zondag 20 januari 2019

De humanitaire visa van Theo Francken

     Je kunt van de politieke vijanden van Francken en N-VA niet verwachten dat ze nu zwijgen over de humanitaire visa-zaak. Die visa werden uitgereikt door zijn kabinet en, naar het zich laat aanzien, door een Syrische christen, tevens N-VA-lid, verkocht aan andere Syrische christenen die bloot stonden aan vervolging door fanatieke moslims. Francken had met andere woorden goede bedoelingen maar is naïef geweest en heeft zich laten misbruiken door een gewetenloze schurk met een partijkaart. Naïviteit is een fout, in de politiek is het een zware fout, en voor een staatssecretaris is het een heel zware fout.
     De goede kant van de zaak, dat zal iedereen toegeven, is dat die Syrische christenen gered zijn; de slechte kant is dat die redding gepaard ging met misdadige corruptie. Die is nu gelukkig aan het licht gekomen. Hopelijk wordt de dader, indien schuldig bevonden, streng gestraft en kunnen de slachtoffers nog enigszins schadeloos gesteld worden. Francken en N-VA moeten nu even de ‘‘walk of shame’ lopen, maar we weten uit Game of Thrones dat daarmee het spel niet is uitgespeeld.

     Zelf til ik niet zwaar aan onbedoelde fouten van anderen of van mezelf. Ik ben van het principe dat we ervan moeten leren. Het mag een geluk heten dat ik leraar ben, en geen chirurg. Ik kan een dt-fout op het bord schrijven en als een leerling mij daarop betrapt, zeg ik dat ik mij diep schaam, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Over fouten van naïviteit kan ik mij al helemaal niet druk maken, hoeveel details men er ook bijsleurt. Zo’n Frank Van den Broucke die als SP-voorzitter illegaal verworven geld in de partijkas aantreft, en dat laat verbranden … Zo’n Kris Peeters die een niet helemaal koosjere Jood op zijn kieslijst plaatst … ik word er niet warm of koud van. Ook ben ik niet fanatiek als het over de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gaat. Toen Dutroux ontsnapte, of toen het Heizelstadion instortte, hoorde ik bij degenen die níet vonden dat de minister van Justitie of van Binnenlandse Zaken ontslag moest nemen. Het verbaasde mij dat anderen daar oprecht anders over dachten.
     Wat mij dan weer niet verbaast, is dat gemaakte fouten rijkelijk worden benut om een politieke vijand te schaden. De partijen van centrumlinks (Groen en Sp.a) en centrumcentrum (CD&V, Open Vld) weten ook wel dat ze bij het N-VA-publiek weinig stemmen kunnen terugwinnen, visa of geen visa. Maar als zo’n zaak een paar procenten van de centrumrechtse N-VA-kiezers kan doen verschuiven naar het radicaalrechtse Vlaams Belang is dat prima voor hen. Als N-VA wat kleiner wordt, worden zij relatief gesproken wat groter. Ook hier zit ik anders in elkaar. Ik hou noch van de Sp.a noch van de PS, en ik zie die partijen graag zo klein mogelijk. Maar ik zou nooit inzetten op een strategie om kiezers van die centrumlinkse partijen te laten overlopen naar het radicaallinkse PVDA-PTB.
     Waar ik eigenlijk het meeste bang voor ben, is dat de zaak zal worden aangegrepen om de huidige visum-procedure en visum-filosofie in vraag te stellen.* In het verrassend leesbare boek Continent zonder grens van Theo Francken en Joren Vermeersch, staat een interessant stuk over de rol van het visum bij de asielprobleem. Francken ziet het zo: je kunt maar Europees asiel aanvragen als je met een humanitair visum naar Europa reist, en dat visum wordt uitgereikt als ‘een niet afdwingbare gunst’**. De regering reikt een visum uit in de stijl van de Franse koningen: ‘car tel est son bon plaisir’. Ik ben het daar helemaal mee eens. Maar een nadeel van een gunsten-systeem is dat je ook een mogelijkheid schept om gunsten te verkópen. Het gevaar van corruptie loert om de hoek. Voor mij is dat een reden om iedereen die bij het uitreiken van visa betrokken is, goed in de gaten te houden. Dat is van toepassing op ambtenaren, maar nog meer op bereidwillige medewerkers ter plaatse. Francken zal die les nu ook wel geleerd hebben.
    Zoals ik het zie moet Europees asiel in de toekomst weer een uitzondering worden, bedoeld voor heel specifieke individuen of groepen die om ideologische of etnische redenen gevangengenomen of gedood kunnen worden in de landen waar ze wonen.*** Ik denk hierbij aan de Russische anarchisten van de negentiende eeuw, de Joden van de jaren 30, de Chileense communisten van de jaren 70, de Iraanse dissidenten van de jaren 90, en in het algemeen ‘verbrande’ opposanten in dictatoriale landen. Nu is er in de wereld veel dictatuur, maar veel minder oppositie, en een groot deel van die oppositie wil ter plaatse blijven om … euh … oppositie te voeren. Toch kan iedereen die vanuit een arm Afrikaans, Arabisch of Centraal-Aziatisch gebied naar Europa wil emigreren zich voor een opposant uitgeven.**** In zo’n situatie zal slechts één op de duizend asielaanvragers behoren tot de specifieke individuen of groepen die ik hierboven aanhaalde, maar het zal ook bijzonder moeilijk zijn om die ene te onderscheiden van die 999 andere.
     Sommigen denken dat je dan vooral moet zoeken naar een sluitende, transparante procedure met objectieve criteria die zullen toelaten om dat onderscheid wel te maken. Maar dat zal nooit werken. Als je de criteria zo streng maakt dat je de meerderheid van de schijnopposanten tegenhoudt, is de kans groot dat je ook die ene échte opposant niet binnenlaat. En als je criteria zo toeschietelijk zijn dat die ene echte opposant níet wordt tegengehouden – wat geloof ik vooral de Groenen willen – moet je er ook tientallen of honderden andere erbij nemen. Een zekere willekeur is dan nog het beste. Je zoekt actief uit welke individuen of groepen de grootste kans op vervolging lopen, en je stelt die discreet in de mogelijkheid om een visum en asiel aan te vragen.  Dat af en toe een schurk van die werkwijze misbruik maakt, is geen reden om de werkwijze zelf te verwerpen.
     Willekeur bij beslissingen roept vanzelfsprekend ook weerstand op, want ze schept, zoals gezegd, mogelijkheden voor corruptie. We hebben daarom openbare aanbestedingen bedacht, en vergelijkende examens om promotie te maken binnen de ambtenarij, en eindeloze wetteksten onderverdeeld in artikels, leden en paragrafen. En zo hoort het. Maar we kunnen die mate van objectieve en voorspelbare criteria, bedoeld om de burgers van een land te beschermen tegen willekeur van de staat niet toepassen op elk domein en op elke schaal.***** Ik geloof dat je er op dit moment niet ver mee komt in de migratieproblematiek.

       In het Marrakesh-pact wordt nochtans op zulke objectieve en transparante criteria aangedrongen. In punt 23 (‘Objective 7’) lezen we dat irreguliere immigranten individueel geëvalueerd moeten worden om een reguliere status te verkrijgen, en dat op basis van ‘clear and transparent criteria’. Het is een van de passages die ik driftig onderstreept heb. Maar als de regels dan toch ‘clear and transparent’ moeten zijn, dan zou ik er één voorstellen, namelijk dat er in Europa géén asielzoekers meer worden toegelaten. Géén. De tweede regel die ik voorstel is dat een regering om humanitaire redenen uitzonderingen kan maken op die regel, en wel ‘selon son bon plaisir’. Maar die uitzonderingen zullen dan helaas niet voldoen aan de Marrakesh-vereisten van duidelijkheid en transparantie. Je kunt niet alles willen.

 
* Dat is waar onder andere Bart Eeckhout in De Morgen op aanstuurt. Zijn argument is dat de huidige procedure tot misbruik  kan leiden. Dat is waar en het is nu ook bewezen. Maar ik zou niet elke procedure afschaffen alleen omdat die tot misbruik kán leiden. Je moet ook de voordelen van de procedure in rekening brengen, en de nadelen van het alternatief. Bovendien komen de misbruiken in een democratie uiteindelijk aan het licht, zodat ze in de tijd beperkt blijven. Ook dat is nu bewezen.
De essentiële willekeur bij het uitreiken van visa betekent overigens niet dat een kabinet of administratie geen interne richtlijnen of werkwijzen kan afspreken, of zich moet onttrekken aan alle externe controle. Maar de verantwoordelijkheid doorschuiven naar ngo’s of de VN is niet noodzakelijk een betere garantie voor een efficiënte en billijke afhandeling dan een zogenaamd ‘eigengereid’ optreden. Interessant daarover is de getuigenis van ex-ambassadeur Mark Geleyn. (hier)


** Uit de 94ste voetnoot van het boek heb ik begrepen dat de huidige Europese Visumcode van 13 juli 2009 weliswaar toelaat dat een visumweigering kan aangevochten worden voor een rechter, maar dat die de beslissing enkel kan vernietigen en het dossier terugsturen naar de administratie voor een nieuwe en beter gemotiveerde beslissing.                                                              
*** Voor grote vluchtelingenstromen – zoals in oorlogssituaties – moeten plaatselijke oplossingen gevonden worden met Europese steun.
 
