zaterdag 30 september 2017

Luckas Vander Taelen is een oudere witte man

     Enkele weken geleden was er ruzie over een scoutsaffiche die reclame maakte voor de jaarlijkse ‘Oerwoudfuif’*. Op die affiche staat een zwart jongetje afgebeeld, eentje met erg grote oren, ontzaglijke oogkassen en enorm dikke lippen. Ook heeft hij kroeshaar en lacht hij een beetje dom.  Zekere Dalilla Hermans, redactrice en schrijfster, had de affiche ergens opgemerkt en vond ze kwetsend. Daar valt iets voor te zeggen.  Die lippen waren, zoals ik al zei, enorm dik. Mevrouw Hermans zei verder nog dat de affiche de koloniale periode en de slavernij goedpraatte. Dat begrijp ik minder goed. Maar ik leg al op zoveel slakken zout.
     Luckas Vander Taelen schreef een open brief – ‘met heel veel respect’ – aan Dalilla. Luckas wees erop dat Afrikanen er nu eenmaal erg verschillend uitzien van ons, dat vrolijkheid geen misdaad is en dat karikaturisten van beroepswege overdrijven. Hij legt uit dat kwetsen er in een vrije samenleving nu eenmaal bij hoort en dat hij als Roodharige met Flaporen vaak is gekwetst. Ook hij heeft een punt.
     Ik heb de standpunten van Dalilla en Luckas  met grote gelijkmoeidigheid gelezen.
     Maar nu heeft iemand anders alweer een andere open brief geschreven aan Luckas. ’t Is dan nog een oud-leerlinge van hem, kunsthistorica Laurence Ostyn. Die vindt dat haar oud-leraar ‘als witte man van middelbare leeftijd … in een uitermate ongeschikte positie [verkeert] om commentaar te leveren op racisme.’
     Als ik zoiets lees word ik erg ongerust.
     De kunsthistorica betoogt dat onze maatschappij bepaalde voorrechten toekent als je (1) man bent, (2) van middelbare leeftijd bent en (3) een witte huidskleur hebt. De argumenten die ze daarvoor aanhaalt zijn nogal mallotig. Zo wijst ze erop dat witte kinderen leren over hun witte voorouders, dat witte mensen als goed worden voorgesteld in onze media en dat witte mensen aan de top staan van onze bedrijven. Dat alles bewijst volgens haar het witte privilege. Om alleen over dat laatste iets te zeggen: er zijn heel wat meer witte mensen in de onderste rangen van onze bedrijven dan aan de top ervan.
     Het mannelijke privilege blijkt volgens de kunsthistorica onder andere hieruit dat het lastig is om vijf vrouwelijke politici, vijf vrouwelijke filmmakers of vijf vrouwelijke historische figuren op te noemen.  Lastig is dat inderdaad. Als mevrouw Ostyn mij op straat met zulke vragen overviel, zou ik wellicht niet eens vijf zelfstandige naamwoorden kunnen opnoemen. Die twee vrouwelijk regisseurs die ik ken zou ik zeker vergeten zijn. Vijf vrouwelijke historische figuren, dat zou wel gaan. De vrouw van Hendrik II Plantagenet, hoe heet ze ook weer. De grootmoeder van Karel de Grote, die met de grote voeten. De moeder van Karel V, die aan een psychische aandoening leed. De minnares van Caesar en Antonius, je weet wel, die Egyptische. De dochter van Karel de Stoute, die door de wolven opgevreten werd – Karel bedoel ik, niet zijn dochter.
     Het is moeilijk om bij de argumenten als die van mevrouw Ostyn helemaal serieus te blijven. Maar eigenlijk wil dat niet veel zeggen. Er bestaan voor haar voorrechtentheorie ook heel goede argumenten die we gemakkelijk ergens anders kunnen vinden.
     Mij gaat het om iets anders. Mevrouw Ostyn beweert dat een witte man van middelbare leeftijd zich eerst ‘bewust [moet] worden van de maatschappelijke privileges die [hij] onterecht geniet.’ Eerst moet hij zich ‘verontschuldigen’.  Eerst zal hij ‘ van die witte troon af moeten …  stappen’. En daarna pas kan hij aan het debat deelnemen.
     Maar zo werkt het niet. Als je in debat treedt met iemand, dan treed je in debat met iemand die een andere mening heeft dan jijzelf: over racisme, over discriminatie, over karikaturen, over de plaats van de ouder wordende witte man in de samenleving. Je kunt niet vragen dat die persoon eerst toegeeft dat hij fout is, zich verontschuldigt en van mening verandert vóór het debat begint. Dat kan nog altijd aan het einde van de discussie.
     Mevrouw Ostyn gaat ervan uit dat de opvattingen van witte mannen van middelbare leeftijd worden bepaald door hun maatschappelijke positie. Dat het bewustzijn van mensen wordt bepaald door hun maatschappelijk zijn, zoals Karl Marx dat indertijd zo kernachtig verwoordde.  Misschien is dat halvelings waar. Maar voor wie een correct debat wil voeren doet het weinig ter zake. De opvattingen van een oude witte man of van een jonge zwarte vrouw zijn logisch opgebouwd of niet, ze zijn redelijk of onredelijk, ze worden door de feiten bevestigd of tegengesproken. Uitmaken wat logisch, redelijk of feitelijk waar is, vergt moeilijke en zorgvuldige discussies. Daar zou ik niet ook nog eens de huidskleur, het geslacht of de leeftijd van de gesprekspartner bij betrekken.
     In kringen van Amerikaanse politiek correcten verneemt men al te vaak de kreet: ‘check your privilege’. Het is de eerste keer dat ik de kreet hier in Vlaanderen verneem, in bijna gelijklopende bewoordingen. Hopelijk wordt het geen gewoonte.


