maandag 30 april 2018

Argumenteren over Latijn en Grieks

Lieven Scheire en Tom Naegels spraken zich op de sociale
media uit tegen Latijn en Grieks
     Mijn zoon is een fan van Lieven Scheire. Toen Lieven enkele jaren geleden op Twitter stelling nam tegen Latijn en Grieks in het middelbaar, heeft hij boos teruggetwitterd. Nu neemt Tom Naegels op Facebook afstand van de klassieke talen. Maar op Tom kun je moeilijk boos zijn. ’t Ligt ook allemaal erg ingewikkeld.
     Verdedigers van Grieks en Latijn als schoolvakken, zouden het beter meteen toegeven: ze hebben geen doorslaggevende bewijsvoering. Er zijn nochtans redelijke argumenten genoeg. Ik noem er enkele. Latijn en Grieks zijn vakken die de leerlingen zelf gekozen hebben en graag doen. Ze zitten samen met klasgenootjes die ook aardigheid in studeren hebben. Dagelijks woordjes leren, traint hun geheugen en brengt hen studiediscipline bij. Hun intellect wordt gestimuleerd door het lezen van moeilijke teksten. Ze krijgen dieper inzicht in grammatica. Hun schrijfvaardigheid neemt toe. Ze leren retorische trucjes doorzien ... en gebruiken. Ze maken kennis met geïnspireerde dichters, interessante filosofen en kritische geschiedschrijvers. Ze kunnen met hun Latijn sneller vorderingen maken in Frans, Spaans en Italiaans. Ze pikken iets op over oude rechtssystemen. Ze behalen de beste cijfers in het hoger onderwijs. En tenslotte, ze komen in aanraking met de Grondslagen van onze Beschaving.
     Tegen al die argumenten valt ook iets in te brengen. In de eerste jaren komen in de Latijnse klas ook heel wat kinderen die het vak bij nader inzien niet graag doen. Ook in niet-Latijnse klassen zitten leerlingen die graag leren. Je geheugen kun je ook anders trainen dan met woordjes leren. Inzicht in de grammatica moet in de Nederlandse les worden aangebracht. Je kunt ook in moderne talen moeilijke teksten leren lezen. Schrijfvaardigheid verwerf je vooral door goede teksten in de moedertaal te lezen en te herlezen. Retorische trucjes kun je illustreren met gelijk welk debatprogramma op de televisie. Je leert sneller Frans, Spaans en Italiaans door meteen Frans, Spaans en Italiaans te leren. De meest gelezen auteur van het curriculum, Julius Caesar, was noch een dichter, noch een filosoof, noch een kritische geschiedschrijver. En die oude dichters, filosofen en geschiedschrijvers kun je evengoed in een vertaling lezen. Een inleiding in het Belgische recht, is nuttiger dan een in het Romeinse recht. Die beste cijfers in het hoger onderwijs zouden diezelfde leerlingen anders ook behaald hebben. En voor de Grondslagen van onze Cultuur kunnen we zover teruggaan in de tijd als maar mogelijk is, of omgekeerd, zo dicht mogelijk bij onze eigen tijd blijven als we maar willen. In plaats van Vergilius kunnen we net zo goed Dante lezen, of, om bij de Engelsen te blijven: Chaucer, Shakespeare, Milton, Pope, Byron en Joyce. En Cicero kunnen we vervangen door Hobbes, Locke, Montesquieu, Voltaire, Schopenhauer en Popper.*
     De aandachtige lezer zal opgemerkt hebben dat zowel de argumenten als de tegenargumenten enig hout snijden. Maar als argument én tegenargument juist zijn, wordt het een moeilijke zaak. In plaats van pure logica te hanteren, moet je gaan afwegen, en bij dat afwegen laat je je meestal leiden door twijfelachtige intuïties en emoties. De ene wil een mooie traditie niet verloren zien gaan. Dat heb ík een beetje. Mijn vader is Latijnse begonnen in 1936, ikzelf in 1967 en mijn zoon in 2006. ‘Zo is het goed, zo moet het zijn,’ dichtte Jan van Nijlen. Anderen willen het roer omgooien. Het oude gebruik waarbij de leerlingen met de beste punten vanzelf in de Latijnse klas terechtkwamen, zegt hen niets. Zulke ouders willen niet meewerken aan de instandhouding van een ‘elitaire prestigemodel’. Ze vergelijken programma’s en lessentabellen, bespreken de kwestie uitvoerig met zoon- of dochterlief, vragen of die geïnteresseerd zijn in de nominatieven, accusatieven en de conjunctieven, en verwerpen ten slotte de Latijnse keuze als irrationeel. Als ze een slecht karakter hebben, houden ze ook af en toe een pleidooi tégen Latijn.
     Waar logica en emoties niet helpen, rest bezinning. Je haalt er je persoonlijke ervaringen bij. Mijn eigen klassieke studies heb ik vijfenveertig jaar geleden afgesloten, zoals je zelf kunt uitrekenen met bovenvermelde aanvangsdatum. Mijn herinneringen daaraan zullen dus niet erg betrouwbaar zijn. Eén zaak is duidelijk als ik op de onderstrepingen in mijn oude Geerebaert afga: de onregelmatige werkwoorden heb ik véle keren herhaald.
      Van Jan zijn studies herinner ik mij meer. Het komt hierop neer dat hij in de eerste vier jaar van het middelbaar eigenlijk alleen voor Latijn en Grieks echt moest léren.** Voor andere vakken, kreeg hij ‘taken’. Ik zeg dat nu een beetje grof, want bij toetsen en examens moest hij natuurlijk ook voor de andere vakken wel eens een boek openslaan, maar door de week ging het toch vooral om Latijn en Grieks. Zijn beste vriend gaf na één jaar zijn Grieks op met de woorden: ‘Twee talen is te veel.’ Nu werd dat vanaf het vijfde jaar wel anders. Jan koos toen – ‘met het oog op de toekomst’ – Grieks-Wiskunde. Daardoor viel het Latijn alvast weg. En in de latere jaren bouwt Grieks verder op de soliede grammaticale kennis van de eerste vier jaar. Er treedt een zekere ontspanning op. Tijdens de dagelijkse rit van en naar de voetbaltraining werden minder verbuigingen, vervoegingen en stamtijden ingeoefend. Die waren nu wel gekend. En dat was niet eens het belangrijkste. Het belangrijkste was dat wiskunde, fysica, chemie en biologie zoetjesaan ernstige vakken geworden waren die het inzicht van een zestienjarige stevig op de proef stelden. Daar ging de meeste energie voortaan naartoe.
     Genoeg bezinning voor vandaag; laten we terugkeren naar de argumentatie. Als je de pleidooien tégen klassieke-talenonderwijs nader bekijkt, zie je dat er drie hoofdargumenten zijn: die talen zijn nutteloos; door die talen eruit te gooien maak je ruimte voor andere vakken; en, wat je met die talen bereikt, kun je ook en beter met een ander vak bereiken. Dat eerste argument is grotendeels juist.*** Latijn en Grieks zijn nutteloos in die zin dat je die talen niet kunt gebruiken om in het buitenland koffiekoeken te bestellen. Als je naar Rome wil, leer je beter Italiaans en als je naar Griekenland wil, Nieuwgrieks dat, geloof ik, met Oudgrieks vooral de lettertekens gemeen heeft. Ook zullen de meeste leerlingen na hun middelbaar geen Latijnse of Griekse teksten meer lezen, behalve misschien opschriften in kerken en oude gebouwen.
     Het tweede argument lijkt mij heel wat minder soliede. Men wil de klassieke talen eruit gooien om plaats te maken voor andere vakken zoals economie, filosofie, sociologie, logica, esthetica, informatica, technologie, muziek, sport. Zo hebben we allemaal wel een stokpaardje. Zelf vind ik, op goede gronden natuurlijk, dat er in het middelbaar veel meer statistiek moet worden gegeven. Maar ik wil de onderwijswereld niet omgooien vanwege mijn idée fixe, en zou het fijn vinden als anderen dat ook niet doen.  Daar komt nog iets bij. Op sommige vakken staat een leeftijd, en op andere vakken minder. Muziek en talen begin je best jong, maar inzichtelijke vakken kun je toch pas vanaf vanaf vijftien of zestien jaar aanleren. Dat geldt voor échte wiskunde en échte wetenschappen, maar ook voor de vakken waarvoor men Latijn en Grieks wil inruilen: filosofie, economie, sociologie, logica. Die vakken vakken zijn eigenlijk niet geschikt zijn voor de eerste twee jaar van het middelbaar onderwijs, en amper geschikt voor de twee volgende jaren. Als je die vakken te vroeg aanvat, verzand je in een uit het hoofd leren van losse feitjes en bezigheidstherapie, in afwachting van het echte werk. Het wordt iets van het niveau van postzegels verzamelen en kastelen bouwen in de zandbak. Latijn en Grieks en ook Nederlands zijn daarentegen vakken waarvan je de diepgang soepel kunt aanpassen aan de leeftijd van je doelgroep, of die nu twaalf of achttien jaar is.
     Dat je ten slotte de gunstige leereffecten van Latijn en Grieks ook en beter kunt bereiken met andere vakken en methoden, vind ik heel aanvechtbaar. Je zou natuurlijk best de klassieke talen kunnen vervangen door bijvoorbeeld een vak ‘Antieke Cultuur’. En je zou in dat vak de integrale oude teksten kunnen lezen in een moderne vertaling, in plaats van fragmentjes in het origineel. Meer nog: dat vak heeft geloof ik bestaan en werd algemeen ‘antieke kul’ genoemd, want in die tijd mocht ‘cultuur’ nog met een ‘k’ gespeld worden. Ik heb nooit van een leerling gehoord die het als lievelingsvak had. En dat men er integrale teksten las, zou me erg verbazen. Het is net omgekeerd. Die integrale teksten hoorden net bij de klassieke taallessen. In de klas lazen we fragmentjes van de Aeneis ‘dans le texte’, en thuis lazen we de integrale vertaling van De Wilderode. In de Griekse les lazen we fragmenten uit Antigone, en thuis lazen we de integrale Franse bewerking van Anouilh. En dan moesten we ook nog eens op een woensdag- en een zondag-avond de verfilming van Oedipus Koning en Electra komen bekijken. En zoiets gebeurt vandaag nog altijd. Jan is met zijn klas vijf avonden op rij gaan luisteren naar de integrale voordracht van de Illias. Kom daar maar eens om in een vak als ‘antieke kul’.
     Het grammaticale inzicht dat klassieke talen bijbrengen is nog zoiets. Wie in het middelbaar talen onderwijst, weet dat veel leerlingen vandaag de eenvoudigste spraakkundige begrippen niet meer kennen. Het is dan erg moeilijk om aan zo’n leerling het gebruik van bijvoorbeeld de leestekens uit te leggen, want daarvoor moet je een beetje weten wat een zin is, en hoe die in elkaar steekt. Hier is natuurlijk iets fout gelopen in het lager onderwijs. Toen ik naar school ging, leerden we de eenvoudige begrippen (onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp) vanaf het derde leerjaar. In de eerste jaren van het middelbaar kregen we dan in het vak Nederlands de syntactische ontleding van lange, samengestelde zinnen, volgens het systeem van Paardekooper. Dat waren veruit de saaiste lessen die ik ooit heb gehad. In dezelfde jaren deden we aan zinsontleding in de Latijnse les. Die zinnen waren ook samengesteld en lang, langer zelfs dan die van Paardekooper, maar de ontleding had iets frivools. Het was als werken aan een puzzel. En aan het einde werd je beloond, want je begreep de zin. Bij Paardekooper was er geen beloning, want je had de zin al begrepen vóór je aan de grammaticale ontleding begon. Waarom nog ontleden, vraagt een veertienjarige leerling zich dan af.
     Een nieuw argument tegen Latijn was voor mij dat van Tom Naegels. Hij heeft zijn zoon, waarvoor hij niet is gaan kamperen aan de schoolpoort, uiteindelijk ook niet ingeschreven in de Latijnse, hoewel dat nog kan veranderen als hij mijn blog leest. Tom is vooral verwonderd over het gewicht van het vak. ‘Kinderen kunnen kiezen,’ schrijft hij, ‘voor een module van vier uur waarin ze allerlei interessante vakken krijgen: economie en wetenschappen en kunst en techniek, afwisselend en concreet bruikbaar en rijk en uitdagend. Of ze kunnen kiezen voor vier uur Latijn. Niks anders. Gewoon Latijn. Woordjes blokken en naamvallen van buiten leren.**** Stel je voor dat je in het eerste middelbaar kon kiezen tussen een blok met economie, wetenschap, kunst, talen, etc. ofwel een blok met vier uur chemie.’
     Ik heb hier wel wat tegen in te brengen. Ten eerste is vier uur Latijn in het eerste jaar veel te weinig. Wij kregen negen uur Latijn. Gelukkig is de didactiek van het Latijn ondertussen verbeterd – net zoals die van wiskunde verbeterd is, en die van modern talen verslechterd – zodat de leerlingen op het einde van het derde jaar toch al kleine stukjes Caesar kunnen lezen. Ten tweede: het is niet omdat iets op papier interessant en concreet en bruikbaar en rijk en uitdagend is, dat die eigenschappen zich ook in het klaslokaal zullen manifesteren. En ten derde: met de keuze tussen vier uur chemie of vier uur van alles en nog wat, zou ik, na enig aarzelen, toch voor de chemie kiezen. Chemie is geen vak voor twaalfjarigen, vind ik, maar als men het goed aanpakt, het leerplan laat uitwerken door serieuze mensen, twintig jaar experimenteert en bijschaaft, dan kan men misschien een redelijke didactiek ontwikkelen voor het eerste jaar middelbaar. In een parodie op de Latijnverdedigers schrijft Tom: ‘Chemie is vast heel erg interessant, en je kan er vast een redenering rond opbouwen die aantoont dat je zonder chemie, geen echt beschaafd persoon kunt zijn. Dat ontleden van die moleculen, dat leert je analytisch denken ... Die tabel van Mendljev, die traint je geheugen... Het hele leven bestaat uiteindelijk uit chemische bouwstenen ...’ ’t Is geloof ik als reductio ad absurdum bedoeld, maar bij mij slaat de argumentatie aan. Als vier uur Latijn echt niet kan, geef mij dan maar vier uur chemie. Maar bespaar de kinderen die vier uur van alles en nog wat.

