woensdag 22 mei 2019

Van Vlaams Belang naar N-VA en omgekeerd

     In 2014 behaalde Vlaams Belang 5,8 procent. Dat was veel te laag voor een partij die tien jaar daarvoor nog de grootste Vlaamse partij was met 24 procent. Maar wie in 2014 nog op Vlaams Belang stemde was een trouwe militant van het eerste uur of een idealist. Het grootste deel van de stemmen die Vlaams Belang in 2014 verloor, zijn toen naar N-VA gegaan, die 32 procent behaalde.
     Volgens de peilingen zou Vlaams Belang nu 14,9 % behalen. Dat vind ik dan weer te veel voor een land waar een gematigd rechts alternatief bestaat. Door haar links sociaal-economisch programma heeft de partij wellicht nog enkele procentjes ontfutseld aan de socialisten, maar de grote winst moet bestaan uit kiezers die vorige keer N-VA stemden en nu naar Vlaams Belang terugkeren*.
     Die terugkeer is anders wel begrijpelijk. Sommige mensen zijn ongeduldig als het beleid niet onmiddellijk de resultaten oplevert die ze hadden gehoopt. Die mensen zijn dan ontgoocheld. Ze ontkennen niet dat Theo Francken veel gedaan heeft om het aantal vluchtelingen te beperken, maar ze wijzen erop dat er tijdens zijn staatssecretarisschap veel vluchtelingen bij zijn gekomen.  Als Francken echt niet verder kon gaan door de wetgeving, de rechterlijke macht, de Europese regels en de coalitiepartners, dan moest hij maar ontslag nemen. Niet toevallig rekent Vlaams Belang het zich als een grote verdienste aan dat ze N-VA tot ontslag uit de regering ‘gedwongen’ heeft.
     Bij de terugkeerders heb je ook de immigratiepessimisten. Die mensen vinden dat de migratie een verloren zaak is. Men heeft het te ver laten komen. Er is niets meer aan te doen. Theo Francken heeft met Joren Vermeersch twee boekjes over migratie geschreven (hier en hier) die vol staan van voorstellen op korte, middellange en lange termijn. Maar onze pessimisten zijn in die voorstellen niet erg geïnteresseerd. Het is toch te laat. We moeten de waarheid onder ogen zien. Ons rest niets meer dan wachten op de catastrofe en nog een laatste keer, nu het nog kan, eens flink zeggen waar het op staat. Zulke pessimisten herkennen zich in Sam van Rooy, die in 2020 Filip De Winter opvolgt als Antwerps kopman van Vlaams Belang. Van Rooy schreef een boekje over islamisering (hier) dat leest als een litanie van klachten. De pessimist leest dat en voelt zich begrepen. Hier is iemand die zegt: ik deel je angst, zoals Bill Clinton destijds zei: I feel your pain. Alleen komt het mij voor dat Clinton, in tegenstelling tot zijn vrouw, een goed acteur was, terwijl Sam Van Rooy méént wat hij zegt. Zijn angst is niet gespeeld.
     ’t Is zonde dat ik het zeg, maar bij de N-VA-stemmers van 2014 moeten er ook een redelijk groot aantal extremisten zijn geweest die zich vergisten van partij. N-VA was tegen onbeperkte migratie, en die stemmers dachten dat de partij onbeperkt tegen migranten was. N-VA was kritisch voor het moslimfundamentalisme en die stemmers dachten dat de partij de Koran zou verbieden en de moskeeën afbreken. N-VA was voor een neutrale kledij aan de stadsloketten en die stemmers dachten dat hoofddoeken op straat strafbaar zouden worden. N-VA was voorstander van integratie en aanpassing en die stemmers dachten dat wie zich niet integreerde of aanpaste dan maar zou worden gedeporteerd.**
     Een van de eigenaardigheden van de huidige campagne is dat N-VA weinig doet om die extremisten enigszins aan het lijntje te houden. Hoe harder Vlaams Belang zich opstelt, hoe gematigder de houding van Bart De Wever wordt. Misschien rekent hij erop op die manier een aantal kiezers van de centrumpartijen naar N-VA over te halen. Maar waarschijnlijker is dat hij – zoals wel vaker – aan de lange termijn denkt. Die extremisten kun je niet eeuwig aan het lijntje houden als je niet van plan bent om ook een extremistische politiek uit te voeren. Er mag een verschil bestaan tussen je eigen programma en wat je in de regering realiseert in afspraak met anderen. Maar dat wettigt geen breuk tussen je programma en je propaganda.
     Er is geloof ik ook een aantal stemmers die van N-VA naar Vlaams Belang terugkeren vanuit de logica van de ‘nuttige stem’. Die stemmers redeneren dat een sterk Vlaams Belang een goede waarborg is om N-VA op koers te houden. In het politieke jargon heet het dan dat Vlaams Belang een zweepfunctie heeft. De nuttige stemmers begrijpen wel, als ze enig verstand hebben, dat Bart De Wever en Theo Francken op maatregelen aansturen die de immigratie beperken. Maar, zo redeneren zij, N-VA geeft als volkspartij onderdak aan verschillende strekkingen. Daar is ook een progressieve vleugel bij die misschien wel de andere kant uit wil in de immigratiekwestie. Door een sterk Vlaams Belang wordt ervoor gezorgd dat N-VA haar anti-immigratiestandpunten niet afzwakt.
     Dat is geen slechte afweging, maar er laat zich wel wat tegen inbrengen. Ten eerste kan een overlopen van kiezers naar het Belang er ook voor zorgen dat de anti-immigratievleugel binnen de Alliantie verzwakt omdat ze minder electoraat aanbrengt. Ten tweede kan die waarborg evengoed worden waargemaakt met 10 procent Vlaams Belang-stemmen in plaats van met 15 procent, of door bijvoorbeeld alleen op de Europese lijst van het Belang te stemmen. En ten derde, als N-VA voldoende verzwakt wordt, komt ze niet meer in de regering en kunnen N-VA en Vlaams Belang gezellig samen kritiek geven vanop de zijlijn op het lakse immigratiebeleid van de Groen-Rood-Oranje regering.
     Sommige kiezers schijnen pas op het laatste moment te beslissen voor wie ze gaan stemmen. Ik heb dat nooit gehad, ook al heb ik in mijn leven al voor vijf verschillende partijen gestemd. Misschien zijn er bij de Vlaams Belang-terugkeerders nog wat twijfelaars, of ze nu tot de ongeduldigen, de pessimisten, de extremisten of de nuttige stemmers behoren. Ik zal het wel merken als ik op maandag krant opensla. Want die zondagavondshow over de ‘gedeeltelijke resultaten uit het kieskanton Horebeke’ zal ik ook dit keer weer overslaan.
       


* Ook onder de terugkeerders moeten er ook kiezers zijn die zich aangesproken voelen door het meer socialistische economische programma van Vlaams Belang.

** Ik lees in een opgewonden artikel van Sam van Rooy (“Bart De Wever Liegt”) dat Vlaams Belang de Islam níet wil verbieden.  Wellicht wil de partij dan ook geen speciale hoofddoekbelasting meer en wil ze vreemdelingen die zich slecht aanpassen het land níet uitwijzen. Mij goed hoor. Maar waar moet de extremistische kiezer nu naar toe?

dinsdag 21 mei 2019

Is er een verschil tussen Groen en N-VA?

     Hilde Crevits (CD&V) wil er zich nu nog niet over uitspreken welke coalitie ze na 26 mei wil aangaan: met N-VA of met Groen-sp.a. Ze zal de verkiezingen eerst afwachten. Ze zal eens kijken hoe de kaarten worden verdeeld. Ze zal eerst haar best doen om een zo goed mogelijke campagne te voeren en om een zo goed mogelijk resultaat te behalen. De ironie wil echter dat haar keuzemogelijkheden niet zullen worden vastgelegd door haar eigen resultaat, maar door dat van Vlaams Belang en van N-VA. Kan Vlaams Belang wat extra procenten ontfutselen aan N-VA, dan mag Hilde doen wat ze wil; kan N-VA een aantal procenten terugwinnen van het Belang, dan is het lot van Hilde vastgeklonken aan dat van de Alliantie.
     De lezer die door de ervaring wat bitter is gaan denken over politiek, zal zich afvragen of het allemaal wel zo’n verschil maakt, een overgang van Geel-Blauw-Oranje naar Oranje-Groen-Rood of omgekeerd. Dat is een goede vraag. We moeten ons inderdaad niet aan een revolutie verwachten. Zo’n overgang behoort tot de gewone afwisseling van de wacht, de ‘alternance’ zoals de Fransen zeggen, de ‘zigzag of politics’ zoals Nozick het noemt. De Groenen hebben een ‘ambitieus klimaatplan’ dat, consequent uitgevoerd, zou leiden tot een tsunami aan belastingen en prijsstijgingen. Maar als ze eenmaal in de regering zitten, zullen de groenen rekening moeten houden met hoe meer ervaren partijen aankijken tegen de electorale gevolgen van zo’n beleid. De zwaar belaste burger is een boze kiezer. We mogen aannemen dat de tsunami dan afzwakt tot een vloedgolf bij springtij.
     De eenvoudige waarheid is deze. Het beste wat we van een coalitie met N-VA kunnen verwachten is dat de belastingen met één of twee procent dalen, en van een coalitie met Groen dat ze met één of twee procent stijgen. Nu ben ikzelf op principiële gronden een hartstochtelijk voorstander van een belastingsverláging van één of twee procent, en een hartstochtelijk tegenstander van een belastingsverhóging van één of twee procent, maar het blijft gemorrel in de marge, pieterige bewegingen in het dal die je vanop de bergtop amper ziet.*
     Er is echter één gebied waarvan we kunnen aannemen dat N-VA of Groen in de regering wel het verschil kunnen maken, en dat is dat van de migratie. Er heeft zich de laatste dertig jaar – naast de gewone arbeidsimmigratie van Nederlanders, Fransen en Polen – ook een grote groep illegalen, asielzoekers en gezinsherenigers uit Afrikaanse en Islamitische landen in ons land gevestigd. Op economisch vlak biedt die immigratie geen voordelen en op maatschappelijk vlak brengt ze veel problemen met zich mee. N-VA staat voor een strikter beleid op dat gebied terwijl Groen het ruime beleid voorstaat. CD&V, sp.a en Vld nemen een wat vage en wisselende middenpositie in.
     Groen heeft veel middelen om de andere partijen van haar gelijk te overtuigen. De partij heeft het Marrakesh-pact en de Europese regels aan haar kant. Bij CD&V kan ze het vluchtelingenverhaal van Jozef en Maria bovenhalen en bij Vld het open-grenzen-ideaal en het universele humanisme. En bij de socialisten zijn argumenten overbodig, want hun allochtoon electoraat zet al voldoende druk om hen naar die kant over te laten hellen. Gunstig voor Groen is daarbij ten slotte de wet van de traagheid. Een Groen migratiebeleid betekent dat er eigenlijk niets hoeft te veranderen. Alles kan bij het oude blijven. Alleen de taal moet wat wolliger.
     Maar ook N-VA heeft een aantal middelen om coalitiepartners te overtuigen. De partij kan wijzen op het succes van het strikte asielbeleid in Australië, van de strenge gezinsherenigingsnormen in Denemarken en de van de economische immigratiepolitiek van Canada. Een beleidspartij als CD&V begrijpt zonder veel moeite dat minderheden minder makkelijk integreren naarmate de groep groter wordt. De VLD-middenstander heeft weinig begrip voor migranten die door het OCMW gehuisvest worden, van het OCMW een leefloon krijgen en bij de apotheek naar het OCMW verwijzen als er iets moet worden betaald.  En bij de socialisten zijn geen argumenten nodig, want wat overblijft van hun autochtoon arbeiderselectoraat zet al voldoende druk om hen naar die kant over te laten hellen. Eén doorslaggevend argument heeft N-VA niet, maar wát ze heeft, is voldoende om stap voor stap wetgeving en beleid uit te werken die de migratiekraan kwartslag na kwartslag sluiten.
     Ik trekt daar allemaal mijn eigen conclusies uit. Op nogal veel van de internetsites die ik aanklik, krijg ik reclame voor CD&V. Een lieve collega van mij staat op de lijst van die partij. Ik moet die mensen teleurstellen, want ik zal niet voor ze stemmen. Zoals ik het zie zou ’t een weggegooide stem zijn, want hun partij is er voor de regeringsvorming toch weer bij, of ik er nu wel of niet voor stem. Nee, als ik stem, is het op Groen of N-VA. Maar op wie van de twee zal ik hier en plein public niet verklappen.



