zondag 10 november 2019

Valse herinneringen

     Als kind maakte ik soms ruzie met mijn ouders over iets wat vroeger was gebeurd. Zij herinnerden zich dan iets anders dan ik. Dat wil zeggen: mijn vader herinnerde het zich anders en mijn moeder viel hem bij en zei dat ik teveel fantasie had. In die ruzies waren mijn ouders in het voordeel, want zij dreven in het heldere water van de zekerheid en ikzelf verzonk in het moeras van de twijfel. In boekjes van psychologen las ik later dat ik gelijk had met mijn getwijfel, tenminste als het herinneringen betreft. Zelfs Proust herinnerde zich het schoonheidsvlekje van Albertine de ene keer op haar wang, en de andere keer op haar kin.
     Zulke ruzies over herinneringen komen anders niet vaak voor. Veel van wat we ons herinneren zijn onbelangrijke voorvalletjes die wij toevallig onthouden hebben – of menen onthouden te hebben. Anderen die er ook bij waren zijn de voorvalletjes al lang vergeten. Hoe kun je dan in godsnaam weten of wat je je herinnert ook werkelijk zo heeft plaatsgevonden? De medegetuigen die zouden kunnen bevestigen, ontkennen of corrigeren, lijden aan geheugenverlies!
     Ik herinner mij een auto-ongeluk van veertig jaar geleden. We waren met enkele vrienden in de auto en we werden aangereden. Het was al heel laat, we kwamen van een trouwfeest. De andere auto had weinig schade geleden, maar die van ons was er erger aan toe. Mobiele telefoons bestonden nog niet. Wat nu? Wij staan daar in het holst van de nacht op een verlaten landweg. Dan zien we vanuit de verte een auto naderen. Het is onze pasgetrouwde vriend. Hij had ‘gevoeld’ dat er iets gebeurd was, en was eens komen kijken. Hij 
voelde wel vaker dingen, zei hij. Hij nam ons mee naar zijn huis.
    Omdat ik niet erg in paranormale verschijnselen geloof, veronderstel ik dat mijn verhaal niet zo gebeurd is als ik het mij herinner. Ik zal ooit wel eens bij een aanrijding betrokken zijn geweest. Er zal ooit wel eens vriend van mij getrouwd zijn. Ik zal ooit wel eens in zijn huis zijn geweest. En ik zal ooit wel eens een vriend gehad hebben die dingen voelde. Maar waarschijnlijk haal ik van alles door elkaar.
    Een van de weinige keren dat je je valse herinneringen écht kunt controleren is als het om een boek of een film gaat die je gelezen of gezien hebt (hier). Begin de jaren 90 keken wij naar een televisieserie ‘The Wonder Years’. Het ging over de teenager Kevin die verliefd was op het nieuwe buurmeisje Winnie, dat ook bij hem op school kwam. Ik weet nog precies hoe Kevin en Winnie eruit zagen. Ik weet nog precies hoe Kevin verliefd werd op Winnie. In de klas staat een piano en Winnie speelt daarop het Canon in D groot van Pachelbel. De muziek en het meisje lopen in elkaar over. Kevin is ontroerd. De camera zoemt op hem in. Dan stopt de muziek. Winnie staat op en gaat naar haar plaats. Ze lacht naar haar vriendinnen. Ze gunt Kevin geen blik. De hele scène staat in mijn geheugen gegrift.
     Ik heb het eens opgezocht. Het gaat om de zevende aflevering van het tweede seizoen. In de klas staat geen piano. Winnie raakt geen witte of zwarte toets aan. Het is Kevin die piano studeert. Hij wil opgeven. Zijn lerares moedigt hem aan, zegt dat hij talent heeft. Kevin oefent thuis. Hij slaat een vals akkoord aan. Hij raakt gefrustreerd. Hij zet door. En plots lukt het. Een foutloze melodie zweeft door het huis. De moeder stopt met afwassen. De oudere zus haalt de geluidsdopjes uit de oren. De oudere broer kijkt op van zijn huiswerk. De vader zet de televisie stil.
     De melodie was overigens, jawel, het Canon in D groot van Pachelbel. Het is nauwelijks te geloven dat ik mij dát onderdeel wél correct herinnerde.

zaterdag 2 november 2019

‘Friends’ versus ‘How i Met Your Mother’

Groepsfoto How i Met - Marshall, Lilly, Robin, Ted, Barney
     Ik kijk dagelijks naar minstens één aflevering van de sitcom How i Met Your Mother. Dat doe ik al bijna vier jaar, vakanties in het buitenland niet meegerekend, waardoor ik alle 208 afleveringen ongeveer zeven keer gezien heb. Vandaag noemen we zoiets een guilty pleasure. Veertig jaar geleden was het een péché mignon. In elk geval: mijn collega C.  lacht mij erom uit.
     De reeks wordt vaak vergeleken met die andere sitcom,  Friends. Het gaat ook om een half dozijn dertigers in New-York. Een van hen is professor. Als ze iets grappigs zeggen of doen, hoor je daarna een lachband. Af en toe gebeurt iets droevigs, en dan hoor je geen lachband. De vrienden worden verliefd, op elkaar, op anderen, en daarna weer op elkaar. Zij zijn goed gek, neurotisch, egocentrisch, zelfvoldaan en sympathiek tegelijk; ze liegen als wij de waarheid zouden zeggen, en zeggen de waarheid als wij zouden liegen; ze doen slechte dingen die wij niet over ons hart zouden krijgen en  goede dingen die wij niet zouden kunnen opbrengen.
     How i Met is grilliger en in veel opzichten minder realistisch dan Friends. Er wordt soms gezongen of gedanst of in versjes gesproken. Er komen kleine tijdreisjes in voor, wat altijd cool is. De vrienden van Friends leken enigszins op mensen die we kennen, maar uitvergroot. Die van How i Met kun je moeilijker thuisbrengen. Neem Robin Sherbatsky: gewezen kindsterretje, would-be news anker, Canadese afkomst, als jongen opgevoed door een grimmige vader-miljonair. Ze is de stoerste van de groep, houdt van wapens en echte mannen, maar valt uiteindelijk gemakkelijk voor nerdy types. In drie van de negen seizoenen draagt ze kleren die haar niet staan, tot mijn grote ergernis.
     Het grootste verschil tussen de twee series is dit. Friends werd opgenomen voor een ‘live studio audience’, How i Met niet.  Daardoor lijkt Friends wat op amateurtoneel, terwijl de tweede serie meer op een professionele film lijkt met heropgenomen scènes, wisselende beeldkaders, gevarieerde montage, leukere locaties en … een echte soundtrack.
     Bij de aftiteling van een film schrik ik altijd van de lange lijst liedjes die in die film gebruikt werden. Vaak gaat het om een klein stukje dat je even op een autoradio hoort, of een langer stuk bij een emotioneel moment. How i Met doet dat helemaal zoals in een film, met allemaal liedjes die ik niet ken, maar die wel meteen aangenaam in het gehoor liggen. Ook hoor je af en toe een stukje klassieke muziek . Mozarts Turkse Mars als Barney een trucje uit zijn Playbook opvoert, Chopins Nocturne in mi bémol als Marshall het genot beschrijft dat hij ervaart bij het eten van een hamburger, Carl Orffs O Fortuna als één van de vrienden de andere een klap op de wang verkoopt. En natuurlijk is er klassieke muziek als er getrouwd moet worden. Ted doet zijn eerste aanzoek op de tonen van Bachs Air on the G-string, Barney doet het zijne op een nauwelijks hoorbare versie van Pachelbells Canon en ten slotte beloven Marshall en Lily elkaar eeuwige trouw terwijl een toevallige getuige Jesu meine Freude op zijn gitaar tokkelt.
     Twee van de hierboven aangehaalde deuntjes kan ik al een beetje op de piano spelen. In een wat vereenvoudigde versie. Als er niemand in de buurt is die het kan horen.