**** Zouden die mensen dan líegen alleen om een visum te krijgen? Dat denk ik wel. Toen ik begin de jaren 90 voor het eerst naar de VS reisde, moest ik om een visum te krijgen eerst een vragenlijst invullen. Een van de vragen luidde:  ‘Are you or have you ever been a member of the communist party?’ Ik wou heel graag naar de VS en heb toen zonder aarzelen  ‘No’ geantwoord, terwijl ik in het dagelijkse leven niet zo vaak lieg.
 
***** Je kunt ook in een gezin, school, bedrijf of ziekenhuis met enig succes een beroep doen op duidelijke krijtlijnen en transparante criteria. Maar je merkt al snel dat die aanpak op zekere grenzen botst.

zaterdag 19 januari 2019

Wat doet oom Tom als hij boos wordt?

     De best verkopende roman van de 19de eeuw was niet Ivanhoe van Walter Scott, A Tale of Two Cities van Dickens, Oorlog en Vrede van Tolstoj of La bête humaine van Zola. Het was Uncle Tom’s Cabin van de Amerikaanse schrijfster Harriet Beecher Stowe. De roman kwam uit in 1852, op een ogenblik dat in het Zuiden van de Verenigde Staten nog zwarte slaven aan het werk waren in de huizen en op de plantages van de rijken. Stowe stelde die slavernij in een slecht daglicht. Dat had een grote invloed op de publieke opinie in het Noorden, en onrechtstreeks op de burgeroorlog die enkele jaren later over die kwestie zou ontstaan. Toen Stowe aan Lincoln werd voorgesteld zou die gezegd hebben: ‘So, this is the little lady who started the great war’.
     Ik heb het boek ooit in een kinderversie gelezen maar daar kan ik mij niets van herinneren. Van de film van 1965 herinner ik mij ook al niet veel. Eliza die over de ijsschotsen naar Canada vlucht. Zwarten die sentimentele liedjes zingen van ‘Old Man River’. En oom Tom die almaar braaf is.
     Men is die braafheid later als een slechte eigenschap gaan zien, want dat was een eigenschap van de ‘huisnegers’, zei Malcolm X.  ‘Uncle Tom’ werd een scheldwoord voor zwarte Amerikanen die zich netjes kleden, hard werken, niet meedoen aan betogingen en relletjes, en ‘het systeem’ aanvaarden. Op Rational Wiki, een site met de lay-out van Wikipedia en naar eigen zeggen ‘gespecialiseerd in wetenschappelijk denken, scepticisme en kritisch denken’, wordt bijvoorbeeld Thomas Sowell een ‘Uncle Tom’ genoemd, en wel omdat hij kritiek heeft op het Amerikaanse leefloonsysteem. Daaraan zie je in elk geval de soepele betekenis van de term ‘Uncle Tom’ , want wie Sowell ooit op televisie of Youtube bezig heeft gezien, zal hem niet snel ‘braaf’ noemen. Ook loopt hij niet hoog op het ‘het systeem’.
     Maar in de film is oom Tom dus almaar braaf, en misschien wel té braaf. Dat moeten die makers ook beseft hebben, en ze hebben een moment van opstand voorzien. Eén van de slavendrijvers wil iets schandelijks doen – wat dat is weet ik niet meer – en dan komen de zwarten, met oom Tom op kop geloof ik, in opstand. Die opstand bestaat echter niet uit roepen of vechten of met vuisten zwaaien of met stenen gooien. Zo opstandig zijn ze nu ook weer niet. Nee, ze gaan zingen, en wel van ‘Jesse Fit the Battle of Jericho’*. Ze kijken daarbij zo woedend dat de slavendrijver afdruipt. De scène maakte grote indruk op mij.
     We kregen dat lied ook te horen in de muziekles van André Devolder. Hij wees daarbij op de ‘agressieve syncope’** tussen ‘Jerri’ en ‘cho’. Laatst zocht ik het lied nog eens op in de filmversie (hier). Bij een eerste beluisteren was ik ontgoocheld. Van de zwarte woede die ik mij herinnerde van 53 jaar geleden bleef niet veel over en ook de ‘agressieve syncope’ kwam niet waar ik ze verwachtte. Een paar dagen later luisterde ik opnieuw en toen voelde ik de woede weer wel. Ik had gewoon even tijd nodig gehad.
 
* Misschien zal die veldslag van Jericho, met de instortende muren, weer verplichte leerstof worden in het godsdienstonderwijs nu de bijbelverhalen gerehabiliteerd worden. Dat zou mooi zijn. Dan kan de godsdienstleraar het Jericho-lied laten horen. Ik las ergens dat Jericho de oudste stad ter wereld is - meer dan tienduizend jaar oud. Maar wij Wervikanen hebben ook een oude stad, hoor. Meer dan tweeduizend jaar oud.

** Het vreemde woord ‘syncope’ is, samen met de uitdrukkingen ‘kleine terts’ en ‘grote terts’ het enige wat ik mij van die muzieklessen herinner. Mijn zoon gebruikt het woord wel eens als hij ons aan tafel onderhoudt, zoals studenten dat plegen te doen, over zijn cursus cardiologie.

vrijdag 18 januari 2019

Het telegram van Cary Grant

Gary Grant (18 januari 1904 - 29 november 1986)
     Indien filmacteur Cary Grant nu nog leefde, werd hij vandaag 115 jaar oud. Maar hij is al een poosje dood. Hij was een van de bekendste Hollywoodsterren van de jaren 40-50. Hij speelde zijn rollen met grote waardigheid, ook als die inhielden dat hij zich als indiaan verkleedde en met een groepje kinderen rond een totempaal huppelde, of zich vastklemde aan de oorlel van een president, of gestalte gaf aan de hoofdredacteur van een krant.* Van dat laatste kunnen we ons nu nog moeilijk voorstellen hoe je dat met waardigheid moet doen.
     Over zijn privéleven deden heel wat verhalen de ronde. Hij zou zijn eerste vrouw geslagen hebben. Hij zou LSD gebruikt hebben. Hij zou een homoseksuele relatie gehad hebben met die andere filmacteur Randolph Scott. Van geen van die verhalen is bewezen dat ze waar zijn. Maar het kan.
     Maar het nu volgende verhaal is bijna zeker niet waar. Het gaat zo. Op zekere dag stuurt een journalist een telegram naar de impresario van Cary Grant om te vragen hoe oud de acteur is. Zo’n telegram - ook telegrafisch bericht genoemd - werd doorgeseind naar een kantoor, en werd dan door een bode gebracht naar het adres van de bestemmeling en aan hem overhandigd. Dat was een snelle, zekere, maar ook dure manier om een boodschap door te sturen en de afzender betaalde per woord. Men probeerde de tekst zo kort mogelijk te houden door bepaalde woorden weg te laten. Ik leg aan mijn leerlingen nog altijd uit dat ze géén ‘telegramstijl’ mogen gebruiken.
     Goed, die journalist wil dus weten hoe oud de acteur was. Zijn telegram luidt: ‘How Old Cary Grant?’ De acteur is toevallig op het kantoor van zijn impresario, leest het bericht, en stuurt een telegram terug: ‘Old Gary Grant Fine, How You?’
     Veel moppen werken met een semantische dubbelzinnigheid. De cardioloog die zegt: ‘Hier klopt iets niet’. Maar voor één keer hebben we een mop die werkt met een syntactische dubbelzinnigheid. Wie in de jaren 70, 80 of 90 taalkunde gestudeerd heeft, toen Chomsky nog erg in de mode was, weet dat je die dubbelzinnigheid kunt weergeven in twee verschillende ‘dieptestructuren’. In één daarvan is ‘old’ linksvertakt, in de andere is ‘old’ rechtsvertakt.
     Kijk, een mop goed vertellen is een hele kunst, maar er één verneuken, dat is erg gemakkelijk, vooral als je wat doorgeleerd hebt.
 



* Respectievelijk: Monkey Business, North By North West en His Girl Friday.