*Misschien zal de ‘herverdeling’ onder een linkse regering nog wat toenemen. Veel zal dat niet zijn want ons land is nu al herverdelingskampioen in Europa (hier). Ook linkse partijen zullen, als ze een keer meeregeren, inzien dat je niet tot in het oneindige kunt herverdelen, en dat er andere en betere vormen van armoedebestrijding bestaan.

donderdag 16 mei 2019

Hoe zien onze pensioenen eruit in 2070?


     De laatste tijd lees ik veel van die optimistische boeken:  Steven Pinker, Hans Rosling, Bjørn Lomborg, Maarten Boudry, Matt Ridley, Johan Norberg. ’t Is zoals met andere zoetigheid – je voelt een lichte walging, maar je blijft ermee doorgaan. We eten beter, lees ik in die boeken, en we leven gezonder en we worden slimmer. Onze bejaarden worden vitaler en onze levensverwachting wordt langer. Wie vroeger leefde kwam jaarlijks netjes één jaar dichter bij zijn dood. Wie daarentegen in de twintigste eeuw leefde kwam jaarlijks maar zeven maanden dichter bij zijn einde. Denk daar maar eens over na.
     Op het hoofdkwartier van N-VA moet er ook iemand zijn die die boeken leest, iemand met name die heeft meegeschreven aan het partijprogramma. ‘Demografische projecties tonen aan,’ lees ik in dat programma, ‘dat de levensverwachting in België tegen 2070 nog verder zal stijgen. Een cruciale voorwaarde om de betaalbaarheid van de pensioenen te behouden, en zo de solidariteit met de jongere generaties te vrijwaren, is dat de wettelijke pensioenleeftijd die levensverwachting volgt.’ John Crombez heeft die passage gebruikt om het Bart De Wever knap lastig te maken. Het Nieuwsblad van 15 mei opende met de kop ‘De Wever wil pensioenleeftijd verder omhoog’, wat de zaak geloof ik niet helemaal juist samenvat*.
     Het was natuurlijk ook dom om speculaties over de toekomstige levensverwachting in het N-VA-programma op te nemen. Een verkiezingsprogramma moet niet speculeren over een mogelijke toestand in 2070**. Nu, in 2019, is de toestand ernstig genoeg. De gemiddelde pensioenleeftijd is vandaag nog geen 60 jaar. We werken gemiddeld 33 jaar en zijn 23 jaar op pensioen***. Wanneer wij hogere pensioenen willen – wat alle partijen beloven – zónder meer van ons loon af te dragen, dan moet dat werken een paar jaar langer en dat pensioen een paar jaar korter. Dáárom heeft Michel I de algemene norm verhoogd – van 65 naar 67 jaar – en is er een voorzichtig begin gemaakt met het afschaffen van de uitzonderingen.
     De partijen sp.a en Vlaams Belang beloven én hogere lonen én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd. Daar kan ik begrip voor opbrengen want het zijn drie mooie dingen. Helaas gaan ze niet samen binnen één budget. Partijen die daarom ronduit zeggen dat de hogere pensioenen moeten worden worden betaald met langer werken, langer bijdragen en dus hogere pensioenleeftijd – N-VA en Open-vld zeggen zoiets – moeten worden geprezen voor hun eerlijkheid.
     Maar móeten wij wel kiezen tussen de drie mooie dingen? PVDA-man Jan Dumolyn schreef op zijn Facebookpagina dat de ‘piepeltjes van N-VA’ er niets van begrepen hebben. Een flinke stijging van de productiviteit, schrijf Jan, kan ervoor zorgen dat we én hogere lonen, én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd krijgen. Daar zit iets in. Als ik met Jan daarover debatteerde voor de televisie zou ik misschien aanvoeren dat juist het PVDA-programma weinig garanties biedt voor zo’n productiviteitsstijging. Maar dat zou flauw zijn, want Jan heeft een punt. Uit mijn optimistische boeken weet ik dat de gemiddelde aardbewoner binnen honderd jaar – in 2119 dus – acht keer rijker kan zijn dan de huidige. Maar we móeten niet acht keer rijker worden. Wij kunnen er de voorkeur aan geven om in 2119 maar vier keer rijker te zijn en op ons veertigste op pensioen te gaan, of op ons achtenveertigste zoals vroeger de militairen, en de regentessen in het onderwijs. Wij kunnen dus, al is het binnen honderd jaar, tegelijk vier keer rijker worden én maar half zo lang werken.
     Ik heb hierboven zinsneden gebruikt als ‘wij willen’ en ‘wij moeten’ en ‘wij kunnen’. Er zit in in elk van die zinsneden een vies beestje dat ik er graag uit wil. Waarom zouden ‘wij’ iets moeten, of willen, of kunnen? En waarom zouden ‘wij’ allemaal hetzelfde kiezen? Ik zou het veel gezonder vinden als iedereen, binnen redelijke grenzen, zelf zijn eigen keuzes kon maken in zo’n gevoelige kwestie. Wie graag vroeg wil stoppen, kan wat harder werken en wat meer bijdragen, of zich met een kleiner pensioen tevreden stellen. Wie graag langer werkt, kan zijn bijdrage beperkt houden en aan het einde van zijn loopbaan toch een royale uitkering verwachten. Je krijgt dan als gepensioneerde ongeveer terug wat je tijdens je werkende leven  – kort of lang  – hebt bijgedragen, met interest. Veel en lang bijdragen levert een hoog pensioen op, kort en weinig bijdragen een klein pensioen.
     Het pensioenstelsel schijnt verder iets heel, heel ingewikkelds te zijn. Er zijn universiteitsprofessoren die hun hele leven wijden aan de studie ervan. Zo’n stelsel veranderen zal dus wat meer vragen dan een plannetje dat werd uitgetekend aan de keukentafel. Bovendien moet er in die delicate materie een zekere politieke overeenstemming bestaan. Alleen al de wettelijke norm met twee jaar verhogen naar 67 was zó delicaat dat die verhoging pas kan ingaan in 2030, ondanks de brede overeenstemming over de kwestie tussen N-VA, CD&V, Open-vld en Groen. Een geheel nieuw stelsel doorvoeren zal nog vele malen moeilijker zijn. Het beginsel is eenvoudig genoeg: rekening houden met het eenvoudige gegeven dat verschillende mensen verschillende dingen willen en belangrijk vinden. Maar het is het opruimen van de bestaande koterij die in zo’n gevallen voor de meeste moeilijkheden zorgt****. Ik zie het niet gebeuren vóór 2030. Het is meer iets voor 2070. Misschien kan N-VA dát eens opnemen in haar programma. 



*Liesbeth van Impe schrijft de dag erna dat De Wevers politieke tegenstanders zijn woorden ‘kort door de bocht geïnterpreteerd hebben. Dat is heel begrijpelijk van die tegenstanders, vindt ze - en dat vind ik ook. Maar waarom plaatste ze de dag ervoor zélf een kop op de voorpagina met een interpretatie die minstens even kort door de bocht ging? Zij is toch geen politieke tegenstander?

**Een uitspraak over een hypothetische situatie in de toekomst kan makkelijk worden verward met een politiek plan voor korte en middellange termijn. Zon onhandige uitspraak is in zekere zin erger dan een foute uitspraak.  Een foute uitspraak kun je achteraf weer intrekken. ‘Sorry, het was een vergissing.’ Een onhandige uitspraak kun je achteraf alleen nuanceren. En niet iedereen staat daarvoor open.

