vrijdag 12 juli 2024

Popular vote en zetelverdeling

    Een ideaal verkiezingssysteem bestaat niet. Wat je ook verzint, grote of kleine kieskringen, stemrecht of stemplicht, hoge of lage deelnemingsdrempel, directe of getrapte verkiezingen, een of twee stemrondes, proportionele vertegenwoordiging of winner takes all, het heeft allemaal zijn voor- en nadelen. Het resultaat is dat het aantal behaalde stemmen niet keurig overeenstemt met het aantal behaalde zetels. Er is een verschil tussen de popular vote en het gewicht dat partijen uiteindelijk in de schaal kunnen werpen.

      Ik plaats hieronder enkele grafieken die de uitslag van de laatste verkiezingen in België, Frankrijk en Engeland weergeven. De bovenste rode balk geeft de popular vote weer, en de blauwe balk de behaalde zetels. Alles is in procenten uitgerekend.




     De lezer zal merken dat de zetelverdeling in ons land redelijk meevalt. Alleen PVDA-PTB krijgt precies wat haar toekomt, andere partijen krijgen iets meer of iets minder. Vooral PS, MR en Les Engagés boksen wat boven hun gewicht. Ik heb aan ChatGPT eens gevraagd hoe dat komt, en uit de uitleg heb ik begrepen dat hier geen grote onrechtvaardigheden in het spel zijn*.
      De zetelverdeling in Frankrijk kan ik moeilijker billijken. Het RN is de grootste partij in stemmen en komt slechts op de derde plaats in de zetelverdeling. Het Franse stelsel is in de loop van de 20ste euw acht keer gewijzigd, en een eerlijke zetelverdeling was daar niet altijd de doorslaggevende overweging bij.  Wij leerden op school bijvoorbeeld over de wijziging van 1958. De Gaulle paste het Franse kiesstelsel zo aan dat de districten waar de communistische partij sterk stond, werden opgesplitst in verschillende stukken. Die stukken werden dan bij andere districten werden gevoegd, en wel op zon manier dat de communisten er uiteindelijk net een minderheid vormden. Het resultaat was spectaculair: de communistische partij ging van 150 verkozenen naar 10. Ze behaalde met 20 procent van de stemmen 2 procent van de zetels.
      Ook het Engelse systeem levert een zetelverdeling op die sterk afwijkt van de popular vote. In het Verenigd Koninkrijk haalt Labour, met 34 procent van de stemmen een ruime absolute meerderheid van 63 procent, en behaalt het extreemrechtse Reform-UK met 14 procent van de stemmen minder dan 1 procent van de zetels.
     Goed, ik zei het al, elk systeem heeft zijn voor- en nadelen. In Engeland krijgt de winnende partij een ruime meerderheid waarmee ze, zonder coalities of compromissen, een eigen lijn kan uitzetten. In een ander systeem zou de Thatcher-revolutie niet denkbaar zijn geweest, en als je toevallig een aanhanger van Thatcher bent is dat mooi meegenomen. In Frankrijk kun je dan weer niet alleen vóór een partij stemmen, maar bij een tweede ronde ook tégen een partij. Je kunt bij wijze van spreken een cordon sanitaire door een stemming laten bekrachtigen, wat alweer mooi meegenomen is als je toevallig een voorstander van zon cordon bent. Je moet wel bedenken dat alle regelingen die de zaken scheef trekken in de door jou gewenste richting, zich op langere termijn ook tegen jouw partij kunnen keren. 
     Zelf geef ik de voorkeur aan een parlementaire vertegenwoordiging die ongeveer weerspiegelt hoe de bevolking denkt en stemt. Dat is vooral gemakkelijk als het om buitenlands nieuws gaat. Ik hoor op de televisie over de verpletterende overwinning van Labour, en dan moet ik verschillende sites gaan afspeuren voor ik te weten kom dat de Conservatieven en ex-Conservatieven samen 38 procent van de stemmen halen, tegen 34 procent voor Labour. Ik hoor ook over de verpletterende overwinning van het Nouveau Front Populaire in Frankrijk, en denk dan dat die mensen zoals de naam zegt inderdaad de populairste zijn, terwijl ze in stemmen slechts op de tweede plaats komen, en het amper beter doen dan de partij van Macron, de president die nochtans volgens Mia Doornaert bij veel Fransen persoonlijke haatgevoelens oproept.  
     En ook in eigen land vind ik de popular vote soms verrassend. Vooruit is door zijn zetelaantal het kleine broertje van de PS, maar de twee partijen behalen een vergelijkbaar aantal stemmen. Vooruit haalt zelfs iets meer dan de zusterpartij: 8,11 procent tegen 8,04 procent. 