 
* Een van mijn redenen om vast te houden aan het Latijn is dat, als Vergilius en Cicero ooit verdwijnen uit de klas, dat ze dan niet zullen worden vervangen door Dante, Chaucer, Voltaire en Popper. De lezer kan zelf best raden welk soort ‘actuele’ teksten er dan wel in de plaats zouden komen.

** Professor Wouter Duyck zegt daarover in De Standaard van 2 mei: ‘Het grootste geheim van de klassieke talen bestaat erin dat zij als een van de weinige richtingen zijn ontsnapt aan de teloorgang van de hoge verwachtigen en doelstellingen die ons onderwijs aan leerlingen oplegt. In Latijn wordt de lat nog hoog gelegd.’ Dat geldt zeker voor de eerste vier jaar.

*** Als men dat argument – dat Latijn en Grieks geen praktisch nut hebben – doortrekt, zou men de invoering van een vak als Chinees kunnen voorstaan, dat dan culmineert in het lezen van de klassieke teksten van Confucius. Zo’n vak zou de meeste voordelen van Latijn of Grieks koppelen aan een zeker praktisch nut. Maar we kunnen het onderwijs natuurlijk niet herscheppen in het luchtledige.

**** Hier geeft Tom een verkeerd beeld van het vak zoals het in het eerste jaar gegeven wordt. Toen Jan het eerste jaar Latijn volgde, las hij in de klas een vereenvoudigde versie van de Aulularia van Plautus. Bijna al mijn leerlingen in het zesde jaar - ik geef les in de wiskundige richtingen en die leerlingen zijn bijna allemaal minstens met een of twee jaar Latijn gestart - bijna al die leerlingen dus, herinneren zich dat verhaal nog van het eerste jaar. 't Is vaak het enige dat ze zich nog van dat jaar nog herinneren, op academisch vlak dan toch.

zondag 29 april 2018

Feministische seksstaking

     In de Zondag van vandaag relativeert Mark Elchardus het belang van mei 68. Ach, waarom niet? Relativeren is goed voor de gezondheid. Bovendien was Mark erbij, en ik niet. Maar dan zegt hij iets waar ik even van opschrikte. ‘Mei ’68 was niet zo vrouwvriendelijk als vandaag wordt voorgesteld,’ zegt Mark. ‘De echte feministische golf is pas later gekomen, in de jaren 70.’ Och, misschien is ook dat juist, maar ik las aanvankelijk ‘de eerste feministische golf’, en dat is aantoonbaar fout.
     Mocht u, lieve lezer, een klassieke opvoeding genoten hebben, dan bent u wellicht bekend met de Lysistrata, een toneelstuk van 411 voor Christus, van de hand van Aristophanes. Het is het verhaal van Griekse vrouwen die de oorlog van hun mannen beu zijn. De doortastende Lysistrata overhaalt de dames om hun mannen onder druk te zetten door hun alle seks te ontzeggen, zelfs het standje dat bekend stond onder de veelbelovende naam ‘De leeuwin en de kaasrasp’. De actie heeft succes en de onderhandelingen tussen de Atheners en de Spartanen, die geplaagd worden door hinderlijke erecties, leiden tot het einde van de oorlog en het hernemen van die andere activiteit.
     Dat was van die Griekse vrouwen, lijkt mij, een feministische actie. Het verhaal is misschien verzonnen door Aristophanes, maar er zijn heus wel verschillende vredesonderhandelingen geweest tussen Atheners en Spartanen, dus wie weet … Dat Thucydides geen melding maakt van het voorval, is geen bewijs dat die niet heeft plaatsgevonden.
     Ik weet niet, lezer, of u dat verhaal van de seksstaking geloofwaardig vindt. Het volgende verhaal is het zeker wel. We schrijven 213 voor Christus. Het oude Rome is in oorlog met het oude Carthago. Het is een strijd op leven en dood. Hannibal ante portas – Hannibal staat voor de deur.
     Nu is oorlog een dure zaak en alle beschikbare geld moest uiteraard naar wapens, soldaten en vloot gaan, en niet naar opsmuk voor behaagzieke vrouwen. Dat werd geregeld door de Oppische wet, de lex Oppia. Vrouwen mochten niet meer dan een half pondje aan gouden sieraden en snuisterijen bezitten. Ze mochten geen kleurige jurkjes dragen. Ze moesten het gebruik van een draagbed afzweren en te voet door de straten zwerven. U begrijpt het al: ’t was ondragelijk. Gelukkig kwam er een einde aan de oorlog en de vrouwen vroegen hun sieraden terug en wilden weer kleurige jurkjes dragen. Dat was echter niet naar de zin van duitenkliever Cato de Oude die de oorlogswet handhaaft. Daarop beslisten de vrouwen om actie te voeren. ‘Omnes vias urbis obsidebant ut legem Oppiam abrogarent.’ Ze blokkeerden alle straten van de stad opdat de wet zou worden ingetrokken. ‘Quibus acerrime restitit Cato, sed frustra.’ Cato verzette zich bitter tegen hen, maar tevergeefs.  ‘Lex fuit abrograta.’ De wet werd afgevoerd.
     Kijk, zulke verhaaltjes hebben mij altijd meer geïnteresseerd dan de schommelende zilverprijs op de markt van Alexandrië.

zaterdag 28 april 2018

Wat staat er in de kinderkoran?