 

zondag 13 januari 2019

Dries Van Langenhove en de 'rotte partijpolitiek'

De activist DVL: 'Linkse ratten, rol uw matten'
     Als student in de rechten Dries Van Langenhove verkozen raakt op de Vlaams Belang-lijst*, zal ik mij nog vaak aan hem ergeren. Hij zal dan allerlei dingen vertellen waar ik het niet eens mee ben – wat nooit leuk is – maar hij zal ook allerlei dingen zeggen waar ik het wél mee eens mee ben, en dat is ’t ergste. Ik verwacht van hem veel moraliserende centrum-rechts-gezond-verstand uitspraken, gematigder dan die van Filip De Winter, maar altijd, bij wijze van spreken, op een  Edward Mosley-toon die mij eraan herinnert dat zijn ware agenda rechts van extreemrechts ligt.
     Voor die ware agenda heb ik als bewijs niets meer dan enkele berichten die hij gepost heeft op een besloten internetgroep: een filmpje met een redevoering van Mosley, iets over politiek en lichaamscultus (‘ik kan niet begrijpen hoe iemand dik en rechts kan zijn’), een belofte om supermarkten ‘Golden Dawn-gewijs te zuiveren van halal’, en een voornemen om binnen twee jaar een eigen ‘mobiele brigade’ op te richten die je kunt opbellen als allochtonen luide muziek spelen op de trein. (Zie hier en hier)
     Voor mij is dat bewijs genoeg, maar dat is het niet voor iedereen. Tom Van Grieken beweerde op de televisie dat hij net als iedereen overdonderd was geweest door de heisa rond de pano-reportage, maar dat hij nu, na een paar maanden, vaststelt dat ‘het op geen enkele manier Dries is geweest die walgelijke posts heeft geplaatst, dat hij geen foute uitspraken heeft gedaan’. Ik ben het daar niet mee eens. Ik vind die uitspraken over de ‘mobiele brigades’ en over de supermarktacties meer dan fout, die over ‘dik en rechts’ meer dan bedenkelijk, en ook over het plaatsen van een Mosley-filmpje denk ik, net als Maarten Boudry op zijn Facebookpagina, het mijne. Wanneer een journalist die posts onder Van Langenhove zijn neus duwt, begint die luid en met een klemtoon op bijna elke lettergreep, te oreren over ‘vooringenomenheid’ en ‘flagrante leugens’. Dat overtuigt mij niet.
     Kijk, Van Langenhove mag gerust zeggen dat iemand anders die berichten onder zijn naam geplaatst heeft. Het staat iedereen vrij om dat te geloven. Maar voor mij moet hij eerst klaar, duidelijk en openlijk zeggen dat hij tégen zulke mobiele brigades is, dat die supermarkten best het recht hebben om halal aan te bieden en dat die Mosley een verwerpelijke fascist was. Als hij dát zegt, stijgt zijn geloofwaardigheid bij mij met enkele procenten.
     Zijn er andere aanwijzingen voor de extreem-extreemrechtse agenda van Van Langenhove? Ah ja, die Hitler-parafernalia die zijn S&V-makkers posten, die militair aandoende trainingskampen, dat poseren met wapens, dat driehoekig embleem op het uniformtruitje … dat is allemaal erg indirect. Zelf heb ik mij het meeste druk gemaakt om iets wat hij zei toen hij zijn Vlaams-Belang-kandidatuur bekendmaakte. ‘Dat engagement zal niets veranderen aan mijn afkeer voor de partijpolitiek. Ik zei het vorige week op de Mars voor Democratie en ik zal het blijven zeggen. De particratie is een rot systeem. We moeten de macht die de particratie heeft over het volk doorbreken …’
     Tja, hoe moet je zo’n uitspraak begrijpen? Is dat nu een sluwe manier om het het parlementaire systeem zelf aan te vechten, in de geest van Hitlers ‘Kampf gegen den Parlamentarismus’? Is het een hint dat een meerpartijensysteem in wezen corrupt is en dat het veel beter is als er géén ruziënde partijen zijn, of alleen maar die ene goede? De krachtige taal – ‘rot’ – laat verstaan dat het hele systeem niet hervormd, maar vernietigd moet worden. Of ‘doorbroken’. Eigenlijk geloof ik dat het inderdaad zulke ideeën zijn die in het hoofd van Van Langenhove rondspoken.
     Ik geef het toe, de woorden van Van Langenhove kunnen ook op een andere, minder argwanende worden uitgelegd. Misschien gelooft onze student in de rechten waarlijk dat álle politici van álle partijen omkoopbaar zijn en de belangen van het volk ‘verraden’ om er zelf beter van te worden. Als hij dat gelooft, dan maakt die simplistische veralgemening hem ongeschikt voor de politiek. Of misschien gelooft hij dat zelf niet, maar gelooft hij dat er veel mensen zijn die dat wel geloven, en praat hij die mensen naar de mond. Dan is hij een demagoog zoals vele anderen, niets om je over op te winden, maar zeker ook niets om naar op te kijken. Of misschien heeft hij in de krant gelezen dat politici vaak huichelen, liegen, beloftes breken, eerzuchtig zijn, hard zijn voor elkaar, en idealen verdunnen tot compromissen. Dan hadden de kranten het bij het juiste eind, want politici zijn mensen, en waar mensen zijn wordt gehuicheld en gelogen en is men eerzuchtig en hard. Bij politici komen die ondeugden misschien wat vaker voor dan bij bibliothecarissen, maar je vindt ze overal, en als je goed zoekt vind je er ook enkele bij jezelf.
     Een andere, welwillende, lezing van de ‘particratie is rot’-uitspraak is deze. Van Langenhove is in de eerste plaats een activist, en activisme is een ‘idealistische’, ‘zuivere’ aangelegenheid, in tegenstelling tot de rotte partijpolitiek, het corrupte parlement en de verdorven regering. De echte veranderingen komen er door acties op straat, waarbij de mensen ‘bewust worden gemaakt’. Maar hoe moet ik mij dat voorstellen? Schild en Vrienden houdt een betoging. Van Langenhove loopt voorop, priemt zijn twee wijsvingers in de lucht en roept luid oude slogans van de Vlaamse Militanten Orde: ‘Linkse ratten, rol uw matten’. Wat zal er nu gebeuren? Zullen de linkse mensen hun ‘matten rollen’ en verhuizen? Zullen ze van mening veranderen? Zal het publiek niet meer op linkse partijen stemmen, maar op rechtse? Dat laatste is in elk geval alweer partijpolitiek. Er is niets op tegen als men door vreedzame acties de publieke opinie probeert te overtuigen van een of andere goede zaak. Hopelijk zal die publieke opinie dan ook invloed hebben op partijpolitiek en de besluitvorming. Als dat niet het geval is, heeft het activisme geen zin. Is dat wel het geval, en houdt de partijpolitiek wél rekening met de publieke opinie, dan is ze, alles samen genomen, zo ‘rot’ nog niet.
     Van Langenhove zijn uitval tegen rotte partijpolitiek kan nog op een derde manier worden opgevat. Die redenering gaat dan als volgt. In een democratie moet de macht bij het volk liggen, en bij zijn verkozen vertegenwoordigers. In werkelijkheid ligt die bij de partijbesturen. Die besturen bepalen wie op de verkiezingslijst komt en op welke plaats. Ze bepalen dus in grote mate wie verkozen wordt. Ook bepalen ze wie minister, burgemeester of schepen wordt. In ruil daarvoor moeten verkozenen zich bij stemmingen houden aan de partijdiscipline en moeten ministers, burgemeesters en schepenen uitvoeren wat het partijbestuur beslist.
     Misschien speelt hier mijn marxistisch-leninistisch verleden, maar ik zie niet zoveel kwaads in die partijdiscipline. Toen er in het Parlement gestemd werd over het Marrakesh-akkoord, keurden álle CD&V’ers en VLD’ers die pro-migratietekst goed. Dat vond ik niet fijn, want ik was tégen en ik geloof dat een aantal van die CD&V’ers en VLD’ers heimelijk ook tégen zijn. Maar álle N-VA’ers hebben dan weer wel tegengestemd, wat ik heel fijn vond, terwijl daar misschien best een paar heimelijke voorstanders bij kunnen zijn. Bij de volgende verkiezingen weet het publiek jammer genoeg niet zeker welke kandidaten écht voor en welke écht tegen het Marrakesh-akkoord zijn. Maar het publiek kent wel het standpunt van de partijen en kan daar rekening mee houden als het wil. Dat is al heel wat.
     Eén zaak geef ik in elk geval graag toe: in ons land ligt inderdaad veel politieke macht bij de partijbesturen. Maar niet alle macht. Er ligt ook macht bij de koning, bij de eerste minister, bij kernkabinetsleden, bij eigenzinnige parlementsleden, bij Europese instellingen, bij nationale en supranationale rechtbanken, bij de administratie, bij de vakbonden, bij invloedrijke studiebureau’s, bij drukkingsgroepen, bij VRT-journalisten. Het is best mogelijk dat bij ons het evenwicht zoek is. Dat is wat professor Wilfried De Wachter beweert in zijn boek over particratie. Je kunt dan allerlei hervormingen doorvoeren om de macht van partijbesturen te beperken: wetgeving over de interne werking van partijen, afschaffing van subsidies, rechtstreekse verkiezingen van uitvoerende functies, open lijstvorming, getrapte verkiezingen, beperking van de herverkiesbaarheid, lagere kiesdrempels, hogere kiesdrempels, kleinere kieskringen, grotere kieskringen. Als we naar andere landen kijken, zien we dat al die regelingen al uitgeprobeerd zijn, en dat ze op hun beurt hun eigen nadelen hebben.
     We hebben van Montesquieu en de Amerikanen geleerd dat een vrije samenleving best gebaat is met een spreiding van de macht over verschillende instellingen. En we hebben van Popper geleerd dat het niet zo belangrijk is wélke instelling de meeste macht heeft, op voorwaarde dat die macht weer kan worden afgepakt zonder bloedvergieten. Die laatste voorwaarde is heel erg van toepassing op de partijbesturen. Het bestuur van een regeringspartij heeft een aanzienlijke macht in handen; het bestuur van een oppositiepartij heeft niets in handen, of teert in het beste geval op de machtsrestjes van een vroegere bestuursdeelname. De periodieke verkiezingen zorgen voor een periodieke aflossing van de wacht, wat Nozick de “zigzag of politics” noemt, en de Fransen de ‘alternance’.
     Veel mensen vinden spontaan die idee van ‘alternance’ aantrekkelijk. Zij zien in alle partijen goede punten, en vinden het leuk dat die beurtelings aan bod komen. Ik heb dat niet. Ik kan bijvoorbeeld niet begrijpen wat goeds er kan voortkomen uit een regeringsdeelname van groenen of socialisten. Wát er waardevol is in het programma van die partijen, vind ik ook wel met enig zoeken terug in de partijen van mijn voorkeur. Van karakter sta ik dus open voor de totalitaire verleiding om alle politieke heil van één kant te verwachten. Maar ik wil graag in goede verstandhouding samenleven met de mensen om me heen. Sommige van mijn beste vrienden zijn groen of socialist.  Ik wil hun partijen tolereren als zij de mijne tolereren. En dan is er nog iets. Die partijen van mijn voorkeur – die voorkeur slaat wel eens om – blijven mensenwerk. Als zo’n partij, ook al is het die van mijn voorkeur, te lang aan één stuk door aan de macht blijft, is dat niet goed voor haar morele gehalte. ‘Power corrupts,’ zei lord Acton, ‘and absolute power corrupts absolutely.’
     Om kort te gaan, als Van Langenhove nog eens uitvalt tegen de ‘rotte partijpolitiek’ zou ik graag hebben dat hij nuanceert en preciseert, dat hij in een adem door zijn steun toezegt aan het beginsel van een meerpartijenstelsel, en dat hij tegelijk ook uitlegt welke structurele hervormingen hij voorstelt om de werking van het stelsel te verbeteren. Zo niet, zal ik zijn uitval interpreteren, in het beste geval, als een kwalijke autoritaire oprisping, in het slechtste geval, als een blijk van een stiekeme totalitaire ideologie.