* Het verband tussen oerwoud en zwarten ligt minder voor de hand dan vroeger. ik heb ergens gelezen dat altijd maar minder Afrikanen echt nog in het oerwoud wonen omdat ze allemaal aan het verhuizen zijn van het platteland naar de stad.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.
.

maandag 25 september 2017

Paul Goossens vs. Theo Francken

     Volgens onderzoek worden stukken met ‘Theo Francken’ in de titel meer gelezen dan andere. ‘t Is een bekende naam, en mensen lezen graag over iets wat ze al kennen. Maar de naambekendheid van Francken zit Paul Goossens, oud-hoofdredacteur van De Morgen, niet lekker. In De Standaard van 23 september schrijft hij een uitgebreide column over en tegen Francken, waarbij hij de naam Francken zorgvuldig vermijdt. In het laatste zinnetje heeft Goossens het over ‘hij, de staatssecretaris zonder scrupules’. Ik begrijp dat. Karl Popper schreef een lang pamflet in twee delen tegen Hitler zonder de naam Hitler ook maar één keer te vermelden.
     Goossens slaat met een stevige stok. Waar Francken samenwerkt met het regime van Soedan om illegaal in ons land verblijvende Soedanezen te identificeren, wijst hij, Goossens, erop dat Soedan geen fijn land is, en president al-Bashir geen fijne leider. Al-Bashir is gedagvaard voor volkerenmoord door het Strafhof in Den Haag. Hij heeft oorlogen en burgeroorlogen uitgelokt waarbij meer dan twee miljoen slachtoffers vielen. Hij heeft waterputten vergiftigd, massamoorden bevolen en tegenstanders laten opsluiten en martelen. Het staat allemaal in de rapporten van Amnesty International.
     Goossens ziet de samenwerking met Soedanese ambtenaren - volgens hem leden van de geheime politie - als een eerste stap om de Soedanese vluchtelingen uit te leveren aan hun beul. De Belgische regering ontkent dat. Volgens haar kunnen de vluchtelingen nog altijd asiel aanvragen in ons land, maar willen ze dat zelf niet. Ze willen naar Engeland. Aan de andere kant staat Goossens niet alleen met zijn vrees dat identificatie uiteindelijk zal leiden tot uitwijzing naar het land van herkomst. De groene en socialistische oppositiepartijen beweren ongeveer hetzelfde.
     Wat ik daarom niet goed begrijp, is dat Goossens zo’n sterk dossier verknoeit met allerlei kinderachtigheden. Waarom beweert hij bijvoorbeeld dat Kim Jong-un ‘een koorknaap’ is vergeleken met al-Bashir? Je kunt als je wil - binnen een ethische redenering - de bloeddorst van twee regimes tegen elkaar afwegen. Maar dan moet je beslagen ten ijs komen. Maarten Boudry heeft dat onlangs gedaan door het nazisme met de Islamitische Staat te vergelijken. En hoewel hij van die twee regimes wel iets afwist, is op zijn stuk veel reactie gekomen. Maarten heeft zich zijn vergelijking achteraf wellicht beklaagd. Maar Goossens spreekt achteloos over Kim die ‘ongetwijfeld … tientallen, misschien zelfs honderden, zo niet duizenden doden op zijn geweten heeft’. Tientallen, honderden, duizenden ... heel precies is dat allemaal niet. Ook had Goossens beter de slachtoffers van de héle Kim-dynastie bij zijn vergelijking betrokken. Maar daar heeft hij even niet aan gedacht. ‘Goossens, die van toeten noch blazen weet als het over geschiedenis gaat …,’ zei zijn vroegere strijdmakker Ludo Martens vaak op interne vergaderingen.
     Waarom schrijft Goossens verder dat een democratisch land nooit zaken moet doen met een dictatuur? Dat is een regel die geen enkel democratisch land bij mijn weten ooit heeft gevolgd. Goossens schrijft dat voor die regel zelfs geen argumenten moeten worden gegeven. Wie die regel niet volgt doet immers aan ‘realpolitiek van de meest cynische soort’. Hier is Goossens in elk geval trouw aan zichzelf want dat laatste is inderdaad geen argument. Net zoals het geen argument is om Goossens’ stelling ‘utopisme van de meest naïeve soort’ te noemen.
     En ten slotte: waarom noemt Goossens het verbod om zaken te doen met dictaturen ‘een categorische imperatief’? Als je er graag Immanuel Kant bij betrekt, doe het dan goed. Je kunt niet spreken van ‘een’ categorische imperatief. Er is bij Kant maar één categorische imperatief, dé categorische imperatief, en de laatste keer dat ik het nagekeken heb - een half uurtje geleden -, was dat niet de regel die Goossens formuleert.



Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

dinsdag 19 september 2017

De troost van de muziek


     Ik was niet van plan om zondag naar de uitzending over Theodore Dalrymple te kijken. Ik zou ze wel opnemen en er later eens naar kijken. Maar omdat mijn vrouw en mijn zoon wel aan het kijken waren, heb ik me ook maar op de sofa genesteld. Dalrymple was vriendelijk – met een tikje zelfspot –,  minder zelfzeker dan in zijn boeken, aarzelend zelfs. Over de godsdienst was hij erg middle-of-the-road. Hij was niet gelovig, dat niet, maar hij was ook niet antireligieus. Veel mensen haalden troost uit hun geloof, zei hij.
     Zou dat waar zijn, van die troost? In de generatie van mijn ouders en grootouders geloofden ze allemaal min of meer – toch in mijn familie. Zouden die allemaal troost in hun godsdienst hebben gevonden? Je kunt zoiets aan de gelovigen zelf vragen natuurlijk, maar de antwoorden die je dan krijgt, zijn niet erg betrouwbaar. De mensen zijn slecht ingelicht over hun eigen motieven, schreef Karel van het Reve.
     Waar ik wel in geloof is de troost van de muziek, en wel op die ogenblikken dat je troost nodig hebt. Niemand zal mij kunnen verwijten dat ik te veel aandacht besteed aan huishoudelijk werk. Als ik gegeten heb, laat ik gewoon alles op de eettafel staan, behalve de bederfelijke waren die in de koelkast moeten. Soms breng ik iets naar het aanrecht. Maar een uur voor mijn vrouw thuiskomt – en dat is ‘s avonds laat – slaat de angst toe. Dan begin ik met tegenzin de tafel af te ruimen, bruikbare etensresten op te bergen, de vaatwas van gisteren leeg te maken, de nieuwe vaat voor te spoelen, de vaatwas te vullen, pannen schoon te maken, enzovoort. Ik doe dat niet graag. En omdat ik heel traag werk, en mijn werk voortdurend onderbreek, duurt het ook nog eens lang. Schopenhauer beweert dat de mens heen en weer wordt geslingerd tussen ellende en verveling, maar tijdens huishoudelijk werk slaag ik erin me tegelijk ellendig te voelen én me te vervelen.
     Dat is nu allemaal anders. Ik heb onlangs het Wohltemperierte Klavier in huis gehaald, in de versie van Glenn Gould. Sindsdien verlang ik bijna naar de avondlijke huishoudklus, want het is een reden om de preludes en de fuga’s in de woonkamer te laten weerklinken. Wat is dat toch voor wonderlijke muziek! Nochtans was er een tijd dat ik dat Wohltemperierte niet lustte. De stukjes muziek leken mij een onbegrijpelijke klankenbrei. Ik heb ze eens, vijftien jaar geleden ongeveer, allemaal beluisterd op een lange busreis. Ik werd er lichtjes misselijk van. Dat kan natuurlijk ook aan het geschommel van de bus hebben gelegen.
     In een beroemd gedicht* schrijft Lars Gustafsson dat er ooit een wereld moet hebben bestaan waar de muziek van Bach nog niet bestond. Dat kan best waar zijn voor laat ons zeggen de Brandenburgse Concerten. Prachtige muziek, maar ‘t is muziek uit de pruikentijd. Die muziek bestond niet in de vroege middeleeuwen, en ook niet in de antieke wereld. Maar Das Wohltemperierte Klavier? Die muziek moet altijd hebben bestaan, zoals het Amerikaanse continent en het periodieke stelsel altijd hebben bestaan. Alleen moest ze nog worden ontdekt, net zoals dat continent en dat stelsel. Bach heeft hier de rol gespeeld van Columbus vóór hem en Mendeljev na hem.
     Gufstafsson moet dat geweten hebben. Als je het gedicht aandachtig leest, zegt hij nergens dat de muziek vroeger niet bestond – alleen dat hij niet werd gehoord, dat hij niet werd gespeeld. Het Muzikalisches Opfer en het Wohltemperierte ‘waren nog nooit over een claviatuur gegaan,’ schrijft hij. Overal had je ‘onwetende instrumenten’. En dat is waar natuurlijk. Maar die noten, die volgorde en die samenklank, die moeten altijd hebben bestaan. Die zijn eeuwig.


Zie ook hier en hier.

De stilte van de wereld voor Bach

Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld eruit? Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan.
Eenzaam gelegen kerken
waar de sopraanstem uit de Johannes Passion
zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde
rond de mildere windingen van de fluit,

weidse zachtmoedige landschappen
waar alleen oude houthakkers met hun bijlen horen te zijn
het gezonde geluid van sterke honden in de winter
en - als een slingerklok - schaatsen klauwend in glansijs;
zwaluwen zwermend in zomerlucht
schelp waar het kind aan luistert en nergens Bach, nergens Bach
schaatsstilte van de wereld voor Bach.