     Op de omslag van Anke Van dermeersch haar nieuwe boek staan twee lange, slanke vrouwenbenen afgebeeld. Het is van zulke benen dat Godfried Bomans wou dat zijn vrouw er één van had.* En bij die benen horen vrouwenvoetjes in hoge hakschoentjes, waarvan er één op een Nederlandstalig exemplaar van de Koran rust. Anke versmaadt de Koran, geloof ik.
     Op de foto kan ik niet goed zien om welke vertaling het gaat. Misschien is het die van H.J. Kramers**, die ik een paar keer tevergeefs in de hand heb genomen en die zo moeilijk leesbaar is. Allah wordt er de ‘erbarmende erbarmer’ genoemd. Ik raakte er niet door. Maar om toch een beetje te kunnen meepraten als het gesprek die richting uitging, heb ik de vereenvoudigde versie van Kader Abdolah gelezen. In die versie is Allah geen ‘erbarmer’ meer, nee, hij is gewoon ‘lief’ en ‘hij geeft en vergeeft’. Zelfs een kind begrijpt wat daarmee bedoeld wordt. Abdolah heeft ook flink geschrapt in de herhalingen, maar lang niet alles, want anders was het maar een dun boekje geworden. En die herhalingen horen erbij, net zoals de afwisseling tussen helder proza, hypnotiserende bezwering, onsamenhangende verhalen, rare gedachtesprongen, cirkelredeneringen en poëtische wartaal. Zoals Abdolah alles vertaalt, is er best wel enige literaire verdienste in Mohammeds stijl te ontdekken. Ik heb mijn mening in deze enigszins bijgesteld en ben een beetje opgeschoven in de richting van wat Ernest Renan daarover schreef.
     Ik heb het boek gelezen met een onbevangen geest zoals ik de Illias zou lezen, of het Chanson de Roland, of een ander oud boek. Ik was niet speciaal op zoek naar ‘haatverzen’, of naar de zeven verborgen betekenissen, of naar mogelijkheden om de tekst in overeenstemming te brengen met de Verlichtingsidealen. Ik had veeleer tot doel om er een algemene indruk van te krijgen, to get a general feel of it. En die algemene indruk is niet zo gunstig. Toen Randolph Churchill probeerde de Bijbel te lezen, zou hij voortdurend hebben uitgeroepen: Oh God, isn’t God a shit! Zo ver wil ik niet gaan. Maar noch Allah, noch Mohammed zijn erg aantrekkelijke figuren. De eerste wil voortdurend volkeren uitroeien die ongelovig zijn. ‘Heb je er ooit bij stilgestaan hoeveel volkeren Wij vernietigd hebben,’ vraagt hij ergens. En de tweede wil boven alles erkend worden als de officiële vertegenwoordiger van de eerste.
     Ook weinig aantrekkelijk is de voorstelling van het hiernamaals. De hemel kan er nog net mee door, alhoewel er weinig plaats voor afwisseling is. Het is een soort park – het soort waar een woestijnbewoner van droomt, met veel schaduw en beekjes en riviertjes. De inrichting is aan de opzichtige kant door de rustbanken die met juwelen versierd zijn***. Maar je kunt er gaan zitten zitten om met je vrienden te praten. Ondertussen drink je een bekertje wijn waar je geen hoofdpijn van krijgt. Er is kip en vers fruit en je mag zelf kiezen wat je wil eten****. Dat komt goed uit want ik ben erg kieskeurig. Verder zijn er eeuwig jong blijvende jongelingen die als kelner optreden en ‘reine meisjes met mooie, sprekende zwarte ogen. Het zijn trouwe beminnende maagden van eenzelfde leeftijd.’ Over muziek wordt niets gezegd.
     De ongelovigen daarentegen komen in de hel terecht. Ook dat is een onaantrekkelijke plaats. Je krijgt er kokend water te drinken en stekelige doornen te eten. Er is een hete storm, zwarte rook die niet fris is, en overal vuur ‘dat vonken omhoog werpt, soms zo groot als kastelen en soms zo groot als gele kamelen.’ De ongelovigen gaan er gekleed in hetzelfde kokende pek dat in de achtste kring van Dantes Inferno zo’n grote rol speelt. En er is aan alles gedacht. Als je huid helemaal verbrand en geblakerd is zodat de zenuwen geen pijnsignalen meer doorzenden, krijg je een nieuwe huid zodat je de pijn weer geheel en al kunt voelen. Wie verzint zoiets?
     In het boek van Abdollah staan de hoofdstukjes in chronologische volgorde, eerst die van de Mekkaanse tijd, daarna die van de Medinaanse tijd. Er zou een groot verschil zijn tussen die twee delen, maar ik heb daar bij het lezen weinig van gemerkt. Wel gaat het in het tweede deel meer over militaire acties, het verdelen van de buit, het straffen van ontrouwe bondgenoten, het bedriegen van de vijand door sluwe diplomatie en het doden van ongelovigen. Je zou kunnen zeggen dat het in het eerste deel vooral Allah is die ongelovigen doodt, en in het tweede deel is het Mohammed zelf die de klus klaart, samen met zijn volgelingen.
     De Koran bevat enkele gedragsregels over eten, drinken, vasten en voorkomen, maar op dat terrein is Mohammed nogal rekkelijk. De regels moet je altijd volgen, behalve in alle gevallen dat je ze niet moet volgen. Mohammed is geen Prinzipienreiter. Met een beetje goeie wil en vindingrijkheid kun je er verschillende kanten mee uit. Op sommige punten spreekt hij zichzelf zodanig tegen dat de theologen achteraf trucjes hebben moeten bedenken zoals de ‘abrogatie’ waarbij een later hoofdstuk een eerder hoofdstuk corrigeert. Misschien hechtte Mohammed, in tegenstelling tot zijn latere volgelingen, niet zoveel belang aan details. Hij schijnt gedacht te hebben: als die gelovigen zich onder elkaar maar een beetje gedragen. Ze moeten respect hebben voor hun ouders en geen ruzie maken met buren en reisgenoten. Behoeftigen moeten ze bijstaan. Als ze hun slaven vrijlaten, levert dat goede punten op. Ze mogen niet stelen van wezen. En ook mogen ze hun eigen kinderen niet doden.  ‘t Zijn allemaal redelijke instructies. Mohammed vraagt het onmogelijke niet. Wel is hij streng voor lieden die gierig zijn, roddelen, of zich maar halfslachtig engageren voor de goede zaak.
     Mooier in de Koran zijn de zogenaamde ‘vrome’ stukjes. Het zijn de stukjes waarin Mohammed zijn ontzag uitspreekt voor de wonderen der wereld. Uit een druppel sperma groeit een mensje. Schepen drijven op het water. ’s Nachts is het donker, zodat we kunnen slapen en overdag is er licht zodat we nergens tegenaan lopen, of toch niet te vaak. Dat hadden andere mensen dan Mohammed ook wel gezien, maar zij vonden dat doodgewoon. Mohammed vond dat niet. Hij vond het een mirakel. Ondertussen kennen we de x- en de y-chromosomen, begrijpen we de wet van Archimedes, en hebben we de mechanica van Newton en Einstein om de omwenteling van de aarde om de zon te verklaren. Maar er zijn ook nu geleerden die die chromosomen, die wet en die mechanica doodgewoon vinden, en anderen die er vol ontzag, verwondering en bewondering  naar kijken. Bij mij begint dat laatste vooral als een en ander in wiskundige formules wordt omgezet.

 
*Bomans beweerde dat hij die wens gehoord had van een mannetje dat naast hem zat in de bioscoop. Maar u en ik weten beter, nietwaar beste lezer.

** Niet de vertaling van Kramers dus. Islamkenner Koenraad Elst meldt mij dat de bovenste Koran die is van de Ahmediya’s in Den Haag. 
 
*** Kramers spreekt van ‘rijkbestikte rustbedden’. Rijkbestikt … ’t is niet veel beter.

**** Dit belangrijke punt heb ik gecontroleerd in de vertaling van Kramers. Het klopt ‘… waarvan zij het beste kunnen kiezen.’

vrijdag 27 april 2018

Moet een biografie zo dik zijn?