* Opkomen op een Vlaams Belang-lijst lijkt mij een Nieuwe Marsrichting, vergeleken met de vorige infiltratiepogingen in N-VA, die ik vroeger al eens becommentarieerd heb.

woensdag 9 januari 2019

Dries Van Langenhove versus Kathleen Cools

     Met grote verbetenheid, maar met allebei een glimlach op het gezicht, hebben Dries van Langenhove en Kathleen Cools gedurende 15 minuten een welles-nietes-gesprek gevoerd op Terzake. De glimlach van Dries vind ik professioneler dan die van Cools die teveel aan een vals tante nonnetje doet denken. Maar laten we het over de inhoud hebben.
     Nou ja, inhoud.* Cools vond het heel belangrijk te melden dat er een gerechtelijk onderzoek liep tegen Van Langenhove. Ik vond dat niet belangrijk, want dat onderzoek zal, geloof ik, geen strafbare feiten aan het licht brengen. En als er al strafbare feiten aan het licht komen, dan toch alleen strafbaar op basis van de dubieuze anti-racisme wetgeving. Ook wilde Cools graag bewijzen dat Van Langenhove een opportunist is die een parlementair mandaat wil voor het geld. Dries had eerst gezegd dat hij tegen de partijpolitiek was, en nu deed hij zelf mee als lijsttrekker van Vlaams Belang**. Wat een bocht, vond Cools.
     Van Langenhove kon gemakkelijk uitleggen dat hij geen bocht had gemaakt. Hij kwam als onafhankelijke op de lijst. Bovendien zou hij het parlement alleen gebruiken om daar de ideeën te verkondigen die hij ook in straatacties en op de sociale media propageert. Straks hebben we dus, naast Raoul Hedebouw, een tweede volkstribuun in de kamer. Die idee om het parlement te gebruiken als ‘tribune’ is voor het eerst uitgewerkt door Lenin, vooral in zijn boekje ‘De linkse stroming’, en werd later ook in de praktijk gebracht door de Hitlerianen voor ze de macht grepen. Ze deden mee  aan de partijpolitiek om de partijpolitiek aan te klagen. Net als de Leninisten en de Hitlerianen is Van Langenhove juist géén opportunist, maar een man van radicale ideeën.
     Met een aantal van die ideeën heb ik het moeilijk. Van Langenhove postte op een besloten groep van Schild en Vrienden onder andere:
  • ‘Ik kan niet begrijpen hoe iemand dik en rechts kan zijn.’ (Ik hou niet van die verweving van politiek en lichaamscultus.)
  • ‘Binnen twee jaar kan je de mobiele brigade opbellen die hen dan opwacht aan het volgende station. (Als antwoord op zijn vriend Louis de Stoop die geklaagd had dat ‘bruinzakken’ luide muziek speelden op de trein).
  • Supermarkten gaan we ‘Golden Dawn-gewijs zuiveren van halal’. (Een verwijzing naar gewelddadige acties van een Griekse rechts-extremistische groep).
     Een andere Vriend postte op dezelfde groep:
  • ‘We eisen als samenleving [...] niet veel van vrouwen: een goede moeder zijn en zichzelf verzorgen, er goed uitzien. Mannen worden terecht hogere standaarden opgelegd.’ (Tot in de negentiende eeuw waren zulke ideeën ruim verspreid - Ibsen en Wilde halen ze over de hekel. Maar in de twintigste eeuw vinden we ze vooral bij sommige vooroorlogse Nieuwe Orde-bewegingen).
     Dat zijn allemaal standpunten die Van Langenhove buiten zijn officiële communicatie houdt. Wel komt hij openlijk uit voor zijn afkeer van de verrotte partijpolitiek en de ‘particratie’. Eigenlijk vind ik dat standpunt nog erger, want ik ben een hartstochtelijk voorstander van een meerpartijenstelsel.
     Dat stelsel heeft natuurlijk allerlei nadelen: gepalaber, compromissen, trage besluitvorming, onverstandige beslissingen, korte-termijnvisie, politieke spelletjes, verkozenen die het alleen om het mooie inkomen te doen doen, onverkozen partijbesturen die beslissen wat in het parlement gezegd en in de regering beslist wordt.**** Maar het volstaat om wat te lezen over bijvoorbeeld nazi Duitsland om vast te stellen zien dat al die problemen daar ook aanwezig waren, en nog enkele andere ook
     Het grootste nadeel van de meerpartijendemocratie is vooral dat zoveel mensen stemmen op partijen die ik niet lust. En mensen die op heel andere partijen stemmen ondervinden hetzelfde nadeel. Daar moeten we als volwassenen mee leren leven, in plaats van op te roepen dat ‘het volk de rotte partijpolitiek aan de kant moet schuiven.
  

* Op het einde van het interview liet Cools een filmpje zien dat Dries Van Langenhove geplaatst had op zijn besloten groep. Het was een toespraak uit de jaren dertig van de Britse fascist Mosley. Mosley had toen gezegd: ‘Naturally we believe in our own race. Any man or woman worth anything believes in his own race as he believes in his own family. But because you believe in your own race or in your own family, doesn’t mean you want to injure other races or other families.’ Cools vond dat dit erg goed geleek op een toespraak die Van Langenhove onlangs zelf gehouden had: ‘We weten dat het niet is omdat je je eigen volk liefhebt, dat je daarom andere volkeren zou haten, net zo min als je eigen gezin liefhebben betekent dat je andere gezinnen zou haten.’ Van Langenhove heeft het woord ‘ras’ vervangen door het woord ‘volk’, waarmee het voor fatsoenlijke nationalisten perfect aanvaardbaar is. Maar het blijft natuurlijk plagiaat. Ik heb enige moeite om aan mijn leerlingen uit te leggen dat een overgenomen tekst vormelijk plagiaat blijft, ook als je hier en daar een woord verandert. De grote gelijkheid van vorm bewijst het plagiaat. En in het geval van Van Langenhove is het een sterke aanwijzing dat hij het inderdaad is die het filmpje geplaatst heeft, wat hij met grote stelligheid ontkent.

** Nadat Vlaams Blok-Vlaams Belang gedurende vele jaren minder extreem werd, maakt ze nu, met Van Langenhove als lijsttrekker, de omgekeerde beweging.


*** Van Langenhove heeft zich niet met zoveel woorden uitgesproken tegen het meerpartijenstelsel. Maar ik sta erg wantrouwig tegenover mensen die kritiek leveren op de particratie’ zonder te nuanceren, zonder tegelijk hun steun uit te spreken voor het meerpartijenstelsel en zonder concrete voorstellen te doen. 

