vrijdag 13 april 2018

Tsjeverij

     Mocht je lid zijn van CD&V, lieve lezer, of van een aanverwante organisatie, dan kreeg je wellicht al een keer het woord ‘tsjeef’ toegevoegd. Aan de toon kon je dan horen dat het geen complimentje was. Het was net het tegendeel van een complimentje. Je werd uitgemaakt – maar voor wat?
     Meestal wordt tsjeverij in verband gebracht met een zekere mate van valsheid, maar het lijkt mij onrechtvaardig om die slechte eigenschap op één politieke partij te betrekken. Zelf spelen we, als het zo uitkomt, allemaal wel eens vals, spreken we met dubbele tong, en planten we een figuurlijk mes in de rug van een collega, en bij politici – van álle partijen –  zie je het wat vaker. Ja, politici zijn soms vals – ’t mag met een krijtje aan de balk hoor.
     En het voortdurende gekuip van CD&V dan in de regering? Met één voet in de regering en met de andere voet in de oppositie? Altijd maar schieten op N-VA-ministers waarmee ze samen in de coalitie zitten? Is dat geen tsjeverij? Ja, misschien, maar ‘t is ook een verstandige politiek. CD&V kan N-VA jennen zoveel ze wil, bij de volgende regeringsvorming kunnen de vlaams-nationalen niet zonder de christendemocraten. Het omgekeerde geldt niet. De christendemocraten kunnen best een regering vormen zonder vlaams-nationalen, maar met groenen en socialisten in de plaats. En, mocht dat niet genoeg zijn, de geheime code om de liberalen erbij te krijgen is 1-2-3-4. ‘t Is in die omstandigheden eigenlijk onbegrijpelijk dat CD&V niet nog meer inspanningen doet om N-VA op stang te jagen.
     Zelf denk ik bij tsjeverij aan iets anders – aan iets wat men vaak als ‘schijnheiligheid’ omschrijft. Het gaat mij niet om de vuile streek, maar om het verbaasd-onschuldige gezicht dat men opzet bij het uitvoeren van die streek. Ik zie het niet bij de nijdige Eric Van Rompuy en ik zie het niet bij de schriele Wouter Beke. Ik zie het zelfs niet bij Kris Peeters, ook al lacht die de laatste tijd een beetje als een niet helemaal oprechte oude tante, of, zoals mijn Facebookvriend Ed Van Gasse met meer precisie schreef, als Mrs. Doubtfire in de film.
     Onlangs zag ik iets op de Facebookpagina van Mark Van de Voorde dat er mij wél vaagjes aan deed denken. Mark heeft een christelijke en christendemocratische achtergrond. Hij was perschef van het bisdom van Brugge, hoofdredacteur van het Parochieblad, adviseur van Yves Leterme en medewerker van Herman Van Rompuy. Op zijn Facebookpagina bepleit hij een plaatsje voor de godsdienst in de publieke ruimte, belicht hij vluchtelingenproblematiek en immigratie vanuit de evangelische waarden, en trekt hij vergelijkingen tussen N-VA en het nazisme van de jaren dertig. En onlangs postte hij een spotprent van Marec over Pol Van den Driessche, ook van de N-VA,  met een naar mijn smaak wat tsjeverige commentaar.
     Die spotprent is erg grappig. Een goed herkenbare Pol heeft een argeloze jongedame achterwaarts benaderd, zijn kruis tegen haar billen geduwd, en, met zijn armen onder haar oksels gestoken, betast hij haar borsten. ‘t Is grappiger als je het ziet. Er staat een tekst bij ‘En zie je van Brugge, zet je van achter*’. Met die tekst wordt verwezen naar de Waals-Brusselse partij ‘Islam’ die voorstelt om vrouwen achteraan te laten plaatsnemen op bus en tram, zodat ze veilig zijn voor ongewenste aanrakingen. En dat Pol vroeger al eens een vrouw ongewenst aanraakte is goed gedocumenteerd. Hij heeft het zelf toegegeven.
     Je kan nu zeggen dat die spotprent misplaatst is. Dat de handtastelijkheden van Pol tot het verleden behoren. Dat hij daarvoor zijn publieke excuses heeft aangeboden. Dat er geen nieuwe feiten zijn. Dat er geen verband is  tussen Pol en die ‘Islam’-partij. Dat van de ‘Islam’-partij naar het liedje over de Bruggelingen die zich ‘van achter moeten zetten’ slechts een heel dun, kronkelend, flauwgeel verbindingslijntje loopt. Maar zulke dunne, kronkelende verbindingslijntjes zijn nu net waar het bij spotprenten om gaat. Als ik een politiek ongebonden tekenaar was, en ik was op hetzelfde idee gekomen, ik had de tekening ook gemaakt. En als ik, zoals Mark, een negatief oordeel had over N-VA, ik zou de tekening misschien ook posten. Elk beetje schade dat die partij daardoor zou lijden, zou ik dan mooi meegenomen vinden. 
     Maar goed, ik werd dus vooral getroffen door de commentaar die Mark bij de tekening plaatste.  Mark zegt dat hij het ‘niet kon laten om dit te delen omdat het iets aantoont over de politieke campagne. Als een partij uit alles garen wil spinnen, krijgt ze wel eens de klos in haar gezicht.’ Dat van dat garen en die klos is een mooi spreekwoord dat ik niet kende en dat naar de textielnijverheid verwijst. Als je vezels – van wol, vlas of katoen –  in elkaar wil draaien tot een stevige draad, kun je die draad best vergaren rond een sneldraaiende klos en dan kan het gebeuren dat die klos losspringt en in je gezicht terechtkomt. Het spreekwoord betekent dus dat wie overal voordeel uit wil halen (‘garen spinnen’) ook wel eens een weerbots vangt (‘klos in het gezicht’). Een klos in je gezicht krijgen, is ongeveer hetzelfde als een boomerang in je gezicht krijgen.
     Mark ziet in de afbeelding van Pol Van den Driessche een terugslag die N-VA moet ondergaan omdat de partij zo fel gereageerd heeft op het ‘Islam’-voorstel van gescheiden plaatsen op bus en tram. Ik interpreteer dat anders. Ik zie wel het verband tussen Pol en het ‘Islam’-voorstel maar ik zie geen verband met de N-VA-reactie op dat voorstel. Het was niet Pol die de N-VA-reactie verwoordde. Ook stond N-VA niet alleen met haar reactie. Andere partijen als CD&V, Open-VLD en Groen hebben ook fel gereageerd. Maar over verbanden en voorbeelden kun je blijven discussiëren. Ik vind de verwikkelingen rond Tom Meeuws een veel beter voorbeeld van een terugspringende klos, maar als Mark het voorbeeld van Pol beter vindt, is dat zijn goed recht.
     Het gaat mij trouwens meer om het vervolg van de commentaar. Mark beweert dat hij de tekening plaatste om iets te zeggen over ‘de moraal van het verhaal’ en ‘alvast niet omdat ik de humor van de cartoon zelf goed zou vinden.’ En hij herhaalt daarna nog verschillende keren dat hijzelf de tekening niet humoristisch vindt. Mark moet daar niet om lachen, om zulke tekeningen.
     Er doemt bij mij een beeld op van twee, nou ja, tsjeven op de trein die samen een boekje met pornografisch fotomateriaal doorbladeren. ‘Kijk hier,’ zegt de een, ‘schandalig.’ ‘Kijk daar,’ antwoordt de ander, ‘nog erger.’ ‘En zeggen dat je zulke boekjes overal vrij kunt kopen,’ zegt de ene weer. En zo gaat dat maar door, bladzijde, na bladzijde, na bladzijde, na bladzijde.**



*Het lied gaat verder als volgt: ‘Ge moet van voren in de reke niet gaan staan.’ In vertaling: ‘En ben je van Brugge, neem dan plaats achteraan / Je moet vooraan in de rij niet gaan staan.’ ’t Is grappiger als je het liedje ook echt zingt.

**Ed van Gasse reageerde op mijn Facebook-pagina met volgende anekdote: ‘Toen ik een jaar of dertien was, leende ik aan een klasgenoot (de latere kunstschilder Paul Morez) een erotisch tijdschrijft uit (De Lach, als je het nu zou zien, kan je je ogen niet geloven, zo flauw en onschuldig). Dat zat verscholen in een plakboek over de Beatles. Beide werden geconfisceerd door onze leraar Latijn die toen ook waarnemend prefect was. Hij ontbood mijn moeder om haar de levieten te lezen over haar seksueel geobsedeerde zoon. Mijn moeder vertelde me later dat hij tijdens het gesprek de hele tijd door heen en weer zat te bladeren in het euvele boekje, alle tieten geringschattend monsterend terwijl hij alsmaar bleef zeggen: “Kijk, dat doet mij nu als volwassen man allemaal niets, zie. Kijk, kijk.” Ik denk dat dit voor mijn moeder toch een beetje een #metoo moment was.’