     Ex-VRT-journalist Johan Op de Beeck, die geloof ik verre familie is van mijn vrouw, heeft net een biografie geschreven over Lodewijk XIV. Naar wat ik er in Het Nieuwsblad over lees, moet het er een zijn in het Franse genre. Iets als Amours et amourettes du Roi Soleil. ‘Geen detail blijft onvermeld,’ schrijft de krant goedkeurend. ’t Boek telt 735 bladzijden. Dat is niet mis. Zelf ben ik nu de Dostjojevskibiografie van Joseph Frank aan het lezen – 959 bladzijden, kleine druk. En ’t is dan nog een ingekorte versie van een werkstuk dat oorspronkelijk in vijf delen werd uitgegeven en drie keer zoveel tekst bevatte.
     Dat een biografie zo dik is, kan moeilijk als bezwaar gelden. Als je voor een Belangrijk Persoon geen interesse hebt, kun je beter niets over hem lezen, en als je die interesse wel hebt: hoe meer hoe beter. De Elsschotbiografie van Vic Van de Reijt bijvoorbeeld vond ik veel te beknopt. Vic zal gedacht hebben: ‘Elsschot schreef beknopt, dus als ik over hem schrijf moet ik ook beknopt blijven.’ Dat is een treurig misverstand. Het is niet omdat Hitler een hystericus was, dat je over hem alleen hysterisch kan schrijven. Als je iets wil vertellen over een saai familiefeest, in een verhaal of op café, kun je er beter voor zorgen dat je beschrijving zelf niet saai is, anders zal men je verhaal niet lezen, of zal men op café je gezelschap mijden.
     Mijn ontgoocheling over de beknopte Elsschotbiografie was zo groot dat ik lange tijd elke korte biografie gemeden heb. Een literaire biografie kort houden was ipso facto verkeerd, dacht ik. De auteur heeft de regels van het genre niet begrepen. Hij denkt dat de lezer uit is op een korte kennismaking, terwijl de lezer juist álles wil weten over een bewonderde schrijver en dus best die drie delen van Nop Maas wil lezen over Gerard Reve, of die bijna duizend bladzijden van Richard Ellmann over Joyce. Misschien is die biografie van Ellmann zelfs meer gelezen dan de Ulysses zelf.
     Maar onlangs had ik moeite om een of andere lijvige biografie over Proust te bestellen. Ik bestelde dan maar het dunne boekje van Edmund White en kijk, daar stond warempel meer in van wat ik over de schrijver wou weten dan in menige uitgebreide biografie die ik gelezen had over andere schrijvers. Je begrijpt ook hoe het komt. ‘Er bestaan al zoveel boeken over Proust,’ zal White gedacht hebben, ‘waar alles, álles, in staat. Ik vertel hier lekker alleen wat ikzelf de moeite vind. Wie daar niet tevreden mee is, moet die andere boeken maar lezen.’ Als je een beetje talent hebt, kun je met dat recept een aardig boekje voor elkaar krijgen.
     Het tegenovergestelde bestaat ook. Over een Belangrijk Persoon bestaan nog géén biografieën. Een auteur die dan als eerste een levensbeschrijving wil plegen voelt de verantwoordelijkheid als een loden last op zijn schouders wegen. De hele wereld kijkt mee, denkt hij. En hij werpt zich op de archieven, pluist brieven en dagboeken na, en onderzoekt de stamboom van zijn onderwerp tot in het zevenentwintigste geslacht. Zo moet het Wayne Franklin vergaan zijn toen hij de Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper onder handen wilde nemen. De professor schreef uiteindelijk twee dikke delen van respectievelijk 708 en 805 bladzijden – dit terwijl over Cooper in de archieven niet zo verschrikkelijk veel te vinden is. Maar wat te vinden is, heeft Wayne gevonden. Cooper heeft ooit een winkeltje gehad waar de Amerikaanse Frontiermen spijkers, textiel, medicijnen, thee, tabak en voedingswaren konden kopen. Wayne toont over talrijke bladzijden aan dat het winkeltje niet anders dan failliet kón gaan vanwege een roekeloze financiering, een verkeerd aankoopbeleid en een ondoordacht stockbeheer. Elke beginnende winkelier zou die bladzijden moeten lezen.
     Ikzelf lees ondertussen dapper verder in de Dostojevskibiografie, terwijl zich op mijn bureau andere ongelezen boeken opstapelen. Misschien moet ik maar eens doen wat mijn vader altijd doet: hier een daar een stuk overslaan. Ik heb zojuist met enige moeite 20 bladzijden literaire analyse gelezen van Misdaad en straf. Dat is allemaal heel degelijk gedaan, maar ik merk dat mijn oordeel over dat boek niet veel veranderd is door die analyse. Misschien sla ik de analyse van De idioot en De broers Karamazov maar eens over. Het hoofdstuk over Boze geesten wil ik wel helemaal lezen. Ik ken dat boek niet.

zondag 22 april 2018

Reik elkaar de hand

     Kris Peeters had dus een ultra-orthodoxe Jood, zekere Aron Berger, overgehaald om bij de verkiezingen op te komen voor CD&V. Een en ander is fout gelopen toen bleek dat de heer Berger als ultra-orthodoxe jood geen hand wilde geven aan vrouwen. Er kwam veel protest. ’t Was bovendien erg onhandig voor een verkiezingscampagne. Dat zijn immers feestelijke gebeurtenissen die al van in de oudheid vooral bestaan uit het schudden van handen. In het fijne geschiedenisboekje De viris illustribus urbis Romae lezen we dat Publius Scipio Nasica toen hij zich verkiesbaar stelde ‘manum cuiusdam civis Romani, more candidatorum apprehendisset’ (hij drukte de hand van een of andere Romeinse burger naar de gewoonte van verkiezingskandidaten)..
     Maar mag een ultra-orthodoxe joodse man nu echt de hand niet drukken van een vrouw waar hij niet mee getrouwd is? Aron Berger zelf beweert van niet, maar Kris Peeters is over die zaak wat minder duidelijk. Dat laatste gebeurt nog. Peeters vertelt in Het Nieuwsblad dat het ultra-orthodoxe jodendom zijn kandidaat ‘niet verbiedt om een hand te geven.’ Hoezo? Hebben we iets gemist? ‘Het probleem was,’ legt Peeters uit, ‘dat hij [Aron Berger] door alle heisa telkens zou worden gedwongen om iedereen voor de camera’s de hand te schudden. Aan dat mediaspelletje wou hij niet meedoen.’ Dus wel handen schudden, maar niet ‘gedwongen’, en niet ‘voor de camera’, en niet ‘telkens’, en niet ‘iedereen’. Misschien wordt met ‘niet iedereen’ bedoeld dat alleen mannen in aanmerking komen voor dat handenschudden, want Peeters laat geslachtskwestie onvermeld. Zo wijs is hij wel.
     Er zijn op de hele zaak enkele antropologische reacties gekomen, zoals die van Rik Torfs. Rik merkt op dat waar hij vandaan komt, een afstandelijke hoofdknik als groet volstond. Dat lijkt mij erg geloofwaardig. Waar ik vandaan kom, werden ook niet zoveel handen geschud. Daar werd ook meer met het hoofd geknikt. Dat mensen elkaar élke keer een hand geven, heb ik pas gezien toen Jan begon te voetballen. Alle spelertjes gaven een hand aan de trainer en aan elkaar en aan de voetbalpappa’s en -mama’s – behalve als Van Ranst op televisie had gewaarschuwd voor een griepepidemie. Toen Jan in het eerste middelbaar kwam, gaf hij op de eerste dag zijn leraren ook een hand, iets wat die leraren en vooral die leraressen erg vertederend vonden.
     Ik lees in sommige van die antropologische overpeinzingen een zeker wantrouwen. Zo’n gelegenheidsantropoloog  wil dat handen schudden graag relativeren. Hij is bang dat de onverdraagzame Vlaming anders de hele zaak gaat opblazen. Dat die Vlaming pas tevreden zal zijn als de laatste jood of de laatste moslim zijn pijpenkrullen of zijn baard afscheert, en halal of koosjer voedsel aan de kant schuift om zoals iedereen boerenkool met worst te eten, en aardappels met vette jus. Ik kan met die antropoloog een heel eind meegaan. Het is inderdaad nogal bekrompen om aan iemand anders voor te schrijven hoe hij erbij moet lopen en wat hij moet eten.
     Er waren aan de andere kant ook veel afwijzende reacties op het joodse gebruik. Ook daarin las ik een zeker wantrouwen. Velen schenen te denken dat die weigering om een hand te geven, wees op een discriminerende  houding tegenover vrouwen. Daar werd op geantwoord dat ultra-orthodoxe jodinnen ook geen hand mogen geven aan mannen. Dat is een goed antwoord. Er is geen sprake van discriminatie, want dezelfde regel geldt voor mannen als voor vrouwen.
     Maar toen werd ik zelf een beetje wantrouwig. Mogelijk heeft dat verbod op handenschudden alles bij elkaar toch wel iéts met discriminatie te maken. Er bestaat zoiets, geloof ik, als het orthodox-joodse ochtendgebed, waarin de gelovige God dankt dat hij niet als slaaf geboren is, of als goj. De mannelijke gelovige voegt daar nog een derde reden tot dankbaarheid aan toe, namelijk dat ‘hij niet als een vrouw geboren is’. De vrouwelijke gelovige daarentegen kan alleen dankbaar zijn dat ze ‘geschapen is volgens Gods wil’.*
     Als buitenstaander wil ik mij niet te veel moeien met een zaak die mij niet aangaat. Als die ultra-orthodoxe jodinnen zich willen bevrijden van het patriarchale juk, zullen ze daar zelf voor moeten zorgen. Ik kan dat niet in hun plaats doen, en Zuhal Demir evenmin. Ook wil ik mij niet aan verregaande interpretaties wagen van zo’n 14de-eeuws gebedje. Misschien zijn dat ondertussen loze woorden geworden. Mijn ouders en grootouders zijn ook opgegroeid met teksten van Paulus die de gehoorzaamheid van vrouwen aan mannen voorschreven, terwijl ik in de praktijk weinig van die gehoorzaamheid heb gemerkt. Maar fraai vind ik het niet, niet van dat morgengebed, en niet van Paulus.

 

* Dating back to the 14the century Orthodox liturgy dictates that men thank God “for not creating me a woman,” while women recite “for creating me according to Your will.” The Conservative movement replaces this for both men and women by thanking God “for creating me in Your image.” Zie hier.

vrijdag 20 april 2018

De sergeant is dood. Leve de sergeant!