*** Zie hier  en hier . Ik heb vroeger al enkele stukjes geschreven over de pensioenkwestie, onder meer over de superioriteit van kapitalisatie vergeleken met repartitie:  hier, hier en hier

**** Het pensioenstelsel met punten, waar we niet zo veel meer over horen, zou een eerste aanzet kunnen zijn voor de opruimwerken.

dinsdag 7 mei 2019

Bart De Wever en de 'onnodige hervormingen in het onderwijs'

     ‘Met ons geen zotternijen of onnodige hervormingen in het onderwijs,’ zei Bart De Wever. Hilde Crevits antwoordde daarop: ‘En zonder mij waren er geen nieuwe eindtermen gekomen. Ik had ervoor kunnen kiezen om alleen een aantal eindtermen te laten vallen, maar ik heb gezegd: we gaan voor totaal nieuwe eindtermen.’ Er was daar heel veel werk in gegaan, voegde ze er nog aan toe, werk van honderden experten, leraren, ouders en leerlingen.*
     Dat vele werk dat daar is ingegaan, ik vind dat jammer. Karel van het Reve was, naast een erg goede essayist en columnist, ook professor in de slavistiek. Hij gaf, zij het met tegenzin, toe dat er ook voor universiteiten een soort eindtermen moesten bestaan, ‘een studieprogramma met redelijke minimumeisen waaraan iemand moet voldoen om het einddiploma te krijgen’. Maar daar moest niet te veel over worden vergaderd, en ze moesten ook niet telkens worden veranderd. ‘Als ik met laat ons zeggen Willem Vermeer en Carl Ebeling één middag om de tafel ga zitten,’ schrijft Karel, ‘maken wij een studieprogramma voor de Nederlandse slavistiek waar men twintig jaar mee vooruit kan en dat zeker niet slechter zal zijn dan enig studieprogramma waar men nu al zo’n vijftien jaar over vergadert.’
     Nu ik binnen een jaar op pensioen ga – ik word 64 – kan ik mij veroorloven om de eindtermen van Crevits cum grano salis te nemen, maar ik heb er indertijd heel wat vakanties aan besteed om die hopeloze bureaucratische onzin te vertalen in lessen die enigszins interessant konden zijn. Eigenlijk deed ik het omgekeerde. Ik bekeek eerst de leerstof die men altijd al had gegeven in een of ander jaar. Je kon dat te weten komen door het te vragen aan een meer ervaren collega, of door te bladeren in oude handboeken – hoe ouder hoe beter. Dan dacht ik na welke lessen ik daarover wou geven. En dan moest ik beginnen wringen en trekken en hangen en wurgen om de lessen die ik wilde geven en die eindtermen die ik moest volgen een beetje met elkaar in overeenstemming te brengen.
     Die werkwijze had zijn voordelen. De eindtermen waar ik mee te maken kreeg, voorzagen weinig ruimte voor literatuur maar veel ruimte voor – ik haal even diep adem –  ‘spreekvaardigheid op structurerend en beoordelend niveau voor een onbekend publiek’. Ik loste dat op door een aantal opdrachten te verzinnen en uit te werken zodat mijn leerlingen ‘structurerend en beoordelend’ over literatuur konden praten voor hun klasgenoten, die dan wel geen ‘onbekend publiek’ vormden, maar toch minstens een publiek dat vrij onbekend was met literatuur. En als ik die opdrachten een paar jaar had uitgetest en aangepast, kon ik er twintig jaar mee vooruit, op voorwaarde dat er geen nieuwe ‘innovatieve’ eindtermen kwamen die oplegden om literatuur uitsluitend nog aan te leren volgens de portfoliomethode.
     Ik zou het anders kunnen verwoorden: de beste eindtermen zijn de oude eindtermen, niet omdat die zo goed zijn, maar omdat de leraren en de handboekenschrijvers de tijd hebben gehad om het bruikbare dat erin staat te leren gebruiken en het onbruikbare te neutraliseren. Bij nieuwe eindtermen moet dat hele proces worden overgedaan, wat in tijden als deze, neerkomt op vergaderingen met de vakgroep, vergaderingen met de directie en vergaderingen met de begeleiders, waarna de woeste papierstroom op gang komt die aan zulke vergaderingen ontspringt.
     Nu zijn de nieuwe eindtermen voor het middelbaar waar Crevits over sprak ondertussen vastgelegd voor de eerste graad, en voor de andere graden zijn ze niet meer te stoppen. Goed, dan is het kwaad geschied, ik wil niet zeuren, gedane zaken nemen geen keer. Maar voor de toekomst wil er graag aan herinneren dat élke onderwijshervorming – ook een goede, ook een noodzakelijke – een aanpassingskost met zich meebrengt.
     Het is echter, helaas, veel erger. De meeste hervormingen die werden en worden voorgesteld door het onderwijsestablishment – de koepels, het ministerie, sommige medeplichtige directies – zijn nóch goed, nóch noodzakelijk. Het zijn, zoals De Wever terecht zegt, ‘zotternijen’. Het is een zotternij om leerlingen met een verschillende aanleg samen te zetten in één klas, hoezeer je ook probeert te ‘differentiëren’ om het daardoor gecreëerde probleem op te lossen. Het is een zotternij om aan scholen en klassen een ‘sociale mix’ op te leggen. Het is een zotternij om minder tijd aan kennisoverdracht en meer tijd aan vaardigheden te besteden. Het is een zotternij om elitèèère richtingen zoals Latijn-wiskunde te ondermijnen door technologische richtingen als alternatief naar voren te schuiven. Het is een zotternij om klassikaal onderwijs te vervangen door ‘groepswerk’, ‘actief zelfstandig leren’ en ‘peer teaching’. Het is een zotternij om de logische en didactische opbouw van een vak om te ruilen voor een ‘vakoverschrijdende benadering’ of door ‘vakken op elkaar af te stemmen’**. Het is een zotternij om een objectieve evaluatie in punten in te wisselen voor een subjectieve commentaar in woorden. Het is een zotternij om onderwijs te geven ‘vertrekkend van de leefwereld van de leerlingen’ en ‘rekening houdend met wat men later nodig heeft’. Het is een zotternij om op grote, diepgaande vakken te besnoeien en kleinere, ‘actuele’ vakken in te voeren. Het is een zotternij om leerplannen en inspectie toe te spitsen op specifieke pedagogische methodes in plaats van op algemene degelijkheid en resultaten. Het is een zotternij om het gewicht van de examens te verminderen ten voordele van creatieve taakjes. En het is, geloof ik, een zotternij om gelijk welk bestaand of ingebeeld probleem op te lossen door ‘co-teaching’. Als men een tweede leraar voor de klas kan zetten, kun je beter die klas splitsen in twee kleinere klassen, met elk één leraar.
     Ik heb in bovenstaande alinea, tegen mijn gewoonte, veel beweerd en weinig geargumenteerd. Ik moet het een beetje kort houden. Wie wil kan enkele argumenten terugvinden in mijn vorige stukjes*** of op de onvolprezen site van Onderwijskrant en op de Facebookpagina van Raf Feys. Ik wil hier alleen enkele misverstanden rechtzetten.
     Het is helemaal niet zo dat vroeger álles beter was. Vandaag gaan leraren vriendschappelijker om met hun leerlingen dan vroeger. Het aandeel van de tirannen en hellevegen onder hen is verminderd. De handboeken van wiskunde en biologie zijn beter dan die van 45 jaar geleden (die van Nederlands zijn slechter en die van geschiedenis zijn even slecht). In Nederlandse literatuur kan ik nu vrijuit spreken over anderstalige auteurs. Ook zijn er veel technische vernieuwingen die het leven van de leerling en dat van de leraar aangenamer maken.  Op mijn school heeft elke klas een computer met beamer. Mijn schema’s moet ik niet op bord schrijven want ik kan ze projecteren. Ik kan kaarten, tijdlijnen en prenten laten zien, en ook filmfragmenten – maar ik mag daarin niet overdrijven, want zoiets verveelt gauw. Ik kan fotokopiëren in plaats van stencilen. Dat zijn allemaal dingen die nu beter zijn dan vroeger. Ook is niet álles fout wat de ministerie- en koepelpedagogen hebben bedacht. Af en toe wat differentiatie, vaardigheden, groepswerk, vakoverschrijding, presentaties door leerlingen, het brengt enige afwisseling in de klas en het kan nuttig zijn.
     Verder is het niet billijk om voor alles wat er fout loopt de ministerie- en koepelpedagogen als schuldigen aan te wijzen. Als leerlingen vandaag minder Frans kennen dan vroeger, dan komt dat ook omdat de Franse taal uit hun omgeving is verdwenen. Wíj groeiden op met Franse films en Franse chansons en ouders die tegen elkaar Frans praatten als de kinderen niet mochten weten wat er gezegd werd. Dan pik je snel een en ander op. En als de leerlingen minder lezen dan vroeger, dan komt dat omdat ze hun verhalen ergens anders kunnen halen. Wij hadden alleen de romans van Hendrik Conscience, Ernest Claes en Charles Dickens. Zij van hun kant hebben Game of Thrones, Breaking Bad en Pretty Little Liars. Dat de leesvaardigheid dan achteruitgaat, is begrijpelijk. Laten we de pedagogen in deze dus niet te hard vallen, op voorwaarde dat ze de zaken niet erger maken door geëmmer over ‘communicatieve taaltaken’, ‘leesvaardigheidsstrategieën’ en ‘zakelijke teksten’.
     Dat waren enkele kleine misverstanden. Het grootste misverstand is evenwel dat al die hervormingen waarvan sprake onvermijdelijk, onontkoombaar en onomkeerbaar zouden zijn want, zegt men, ‘de maatschappij verandert’, ‘onze kennis veroudert’ en ‘de leerlingen van nu zijn niet meer de leerlingen van vroeger’. Neem die laatste bewering. Als ik voor een klas sta, zie ik voor mij het soort jongens dat wij ook waren**** – aardige jongens, zou Nescio’s Koekebakker zeggen, al moest hij het zélf zeggen. Het grote verschil is dat er nu ook meisjes bij zijn. Maar minder gedisciplineerd? Toen ik op mijn school begon les te geven, was het de gewoonte dat leraren die een vrij uur hadden werden ingeschakeld voor ‘toezicht’ in een van de klassen waar de leerkracht afwezig was. Dat was vreselijk. De leerlingen werden verondersteld te studeren. In werkelijkheid babbelden zij vrolijk door elkaar, liepen in het lokaal rond of waren aan het kaarten.
     Ik heb toen voorgesteld om al die leerlingen samen te brengen in één grote studiezaal zoals dat de gewoonte was toen ik zelf school liep. De toenmalige directie aarzelde. Zou er dan niet nog veel meer gebabbeld en rondgelopen en gekaart worden? We hebben het uitgeprobeerd en het viel goed mee. We doen het nog altijd zo. De leerlingen komen binnen in de zaal, krijgen een plaats toebedeeld, en gaan aan het werk. Na twee tot vijf minuten is het in zo’n studiezaal met millenials even stil als in gelijk welke studiezaal van vroeger met babyboomers of generatie-X’ers. Dat neemt niet weg dat veel klassen nu rumoeriger zijn dan vroeger. Maar ligt dat aan de veranderde leerlingen? Ik heb indertijd een pedagogisch directeur gehad die de voorkeur gaf aan klaslokalen in ‘café-opstelling’. Tja, dan krijg je wel eens café-gedrag.
     En onze verouderende kennis dan? Ach, ook dat valt best mee. Soms moet je iets aanpassen. In biologie brengt men nu het DNA ter sprake, wat in mijn tijd nog een nieuwigheid was waar niet alle biologieleraren van op de hoogte waren. En in aardrijkskunde zijn alleen de rivieren, de gebergten, de continenten en de aardlagen op hun plaats gebleven. Maar in het Latijn zijn geen nieuwe naamvallen ontdekt, de Guldensporenslag vindt nog altijd plaats in 1302 en Multatuli is nog altijd de auteur van Max Havelaar. De regels voor de subjonctif in het Frans zijn dezelfde als vroeger, al zegt men nu wat minder vaak ‘Il ’s en est fallu de peu que je ne tombasse’. In de wiskunde, de fysica, de biologie, de economie en de computationele taalkunde worden voortdurend belangrijke ontdekkingen gedaan, maar die zijn zo ingewikkeld dat ze geen plaats hebben in het middelbaar onderwijs.
     Ja, er zijn allerlei nieuwigheden zoals Facebook, Twitter en Instagram, maar daar weten de leerlingen meer van dan hun leraren. Hoe minder we daarover zeggen, hoe minder we ons belachelijk maken. Er zijn meer mogelijkheden om een wasmachine te programmeren, maar dat moet je niet op school aanleren, aangezien die wasprogramma’s alweer verouderd zijn voor het schooljaar ten einde is. Er bestaan nu nuttige computerprogramma’s zoals Powerpoint of Excel die veertig jaar geleden niet bestonden, maar die leren de kinderen wel vanzelf, of ze leren ze van elkaar. We moeten nu ook niet álle vormen van ‘zelfontdekkend leren’ en ‘peer teaching’ verwerpen.
     Je hoort vaak dat leerlingen nu makkelijker ‘informatie kunnen opzoeken’ op internet. Dat zou dan een hele verandering zijn. Het onderwijs zou daar rekening mee moeten houden. Ik wil dat best geloven. Anderzijds is té veel rekening houden met dat ‘opzoeken’ misschien wel de ergste zotternij van allemaal. Sommige pedagogen schijnen te geloven dat informatie die wordt ‘opgezocht’ op een of andere manier ook verworven is, zoals de studenten van Godfried Bomans geloofden dat je wetteksten kon memoriseren door juridische boeken onder je hoofdkussen te leggen als je slaapt. Ook veel leerlingen denken trouwens dat dat ‘opzoeken’ een waarde op zich is. Ze knippen digitaal een stuk ‘informatie’ uit en plakken die in hun eigen taak, zoals ze gewoon zijn om zoiets te plakken in hun ‘portfolio’. Ik moet dan geduldig uitleggen dat zoiets plagiaat is en dat ze dat eigenlijk niet zouden mogen doen.
     De lezer heeft al begrepen dat ik de meeste onderwijsinnovaties van de laatste 40 jaar in De Wevers rubriek van ‘onnodige hervormingen’ en ‘zotternijen’ plaats. Maar dat betekent niet dat ik tegen àlle vernieuwingen ben. Mijn Latijnse auteurs lees ik alleen in de uitgaven van Hachette ‘expliqués d’après une nouvelle méthode’. Die ‘nouvelle méthode’ dateert weliswaar van rond 1850, maar ze is in elk geval pedagogisch goed uitgekiend. En zelfs de moderne methode van Hachette van 1850 kan worden aangevuld met nog nieuwere digitale middelen, zoals ze worden bijgeleverd bij de elektronische edities van Perseus Digital Library. Maar dat is allemaal bijzaak: ook mét de methode van Hachette en de digitale ondersteuning van Perseus leer je voor Latijn nog altijd best je woordjes, verbuigingen, vervoegingen en stamtijden uit het hoofd. Daar is niet veel aan veranderd.
     Onze onderwijsvernieuwers zijn uitgegaan van het vooroordeel dat de vroegere methodes fundamenteel verkeerd waren. Dat waren ze niet. Ze hadden integendeel hun deugdelijkheid bewezen. De kinderen van vroeger kenden wel degelijk Frans, Wiskunde en Geschiedenis. Daarom hadden de vernieuwers hun energie beter gebruikt om de bestaande methodes technisch te verbeteren, bijvoorbeeld door het ontwerpen van digitale ondersteuning. Ik heb dertig jaar geleden cd-roms gezien met veel betere didactische software dan wat nu bij de schoolhandboeken geleverd wordt. Elke klas met computers of iPads zou met de gepaste software dienst kunnen doen als zo’n taallaboratorium waar scholen indertijd miljoenen voor betaalden. Maar die software komt er niet omdat het beginsel van een taallaboratorium met driloefeningen niet past in de ideologie van communicatief talenonderwijs.
     Om kort te gaan, in het debat tussen De Wever en Crevits, stond ik pal achter De Wever. Uit alles wat hij zei, kon je afleiden dat hij de onnodige hervormingen en zotternijen mee verantwoordelijk achtte voor de achteruitgang van ons onderwijs. Dat vond ik fijn, want ik denk er ook zo over. Nog fijner vond ik zijn plan ter afschaffing van de zogenaamde centrale aanmelding, waarbij een computer beslist naar welke school een kind mag gaan. Dan nog liever kamperen voor de schoolpoort, vond De Wever. Ik heb lange tijd gedacht dat ik alleen stond met die mening. De enige vlieg die ik de N-VA-voorzitter wil afvangen, betreft zijn bewoordingen. Hij sprak van ‘pretpedagogie’ om de hervormingsonzin in onze scholen aan te klagen. ’t Is een leuk woord en het ligt goed in het gehoor, maar het kan de verkeerde indruk wekken dat er mensen bestaan die die pedagogie ook echt prettig vinden. Nou ja, die mensen zullen wel bestaan, maar zelf heb ik die pedagogie nooit prettig gevonden en ik heb in alle jaren dat ik les gaf maar enkele leerlingen gehad die daar anders over dachten. De meeste leerlingen vonden het geloof ik juist prettig om een meer traditionele leraar vooraan in de klas te hebben die aan de opgelegde pret niet meedeed. Wij hebben in elk geval vaak gelachen.