De stilte van de wereld voor Bach





 

 

 











zondag 17 september 2017

# Opkuisen

     In Keerbergen, waar ik woon, zie je ze niet vaak, maar in de Brusselse Noordwijk schijnt er een probleem te zijn met transitmigranten. In het Maximiliaanpark, lees ik, verblijven er tussen de vijfhonderd en zeshonderd van die mensen. Ze hebben geen verblijfsvergunning, sterker nog, ze willen geen verblijfsvergunning – ze willen alleen doorreizen naar Groot-Brittannië waar ze, helaas voor hen, niet welkom zijn.
     Zo’n situatie is niet gezond. Die vluchtelingen kunnen nergens terecht. Ze zoeken elkaar op, er komen er meer en meer, en voor je het weet krijg je zoals in Calais onhoudbare toestanden. En onhoudbare toestanden, dat weet iedereen, kunnen heel lang aanhouden. Dat kan dan weer leiden tot ‘overlevingscrimininaliteit’ waarbij de verschoppelingen der aarde brave burgers overvallen om een brood te stelen, zoals in een 19de-eeuws melodrama.  Dat is niet leuk als het om jouw brood gaat, dat je net bij de Turkse bakker om de hoek hebt gekocht. Je hebt genoeg geld om een tweede brood te kopen, maar daar gaat het niet om. De overval geeft je een gevoel van onveiligheid – hetzelfde gevoel van onveiligheid waar de transitmigranten ook onder lijden en dat volgens dr. Stephanie De Maesschalck leidt tot een verstoorde lichamelijke ontwikkeling, een versneld genetisch verouderingsproces, diabetes, angstaanvallen, depressies en slaapstoornissen. En dat is niet alles. In de buurt van zo’n transmigrantenpark kunnen hardvochtige kapitalisten opduiken – alweer zoals in een 19de-eeuws melodrama – aasgieren op zoek naar rechteloze vluchtelingen die ze dan aan een heel laag loon tewerkstellen terwijl ze tegelijk geen cent aan sociale bijdragen betalen.
     Hier moet worden opgetreden, zullen velen onder mijn lezers denken, menselijk, binnen de wet, maar kordaat. En dat betekent onder andere dat af en toe een groepje transitmigranten in het Maximiliaanpark moet worden gearresteerd. Theo Francken heeft in een tweet verslag gedaan van zo’n arrestatie en daar de hashtag ‘opkuisen’ aan toegevoegd. Na protest van alle kanten heeft hij de hashtag nader verklaard: ‘Ik kuis geen mensen op. Ik kuis problemen op.’ En voor de zekerheid heeft hij de hashtag verwijderd. Maar dat soort excuses overtuigt niet en de negatieve reacties bleven komen.
     Bij die negatieve reacties kan ik mij het beste vinden in die van Mark Van de Voorde, oud-hoofdredacteur van Kerk en Leven en gewezen speechschrijver van Yves Leterme en Herman Van Rompuy.  Van de Voorde geeft in ronde woorden toe dat er inderdaad een probleem is. Hij schrijft dat er ‘iets moet worden gedaan opdat de overlast aan het Brusselse Noordstation eindigt.’ En hij onderkent de complicatie van migranten die hier verblijven maar die hier geen asiel willen aanvragen. Je zou kunnen zeggen dat de opvattingen van Van de Voorde,  van Francken en van mij tot daar overeenkomen. Maar er zijn ook verschillen. Van de Voorde vindt het woord ‘opkuisen’ ongepast hard taalgebruik en dat vind ik ook, maar Francken blijkbaar niet. Verder meent de oud-hoofdredacteur dat met het woord ‘opkuisen’ de transitmigranten worden gelijkgesteld aan ‘zwerfvuil’. Dat vind ik dan weer een overhaaste conclusie.
     Of Francken transmigranten echt voor zwerfvuil aanziet,  kunnen Van de Voorde en ik niet weten. Slechts de Allerhoogste heeft het vermogen om hart en nieren te schouwen. Wat we wel weten is dat het stoere taalgebruik van Francken behoort tot een bepaald soort politiek spel dat door velen wordt gespeeld. Enige tijd geleden sprak Caroline Gennez over leerlingen uit het beroepsonderwijs als over ‘jongens met vuile handen’. Zelfs onze zachtaardige minister van Onderwijs vergeleek nog niet zo lang geleden slecht presterende leraren met ‘rotte appels’. ’t Is het soort kranige taal dat in een krantenkop terechtkomt, of, als soundbite, in het Het Journaal of in Het Nieuws.*
     Wat evengoed tot het politieke spel behoort, is de verontwaardigde reactie van politieke tegenspelers die de uitspraak zo ongunstig mogelijk interpreteren**. Als Francken twittert over ‘opkuisen’, twitteren oppositiepartijen en coalitiepartners over ‘de menselijke waardigheid’. Een linkse brildrager staat op en haalt de Lingua Tertii Imperii van Victor Klemperer uit de kast. En je ziet zoiets ook aan de andere kant van het politieke areaal. Toen Gennez haar uitspraak deed over de vuile handen verweet Koen Daniels haar dat ze een minachtende houding aannam tegenover een deel van de leerlingenpopulatie: ‘U blijft technische richtingen hier “de leerlingen met de zwarte handen” noemen. Hoe durft u?’ Daniels, die ik anders graag mag lijden, wist donders goed dat Gennez haar uitspraak niet minachtend had bedoeld. Maar de kans was te mooi om te laten liggen. Vooral omdat Gennez zich in haar tussenkomst zelf ook aan ergerlijke demagogie had bezondigd.
     Voor mij is dat allemaal niet nieuw. In 1973 was aan de middelbare scholen beroering ontstaan rond een plan om de legerdienst te vervroegen. Om de gemoederen van de Menense scholieren te bedaren kwam een heuse kolonel in de feestzaal van ons college uitleg geven over het plan. Op een bepaald ogenblik zei hij iets over paarden. Een medeleerling sprong verontwaardigd op en riep: ‘Hoe durft u ons met paarden vergelijken? Wij zijn geen paarden.’ Groot applaus was zijn deel.