     Van de week overleed filmacteur R. Lee Ermey. Hij was de woest kijkende en luid roepende sergeant in Kubricks Vietnamfilm Full Metal Jacket. ‘I am gunnery Sergeant Hartman,’ zo stelt hij zichzelf voor aan de rekruten. ‘From now on, you will speak only when spoken to, and the first and last words out of your filthy sewers wil be “Sir!” Do-you-understand?’
     De jaren tachtig waren een moeilijke periode geweest voor de bewonderaars van Kubrick. Daarvóór had de regisseur de filmwereld op zijn kop gezet met drie films die in niets geleken aan wat eraan vooraf ging: het statige ruimte-epos 2001 – A Space Odyssee (1968), de hyperkinetische dystopie A Clockwork Orange (1971) en het grensverleggend mooie kostuumdrama Barry Lyndon (1975). Ik heb iemand gekend die bij de speeltafelscène in Barry Lyndon is flauwgevallen in de filmzaal, overweldigd door zoveel schoonheid. De Franse schrijver Stendhal heeft dat ook meegemaakt toen hij in Firenze kwam.
     Daarna werd het stil. We moesten tot 1980 wachten op het horrordrama The Shining. Dat was een echte Kubrickfilm, met veel eenpuntperspectief, traag in- en uitzoomen, uitgekiende kleuren, karikaturaal acteerwerk en bevreemdende decors. Daar kwam dan die innovatieve laaggehouden  steadicam bij waarmee het op een driewieler rijdend kind werd gevolgd door de hotelgangen. Maar de film was toch niet zo mooi als de vorige drie, ook al ben ik er ondertussen aan gewend geraakt. En toen werd het helemáál stil. Er werd gefluisterd dat Kubrick aan een oorlogsfilm werkte, over Vietnam. En ’t was nog waar ook, al moesten we tot 1987 wachten voor hij uitkwam.
     In het eerste deel van Full Metal Jacket volgen we een stel jonge rekruten tijdens hun twee maand durende opleiding tot US-Marines. ’t Gaat er hard aan toe. De jongens moeten rennen, springen, zich opdrukken en over allerlei hindernissen klimmen – soms met een mooie opgaande zon op de achtergrond. Ook moeten ze marcheren en het geweer van schouder veranderen, van links naar rechts en van rechts naar links. Die links-rechtsgeschiedenis is moeilijker dan het lijkt. Ik heb tijdens mijn eigen paracommando-opleiding eens meegemaakt dat ik bij een parade als enige van het peloton mijn geweer op de rechterschouder had, terwijl dat eigenlijk de linkerschouder had moeten zijn.  ‘Clerick! Het andere links!’ riep de sergeant, maar hij had het moeilijk om zijn gezicht in de plooi te houden.
     Als je die Amerikaanse marines-opleiding vergelijkt met onze Belgische paracommando-opleiding, lijkt de Amerikaanse aan de lichte kant. Knopen in de touwen om het klimmen vergemakkelijken, geen zware rugzakken type Bergham ops, geen speedmars. De spectaculaire stukjes van het hindernissenparcours krijg je te zien zoals de hoge brede ladder, maar de echt moeilijke stukjes– Finse tafel, muur met venster* – ontbreken. Bovendien worden de hindernissen genomen in halve sportkledij, zonder geweer of stormgordel. Maar helemaal eerlijk is die vergelijking is niet. De Amerikaanse opleiding duurt maar twee maand, waar de Belgische alleen al zonder het parachute- of klimgedeelte meer dan vijf maand duurt.  
     De eerste maand van de opleiding, bij de marines of bij de paracommando’s, zijn een soort ononderbroken stress-test. Kubrick heeft de hele opleiding uitgebeeld in één vijftig minuten durende naadloze sequentie. Dat geeft het goed weer. Vanaf het ogenblik dat de sergeant om 6 uur ’s morgens de slaapkamer binnenstapt en je wakker schreeuwt, word je geen ogenblik nog met rust gelaten. Je hebt  geen seconde voor jezelf. Je holt van hot naar her en alles moet veel sneller dan je je ooit had kunnen voorstellen. De kamer van de sergeant schoonmaken – daar krijg je vijf minuten voor en hij moet verdomde schoon zijn. Je wordt voortdurend gecontroleerd. Elk detail wordt een drama: een niet correct gepoetste gordel, een fout geplooid kraagje, een stukje gesp dat wat minder blinkt.** We stonden ooit in houding op het oefenplein toen ik plots merkte dat een van mijn veters niet perfect symmetrisch geknoopt was. Ik voelde me naakt. De sergeant kon de onregelmatigheid elk moment opmerken, en dan ...
     Hier lijkt mij evenwel een verschil te bestaan tussen de Amerikaanse en de Belgische opleiding. Ook wij werden voortdurend gestraft, collectief en individueel: opdrukken, extra individuele nachtmars***, tent opslaan op het oefenplein – wat onmogelijk is. En, zeker, we werden uitgescholden. Sergeant Scheerlinck, chef Verhoeven, en PTI Harvengt, die nog in Korea had gevochten en het speciaal op mij gemunt had, die konden er wat van. Maar dat gescheld was niets vergeleken bij het gescheld van zo’n Amerikaanse drill instructor.
     R. Lee Ermey zaliger was zelf drill instructor geweest bij de marines, voor hij een carrière in de film aanvatte. Toen hij auditie aflegde voor Full Metal, vroeg Kubrick hem om een paar scheldwoorden te roepen die hij zich nog herinnerde uit zijn vorige leven. Ermey improviseerde ter plekke, een kwartier lang, zonder onderbreken, de ene ongezouten, schunnige, intimiderende tirade na de andere. Kubrick en zijn ploeg kwamen niet meer bij van het lachen. Dat begrijp ik. In de film is het grappig, maar in het echt moet het nog veel grappiger geweest zijn.
     Ik heb gisteren nog eens naar het eerste deel van Full Metal gekeken. De meeste tirades herinnerde ik mij woord voor woord. Zoals:
  • You are nothing but an unorganized grabasstic piece of amphibian shit!
  • Who’s the slimy little communist shit twinkel-toed cocksucker down here who just signed his death warrant?
  • Private Joker,  I admire your honesty. Hell, I like you. You can come over to my house and fuck my sister, you little scumbag. I will unscrew your head and shit down your neck!
  • Do you suck dicks? Are you a peter-puffer? I’ll bet you’re the kind of guy that would fuck a person in the ass and not even have the goddam courtesy to give him a reach-around.
  • You’re so ugly you could be a modern art masterpiece.
  • There is no racial bigotry here! I do not look down on niggers, kikes, wops or greasers. Here you are all equally worthless!
     Ik probeer de tirades soms mee te zeggen, maar hoe hard ik ook probeer, het lukt me niet. Ik krijg er het juiste ritme niet in. Ermey had daar geen moeite mee. Hij was een beroeps. Zowel in de kazerne als in de studio.


* Muur met venster ... Daar ben ik ooit doorgeklauwterd met de riem van mijn geweer tussen mijn tanden. Dat was echter niet de klassieke techniek. Eigenlijk stelden de meeste hindernissen weinig voor. Ons peloton kon het hele parcours al volledig afleggen na één of twee weken training, maar dan wel in vijfenveertig minuten. De rest van de opleiding diende om de exacte techniek aan te leren, want bij de eindproeven moest je het parcours kunnen afleggen in vier en een halve minuut.

** Elk detail wordt een drama ... Hartman die tekeer gaat tegen Homer Pyle: ‘If there is anything in the world that I hate, it is an unlocked footlocker.’

*** Individuele nachtmars ... Terwijl je makkers van een welverdiende nachtrust genoten, kreeg jij een kaart in handen gestopt waar drie kruisjes op waren getekend. Die duidden drie kapelletjes aan, die je mocht gaan natekenen. Het kwam erop aan terug te zijn in de kazerne vóór het eerste appél.