* Het debat tussen De Wever en Crevits werd uitgezonden op De Zevende Dag op 5 mei. Alhoewel ik bij het debat vooral supporter was van De Wever, zei ook Hilde Crevits wel eens dingen over de vrijheid van de leerkrachten en de scholen die mij plezier deden. Dat heeft ze vroeger ook al gedaan. De mooiste uitspraak vond ik dit keer deze. Als een school een meningsverschil had met de koepel, zei Crevits, dan moest een school haar eigen lijn volgen en zich van die koepel niets aantrekken.
** Crevits haalde met trots aan dat wetenschappen en wiskunde nu beter op elkaar worden afgestemd. Het lijkt op het eerste gezicht een goede zaak als de wiskunde die in een bepaald jaar wordt aangeleerd, kan worden gebruikt om wetenschappelijke problemen te benaderen die in dat zelfde jaar worden behandeld. Maar vaak is er een réden waarom de wiskunde van een bepaald jaar niet is afgestemd op de wetenschappen van datzelfde jaar. Door de vakken te veel op elkaar af te stemmen kan de logische of didactische opbouw van elk vak worden verstoord.
*** Vorige stukjes: hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier en hier.

**** Ik geef les aan een plattelandsschool met een meerderheid aan autochtone leerlingen. Er zijn natuurlijk stadsscholen waar de leerlingen wél veranderd zijn.  Maar de meeste onderwijsinnovaties houden amper verband met de instroom van allochtonen leerlingen. Deden ze dat maar!

zondag 28 april 2019

En, Peter, had Marx altíjd gelijk?

      ‘Als de mens geen klimaatactie onderneemt, is de Apocalyps dan onvermijdelijk?’ vroeg de journalist van De Zondag aan Peter Mertens (PVDA). ‘Ja’, antwoordde Peter resoluut. ‘Marx was daar trouwens ook al mee bezig.’
    