vrijdag 6 april 2018

SP.A krijgt economieles van Boerenbond

SP.A-Annick: Prijs laten vastleggen door overheidsdienst Economie
     De SP.A heeft iets nieuws bedacht, waarmee ze de verkiezingsstrijd zeker kunnen winnen. ‘Verbied promoties in supermarkten,’ lees ik op de eerste pagina van Het Nieuwsblad. Als ik verder blader tot pagina 9 krijg ik meer uitleg van SP.A-kamerlid Annick Lambrecht. Het gaat om promoties voor vlees, zuivel, groenten en fruit - promoties van het type ‘1 kilogram kopen, 1 kilogram gratis’. Annick wil dat naar het Franse voorbeeld laten verbieden. Wat ik zou willen weten: hoe zit dat met graan? Dat is wel geen groente, maar ik ben er niet gerust in. Als graan, en brood, ook onder het promotieverbod valt, is dat een lelijke streep door mijn rekening. Iedere keer dat het lekkere Breughelbrood van Delhaize in promotie gaat, koop ik zes en soms wel negen stuks om in te vriezen. Ik spaar daar meerdere euro’s mee uit. Van zo’n besparing kan ik een hele dag blij rondlopen.
     En Annick heeft nog slecht nieuws voor mij. Ze wil buitenlandse landbouwproducten extra belasten. Dat is beter voor onze producten, zegt zij, en zij heeft het voorbeeld van appelen. Verdomme! Jan en ik zijn grootafnemers van buitenlandse appelen. Dat zou over een heel jaar berekend een flinke meeruitgave kunnen worden. Nu zou je kunnen zeggen: jouw verlies is de winst van de Belgische appelboer. Wat de ene partij verliest, is winst voor de andere partij. Maar er is een derde partij die ook verliest: de Nieuw-Zeelandse appelboer. En er is zelfs een vierde partij. Al het geld dat ik nu uitspaar door tariefvrije buitenlandse appeltjes te kopen, gaat rechtstreeks naar een rekening waarvan ik dan mooie boeken koop. Als Annicks partij het voor het zeggen krijgt, gaat dat geld in de toekomst niet meer naar de boekhandelaar, maar naar die verdomde tarieven. Die boekhandelaar is dus ook benadeelde partij.
     Maar het is niet alles kommer en kwel. Er valt ook wat te lachen. SP.A-Annick stelt immers ook voor om minimumprijzen in te voeren voor landbouwproducten. En de Boerenbond verwerpt dat voorstel. U leest het goed, beste lezer. Annick stelt minimumlandbouwprijzen voor en de Boerenbond verwerpt dat voorstel. Als u het niet gelooft wil ik ook de letterlijke woorden van woordvoerder Luc Vanoirbeek meegeven: ‘We waarderen het positieve signaal wel, maar we vinden het geen goed idee om in te grijpen op het marktmechanisme.’ Voilà.
     Wat moet volgens Annick dan in de plaats komen van het marktmechanisme? Heeft Annick aan een alternatief gedacht? Ja, Annick heeft aan een alternatief gedacht: ‘Laat de overheidsdienst Economie per product vastleggen hoeveel de supermarkten minimaal aan de landbouwers moeten betalen, zegt ze. Je zou bijvoorbeeld een systeem kunnen uitwerken waarbij het minimumniveau de kostprijs van de producten is.’ Alweer, u leest het goed. De kostprijs. En hoe gaan we die kostprijs berekenen? Mijn schoonvader heeft heel zijn leven als tuinbouwer gewerkt: aardappels, tomaten, sla, witloof, radijsjes, alles. Hij ging daarbij slimmer tewerk dan de meeste van zijn buren, en werkte ook sneller, zodat zijn kostprijs voor die producten lager lag. Naar welke kostprijs moet de ‘overheidsdienst Economie’ zich nu richten? Naar die van mijn schoonvader of naar die van zijn buren? Of moeten we de gemiddelde kostprijs berekenen?
     En dan heb je nog de kwestie van de investeringen. Mijn schoonbroer, die het bedrijf heeft overgenomen, plant, verzorgt en oogst zijn aardappels met machines waar mijn schoonvader niet van had kunnen dromen. Zijn kostprijs is alweer lager, dank zij die investeringen. Maar met investeren is het een moeilijke zaak. Je kunt te weinig investeren, zodat je kostprijs te hoog ligt en je kunt te veel investeren, zodat je kostprijs alweer te hoog ligt. Een al te voortvarende tuinbouwer kan blijven altijd maar grotere machines, tractoren en vrachtwagens aankopen. Als dat allemaal in de kostprijs wordt verrekend, en de kostprijs wordt in de minimumprijs vastgelegd, dan loopt hij daarbij weinig risico. Hoe zal de ‘overheidsdienst Economie’ daar een mouw aanpassen? Door ook het investeringsniveau vast te leggen in een vijfjarenplan, zonder het trial and error van de markt? Daar schijnen allerlei problemen mee te zijn.
     Ik geloof dat Annick daar allemaal niet over heeft nagedacht. De boeren moeten gewoon ‘een eerlijke prijs krijgen voor hun producten,’ zegt ze. Zo’n begrip als ‘eerlijke prijs’ lijkt mij, eerlijk gezegd, een beetje naïef. En ook naïef is die andere redenering van Annick, namelijk dat door het invoeren van een minimumprijs minder met het voedsel zal worden gesjoemeld. Hier onderschat ze, vrees ik, de schraapzucht van de kapitalist. ‘t Is zorgelijk dat ik daar een socialiste op moet wijzen.
     Ik heb een mobieltje van Nokia dat mij soms in de steek laat. De wekkerfunctie is stuk, als ik in de klas een filmpje opneem, blijft de klank soms achterwege, en als ik opgebeld word, gebeurt het dat het toestelletje blokkeert. Die Nokia-mensen zijn in  hun kwaliteitscontrole duidelijk niet tot het uiterste gegaan. Ze hebben, als je wil, gesjoemeld. Nu, het toestelletje kostte ook maar 79 euro. Maar als Annick, of de SP.A, of de ‘overheidsdienst Economie’, de prijs van dat mobieltje op 120 euro zou zetten, zouden zij bij Nokia de kwaliteitscontrole dan opdrijven? Nee hoor, die rotkapitalisten zouden gewoon die 41 euro extra op zak steken en hun doorgedreven kwaliteitscontrole voorbehouden voor de nog duurdere modelletjes. En met dubieus slachtvlees zou dat op precies dezelfde manier in zijn werk gaan. Er zou, bij gelijkblijvende controles, evenveel gesjoemeld worden, maar het sjoemelvlees zou duurder zijn.
     ‘Achetez français,’ zei communistenleider Marchais indertijd.  Ach, waarom niet? ‘Trots op eigen producten,’ zegt Annick van SP.A. Och, ik vind dat best. Wij kopen ons – weinige – vlees ook vaak bij een plaatselijke boer. Maar ik wil daar wel graag zelf over beslissen. Mijn koopgedrag moet niet gestuurd worden door tarieven en hogere minimumprijzen. Ik geef mijn steun aan de Boerenbond. Geen verstoring van het markmechanisme!