vrijdag 13 april 2018

Tsjeverij

     Mocht je lid zijn van CD&V, lieve lezer, of van een aanverwante organisatie, dan kreeg je wellicht al een keer het woord ‘tsjeef’ toegevoegd. Aan de toon kon je dan horen dat het geen complimentje was. Het was net het tegendeel van een complimentje. Je werd uitgemaakt – maar voor wat?
     Meestal wordt tsjeverij in verband gebracht met een zekere mate van valsheid, maar het lijkt mij onrechtvaardig om die slechte eigenschap op één politieke partij te betrekken. Zelf spelen we, als het zo uitkomt, allemaal wel eens vals, spreken we met dubbele tong, en planten we een figuurlijk mes in de rug van een collega, en bij politici – van álle partijen –  zie je het wat vaker. Ja, politici zijn soms vals – ’t mag met een krijtje aan de balk hoor.
     En het voortdurende gekuip van CD&V dan in de regering? Met één voet in de regering en met de andere voet in de oppositie? Altijd maar schieten op N-VA-ministers waarmee ze samen in de coalitie zitten? Is dat geen tsjeverij? Ja, misschien, maar ‘t is ook een verstandige politiek. CD&V kan N-VA jennen zoveel ze wil, bij de volgende regeringsvorming kunnen de vlaams-nationalen niet zonder de christendemocraten. Het omgekeerde geldt niet. De christendemocraten kunnen best een regering vormen zonder vlaams-nationalen, maar met groenen en socialisten in de plaats. En, mocht dat niet genoeg zijn, de geheime code om de liberalen erbij te krijgen is 1-2-3-4. ’t Is in die omstandigheden eigenlijk onbegrijpelijk dat CD&V niet nog meer inspanningen doet om N-VA op stang te jagen.
     Zelf denk ik bij tsjeverij aan iets anders – aan iets wat men vaak als ‘schijnheiligheid’ omschrijft. Het gaat mij niet om de vuile streek, maar om het verbaasd-onschuldige gezicht dat men opzet bij het uitvoeren van die streek. Ik zie het niet bij de nijdige Eric Van Rompuy en ik zie het niet bij de schriele Wouter Beke. Ik zie het zelfs niet bij Kris Peeters, ook al lacht die de laatste tijd een beetje als een niet helemaal oprechte oude tante, of, zoals mijn Facebookvriend Ed Van Gasse met meer precisie schreef, als Robin Williams in Mrs. Doubtfire.
     Onlangs zag ik iets op de Facebookpagina van Mark Van de Voorde dat er mij wél vaagjes aan deed denken. Mark heeft een christelijke en christendemocratische achtergrond. Hij was perschef van het bisdom van Brugge, hoofdredacteur van het Parochieblad, adviseur van Yves Leterme en medewerker van Herman Van Rompuy. Op zijn Facebookpagina bepleit hij een plaatsje voor de godsdienst in de publieke ruimte, belicht hij vluchtelingenproblematiek en immigratie vanuit de evangelische waarden, en trekt hij vergelijkingen tussen N-VA en het nazisme van de jaren dertig. En onlangs postte hij een spotprent van Marec over Pol Van den Driessche, ook van de N-VA,  met een naar mijn smaak wat tsjeverige commentaar.
     Die spotprent is erg grappig. Een goed herkenbare Pol heeft een argeloze jongedame achterwaarts benaderd, zijn kruis tegen haar billen geduwd, en, met zijn armen onder haar oksels gestoken, betast hij haar borsten. ‘t Is grappiger als je het ziet. Er staat een tekst bij ‘En zie je van Brugge, zet je van achter*’. Met die tekst wordt verwezen naar de Waals-Brusselse partij ‘Islam’ die voorstelt om vrouwen achteraan te laten plaatsnemen op bus en tram, zodat ze veilig zijn voor ongewenste aanrakingen. En dat Pol vroeger al eens een vrouw ongewenst aanraakte is goed gedocumenteerd. Hij heeft het zelf toegegeven.
     Je kunt nu zeggen dat die spotprent misplaatst is. Dat de handtastelijkheden van Pol tot het verleden behoren. Dat hij daarvoor zijn publieke excuses heeft aangeboden. Dat er geen nieuwe feiten zijn. Dat er geen verband is  tussen Pol en die ‘Islam’-partij. Dat van de ‘Islam’-partij naar dat liedje over de Bruggelingen die zich ‘van achter moeten zetten’ slechts een heel dun, kronkelend, flauwgeel verbindingslijntje loopt. Maar zulke dunne, kronkelende verbindingslijntjes zijn nu net waar het bij spotprenten om gaat. Als ik een politiek ongebonden tekenaar was, en ik was op hetzelfde idee gekomen, ik had de tekening ook gemaakt. En als ik, zoals Mark, een negatief oordeel had over N-VA, ik zou de tekening misschien ook posten. Elk beetje schade dat die partij daardoor zou lijden, zou ik dan mooi meegenomen vinden. 
     Maar goed, ik werd dus vooral getroffen door de commentaar die Mark bij de tekening plaatste.  Mark zegt dat hij het ‘niet kon laten om dit te delen omdat het iets aantoont over de politieke campagne. Als een partij uit alles garen wil spinnen, krijgt ze wel eens de klos in haar gezicht.’ Dat van dat garen en die klos is een mooi spreekwoord dat ik niet kende en dat naar de textielnijverheid verwijst. Als je vezels – van wol, vlas of katoen –  in elkaar wil draaien tot een stevige draad, kun je die draad best vergaren rond een sneldraaiende klos en dan kan het gebeuren dat die klos losspringt en in je gezicht terechtkomt. Het spreekwoord betekent dus dat wie overal voordeel uit wil halen (‘garen spinnen’) ook wel eens een weerbots vangt (‘klos in het gezicht’). Een klos in je gezicht krijgen, is ongeveer hetzelfde als een boomerang in je gezicht krijgen.
     Mark ziet in de afbeelding van Pol Van den Driessche een terugslag die N-VA moet ondergaan omdat de partij zo fel gereageerd heeft op het ‘Islam’-voorstel van gescheiden plaatsen op bus en tram. Ik interpreteer dat anders. Ik zie wel het verband tussen Pol en het ‘Islam’-voorstel maar ik zie geen verband met de N-VA-reactie op dat voorstel. Het was niet Pol die de N-VA-reactie verwoordde. Ook stond N-VA niet alleen met haar reactie. Andere partijen als CD&V, Open-VLD en Groen hebben ook fel gereageerd. Maar over verbanden en voorbeelden kun je blijven discussiëren. Ik vind de verwikkelingen rond Tom Meeuws een veel beter voorbeeld van een terugspringende klos, maar als Mark het voorbeeld van Pol beter vindt, is dat zijn goed recht.
     Het gaat mij trouwens meer om het vervolg van de commentaar. Mark beweert dat hij de tekening plaatste om iets te zeggen over ‘de moraal van het verhaal’ en alvast niet omdat hij  de humor van de cartoon zelf goed zou vinden.’ En hij herhaalt daarna nog verschillende keren dat hijzelf de tekening niet humoristisch vindt. Mark moet daar niet om lachen, om zulke tekeningen.
     Er doemt bij mij een beeld op van twee, nou ja, tsjeven op de trein die samen een boekje met pornografisch fotomateriaal doorbladeren. ‘Kijk hier,’ zegt de een, ‘schandalig.’ ‘Kijk daar,’ antwoordt de ander, ‘nog erger.’ ‘En zeggen dat je zulke boekjes overal vrij kunt kopen,’ zegt de ene weer. En zo gaat dat maar door, bladzijde, na bladzijde, na bladzijde, na bladzijde.**



*Het lied gaat verder als volgt: ‘Ge moet van voren in de reke niet gaan staan.’ In vertaling: ‘En ben je van Brugge, neem dan plaats achteraan / Je moet vooraan in de rij niet gaan staan.’ ’t Is grappiger als je het liedje ook echt zingt.

**Ed van Gasse reageerde op mijn Facebook-pagina met volgende anekdote: ‘Toen ik een jaar of dertien was, leende ik aan een klasgenoot (de latere kunstschilder Paul Morez) een erotisch tijdschrijft uit (De Lach, als je het nu zou zien, kan je je ogen niet geloven, zo flauw en onschuldig). Dat zat verscholen in een plakboek over de Beatles. Beide werden geconfisceerd door onze leraar Latijn die toen ook waarnemend prefect was. Hij ontbood mijn moeder om haar de levieten te lezen over haar seksueel geobsedeerde zoon. Mijn moeder vertelde me later dat hij tijdens het gesprek de hele tijd door heen en weer zat te bladeren in het euvele boekje, alle tieten geringschattend monsterend terwijl hij alsmaar bleef zeggen: “Kijk, dat doet mij nu als volwassen man allemaal niets, zie. Kijk, kijk.” Ik denk dat dit voor mijn moeder toch een beetje een #metoo moment was.’