Groepsfoto 6 Techniek-Wetenschappen 2016 - Marshall tweede van links

donderdag 31 oktober 2019

Ontvolking - omvolking

     Walter De Donder heeft met zijn uitspraak over die ‘hele wijken die ontvolkt worden van onze eigen mensen’ minstens één ding bereikt: hij wordt vandaag omschreven als ‘burgemeester van Affligem’ en niet meer als ‘kabouter Plop van CD&V’. Dat is een hele vooruitgang. Maar voor de rest heeft hij veel kritiek gekregen: van politicologen, van sociologen en van identitair-allochtonen. Ook vonden de zes andere kandidaten voor het CD&V-voorzitterschap dat de partijleden het beste niet voor De Donder stemden, maar voor henzelf. Maar dat vonden ze vroeger ook al.
     Veel kritiek betrof het woord ‘ontvolken’. Het deed denken aan dat andere woord ‘omvolken’ dat in extreem-rechtse kringen gebruikt wordt. Othman El Hammouchi die onlangs Godwin ontdekt heeft – die van de ‘wet’, niet de filosoof, die kende hij wellicht al – El Hammouchi dus, spreekt van ‘regelrechte nazitaal’ (hier). Zulke woorden gebruikt hij de laatste tijd steeds meer op twitter, en ‘fasciste de merde’. Maar hij wordt natuurlijk zelf ook vaak uitgescholden.
     Het is mijn gewoonte niet om lastig te doen over woorden. Maarten Boudry wordt altijd heel boos als het woord ‘omvolken’ valt. Hij heeft daar zijn redenen voor. Een aantal mensen gebruikt het woord om aan te geven dat immigratie een complot is van duistere machten – met George Soros aan het hoofd – die de westerse beschaving willen ondermijnen. Ach ja, sommige westerlingen houden inderdaad niet erg van de westerse beschaving, maar ik geloof dat de immigratie van de laatste vijfenveertig jaar, en de lakse reactie erop, gemakkelijk kan worden verklaard worden zonder de omweg van een complot.
     Ook gelooft Maarten dat ‘omvolken’ een alarmistische overdrijving is, alsof ons land binnenkort bewoond zou worden door een méérderheid van allochtonen. Maarten gelooft dat niet, en ik geloof dat ook niet (hier). Maar tegelijk ben ik wat ongeruster dan Maarten. Ik heb ergens anders (hier) iets geschreven over de groei van de Marokkaanse bevolking in ons land: van 40 000 in 1974 tot 470 000 nu. Ik denk dat het veilig is om te stellen dat het aandeel van de moslims 45 jaar geleden niet boven de één procent kwam. Het Pew-reserach Center (hier) schatte in 2010 het aantal moslims in ons land op 6 procent, met een voorziene stijging in 2030 tot 10 procent. In Het Nieuwsblad (hier) las ik onlangs dat in het Vlaamse lager onderwijs bijna 9 procent van de kinderen islamitische godsdienst volgen. Dat moet een onderschatting zijn van het aantal islamitische kinderen, aangezien er ook veel van hen in het katholiek onderwijs terechtkomen waar ze alleen katholieke godsdienst kunnen volgen. Als we een klein beetje extrapoleren, en er komt geen omvangrijke geloofsafval, dan vrees ik dus dat de 10 procent moslims eraan komt vóór 2030. En om op termijn dat aandeel tot 15 procent te beperken zal, met de bestaande verschillen in geboortecijfers, een héél strikte immigratiepolitiek nodig zijn.
     Aangezien De Donder nergens spreekt over George Soros, en hij zijn ‘ontvolken-omvolken’ beperkt tot ‘bepaalde wijken’, is er geen reden om hem bij de complotzoekers of bij de alarmisten in te delen. Hij is dus, geloof ik, veilig voor de woede van Boudry – een feit dat hem echter geen beschutting biedt tegen bovenvermelde politicologen, sociologen, identitair-allochtonen en kandidaat-CD&V-voorzitters.
     Naast zijn woordkeus, werden immers ook zijn veronderstelde bedoelingen over de hekel gehaald. Sihame El Kaouakibi (Open-Vld, hier) vindt dat hij ‘kwade wil’ toeschrijft ‘aan ouders, vrienden, kennissen, en andere brave medeburgers.’ En aan haarzelf natuurlijk: ‘Het gaat hier over mensen zoals mij,’ schrijft ze. Socioloog Dirk Geldof (hier) laat verstaan dat mensen als De Donder hopen op de terugkeer van ‘een wittere maatschappij dan nu het geval is’.
     Dat zijn geloof ik verkeerde interpretaties van wat De Donder wil. Hijzelf zegt het als volgt:
“In Affligem wordt een sterk integratiebeleid gevoerd met een inburgeringstraject, huiswerkbegeleiding, praatcafé, taalcursussen, speel-taalplein. Zo veel mogelijk kansen bieden om dialoog en integratie mogelijk te maken. Iedereen kansen geven dus.” Ik zie daarin geen spoor van een ‘wittere maatschappij’-droom of van het toeschrijven van ‘kwade wil’ aan de allochtone bevolking.
     Anderzijds zijn er natuurlijk ook echte meningsverschillen tussen mensen als El Kaouakibi en Geldof aan de ene kant en mensen als De Donder aan de andere kant. Die meningsverschillen bevinden zich op de as die loopt van multiculturaliteit tot assimilatie. De Donder staat dichter bij de assimilatiegedachte – zeker als het om taal gaat – en  El Kaouakibi en Geldof staan dichter bij het multiculturele ideaal. Kaouakibi houdt, om haar woorden te gebruiken, van de ‘hechte groepscultuur’ van de allochtonen die ‘hun eigen cultuur een beetje willen behouden’. En voor Geldof komt het erop aan de zaken te ‘nemen zoals ze zijn’. ‘Het zal niet meer veranderen en daar moeten we mee leren leven.’
     Geldof ontkent zelfs in zekere zin dát er cultuurverschillen bestaan. ‘De meeste mensen liggen wakker,’ zegt hij, ‘van dezelfde dingen, ongeacht hun afkomst.’ 
 Patrick De Reyck reageerde snedig op zijn Facebookpagina. ‘Nee meneer Geldof, ik lig niet wakker van en door bloedwraak, homohaat, de vrijheid van vrouw en dochters, apostasie, etc...’ Dat is wellicht te scherp omdat niet alle allochtonen van de eerste, tweede en derde generatie even wakker liggen van bloedwraak etc., maar het komt in die middens wel vaker voor dan in andere. Als socioloog zou Geldof dat moeten weten.
     Geldof kent anders wel de cijfers. Hij citeert ze zelf. ‘In het Brussels Gewest is 71 procent van de bevolking van vreemde origine. In Genk is dat 55 procent en in Antwerpen iets meer dan de helft.’ Op één of andere manier zouden die cijfers de uitspraak van De Donder over de ontvolking moeten ontkrachten. Dat is eigenaardig geredeneerd. ‘Ook die mensen zijn ons eigen volk,’ zegt Geldof nog. Mij goed. Maar die mensen hebben wel enkele andere tradities meegekregen. Velen van hen - zeker niet allemaal - spreken een andere taal, kijken naar andere tv-zenders, hebben andere voorkeuren in de wereldpolitiek, participeren minder op de arbeidsmarkt, hebben een andere godsdienst én een andere godsdienstbeleving, kijken op een andere manier naar de rol van vrouwen op straat, thuis, in relaties en in de samenleving. Dat zijn allemaal échte verschillen, al gaat het om gradaties en niet om zwart-wit.
     Zelf wil ik helemaal niet terug naar de ‘wittere maatschappij’ waar Geldof van spreekt. Wel hoop ik dat we, in het belang van autochtonen én allochtonen, naar elkaar toegroeien inzake taal en al die andere dingen, dat we ons aan elkaar aanpassen, en dat dat aanpassen voor de domeinen die ik zojuist genoemd heb, vooral gebeurt in één bepaalde richting. 