* Dat die krachtige taal van ‘opkuisen’ en ‘vuile handen’ en ‘rotte appels’ – wat ook de bedoeling er van zij – ondertussen bij de bevolking een kwalijk beeld bewerkstelligt van transitmigranten, beroepsonderwijsleerlingen en leraren – dat zal ik niet ontkennen.

** De morele verontwaardiging die volgt op enkele sterke woorden van een politieke tegenstander – ’t is de norm. Het is het omgekeerde dat opvalt en een verklaring behoeft. Op de rotte-appelenuitspraak van onze minister van Onderwijs bijvoorbeeld is bij mijn weten weinig reactie gekomen. Toch is ook dat begrijpelijk. Geen leraar wilde de verdenking op zich laden dat hij zelf een slechte presteerder was. Niemand wou bij wijze van spreken voor rotte appel doorgaan. De christelijke vakbond was zelfs bijzonder mild. Misschien was het omdat de minister zelf tot de christelijke arbeidersbeweging behoort. Maar ‘t was niet de hoofdreden, geloof ik. Iemand die het politieke spel speelt, kijkt altijd verder dan de bewoordingen van een andere speler, ook al laat hij het anders voorkomen. In het geval van onze minister was het duidelijk. Iedereen begreep waarom ze zo’n stoere taal gebruikte. Het was om te verbergen dat zij niet van plan was om maatregelen te nemen tegen die slechte presteerders.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 16 september 2017

Grote oren

     Ik las van de week – ik weet niet meer waar – iets over de beroemde televisiejournalist Maurice De Wilde (1923-1998). Dat hij in zijn interviews achteraf vragen monteerde die hij tijdens het gesprek zelf niet had gesteld. Een beetje zoals die gladde William Hurt deed in de film Broadcast News. Dat is niet helemaal netjes. Door zo’n montage achteraf krijgen de antwoorden van de geïnterviewde misschien een kleur die ze eerst niet hadden. Mijn leerlingen mogen dat wel eens doen in een geschreven interview – een vraag toevoegen ter verduidelijking, of om een heel lang antwoord te onderbreken – maar dan moeten ze hun tekst achteraf – mét toegevoegde vragen – eerst laten goedkeuren door hun slachtoffer. Dat moeten ze trouwens altijd doen.
     Oudere televisiekijkers zullen zich herinneren dat Maurice De Wilde een groot talent had om boos te kijken. Hij is nog een poosje onderwijzer geweest, en ik ben blij dat ik nooit van hem les heb gekregen. Zijn truc was, geloof ik, om niet zomaar een boos gezicht op te zetten, zoals ik soms doe, maar om de naakte woede in zijn diepste binnenste op te sporen, aan te wakkeren en daarna los te laten op zijn gesprekspartner. De ergste uitbarstingen werden daarna weer weggemonteerd want een grondige postproductie werkt, net zoals de antieke retorica, zowel met toevoeging als met weglating.
     In de jaren tachtig ondervroeg De Wilde, voor de nationale televisie, allerlei nazicollaborateurs. Eerst ondervroeg hij hen van man tot man, en als ze dan hun mond voorbij hadden gepraat, moesten ze voor de camera hun bekentenissen woord voor woord herhalen. Deden ze daar moeilijk over, dan bleef De Wilde woest doorvragen tot ze toegaven dat ze landverraders waren, dat ze dat altijd waren geweest, en dat ze dat in de toekomst weer zouden zijn mocht de gelegenheid zich voordoen. En dat ze op 24 september 1942 om dertien voor tien, en niet om half tien, zoals ze nu leugenachtig beweerden, in het ‘Vlaamsch Huis’ een borrel hadden aangenomen van
Obersturmbannführer Hans Totenkopf. Je zag in de ogen van die collaborateurs het wanhopige verlangen om voor heel even weer te vertoeven in de veilige geborgenheid van een zonnige winterdag aan het Oostfront.
     Ik vond die interviews van De Wilde machtig interessant, vooral omdat ze voor mij weinig nieuws bevatten. Wat die  bejaarden aan De Wilde vertelden, sloot mooi aan bij de verhalen over de witten en de zwarten die ik van mijn vader, mijn moeder en mijn grootmoeder had gehoord. Een ding viel mij wel op. Al die oud-collaborateurs hadden enorm grote oren. Nu wist ik wel dat het Arische ras volgens sommigen te onderscheiden is van de andere door hun loshangende oorlellen. Toen Von Ribbentrop een diplomatiek bezoekje bracht aan Stalin, had Hitler hem opgedragen om de oorlellen van zijn rode ambtgenoot te inspecteren – zij hingen los. Maar dat Arische oren ook groter waren, had ik nog nooit gehoord.
     Ondertussen is het raadsel opgelost. In 1995, dus kort na het afsluiten van De Wildes televisiereeks, publiceerde Dr. James Heathcote een onderzoeksrapport waaruit blijkt dat menselijke oren na het dertigste levensjaar met 0,22 millimeter per jaar blijven groeien. Het heeft iets met het kraakbeen te maken. Heathcote onderzocht ook waarom het vooral mannenoren zijn die blijven groeien. Het antwoord is eenvoudig. Het is niet zo. Vrouwenoren blijven ook groeien. Maar bij mannen valt het meer op omdat ze gemiddeld korter haar hebben en vaker kaal zijn.
     Het is onbegrijpelijk dat het tot eergisteren heeft geduurd voor  het onderzoek van Heathcote de fameuze Ig Nobel prijs* voor bezopen onderzoek kreeg toegekend. De prijs bedraagt tien biljoen Zimbabwaanse dollar, maar dat is heel wat minder dan je zou denken. Eén keer, in 1999, werd de prijs toegekend voor sociologie. Men is daarmee gestopt. Het moest een beetje eerlijk blijven.
 