vrijdag 6 april 2018

SP.A krijgt economieles van Boerenbond

SP.A-Annick: Prijs laten vastleggen door overheidsdienst Economie
     De SP.A heeft iets nieuws bedacht, waarmee ze de verkiezingsstrijd zeker kunnen winnen. ‘Verbied promoties in supermarkten,’ lees ik op de eerste pagina van Het Nieuwsblad. Als ik verder blader tot pagina 9 krijg ik meer uitleg van SP.A-kamerlid Annick Lambrecht. Het gaat om promoties voor vlees, zuivel, groenten en fruit - promoties van het type ‘1 kilogram kopen, 1 kilogram gratis’. Annick wil dat naar het Franse voorbeeld laten verbieden. Wat ik zou willen weten: hoe zit dat met graan? Dat is wel geen groente, maar ik ben er niet gerust in. Als graan, en brood, ook onder het promotieverbod valt, is dat een lelijke streep door mijn rekening. Iedere keer dat het lekkere Breughelbrood van Delhaize in promotie gaat, koop ik zes en soms wel negen stuks om in te vriezen. Ik spaar daar meerdere euro’s mee uit. Van zo’n besparing kan ik een hele dag blij rondlopen.
     En Annick heeft nog slecht nieuws voor mij. Ze wil buitenlandse landbouwproducten extra belasten. Dat is beter voor onze producten, zegt zij, en zij heeft het voorbeeld van appelen. Verdomme! Jan en ik zijn grootafnemers van buitenlandse appelen. Dat zou over een heel jaar berekend een flinke meeruitgave kunnen worden. Nu zou je kunnen zeggen: jouw verlies is de winst van de Belgische appelboer. Wat de ene partij verliest, is winst voor de andere partij. Maar er is een derde partij die ook verliest: de Nieuw-Zeelandse appelboer. En er is zelfs een vierde partij. Al het geld dat ik nu uitspaar door tariefvrije buitenlandse appeltjes te kopen, gaat rechtstreeks naar een rekening waarvan ik dan mooie boeken koop. Als Annicks partij het voor het zeggen krijgt, gaat dat geld in de toekomst niet meer naar de boekhandelaar, maar naar die verdomde tarieven. Die boekhandelaar is dus ook benadeelde partij.
     Maar het is niet alles kommer en kwel. Er valt ook wat te lachen. SP.A-Annick stelt immers ook voor om minimumprijzen in te voeren voor landbouwproducten. En de Boerenbond verwerpt dat voorstel. U leest het goed, beste lezer. Annick stelt minimumlandbouwprijzen voor en de Boerenbond verwerpt dat voorstel. Als u het niet gelooft wil ik ook de letterlijke woorden van woordvoerder Luc Vanoirbeek meegeven: ‘We waarderen het positieve signaal wel, maar we vinden het geen goed idee om in te grijpen op het marktmechanisme.’ Voilà.
     Wat moet volgens Annick dan in de plaats komen van het marktmechanisme? Heeft Annick aan een alternatief gedacht? Ja, Annick heeft aan een alternatief gedacht: ‘Laat de overheidsdienst Economie per product vastleggen hoeveel de supermarkten minimaal aan de landbouwers moeten betalen, zegt ze. Je zou bijvoorbeeld een systeem kunnen uitwerken waarbij het minimumniveau de kostprijs van de producten is.’ Alweer, u leest het goed. De kostprijs. En hoe gaan we die kostprijs berekenen? Mijn schoonvader heeft heel zijn leven als tuinbouwer gewerkt: aardappels, tomaten, sla, witloof, radijsjes, alles. Hij ging daarbij slimmer tewerk dan de meeste van zijn buren, en werkte ook sneller, zodat zijn kostprijs voor die producten lager lag. Naar welke kostprijs moet de ‘overheidsdienst Economie’ zich nu richten? Naar die van mijn schoonvader of naar die van zijn buren? Of moeten we de gemiddelde kostprijs berekenen?
     En dan heb je nog de kwestie van de investeringen. Mijn schoonbroer, die het bedrijf heeft overgenomen, plant, verzorgt en oogst zijn aardappels met machines waar mijn schoonvader niet van had kunnen dromen. Zijn kostprijs is alweer lager, dank zij die investeringen. Maar met investeren is het een moeilijke zaak. Je kunt te weinig investeren, zodat je kostprijs te hoog ligt en je kunt te veel investeren, zodat je kostprijs alweer te hoog ligt. Een al te voortvarende tuinbouwer kan blijven altijd maar grotere machines, tractoren en vrachtwagens aankopen. Als dat allemaal in de kostprijs wordt verrekend, en de kostprijs wordt in de minimumprijs vastgelegd, dan loopt hij daarbij weinig risico. Hoe zal de ‘overheidsdienst Economie’ daar een mouw aanpassen? Door ook het investeringsniveau vast te leggen in een vijfjarenplan, zonder het trial and error van de markt? Daar schijnen allerlei problemen mee te zijn.
     Ik geloof dat Annick daar allemaal niet over heeft nagedacht. De boeren moeten gewoon ‘een eerlijke prijs krijgen voor hun producten,’ zegt ze. Zo’n begrip als ‘eerlijke prijs’ lijkt mij, eerlijk gezegd, een beetje naïef. En ook naïef is die andere redenering van Annick, namelijk dat door het invoeren van een minimumprijs minder met het voedsel zal worden gesjoemeld. Hier onderschat ze, vrees ik, de schraapzucht van de kapitalist. ‘t Is zorgelijk dat ik daar een socialiste op moet wijzen.
     Ik heb een mobieltje van Nokia dat mij soms in de steek laat. De wekkerfunctie is stuk, als ik in de klas een filmpje opneem, blijft de klank soms achterwege, en als ik opgebeld word, gebeurt het dat het toestelletje blokkeert. Die Nokia-mensen zijn in  hun kwaliteitscontrole duidelijk niet tot het uiterste gegaan. Ze hebben, als je wil, gesjoemeld. Nu, het toestelletje kostte ook maar 79 euro. Maar als Annick, of de SP.A, of de ‘overheidsdienst Economie’, de prijs van dat mobieltje op 120 euro zou zetten, zouden zij bij Nokia de kwaliteitscontrole dan opdrijven? Nee hoor, die rotkapitalisten zouden gewoon die 41 euro extra op zak steken en hun doorgedreven kwaliteitscontrole voorbehouden voor de nog duurdere modelletjes. En met dubieus slachtvlees zou dat op precies dezelfde manier in zijn werk gaan. Er zou, bij gelijkblijvende controles, evenveel gesjoemeld worden, maar het sjoemelvlees zou duurder zijn.
     ‘Achetez français,’ zei communistenleider Marchais indertijd.  Ach, waarom niet? ‘Trots op eigen producten,’ zegt Annick van SP.A. Och, ik vind dat best. Wij kopen ons – weinige – vlees ook vaak bij een plaatselijke boer. Maar ik wil daar wel graag zelf over beslissen. Mijn koopgedrag moet niet gestuurd worden door tarieven en hogere minimumprijzen. Ik geef mijn steun aan de Boerenbond. Geen verstoring van het markmechanisme!

woensdag 4 april 2018

Het gebeuzel van Walter Zinzen

    In een interview met De Zondag deed Bart De Wever een sterke uitspraak. ’t Is niet de eerste keer. ‘Dezelfde linkerzijde, zegt hij, die bh’s in brand stak in mei ’68, omarmt nu de hoofddoek als symbool van gelijkwaardigheid. Men wou het christendom kapot, maar van de islam aanvaardt men alles. Ik noem dat soumission.’ Ex-VRT-journalist Walter Zinzen vond die uitspraak schandalig. ‘Achtenswaardige politici zoals de heer De Wever, schrijft hij sarcastisch, [hebben] van beuzelen hun handelsmerk [gemaakt].’ Zinzen gebruikt hier het woord ‘beuzelen’ in de betekenis die zijn grootmoeder eraan gaf: die van ‘liegen’. Want, zegt hij,
  • het verbranden van bh’s gebeurde in 1970 en niet in 1968
  • het initiatief kwam van de Dolle Mina’s
  • de Dolle Mina’s hebben nooit iets over het christendom gezegd
  • de Dolle Mina’s kunnen de hoofddoek niet omarmen aangezien de groep niet meer bestaat
  • De Wever kent het onderscheid niet tussen een correct en een foutief geconstrueerd syllogisme
     Wat Zinzen hier vertelt over 1968 en 1970 en de Dolle Mina’s had ik snel gerangschikt onder het kopje ‘beuzelarij’, maar dan in de betekenis die het woordenboek eraan geeft: die van niet ter zake doend gewauwel.*  Wat hij evenwel over het syllogisme vertelt, interesseert mij omdat ik daar les over geef. Als ik een toets aankondig over argumentatieleer is er één vraag die de leerlingen altijd stellen: ‘Moeten we dat van het syllogisme ook kennen?’ Ik begrijp die vraag, want het is een ingewikkelde materie. Ik moet dat zelf ook iedere keer weer opzoeken als ik mijn les voorbereid.
    Zinzen geeft eerst, om ons op te warmen, een voorbeeld van een correct syllogisme: politici worden goed betaald; Bart De Wever is een politicus; conclusie: Bart De Wever wordt goed betaald.
     Dat is een uitstekend voorbeeld, want het syllogisme voldoet mooi aan de regels, zoals die van de ‘gedistribueerde middenterm’. De middenterm is het begrip dat voorkomt in elk van de eerste twee zinnetjes, de zogenaamde premissen. In dit geval is dat ‘politici/politicus’. En, zegt de regel, die term moet minstens één keer gedistribueerd zijn, dat wil zeggen dat hij voorafgegaan wordt door het woord  ‘álle’, al was het maar in gedachten. Anders is de redenering fout, zoals in:  politici ontvangen een mooi pensioen; ex-VRT-journalisten ontvangen een mooi pensioen; conclusie: alle ex-VRT-journalisten zijn politici. De middenterm is hier ‘mooi pensioen’ – en in geen van de twee premissen gaat het om álle ontvangers van een mooi pensioen. Er zijn er nog anderen die een mooi pensioen ontvangen. De redenering is dus fout, sterker nog, ze zou zelfs fout zijn als alle ex-VRT-journalisten wel degelijk allemaal politici waren.
     En nu heeft Zinzen dat foutieve syllogisme ook ontdekt bij De Wever. Hij parafraseert diens bh-uitspraak als volgt sommige mensen verbranden bh’s; sommige mensen willen het christendom kapot; conclusie: wie bh’s verbrandt, wil het christendom kapot. ‘Correcte premissen, foute conclusie,’ zegt Zinzen. En we moeten het toegeven, met betrekking tot zijn eigen parafrase heeft hij gelijk: de middenterm is hier ‘sommige mensen’, en ‘sommige mensen’ kan nooit ‘álle mensen’ betekenen. Maar heeft Zinzen ook gelijk met betrekking tot de uitspraak van De Wever? Dat is een andere zaak.
     De kritiek van Zinzen brengt ons bij de kern van het syllogismeprobleem in het onderwijs. De opdracht is daar niet niet om de leerling een foutief syllogisme te leren herkennen. Met een beetje gezond verstand ziet hij zelf wel of een redenering deugt of niet, zelfs al weet hij niet welke de 24 geldige en de 232 ongeldige syllogismen zijn, en al kent hij het verschil niet tussen een barbará- en een barbarí-constructie, of een cesaré- en een cesaró-structuur**. Het nut van het syllogisme bestaat er immers niet in dat je foute redeneringen kunt herkennen of benoemen. Het nut bestaat erin dat je een onvolledige en onnauwkeurig geformuleerde argumentatie kunt herformuleren tot een volledige en nauwkeurige argumentatie, zodat iedereen kan zien welke de gebruikte argumenten zijn, en of ze iets voorstellen.*** En dat herformuleren moet je een beetje zorgvuldig doen.
     Dát heeft Zinzen met zijn parafrase in elk geval niet gedaan. De Wever stuurt helemaal niet aan op de conclusie dat bh-verbranders de vernietiging van het christendom willen. Ook spreekt hij nergens van ‘sommige mensen’. Wat je De Wever kunt verwijten is net het tegenovergestelde: dat hij veralgemeent. Dat hij het voorstelt of de gehele linkerzijde indertijd bh’s verbrandde, of dat toejuichte, en dat vandaag de gehele linkerzijde de hoofddoek omarmt. En daarnaast doet De Wever nog een tweede, ook veralgemenende, uitspraak, namelijk over de houding van de linkerzijde tegenover christendom en islam. Die houding wordt niet afgeleid uit het verbranden van de bh’s; ze wordt er hoogstens mee vergeleken. Dat heeft allemaal niets met het syllogisme van Zinzen te maken.
     Een zorgvuldiger manier om De Wevers uitspraak toch min of meer syllogistisch weer te geven zou deze zijn: de linkerzijde verbrandde indertijd bh’s; de linkerzijde omarmt tegenwoordig de hoofddoek; zowel bh’s als hoofddoeken zijn symbolen van vrouwenonderdrukking; wie van dezelfde zaak het ene symbool verbrandt en het andere omarmt, is niet consequent; de linkerzijde is niet consequent.****
     Op die redenering valt veel aan te merken. De twee eerste premissen berusten op een veralgemening; de derde wordt betwist; en bovendien is het wat al te gemakkelijk om de linkerzijde van tegenwoordig gelijk te stellen met de linkerzijde van indertijd. Een heel andere vraag is echter of de redenering daarom ook fout is, laat staan gelogen of gebeuzeld. Ik geloof het niet. Het is nu eenmaal onmogelijk over maatschappelijke stromingen te spreken zonder te veralgemenen. Wie een veralgemening gebruikt moet een beetje voorzichtig zijn, dat wel, maar wie zijn tegenstander een veralgemening verwijt, moet evenzeer een beetje oppassen. Anders ben je snel uitgediscussieerd. En als je van plan bent alle betwiste argumenten a priori te verwerpen, kun je beter niet aan de discussie beginnen.
 