Marx bezig met het klimaat? De lezer is geneigd bij zo’n mededeling even te glimlachen. Waarom zou een Duitse filosoof-econoom uit de negentiende eeuw zich zorgen hebben gemaakt over een klimaatopwarming die men pas op het einde van de twintigste eeuw zou ontdekken? Dat is niet erg waarschijnlijk. Wellicht, denkt de lezer, haalt Mertens hier twee zaken door elkaar: de nieuwe kwestie van het klimaat dat opwarmt, en de oude kwestie van de mooie landschappen, de zuivere lucht, het heldere water en de fluitende vogels die door een verstedelijkte beschaving worden bedreigd. Marx, denkt de lezer dan, kan moeilijk een klimaatactivist geweest zijn zoals Anuna Dewever, maar misschien was hij wel een groene jongen avant la lettre, iemand die de natuur wou beschermen tegen de ‘oprukkende industrialisering’.
     Zulke groene jongens avant la lettre hebben bestaan. De Russissche schrijver Tsjechov bijvoorbeeld was op zijn landgoed in Melikhovo druk in de weer met het planten van bomen. In een van zijn toneelstukken komt een mooie lofzang op de natuur. ‘Bossen zijn een sieraad voor de aarde,’ zegt Astrov, of was het Sonja.  ‘Bossen leren de mens het schone te begrijpen. Ze verzachten een ruw klimaat en door een zacht klimaat worden de mensen milder en mooier en leniger en inniger van aard. Hun taal klinkt sierlijk, ze bewegen zich gracieus, hun wereldbeschouwing is niet somber, hun gedrag tegen vrouwen is hoffelijk.’ Je weet bij Tsjechov nooit of wat hij dénkt samenvalt met wat hij zégt, of wat hij zijn personages laat zeggen, maar het is duidelijk dat de schrijver op zijn manier ‘bezig was’ met natuurbehoud en zelfs met klimaat – of althans met wat we vandaag ‘microklimaat’ zouden noemen.
     Marx van zijn kant was daar helemaal niet mee bezig.  Om dat na te trekken hoeft de lezer niet eens de veertig delen van de Marx-Engels-Gesamtausgave door te nemen. Het volstaat vandaag om op Google de zoekterm ‘Marx and the Environment’ in te tikken. Zeker, je krijgt 2.560.000 resultaten op je zoekopdracht, maar je moet maar enkele van die resultaten aanklikken om te zien dat het allemaal artikels zijn over datzelfde ene zinnetje uit Het Kapitaal.  Marx zegt daarin dat de grond uitgeput raakt door de ‘kapitalistische landbouw’. Die uitputting van de grond was inderdaad een erg actuele kwestie in de 19de eeuw, maar heeft ondertussen veel aan actualiteit ingeboet door de ontdekking van kunstmest, verbeterde gewassen en genetische manipulatie. De groene revolutie heeft hier meer goeds gedaan dan de rode.
     Met je zoekterm op Google vind je ook artikels die gaan over de zogenaamde ‘Jonge Marx’ en wat die schreef over de Verhouding tussen Mens en Natuur. Een gepensioneerde sociologieprofessor is dan heel enthousiast over het diepe inzicht van Marx dat ‘de Mens zelf deel uitmaakt van de Natuur’. Maar hoe die professor ook trekt en wringt aan een of andere duistere passages, je hebt al snel door dat Marx bij het begrip ‘Natuur’ niet dacht aan mooie landschappen, zuivere lucht, helder water of zingende vogels die bedreigd worden door kernafval, maar aan de materiële wereld in zijn geheel, waar de mens dus deel van uitmaakte. Jawel, de mens was ook een brok materie. Dat wist Lucretius al, over wie Marx zijn doctoraatsthesis had geschreven.
     Communisten hadden vroeger de rare gewoonte om bij gelijk welke discussie enkele uitspraken van Marx aan te halen. Ze zochten in alle hoeken en kanten en vonden zo’n uitspraken over gelijk welk onderwerp. Ze stelden er zelfs brochures over samen: ‘Marx over het onderwijs’, ‘Marx over de klassieke oudheid’, ‘Marx over China’, ‘Marx over de geestelijke muziek’, ‘Marx over het seksuele vraagstuk’. In mijn opleiding germanistiek moest ik een opstel lezen van zekere Georg Lukacs. ‘Inleiding tot de esthetische werken van Marx en Engels’ heette het stuk. In de tweede zin moet die Lukács al toegeven dat Marx en Engels eigenlijk ‘nooit een samenhangend boek en nauwelijks een studie’ over esthetische problemen hadden geschreven*. En op dat niet-bestaande boek en die nauwelijks-bestaande studies had hij dan toch maar een flinke inleiding geschreven.
     Ook was er niet alleen Marx die je kon aanhalen. Als je zocht vond je wat je nodig evengoed had bij de andere ‘grondleggers’: bij Engels over goedkoop wonen,  bij Lenin over alcoholisme, bij Stalin over taalkunde en bij Mao over journalistieke stijl. Ook daar werden brochures van gemaakt. En in al die brochures ging men ervan uit dat die Marx enzovoort over onderwijs, goedkoop wonen, alcoholisme, taalkunde en journalistieke stijl altijd gelijk hadden gehad, dat was ze schreven altijd waar was.
     Voor dat dogmatische geloof zijn de communisten vaak uitgelachen. ’t Is ook is iets eigenaardigs. Zelf heb ik in een bepaalde periode van mijn leven veel gelezen van Schopenhauer, Popper en George Orwell. Die schreven ook over van alles en nog wat, en ik vond, na de taaie marxistische geschriften van mijn jeugd, alles wat die auteurs schreven bijzonder boeiend. Maar de gedachte kwam niet meer bij mij op dat dat allemaal ook waar was. Schopenhauer schreef bijvoorbeeld dat mannenlichamen mooier zijn dan vrouwenlichamen, en dat alleen de geslachtsdrift ervoor zorgt dat we dat anders zien. Ik vond dat een boeiende opmerking, maar was ze ook waar? Een vriendin wees mij erop dat de meeste vrouwen op een rustig moment ook de voorkeur geven aan een schilderij met een naakte vrouw erop boven dat met een naakte man.
     De uitspraak van Peter Mertens over Marx die ‘bezig was met het klimaat’ is, geloof ik, een restant van de communistische traditie. Meer is het niet. Ik zie de PVDA geen brochures meer uitgeven over ‘Marx en de transgenders’ of ‘Marx en de digitale maatschappij’. ‘Niet alles wat Marx neerschreef,’ zegt Peter, ‘is vandaag nog toepasbaar.’ Daarmee heeft Peter niet gezegd dat Marx zich over welke kwestie ook vergist zou kunnen hebben, maar de toegeving dat zijn ideeën niet allemaal meer ‘toepasbaar’ zijn, is een grote vooruitgang vergeleken met de PVDA die ik gekend heb.
    
* Dat opstel stond in de bundel Tekstboek algemene literatuurwetenschap van Bronzwaer, Fokkema en Ibsch. Daar kwam ook een opstel in voor van Karl Popper ‘De logica van de sociale wetenschappen’. Ik had van die Popper nog nooit gehoord, maar zijn stuk vond ik, toen nog marxist zijnde, veel interessanter dan het gejengel van Lukács.

woensdag 24 april 2019

Ik zal mijn les moeten bijschaven

     Door de week doe ik wel eens smalend over Unesco. Dat is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die als taak heeft ‘bij te dragen aan de vredesopbouw, armoedebestrijding, duurzame ontwikkeling, interculturele dialoog, onderwijs, cultuur en communicatie’. ‘Armoedebestrijding’ en ‘onderwijs’ zouden allang genoeg zijn, vind ik, en als er iets bij staat van ‘communicatie’ word ik wantrouwig. Die Unesco-mensen hebben ook overal een mening over: over Zwarte Piet, over  het carnaval van Aalst, over de Palestijnse kwestie en over de Menenpoort van Ieper. Die laatste willen ze niet als ‘erfgoed’ erkennen om toch maar niet ‘het voeren van oorlog te verheerlijken’.
     Maar ze doen ook veel goeds. Zo hebben ze ervoor gezorgd dat we nu, sinds 1995, een Wereldboekendag hebben, en wel op 23 april. Zonder Unesco was 23 april een dag als een andere, of misschien was het de dag van de Commerciële Film geworden of van het Petanquespel. Stel je voor!
     De dag is anders wel goed gekozen want op 23 april 1616 stierven twee van de grootste schrijvers van de mensheid: William Shakespeare en Miguel de Cervantes. Dag op dag? Dat zou wel heel toevallig zijn. Maar het klopt natuurlijk niet helemaal. In Shakespeares tijd kenden ze in Engeland de Gregoriaanse kalender nog niet, waardoor de Bard enkele dagen te vroeg stierf. En na eeuwen gehakketak hebben de Cervantes-geleerden een akkoord bereikt dat hun auteur eerder in de late uurtjes van 22 april dan in de vroege uurtjes van 23 april het loodje legde. Maar laten we voor het gemak 23 april 1616 onthouden voor allebei de schrijvers.
    Ik geef over die schrijvers trouwens les (zie hier). Over Shakespeare zeg ik dat zijn stukken, door de snelle scènewisselingen, meer op films dan op toneel gelijken. En over Cervantes vertel ik dat zijn beroemdste boek Don Quichot een satire is. ’t Is een ironische aanval op de laatmiddeleeuwse ridderroman, op de achterhaalde eercultuur, op de illusies van de Spaanse adel, op het materialisme van de Spaanse volksklasse. Ik praat daarbij na wat ik bij anderen heb gelezen. Als ik een nieuw boek lees over een of andere auteur die ik behandel, moet ik mijn uitleg in de klas zelden aanpassen, want in al die boeken staat ongeveer hetzelfde.
     Maar laatst vond ik iets interessants in een boek van William Egginton over Cervantes. Don Quichot, schrijft Egginton, droomt de hele tijd van heldhaftige strijdtonelen,  waarin hij zijn moed kan bewijzen in lijf-aan-lijf-gevecht - het soort moed waarvoor Hendrik V bij Shakespeare eeuwige roem belooft ‘from this day to the ending of the world’. Is bij die heldhaftige dromen ook een element van spot? Lijf-aan-lijfgevechten zijn toch niet om te lachen?
    Mijn oud-oom heeft aan de IJzer gevochten. Ik zal dat hier niet verheerlijken want ik wil geen kwestie met Unesco, maar soms vertelde hij daar iets over. In de loopgraven werd al eens gelachen, zei hij, maar vaker waren hij en zijn makkers bang: bang van inslaande obussen, bang van mitrailleurs, bang van mosterdgas. Maar er was één ding vooral waar ze bang van waren. Dat was als de officieren het bevel gaven: ‘Bajonet op ’t geweer.’ Dan volgde mogelijk een lijf-aan-lijfgevecht. Het bevel werd maar uitzonderlijk gegeven, en ’t was soms vals alarm, maar dát was waar ze het bangst van waren.
     Cervantes was als soldaat betrokken geweest bij de zeeslag van Lepanto (1571). Dat was, volgens Egginton, ongeveer de laatste zeeslag oude stijl, waarbij kanonvuur amper een rol speelde. Het kwam erop aan over ladders naar het vijandelijk schip te klimmen en daar, lijf-aan-lijf en oog-in-oog, het gevecht aan te gaan met een vijand van vlees en bloed. Cervantes werd bij zo’n gevecht zwaargewond en bleef voor de rest van zijn leven verlamd aan zijn linkerarm.
     Na Lepanto veranderde de oorlogsvoering echter snel, zowel op zee als op land. Kanonnen werden belangrijker. Er werd meer en meer vanop afstand gevochten,  en dat was een ontwikkeling waar Cervantes met verachting op neerkeek. Elke lafaard kon een kanon doen ontbranden, vond hij. De held van Lepanto dacht met weemoed terug aan de tijd dat er écht gevochten werd, mano a mano zoals de Amerikanen zeggen. Maar hij moet tegelijk hebben ingezien dat zo’n weemoed iets belachelijks had. Cervantes spotte in de figuur van Don Quichot dus met zichzelf, met zijn oorlogsverleden, en met zijn onvermijdelijke trots op dat verleden.
     Ik zal mijn uitleg over Don Quichot volgend jaar wat bijschaven, want zelfspot vind ik iets moois en iets belangrijks.