dinsdag 29 oktober 2019

Grappige taalfouten

       Trotse moeders plaatsen wel eens verhaspelingen van hun kinderen op facebook. Daar zijn hele grappige bij. Maar als een volwassene zulke fouten maakt, wordt hij bespot. Men spreekt dan van een malapropisme. De burgemeester van Wervik wilde indertijd iets doen aan een gevaarlijke bocht in de stad. ‘Als je die bocht neemt,’ zei hij op de gemeenteraad, ‘kun je evengoed kyrie-eleison plegen.’ Hoon was zijn deel, vooral omdat de burgemeester niet bekend stond als kerkganger. Waarschijnlijk had hij gedacht aan hara-kiri. Hara-kiri, kyrie-eleison … het kan.
     Madame du Deffand (1696-1780) haalt zo’n grappig malapropisme aan in haar briefwisseling met Horace Walpole (1717-1797). Een jongeman had een betrekking als raadsheer gekocht in een rechtbank. Zoiets was toen mogelijk. Zekere dag werd hij opgeroepen voor een zaak. Het was de gewoonte dat het nieuwste raadslid als eerste zijn mening moest geven, wat met het wat zeldzame woord ‘opiner’ werd weergegeven. De voorzitter vroeg de jongeman: Eh bien, monsieur, qu’opinez-vous? – Moi, monsieur, je ne qu'opine pas, antwoordde de jongeman, ‘c'est à ces messieurs de qu'opiner; quand ils auront qu'opiné, je qu'opinerai après eux. Omdat hij het woord ‘opiner’ niet kende, maakte de jongeman dus een grammaticale fout. Hij interpreteerde een vraagwoordvraag als een ja-neevraag, met, zoals men zegt, alle gevolgen van dien.
     Zulke fouten kun je moeilijk vertalen, maar je kunt het altijd proberen. Misschien kun je de voorzitter aan de jongeman laten vragen hoe de zaak ‘beklonken’ moet worden. – Ik, mijnheer, ik wil niets beklonken, antwoordt de jongeman dan. Laat de anderen eerst beklonken, daarna zal ik ook beklonken.
     Soms is het evenwel heel gemakkelijk om een grammaticaal malapropisme te vertalen. In het album van Lucky Luke ‘Ruée sur l’Oklahoma’ (zie ook hier en hier) complotteert de slechterik van dienst, Coyotte Will, met de doodgraver en de redacteur van de plaatselijke krant, om burgemeester Dopey en Lucky Luke uit Boomville te verjagen. De redacteur schrijft een stuk waarin hij voortdurend het zeldzame woord ‘inique’ gebruikt in plaats van het gewone ‘injuste’ dat ook ‘onrechtvaardig’ betekent. ‘C’est un joli mot’, zegt de redacteur. ‘De plus, les citoyens ne le comprennent pas. Alors, il lui donnent la signification qu’ils veulent.’
     Het opzet slaagt. De burgers komen op straat met borden als ‘Chassons les iniques!’, ‘Dopey! Luke! Assez iniqué!’ en ‘Ce sont toujours les mêmes qui iniquent!’ Dit, terwijl het bijvoeglijk naamwoord ‘inique’ moeilijk kan worden omgezet in een zelfstandig naamwoord en zeker niet in een werkwoord.
     In de Nederlandse versie heeft men, na enige snuffelen in synoniemenwoordenboeken neem ik aan, voor het woord ‘partiaal’ gekozen, in plaats van het gewone woord ‘partijdig’.  ‘Weg met de partialen!’, staat er op de bordjes en: ‘Dopey! Luke! Genoeg gepartiaald!’ En ten slotte: ‘Het zijn altijd dezelfden die partialen.’
     Die laatste zin komt minstens een keer per maand bij mij op. Ik mompel die dan stilletjes voor mij uit.

maandag 28 oktober 2019

De rolkraag en het existentialisme

     Soms moet ik aan mijn leerlingen dingen uitleggen die ik zelf niet begrijp. Het existentialisme bijvoorbeeld. Toen ik zestien was probeerde ik een Aula-pocketje te lezen dat ‘Inleiding tot de existentiële fenomenologie’ heette. Ik begreep er niets van.  Existentie komt vóór essentie, zei Sartre. Wat kon hij dáármee bedoelen?*
     Ik zou om die reden in mijn lessen kunnen zwijgen over dat hele existentialisme. Of het alleen maar hebben over Parijs na de oorlog, la rive gauche, jazzmuziek, amfetamines, vrije liefde, Juliette Gréco, zwarte truien met rolkraag, filosofen die scheel kijken en Les feuilles mortes se ramassent à la pelle. Ik zou mij daar niet voor schamen. Maar mijn leerlingen moeten auteurs bespreken als Melville, Dostojevski, Conrad, Kafka, en dan moeten ze toch íets van het échte existentialisme kennen, want al die auteurs gaan door als de voorlopers ervan. Als ik erg mijn best doe, zou ik toch íets moeten kunnen uitleggen van, laat ons zeggen, ‘de zinloosheid van het leven’.
    Ik probeer het dan langs de omweg van Nietzsche. In de 18de eeuw, zeg ik dan, kwam men – dat wil zeggen, een deel van de denkende elite – tot het besluit dat God niet bestond. De zogenaamde ‘filosofen’ – vriend en vijand noemden hen zo –hadden uitgevonden dat we na onze dood … jawel … dood waren.  Ze dachten daar verder niets bij. ‘Le monde va comme il va,’ zei Voltaire. Het was ‘business as usual’, ook zonder God. 

     Maar aan het einde van de 18de eeuw kwam de romantiek, en de mensen die daarbij betrokken waren namen de zaken persoonlijk. ‘Als God bestaat, dan wil ik zijn vriendje zijn,’ dacht de romanticus, of: ‘Als God bestaat, dan is het een grote schurk’. De twee mogelijkheden stonden open. Maar wat als God en het hiernamaals helemaal niet bestonden? Ja, wat dan? Dan had het allemaal geen zin, vond de romanticus. Wat voor zin heeft het met veel toewijding een zandtekening te maken, die onmiddellijk na voltooiing weer vernietigd wordt. En is het zo heel anders als die vernietiging pas veertig jaar later plaats vindt? Kun je je niet beter meteen ophangen in plaats van veertig jaar te wachten? 
     Daarmee hadden sommige romantici, wat mijn collega’s van Godsdienst noemen, de ‘zinsvraag’ gesteld. Robinson Crusoe op zijn eiland stelde zich die vraag niet. Hij stelde zich vragen als: Hoe zal ik mij beschermen tegen zon en regen? Waar zal ik morgen mijn voedsel vinden? Hoe gevaarlijk is het wezen dat hier een voetafdruk heeft achtergelaten? Al die vragen waren van belang voor zijn overleven. Maar dan was er die andere vraag die níet gesteld werd: waarom dat overleven zelf zo geweldig belangrijk was. Vroeg of laat moest Robinson toch dood, in zijn hut op het eiland of in zijn huis in Engeland. Wat maakten nu die tien, twintig of dertig jaar verschil? Maar dat was geen vraag voor een calvinist als Robinson. Het was geen vraag van 1719, maar eerder een vraag van vijftig jaar later.
     Zoals ik het uitleg, ligt de kiem van het existentialisme binnen de romantische beweging, meer bepaald bij jonge dwepers die de abstracte filosofie van Hume, Voltaire en Helvétius trouwhartig vertaalden naar hun gevoelsleven. En als het gevoelsleven erbij betrokken wordt, kunnen er ongelukken gebeuren.
     In december 1773 was in Parijs heel wat te doen rond een dubbele zelfmoord. Twee jonge soldaten, Bourdeaux en Humain, hadden zichzelf in een herberg in Saint-Denis een kogel door het hoofd gejaagd. Wat vooral indruk maakte was dat het hier niet ging om een ongelukkige liefde, of om speelschulden, of om een ondraaglijk pijnlijke ziekte. Bourdeaux had een brief achtergelaten waarin hij zijn zelfmoord en die van zijn vriend verklaarde. Daaruit bleek dat hij de ‘filosofen’ goed – of te goed – gelezen had. ‘Er is geen dringende reden die ons verplicht er een einde aan te maken, behalve het pijnlijke besef dat we één ogenblik moeten leven om daarna een eeuwigheid niet meer te bestaan … Het doek is voor ons gevallen, en we laten onze rollen graag over aan degenen die zwak genoeg zijn om nog enkele uren door te willen gaan.’ De sluwe redenen die de existentialistische filosofen later zouden verzinnen om een eindig en zinloos bestaan tóch verder te zetten, kende Bourdeaux niet. De arme soldaat was tweehonderd jaar te vroeg geboren.
     In zijn afscheidsbrief schreef Bourdeaux nog dat de wetenschap vrijelijk over zijn lichaam mocht beschikken.  Hij noemde dat lichaam ‘een bewegende vleesmassa’. ’t Is een treffende woordkeuze. Sartre zou in zijn filosofentaaltje misschien gesproken hebben van een ‘en-soi’, dat we zeker niet mogen verwarren met een ‘pour-soi’, maar ik vind dat dat ‘masse de chair mouvante’ beter de ‘walging’ uitdrukt waar de filosoof zelf zo de mond vol van had.
     Camus zei ooit dat zelfmoord het enige probleem van de filosofie was, waarmee hij zijn eigen min of meer existentialistische filosofie bedoelde. De zelfmoord van Bourdeaux en Humain in 1773 zou je in die zin een existentialistische zelfmoord kunnen noemen. De halsbedekking die toen in de mode was, had ook wel iets van een rolkraag.
 