woensdag 4 april 2018

Het gebeuzel van Walter Zinzen

    In een interview met De Zondag deed Bart De Wever een sterke uitspraak. ’t Is niet de eerste keer. ‘Dezelfde linkerzijde, zegt hij, die bh’s in brand stak in mei ’68, omarmt nu de hoofddoek als symbool van gelijkwaardigheid. Men wou het christendom kapot, maar van de islam aanvaardt men alles. Ik noem dat soumission.’ Ex-VRT-journalist Walter Zinzen vond die uitspraak schandalig. ‘Achtenswaardige politici zoals de heer De Wever, schrijft hij sarcastisch, [hebben] van beuzelen hun handelsmerk [gemaakt].’ Zinzen gebruikt hier het woord ‘beuzelen’ in de betekenis die zijn grootmoeder eraan gaf: die van ‘liegen’. Want, zegt hij,
  • het verbranden van bh’s gebeurde in 1970 en niet in 1968
  • het initiatief kwam van de Dolle Mina’s
  • de Dolle Mina’s hebben nooit iets over het christendom gezegd
  • de Dolle Mina’s kunnen de hoofddoek niet omarmen aangezien de groep niet meer bestaat
  • De Wever kent het onderscheid niet tussen een correct en een foutief geconstrueerd syllogisme
     Wat Zinzen hier vertelt over 1968 en 1970 en de Dolle Mina’s had ik snel gerangschikt onder het kopje ‘beuzelarij’, maar dan in de betekenis die het woordenboek eraan geeft: die van niet ter zake doend gewauwel.*  Wat hij evenwel over het syllogisme vertelt, interesseert mij omdat ik daar les over geef. Als ik een toets aankondig over argumentatieleer is er één vraag die de leerlingen altijd stellen: ‘Moeten we dat van het syllogisme ook kennen?’ Ik begrijp die vraag, want het is een ingewikkelde materie. Ik moet dat zelf ook iedere keer weer opzoeken als ik mijn les voorbereid.
    Zinzen geeft eerst, om ons op te warmen, een voorbeeld van een correct syllogisme: politici worden goed betaald; Bart De Wever is een politicus; conclusie: Bart De Wever wordt goed betaald.
     Dat is een uitstekend voorbeeld, want het syllogisme voldoet mooi aan de regels, zoals die van de ‘gedistribueerde middenterm’. De middenterm is het begrip dat voorkomt in elk van de eerste twee zinnetjes, de zogenaamde premissen. In dit geval is dat ‘politici/politicus’. En, zegt de regel, die term moet minstens één keer gedistribueerd zijn, dat wil zeggen dat hij voorafgegaan wordt door het woord  ‘álle’, al was het maar in gedachten. Anders is de redenering fout, zoals in:  politici ontvangen een mooi pensioen; ex-VRT-journalisten ontvangen een mooi pensioen; conclusie: alle ex-VRT-journalisten zijn politici. De middenterm is hier ‘mooi pensioen’ – en in geen van de twee premissen gaat het om álle ontvangers van een mooi pensioen. Er zijn er nog anderen die een mooi pensioen ontvangen. De redenering is dus fout, sterker nog, ze zou zelfs fout zijn als alle ex-VRT-journalisten wel degelijk allemaal politici waren.
     En nu heeft Zinzen dat foutieve syllogisme ook ontdekt bij De Wever. Hij parafraseert diens bh-uitspraak als volgt sommige mensen verbranden bh’s; sommige mensen willen het christendom kapot; conclusie: wie bh’s verbrandt, wil het christendom kapot. ‘Correcte premissen, foute conclusie,’ zegt Zinzen. En we moeten het toegeven, met betrekking tot zijn eigen parafrase heeft hij gelijk: de middenterm is hier ‘sommige mensen’, en ‘sommige mensen’ kan nooit ‘álle mensen’ betekenen. Maar heeft Zinzen ook gelijk met betrekking tot de uitspraak van De Wever? Dat is een andere zaak.
     De kritiek van Zinzen brengt ons bij de kern van het syllogismeprobleem in het onderwijs. De opdracht is daar niet niet om de leerling een foutief syllogisme te leren herkennen. Met een beetje gezond verstand ziet hij zelf wel of een redenering deugt of niet, zelfs al weet hij niet welke de 24 geldige en de 232 ongeldige syllogismen zijn, en al kent hij het verschil niet tussen een barbará- en een barbarí-constructie, of een cesaré- en een cesaró-structuur**. Het nut van het syllogisme bestaat er immers niet in dat je foute redeneringen kunt herkennen of benoemen. Het nut bestaat erin dat je een onvolledige en onnauwkeurig geformuleerde argumentatie kunt herformuleren tot een volledige en nauwkeurige argumentatie, zodat iedereen kan zien welke de gebruikte argumenten zijn, en of ze iets voorstellen.*** En dat herformuleren moet je een beetje zorgvuldig doen.
     Dát heeft Zinzen met zijn parafrase in elk geval niet gedaan. De Wever stuurt helemaal niet aan op de conclusie dat bh-verbranders de vernietiging van het christendom willen. Ook spreekt hij nergens van ‘sommige mensen’. Wat je De Wever kunt verwijten is net het tegenovergestelde: dat hij veralgemeent. Dat hij het voorstelt of de gehele linkerzijde indertijd bh’s verbrandde, of dat toejuichte, en dat vandaag de gehele linkerzijde de hoofddoek omarmt. En daarnaast doet De Wever nog een tweede, ook veralgemenende, uitspraak, namelijk over de houding van de linkerzijde tegenover christendom en islam. Die houding wordt niet afgeleid uit het verbranden van de bh’s; ze wordt er hoogstens mee vergeleken. Dat heeft allemaal niets met het syllogisme van Zinzen te maken.
     Een zorgvuldiger manier om De Wevers uitspraak toch min of meer syllogistisch weer te geven zou deze zijn: de linkerzijde verbrandde indertijd bh’s; de linkerzijde omarmt tegenwoordig de hoofddoek; zowel bh’s als hoofddoeken zijn symbolen van vrouwenonderdrukking; wie van dezelfde zaak het ene symbool verbrandt en het andere omarmt, is niet consequent; de linkerzijde is niet consequent.****
     Op die redenering valt veel aan te merken. De twee eerste premissen berusten op een veralgemening; de derde wordt betwist; en bovendien is het wat al te gemakkelijk om de linkerzijde van tegenwoordig gelijk te stellen met de linkerzijde van indertijd. Een heel andere vraag is echter of de redenering daarom ook fout is, laat staan gelogen of gebeuzeld. Ik geloof het niet. Het is nu eenmaal onmogelijk over maatschappelijke stromingen te spreken zonder te veralgemenen. Wie een veralgemening gebruikt moet een beetje voorzichtig zijn, dat wel, maar wie zijn tegenstander een veralgemening verwijt, moet evenzeer een beetje oppassen. Anders ben je snel uitgediscussieerd. En als je van plan bent alle betwiste argumenten a priori te verwerpen, kun je beter niet aan de discussie beginnen.
 

* Je vindt dat gewauwel ook op overigens interessante Fact Checking-sites. Er bestaan heel wat foto’s van voornamelijk Amerikaanse feministen die bh’s verbranden. Toch wordt die verbranding op zulke sites vaak een ‘mythe’ genoemd. De argumentatie komt er dan op neer dat op één bepaalde feministische betoging (Atlantic City, 7 september 1968) geen bh’s werden verbrand, maar dat ze in een vuilnisemmer werden gegooid. Cherchez la petite bête, noemen ze dat in het Frans.

 ** De middeleeuwers hadden alle uitspraken in vier categoriën ondergebracht, waar ze letters aan gaven: universeel positief (A), universeel negatief (E), particulier positief (I), particulier negatief (O). Aangezien een syllogisme uit drie uitspraken bestaat, die vier verschillende figuren kan aannemen, heb je dan 256 mogelijkheden (4^3*4), van AAA1 tot OOO4. In werkelijkheid zijn slechts 24 combinaties geldig zoals AAA1, AAI1, EAE2, EAO2 … Om die combinaties te onthouden hadden middeleeuwse studenten een trucje bedacht met drielettergrepige namen, waarbij elk van de lettergrepen een van de vier letters bevatte: Barbara, Barbari, Cesare, Cesaro … Een voorbeeld van een Cesare-structuur is dan: geen enkel reptiel heeft pluimen (E), alle slangen zijn reptielen (A), geen enkele slang heeft pluimen (E). Een voorbeeld van een Cesaro is: geen enkel reptiel heeft pluimen (E), alle slangen zijn reptielen (A), sommige slangen hebben geen pluimen (O). Het Bart De Wever-syllogisme is, geloof ik, van het Barbara-type: alle politici worden goed betaald (A), alle Bart De Wevers zijn politici (A), alle Bart de Wevers worden goed betaald (A).

*** De leerling moet bijvoorbeeld in staat zijn om de volgende redenering te vervolledigen: Thuis is een soap. Er wordt dus slecht in geacteerd.  De ontbrekende premise is hier: in alle soaps wordt er slecht geacteerd.

**** Zo’n syllogisme met meer dan twee premissen kan met veel hangen en wurgen worden omgezet in meerdere syllogismen met twee premissen. Maar daar begin ik liever niet aan.

dinsdag 3 april 2018

Verhalen over lesbische liefde

Dit stukje is alleen bestemd voor lezers die niet van plan zijn om Harry Mulisch zijn boek Twee vrouwen (1975) te lezen - of die het al gelezen hebben. Ik ga namelijk het einde van dat verhaal verklappen. Hetzelfde geldt voor de films Carol (2015), The Handmaiden (2016) en de Black Mirror-aflevering ‘San Junipero’ (2016).  Goed. Is iedereen weg die hier niet moet zijn? Dan kunnen we beginnen.

          Verhalen over lesbische liefde moeten een goede afloop hebben, dat vind ik ervan. En ik vind dat al lang. Ik las meer dan twintig jaar geleden dat boekje van Harry Mulisch over de rijke intellectuele Laura en het kapstertje Sylvia. ’t Is een netelige geschiedenis. De twee vrouwen houden van elkaar, maar Laura lijdt onder haar kinderloosheid en Sylvia is vaak nukkig en zwijgzaam. Dan gaat Sylvia ervandoor met de ex-man van Laura. Groot drama. Wanhoop. Zelfmoordgedachten. Maar plots staat Sylvia opnieuw voor de deur. Ze is zwanger, als cadeautje voor Laura. ‘Waarom heb je het mij niet gezegd,’ vraag Laura. ‘Alsof je het dan goedgevonden had,’ antwoordt Sylvia gevat. Tranen van geluk. ‘Ik ga vast uitpakken,’ zegt Sylvia.
     Ik was onder de indruk van dat happy end. Mijn reactie was dezelfde als die van Judi Dench in Philomena (2013):  I certainly didn’t see that one coming. Dat Mulisch de zaak alsnog verknoeit door er een tragische epiloog aan te breien, kon mij niet zoveel schelen. In een epiloog, zegt Macaulay, worden klappen uitgedeeld die geen pijn doen.
     Een kleine twintig jaar later zag ik een film over een rijke intellectuele in het New York van de jaren vijftig. Carol heet ze. Ze begint een verhouding met het verkoopstertje Therese. ’t Is alweer een netelige geschiedenis. Carol is getrouwd en heeft een dochtertje, en Therese is vaak nukkig en zwijgzaam – Carol eigenlijk ook. Carol wil scheiden van haar man, maar is bang om haar dochtertje te verliezen. Hoogoplopende ruzies met de echtgenoot. Breuk tussen Carol en Therese. Dan: nieuwe ontmoeting. Carol nodigt Therese uit om die avond naar een bepaald restaurant te komen. Therese weigert. Gaat toch. Carol zit aan een tafeltje. Ziet Therese. Haar gezicht bloeit open terwijl de camera langzaam nadert. De mooiste glimlach die ik ooit in een film heb gezien. I certainly didn’t see that one coming.
     Ik heb toen besloten dat verhalen over lesbische liefde een goede afloop moeten hebben. En gelukkig is er af en toe iemand die met mijn besluiten rekening houdt. Neem nu Chan-wook Park, de Koreaanse regisseur van sombere films over wraak. In zijn laatste film, The Handmaiden leek een treurig einde onvermijdelijk. Het kon niet tegelijk goed aflopen, dacht ik,  voor de sympathieke oplichtster Sook-hee, en meteen ook voor het slachtoffer van de oplichterij, de tragische vrouwe Hideko. Maar dan moet vrouwe Hideko in bad en Sook-hee moet haar daarbij helpen. Aha, dacht ik, dat kan een nog een mooie liefdesgeschiedenis worden. En vanaf dan was ik bezeten van één gedachte: het verhaal moest goed aflopen, ondanks de dreigementen van een wrede oom en de intriges van een gewetenloze schurk. En zie, ik werd op mijn wenken bediend. Het einde was niet alleen gelukkig, maar zelfs vrolijk, met meisjesgegiechel en pikante speeltjes.
     Laatst keek ik met vrouw en zoon naar een aflevering van de televisiereeks Black Mirror.  Ik weet niet of de lezer die reeks kent. Laat ik het zo stellen: het woord ‘Black’ in de titel staat er niet toevallig. Ik heb niet alle afleveringen gezien, maar wat ik gezien heb, eindigde altijd treurig. En nu keken wij naar de vierde aflevering van het derde seizoen, die zich afspeelt in het toeristische kuststadje San Junipero, ergens in de jaren ’80.  Dat is eigenaardig, want meestal speelt de reeks in de nabije toekomst. Zoals vaak in de reeks duurde het eventjes voor je kon raden in welke richting het verhaal uitging. Deze keer ging het over de truttig geklede Yorkie die in een bar wordt aangesproken door de levenslustige Kelly. Kelly wordt achtervolgd door een ex-vriendje. Of Yorkie kan helpen om dat vriendje af te wimpelen? Yorkie kan dat en wimpelt het vriendje af, waarvoor Kelly erg dankbaar is. Misschien wordt het iets lesbisch, zei Jan, want die jongen is bij de pinken. Ja, het ging die richting uit.
     Toen werd ik zenuwachtig. Hoe meer het verhaal vorderde, hoe dichter het happy end binnen handbereik kwam. Maar zagen de makers van de serie het ook zo? Ik ben tot het einde van de aflevering, tegen beter weten in, blijven hopen op een gelukkige afloop. En zie, tijdens de aftiteling komt alles goed. Of toch een beetje, want het blijft Black Mirror.