* Je vindt dat gewauwel ook op overigens interessante Fact Checking-sites. Er bestaan heel wat foto’s van voornamelijk Amerikaanse feministen die bh’s verbranden. Toch wordt die verbranding op zulke sites vaak een ‘mythe’ genoemd. De argumentatie komt er dan op neer dat op één bepaalde feministische betoging (Atlantic City, 7 september 1968) geen bh’s werden verbrand, maar dat ze in een vuilnisemmer werden gegooid. Cherchez la petite bête, noemen ze dat in het Frans.

 ** De middeleeuwers hadden alle uitspraken in vier categoriën ondergebracht, waar ze letters aan gaven: universeel positief (A), universeel negatief (E), particulier positief (I), particulier negatief (O). Aangezien een syllogisme uit drie uitspraken bestaat, die vier verschillende figuren kan aannemen, heb je dan 256 mogelijkheden (4^3*4), van AAA1 tot OOO4. In werkelijkheid zijn slechts 24 combinaties geldig zoals AAA1, AAI1, EAE2, EAO2 … Om die combinaties te onthouden hadden middeleeuwse studenten een trucje bedacht met drielettergrepige namen, waarbij elk van de lettergrepen een van de vier letters bevatte: Barbara, Barbari, Cesare, Cesaro … Een voorbeeld van een Cesare-structuur is dan: geen enkel reptiel heeft pluimen (E), alle slangen zijn reptielen (A), geen enkele slang heeft pluimen (E). Een voorbeeld van een Cesaro is: geen enkel reptiel heeft pluimen (E), alle slangen zijn reptielen (A), sommige slangen hebben geen pluimen (O). Het Bart De Wever-syllogisme is, geloof ik, van het Barbara-type: alle politici worden goed betaald (A), alle Bart De Wevers zijn politici (A), alle Bart de Wevers worden goed betaald (A).

*** De leerling moet bijvoorbeeld in staat zijn om de volgende redenering te vervolledigen: Thuis is een soap. Er wordt dus slecht in geacteerd.  De ontbrekende premise is hier: in alle soaps wordt er slecht geacteerd.

**** Zo’n syllogisme met meer dan twee premissen kan met veel hangen en wurgen worden omgezet in meerdere syllogismen met twee premissen. Maar daar begin ik liever niet aan.

dinsdag 3 april 2018

Verhalen over lesbische liefde

Dit stukje is alleen bestemd voor lezers die niet van plan zijn om Harry Mulisch zijn boek Twee vrouwen (1975) te lezen - of die het al gelezen hebben. Ik ga namelijk het einde van dat verhaal verklappen. Hetzelfde geldt voor de films Carol (2015), The Handmaiden (2016) en de Black Mirror-aflevering ‘San Junipero’ (2016).  Goed. Is iedereen vertrokken die hier niet moet zijn? Dan kunnen we beginnen.

          Verhalen over lesbische liefde moeten een goede afloop hebben, dat vind ik ervan. En ik vind dat al lang. Ik las meer dan twintig jaar geleden dat boekje van Harry Mulisch over de rijke intellectuele Laura en het kapstertje Sylvia. ’t Is een netelige geschiedenis. De twee vrouwen houden van elkaar, maar Laura lijdt onder haar kinderloosheid en Sylvia is vaak nukkig en zwijgzaam. Dan gaat Sylvia ervandoor met de ex-man van Laura. Groot drama. Wanhoop. Zelfmoordgedachten. Maar plots staat Sylvia opnieuw voor de deur. Ze is zwanger, als cadeautje voor Laura. ‘Waarom heb je het mij niet gezegd,’ vraag Laura. ‘Alsof je het dan goedgevonden had,’ antwoordt Sylvia gevat. Tranen van geluk. ‘Ik ga vast uitpakken,’ zegt Sylvia.
     Ik was onder de indruk van dat happy end. Mijn reactie was dezelfde als die van Judi Dench in Philomena (2013):  I certainly didn’t see that one coming. Dat Mulisch de zaak alsnog verknoeit door er een tragische epiloog aan te breien, kon mij niet zoveel schelen. In een epiloog, zegt Macaulay, worden klappen uitgedeeld die geen pijn doen.
     Een kleine twintig jaar later zag ik een film over een rijke intellectuele in het New York van de jaren vijftig. Carol heet ze. Ze begint een verhouding met het verkoopstertje Therese. ’t Is alweer een netelige geschiedenis. Carol is getrouwd en heeft een dochtertje, en Therese is vaak nukkig en zwijgzaam – Carol eigenlijk ook. Carol wil scheiden van haar man, maar is bang om haar dochtertje te verliezen. Hoogoplopende ruzies met de echtgenoot. Breuk tussen Carol en Therese. Dan: nieuwe ontmoeting. Carol nodigt Therese uit om die avond naar een bepaald restaurant te komen. Therese weigert. Gaat toch. Carol zit aan een tafeltje. Ziet Therese. Haar gezicht bloeit open terwijl de camera langzaam nadert. De mooiste glimlach die ik ooit in een film heb gezien. I certainly didn’t see that one coming.
     Ik heb toen besloten dat verhalen over lesbische liefde een goede afloop moeten hebben. En gelukkig is er af en toe iemand die met mijn besluiten rekening houdt. Neem nu Chan-wook Park, de Koreaanse regisseur van sombere films over wraak. In zijn laatste film, The Handmaiden leek een treurig einde onvermijdelijk. Het kon niet tegelijk goed aflopen, dacht ik,  voor de sympathieke oplichtster Sook-hee, en meteen ook voor het slachtoffer van de oplichterij, de tragische vrouwe Hideko. Maar dan moet vrouwe Hideko in bad en Sook-hee moet haar daarbij helpen. Aha, dacht ik, dat kan een nog een mooie liefdesgeschiedenis worden. En vanaf dan was ik bezeten van één gedachte: het verhaal moest goed aflopen, ondanks de dreigementen van een wrede oom en de intriges van een gewetenloze schurk. En zie, ik werd op mijn wenken bediend. Het einde was niet alleen gelukkig, maar zelfs vrolijk, met meisjesgegiechel en pikante speeltjes.
     Laatst keek ik met vrouw en zoon naar een aflevering van de televisiereeks Black Mirror.  Ik weet niet of de lezer die reeks kent. Laat ik het zo stellen: het woord ‘Black’ in de titel staat er niet toevallig. Ik heb niet alle afleveringen gezien, maar wat ik gezien heb, eindigde altijd treurig. En nu keken wij naar de vierde aflevering van het derde seizoen, die zich afspeelt in het toeristische kuststadje San Junipero, ergens in de jaren ’80.  Dat is eigenaardig, want meestal speelt de reeks in de nabije toekomst. Zoals vaak in de reeks duurde het eventjes voor je kon raden in welke richting het verhaal uitging. Deze keer ging het over de truttig geklede Yorkie die in een bar wordt aangesproken door de levenslustige Kelly. Kelly wordt achtervolgd door een ex-vriendje. Of Yorkie kan helpen om dat vriendje af te wimpelen? Yorkie kan dat en wimpelt het vriendje af, waarvoor Kelly erg dankbaar is. Misschien wordt het iets lesbisch, zei Jan, want die jongen is bij de pinken. Ja, het ging die richting uit.
     Toen werd ik zenuwachtig. Hoe meer het verhaal vorderde, hoe dichter het happy end binnen handbereik kwam. Maar zagen de makers van de serie het ook zo? Ik ben tot het einde van de aflevering, tegen beter weten in, blijven hopen op een gelukkige afloop. En zie, tijdens de aftiteling komt alles goed. Of toch een beetje, want het blijft Black Mirror.