* Later las ik bij Schopenhauer: ‘Jede Existentia setzt eine Essentia vouraus. Dat begreep ik onmiddellijk.


maandag 21 oktober 2019

Citeren

     Wie graag citeert, kan aan de Faust van Goethe zijn hart ophalen.  Er is wellicht meer geciteerd uit de Bijbel, Shakespeare of Het Rode Boekje, maar dat zijn geen eerlijke vergelijkingen. De Bijbel bestaat uit 66 boeken, Shakespeare schreef 37 toneelstukken, en het Rode Boekje is geplukt uit de vier dikke delen van Maos Verzameld Werk. Daarmee vergeleken vormen Faust I en II samen maar een dun boekje.
     En dan is er nog iets. Als we ‘to be or not to be’ zeggen, weten we dat dat van Shakespeare komt. ‘De macht komt uit de loop van een geweer’ is van Mao. ‘Wie zonder zonden is werpe de eerste steen’ komt uit Johannes 8:7. Maar je kunt zoals ik je hele leven spreken over ‘des Pudels Kern’, de zorgen die we ons niet moeten maken om het Heilig Roomse Rijk, de ‘zwei Seelen in einer Brust’ en ‘das Ewig Weibliche’ zonder te weten waar die woorden vandaan komen.
     Nou ja, bij Shakespeare heb je dat ook. We hebben het over de ‘happy few’ of ‘het beest met de twee ruggen’, of we neuriën ‘Kiss me, Kate’ zonder te denken aan Henry V, Othello of The Taming of the Shrew. Maar bij Goethe’s Faust is het anders. Daar kom je in citaatvorm tegen wat je zelf altijd al gedacht hebt. Of vroeger dacht, en flauwtjes verwoordde. Toen ik vijftien was, herhaalde ik wel eens de yippie slagzin ‘Never trust anyone over thirty’. Goethe zegt het krachtiger: ‘Hat einer dreissig Jahr vorüber / Am besten wär’s, inh zeitig totzuschlagen’.
     Later, als ik oud word, ouder dan nu, zal ik vaker gaan wandelen. Dat denk ik toch. Ik koop mij dan een wandelstok en zeg met Faust: ‘Solang ich mich noch frisch auf meinen Beinen fühle / genügt mir dieser Knotenstock’. Dat lijkt mij wel wat. Ter afwisseling kan ik ook Jules Marchal citeren die mij ooit zei: ‘Hiermee,’ en hij zwaaide met zijn stok, loop ik als het moet tot in het hart van Afrika.’ Of ik citeer Jean-Pierre Rawie van wie de grootvader met zijn wandelstok, ‘naar verluidt half Java had bekeerd’.

zondag 20 oktober 2019

Een positief verhaal


Mathias De Clercq heb ik voor het eerst op de televisie gezien op de avond van de gemeenteraadsverkiezingen. Hij dacht toen dat hij tot burgemeester verkozen was. Mathias verklaarde voor de camera dat hij de Gentenaren een ‘positief verhaal’ zou brengen. Of misschien was het een ‘progressief verhaal’; ik weet het bijvoeglijk naamwoord niet meer precies omdat ik streepjes aan het zetten was iedere keer dat hij het woord ‘verhaal’ uitsprak.
     Vandaag is Mathias burgemeester, en hij wordt geïnterviewd door De Zondag, samen met zijn ambtgenoot Mohamed Ridouani van Leuven. In dàt interview wordt Mathias afgetroefd door de Leuvenaar die het woord ‘verhaal’ acht keer gebruikt, tegen Mathias één keer. Mathias spreekt één keer van een ‘liberaal verhaal’, terwijl Ridouani het heeft over een ‘aantrekkelijk verhaal’, een ‘sterk verhaal’, een ‘breder verhaal’ en natuurlijk ook een paar keer een ‘positief verhaal’.
     Ik heb ooit eens geschreven dat liberalen gemakkelijk last hebben van eigendunk (hier). Mathias heeft dat een beetje. ‘Een burgemeester moet een bruggenbouwer zijn,’ zegt hij. ‘Ik krijg dat compliment vaak te horen.’  Dat zie ik levendig voor mij. Mathias komt een volkscafé binnen en bestelt een rondje. Een mannetje trekt discreet aan zijn mouw. ‘Burgemeester,’ mag ik eens iets zeggen?’ ‘Gentenaar, spreek,’ antwoordt Mathias. ‘Ik vind,’ zegt het mannetje, ‘dat u toch zo’n bruggenbouwer bent.’ Mathias zijn borst zwelt, om het met het woord van de dichter te zeggen, tot slagschiphoogte. En zo’n scène voltrekt zich dan niet één keer, maar ‘vaak’.
     Mathias is een man die houdt van heldere en duidelijke stellingnames. Zijn partijgenoot Van Quickenborne vindt dat Open-Vld naar rechts moet opschuiven. ‘Dat zijn zo van die holle uitspraken,’ blaast De Clercq. ‘Wat is naar rechts opschuiven?’ De klassieke partijen, zegt hij nog, ook de zijne, zijn ‘bang van duidelijke standpunten.’ Daar heeft hij misschien gelijk in.
    Aan die vaagheden en holle uitspraken wil Mathias niet meedoen. Zijn eigen standpunten zijn zo duidelijk als de neus op zijn gezicht*. Er moet een ‘écht beleid’ komen. Het ‘geloof in de politiek’ moet worden 
hersteld. Politici moeten ‘optimistisch’ zijn, en ‘waakzaam’, en ‘verbindend’, en ‘evenwichtig’. Al die dingen moeten ze doen ‘elke dag opnieuw’. Kijk, dat is ten minste een duidelijk verhaal. 
     En aangezien het ook nog eens positief is, zijn we helemaal waar we wezen moeten.


* Misschien is Mathias iets minder helder als hij zijn afgrijzen uitspreekt voor de Vlaamse canon (zie ook hier). Hij noemt dat het ‘heropbouwen van een mythisch gereconstrueerd verleden’. Ook zonder dat héropbouwen van die réconstructie, blijft het een duistere gedachte, vooral ook omdat de inhoud van die canon nog niet bekend is.

zondag 13 oktober 2019

De 'kille' regering, de woonbonus en de jobbonus

     Tegen de nieuwe Vlaamse regering wordt aangevoerd dat ze ‘kil’ is. Je komt het woord overal tegen. Rzoska van Groen zegt bijvoorbeeld in de De Zondag: ‘Nieuwkomers moeten hogere drempels over … Werklozen moeten voortaan gemeenschapsdienst doen … De bouwmeester moet zich bezighouden met zijn kernopdracht … De regering wil spijbelen harder aanpakken … De VRT wordt in een [financieel] keurslijf gestopt. Ik vrees voor een kil en hardvochtig Vlaanderen.’
    Is dat wel een redelijke conclusie uit de opsomming die eraan voorafgaat? Het is alsof je zegt: mijn likdoorns doen pijn, onze kat heeft een muis gevangen, Rzoska is een sympathieke kerel, kortom: ik vrees voor een olielek in mijn auto.  Rzoska somt allemaal maatregelen op waar ik voorstander van ben. Ben ik dan ook ‘kil’ en ‘hardvochtig’? Dat is wel een streng oordeel. En moet de warmte in ons land komen van de bouwmeester en van de VRT-directeuren? Ik heb hun foto’s eens bekeken.
     Rzoska heeft zich geloof ik laten meeslepen door het automatisme om van een kille regering te spreken ook als de context er zich niet goed toe leent. Maar als hij zijn best doet, kan hij wel betere voorbeelden vinden voor zijn stelling. Hij moet dan zwijgen over de gemeenschapsdienst, de bouwmeester en de VRT. In plaats daarvan moet hij de begroting afspeuren naar alle besparingen en besparinkjes. Want waar bespaard wordt is er altijd iemand die minder krijgt dan vroeger. Zo iemand voelt zich – heel begrijpelijk – in de kou gezet en zal in die barre toestand ontvankelijk zijn voor metaforen van een ‘kille’ regering. Als Rzoska even zoekt in de begrotingstabellen zal hij gemakkelijk veel van die maatregelen vinden.
     Bij die werkwijze zijn echter twee moeilijkheden. Ten eerste staan tegenover die besparingen – twee miljard  – ongeveer evenveel nieuwe uitgaven – ook twee miljard. Er zijn ongeveer evenveel besparingen als nieuwe uitgaven. Als elke besparing bewijst hoe ‘kil’ en ‘hardvochtig’ de regering is, dan bewijst elke nieuwe uitgave hoe ‘gul’ en ‘ruimhartig’ ze is.
     En dat is niet het enige. Onze linkse vrienden kijken niet enkel naar de hoeveelheid van besparingen en uitgaven, maar ook naar wie er slechter en wie er beter van wordt. Als de hoge inkomens er slechter van worden en de lage inkomens beter, dan wordt dat een sociaal ‘herverdelingsbeleid’ genoemd.
     Hoe staan de zaken ervoor op dit terrein? Erg sociaal eigenlijk. Ik heb tijd noch zin om, zoals sommige van mijn collega’s, het héle regeerakkoord te lezen. Ook ga ik de begrotingstabellen, die Jambon op zijn bureau had laten liggen, niet uitvlooien naar elk miljoen meer of minder. Ik heb geleerd dat je veel kunt begrijpen door alleen naar de grote cijfers te kijken. En de grootste cijfers bij de twee miljard verschuivingen zijn: 320 miljoen meer inkomsten door de afschaffing van de woonbonus en 350 miljoen meer uitgaven* door het invoeren van een jobbonus. Huizenkopers verliezen een bonus, en mensen met een laagbetaalde job krijgen er een.
     Het is zonneklaar dat de geldstroom hier van rijker naar armer gaat. Wie een huis koopt of laat bouwen behoort, mogen we aannemen, tot de 75 procent hoogste inkomens*, en wie een jobbonus krijgt, tot de 40 procent laagste**. Er is een ruime overlapping tussen de twee groepen – ook kleinverdieners kopen en bouwen huizen – maar de richting van de ‘herverdeling’ is ondubbelzinnig. Links zou moeten juichen.
     Zelfs ik, die niet links ben, juich een beetje. Die woonbonus heb ik namelijk altijd een onrecht gevonden. Mijn vrouw en ik hebben voor ons landhuisje indertijd een flinke lening moeten aangaan tegen een interest die jonge huizenkopers van nu zich niet meer kunnen voorstellen. Op vijftien jaar tijd moesten we twee keer zoveel afbetalen als wat we hadden geleend. Om dat een beetje goed te maken had de toenmalige regering in haar welwillendheid ervoor gezorgd dat we die afbetalingen fiscaal konden aftrekken van ons inkomen. Elk jaar kregen wij daardoor in april duizenden euro’s terug van wat het vorige jaar van ons loon was afgehouden. ’t Had werkelijk iets van een jaarlijkse bonus. ’t Was een moment van onverdeeld geluk en dán kniezen ware ongepast geweest.
    Anders was dat enkele maanden ervoor, bij het invullen van de belastingbrief. Op dát moment maakte ik mij telkens weer dezelfde bedenking: waarom moeten wij, die ons een eigen huis kunnen permitteren, een gunstiger belastingregeling genieten dan huurders die dat niet kunnen? Ten slotte waren we zelf ook vijftien jaar huurder geweest.