woensdag 28 maart 2018

Onverdraagzaam links, verdraagzaam rechts?

Links stelde een petitie op tegen de Peruaanse econoom De Soto
     In de politiek van vandaag is links, geloof ik,  onverdraagzamer dan rechts. Ach, zo heeft iedereen wel wat. Misschien is rechts wel banger, of ongevoeliger, of hoogmoediger. Maar die onverdraagzaamheid, die zit meer aan de linkerkant. Thomas Sowell vertelt in zijn memoires dat een linkse vriend met hem brak omdat hij zelf, Sowell dus, rechtse opvattingen ontwikkelde. Zelf had Sowell nooit zo’n breuk overwogen. In Duitsland rijst protest als een rechtse uitgever een boekenstandje neerzet op de beurs van Leipzig of Frankfurt. Over linkse boekenkramen maakt niemand zich druk. Op universitaire campussen in Amerika bestormt radicaallinks de podia om rechtse sprekers te verjagen. Zelf kunnen ze met hun vriendjes zogenaamde safe-spaces inrichten zonder dat iemand die onnozele vrijetijdsbesteding komt verstoren.
     Of neem een voorbeeld van bij ons. Laatst was een en ander te doen rond de eredoctoraten van de Gentse universiteit. De faculteit Recht en Criminologie had de Peruaanse econoom Hernando de Soto voorgedragen als kandidaat, een man die al jaren ijvert voor meer eigendomsrechten voor de allerarmsten in zijn land en in de wereld. Die allerarmsten kunnen wel overleven, zegt De Soto, dankzij een halflegale economie, maar ze bezitten geen wettelijke bewijzen dat hun grond, hun hut, hun werktuigen, hun brommer of hun vierdehandse auto wel degelijk van hen zijn. Daardoor hebben ze geen zekerheid, kunnen ze niet lenen, kunnen ze niet investeren en kunnen ze niet vooruitkomen. Als ze die wettelijke bewijzen willen verkrijgen, moeten zij een jarenlange tocht ondernemen door slecht verlichte bureaucratische gangen met meer achterpoortjes dan voordeuren. De Soto adviseert regeringen om daar verandering in te brengen.
      Toen het voorgestelde eredoctoraat van De Soto bekend raakte, stelden een aantal linkse studenten en academici een petitie op om de intrekking van die kandidatuur te verkrijgen. Hoezo? Mocht de econoom dan niet opkomen voor de arme mensen in de Derde Wereld? Dat wel, maar zijn oplossingen waren rechts en verkeerd. Hij kwam op voor individuele eigendomsrechten, in plaats van collectieve, zijn recepten werkten niet altijd en op alle plaatsen even goed, en, als je eenmaal eigendom had, kon je die ook weer verliezen als je te veel schulden maakte. Ook hield De Soto te weinig rekening met duurzaamheid en milieu.* Goed, dacht ik, ik heb het begrepen. Die linksen denken over al die zaken anders dan De Soto. Maar moeten volgens hen dan alleen linkse ontwikkelingseconomen een eredoctoraat krijgen? Ik vond dat erg bekrompen. En waar ik ondertussen niets over hoorde was het eredoctoraat dat  dezelfde universiteit op dezelfde dag zou uitreiken aan de Zweedse klimaatalarmist Johan Rockström. Ik heb van mijn rechtse en minder rechtse klimaatsceptische vrienden niet de kleinste petitie voorgelegd gekregen tegen die kandidatuur. Ik zou ze ook niet ondertekend hebben.
     Ik geef toe, een verbroken vriendschap, een aangevochten boekenstandje, enkele groepen radicaallinkse studenten, een bekrompen petitie tegen een eredoctoraat, het bewijst allemaal niet veel. Misschien hebben rechtse mensen wel andere onverdraagzame praktijken. Misschien hebben zij minder vrienden. Misschien zweren ze samen met de grote uitgevers om linkse boeken van de markt te houden. Misschien proberen ze universiteitsrectoren tussen een hap kaviaar en een slok champagne te overtuigen om linkse docenten en studenten de laan uit te sturen. Dat is allemaal moeilijk in te schatten, vooral als die pogingen niet succesvol zijn.
     Om de onverdraagzaamheid ernstig te onderzoeken is het niet genoeg om te tellen hoe vaak de kreet ‘achterlijke socialist’ of ‘extreemrechtse N-VA’er’ op Facebook voorkomt. Je zou eigenlijk een groep van, zeg, duizend mensen een vragenlijst moeten voorleggen. Die groep zou mensen moeten bevatten van alle leeftijden en niveaus van opleiding, en van alle soorten herkomst en afkomst. En ze zouden van een hele reeks uitspraken moeten aangeven, op een schaal van 1 tot 5, of ze ermee akkoord gaan of niet. Zo zou je te weten komen wie rechts is en wie links,  en wie een beetje rechts is en wie een beetje links** – op voorwaarde natuurlijk dat je als onderzoeker zelf eerst weet wat die begrippen betekenen. En daarna zouden dezelfde mensen met een tweede reeks vragen, met alweer geschaalde antwoordmogelijkheden, over hun verdraagzaamheid aan de tand worden gevoeld. Ik zou aan zo’n onderzoek niet willen deelnemen, en ik zou het ook niet willen uitvoeren. En mocht het al gedaan zijn, ik zou het misschien niet eens lezen. Je zou er niet uit leren wie gelijk heeft, links of rechts, en dat verdraagzaamheid beter is dan onverdraagzaamheid weten we ook zonder onderzoek.
     Leuker vind ik het om de zaak a priori te bekijken. Even afgezien van de feitelijke toestand, stel ik mij de vraag: zijn er redenen waarom linkse mensen gemiddeld onverdraagzamer moeten zijn dan rechtse mensen? Ik geloof het wel. Ten eerste is links idealistischer en meer geïnteresseerd in de wereld zoals hij zou moeten zijn, en rechts realistischer en meer geïnteresseerd in de wereld zoals hij is. Het ligt in de natuur der dingen dat een realist minachtend het hoofd schudt over de dromer, terwijl de idealist boos wordt op de hufter die de mooie droom verstoort. Boosheid zal, geloof ik, sneller tot onverdraagzaamheid leiden dan minachting.
     Daarmee verwant is de linkse neiging om politiek met moraal gelijk te stellen. Politiek zonder morele basis en zonder morele doelstellingen is waardeloos, maar linksen gaan een stapje verder. Ze geloven dat een politiek beleid moet worden afgestemd op goede bedoelingen, hun goede bedoelingen, en als tegenstanders bezwaren maken tegen dat beleid, verdenken ze die tegenstanders dan maar meteen van het tegenovergestelde, dat wil zeggen van kwade bedoelingen. Tegen lieden met kwade bedoelingen, zo redeneren ze verder, is verdraagzaamheid ongepast.***
     Vervolgens leven linksen meer, of iets meer, in een opiniebubbel dan rechtsen. Opiniemakers zijn in het huidige tijdsgewricht eerder links, zoals ordehandhavers wellicht eerder rechts zijn. Die linkse opiniemakers creëren een kunstmatige consensus, een blue pill-wereld waarin afwijkende stemmen – rechtse stemmen dus – als onaangename, vreemde, dissonante klanken worden waargenomen.  Het is het soort wereld waarin de filmcritica Pauline Kael woonde, die ‘niemand kende die voor Nixon gestemd had’. Een rechtse ziel vindt van zijn kant de linkse stemmen in de media ook onaangenaam, erg onaangenaam zelfs, maar ze zijn ten minste niet onbekend of vreemd of dissonant.
     Ten slotte, en hier zou ik zelf nooit zijn opgekomen, blijken rechtse mensen, of althans conservatieven, met meer verschillende morele waarden rekening te houden dan linksen. Jonathan Haidt heeft ontdekt dat linksen geneigd zijn alle morele waarden herleiden tot één waarde: het zorgzaam omspringen met elkaar.**** Dat is de waarde die Jezus van Nazareth heeft samengevat in de slagzin ‘gij zult uw naaste beminnen als uzelf’ en Schopenhauer in het minder ambitieuze ‘doe niemand kwaad’. Rechtsen daarentegen zijn ook wel gevoelig voor die zorgzaamheid maar daarnaast zijn ze in gelijke mate gehecht aan gerechtigheid, trouw, gehoorzaamheid en zedelijkheid. Dat betekent dat een rechtse zak wel aanvoelt wat een linkse rakker met zijn zorgzaamheid bedoelt, maar dat een linkse rakker amper aanvoelt wat gerechtigheid, trouw, gehoorzaamheid en zedelijkheid ermee te maken hebben.
     ’t Is eigenlijk wel mooi, zo’n a priori-benadering. Maar of de conclusie van het onverdraagzame links en het verdraagzame rechts ook juist is, dat is een andere vraag. Iemand zou het eens moeten uitzoeken. Met een vragenlijst aan duizend mensen of zo.