 

maandag 22 april 2019

Wie pleegde de aanslagen op Sri Lanka?

     Als er ergens ter wereld een nieuwe bomaanslag is, heb je twee soorten mensen. Je hebt mensen zoals ik die denken: het zal wel weer een moslimterreurgroep zijn. Ik heb dan achteraf vaak gelijk. En je hebt mensen die  ‘niet voorbarig willen speculeren over de daders en hun motieven’ en zo lang mogelijk ‘alle denkpistes willen openhouden’. Daar valt iets voor te zeggen. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinkast.
     Bij de aanslagen in Sri Lanka was de porseleinkast hoog en diep en waren er veel denkpistes om open te houden. Je hebt in dat land een meerderheid van boeddhisten, met daarnaast minderheden van hindoes, moslims en christenen. Die aanslagen op die kerken en die hotels konden dus het werk zijn van boeddhisten, van hindoes en van moslims. Eigenlijk kun je ook de christenen niet uitsluiten, want er kunnen altijd rivaliserende groepen opduiken, maar díe speciale piste hebben de grote media niet gevolgd. Het NOS-journaal had de mond vol over de boeddhisten en het VRT-nieuws, waar ik voor het eerst sinds jaren weer naar gekeken heb, had een verhelderend schema over de rivaliteit tussen boeddhisten en hindoes, alhoewel geen van de twee groepen het doelwit van de aanslagen waren geweest. Het schema was anders wel duidelijk en pedagogisch verantwoord. Het hoge ideaal van de volksverheffing is nog niet helemaal vergeten.
     Zelf had ik die boeddhisten meteen uitgesloten. 
Dat zijn nochtans ook niet altijd lieverdjes, zei mijn vrouw. Dat moest ik toegeven. Maar bij gewelddadige boeddhisten stel ik mij menigtes voor van mannen in rode jurken en gewapend met knuppels. Bomaanslagen, dat lijkt mij minder iets voor hen.

     Zouden er behalve voorzichtigheid en opvoedkunde nog andere redenen zijn om niet te snel de moslimextremisten als de daders aan te wijzen? Je krijgt wel eens de indruk dat die lui op NOS of VRT hópen dat zo’n aanslag door een ándere religieuze stroming is opgezet. Alsof het op een of andere manier minder erg zou zijn als ook binnen andere religies tereurgroepen ontstonden en de islam daardoor niet meer zo moederziel alleen stond.  Dat is dan in elk geval een rare hoop. Van wie de bommen ook komen, de slachtoffers zijn even dood, dus voor hen maakt het geen verschil. Als we hier iets zouden moeten hopen, is het wel het omgekeerde. Dat onder de moslims een extremistische minderheid bestaat die zelfmoordaanslagen als strategie gebruikt, is een spijtige realiteit, maar het is ook oud nieuws. Als zo’n trend nu ook zou opduiken bij andere godsdiensten zou dat juist erg betreurenswaardig zijn.  ’t Is zonde dat ik het zeg, maar eigenlijk moeten we hópen dat zo’n nieuwe bomaanslag voortkomt uit het moslimextremisme, liever dan uit een nieuwe variant van religieus fanatisme.
     Ik kan mij overigens in die eerste nieuwsberichten niet druk maken. Na enkele uren of dagen wordt alles toch duidelijk. Ondertussen weten ook NOS en VRT uit welk milieu de bommengooiers van Sri Lanka kwamen. Ze kwamen níet uit het milieu van de boeddhisten of hindoes, of uit dat van rivaliserende christenen. En de aanslagen hadden, zoals Jurgen Ceder mij op Facebook duidelijk maakte, niet noodzakelijk veel te maken met politieke en religieuze spanningen op Sri Lanka zelf. Ze waren niet gericht tegen regeringsgebouwen maar – typisch – tegen de westerse vijand: toeristenhotels en christelijke kerken die met het Westen worden geassocieerd.
     Wat die christelijke kerken betreft moeten we volgens sommigen trouwens ook voorzichtig omgaan met de porseleinkast. Welk soort  mensen bezoekt zulke plaatsen? Roekeloze lui  speculeren nogal snel, zonder alle feiten te kennen, dat het om zogenaamde ‘christenen’ zou gaan. Barak Obama en Hillary Clinton zijn voorzichtiger. Volgens hen ging het om ‘Easter worshippers’. Paasaanbidders ... daar kunnen best wat christenen bij geweest zijn, maar we kunnen de aanwezigheid van enkele Keltisch gezinde druïden ook niet uitsluiten.
     Als het op op politieke correctheid aankomt, kunnen wij van de Amerikanen nog wat leren.*



* Maar de een leert sneller dan de ander. Koen Geens bijvoorbeeld is een snelle leerling. Toen de Staatsveiligheid enkele dagen geleden waarschuwde voor de opmars in ons land van het salafisme en de radicale islam, had hij drie nuances klaar: het salafisme is een kleine minderheid binnen de moslimbevolking, niet alle salafisten steunen terreur  en ‘er is niet alleen radicalisering binnen de islamwereld’ (hier).  De eerste twee nuances zijn, geloof ik, juist. De derde misschien ook, maar dan ik moet toch eventjes denken aan de boeddhisten, de hindoes en de Tamiltijgers van VRT. 

zaterdag 20 april 2019

Scholierenkoepel wil punten afschaffen

     Zelf zou ik noch het klimaatbeleid, noch het onderwijsbeleid laten afhangen van wat ‘de scholieren’ vragen. ‘Scholen moeten punten afschaffen en vervangen door meer feedback,’ zegt een zekere Johan Xhonneux, voorzitter van de Vlaamse scholierenkoepel. En: ‘Op smartschool komen die punten meteen online, zodat de ouders ze kunnen zien. Maar daar staat geen enkele commentaar bij. Een vijf op tien op een toets duidt niet aan welke evolutie een leerling heeft gemaakt.’
     Ook als je smartschool niet kent, begrijp je dat die uitspraak fout is. Smartschool is niets anders dan een digitaal platform waar het rapport wordt bijgehouden. Leerlingen en ouders zien er dus niet alleen het laatste punt – de vijf op tien – maar ook de voorgaande punten. Ik leg het even uit voor Johan. Als het voorgaande punt een vier op tien was, heeft de leerling met een vijf een positieve evolutie gemaakt. Was het voorgaande punt een zes, dan heeft hij een negatieve evolutie gemaakt.
     Als je smartschool wél kent, zie je nog een andere fout. Het programma laat juist wél toe om naast dat cijfer ook een commentaar te plaatsen. Veel collega’s doen dat ook enthousiast. Een oude zak zoals ik is daar rustiger in, maar ook naast mijn punten staat wel eens een verduidelijking. Iets als: ‘De leerling heeft het boek niet gelezen’ of ‘De leerling heeft geen taak ingediend’ of, om de evolutie te verduidelijken, ‘De leerling heeft alweer geen taak ingediend.’
     Johan van de scholierenkoepel heeft nog een derde argument voor zijn geen-puntenstandpunt: ‘Omdat leerlingen nu te veel gefocust zijn op punten, leidt dat bij velen tot faalangst.’ Dat is waar natuurlijk. Toen ik naar school ging, had ik vóór een examen ook faalangst, vooral als het om een wiskunde-examen ging en ik onvoldoende gestudeerd had. Ik verwachtte – meestal terecht – slechte punten, en dat was geen fijn gevoel. Was het een examen zónder punten geweest, had ik echter nog minder gestudeerd. Ik had er misschien een fijner gevoel bij gehad, maar mijn wiskundekennis zou nog slechter geweest zijn dan ze al was. En verder moet Johan mij eens uitleggen hoe je van iemand anders iets bij kunt leren zónder faalangst te hebben. Als ik donderdagavond naar de pianoles trek, verga ik van faalangst, ook al krijg ik van de lieve, geduldige lerares geen punten, maar alleen bemoedigende commentaar.
          Zo’n standpunt als dat van Johan is niet nieuw. Het inspectieteam dat onze school vijftien jaar geleden bezocht, vond ook dat we ‘teveel met toetsen en met punten bezig waren’. Je las zulke standpunten bij wijze van spreken dagelijks in de krant. Maar dat is een beetje aan het veranderen. De Morgen publiceerde een stuk over de stellingname van de scholierenkoepel. Enkele jaren geleden zouden ze, geloof ik, drie pedagogen gevonden hebben die het met Johan eens waren. Nu hebben ze drie deskundigen die het er, elk met hun eigen nuances, niet mee eens zijn. Het duidelijkst is Wouter Duyck: ‘Zonder punten gaat er veel informatie verloren. Ik pleit ervoor om de recepten te gebruiken waarvan we weten dat ze werken.’
     De recepten waarvan we weten dat ze werken … ik kan het niet korter zeggen. Langer wel. Dat heb ik al eens geprobeerd, zoals hier.