* Strikt genomen is de jobbonus geen uitgave, maar een minderinkomst door belastingverlaging.

** Dat lijkt mij een redelijke aanname als je weet dat 75 procent van de Belgen een eigen huis bezitten.

*** De jobbonus geldt voor mensen die tot maximaal 1.700 € bruto per maand verdienen, waarmee je je ongeveer in het vierde inkomensdeciel bevindt.

zaterdag 5 oktober 2019

Bureaucratie

     Dertig of vijfendertig jaar geleden kregen wij een brief in de bus dat onze telefoon zou worden afgesloten. We hadden, zo stond in de brief, onze telefoonrekening niet betaald. Ik haastte mij naar de bank, en daar verzekerden zij mij dat de betaling wel degelijk was gebeurd.
     Ik wilde de telefoonmaatschappij opbellen – dat was toen nog een staatsinstelling – maar … de telefoonmaatschappij had geen telefoonnummer. ’t Deed mij denken aan Kafka.  ’t Was ook alsof die telefoniemensen niet geloofden in hun eigen product. Ik  moest een dag vrijaf nemen en mij aanmelden op de zoveelste verdieping van een wolkenkrabber bij het Noordstation. Ik nam er de lift, vergiste mij en stapte uit op de zoveelste verdieping min één. Ik kwam in een enorme lege ruimte zonder binnenmuren, er was geen mens, geen tafel, geen stoel, geen geluid. Erg unheimlich  alweer Kafka. Ik nam snel de lift naar één verdieping hoger. Daar waren wel binnenmuren, tafels en stoelen; en mensen – maar die konden mij niet helpen. Volgens hún dossier had ik niet betaald. Het was mijn woord tegen dat van hen. Ik moest naar de bank teruggaan om een bewijsstuk van mijn betaling te vragen.
     En nu heb ik vandaag iets meegemaakt dat mij aan dat telefonieavontuur deed denken.
     Je moet weten dat wij thuis heel goeie Wifi hebben dankzij een bedrijf dat Telenet heet. Maar die Wifi reikt niet tot in de kamer van Jan, en als hij studeert moet hij af en toe naar de woonkamer komen om het signaal weer op te pikken. Nu had ik mij laten vertellen dat het probleem verholpen kon worden met een Wifibooster en dat wij als Telenetklant gratis zon ding konden ophalen in een Telenetcentrum. Zo stond het ook op de website van het bedrijf. Bijna was ik met de auto vertrokken naar het dichtstbijzijnde centrum.
     Maar ik was slim. Clerick, zei ik, wat ga je doen als je daar bij dat centrum aankomt en ze hebben juist de laatste booster weggegeven. Die dingen zijn tenslotte gratis. Iedereen gaat zo’n ding halen, zelfs de mensen die het niet nodig hebben. Ik belde dus eerst het dichtstbijzijnde centrum op om te vragen of ze nog boosters in voorraad hadden. Nee, spijtig genoeg, die boosters hadden ze niet meer. Die konden alleen nog besteld worden via de App. Je kon met die App je verbinding testen en een booster bestellen.
     Als ik het woord App hoor, word ik onrustig. Dan haal ik Jan erbij. Die had in geen tijd de App op mijn iPad geïnstalleerd. Nu moest ik alleen nog uitzoeken hoe je zo’n booster kon bestellen. Maar hoe ik ook zocht, er was nergens op de App een knop ‘Booster Bestellen’ te vinden. Er was wel een knop om de Wifi te testen, maar dat die in de woonkamer goed was wisten we al, en dat die slecht was in de kamer van Jan, wisten we ook. Waarom zouden we die dan testen? Als we in de zoekfunctie ‘booster’ invulden, kwamen we op de Telenetsite terecht, en daar las je dat de booster kon worden opgehaald in een van hun centra. Maar als je zo’n centrum opbelde … Kortom, we draaiden in cirkels.
     Om toch iets te doen met de App, hebben we de Wifi in de woonkamer getest. Die was goed. Ja, natuurlijk was die goed. En wat als die niet goed was geweest? Toen kreeg Jan een idee. Misschien moesten we de Wifi testen in zíjn kamer. Als die lui van Telenet zagen dat de Wifi daar slecht was, kwamen ze misschien zelf met het voorstel om een booster op te sturen.
     Ik had er geen vertrouwen in en Jan evenmin. Het zou een dwaze werkwijze zijn, gaf hij toe, maar je wist maar nooit. Dat was ook waar. We hebben de Wifi dus getest in Jan zijn kamer, in de hoek die het verst van de modem verwijderd is, en, geloof het of niet, na de test kregen we een vraag van Telenet of we soms een booster wilden. We konden hem gratis huren. De verzending zou vijf euro kosten.
     Wellicht is de hele werkwijze kostenbesparend voor het bedrijf en is verloopt ze probleemloos voor zeventig procent van de klanten. Voor mij, die tot de overige dertig procent behoor, was ze bureaucratisch, en onpersoonlijk, en slecht uitgelegd. Ik had Jan van zijn studieboeken weggehaald, wat ik niet graag doe. Ik had mij voor de zoveelste keer erg dom gevoeld met mijn vier universitaire diploma’s.  Het had mij een uur van mijn leven gekost. Aan de andere kant: was ik naar het dichtstbijzijnde Telenetcentrum gereden, dan had mij dat ook een uur gekost. En dan: had ik uiteindelijk niet gekregen wat ik wou? En nog gratis ook?
     De booster wordt dinsdag geleverd. Hopelijk is er een handleiding bij waar ook wij van de dertig procent een touw aan vast kunnen knopen.