    
* De Soto werd ook beschuldigd van samenwerking met de Fujimori-dictatuur in Peru, terwijl hij juist ontslag nam als regeringsadviseur toen Fujimori zijn staatsgreep pleegde.

** Je zou de cesuur dan mooi in het midden van de groep moeten plaatsen, en aan de twee kanten ervan een gelijk percentage voorzien voor de gematigde en de extreme fractie.

******Jurgen Ceder formuleerde die gedachte lichtjes anders: ‘Links wil goed lijken. Rechts wil gelijk hebben. Wanneer je denkt dat iemand anders’ opvattingen gebaseerd zijn op verkeerde feitelijke inzichten kan je dat ergeren, maar hoeft dat niet tot persoonlijke vijandelijkheid te leiden. Wanneer je er echter van overtuigd bent dat zijn andere politieke opvattingen het gevolg zijn van boosaardigheid, dan is het gemakkelijker hem te demoniseren en geen enkele verdraagzaamheid meer op te brengen.’

**** Liberalen hebben dan weer, volgens Haidt, de neiging om alle waarden te herleiden tot die ene waarde van vrijheid. Die neiging herken ik.

zaterdag 24 maart 2018

Liegt John Crombez?

     Ik behoor niet tot de jongens die bij mooi lenteweer de blauwe lucht afspeuren naar straaljagers. Als ik er toevallig een paar zie, grom ik alleen goedkeurend : ‘The fair weather brings them out.’ Maar dat is maar een spotternij. Een van de redenen waarom ik geen minister van Defensie wil worden is dat je dan een paar keer moet meevliegen met zo’n tuig, zodat de kranten daar een foto van kunnen publiceren. Maar ik word al misselijk in een tuimeltrein op de kermis.
     De rel rond de straaljagers is mij dus goeddeels voorbijgegaan. Wat Van der Maelen gezegd heeft, en wat Van de Put geantwoord heeft en wie wat verzwegen of gelekt heeft, ik heb er weinig mee. En dan struikelde ik op Facebook over een boodschap van John Crombez. Wat zou jij doen met 15 miljard euro, vraagt John: 1100 nieuwe scholen bouwen of een stel gevechtsvliegtuigen kopen van het F-35-type? Met een hartje en een boos gezichtje maakt John duidelijk wat híj zou doen als het van hem afhing.
     Dat berichtje was niet helemaal in de haak. Ik zal niet zeggen dat John liegt. Als John beweert dat nieuwe scholen hem blij maken en dat  hij droevig of boos wordt van gevechtsvliegtuigen, dan geloof ik hem op zijn woord. De zielenroerselen van John zijn zijn eigen zaak. Every man’s duty is to his king, but every man’s soul is his own, zei de Bard. Of wil John met zijn hartje en zijn boos gezichtje suggereren dat hij nooit in een regering zou stappen die gevechtsvliegtuigen of oorlogshelikopters koopt? Dat is wat anders. Het zou me, in het licht van 70 jaar na-oorlogs socialisme, heel erg verwonderen, maar het kan. Toch wordt het bericht nog altijd geen leugen als John volgende keer met zijn partij in een regering stapt die zelf ook vliegtuigen van het F-35-type bestelt, of van een ander type dat beter in de smaak valt van zijn Waalse kameraden. John zou in die regering nog altijd boos of verdrietig kunnen zijn.
     Het is iets anders wat me stoort. John spreekt van 15 miljard. Waar haalt hij dat nu weer vandaan? Die nieuwe vliegtuigen zijn begroot op 3,5 miljard. Met 3,5 miljard kun je ook veel scholen bouwen, maar toch heel wat minder dan met 15 miljard. Hoe kom je nu aan een verschil van 15 - 3,5 = 11,5 miljard, vroeg ik mij af. Professor Luc De Vos, een man van grote pedagogische bekwaamheid, legt het mij allemaal netjes uit in Het Laatste Nieuws van vandaag. Die 3,5 miljard, zegt hij, is de aankoopprijs van de vliegtuigen; die andere 11,5 miljard, dat zijn kosten voor ‘opleiding, training, onderhoud, infrastructuur van de twee basissen en alle lonen van de manschappen die zich [de volgende 40 jaar] met de straaljagers [gaan] bezighouden.’ De Vos had deze keer voor zijn uitleg zelfs geen aanwijsstok of zandbak nodig. Ik had het begrepen. Die 11,5 miljard ‘verschil’, dat is de som die we ook moeten uitgeven als we met veertig jaar oude F-16-toestellen blijven vliegen. Het is een som die dus helaas in geen geval naar nieuwe scholen gaat.
     We moeten niet elk cijfer van De Vos als onbetwistbare waarheid aannemen. Tegenstanders van de F-35 betogen dat de tuigen, met nieuwe opleiding en software eerder 5,3 miljard zullen kosten dan 3,5 miljard. Dat lijkt mij heel goed mogelijk. Alles kost uiteindelijk meer dan je begroot hebt. Dat zal overigens ook wel zo zijn met de 1100 scholen van Crombez.
     Er is nog iets. Zo’n berichtje als dat van Crombez geeft je onbewust de indruk mee dat er veel te veel geld gaat naar leger, soldaten en kazernes en veel te weinig naar onderwijs, leraren en schoolgebouwen. Is die indruk juist? Ik heb voor de zekerheid de cijfers eens opgezocht. We geven jaarlijks ongeveer 4 miljard uit aan het leger, en 19 miljard aan het onderwijs. Een verhouding van één of vijf. Nu kun je zeggen: dat eerste is nog altijd te veel en het laatste nog altijd te weinig. Best mogelijk. Ik weet dat niet. Als iemand zegt dat we geen énkele euro moeten uitgeven aan het leger, zal ik daarover niet redetwisten. Legeruitgaven zijn een onderdeel van een internationaal spel, met onbetrouwbare bondgenoten en mogelijke vijanden, een spel dat als doel heeft om een volgende oorlog zo lang mogelijk uit te stellen. Ik heb daar niets over te melden. Komen die onderwerpen op tafel, dan druk ik mijn snor. ’k Ga meteen low profile en je krijgt me niet uit mijn tent. Maar ’k heb wel graag de goede cijfers.
     Er zijn eigenlijk twee soorten cijfers die ik vervelend vind. De eerste zijn de cijfers die in een eindeloze stroom op je worden losgelaten. De vroegere PVDA-voorzitter Ludo Martens was daar goed in. Bij zo’n 1-meiredevoering van hem werd je ondergedompeld in een zee van cijfers waarin zelfs een vis zou verdrinken. En de tweede zijn de geïsoleerde cijfers, cijfers zonder context die je als leek moeilijk kunt plaatsen: 15 miljard voor gevechtsvliegtuigen, een pensioenschuld van 1500 miljard euro … Daar heb ik niet veel aan. Die cijfers zijn meestal niet gelogen, maar zij zijn vaak wel bijzonder goed gekozen, en niet altijd van die aard dat ze de zaken verhelderen.
     Ik voor mij heb liever cijfers van gehelen.* En als het over geld gaat, mogen die liefst met het bruto binnenlands product vergeleken worden. Het budget voor ontwikkelingshulp is geloof ik 0,5 procent van het BBP. Het defensiebudget is  0,91. Het onderwijsbudget is 4,4 procent. En dat van pensioenen is 11 procent. Van die vier zal vooral het laatste nog flink stijgen in de komende jaren.