**** Die corruptie en gebrekkige besluitvorming zijn een goed argument om de sfeer van de politiek en de staatsinterventie beperkt te houden.

zondag 6 januari 2019

Migratie-optimisme

     Op de vraag hoe het met mij, met jullie en met het heelal uiteindelijk afloopt, heb ik weinig gunstigs te melden. Maar ‘andrerseits bin ich kein rabenschwarzer Pessimist,’ zoals Reinhard Mey zong. Meestal ben ik een zonnetje in huis. En nu heb ik een nieuwe reden om mijn optimisme te koesteren. In De Zondag van vandaag staat een hoopgevend interview met John Crombez (Sp.a) ‘De migratie naar Europa moet verminderen,’ zegt hij. ‘Anders zal het niet houdbaar zijn. We moeten meer investeren in humane opvang in eigen streek.’  ‘U klinkt net zoals N-VA,’ werpt de journalist op. ‘Helemaal niet,’ antwoordt Crombez. Ja, wat moet die jongen daarop zeggen?*
     Met het nieuwe Sp.a-standpunt breidt de anti-migratiestrekking zich dus uit binnen het politieke centrum. Eerst was er het geruchtmakende openingscollege van Bart De Wever aan de RUG in 2015. S.pa volgt nu, misschien omdat ze zich ter linkerzijde willen onderscheiden door realiteitszin. Bij Open-Vld moeten ze nog eens goed nadenken over het verschil tussen economisch nuttige en economisch nadelige immigratie, maar ze volgen wel, te gelegener tijd, anders verliezen ze nog een keer kiezers aan N-VA. Voor CD&V ligt het wat moeilijker omdat ze halfopen grenzen en een ruime vluchtelingenopvang nu al zo lang prijzen als een vorm van christelijk humanisme. Maar vroeg of laat begrijpen ze zelfs daar het verschil tussen een humaan imago en een humaan beleid, want dat laatste moet per definitie ook realistisch zijn. Groen en PVDA zie ik niet snel omgaan, maar je kunt niet alles willen.
     Wel zal het ook ná de evolutie binnen de partijen niet gemakkelijk zijn. Er is de ethische controverse. Er is de noodzakelijke internationale samenwerking. Er is de juridische stand van zaken. Ook betekent een politieke consensus tussen de Vlaamse centrumpartijen, nog niet dat die consensus er is aan Waalse zijde. En verder is het sluiten van grenzen – nationaal of Europees – ingewikkeld en duur, en de landen van herkomst overtuigen om immigranten terug te nemen is eveneens ingewikkeld en – welja – duur. Want die regimes doen niets als ze er niets voor terugkrijgen.
     In elk geval ziet het ernaar uit dat migratie een belangrijk onderwerp wordt tijdens de volgende verkiezingscampagne. Dat komt onder andere door Marrakesh-beslissing van N-VA. Crombez zegt echter met recht en reden dat zulke zaken niet vastgelegd worden door de communicatiedienst van een partij. ‘De bevolking heeft al langer beslist welke thema’s de campagne domineren,’ zegt hij. En volgens hem is migratie daar één van.
     Weinig grote problemen kunnen worden opgelost met ‘vijf minuten politieke moed’, zoals Yves Leterme indertijd heeft moeten ondervinden. Die wijsheid zullen we, geloof ik, niet terugvinden in de slogans van de komende verkiezingscampagnes. Daar zijn het slogans voor; ik heb daar geen probleem mee. Maar de regering die dan volgt, zal de eerste stappen moeten zetten. En de regering die erna komt, de volgende, enzoverder.
     En zo komt het allemaal nog goed.


 * Ook wat Crombez zegt over kernenergie staat mij wel aan. Zelf vindt hij dat ‘elk weldenkend mens weet dat gevaarlijke, vervuilende en dure kernenergie niet de toekomst kan zijn.’ Maar als de journalist van De Zondag opmerkt dat de wetenschappers van het VN-klimaatpanel kernenergie naar voren schuiven, antwoordt hij: ‘De kernlobby is aan het winnen.’ Kijk, dat vind ik alweer goed nieuws.

maandag 31 december 2018

Melville, Marx, Camus en Mary Poppins

     Laatst postte ik een cover van het beroemde boek Moby Dick. Facebookvriend Edgard Frederix, die ik soms in de schoolgangen zie rondlopen, reageerde dat hij dat boek gelezen had, maar dat het lezen ‘aanvoelde als een verplichting’. Ik herkende het gevoel. Professoren die er les over geven of geleerde stukken over schrijven prijzen het boek, en ook Marc Vanfraechem die daar geen cent voor ontvangt, maar zelf heb ik er weinig plezier aan beleefd. Ik las het aan een strandbar gezeten, terwijl vrouw en kind lagen te zonnen in het zand of zich vermaakten in de zee. Ik hou heel veel van zon, zand en zee, maar vanop een afstand.
     Wat ik indertijd wel met plezier heb gelezen, is Melvilles korte verhaal ‘Bartleby the Scrivener’. Een advocaat werft een nieuwe klerk aan om documenten te kopiëren, de brave, vreugdeloze Bartleby. Eerst kopieert die vlijtig de documenten die hij moet kopiëren, maar op zekere dag weigert hij een document na te kijken. ‘I would prefer not to,’ zegt hij beleefd. Voor de vertaling twijfel ik tussen ‘Liever niet’ en ‘Ik geef er de voorkeur aan om niet aan uw verzoek te voldoen.’ En na die eerste weigering zal hij altijd maar meer opdrachten weigeren met altijd hetzelfde zinnetje: ‘I would prefer not to.’ Op de duur doet hij niets meer dan voor zich uit te staren. Later ontdekt de advocaat dat Bartleby zich permanent in het kantoor heeft gevestigd en er ook overnacht. Als men hem vraagt te vertrekken, zegt hij:  ‘I would prefer not to.’ De advocaat verhuist ten slotte zelf maar naar een ander gebouw. Bartleby blijft achter, wordt door de nieuwe bewoners aangegeven bij de politie en sterft in de gevangenis van de honger. He preferred not to eat. Melville eindigt zijn verhaal met de uitroep: ‘Ah Bartleby! Ah humanity!’
     Het was een van de Amerikaanse verhalen die ik moest lezen voor het examen van professor Doyen, maar uiteindelijk werd ik ondervraagd over een andere verhaal, één van Washington Irving. De jongen vóór mij had de vraag over ‘Bartleby’. Terwijl ik mijn eigen antwoord aan het voorbereiden was, ving ik vlagen op van wat mijn voorganger vertelde ‘… the absurdity of existence … breakdown in communication … metaphysical rebellion … French existentialists … Albert Camus …’ Ik was onder de indruk, en professor Doyen nog meer: ‘very good … quite so … nice catch’, zei hij.
    Ik weet niet of Doyen die thema’s zelf in de les had aangebracht, want ik ben nooit naar die lessen geweest. Het kan. Ik reageer op een mondeling examen ook altijd enthousiast als een leerling precies hetzelfde vertelt als wat ik eerder in de klas heb verteld. Maar in elk geval is de gelijkenis tussen ‘Bartleby’ en de existentialistische en absurdistische verhalen van honderd jaar later niet erg vergezocht. Ik verwachtte dus dat Melvilles biograaf Delbanco het ook in die richting zou zoeken als hij aan dat verhaal gekomen was. Of misschien iets psycho-analytisch, dat kon ook.
     Maar het werd iets anders. Nadat Delbanco eerst Moby Dick in verband had gebracht met Kubrick en Benda (zie hier), besteedde hij nu meerdere pagina’s om ‘Bartleby’ in verband te brengen met ... de proletarisering van de klerkenstand, de marxistische vervreemdingstheorie van de arbeid, de ontoereikendheid van de American Dream, het laissez-faire kapitalisme,  en de noodzaak om met een sociaal-zekerheidssysteem de klassenjustitie te doorbreken*.
     Ik kan mij daar een beetje over opwinden. Dat je die onderwerpen ter sprake brengt bij de arme klerken van Charles Dickens – Nemo in Bleak House, Cratchit in Christmas Carol – à la bonheure. Daar past dat bij. Maar toch niet bij ‘Bartleby’. Het is alsof je Mary Poppins – de film, de eerste – aangrijpt om uit te weiden over de verderfelijke rol van het bankwezen in onze samenleving. Aan de andere kant, Mary Poppins … nu ik erover nadenk, heb ik die film vroeger wel eens aangegrepen om over die banken uit te weiden.



* ‘It is a medidation … on how to define collective responsibility at a time when the old ad hoc welfare system of churches and charities could no longer cope with the growing number of workers and families left destitute by the boom-and-bust cycle of the industrial economy. As casualties mounted, the scope of corporate responsibility was being narrowed in the courts by business-friendly judges who routinely ruled against plaintiffs in cases of workplace injury and property loss.’

zondag 30 december 2018

De 'gele hesjes' en de 'working poor'

     ‘Waarom zijn de gele hesjes zo boos?’ vraagt filosoof en vakbondsman Robrecht Vanderbeeken zich af in De Standaard van 27 november (ook hier). Zijn antwoord is dat zij behoren tot de uitgebuite ‘working poor’ en zijn oplossing is dat een groter deel van de economie moet worden genationaliseerd. Dat nationaliseren is een oude oplossing waar allerlei bezwaren tegen bestaan, maar Vanderbeeken gelooft, denk ik, dat die bezwaren al half weerlegd zijn als je het woord ‘nationalisering’ vervangt door de uitdrukking ‘duurzame municipalisering’. Het was de eerste keer dat ik die benaming tegenkwam.
     De benaming ‘working poor’ daarentegen had ik al vaker zien opduiken, en iedere keer dacht ik, dat zou ik eens moeten uitzoeken. De moderne armoede in de Westerse wereld, had ik altijd gehoord, heeft te maken met werkloosheid. Door een rechts-liberaal beleid – privatisering, minder belastingen – stimuleer je de economie, komen er meer banen, en zijn er minder armen. Maar wat als die mensen met banen nu ook in de armoede terecht komen?
     In Humo las ik een interessante reportage van Jan Antonissen (hier, betaalmuur). Antonissen had postgevat bij een gele-hesjesbarricade aan de rotonde van Gellingen (Henegouwen). Hij sprak met de actievoerders die er trots op waren dat ze binnen tien minuten een file konden laten ontstaan van 10 kilometer lang. Ze vertelden over hun moeilijke leven: Jordan Delbosch (19), Christophe Delbosh (43), Dylan (18), Lorie Manderlier (18), Raphael (17), Cyril Carayol (45), Chloé Lejeune (22) en Logan Villet (23). De ene durft binnenkomende facturen niet openmaken, een tweede kan vrijdagavond niet meer op café en koopt blikken bier om thuis op te drinken, een derde heeft amper nog geld om zijn enige hobby te beoefenen: zijn Yamaha voltanken en ’s nachts over de landelijke wegen te scheuren. Ze gaan niet op vakantie, niet op restaurant, niet naar de bioscoop. Als ze een keer voor 60 euro pannenkoeken gaan eten, moeten ze op iets anders bezuinigen. Een jonge vrouw moet weer bij haar ouders intrekken omdat ze de huur en de crèche niet kan betalen.
     Hier en daar is een sprankel hoop. De meeste getuigen zijn nog jong, studeren nog, of hopen binnenkort een baan te vinden of een zaak te starten. Hopelijk zullen ze binnen enkele jaren hun moeilijkheden te boven zijn gekomen. Eén gezin komt maandelijks 200 euro te kort, maar binnenkort loopt de afbetaling van het huis af, waar nu 1 500 euro per maand naar gaat. Maar het blijft miserie. Iemand met een lerareninkomen zoals ik – 2800 euro netto per maand, en mijn vrouw verdient nog iets meer – kan zich die miserie nauwelijks voorstellen.