donderdag 3 oktober 2019

Zélf iets moois ontdekken

    Een normaal mens doet het zo. Hij loopt een museum binnen, kijkt wat rond, en blijft wat langer staan voor een schilderij of een beeldhouwwerk. ‘Dit hier lijkt mij wel wat,’ zegt hij dan. Als de normale  mens een Amerikaanse barbaar is, voeg hij er nog aan toe: ‘I don’t know anything about art, but I know what I like.’ In een boekenwinkel gaat het ook zo. De normale mens ziet een paar titels, bekijkt een paar omslagen, leest ergens een achterflap en koopt een boek. ‘Aardig,’ zegt hij achteraf als hij het uit heeft. Voor zo iemand is elk mooi schilderij, boek of elke mooie film een eigen ontdekking.
     Wij, snobs, doen dat anders. Wij kopen catalogi, lezen boekenbijlagen en surfen naar recensies op Rotten Tomatoes. Als we dan een schilderij, boek of film mooi vinden, weten we niet zeker of we dat ook hadden gevonden zonder die catalogi, die boekenbijlagen of die rotte tomaten. We denken van wel, maar wij zijn het niet zeker. Dat schilderij, dat boek of die film wáren al ontdekt vóór wij met onze tropenhelm op het hoofd het terrein betraden.
     Soms heeft een van ons geluk. Karel van het Reve kon indertijd Nabokov, Chandler en Tucholsky zélf ontdekken omdat hun boeken hem in handen vielen vóór hij van die auteurs had gehoord. Maar ’t zijn uitzonderingen. Als wíj Nabokov vastpakken, of Chandler, of Tucholsky, hebben we daar al eerder bij Karel van het Reve over gelezen, of bij iemand anders. Ik dacht vroeger dat ik Billy Wilder zelf ontdekt had omdat ik nog nooit iets van de regisseur had gehoord toen ik in 1978 Fedora zag (hier). Maar dat moet een vergissing zijn. Ik ben er nu bijna zeker van dat ik in 1977 al Some Like It Hot had gezien.
     Boeken die je moet lezen als schoolopdracht zijn een twijfelgeval. Als zo’n auteur die je moet lezen, achteraf ook echt meevalt, voel je je toch een beetje als een die goud heeft gezeefd uit een rivier die weinig goeds beloofde. Ik moest van professor Delattré een boek van Jane Austen lezen, en verwachtte daar niet veel van (hier). Vanaf de eerste zinnen echter had ik begrepen dat ik net als Guus Luijters àlles van tante Jane zou lezen. Voor Spaans kregen we van onze docente – de kleindochter van Unamuno geloof ik – zeven boeken opgegeven van auteurs waar ik nog nooit van had gehoord. Terecht, bleek achteraf. Tot ik begon te lezen in El Aleph van Borges. Ik werd een levenslange bewonderaar.
     Onlangs ervoer ik weer iets dat in de buurt kwam van een eigen ontdekking. Ik heb vroeger vaak naar de Goldbergvariaties van Bach geluisterd (hier). De laatste jaren luisterde ik naar andere Bachmuziek (hier). Maar nu had ik in de auto weer eens de variaties opgelegd. Heerlijke muziek. Alle variaties waren om het mooist. Tot ik aan variatie nr 25 kwam. Die was nóg mooier.*
     Nu had ik ooit wel ergens gelezen dat één van de variaties boven de andere uitstak. Iemand, ik weet niet meer wie, had die ‘the Black Pearl’ genoemd. Dat is een mooie naam die tot de verbeelding spreekt. Maar ik had geen idee wélke variatie dat was.
     Ik heb het eens opgezocht. Het was variatie nr 25 (hier). Ik heb de parel zelf gevonden.


Het nadeel is nu wel dat ik alle andere variaties links laat liggen en alleen nog naar nr 25 luister, en naar de inleidende aria natuurlijk. 

maandag 23 september 2019

Het spuitje van 1,9 miljoen


     Door de week volg ik de toestand in de wereld maar met een half oog. Ik weet alles een dag later dan mijn buren en twee dagen later dan mijn collega’s. Toen ik van de week bijvoorbeeld eindelijk begrepen had dat er een actie was voor baby Pia en wat die actie inhield, was het te laat om nog mee te doen. Het bedrag was al verzameld. ’t Was een geluk dat mijn zoon al een sms’je had verstuurd.
     Zaterdag of zondag probeer ik dan de schade in te halen door hier en daar wat te lezen over wat er gebeurd is, en wat mensen met een mening daarvan denken. Over de Pia-zaak las ik bijvoorbeeld veel verontwaardigde commentaren: dat het medicijn Zolgensma veel te duur is, dat het bedrijf Novartis het spuitje gratis ter beschikking had moeten stellen, dat Big Pharma verziekt is, dat een chantagespel gespeeld werd met het leven van een kind, en dat nog maar eens blijkt dat ‘een absoluut vrije markt niet goed is’. Op die laatste gedachte ben ik een paar dagen aan het kauwen geweest. 
     Zeker is dat het medicijn voor SMA-patiëntjes erg duur is: 1,9 miljoen voor een éénmalige spuitje dat mogelijk de gevolgen van de aandoening langdurig verzacht. De grote baas van Novartis kwam op televisie en híj vond 1,9 miljoen niet te duur. Hij vergeleek het bedrag met de kost van een andere behandeling voor dezelfde aandoening. Die loopt over tien jaar tegen de 3,6 miljoen euro aan; dat is dus nog veel meer. Maar als wij gewone mensen iets horen van 1,9 miljoen, maken wij een ándere vergelijking: wij vergelijken met het bedrag dat op ons spaarboekje staat, en dat is aanzienlijk lager.
     Is 1,9 miljoen te veel? Ik geloof het wel. Maar je moet mij niet vragen wat dan wel het juiste bedrag is. 1,7 miljoen, of 1,2 miljoen, of misschien maar 0,9 miljoen? Dat is allemaal mogelijk. Het zal in elk geval veel meer zijn dan ik ooit zal kunnen betalen als ik een medicijn nodig heb. Journalisten hebben de mening gevraagd van onderzoekster Martine Barkats, die mee de gentechnologie ontwikkelde waar Zolgensma op voortborduurt. Ze antwoordde dat de prijs ‘te hoog’ ligt, maar ‘over wat een een redelijke prijs is, wil ze zich niet uitspreken’ 
(hier). Dat is heel voorzichtig van de onderzoekster.
     Minder voorzichtig is Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad (hier). De journalist werd er zelfs ‘lichtjes ziek’ van.  ‘De Zwitserse farmareus, schrijft hij, verdedigt zich, zoals alle farmabedrijven, met het verhaal dat onderzoek en ontwikkeling jaren arbeid en investering kosten. Het is een excuus om lichtjes ziek van te worden. Alleen al de miljardenwinst – meer dan tien miljard – toont aan dat de waarheid hier beentje wordt gelicht.’ Dat is weer echt Mijlemans.* Hoe, vraag je je af, kan een miljardenwinst ‘aantonen’ dat het jarenlange onderzoek en de zware investeringen niet meer dan een excuus zijn? Kun je van excuus spreken als het gaat om een feit ? De gemiddelde kostprijs om in Europa een medicijn te ontwikkelen is ongeveer 1,25 miljard (hier). Als 1,25 miljard investering een excuus is voor hoge prijzen, dan is het toch minstens een geldig excuus, zoals dat van een leerling die te laat komt door het openbaar vervoer. Zo’n hoog bedrag leidt overigens niet altijd tot problemen. Als het miljardenmedicijn aan miljoenen patiënten wordt verkocht, wordt de prijs per patiënt overzichtelijk. Als het daarentegen om zeldzame ziekten gaat, wordt de deler veel kleiner, het quotiënt veel groter en het probleem veel prangender.
    Ondanks die overwegingen geloof ik nog altijd dat 1,9 miljoen voor een Zolgensmaspuitje te veel is. Dat komt dan niet door een teveel aan vrije markt, maar door het omgekeerde, een gebrek aan vrije markt. Zolgensma wordt aangeboden door één verkoper, door één bedrijf, dat de technologie ontwikkeld of gekocht heeft. Dat bedrijf heeft het patent op die technologie voor 20 jaar, wat niet helemaal onredelijk is. Maar daardoor heeft het bedrijf een feitelijk monopolie. Het kan voor haar product hogere prijzen vragen dan het zou kunnen als het product ook door andere bedrijven werd gemaakt. De winst stijgt, het geld stroomt binnen.
     Waar gaat dat geld naartoe? Een deel komt bij de aandeelhouders terecht. Ik heb uit het boekje van Hans Rosling (hier) begrepen dat dat vaak gepensioneerden zijn omdat pensioenfondsen vaak investeren in soliede farmabedrijven. Ik gun die gepensioneerden een goed pensioen, te meer omdat het verwachte rendement van die farma-aandelen gemiddeld niet hoger ligt dan dat van andere aandelen. Als dat niet zo was hadden we De Tijd, Paul D’Hoore en het nieuwe schoolvak ‘Financiële Vaardigheden’ niet nodig. Dan moesten we gewoon met ons allen al onze centen in farma investeren en werden we allemaal zo rijk als Croesus.
     Zo’n monopoliebedrijf zou wel gek zijn om zijn aandeelhouders gemiddeld meer uit te keren dan een ander bedrijf. Maar dat extra geld is wel leuk meegenomen. Je moet dan niet meer zo op de kleintjes letten. Het zou mij niet verwonderen als in de farmawereld de kantoren ruimer zijn, de zakenlunches rijkelijker en de brochures mooier gedrukt. Misschien krijgen de onderzoekers een bovenmatige loon, de juristen een overdreven vergoeding en de reizende verkopers een buitensporige premie. Misschien worden er te veel marketingmensen en HR-mensen in dienst genomen. Misschien wordt er te veel zinloos vergaderd. Monopolie leidt tot hoge prijzen, tot hoge inkomsten én tot verspilling.**
     De gevolgen van monopolie – een markt met één verkoper – worden in zekere mate tegengewerkt door monopsonie – een markt met één koper. Dat is in de gezondheidswereld het geval. Veel medicijnen en behandelingen zijn te duur voor afzonderlijke patiënten. De betaling gebeurt door grote verzekeringsinstellingen die in Europa door de staat zijn ingericht. Die instellingen zijn in zekere zin de enige kopers; zij bepalen mee de prijs.  Als zij weigeren een medicijn terug te betalen, heeft de producent weinig verhaal. Er moet dan worden onderhandeld.
     Omdat die onderhandelingen de levenskwaliteit en soms zelfs het leven van de patiënten als inzet hebben, heeft de buitenstaander de indruk dat de partijen allebei een chantagespel spelen. Die indruk is terecht. De farmareus zegt: als je niet betaalt wat ik vraag, moeten de patiënten zelf maar zien hoe ze genezen. En verzekeringsinstelling antwoordt: als je het medicijn niet verkoopt aan de prijs die wij voorstellen, dan blijven onze verzekerden maar ziek. Uiteindelijk wordt een prijs overeengekomen die ergens in het midden ligt. ’t Is cynische bedoening, maar ik betwijfel of er een betere oplossing bestaat.
     Het spel van onderhandelingen beïnvloedt ook wat in de pers verschijnt. Ik las in Het Laatste Nieuws (hier) een interview met  Maggie De Block. De minister van Volksgezondheid is hard voor Novartis. Ze is ‘boos’. Het gevraagde bedrag is ‘absurd’. Ze weigert de Novartismensen op haar kabinet te ontvangen. Ze suggereert dat het bedrijf geen ‘geweten’ heeft. Ik vind dat allemaal slimme uitspraken van Maggie. Een goede manier om onderhandelingen voor te bereiden is om de publieke opinie aan je kant te krijgen. Meer zoek ik er niet achter.
    Het is dus waarschijnlijk dat monopsonie en harde onderhandelingen de prijs van medicijnen naar beneden kan brengen. Toch geloof ik dat de onvermijdelijke monopolies in de farmasector zullen blijven leiden tot hoge prijzen, tot hoge inkomsten en tot een zekere mate van verspilling. Maar die verspilling heeft lang niet alleen slechte kanten. Waarschijnlijk bestaat de grootste verspilling uit – achteraf gezien – mislukt onderzoek. Ik las ergens (hier) dat in de eerste onderzoeksfase  ongeveer 64 procent van het onderzoek tot niets leidt. In de tweede fase is dat 89 procent en in de derde fase 88 procent. Dat mislukte onderzoek kost miljarden, maar met de monopolieprijzen die de firma’s kunnen vragen, wordt dat verlies weer goedgemaakt.
     Als men erin zou slagen, door concurrentie,  door staatsinmenging, of door onderhandelingen, om die prijzen te verminderen, dan zouden besparingen zich opdringen en zou het aandeel van het mislukte onderzoek verminderen. De bedrijven zouden minder lichtzinnig beginnen aan een investering en minder koppig volhouden als de resultaten uitbleven. Er zou minder geld verspild worden, de geneesmiddelen zouden gemiddeld minder duur zijn, maar … er zouden er ook minder worden ontwikkeld.** Door een voorzichtig besparingsbeleid zou het totale aantal onderzoeken verminderen, het aantal mislukkingen zou dalen,  maar ook het aantal onverhoopte successen zou afnemen.  In zulke omstandigheden was het Zolgensma-spuitje misschien nooit op de markt was gekomen. Het zou niet te duur geweest zijn. Er zouden geen harde onderhandelingen nodig zijn geweest. Er zouden geen miljoen sms’jes verstuurd zijn. Het zou niet hebben bestaan.
     Ook de farmamedaille heeft twee kanten.
     En de lichtjes zieke Peter Mijlemans wens ik een spoedig herstel.