* Ooit vond ik leuke cijfers over de verdeling van de rijkdom in Nederland. De 10 % rijksten verdienen er 30 % van alle inkomens, bezitten 55 % van alle vermogens en betalen 70 % van alle belastingen. Zulke cijfers kan ik onthouden. Zouden die voor ons land ook te vinden zijn?

woensdag 21 maart 2018

Récht op mijn pensioen

     Ik behoor tot de club van de babyboomers. Of je die naoorlogse generatie nu strikt omschrijft – geboren tussen 1945 en 1955 – of er voor de zekerheid ook nog de volgende tien geboortejaren bijtelt, ik hoor erbij. Ik ben geboren in 1955.
     Over die generatie wordt veel slechts verteld, onder andere op de Facebook*. De babyboomers, las ik, zijn profiteurs die stelen van de volgende generatie. Ze hebben te weinig gewerkt, te weinig belasting betaald en te veel uitgegeven. Ze hebben in het zwart bijgeklust. Ze hebben een huis gekocht voor 50 000 euro en ze verkopen dat nu belastingvrij voor 200 000 euro. Ze laten een staatsschuld na die even groot is als het jaarlijkse bruto nationaal product. Ze gingen op 55 op pensioen en ze zijn van plan om tot 90 te blijven leven. Zelf hebben ze tijdens hun beroepscarrière elk twee gepensioneerden onderhouden en nu vragen ze dat iedereen van de volgende generatie er zes onderhoudt. Ik vond dat misschien een beetje overdreven, maar er stak ook veel waarheid in de aanklacht en ik heb het bericht geliket.
    Wat later echter las ik op hetzelfde Facebook een welsprekend antwoord. De babyboomers, dat waren de stakkerds die zich blauw moesten betalen om een keertje per vliegtuig te reizen,  die bij hun afstuderen gingen werken om het ouderlijk gezin te ondersteunen, die eerst tien jaar met de fiets rondreden voor zij zich een gezinswagentje aanschaften. Het waren de zielenpoten die na vijftien jaar sparen een bouwlening aangingen tegen 12 procent, waardoor ze uiteindelijk het dubbele van de oorspronkelijke prijs betaalden. Daartegenover staan de verwende knapen van generatie X (geboren tussen 1965 en 1980) en de millennials (geboren tussen 1980 en 2000). Dat zijn de gozers die met het vliegtuig reizen voor de prijs van een treinticket, die zich na hun afstuderen in hotel Mama installeren, die hun loon of uitkering voor zichzelf houden, en die, als ze nog maar net getrouwd zijn, meteen al over twéé gezinsauto’s beschikken en daar bovenop nog een pastoriewoning laten bouwen met een lening tegen 1,5 %. Ook dat antwoord was wellicht overdreven, maar ik heb het bericht toch geliket omdat ik veel van die toestanden zelf heb meegemaakt of gezien heb bij anderen.
     Als babyboomer ga ik binnen twee jaar op pensioen en nu begin ik mij zorgen te maken. Er wordt mij verteld dat de hoogte en de uitbetaling van dat pensioen welbeschouwd een kwestie is van solidariteit tussen de generaties. De jongere generatie betaalt goedgezind voor het onderhoud van de oudere omdat ze weet dat ze zelf ooit die oudere wordt. En dat is allemaal mooi wettelijk vastgelegd.
     Die solidariteit vind ik prima maar na de woordentwist van hierboven tussen babyboomers en millennials ben ik er niet gerust meer in. Op zo’n bouwgrond van solidariteit zet je, vrees ik, geen pastoriewoning. Een wettelijke regeling biedt meer vastigheid, maar – helaas – ook wetten kunnen gewijzigd worden. Als de verwende millennials hun luxeleventje bedreigd zien door al te hoge bijdragen, dan zouden ze wel eens en masse voor een anti-pensioenpartij kunnen stemmen om zo de profiterende babyboomers een pittig lesje te leren. Ik zeg niet dat zoiets zál gebeuren, maar áls zoiets gebeurt, dan zullen mooie woorden over solidariteit niet genoeg zijn om dat tegen te houden.
     Eigenlijk komt het hierop neer. Welk pensioensysteem er ook gevolgd wordt, er is altijd een deel van de bevolking dat werkt en consumeert, en een deel dat alleen consumeert. Het werkende deel van de bevolking bakt brood, koffiekoeken en taartjes en dat lekkers moet worden verdeeld onder datzelfde werkende deel én het gepensioneerde deel. Er bestaat een oude, eerbiedwaardige manier om die verdeling tot stand te brengen en dat is het eigendomsrecht. Dat is iets moois. Het geld dat je verdient is van jou en je koopt daar zoveel koffiekoeken voor als je wilt. Een deel van dat geld spaar je om later, als je niet meer werkt, nog altijd koffiekoeken te kunnen kopen. Als je veel gespaard hebt, kun je later veel koffiekoeken kopen, en als je weinig gespaard hebt moet je je op je oude dag tevreden stellen met brood van de Aldi. En om zeker te zijn dat iedereen genoeg spaart, en dat niemand alleen brood van de Aldi moet eten, kan dat sparen desnoods bij wet worden opgelegd en geregeld.
     Een pensioensysteem volgens het eigendomsrecht, zoals ik hierboven heb uitgetekend, noemt men een ‘kapitalisatiestelsel’. In Holland, waar het stelsel van kracht is, spreekt men van ‘kapitaaldekking’. Wat de straatveger of de nefroloog spaart voor zijn pensioen is en blijft zijn eigendom. Dat geld wordt op de een of andere manier geïnvesteerd, en op een zekere leeftijd – die de straatveger of de nefroloog liefst zelf mag kiezen – krijgt hij een rond bedrag van tienduizenden of honderdduizenden euro’s. Hoe langer hij gewerkt heeft, en hoe meer hij heeft afgedragen, hoe hoger dat bedrag.
     Er is ook een tweede mogelijkheid. In plaats van een rond bedrag, krijgt de gepensioneerde burger een lijfrente die berekend wordt op dat ronde bedrag. Hij geeft bij wijze van spreken zijn geld aan een private of openbare verzekeringsinstelling, en in ruil daarvoor krijgt hij een vaste maandelijkse uitkering. De burger gaat daarbij een soort weddenschap aan op zijn levensverwachting. Leeft hij na zijn pensionering nog slechts enkele jaren, dan wint de instelling. Wordt hij zo oud als Methusalem, dan wint de burger. Een dergelijk stelsel wordt natuurlijk zó berekend dat de verzekeringsmensen ietsje meer kans maken om te winnen dan de burger, want zij hebben de wet van de grote getallen achter zich. Met dat ietsje meer kans, kunnen zij overigens heel rijk worden, volgens het principe van Theofiel Boemerang: kleine procentjes, rijke ventjes**. De gemiddelde pensioentrekker daarentegen verliest een kleinigheid, maar daarvoor geniet hij de zekerheid van het ‘win-for-life’-principe. Zelfs de liberale econoom Friedrich Hayek verkoos les te geven aan een universiteit die een veilige lijfrenteregeling aanbod in plaats van een risicovol rond bedrag dat vroeg of laat opgesoupeerd kan raken. Hayek had, zoals wel vaker, gelijk, want hij werd 93. En ook die lijfrente kan desnoods wettelijk geregeld worden zodat elke burger minstens gedeeltelijk in het veilige systeem stapt. Als het moet kan zelfs een staatswaarborg worden afgesproken.
     Indertijd werd bij ons, anders dan in Nederland, niet gekozen voor de kapitalisatie, maar voor de zogeheten repartitie. Dat stelsel werkt niet volgens het solide beginsel van het eigendomsrecht, maar volgens het vluchtige beginsel van de solidariteit. Wat de werkende betaalt, wordt niet opzij gelegd voor zijn eigen latere pensioen, maar wordt rechtstreeks doorgestort aan de huidige gepensioneerden. De werkende moet erop vertrouwen dat de volgende generatie even solidair, of even volgzaam, zal zijn als de zijne.
     De keuze voor repartitie was, geloof ik, een fout, en zo’n fout achteraf rechtzetten is een heel karwei. Misschien kan links daarbij meehelpen. Links beschouwt de rechtse partijen als anti-pensioenpartijen. Ik geloof dat dat een foute inschatting is. Maar stel dat links gelijk heeft en dat die centrumrechtse partijen inderdaad anti-pensioen zijn, zou links dan niet beter meehelpen om de toekomstige werknemerspensioenen in veiligheid te brengen achter de betrouwbare muren van het eigendomsrecht? Voor zo’n stevig metselwerk kan centrumrechts immers nog altijd enig ontzag opbrengen.

* Met name op de pagina van Filip De Mey. Het antwoord dat ik verder parafraseer vond ik bij Michel Berger.