* Ig Nobel – ignoble, nu snap ik het.

zaterdag 9 september 2017

De vrije concurrentie volgens Lenin

     Ik heb nog les gehad van de excentrieke taalkundige Karel van den Eynde. Enkele keren per jaar herhaalde hij dat er maar één wetenschappelijke methode bestaat: die van ‘gissen en missen’. Later leerde ik de uitdrukking ‘trial and error’, en nog later, bij Karl Popper, leerde ik de uitdrukking ‘conjecture en refutation’ en zelfs ‘hypothesis and falsification.’ Zoals je ziet, ik werd altijd maar geleerder.
     Karel en Karl zullen wel gelijk hebben gehad – wat de wetenschap betreft, en de methode van gissen en missen. In de kapitalistische economie bestaat de methode trouwens ook. Daar heet ze ‘vrije concurrentie’. Er worden voortdurend nieuwe spullen uitgetest: auto’s met drie koplampen, verschillende soorten videobanden, New Coke, grotere, kleinere, bredere en smallere mobieltjes … Die producten gaan in de winkels de concurrentie aan met andere producten. Een eerste verovert de wereld, een tweede gaat stilletjes ten onder, een derde verwerft een niche met een klein maar fijn publiek. Maar aan het einde van de rit heeft iedereen wat hij wil: de klant heeft zijn spullen, de werknemer krijgt zijn loon en de kapitalist telt zijn centen.
     Tegenover dat kapitalisme met zijn vrije concurrentie hebben marxisten altijd een tweeslachtige houding aangenomen. In zijn populaire brochure Socialisme van utopie tot wetenschap (1880) klaagde Friedrich Engels dat de concurrentie tussen bedrijven leidt tot chaos, anarchie en verspilling. Maar hij gaf tegelijkertijd toe dat die concurrentie de ‘individuele fabrikant verplicht om zijn machinerie te vervolmaken’, wat toch mooi meegenomen was. De kapitalistische vrije concurrentie had technologische vooruitgang gebracht, had een ‘vooruitstrevende rol gespeeld’, misschien niet meer in 1880, maar dan toch in het verleden.
     Bij Lenin zien we die tweeslachtigheid ook. Hij was natuurlijk van mening dat de vrije concurrentie in Rusland best vervangen werd door een netjes geplande economie, maar, anderzijds – helemaal slecht was die concurrentie ook weer niet. Integendeel zelfs, als je erover nadacht was het niet onder het kapitalisme maar juist onder het socialisme dat de vrije concurrentie tot grote bloei kon komen. In zijn beroemde artikel ‘Hoe moeten we de concurrentie organiseren’ van december 1917 schrijft hij, herhaaldelijk – want hij hield van herhalingen –, dat net het socialisme meer ruimte bood aan concurrentie, initiatief, verscheidenheid en pluralisme, en dat vooral voor de ‘werkende massa’s’.
     Neem het probleem van de rijken, de profiteurs en de luieriken. Lenin beweert in zijn artikel dat er ‘duizenden verschillende manieren’ bestaan om die te registreren en onder controle te houden. Nu gebruikt een communist gemakkelijk het woord ‘duizenden’ als hij ‘enkele’ bedoelt, maar we mogen aannemen dat Lenin hier echt hoopte op een heel grote verscheidenheid. Om de fabriekscomités, volksvergaderingen en andere werkgroepen op de goede weg te helpen, reikte hij zelf vijf bescheiden ideetjes aan. ‘Op de ene plaats wordt een half dozijn rijken, profiteurs of luieriken in de gevangenis gestopt. Op een andere plaats moeten ze de toiletten schoonmaken. Op een derde plaats worden ze voorzien van een gele ‘kaart’ zodat ze ook na hun vrijlating uit de gevangenis voor iedereen herkenbaar zijn, en dat tot ze zich volledig hebben bekeerd. Op een vierde plaats wordt één op elke tien luieriken ter plaatse neergeschoten. Op een vijfde plaats wordt een deel van de rijken, van de burgerlijke intellectuelen, en van het crapuul – het deel dat voor verbetering vatbaar is – weer voorwaardelijk vrijgelaten.’
    Lenin was hier in een milde bui. Wie hem een beetje kent, weet dat hij een zwak had voor openbaar neerschieten en ophangen als voorbeeldstraf. Het is daarom merkwaardig dat hij zijn eigen remedie – ‘op de vierde plaats’ – geen hoger statuut toekende dan de overige, waarbij we nog moeten bedenken dat ook ‘duizenden’ andere remedies welkom waren. Blijkbaar wilde Lenin zijn mening dit keer echt niet opdringen. Als voorloper van het moderne management wist hij dat je moet kunnen afwisselen tussen top-down en bottom-up.
     Maar management is nog geen kapitalisme en concurrentie is nog geen vrije markt. Lenin beschouwde de Russische maatschappij als een groot maatschappelijk laboratorium waar de werkende massa’s allerlei experimenten konden uitvoeren. Verschillende werkwijzen konden worden uitgetest. Maar wie moest de resultaten van die experimenten beoordelen? Dat moest gebeuren door Lenin zelf, of het Sov-nar-kom, of het CC, of het politburo, of het orgburo – de communisten hadden uitgerekend dat je met die afkortingen heel wat tijd kon winnen.
     In de vrije markt gaat dat anders. Daar moeten producten en initiatieven twee keer examen afleggen. Een eerste keer worden de frisdranken, waspoedertjes, odeurtjes en mobieltjes uitgetest in het laboratorium. Chemici, programmeurs, geurkundigen enzovoort proberen allerlei dingen uit. Sommige van die producten komen nooit verder dan de tekentafel of de reageerbuis, andere brengen het tot prototype, nog andere worden op de markt gebracht. De beslissing daarvoor ligt bij de bedrijfsleider en de eigenaars. Maar dan komt het tweede examen. Er moeten kopers worden gevonden. Die kopers kunnen zich laten leiden door eigen smaak, krenterigheid of zucht naar luxe, door grote reclamefoto’s op rondrijdende bussen, of door een zuur consumentenmagazine. Maar per slot van rekening moeten ze bereid zijn om vrijwillig hun geld af te staan voor die rommel. Dat is een heel ander verhaal dan dat van Lenin.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zaterdag 2 september 2017