* En vandaag doet Mijlemans het weer (hier). De farmasector had voorgesteld om geen cent meer aan te rekenen voor nieuwe geneesmiddelen die een patiënt niet helpen. Daarmee ‘geeft de farma-industrie eigenlijk toe dat de prijzen verre van realistisch zijn.’ Dat is niet zo. De economische logica is helemaal anders. Als de firma geen geld ontvangt voor niet-werkende medicijnen – een redelijke voorstel – , wordt hun productiekost gedragen door de een nog hogere kostprijs voor de medicijnen die wel werken.

** Men begrijpt waarom Maggie De Block aan de farma-industrie een besparing heeft opgelegd van 1,1 miljard euro. 

*** Sommige deskundigen zoals professor De Nys (hier) stellen voor om dure medicijnen als Zolgensma niet meer te ontwikkelen. We kunnen het niet ontkennen: dan is het probleem van de dure medicijnen inderdaad van de baan. Er bestaat geloof ik een fabel van Aesopos die dat soort oplossing als onderwerp heeft, maar ik ben vergeten welke.

zaterdag 14 september 2019

Het Nieuwsblad ziet maar één democratie

     Hoewel ik nogal dweepzuchtig ben aangelegd, heb ik weinig voeling met het nationalisme. Ik krijg geen tranen in de ogen bij het horen van enig volkslied, behalve dan bij dat van het vroegere Oost-Duitsland (hier). Maar toen ik voor het eerst Bart De Wever de uitdrukking hoorde gebruiken van ‘de twee democratieën’, begreep ik onmiddellijk wat hij bedoelde. Hier werd loodrecht op de kop van de spijker geklopt.
     De zaak is immers eenvoudig. Er gaat elk jaar zeven miljard euro van Vlaanderen naar Wallonië in het kader van de sociale zekerheid. Dat komt omdat Wallonië een nogal socialistisch beleid voert. Zo’n beleid heeft als gevolg dat een relatief groter deel van de bevolking van uitkeringen leeft, en het geld voor die uitkeringen wordt dan door Vlaanderen bijgepast. De Vlamingen kunnen dat trekken want bij hen wordt een een wat liberaler economisch beleid gevoerd en wordt dus wat meer rijkdom voortgebracht.
     De Vlamingen geven de indruk de hele toestand redelijk stoïcijns op te vatten. Onderzoekers hebben uitgerekend dat slechts tien procent van de Vlamingen onafhankelijk wil worden van Wallonië. Dat is niet zoveel. Maar er zijn naast die tien procent nog heel wat Vlamingen die misschien geen volledige onafhankelijkheid willen, maar die er in elk geval geen bezwaar tegen hebben dat de landsdelen méér eigen verantwoordelijkheid zouden krijgen. Men spreekt soms van een Vlaamse grondstroom. Je zag en ziet die grondstroom opduiken op de meest onverwachte plaatsten, zoals in de helaas lang vergeten burgermanifesten van Guy Verhofstadt, of bij CD&V’ers die verder over niets een mening hebben.
     Die Vlaamse grondstroom wordt gevoed door verschillende bijrivieren. Er is de oude taal-en-cultuurkwestie die traditionele flaminganten wakker houdt. Maar dat is lang niet het enige. Mijn broer bijvoorbeeld had nooit iets met taal, cultuur of flamingantisme te maken gehad. Toen ging hij in Brussel werken in een groot tweetalig bedrijf. Het duurde niet lang of het contact met het Waalse chauvinisme had hem al snel enig Vlaams gevoel bijgebracht. En voor mensen als ik ten slotte, mensen zonder taal, cultuur of gevoel, is er nog altijd de centenkwestie en dat socialistische blok aan ons been. Zo hebben we allemaal onze eigen redenen om enigszins Vlaams te denken.
     Bij de Walen is het eenvoudiger. Die zijn vrij eensgezind belgicistisch, en tegen eigen verantwoordelijkheid, en dat vanwege slechts één reden: de centen. PS-man Marc Uyttendaele, de man van Laurette Onckelinx, zei het onlangs nog in De Standaard (hier): ‘De sociale zekerheid is dé meerwaarde van het federale België voor de Franstaligen … Geen enkele Franstalige politicus gaat beslissingen nemen die zijn kiezers minder comfortabel laten leven … Als de sociale zekerheid springt, en ze kan springen, moet je niet verwachten dat er nog één Franstalige [toelaat] dat anderen iets te zeggen hebben over zijn eigen toekomst.’* Slechts één reden: dat is duidelijk. En als die wegvalt kan de splitsing niet snel genoeg gaan. Beter dan die PS-man kan ik het niet uitleggen.
     Vóór de verkiezingen hoorde je ook in Vlaanderen wel eens Alexander De Croo of Kristof Calvo iets zeggen over ‘herfederalisering’. Maar de recente erg verschillende verkiezingsuitslag in Vlaanderen en Wallonië maakt het moeilijk om dat verhaal vol te houden. De vorming van een Vlaamse regering gaat vlot, de vorming van een Waalse regering eveneens, maar een Belgische regering, dat wordt véél moeilijker. Hier wordt het verhaal van de twee democratieën met prenten geïllustreerd voor wie traag is van begrip - of van prenten houdt (hier).
     Allerlei politicologen en journalisten worden er wanhopig van. Knack (hier) bracht een groot stuk onder de titel ‘Confederalisten voeren de hoge tonen in het debat: waar zijn de Belgen gebleven?’  Wel, bij Het Nieuwsblad lopen er enkele van rond.  Pieter Lesaffer schrijft in een commentaar van 10 september (hier) dat Wallonië géén andere democratie is dan Vlaanderen omdat het regeerakkoord van Di Rupo ‘zo veel gelijkenissen met de Vlaamse startnota’  vertoont. En in de krant van de dag erop staat een groot artikel van Farid el Mabrouk onder de kop ‘Meer gelijkenissen dan verschillen tussen politiek Vlaanderen en Wallonië’ (hier). Daar komt onder andere politicoloog Sinardet aan het woord die zijn gelijkenissenverhaal al in 2014 aan de man bracht (hier).**
     Om het overzichtelijk te houden heeft Het Nieuwsblad een lijstje gemaakt met de gelijkenissen en de verschillen tussen de Vlaamse en Waalse programma’s. Het lijstje van de gelijkenissen is langer.*** Het Vlaamse programma wil de werkgelegenheid verhogen, wil investeren in energie, mobiliteit en klimaat, wil lucht- en waterkwaliteit verbeteren en wil dat Vlaanderen tot de meest performante regio’s behoort. En nu denk je: de Walen willen natuurlijk minder werkgelegenheid, minder investeren in mobiliteit, willen slechtere lucht en slechter water en willen tot de minst performante regio’s behoren. Maar nee, de Walen willen hetzelfde als de Vlamingen: méér werkgelegenheid enzovoort. Quod erat demonstrandum.
     Nou ja, er zijn ook verschillen, geeft Het Nieuwsblad toe, maar dát lijstje is korter: Franstalig België heeft weinig aandacht voor integratie en inburgering van nieuwkomers, wil gratis bussen inleggen, en wil niet investeren in wegen, want ze hebben er genoeg. En een laatste verschil: in Wallonië heeft men ‘een andere visie op de overheid’. Een andere visie op de overheid … dat is mooi gezegd.
    Eigenlijk komt het hierop neer: zoeken naar gelijkenissen en verschillen is een delicate aangelegenheid. In de kleuterklas kun je de kleintjes nog vragen om twee prenten te vergelijken en zeven verschillen te zoeken. Dat heet een ‘gesloten opdracht’. Er zijn zeven verschillen, niet meer of niet minder. Maar als ik in het middelbaar twee gedichten laat vergelijken is dat een heel andere zaak. Dat is een ‘open opdracht’. De leerlingen moeten dan zoeken naar significante verschillen en gelijkenissen, want ja, de gedichten bevatten allebei letters en die letters vormen woorden, en er is veel witte ruimte aan de linker- en de rechterkant van de tekst. Maar de meeste leerlingen voelen aan dat het daar niet om gaat.
     Hannah Arendt heeft indertijd een interessant boek geschreven over de gelijkenissen tussen nazisme en communisme. ’t Is een mooi voorbeeld van hoe je door vergelijken dieper kunt nadenken. Op elke bladzijde bewijst Arendt haar finesse, eerlijkheid en onderscheidingsvermogen. Ze dringt door tot de kern van het totalitarisme. Maar je kunt natuurlijk ook gemakkelijk een lijstje maken van de vele gelijkenissen tussen het Engeland van Churchill en de het Duitsland van Hitler. ’t Zou iets voor Lesaffer zijn. Er werd in de twee landen met de auto gereden, maar vaker nog gefietst. Men ging naar de cinema. Als men buitenkwam droeg men een hoed.