woensdag 17 april 2019

Peter verdeelt de koek

     De ‘moderne marxist’ Peter Mertens vergelijkt de economie met het bakken van een koek. ‘Elke dag wordt in onze samenleving een grote koek gebakken. Wie mag die koek opeten? Het kapitaal. Wie mag niet of nauwelijks eten van die koek? De voornaamste makers ervan, de arbeidskrachten.’
     Zo staat het er. De arbeidskrachten mogen niet of nauwelijks eten van de koek! Ik zie beelden opdoemen uit Les Misérables en Pieter Daens. Fabriekseigenaren als Jean Valjean en Eugène Borremans zijn goed gekleed, wonen in een mooi huis en eten rosbief, en de arbeidsters Fantine en Nette wonen in een krot, gaan in lompen gekleed en hebben nauwelijks brood. Dat is straffe kost. Er waren kijkers die bij die films stilletjes begonnen te huilen.
      Maar als je erover nadenkt, is de uitspraak van Peter zelfs op de negentiende eeuw van Hugo en Boon slecht toepasbaar. Fantine en Nette en hun collega’s bakten geen koeken maar weefden lappen stof of regen kralen aan elkaar, die werden verkocht door Valjean en Borremans. Van die opbrengst moest niet alleen dat éne huis en die paar kostuums van Valjean en Borremans worden betaald, maar àlle krotten en àlle lompen van àl hun loonslaven. Het individuele stuk van die arbeiders en arbeidsters moet erg klein geweest zijn, maar alles samen moet het een behoorlijk deel van de koek geweest zijn.
     Er is wel meer mis met de uitspraak van Peter. Wat bedoelt hij met het ‘kapitaal’ en met de ‘arbeidskrachten’? Bedoelt hij met dat eerste de ‘aandeelhouders’? Dan behoren mijn vrouw en ik daar ook toe want wij hebben enkele aandelen in Ahold-Delhaize. Maar dat is, geloof ik, niet wat Peter bedoelt. Ik geloof best dat hij mijn vrouw en ik als heel kleine aandeelhouders met rust wil laten. Wij zijn weliswaar rijk, maar dat komt niet door die paar aandelen, maar door onze hoge lonen als leraar en journalist, en als Peter iets van die lonen wil afdoen, moet hij dat maar openlijk zeggen.
    Of bedoelt Peter met ‘kapitaal’ die goeie ouwe fabriekseigenaren? Ik heb wel eens de zoon of dochter van zo’n eigenaar in de klas gehad en die hun ouders waren inderdaad goedgekleed en ze hadden één of meer mooie auto’s. Maar wat stellen die één of meer mooie auto’s en die mooie kleren voor vergeleken met de honderden auto’s en de duizenden jekkers en spijkerbroeken van hun werknemers.
     En dan die ‘arbeidskrachten’? Wie worden daar allemaal toe gerekend? Zijn dat alleen de loonslaaf aan de lopende band en de kassierster in de supermarkt? Of horen daar ook de werklozen, de leraren, de belastingsambtenaren en de verpleegsters bij? En als het om zelfstandige thuisverspleegsters gaat, worden die dan ook bij de ‘arbeidskrachten’ gerekend? En door wie worden díe ‘uitgebuit’?
     Peter zou het zichzelf makkelijker maken als hij zijn marxistische begrippen van arbeid en kapitaal zorgvuldig wegstopte in een archiefkast op zijn partijcentrum. Ook zonder die begrippen kan hij genoeg verontwaardiging etaleren over de ‘rijkste 1 procent’. Mensen als Marc Coucke die een catamaran bezítten terwijl een arbeider zo’n boot met moeite kan húren. Lui die aandelen hebben in Panamese firma’s. Geneesheren-specialisten die hoge erelonen aanrekenen. Van die laatsten wil Peter het loon beperken tot wat de premier verdient: 230 000 euro bruto per jaar – wat met ons belastingssysteem, neerkomt op 10 000 euro netto per maand. Peter noemt dat de ‘premiernorm’. Ik voel wel enigszins aan waarom hij juist naar dát inkomen als  ‘norm’ grijpt, en niet naar het inkomen van een topvoetballer, een charmezanger of een televisiekomiek. Díe inkomens hangen immers af van de onvoorspelbare markt, terwijl het loon van de premier netjes politiek wordt vastgelegd. Ik geloof dat Peter graag álle lonen netjes politiek zou vastleggen.
     Bij elk requisitoor tegen de ‘1 procent rijksten’ en vóór politiek vastgelegde lonen zal hier en daar wel goedkeurend gemompel te horen zijn. Voor sommige mensen is het een kwestie van ethiek. Maar als we de koek een vulling geven, niet van ethische principes maar van cijfers, dan wordt ze als argument nogal flets. De inkomensverdeling in ons land is zodanig dat de 1 procent grootverdieners ongeveer 8 procent van de inkomens opstrijken.* De overige 99 procent krijgt ‘slechts’ 92 procent van de inkomens. 92 procent - je kunt dat onmogelijk omschrijven als ‘niet of nauwelijks eten van de koek’.
 
Het stuk van de 1 procent grootverdieners zou bij verdeling niet zoveel opleveren.
Marxisten zien liever een grafiek van de ongelijke vermogensspreiding.
Maar die vermogens kunnen natuurlijk maar één keer verdeeld worden.
 
     Peter zou zijn pleidooi kunnen aanpassen en zich tegen de 10 procent grootverdieners keren. Die krijgen 35 procent van de inkomens en laten dus slechts 65 procent over voor de overige 90 procent. Dat is al een ander verhaal. Maar bij die 10 procent grootverdieners, hoort bijvoorbeeld ook een gezin van twee leraren met een masterdiploma. Wat zal Peter zeggen als díe staken en op straat komen om een nog hoger loon te vragen? Hij zal, geloof ik, die staking volkomen goedkeuren, zoals hij elke staking volkomen goedkeurt.
     Het grootste nadeel van Peters koekargument, is echter een ander. Je kunt zo’n argument, zo’n koek als je wil, namelijk langs twee kanten aansnijden. Je kunt, zoals Peter, ijveren voor een beter verdeelde koek, zodat enkelen véél, véél minder krijgen en alle anderen een héél, héél klein beetje meer. Maar je kunt ook zoeken naar middelen om een grotere koek te bakken, zodat iederéén meer krijgt.**
     ’t Is een oude discussie die al werd gevoerd in de 19de eeuw. John Stuart Mill – ik vind de plaats niet meteen terug – zag wel wat in een betere verdeling van het geproduceerde. Daardoor konden alle problemen van armoede worden opgelost, dacht hij. Thomas Macauley zag dat, in een stuk dat hij schreef rond 1830, helemaal anders. De regering, vond hij, moest niet te veel herverdelen maar daarentegen ‘het kapitaal vrijlaten om zijn meest winstgevende bestemming te vinden.’  Dat was de beste garantie voor een vooruitgang waar iedereen wel bij zou varen. Engeland zou in 1930 onvergelijkelijk veel rijker zijn dan in 1830, zoals het in 1830 ook veel rijker was dan in 1720.***
     Mogelijk hadden Mill en Macauley allebei gelijk. Een herverdeling in de zin van Mill kon de arbeiders van zijn tijd misschien een winst van 10 of 20 procent hebben opgeleverd.**** Maar de vooruitgang in de zin van Macauley heeft sinds 1800 voor een inkomensstijging van 3000 procent gezorgd.***** Dat is andere koek.


* Dat cijfer is gebaseerd op de fiscale gegevens (hier). Wie wil kan bij die 8 procent enkele procenten bijtellen voor de inkomens die niet op een belastingsformulier moeten komen of voor belastingsontduiking. Je moet dan anderzijds enkele procenten aftrekken omdat het gaat om bruto-inkomens, waarop nog een flink stuk ‘herverdelende’ belasting wordt geheven.
** Je kunt overigens ook, zoals Groen, ijveren voor een kleiner maar smakelijker koekje, waarbij Groen zo welwillend zal zijn om voor ons te bepalen wat smakelijk is. Dat is een andere discussie.

*** De onvermoeibare Macauley drukt die eenvoudige gedachte uit in twee zinnen van samen 368 woorden. Je moet de passage voor de aardigheid eens opzoeken. Je vindt ze hier, en ze begint met ‘If I were to prophesy …’


**** Helemaal zeker was die winst niet. De liberale econoom Peter De Keyzer deed ooit iets aardigs met de afgezaagde koektaartmetafoor. ‘Alleen al het bovenhalen van het taartmes,’ schreef hij, ‘en de aankondiging de taart te willen verdelen, zal de taart zelf al doen krimpen.’ De Keyzer, P. (2013), Lannoo, Tielt.


