuiting’ aanklagen. Als actoren van die dehumanisering en die beperking citeert men Theo Francken (N-VA), Tom van Grieken (Vlaams Belang), de media, het politieke debat en het publieke discours. Maar toch vooral Theo Francken.
    Waar ziet men die ‘dehumanisering’ in het publieke discours? De auteurs halen aan dat er over immigranten gesproken wordt in termen van (a) vluchtelingenstrómen; (b) migratiególven; en (c) illegalen. Dat zijn, ondanks de 1042 academische ondertekenaars, zwakke argumenten. Die ‘stromen’ en die ‘golven’ zijn algemeen aanvaarde woorden om grote menselijke verplaatsingen of evoluties aan te duiden. Als onze directeur over leerlingenaantallen spreekt gebruikt hij woorden als a-stroom, b-stroom, instroom, uitstroom en zij-instroom. En een feministe spreekt vlot over de eerste, de tweede en de derde golf. Noch onze directeur, noch die feministe heeft daarbij als doel om de leerlingen of de zusters te dehumaniseren.
    En dan ‘illegalen’. In het Frans noemt men die mensen ‘les sans-papiers’. Dat Franse woord vind ik iets te hol. Het klinkt alsof die mensen er helemaal niets aan kunnen doen dat ze geen papieren hebben, alsof ze die ergens op straat verloren zijn, alsof ze ze die ergens hebben gelegd en nu vergeten zijn wáár ze die hebben gelegd. Het Nederlandse woord ‘illegaal’ vind ik dan weer te beladen, omdat het doet denken aan illegale wapenhandel, illegale vakantiewoningen, illegaal vuurwerk, illegaal kamperen, illegaal films downloaden en illegale huiszoeking – allemaal zaken die je ook op morele gronden kunt afkeuren. Maar dat mensen het land binnenkomen zonder onmiddellijk asiel aan te vragen, of dat ze in het land blijven nadat ze het wettelijke bevel kregen het land te verlaten, dat kan ik die mensen eigenlijk niet kwalijk nemen.  Hoe zou ik zelf zijn als ik in hun plaats was?
     ‘Illegaal’ is dus een enigszins beladen woord. De hysterie in het opiniestuk kan ik evenwel niet vatten. ‘Migreren zelf,’ lees ik,  ‘wordt als een te vervolgen crimineel feit beschouwd, getuige het gebruik van het woord ‘illegaal’.’ Maar dat is helemaal niet zo. Je kunt het woord ‘illegaal’ best gebruiken zonder migreren als een crimineel feit te beschouwen, waar een straf op moet volgen. Niemand wil die illegalen een boete opleggen of ze in onze gevangenissen houden. Integendeel. Het enige wat men wil is die illegalen het land uit krijgen. Dat is geen straf uit het strafwetboek.
     Stromen, golven en illegalen - is dat alles wat het opiniestuk aan ‘dehumanisering’ te bieden heeft? Ongeveer, wel. Er wordt nog iets gezegd over het ‘ontzeggen van emoties aan rouwenden bij het graf van een kind’. Dat is geloof ik een verwijzing naar het doodgeschoten meisje Mawda en een uitspraak van Bart De Wever daarover. Hoe hier emoties ‘ontzegd’ werden, is mij niet duidelijk, ook al heb ik de betekenis van het woord ‘ontzeggen’ nog eens opgezocht. Verder wordt vermeld dat ‘sommigen het zelfs nuttig [vinden] om een prijs op hen [de vluchtelingen] te plakken’. Ja, zo kan ie wel weer. Jarenlang kon ik stukken lezen over vluchtelingen die geld zouden opbrengen, maar nu men dat eens ernstig wil berekenen, is het weer niet goed. Een economische berekening uitvoeren wordt nu ‘een prijs plakken’ op een mens. Nou, nou. En zou die gedachtegang dan niet moeten gelden voor álle economische berekeningen, want die gaan altíjd over mensen.
     Dat hele gedoe over dehumanisering is wat mij betreft grotesk. Maar het meeste heb ik mij gestoord aan het tweede deel van het opiniestuk, onder het kopje ‘Beperking van de vrije meningsuiting’. Francken had gereageerd op een open brief van de rectoren waarin ze bedekte kritiek gaven op zijn beleid. Francken had daarop getweet ‘Als de rectoren een politiek spelletje willen spelen over immigratiedossiers, zullen ze de boomerang in hun gezicht krijgen. Zowel inhoudelijk als publiek.’ Volgens het opiniestuk is dat ‘niet mis te verstaan als een dreigement aan het adres van de rectoren en bijgevolg aan de hele academische gemeenschap’.
     Ik heb een radicaal-linkse vriend die op dezelfde manier elke polemische uithaal van N-VA naar een politieke tegenstander, naar een journalist of naar een open-grenzenadvocaat als ‘intimidatie’ opvoert. Maar als dat zo is, dan zou elke uithaal náár N-VA – van een politieke tegenstander, van een journalist of van een open-grenzenadvocaat – ook een intimidatie moeten zijn.
     Om geloofwaardig over intimidatie te kunnen spreken moet degene die verbaal intimideert ook werkelijk de middelen hebben om het leven van de geïntimideerde te verpesten – anders krijg je dreigementen van het type ‘One wrong move and I'll bleed all over you.’ Je kunt redelijkerwijze maar van intimidatie spreken als er een of andere vorm van machtsrelatie bestaat. En die machtsrelatie bewijs je niet door erop te wijzen dat N-VA de machtigste partij in het land is. Die machtigste partij van het land heeft geen macht over advocaten, over de pers, en over haar politieke tegenstanders – en al zeker niet over de universiteiten. Wat stelt men zich bij die laatste intimidatie eigenlijk voor? Dat de regering, op aandringen van Jambon, Van Overtvelt en Vandeput, de rectoren uit hun functie ontheft? Dat ze weerspannige universiteiten belangrijke subsidies ‘ontzegt’ (als ik dat woord op mijn beurt eens mag gebruiken?).
     Eerlijk gezegd, ik heb mij zelf ook het hoofd gebroken over de tweet van Francken. Wat bedoelde hij toch met die ‘boomerang’? Pas bij de vervolgtweet ging mij een licht op. ‘Rectoren mogen zich uiteraard uitspreken,’ schreef Francken in die tweede tweet, ‘maar over individuele migratiedossiers waarover nog zoveel onduidelijkheden zijn, is men beter wat voorzichtig. Dat is wat ik met die ‘boomerang’ bedoelde.’ Ik lees dat als volgt: buitenstaanders weten een aantal dingen niet die ik wel weet maar niet mag zeggen; als die dingen na het onderzoek geopenbaard worden, zou wel eens kunnen blijken dat hier en daar te voortvarend werd gereageerd.