     Die miserie is sterk beïnvloed door de gezinssituatie. In de Humo-gezinnen is er altijd wel iemand die werkt, en in die zin is de omschrijving ‘working poor’ van toepassing. Sommigen werken maar deeltijds of hebben onregelmatig interimwerk, maar anderen werken wel degelijk voltijds en ontvangen een maandelijks loon: als arbeider (1700 euro), als boerenknecht (1450 euro bruto), bij de Colruyt (1600 euro), als verkoopster in een shoppingcentrum (1475 euro)*.  Maar dat zijn individuele lonen. De armoede komt door de gezinssituatie: een vader met een werkloze zoon en een invalide echtgenote, een poetsvrouw met een gepensioneerde man, een alleenstaande moeder die een dure crèche voor haar kind moet betalen.
     Ik zie ook niet direct wat er aan de situatie kán worden gedaan. Het verhogen van het minimumloon heeft niet veel zin want de geciteerde lonen liggen een stuk boven het minimumloon (ongeveer 1350 euro netto)**. Een verdere verlaging van de inkomstbelasting op die lonen vind ik geen slecht idee, maar veel meer dan 10 procent belasting betalen die kleinverdieners nu al niet. Je kan een verhoging van de pensioenen en uitkeringen overwegen, maar een deel van die verhogingen moet dan weer door de andere ‘working poor’ betaald worden***. Je kan door een omgekeerde tax shift de indirecte belastingen verlagen, op brandstof bijvoorbeeld, maar als de directe belastingen daardoor hoger worden, schiet je weer niks op.
     Reportages als die van Antonissen in Humo hebben het voordeel dat ze over mensen gaan, en niet over cijfers. Je kunt voor zulke reportages nog grondiger tewerkgaan. Je kunt zoals socioloog Herman Loos of de journaliste Barabara Ehrenreich zelf tijdelijk deel gaan uitmaken van de ‘working poor’. Je gaat dan in Frankrijk (Loos) aan de slag in tijdelijke betrekkingen als magazijnier, rekkenvuller en dozenplooier, of in de Verenigde Staten (Ehrenreich) als serveerster, vakkenvulster en als zorgkundige. Toegegeven, je ervaring is dan niet helemaal dezelfde als die van de andere ‘working poor’. Het harde bestaan dat je leert kennen is dubbel zo hard wanneer je luxueuzer omstandigheden gewoon bent. Ook zoek je met opzet slechtbetaalde en tijdelijke banen uit, terwijl veel anderen juist zoeken om vanuit die banen hogerop te raken. Maar de kennis die je opdoet, hoe subjectief gekleurd die ook is, blijft erg waardevol.
     Ook waardevol, maar anders, is de objectieve kennis die wordt aangereikt door statistische gegevens. Je hanteert dan een objectieve omschrijving van het begrip armoede, namelijk een inkomen vanaf minder dan 60 procent van het mediane inkomen. In ons land is dat mediane inkomen 1.860 euro netto per maand en in Luxemburg is het meer dan 2.800 euro. In België ben je dus arm als je onder de 1.115 euro komt, terwijl je dat in Luxemburg al bent als je onder de 1.700 euro komt. Dan moet je daar de gezinssituatie bijrekenen, waardoor de armoedegrens er bij ons als volgt uitziet****:


Alleenstaande
€ 1.115
Alleenstaande met kind
€ 1.449
Samenwonenden
€ 1.672
Gezin met 1 kind (<14 jaar)
€ 2.007
Gezin met 1 kind (> 14 jaar)
€ 2.230
Gezin met 2 kinderen (<14 jaar)
€ 2.341
Gezin met 2 kinderen (> 14 jaar)
€ 2.787

         Zulke cijfers hebben het nadeel van de abstractie. Ze zeggen weinig over de échte toestand. Twee samenwonenden die met 1.672 euro een huis huren of afbetalen, zijn veel slechter af bijvoorbeeld dan twee samenwonenden die eenzelfde inkomen hebben en een al afbetaald huis bezitten. Maar in hun algemeenheid kunnen de cijfers ons wel iets bijbrengen. Twee samenwonenden met samen 1.672 euro zijn gemiddeld veel slechter af dan twee samenwonenden met samen 3.344 euro.
     Ook kun je met de cijfers vergelijkingen maken en tendensen herkennen. In Het Nieuwsblad en De Standaard van 28 december stond een interessant interview met Ive Marx over de ‘working poor’ (hier)*****. In ons land is het aandeel van de ‘working poor’ 5 procent van de bevolking. Dat is het tweede laagste cijfer van Europa, veel lager dan het Europese gemiddelde (9,6 procent) en veel, veel lager dan in Spanje (13,1 procent) en Italië (12,3 procent).  Ook interessant is het cijfer van Nederland: 6,1 procent. Dat is helemaal geen slechte score, alhoewel Nederland vooroploopt met deeltijdse en tijdelijke banen. Die deeltijdse en tijdelijke banen leiden dus niet automatisch tot een heel groot aantal ‘working poor’.
     Terug naar ons land. Het aandeel van de ‘working poor’ is de laatste 10 jaar gestegen: van 4,3 procent naar 5 procent. Dat lijkt een kwalijke evolutie maar de werkelijkheid is genuanceerder. Die stijging komt immers door de daling van het aantal werklozen. Veel werklozen vonden een baan, maar een minder betaalde baan. Hun gezinnen, al naar gelang de samenstelling, zullen dus ondanks die baan in sommige gevallen onder de armoedegrens gebleven zijn. Maar met een werklozenuitkering waren ze nog dieper onder de armoedegrens gebleven. Dat is de andere kant van het verhaal van de ‘working poor’.
    Ik heb begrepen dat de gele hesjes van Humo willen dat de politiek in ons land een andere richting uitgaat. Ze hopen op een algemene staking die het hele land verlamt. Ik van mijn kant hoop dat de volgende regering ten minste het beleid van banencreatie in de privésector verderzet. Een hoog loon is leuker dan een laag loon, en een vast contract is leuker dan een tijdelijk contract. Maar velen zullen, geloof ik, een laag loon en een tijdelijk contract verkiezen boven alleen maar een uitkering.

* Ik ga ervan uit dat het om nettolonen gaat, al wordt dat er in het Humo-artikel niet altijd bij vermeld.
** Bovendien maakt een verhoogd minimumloon het voor een werkgever minder interessant om een ongeschoolde werkzoekende aan te werven. Daardoor kan de werkloosheid weer stijgen.

*** Of eventueel door hogere belastingen voor de ‘rijken’, maar ook die hogere belastingen zijn niet goed voor de economische groei.