De Guimardstraat en de vrijheid van onderwijs

     Rond 1 september komen er in de krant stukjes die ik graag lees. Scribenten spreken dan hun vertrouwen uit in de ‘leraar voor de klas’. Crevits zegt in een interview dat de leraar meer ‘ruimte’ moet krijgen. Koen Daniëls vertelt aan ieder die het horen wil dat de leraar in zijn vrijheid wordt beknot en dat daar een einde aan moet komen. Het mooiste stuk vond ik dat van acht academici onder de sprekende titel: ‘Geef de klas terug aan de leraar’. Zulke zaken wil ik het hele jaar door lezen, want de vrijheid van de leraar is mij lief. Ik ben zelf leraar.
     Jammer genoeg legt mijn baas, Lieven Boeve, een andere klemtoon. Hij is ook voor vrijheid hoor, maar dan een beetje anders: ‘De vrijheid van onderwijs,’ zegt hij in De Standaard van 29 augustus, ‘heeft dus niet in de eerste plaats te maken met de vrijheid van de leraar om in de klas te doen wat hij wil (behalve de eindtermen dan), maar ligt bij het schoolbestuur dat onderwijs aanbiedt volgens zijn pedagogisch project.’ Juridisch gezien heeft Boeve hier gelijk, maar zelf bekijk ik de vrijheid van onderwijs graag wat breder. De vrijheid van de ouders om zelf een school te kiezen – wat Boeve trouwens ook aangeeft. De vrijheid van de Guimardstraat om scholen van de katholieke koepel te bestoken met richtlijnen en adviezen. De vrijheid van zo’n katholiek schoolbestuur om die richtlijnen fijntjes naast zich neer te leggen. De vrijheid van de leraar om zijn les, ondanks eindtermen en leerplannen, zo interessant mogelijk te maken. De vrijheid van de leerling om het allemaal even saai te vinden. Zoals ik al aangaf: die voorlaatste vrijheid is mij het liefste. Bij Boeve is dat anders. Als het over vrijheid gaat, heeft hij zelfs moeite om het woord leraar te gebruiken. Hij spreekt dan liever van lerarenteams.
     Rond de kwestie van de onderwijsvrijheid zijn Lieven Boeve en Koen Daniëls (N-VA) elkaar van de week in de haren gevlogen. Boeve verweet Daniëls dat die vanuit de overheid de vrijheid van het Katholiek Onderwijs dichtbetonneerde en Daniëls verweet Boeve dat die de vrijheid van het Katholiek onderwijs misbruikte om diezelfde vrijheid binnen zijn eigen scholenkoepel dicht te plamuren. Aanleiding van de discussie waren de eindtermen en de leerplannen – waar ik nu even niet op in ga. Maar de twee bouwkundige termen betonneren en plamuren werpen ook een algemenere vraag op: wat is het ergste voor het onderwijs: het koepeldirigisme of het staatsdirigisme? Het Katholiek Onderwijs Vlaanderen of het Vlaamse Parlement? De Guimardstraat of de Hertogstraat? Op die vraag heb ik geen principieel antwoord. Het is een kwestie van nuances, proporties en afwegen. Ik geloof, met Daniëls, dat het dirigisme van de Guimardstraat vandaag het ergste is, maar ik zou daarover niet graag in discussie gaan met iemand die het dossier kent, zoals Boeve.
     Een heel andere vraag is deze: welke van de twee soorten dirigisme – koepel of staat – is de gevaarlijkste? Daar heb ik wel een principieel antwoord op: dat van de staat. Als Boeve dus verklaart dat de typisch Belgische onderwijsregeling, met zijn netten en koepels, beoogt ‘het onderwijs te beschermen tegen al te grote overheidsbemoeienis’, dan ga ik, een beetje bedremmeld –  want ’t is nog altijd Boeve –, toch náást hem staan. Als hij daaraan toevoegt dat ook ‘democratisch verkozen overheden in de verleiding kunnen komen om de opvoeding van de kinderen ideologisch te sturen’, en dat hij, Boeve, daar tegen is, dan mompel ik zelfs stilletjes: bravo!
     Het gaat mij daarbij niet om wat de huidige bewoners van de Guimardstraat of van de Hertogstraat waard zijn. Van Boeve heb ik geen hoge pet op, maar misschien wordt hij opgevolgd door iemand met een gezondere kijk op het onderwijs. Wie weet? ’t Is ook mogelijk dat een volgend Vlaams parlement een rood-groene meerderheid heeft, met Caroline Gennez als minister van Onderwijs. Mocht dat laatste gebeuren, zou ik het in elk geval fijn vinden om dan onder de paraplu van de Guimardstraat te kunnen schuilen voor de stortvloed aan nivelleringsdecreten en bureaucratiseringsoekazes waar ik Caroline toe in staat acht. Als die paraplu dan tenminste openklapt.