Niet willen dat anderen iets te zeggen hebben over je eigen toekomst, is dat geen redelijke definitie van het nationalisme, waarvan Uyttendaele beweert dat het in Wallonië niet bestaat?

** Zo heeft Sinardet wetenschappelijk vastgesteld dat Vlamingen en Walen ongeveer hetzelfde denken over ... het rookverbod. Anderzijds blijkt uit de lijstjes van Sinardet dat er meestal 5 tot 10 procentpunten verschil is tussen wat Vlamingen en Walen over bepaalde politieke kwesties denken. Zulke verschillen in procentpunten zijn geloof ik voldoende om een heel andere mentaliteit af te bakenen, en méér dan voldoende om een heel ander beleid te sturen. 

*** Je ziet gemakkelijk in dat de lengte van zo’n lijstje niet erg belangrijk is. Geleerden hebben lijstjes opgesteld van de gelijkenissen tussen het DNA van een mens en dat van een chimpansee, een hond en een banaan. Dat zijn héél lange lijstjes, en in het geval van de chimpansee veel langer dan het lijstje met de verschillen. Toch moet niemand – ook Sanctorum niet – mij een aap noemen.

zondag 8 september 2019

Finnegans Wake

     Vorige week plaatste ik een kort stukje over de opsomming als een van de leukste stijlfiguren. Ik gaf enkele bekende voorbeelden. Simon Gelten antwoordde daarop met iets wat misschien niet helemaal een opsomming was, maar toch een aardig voorbeeld van iets anders. Het was een amplificatie uit de Ulysses van James Joyce: ‘The sea, the snotgreen sea, the scrotumtightening sea.’ Volgens Simon was Joyce misschien wel de grappigste auteur na Lewis Carol en Gogol.
      Dat Joyce een erg grappige auteur is, dat geef ik graag toe. Ik ken weinig stukken die zo grappig zijn als het Cyclopshoofdstuk uit Ulysses. Maar 
’t is ook een moeilijke auteur vind ik, omdat hij zoveel grappen maakt die een lezer wel een beetje aanvoelt maar niet helemaal begrijpt. Simon vond dat ook. Hij las al twintig jaar regelmatig in Finnegans Wake en hij was nu aan bladzijde 15. 
     Tiens, dacht ik, iemand die Finnegans Wake léést. Aan mijn leerlingen vertel ik altijd dat ik níemand ken die dat boek leest, en dat zulke mensen misschien niet eens bestaan.
     Twee dagen later stootte ik dan op een blogpost van de oude trotskist Flor Vandekerckhove
*. Ook hij leest regelmatig in Finnegans Wake, schrijft hij, vooral tijdens barre winternachten als ‘de wind rond het huis giert, de regen de luiken geselt, het haardvuur knettert en de clichés zich opstapelen.’
     Simon en Flor, dat waren er al twee.*
     Die twee gaan bij hun lectuur ook allebei op zoek naar de betekenis of oorsprong van de rare woorden waarvan  Joyce er in elke zin enkele binnensmokkelt. Simon kent, geloof ik, veel vreemde talen. Dat komt goed uit want Joyce gebruikt veel vreemde talen als inspiratie voor zijn woordkronkels.
     Flor zoekt naar sporen van het Oostends (hier). Dat komt goed uit want Flor is van Oostende. Tot nu toe heeft hij al één zinnetje gevonden, en wel in een van Joyces gepubliceerde kladboekjes: ‘All the shups ware to, staat daar ergens. Flor weet niet met zekerheid waar het zinnetje vandaan komt, maar hij heeft een vermoeden. ‘Hoor ik daarin de stem van een Oostendenaar, schrijft hij,  die in een soort Oostends-Engels probeert uit te leggen dat alle winkels dicht waren?’ Ik vraag mij af wat zou de geleerde Geert Lernout van die verklaring zou denken?
     Zelf heb ik Finnegans Wake niet in de kast staan. Ik heb wel een uitgave van de ‘Portable James Joyce’ en dat bevat een paar fragmenten uit dat boek. Ik begin erin te lezen, een stuk dat ‘Here comes everybody’ heet. Ik begrijp er niet veel van, tot ik aan de tweede bladzijde kom:

This the way to the museyroom. Mind your hats goan in! Now yiz are in the Willingdone Museyroom. This is a Prooshious gunn. This is a ffrinch. Tip. This is the flag of the Prooshious, the Cap and Soracer. This is the bullet that byng the flag of the Prooshious. This is the ffrinch that fire on the Bull that bang the flag of the Prooshious.

     Als je het stuk een paar keer half luidop leest wordt het iedere keer een klein beetje grappiger. ’t Is dan ook een opsomming. En een amplificatie.

* Enige tijd geleden ontving ik een mail van Flor waarin hij zijn nieuwe e-boek voorstelt. Of ik in mijn ‘rechtse middens’ iemand kende die het wou recenseren. Flor weet niet dat ik eigenlijk heel weinig mensen ken, of het nu in  rechtse middens is, of in linkse. Maar ik heb een facebookpagina en Flor heeft er geen. Daarom plaats ik hier een link die doorverwijst naar een voorstelling van het boek. http://florsnieuweblog.blogspot.com/2019/01/rond-het-vuurtorenvuur.html. Trotskist of niet, veel van Flors stukjes lees ik graag.

* Ik weet uit ervaring dat er binnenkort een derde volgt.