**** De cijfers zijn van 2017. Je vindt ze hier. Zie verder ook hier.

***** De titel van het Standaard-artikel is wat misleidend: ‘Meer werkende armen ondanks hoogconjunctuur’. Het is dóór de hoogconjunctuur dat er meer werkende armen zijn en minder werkloze armen (relatief ten opzichte van elkaar). Dat geldt zeker ook voor de Verenigde Staten waar de werkloosheid 4 procent bedraagt. Meer in het algemeen kun je zeggen dat een deel van de werkende armen bestaat uit ex-werklozen, een deel uit jonge starters met een traditioneel laag inkomen, en een deel uit laageschoolden die nu in laagproductieve sectoren werken zoals pakjesbezorging, terwijl ze vroeger aan de slag konden in hoogproductieve sectoren zoals de automobielindustrie.

zaterdag 29 december 2018

Mijn behoefte aan liefde en erkenning

     Vrees niet, lieve lezer, dat ik hier mijn dromen zal vertellen. Tell a dream, lose a reader, zei Henry James, die trouwens in zijn late periode wel andere middelen had om lezers af te schrikken. Maar James had gelijk. Als ik De Avonden herlees, sla ik de droomscènes over.
     Heel in het algemeen wil ik over mijn dromen wel iets kwijt, zaken die de lieve lezer misschien zal herkennen, zoals dat ik in mijn dromen vaak tegelijk toeschouwer als hoofdrolspeler ben, of dat ik diep ontroerd kan worden door locaties als zalen, gangen en trappenhuizen die me in het werkelijke leven amper beroeren. Ook lijkt het of ik in een droom over een aparte voorraad herinneringen beschik die voortkomen uit vroegere dromen. Maar dat zal dus maar een indruk zijn.
     Wat mij vooral verbaast is dat ik in mijn dromen iemand anders ben, met andere kenmerken en andere mogelijkheden, dan in wakende toestand, een minder fraai mens lijkt mij, maar misschien is ook dat maar een indruk*. Ik kan vlotter Frans praten maar kan geen tekst lezen. Ik ben tot allerlei slechte daden in staat, zoals iemand het hoofd inslaan, maar na een slechte daad voel ik een eindeloos schuldgevoeld. Mijn inzichtelijke vermogens zijn die van een erg jong kind – of van een erg seniele grijsaard. Ik geloof niet dat ik een eenvoudige rekensom zou kunnen oplossen. En toch ben ik er in mijn dromen soms van overtuigd dat ik de sleutel tot enig wereldraadsel heb gevonden. En vóór alles word ik bezeten door een kinderlijke behoefte aan liefde en bewondering. Ik wil dat de mensen naar wie ik opkijk, mij zouden erkennen en naar míj zouden opkijken. Ik wil dat mijn vijanden aan mijn voeten liggen en uitroepen dat ze spijt hebben van wat ze mij hebben aangedaan.
     In the televisieserie House M.D. komt een droomscène** die op mij een diepe indruk maakte. De cynische ziekenhuisarts House – ruwe bolster, blanke pit – vecht over vele afleveringen een bittere ruzie uit met de voorzitter van de raad van bestuur Edward Vogler. Vogler is de gewetenloze eigenaar van een farmaceutisch bedrijf. Hij haat House vanwege zijn opstandigheid en nog meer vanwege zijn nietsontziende eerlijkheid en wil hem uit het ziekenhuis laten ontslaan. En dan droomt House dat hij Vogler op consultatie krijgt. Vogler heeft leverkanker en House, die begrip en medeleven uitstraalt, zal er alles aan doen om hem te reden. ‘Thank you doctor,’ zegt Vogler. ‘You’ve been so good te me. When I think about how I treated you …’ House geniet zienderogen van het geslijm.
     Een droom zoals hier beschreven heb ik bij mijn weten nog niet gehad, maar mijn onirische ik gelijkt donders goed op de onirische dokter House.
    


* Eigenaardig genoeg ben ik ook in de dromen van mijn vrienden een ander en minder fraai mens.
** Aflevering 1/18 ‘Babies and Bathwater’. Hier vind je het fragment.

woensdag 26 december 2018

Eruditie als trucje

     Ik wil je hier geen trucje aan de hand doen,  beste lezer, om de indruk van eruditie te wekken. Zulke trucjes zijn door anderen al beschreven. Ze komen er geloof ik op neer om dat je, als je spreekt of schrijft, af een toe de naam laat vallen van een schrijver of geleerde waar iedereen al eens van gehoord heeft, of gehoord zou moeten hebben, en dat je daarbij een gezicht opzet alsof je écht iets van die schrijver of geleerde hebt gelezen – gelezen dans le texte, zoals de Fransen zeggen. Maar waarom zou je zoiets doen? Je maakt je er niet populair mee op feestjes.
     Neen, mij gaat het om iets anders.
     Veronderstel dat je een stuk hebt gelezen over ‘de eigenschappen van de roman’. Een stuk van Herman Servotte van Leuven bijvoorbeeld. Dat stuk maakt van alles bij je los, want je hebt zelf ook al eens een roman gelezen, je hebt een mening over de eigenschappen ervan en je wil er zelf ook iets over schrijven. Dan kun je in je stuk gaan samenvatten wat Servotte schrijft, en daarnaast nog eens wat je zelf over de zaak denkt. Mijn leerlingen raad ik aan om nog een stap verder te gaan. Ze kunnen best ook een ánder stuk lezen over die eigenschappen van de roman. Een stuk van Liebert Vander Kerken van Antwerpen bijvoorbeeld. En die Vander Kerken, zeg ik dan, moet je óók ter sprake brengen, en je wijst er dan fijntjes op dat die toch iets helemaal anders, of misschien wel precies hetzelfde, beweert als Servotte.
     ‘t Is een oude truc van literaire essayisten. Jean Weisgerber bespreekt in zijn Formes et domaines du roman flamand* dertien boeken van Vlaamse auteurs. Hij moet daarbij voortdurend aan andere auteurs denken die hij ook gelezen heeft. Over Herman Teirlinck schrijft hij dat ‘tout cela appartient à Quevedo, à Calderon et à Gracián. Surtout à Gracián.’ Van Maurice Roelants zegt hij dat zijn helderheid en logica ‘rappellent Mme de la Fayette et surtout Benjamin Constant’. En van Het dwaallicht van Elsschot schrijft hij dat je het ‘au fond’ moet zien als ‘le livre sur rien dont rêvait Flaubert.’ Die zijsprongen van de ene auteur naar de andere zijn verhelderend voor de essayist zelf geloof ik en mogelijk ook voor zijn lezer. En die lezer leert nieuwe namen kennen. Ik kwam bij Weisgerber voor het eerst de naam van Gracián tegen. Toen ik die naam later weer tegenkwam, wilde ik wel eens weten wat die Gracián nu zo speciaal maakte.
     De zijsprongen mogen ook niet té gek zijn. Ik las laatst een biografie van Herman Melville, de schrijver van Moby Dick. Over het leven van Melville wist de biograaf niet zo veel, omdat de auteur niet erg bekend was tijdens zijn leven en omdat er weinig brieven van hem bewaard zijn. Melville is een paar jaar matroos geweest en heeft enige tijd op een Polynesisch eiland gewoond, maar wat hij daarover in zijn boeken schreef is, vermoedt men, grotendeels gelogen. Misschien was Melville homoseksueel, maar misschien ook niet. Misschien was hij alcoholist, maar ’t is niet zeker. Misschien sloeg hij zijn vrouw … wie zal het zeggen? Toen zijn zoon zelfmoord pleegde was hij verdrietig, daar zijn de Melville-kenners het over eens. Hij was een boeiende spreker voor een kleine kring van bekenden en een slechte spreker voor een groot publiek. Hij maakte veel spelfouten. En hij wisselde niet vaak van ondergoed. ‘He was a little heterodox in the matter of clean linnen,’ schreef zijn vriend Nathaniel Hawthorne.
     Dan maar de erudiete kant op, moet biograaf Andrew Delbanco gedacht hebben en hij brengt zijn held Melville in verband met een hele reeks beroemde namen als Thucydides, Vergilius, Seneca, Dante, Montaigne, Shakespeare, Milton, Gibbon, Defoe, Coleridge, Schiller, Dickens, Thackeray, Dostojevski, Tocqueville, Adolf Hitler en Gore Vidal. Als Melville het verval van het Midden-Oosten beschrijft, vergelijkt de biograaf hem met Camus. Kapitein Ahab die Moby Dick achtervolgt wordt vergeleken met Mary Shelley’s Dr. Frankenstein die zijn monster achternazit. En omdat Billy Bud een mooie jongeman is, al stottert hij, wordt hij vergeleken met Tadzio in Thomas Manns Dood in Venetië, wiens ‘uitdrukking van zoete en goddelijke ernst de herinnering oproept aan de Griekse beeldhouwkunst in haar edelste periode.’
     Daar is allemaal niets op aan te merken. Maar je mag het ook niet te gek maken. In Moby Dick komt een jongetje voor, Pip, die bij de walvisjacht vaak in paniek raakt en overboord springt. Zijn makkers worden het beu en zekere keer roeien ze gewoon door om hun walvis verder te achtervolgen. Pip blijft achter in open zee. Biograaf Delbanco vergelijkt de scène met die in Stanley Kubricks statige ruimte-epos waarin een astronaut wordt achtergelaten en wegzweeft in het zwarte heelal. ‘2001: A Space Odysey,’ schrijft de biograaf, ‘is a very Melvillian film.’ Dat vind ik niet. De ingehouden teneur en de gestileerde vertelling van Kubrick staan mijlenver van de wilde pathos en de barokke schrijftrant van Melville.
     Nog gekker wordt het als de beroemde redevoering van Ahab op het achterdek ter sprake komt, waarin de kapitein zijn mannen opzweept voor de jacht. Daarbij moet onze biograaf denken aan … de Franse polemist Julien Benda. Had Benda immers niet geanalyseerd dat de kern van het reactionaire nationalisme bestond uit xenofobie en dat die xenofobe volksmenners, net zoals Ahab, de massa’s opzweepten tot collectieve destructieve emoties?  ‘Grote delen van La trahison des clercs,’ schrijft onze biograaf, ‘kun je lezen als een commentaar bij de redevoering op het achterdek.’ Grote delen nog wel! Schoorvoetend geeft de biograaf toe dat er ‘geen bewijzen zijn dat Benda heeft bijgedragen aan de Melville-revival van de jaren twintig’. Nee, ik dacht ook niet dat die bewijzen er waren.
     Kijk, het is natuurlijk flink dat zo’n Amerikaanse professor als Delbanco La trahison des clercs gelezen heeft – de bibliografie achteraan vermeldt The Treason of the Intellectuals. Misschien heeft hij dat boek ooit besproken met zijn studenten. En misschien gebeurde dat terwijl hij ook aan zijn Melville-biografie aan het schrijven was. Op zo’n moment in je leven zie je gemakkelijk overal verbanden met je onderwerp. Dan is het genoeg dat Benda politieke passies analyseert, en Ahab door passies gedreven wordt, om een gelijkenis te zien waar de gewone Moby Dick- en Benda-lezer het hoofd om schudt.
     Als ík iets erudiets wilde doen met Ahabs demagogie, dan zweeg ik over Benda. Ik zou misschien iets zeggen over Aristoteles, Polybius, Quintillanus, Shakespeare, Robert Warren Penn en Eric Hoffer. Sommige van die heren heb ik zelfs dans le texte gelezen.