** Vandersteen, W. (1959), De Texasrakkers, passim.

zondag 18 maart 2018

De verplichte kinderopvang van de SP.a

     Het was gezellig vanmorgen aan de ontbijttafel. Omdat twee van de drie aanzittenden ook af en toe hun mobieltje raadpleegden bleven we op de hoogte van het nieuws en kwam het gesprek op het socialistisch congres van gisteren. Daar was een voorstel ingediend om kinderopvang verplichtend te maken: minstens één dag vanaf zes maanden, twee dagen vanaf één jaar, en drie dagen vanaf twee jaar – liefst in grote, door de staat goedgekeurde of door de staat beheerde crèches. En nu was dat voorstel volgens onze mobieltjes niet goedgekeurd. We vonden dat jammer want er wordt veel te weinig gelachen in de politiek en hier werd een mooie kans om te ginnegappen de nek omgewrongen. In de plaats van een verplichte stelden de socialisten nu een gratis kinderopvang voor. Gratis. Wie dáár nog om lacht, is wel heel gemakkelijk te vermaken.
     Maar niet alle nieuws dat van het congres kwam was om te lachen. De socialisten hadden ook een voorstel om de kleuterschool vanaf drie jaar verplicht te maken, en dat voorstel werd wel goedgekeurd. Dat was andere koek. Mijn vrouw was er helemaal vóór, en omdat ik wat moeilijk deed, maakte ze aanstalten om haar zienswijze te beargumenteren. Dat was niet nodig, want Jan kwam tussenbeide. ‘Als men iets van bovenaf wil verplichten, en papa begint niet meteen te roepen, dan is dat bewijs genoeg dat hij er eigenlijk ook vóór is.’ Dat had Jan goed samengevat. Die jongen zal het nog ver brengen.
     Ik begrijp inderdaad maar al te goed wat de voordelen zijn van die verplichte kleuterschool. De socialisten spreken geheimzinnig van een ‘gelijke start te geven’ aan ‘bepaalde kinderen’ zodat die niet ‘op school beginnen met een niet op te halen achterstand’. Maar mijn vrouw en ik en uzelf, beste lezer, weten wie die ‘bepaalde kinderen’ zijn. Het zijn migrantenkinderen die thuis amper Nederlands horen en dan op zes- of zevenjarige leeftijd in een klas komen waar onderwijs in het Nederlands wordt gegeven. Het ware inderdaad een goede zaak als met dat Nederlands al drie jaar vroeger werd begonnen.
     ’t Zou natuurlijk wat kosten. Als de migrantenkinderen erbij komen, kan het kleuteronderwijs in onze grote steden op korte tijd verdubbelen, waardoor het aantal kleuteronderwijzeressen ook zou moeten verdubbelen – of misschien zelfs verdriedubbelen, want met dat Nederlands erbovenop wordt hun pedagogische opdracht gevoelig uitgebreid. Maar als er iets is waar ik wél voor wil betalen, is dat voor een betere integratie van de migrantenkinderen.
     Maar hoe zit dat dan met die verplichting waarzonder het algemene kleuteronderwijs er niet komt? Is dat geen aanslag op de vrijheid? Ik geef toe, dat blijft een vies beestje. Maar misschien kunnen we het op een akkoordje gooien. We hebben nu een leerplicht tot de leeftijd van achttien jaar. Voor veel kinderen is dat te lang. Zij willen niet studeren, zij willen werken en geld verdienen. Als we nu eens die leeftijd met twee of drie jaar verkortten? Kinderen die willen verder leren tot achttien jaar en langer, die zullen dat ook doen zonder verplichting. En kinderen die alleen op school blijven omdat het verplicht is, leren in die drie jaar heel weinig bij. Die zouden beter – als ze enkele jaren hebben gewerkt en als hun prefrontale cortex beter is ontwikkeld – bijscholingen volgen waarvan ze het praktisch nut zelf kunnen vaststellen.
     Als we het zo aanleggen, neemt de totale onvrijheid in de samenleving niet toe. De verplichting om te leren wordt niet zozeer vermeerderd dan wel verschoven. Er komt drie jaar verplichting bij aan de benedenkant en er gaat drie jaar verplichting af aan de bovenkant. In de taal van de manager heet dat ‘something in, something out’.

zaterdag 17 maart 2018

De Wever, het oude Rome en de snel-Belgwet

     Over het Romeinse staatsburgerschap heb ik nogal romantische opvattingen. Ik stel mij voor dat er een tijd is geweest dat je de hele bekende wereld  bereizen kon, en als je dan belaagd werd door struikrovers of soldaten van een schurkenstaat, dat het dan voldoende was om luid te verkondigen ‘Civis romanus sum’, zoals de apostel Paulus ooit deed. De struikrovers of soldaten dropen dan af. Met het doden van een Romeins staatsburger riepen ze immers een vreselijke wraak over zich af. Als de Romeinen een strafexpeditie uitstuurden, dan werden niet alleen de daders gedood, maar ook de ouders, broers, zussen, kinderen, en iedereen die in de buurt woonde, behalve dan diegenen die zelf Romeins staatsburger waren. Die moesten dan flink roepen van ‘Civis romanus sum’ en ze werden gespaard, of hadden minstens recht op een proces volgens de regels.
     Of dat allemaal zo geweest ik weet ik niet. Maar íets moet dat staatsburgerschap toch hebben voorgesteld. En ik neem aan dat je het niet zomaar cadeau kreeg, behalve als je ouders zelf ook stamboom-Romeinen waren. Bart De Wever heeft daar laatst iets over gezegd in een interview dat hij gaf aan het Franstalige tijdschrift Wilfried. Welja, je zou het zo gek niet kunnen verzinnen, maar er bestaat een Franstalig tijdschrift dat Wilfried heet.
      In dat tijdsschrift vertelt Bart De Wever – naar het schijnt – honderduit over de Romeinen in het algemeen en over de dappere veldheer Caesar en de sluwe keizer Augustus in het bijzonder. Vroeger, vertelt De Wever, wou hijzelf zo dapper zijn als Caesar; nu echter wil hij liever zo sluw zijn als Augustus. En omdat De Wever in de eerste plaats politicus is, voegt hij er nog aan toe dat die sluwe Augustus, net als zijn lepe opvolger Claudius trouwens, verstandiger omging met het staatsburgerschap dan wij hebben gedaan met onze snel-Belgwet.
     Toen ik over dat interview las, dacht ik meteen: er zijn er die zoiets niet over hun kant zullen laten gaan. Ik had mij niet vergist. Tom Naegels reageerde met een aantal geestige posts op zijn Facebookpagina die erop neerkwamen dat we voor onze ons mobiliteitsplan, onze derdebetalersregeling voor artsen en onze immigratiepolitiek ook niet te rade gaan bij de Azteken, de Borgia-pausen en de keizers van de Han-dynastie. En dat doet Tom allemaal zonder de naam Bart De Wever te vernoemen. Kijk, zo moet je dat doen.
     Jeroen Wijnendaele daarentegen, die nochtans post-doctoraal onderzoeker is binnen de vakgroep geschiedenis van de Gentse universiteit, moet nog veel leren. Hij reageerde in De Standaard en in dát stuk kwam de naam De Wever wel elf keer in voor, als we ook de kop, de lead en de tussentitels meetellen. Tussen al die gratis reclame door, smokkelde de post-doctorale onderzoeker een paar kritische opmerkingen binnen: de historische vergelijkingen van De Wever geleken op de frietjes van McDonald’s, de Romeinen hebben met het edict van Caracalla zelf het voorbeeld gegeven door een snel-Romeinwet* af te kondigen, en het oude Rome kan met zijn slavernij en zijn ongelijkheid van man en vrouw niet als voorbeeld dienen voor onze democratische maatschappijen. Wijnendaele besluit dat De Wever gebuisd is voor zijn kennis van de Romeinse geschiedenis.
     Dat zijn allemaal nogal stellige beweringen. Ik van mijn kant zie bijvoorbeeld niet wat er mis is met de frietjes van McDonald’s. Wijnendaele vindt de porties te klein. Dat hangt volgens mij van je eetlust af. De ‘medium’ portie en de ‘grote’ portie vind ik heel behoorlijk. Ook staat de jonge academicus, naar mijn smaak, te snel klaar met zijn buizen. De Wever spreekt over de regeringen van Augustus en Claudius, en Wijnendaele spreekt over Caracalla, twee eeuwen later. Toch zou ik, als leraar Nederlands, voor die verwarring niet meteen een buis geven. Eerder zou ik de jongen met een bijkomende vraag de kans geven om de verschillen tussen die twee periodes mondeling toe te lichten. Als hij het er goed afbrengt, krijgt hij van mij alsnog een negen.
     Verder doet Wijnendaele alsof De Wever het oude Rome als argument gebruikt om een strikte burgerschapspolitiek te bepleiten. Hier haalt de postdoctorale onderzoeker, geloof ik, verschillende teksttypes door elkaar. Wat De Wever in het interview allemaal vertelt lijkt mij meer aan te leunen bij bezinning dan bij argumentatie. De Wever denkt na over zichzelf en herkauwt daarbij leven en werk van Caesar, Augustus en Claudius – zoals Amerikaanse presidenten vroeger, vóór Trump, wel eens mijmerden over Washington, Lincoln of Teddy Roosevelt. Argumenten en praktische richtlijnen kun je daar niet uithalen, wel een zekere stijl en, als je daar aanleg voor hebt, een stuk wijsheid.
     Dat van die verschillende teksttypes zal de postdoctorale onderzoeker wel begrijpen als hij even nadenkt. Ik wil voor de zekerheid nog enkele voorbeelden aanreiken. De Wever kan best in een algemeen bezinnend interview spreken over ‘de’ Romeinen, zonder daar telkens bij te vertellen over welke periode hij het juist heeft. In een historisch essay zou dat misplaatst zijn. Zo kan ook onze postdoctorale onderzoeker in een polemisch stukje in Knack gerust beweren dat het edict van Caracalla, waarvan hij eerst toegeeft dat de motieven onzeker zijn, dat dat edict dus twee generaties later voor de redding van het Romeinse rijk zorgde. De redding nog wel. Ik neem aan dat hij in een wetenschappelijk tijdschrift zo’n pittige uitspraak met de nodige caveats zou hebben afgeschermd.
     En zo kan ikzelf ten slotte in mijn soort stukje van alles beweren over een interview met De Wever dat ik maar ken van enkele fragmenten. Waar zou je dat Wilfried-blaadje eigenlijk kunnen kopen?