* De auteur omschrijft dehumanisering als ‘het zien van de Ander als minder mens dan wij’. Wat later schrijft hij dat ‘dehumanisering een vrijgeleide [geeft] om de ander als minderwaardig te beschouwen’.  Dan zou die dehumanisering waarempel een vrijgeleide geven om te dehumaniseren. Ja, als je het zo bekijkt …

dinsdag 5 juni 2018

De atoombom en de opwarming van de aarde

     Sinds er atoombommen bestaan, is men altijd beducht geweest dat die ook zouden worden gebruikt. Maar die vrees ging op en af, en het lag ook aan het milieu waar je kwam. Verlichte geesten in de jaren zestig hadden er het meest last van. Stanley Kubrick wijdde er een film aan, Robert Bolt een toneelstuk of drie, en Boudewijn de Groot zong hoe hij “met alle andere baarden op de bom te wachten zat”.
     Maar in de jaren zeventig was men alles al een beetje vergeten, en dat was jammer. De maoistisch-communistische partij ‘Alle Macht’* waar ik toe behoorde, had net in die jaren het bouwen van atoomschuilkeders als haar belangrijkste programmapunt vastgelegd. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 werden we daarvoor in ons gezicht uitgelachen. Andere partijen kwamen op voor betere straatverlichting, een gemeentelijke zwembad en een extra tennisveld, en wij gingen donkere kelders bouwen waar je hoogstens een pingpongtafel kon plaatsen.
     Toch hadden we onze redenen. Communistisch China – ons lichtend voorbeeld – lag rond die tijd in ruzie met communistisch Rusland, en dus zagen ook wij in Rusland een vijand waartegen we ons moesten beschermen. In mijn cel – een communistische partij bestaat niet uit afdelingen maar uit ‘cellen’ – in mijn cel dus stond de kwestie van de oorlogsdreiging vaak op de agenda. Je had de trouwe aanhangers van de partijlijn die stelden dat een oorlog ‘onvermijdelijk’ was, en je had een dissidente strekking – één man eigenlijk – die volhield dat een oorlog ‘bijna onvermijdelijk’ was. Je begrijpt dat zoiets tot bittere discussies moest leiden.
     We hadden ons die discussies kunnen besparen. Al die tijd bestond er immers, zonder dat we het wisten, een Bulletin of the Atomic Scientists waar de beste atoomgeleerden aan meewerkten en dat het precieze oorlogsgevaar elke maand opnieuw berekende. Dat gevaar werd weergegeven door een klok op de voorpagina waarvan de minutenwijzer aangaf hoeveel minuten het was vóór twaalf. In 1947 stond de wijzer op 7 minuten vóór. In 1953 stond die al op 2 minuten vóór.* Maar in 1974, toen wij van deur tot deur ons idee van de atoomschuilkelders verkochten, was de wijzer gezakt naar 12 minuten, wat bewijst dat onze dissidente kameraad niet helemáál ongelijk had. En in 1991, na het einde van de koude oorlog, waren we al 17 minuten verwijderd van een allesvernietigende nucleaire catastrofe.
     17 minuten! Dat is je lezer voor de gek houden. Die koopt dat blad om iets over het einde van de wereld te lezen, en dan wordt hem doodleuk meegedeeld, dat de catastrofe voor onbepaalde tijd is uitgesteld. Gelukkig heeft de redactieraad het gevaar tijdig ingezien. ‘Waarom zouden we al onze eieren in één korf leggen,’ vroegen de atoomgeleerden zich af. ‘Die opwarming van de aarde waar iedereen de mond van vol heeft, zou dat ook niet iets voor ons zijn? Kunnen we die milieubedreiging niet optellen bij onze eigen bedreiging?’
     Zo gezegd, zo gedaan. De opwarming van de aarde werd vanaf 2007 opgeteld bij de dreiging van een atoomoorlog. Sindsdien staat de klok op de voorpagina van het Bulletin weer op een alarmerende 2 en een halve minuut voor twáálf. Je zou kunnen zeggen dat het gevaar geweken is.

 
*Voluit: Alle Macht Aan De Arbeiders - de voorloper van de huidige PVDA.

** Tijdens de Cubacrisis eind 1962 stond de wijzer gelukkig op een veiliger 7 minuten vóór. Misschien hebben Kennedy, Chroestsjow en Fidel Castro daar wel rekening mee gehouden.