* Ik las dat boek in het middelbaar, want onze schoolbibliotheek had er een Nederlandse vertaling van. Later kocht ik het in het Frans in een tweedehandswinkeltje. De boekhandelaar vroeg achterdochtig: Vous n’en êtes pas l'auteur par hazard? Dat was ik niet. Je moet niet te snel denken dat je iemand herkent, dacht ik toen.

maandag 24 december 2018

Kerstbezinning over het Marrakesh-pakt

    Aangezien kerstfestijnen van ons gezin op zondagmiddag en dinsdagmiddag plaatsvinden, heb ik maandagavond vrij om lekker gezellig, tussen twee Stille Nachten op de piano door, een nieuw Marrakesh-stukje te schrijven. Misschien een bezinning over cijfers dit keer. Ik heb al enkele keren een beetje uitdagend beweerd dat vijfenzeventig procent – of drie vierde – van de Vlamingen tegen het Marrakesh-pact is. Dat was wat overdreven (hier). Nu ik de cijfers van de Nieuwsblad-enquête (hier) gelezen heb, zal ik voortaan niet meer spreken van drie vierde, maar van twee derde van de Vlamingen dat tegen het pact is. Ook dat is een beetje overdreven, maar niet zoveel, zoals ik hieronder betoog.
     Volgens de vermelde enquête, uitgevoerd door Ipsos bij duizend Vlamingen, zegt 31 procent van de bevolking ‘ja’ aan Marrakesh, 48 procent ‘nee’, en 21 procent heeft geen mening. Het Nieuwsblad geeft in die enquête ook nog een reeks andere vragen gesteld die met Marrakesh verband houden: of de regering moest vallen, of Theo Francken een goede staatssecretaris was,  of migratie een meerwaarde is voor ons land, of migratie belangrijker is dan klimaat, enzovoort.
    De politieke redacteur die met die cijfers een stuk moest schrijven,  heeft het allemaal wat ingekleed. Hij plaatst niet de vraag over Marrakesh in de kop, maar die over de val van de regering. ‘Vlaming vond het niet de moeite waard om regering te laten vallen over migratiepact,’ is blijkbaar de belangrijkste conclusie. Als 48 procent van de ondervraagden het Marrakesh-pact verwerpt, schrijft de redacteur dat ‘Vlaanderen verdeeld is’. Maar als 48 procent de val van de regering verwerpt, schrijft hij dat dat er daarover ‘meer eensgezindheid bestaat’. En uiteraard: als 53 % van de ondervraagden geen meerwaarde ziet in migratie, wordt meteen een experte opgebeld, Christiane Timmerman van het Centrum Migratie en Interculturele studies, die de cijfers in het ‘juiste kader’ moet plaatsen. ‘Het staat onomstotelijk vast,’ zegt de interculturele experte, ‘dat migratie economisch een meerwaarde biedt.’ Onomstotelijk? Dat zou ik nog eens willen zien. En sociaal-cultureel, gaat de experte verder, is er hoogstens sprake van een ‘uitdaging’, vooral ook omdat de indruk van overrompeling ‘hoegenaamd niet waar is’. Niet alleen ‘niet waar’, maar ‘hoegenaamd niet waar’. Men heeft dat daar allemaal heel precies uitgezocht, op dat Centrum.
     Ik wil mij hier niet bezig houden met het ‘juiste kader’ waarin we de cijfers moeten plaatsen, maar met de juiste verhoudingen tussen de cijfers. Die zijn wat ondoorzichtig door het grote percentage van ondervraagden dat ‘geen mening’ invult. Je zou dat kunnen vergelijken met ‘onthoudingen’ als er gestemd wordt. Toen er in de Kamer werd gestemd over het pact waren er géén onthoudingen. 75 procent was voor het pact en 25 procent tegen. De Wever zei toen – volgens mij terecht – dat bij de bevolking de meerderheid omgekeerd lag.

     De Wever wordt nu tegengesproken door Liesbeth Van Impe (hier). Die schrijft dat ‘48 procent [tégen het Marrakesh-pact] geen meerderheid is, laat staan een overtuigende’. Ik geef dat graag toe. Maar je kunt de cijfers van de Kamer en die van de enquête niet zomaar vergelijken. In de Kamer waren er zoals gezegd geen onthoudingen. Ik ben dus geneigd om voor mijzelf de onthoudingen bij de enquête even niet mee te tellen en dan krijg ik 61 procent tegen Marrakesh en 39 procent voor.
     Dat trucje zou ik ook kunnen toepassen voor de houding van de ondervraagden tegenover over migratie. Als ik de onthoudigen aftrek, of eerlijk verdeel onder de voor- en tegenstanders, dan krijg ik 65 procent dat geen meerwaarde ziet in migratie en 35 procent* dat die meerwaarde wel ziet. Of om het nog ruwer te formuleren: min of meer tweederde van de bevolking kant zich min of meer tegen nog veel nieuwe immigratie. Zonder mijn trucje gaat het ook. Dan schrijf ik gewoon dat er dubbel zoveel tegenstanders zijn van nieuwe migratie als voorstanders.
      Opvallend is dat de cijfers over migratie in het algemeen en over Marrakesh in het bijzonder niet helemaal samenvallen. Voor Marrakesh zijn er iets meer voorstanders, iets minder tegenstanders, en iets meer onthoudingen. Dat laatste begrijp ik – mensen die zichzelf niet geïnformeerd genoeg achten om het pact te beoordelen. Maar die bijkomende voorstanders begrijp ik niet goed. Waarom zou iemand die afwijzend staat tegenover migratie, tegelijk wel achter het Marrakesh-pact staan? Gelooft zo iemand misschien dat het pact de migratie zal afremmen of minstens onder controle zal brengen dankzij meer internationale samenwerking. Die uitleg over ‘controle’ en ‘internationale samenwerking’ heb ik vaak gehoord van de pro-Marrakesh-partijen Open-VLD en CD&V**. Maar blijkbaar is er toch maar 3 procent van de ondervraagden dat in díe redenering meegaat. Het grootste deel van de pro-Marrakesh-mensen wordt geleverd door de pro-migratie-mensen.
     Over de manier van vragen stellen ben ik overigens redelijk tevreden. Je kunt op alles kritiek hebben als je wil. ‘Migratie is een meerwaarde voor ons land’ …  dat is wat ongenuanceerd; Als ik dat letterlijk nam, zou ik hier ‘ja’ kunnen antwoorden, want arbeidsmigratie heeft allerlei voordelen. Maar ik neem aan dat de meeste ondervraagden wel begrepen over welk type immigratie het ging en dáárover hun mening hebben gegeven. Als er had gestaan ‘Afrikaanse en islamitische massa-immigratie is een meerwaarde’ zou het neen-kamp wat groter geweest zijn, en als er had gestaan ‘De basisrechten van de asielzoekers moeten beter worden gerespecteerd’**, had dat het een wat groter ja-kamp opgeleverd. Veel zal het niet schelen.
 



* In onderstaande tabel staan enkele cijfers uit de enquête samengevat. Het zou goed zijn mochten kranten een link meegeven waarmee je de enquête en het enquêterapport zelf kunt raadplegen.
 
Ja
Nee
Onth.
‘Migratie is een meerwaarde voor ons land’
28
53
19
Ik sta achter het VN-Migratiepact
31
48
21
Migratiepact belangrijk genoeg om regering te doen vallen
31
48
15
Er moeten vervroegde verkiezingen komen
33
54
13
Francken was een goede Staatssecretatis voor Asiel
61
26
13
Vertrouwen in De Block als opvolger van Francken
34
51
15


** Volgens de Nieuwsblad-enquête zijn de kiezers van die partijen veel minder Marrakesh-enthousiast. Bij de liberalen zijn bijna evenveel voor- als tegenstanders. Karl Drabbe (hier) had dus gelijk toen hij zich verwonderde over de radicale pro-Marrakesh-lijn van de liberale leiding. Misschien heeft die leiding gedacht dat ze zich zo’n lijn kon veroorloven omdat haar traditionele rechtervleugel toch al onherroepelijk verloren was aan N-VA. Of misschien heeft ze gedacht dat centrum-jongeren en bloc pro Marrakesh zijn. Twee misrekeningen geloof ik.

*** Je kunt de rechten van asielzoekers ook verdedigen als je niet vindt dat immigratie ‘een meerwaarde voor ons land’ betekent.