     Ik geloof niet dat de vrijheid van ons onderwijs – voor ouders, schoolbesturen, leraren en kinderen – afhangt van de welwillendheid van 1-septemberscribenten en idealistische politici. Die vrijheid hangt minstens evenveel af van een ordening die door een gril van de geschiedenis vorm kreeg. De zogenaamde ‘schoolstrijd’ heeft er bij ons toe geleid dat een sterke en onafhankelijke katholieke koepel mee het onderwijslandschap bepaalt. Dat is een beetje bizar, want er bestaat tenslotte geen katholieke wiskunde,  geen katholieke fysica of geen katholiek Frans. Maar ook met gewone wiskunde, fysica en Frans heeft het katholieke onderwijs een dominante plek veroverd die zelfs door de moderne ontkerkelijking niet meteen wordt bedreigd.
     Wat daarentegen wel bedreigd wordt, is de vrije schoolkeuze – en ik leg straks uit wat die met de katholieke koepel te maken heeft. In De Standaard van gisteren lees ik op de eerste bladzijde een pleidooi van de professoren De Witte en Hindricks om de schoolkeuze van de ouders te ‘reguleren’. ‘Natuurlijk vinden ouders dat niet leuk,’ schrijven de professoren, ‘maar het draait niet alleen om hun keuze.’ Dat is dan fijn om te weten. En nog: ‘Wij zijn voorstanders van een inschrijvingsbeleid dat een sociale mix waarborgt.’ Ja, er kan altijd wel een grote kelder worden vrijgemaakt op een of ander ministerie waar een legertje bureaucraten en statistici bij kunstlicht de schoolgaande jeugd aan de verschillende scholen toewijzen volgens percentages die die van de maatschappij  weerspiegelen: zoveel jongens, zoveel meisjes, zoveel kinderen van éénprocenters, zoveel kinderen uit kansarme gezinnen, zoveel kinderen met migratie-achtergrond, waarop dan weer verder kan worden opgesplitst in Turken, Marokkanen, Berbers enzovoort, daarbij liefst ook rekening houdend met verschillen tussen eerste, tweede, derde en vierde generatie immigranten. Of willen de professoren het zover niet drijven en volstaat een grovere indeling van de categorieën en een ruwere schatting van de percentages? Dat maakt de zaak er niet beter op.
     Zulke verklaringen in de krant doen mij niet meer opschrikken. Ik verslik mij bij wijze van spreken niet in mijn koffie als ik zoiets lees, alhoewel ik nochtans stukjes schrijf. Het is volstrekt normaal dat maakbaarheidsprofessoren de vrije keuze van de ouders in vraag stellen. Het is volstrekt normaal dat nanny state politici door zulke professoren op ideeën worden gebracht. Het is bovendien volstrekt normaal dat sommige ouders dat allemaal niet eens zo erg vinden. Want zou de ene school nu zoveel beter zijn dan de andere? Getuigt het niet van zelfingenomenheid om je kind per se naar de beste school te willen sturen? En weet je als ouder dan welke school de beste is voor je kind? Trouwens, met een stelsel van administratieve toewijzing zouden er ook geen scholen meer zijn met te veel of te weinig leerlingen. En dan moeten ouders niet meer kamperen voor de schoolpoorten om er zeker te zijn dat ze hun kinderen nog kunnen inschrijven. En verder: het systeem van ‘gereguleerde schoolkeuze’ bestaat al in zoveel landen, en de treinen rijden daar nog altijd.
     Toch ben ik er redelijk gerust in dat, ondanks maakbaarheidsprofessoren en nanny state politici, de vrije schoolkeuze in ons land morgen nog niet wordt afgeschaft. Die gemoedsrust dank ik aan de Guimardstraat. De lui die daar vergaderen en richtlijnen schrijven, zijn in maakbaarheidsdenken gewaagd aan elke sociologieprofessor. Ze moeten niet onderdoen voor gelijk welke nanny state politicus als het erom gaat een betuttelende houding aan te nemen tegenover ouderlijke amateurs die, stel je voor, zomaar zelf beslissingen nemen over de opleiding van hun kind. Maar de lui van de Guimardstraat kunnen de vrije schoolkeuze van de ouders niet afschaffen of beperken. Als ze dat zouden doen, zouden ze immers tegelijk ook de vrijheid van hun eigen koepel in gevaar te brengen. Dat gaan ze niet doen, geloof ik, en daar ben ik blij om.
     Leve de Guimardstraat!