 
* Die stelling van Wijnendaele wordt betwist door Paul Cordy. Ook goed. Ik bemoei me er niet mee.

donderdag 15 maart 2018

De mondaine feestjes van Marcel Proust

     Menig Proustlezer zal, net als ik, opgelucht ademhalen als Swann of Marcel zich naar een mondain feestje begeeft.* Het onderwerp van de seksuele jaloezie wordt even verlaten, de stijl ontspant zich, er komt ruimte voor wat spreektaal, de zinnen worden korter en je moet minder vaak in de tekst terugkeren om te weten of ‘son’, ‘sa’, ‘lui’ en ‘l-apostrophe’ verwijzen naar de dame dan wel naar de heer die voorafgaand ter sprake kwamen.**
     In Du côté de chez Swann hebben we natuurlijk de onvergetelijke ‘avondjes’ van de onnozele Verdurins, die met elkaar wedijveren in om ter langst lachen om de geestige opmerkingen van henzelf of die van hun gasten. Alletwee hebben ze hun trucjes. Madame bedekt haar gezicht met de handen en schokt daarbij met de schouders, en Monsieur doet alsof hij zich in de rook van zijn pijp verslikt en eindeloos moet hoesten.
     Ja, die avondjes bij de de Verdurins zijn onovertroffen. Maar een feestje bij Mme de Sainte-Euverte, wat verder in het boek, is anders ook niet mis. Proust beschrijft één voor één de oogglazen van de mannelijke gasten, die bij chique gelegenheden hun bril thuislaten, en brengt verslag uit van wat die oogglazen aanrichten in het gezicht van de dragers ervan. Dat is bij iedereen anders. Er wordt op het feestje ook muziek gespeeld – veel Chopin – en Proust merkt op dat die componist toen – rond 1880 – uit de mode was. Dat doet mij plezier, want ik hou niet van Chopin. Ik reageer op die muziek zoals bij Proust de jonge Mme de Cambremer ‘qui souffrait quand elle en entendait jouer’.
     Rond die naam ‘Cambremer’ weeft Proust een mooi scènetje. De mooie, geestige, hooggeboren Mme de Guermantes is in al haar goedheid bereid gevonden om een half uurtje acte de présence te geven op het feest. Ze is aan het praten met een generaal die zijn ogen niet kan afhouden van de jonge Mme de Cambremer. Hij zou liever met haar in bed liggen, zegt hij, dan opgegeten worden door de wilden. Mme de Guermantes heeft daar begrip voor, maar merkt op dat ‘Cambremer’ toch een wonderlijke naam is. Dat begrijpt de generaal niet goed. ’t Is een oude, degelijke naam, vindt hij. Maar goed, die Guermantes hebben veel ‘esprit’. Dan moet je aanvaarden dat je niet altijd meteen kunt volgen. ‘Vous n’êtes pas Guermantes pour des prunes,’ antwoordt hij galant.
     Mme de Guermantes gaat dan naar Swann en probeert bij hem haar zelfde geestigheid uit. Deze keer heeft ze meer succes, want er ontspint zich volgend gesprekje.

- Enfin ces Cambremer ont un nom bien étonnant. Il finit juste à temps, mais il finit mal! dit-elle en riant.
- Il ne commence pas mieux, répondit Swann.
- En effet cette double abréviation!...
- C’est quelqu’un de très en colère et de très convenable qui n'a pas osé aller jusqu'au bout.

     Dat is nogal subtiel. Waarom eindigt de naam Cambremer ‘juist op tijd’? Waarom is het een een ‘dubbele afkorting’? Waarom zou je de naam willen uitspreken ‘als je erg boos bent’, en waarom zou je niet tot het einde durven gaan ‘als je erg fatsoenlijk bent’? Wie de zeventiende voetnoot gelezen heeft bij mijn stukje ‘Aanschouwelijk geschiedenisonderwijs’ kent het antwoord op die vragen. De uitdrukking ‘le mot de Cambronne’ is een eufemisme voor het vloekwoord ‘merde’. ‘Cambremer’ is dan, in de lezing van Mme de Guermantes en Swann, een samenvoeging van Cambr(onne) en mer(de). Verder moet je het niet gaan zoeken.
     Veronderstel nu, lieve lezer, dat je in een gezelschap komt waar dergelijke subtiliteiten schering en inslag zijn. Je hebt geen idee waarover het gaat, en toch word je om je mening gevraagd. Het beste wat je kunt doen is dan zeggen zoals Mme de Guermantes:  ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’  Je moet die woorden enigszins uit de hoogte uitspreken. Probeer het maar eens: ‘Je n’ai pas de lumières à ce sujet.’ Als de lezer van het mannelijk geslacht is, moet hij daarbij ook een oogglas dragen. Het effect zal vernietigend zijn.

 
*Het half jaartje Proust dat ik in de eerste kandidatuur gedoceerd kreeg van Roland Beyen bestond hierin dat de brave professor een stukje voorlas uit zo’n feestscène, onbedaarlijk begon te lachen, zich verontschuldigde met een ‘c’est tellement drôle’, en dan weer verder ging met lezen tot de volgende lachbui. Veel tijd voor diepergravend commentaar bleef er op die manier niet over.

**Die lange, opzettelijk moeilijke zinnen vond ik ook bij andere ‘modernisten’ zoals de late Reve (Op weg naar het einde), de late Salinger (Raise High the Roofbeam) en Thomas Pynchon.

zaterdag 10 maart 2018

Bedorven vlees en de toekomst van het vegetarisme

     Ik heb altijd een lichte huiver gevoeld voor zoogdiervlees*, en ik eet het maar af en toe, en in bescheiden hoeveelheden. De Franse filosoof Sartre had dat ook, geloof ik, en als hij dan toch vlees at, dan koos hij voor een bereiding die niet deed denken aan spierweefsel van een beest, of aan herkenbare organen. Gehakt, een hamburger, worst, fijne vleeswaren, dat kon er nog mee door. Ik herken dat.
     Mensen als Sartre en ik zitten met een probleem, want juist in dat bewerkte vlees zit veel viezigheid. Gewetenloze kerels uit de sector gooien er rottend afval in**, vol microben en bacteriën, strooien er handvollen scherpe kruiden en kleurstoffen over, malen alles fijn, en verpakken het in een zwart schaaltje uit kunststof. Een wit schaaltje kan ook, maar dat vind ik er minder smakelijk uitzien.

     Je gaat er niet makkelijk dood aan gaat, geloof ik, aan dat bedorven vlees. Wel kun je er ziek van worden, maar dat kun je ook van beschimmeld brood of ranzige kaas. Daarom moet je oppassen als je ’s morgens, maar half wakker, je boterhammendoos vult, en ’s middags die boterhammen opeet in een halfduister café. Ik weet dat uit ervaring. Maar op één of andere manier lijkt ranzige kaas en beschimmeld brood minder erg dan rottend vlees. Het was door het rotte vlees dat de Russische matrozen van 1905 in opstand kwamen, hun officieren over boord gooiden en koers zetten naar Odessa met de rode vlag in de mast. Zouden ze dat ook gedaan hebben voor beschimmeld brood en ranzige kaas? Ik betwijfel het.
     Gisteren waren op de televisie beelden te zien uit de vleesverwerkingsindustrie. Arbeiders in witte pakken waren opgehangen karkassen aan het uitbenen met grote messen. ’t Is een werk dat ik niet graag zou doen. Er werd vreselijk snel gewerkt, je wist dat het in die werkplaats erg koud was, en die opgehangen kadavers wekken mijn weerzin op. Elke keer dat zulke beelden worden getoond, vermoed ik, neemt het aantal vegetariërs, semi-vegetariërs en flexitariërs toe.
     In 1906 bracht Upton Sinclair zijn boek uit The Jungle. De auteur wou zijn lezers overtuigen van de noodzaak om het kapitalistische systeem te vervangen door het socialistische. Hij rapporteerde hoe arbeiders hun huizen niet konden afbetalen. Hij beschreef bijeenkomsten van ontevreden werklieden. Hij liet revolutionaire redenaars aan het woord. Maar wat bleef hangen was de beschrijving van de vleesfabrieken. De afbetalingen, de ontevredenheid en de redenaars bleven spoken in het hoofd van de lezer. De verwerking van de karkassen daarentegen ging rechtstreeks naar zijn onderbuik. Er rolde een golf van protest over het land, met boze stukken in de krant en verontwaardigde tussenkomsten in het Huis van Afgevaardigden. Maar de uitkomst was niet dat het socialisme werd ingevoerd, zoals Sinclair gewild had, of dat er een uitgebreider sociale wetgeving kwam. In plaats daarvan werden wetten goedgekeurd om de hygiëne in de slachthuizen en de vleesverwerking te verbeteren.

    De eeuwwisseling – mensen van mijn generatie bedoelen daarmee die van 1901 – was een tijd van grote hervormingsbewegingen: feminisme, nudisme***, esperantisme, pacifisme, vegetarisme. Die eerste beweging heeft haar doelstellingen ondertussen bereikt. Van die vier laatste zie ik de beste kansen weggelegd voor het vegetarisme. Dat wil zeggen op middellange termijn**** en in het westen. En op voorwaarde dat de televisie nog vaak beelden uitzendt van de vleesindustrie.

 
* In de straat van mijn jeugd, woonden we op tweehonderd meter afstand van een slachterij. Als je je neus even buiten de deur stak en de wind zat slecht, rook je de flauwe geur van bloed. Heeft dat er iets mee te maken?

 ** In een reactie op Facebook bracht Luk Van Braekel mij het mooie woord van Otto von Bismarck in herinnering: ‘Gesetze sind wie Würste, man soltte besser nicht dabei sein, wenn sie gemacht werden.’  

*** Met uitlopers in de nazi-gezinde Kampfring für völkische Freikörperkultur in de jaren dertig.
 
**** Als de vegetariërs eenmaal in de meerderheid zijn, bestaat altijd de kans dat ze hun eetvoorkeuren wettelijk opleggen aan de onverbeterlijke vleeseters. Maar misschien leven we op middellange termijn wel in een verdraagzame, leven-en-laten-levenmaatschappij. Dat zou fijn zijn.