***** McCloskey, D. (2016), Bourgeois Equality, University of Chicago Press, Chicago.

dinsdag 16 april 2019

Onze nieuwe eerste minister

     Als je weet hoe oud ik ben – ik ben bijna 64 – dan begrijp je dat mijn ouders wel van een héél respectabele leeftijd moeten zijn. Maar ze kijken nog elke dag stipt om zeven uur naar het Nieuws op de televisie, voornamelijk, geloof ik, om zich te ergeren. Ze leveren dan scherpe commentaar op iedereen die in beeld komt. De ene is te dik (De Block), de andere te mager (Bourgeois), nog een andere te lelijk (Vande Lanotte), en bijna allemaal zijn het idioten. Mijn moeder kan er al niet tegen als een minister een zin begint met ‘Ik denk dat …’ Een minister moet niet dénken, zegt ze dan, een minister moet wéten.
     Dat talent voor ergernis heb ik niet overgeërfd. Over het uiterlijk van mensen durf ik zelfs in intieme kring bijna nooit iets zeggen, en als men op de televisie iets vertelt, gaat het meestal over iets waar ik niet goed van op de hoogte ben. Dan moet ik niet te veel kritiek geven vind ik op anderen die ook niet goed op de hoogte zijn. Verder heb ik het altijd moeilijk gevonden om veel affectie of weerzin te voelen voor mensen die ik niet persoonlijk ken.
    Maar nu ik wat ouder word, lijkt mijn talent voor ergernis zich toch een beetje te ontwikkelen. Ik las vandaag in Het Nieuwsblad wie er binnenkort allemaal eerste minister kan worden en hoeveel kans ze maken. Volgens de krant ging het om Gwendolyn Rutten (35 %) , Jan Jambon (20 %), Charles Michel (15 %) , Wouter Beke (15 %) en Kristof Calvo (10 %). Ik begon mij meteen af te vragen aan wie ik mij het meeste zou ergeren als eerste minister, of beter, aan wie ik mij het mínste zou ergeren, want ik ben een groot aanhanger van het minimax-beginsel waarbij het minimaliseren van het verlies belangrijker is dan het maximaliseren van de winst.
     Het beste is om Kristof Calvo meteen uit te sluiten van de competitie. Met zijn 10 % maakt hij weinig kans, en, omgekeerd, wat de ergernis betreft die hij kan genereren, speelt hij de concurrentie op een hoopje. Als hij mag meespelen in een ergerniswedstrijd is dat oneerlijk tegenover de anderen.
     Blijven over Gwendolyn, Jan, Charles en Wouter. Dat wordt moeilijk. Gwendolyn zou dus volgens Het Nieuwsblad 35 % kans maken. ’t Is mogelijk hoor. Maar als ík Gwendolyn bezig zie, denk ik altijd dat ze dom is. Misschien is dat helemaal niet zo, maar ik dénk dat, en als ik dat dénk, ergert het mij als zo iemand al te vaak op de televisie verschijnt en dan doet alsof zij het zwarte naaigaren heeft uitgevonden.
     Dan Jan. Mocht ik in de provincie Antwerpen wonen, dan stemde ik voor hem, maar wij wonen aan de verkeerde kant van de Grensstraat en horen bij Vlaams Brabant. Ik draag Jan een warm hart toe sinds ik hem in 2007 op een Onderwijsconferentie* verstandige dingen hoorde zeggen. Maar als hij eerste minister wordt, en hij komt op de televisie, zal hij af en toe ook iets zeggen wat onhandig is of wat mij niet bevalt, en dan snijdt dat door mijn ziel, zoals dat ook gebeurt als mijn zoon bij het voetballen een slechte pas geeft of een verdedigingsfout maakt. Ik kijk daarom zo weinig mogelijk naar programma’s waar ‘mijn’ kandidaten aan meedoen.
     Als voorlaatste: Charles. Die had ik redelijk graag. Zijn ‘jobs-jobs-jobs’ was mij uit het hart gegrepen. Helaas heeft hij het bij mij verkorven met zijn Marrakesh-uitspraak over de ‘juiste kant van de geschiedenis’. Ik heb zelf ooit aan de juiste kant van de geschiedenis gestaan, en daar wil ik voor geen geld naar terug. Als Charles bij de komende regeringsonderhandelingen een Marrakesh-bocht neemt, en belooft dat hij de geschiedenis erbuiten laat, mag hij van mij terugkomen, maar eerder niet.
     Blijft over Wouter, die nu burgemeester is van Leopoldsburg. Ik zag hem gisteren nog op Terzake. Wat hij zei ben ik al lang vergeten, maar dat is een deel van zijn charme. Je zag duidelijk dat hij zijn best deed om serieus te worden genomen. Dat vind ik ontroerend. Ik weet niet of CD&V er de volgende keer weer bij is, en ik weet niet of Wouter in dat geval veel kans maakt, noch of hij een góede premier zou zijn. Maar zelf zie ik mij dan vaak glimlachen als hij op het scherm iets komt vertellen dat ik na een minuut weer vergeten ben.


* Van O-ZON en Onderwijskrant

zondag 14 april 2019

Peter en het communisme

In De Zondag die ik vorige week van bij de bakker meenam, moest Peter Mertens een paar lastige vragen beantwoorden over het communisme. Het was een beladen woord, gaf hij toe, en in naam van het communisme waren gruwelijke dingen gebeurd. Wat gebeurd was, was gebeurd. Daarom gebruikte hij het woord niet graag. Maar andere ideologieën hadden in de twintigste eeuw eveneens tot gruwel geleid. Bart De Wever kon toch niet ontkennen dat er ook in naam van het nationalisme één en ander was voorgevallen dat niet zo fraai was. Zelfs het liberalisme had in Chili een dictatuur voortgebracht.
     Dat is allemaal een béétje waar, maar het is toch maar een halve waarheid. Er is namelijk ook een groot verschil tussen het communisme en die andere ideologieën. Het verschil zit hierin dat nationalisme, liberalisme en ook christendom inderdaad in de loop van de twintigste eeuw, hier en daar en af en toe, gruwelen hebben voortgebracht – maar niet altíjd en niet overál. Het communisme heeft dat wel gedaan, in Rusland, in China, in Polen, in Korea. 

     Maar het was toch een mooi ideaal, hoor ik soms. Nee, eigenlijk niet. Je kunt als je dat graag wilt een economie zonder privébezit als een mooi ideaal opvatten, maar het is niet uit dát ideaal dat het communisme is voortgekomen. Er bestónd in de negentiende eeuw al een grote beweging die dat ideaal nastreefde: het socialisme. Het communisme heeft zich na de Eerste Wereldoorlog, op aandringen van Lenin, van die beweging afgescheurd, met twee eigen eigen geloofspunten: gewelddadige revolutie en dictatuur van het proletariaat. Het geloof in de revolutie en de dictatuur – de gruwel dus – was van in het begin het onderscheidende kenmerk van het communisme*.
     Ook was het Lenins stijl niet om zijn geloofspunten te verbergen of te vergoelijken. Hij deed er juist alles aan om dagelijks aan dat geweld en aan die dictatuur te herinneren. Wie in 1919 een heel klein beetje Lenin had gelezen had en toch voor de communistische beweging koos, en tegen de socialistische, die koos in volle bewustzijn voor geweld en voor dictatuur. En als die gruwel er dan ook kwam, moest niemand achteraf zeggen dat men zoiets op voorhand niet had kunnen weten. 
     Hadden de communisten dan geen andere redenen, buiten hun voorliefde voor geweld en dictatuur, om van het socialisme af te scheuren? Was daar niet hun anti-oorlogsstandpunt? Hadden de socialisten tijdens de Eerste Wereldoorlog niet ‘tot oorlog opgehitst’? Ja, dat is een moeilijke kwestie. Sommige socialistische leiders hebben zich misschien wat laten gaan. Er bestaat een foto van de Belgische socialist Vandervelde die de frontsoldaten toespreekt. Misschien was hij daar wel aan het hitsen. Maar neem nu Karl Kautsky, de geleerdste onder de Duitse socialisten. Die heeft nooit aan dat hitsen meegedaan. Toch vond Lenin hem de grootste verrader van allemaal. Kautsky was tegen de oorlog, Kautsky was marxist, en Kautsky geloofde in een economie zonder privébezit. Maar dat was niet genoeg. Hij was tegen revolutie en dictatuur en was dus een ‘renegaat’.
     Ik geloof dat Peter dat ook allemaal weet. Maar hij kan daar moeilijk de lezers die hun zondagmorgenbroodjes aan het eten zijn, mee lastig vallen. En hij moet natuurlijk een beetje voorzichtig zijn en oppassen dat hij de leninistische oude garde in zijn eigen partij – mijn leeftijdsgenoten ongeveer – niet in de gordijnen jaagt. 


* Dat kenmerk stond niet op zichzelf, maar maakte deel uit van een algemeen radicalisme: staak-maar-raak, geen compromissen, geen regeringsdeelname, onrealistische sociale eisen ...
Emile Vandervelde srpeekt tot de frontsoldaten: Dáár is de vijand!

zaterdag 13 april 2019

Rondjes lopen om en in het huis

     Van de Vlaamse Bouwmeester  en Anuna De Wever zal het wel niet mogen, maar wij wonen in een vrijstaande woning aan de rand van het bos. Vroeger woonden we op een appartementje in Brussel, en dat was ook leuk, maar er gaat niets boven een woning die vrij staat. Een kind op een driewielertje kan eindeloos om het huis peddelen. Zelf kun je als je dat wilt, om je huis een rondje lopen. Ik heb dat nog nooit gedaan, maar als ik zou willen, dan kan het, en daar gaat het om. 
     Wat ik ook mooi vind, is als je een rondje kunt lopen ín je huis. Mijn broer heeft in zijn inkomhal een stuk muur laten inslaan om een deur te plaatsen die toegang geeft tot de voorkamer. Nu kan hij als hij dat wil vanuit de inkomhal, langs de voorkamer, de eetkamer en de keuken, weer de inkomhal bereiken. Ik weet niet of hij dat ooit doet, maar als hij zou willen, dan kan het. Ook in het appartement van mijn ouders kun je, als je dat wilt, een rondje lopen: inkomhal – woonkamer – keuken – terras – naaikamer – inkomhal. ’t Is misschien niet veel, maar het kán.
     Vroeger, in ons ouderlijk huis, was veel meer mogelijk. Het was een soort herenhuis waar een bioscoop tegenaan was gebouwd. Je kon er geloof ik wel twintig verschillende rondjes lopen.  Je kwam bijvoorbeeld langs de voordeur de inkomhal van het huis binnen. Goed. Daar nam je de trap naar boven, liep over een korte overloop en nam nog een kleinere trap naar de badkamer. Net voor de badkamer was er een deur die via een terras leidde naar weer een andere deur die toegang gaf tot het kamertje van waaruit de films geprojecteerd werden. Vanuit dat kamertje volgde je een doolhof van trappen naar beneden tot in de ontvangsthal van de bioscoop, waar een deur was naar de binnenkoer en de keuken van het huis. En dan kwam je vandaar in de eetkamer, dan in het salon en tenslotte weer in de inkomhal van het huis.

     Onze vrijstaande woning heeft dat niet. Het huis is gebouwd rond een gang met zes deuren. Maar welke deur je ook neemt, je loopt dood op een slaapkamer, een badkamer, een waskamer of een toilet. Het langst kun je doorlopen als je de deur neemt naar de eetkamer. Dan kom je vandaar in de woonkamer, de studeerkamer, en langs een trap zelfs op de zolder. Maar dan is het ook echt gedaan. Je kunt de lus niet sluiten. Óm het huis kunnen we dat gelukkig wel, ondanks de Vlaamse Bouwmeester en Anuna De Wever.
     Waar je dan wel weer rondjes kon lopen en lussen sluiten, was in het landhuis van de Russische schrijver Tsjechov. Die had, voor veel te veel geld, een grote, onoverzichtelijke bouwval met landerijen gekocht voor hemzelf, zijn ouders, zijn broers en zijn zus. Als er vrienden op bezoek kwamen, en dat was bijna altijd, gaf Tsjechov hen een rondleiding. En dan liep hij hen voor van kamer, naar kamer, naar kamer, naar kamer, en hij bleef maar doorlopen tot zijn gasten beseften dat ze altijd maar weer dezelfde kamers te zien kregen.
     Tsjechov hield van een grapje.

Tsjehovs landhuis in Melikhovo