* Bij het begin van de vorige legislatuur waren er in de Kamer 89 verkozenen in de Nederlandse taalgroep en 62 verkozenen in de Franstalige taalgroep, dus respectievelijk 59 en 41 procent, wat ongeveer overeenkomt met de 60 procent Nederlandstaligen en de 40 procent Franstaligen in België.

Het libertarisme volgens Raf Njotea


   
 De column van Raf Njotea ‘Libertairen beknotten net de vrijheid’ (DS 20/6) heb ik onmiddellijk  uitgescheurd. Ik beschouw mezelf als libertair, dus wou ik wel eens weten wat Njotea zijn argumenten waren. De columnist heeft een en ander opgezocht over Elon Musk en Milei en weet dus ongeveer wat de libertaire overtuiging inhoudt. ‘Vrijheid is het hoogste goed.’ ‘De ideale samenleving is er een met minimale overheidsinmenging.’ ‘Overheidsfinanciering dient alleen voor het leger, de politie en een rechterlijke macht.’ ‘De vrije markt is een ideaal, neutraal en zelfregulerend systeem.’
      Ik heb daar niet veel aan toe te voegen, behalve dat het libertarisme een huis is met vele kamers. Gematigde libertairen zoals ik zijn niet tegen élke vorm van herverdeling of collectieve voorzieningen, en radicale libertairen aanvaarden helemaal geen overheid, ook niet voor leger, politie en gerecht.
      Daar tegenover stelt Raf dat we juist méér staat en overheid nodig hebben. Als ik de mooie frazen en de zinnen die ik niet goed begrijp weglaat, blijven de volgende argumenten over. De staat     

  1. … zorgt voor herverdeling, meer gelijkheid en meer geluk… 
  2. … is het beste geschikt om het collectieve welzijn te bevorderen, met onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, enzovoort
  3. … heeft een opvoedende rol te spelen voor de lagere sociale klassen
     Raf kan die argumenten in een korte column niet uitputtend behandelen, en ik kan dat ook niet in een kort weerwoord. Maar zijn argument (1) lijkt mij tot op zekere hoogte correct. De welvaarstaat zorgt inderdaad voor herverdeling en voor meer gelijkheid. Ik ben bereid om dat te geloven. De mechanismen van herverdeling zijn zichtbaar en bekend: het zijn allerlei transfers, die beginnen met progressieve belastingen en eindigen met uitkeringen. Wat socialisten en communisten echter onderschatten is dat een vrijere markt ook zijn mechanismen heeft om de ongelijkheid te temperen, zoals bijvoorbeeld dat een schaarste op de arbeidskrachten de lonen omhoog stuwt en dat men door lagere uitkeringen meer mensen aan het werk krijgt – wat ook voor een verhoging van het inkomen zorgt.
     Het is voor een econoom eenvoudig om te berekenen hoeveel de transfers door de overheid op een bepaald moment bedragen. In de meeste geïndustrialiseerde landen levert de vrije markt een inkomensongelijkheid op van ongeveer 50 %. In West-Europa wordt die door transfers teruggebracht tot 30 %*. Maar dat is een statische benadering. Het betekent niet noodzakelijk dat een vrije markt zonder transfers óók een ongelijkheid van 50 % zou opleveren. We zouden het eigenlijk moeten uitproberen om het te weten. Een van de transfers in de VS bestaat bijvoorbeeld uit loonsubsidie. Het is vrij waarschijnlijk dat bedrijven zonder die loonsubsidie verplicht zouden zijn om zelf hun lonen te verhogen**.
      Mijn schatting is dat een volledige afschaffing van transfers – waar ik overigens geen voorstander van ben – in West-Europa zou leiden tot een verschuiving van de ongelijkheid van 30 naar 40 %. Overigens geloof ik niet dat meer gelijkheid als dusdanig zorgt voor een ‘welvarender en gelukkiger samenleving.’ Njotea gelooft dat wel. Hij meent zelfs dat het ‘wetenschappelijk is aangetoond.’ Daarmee bedoelt hij wellicht dat er studies bestaan waarin zoiets beweerd wordt***.
      Met zijn argument (2) wil Njotea naast de omvang nu ook de vorm van herverdeling aangeven. Het is niet genoeg dat die herverdeling zo groot mogelijk is, ze moet ook op een bepaalde manier verlopen. ‘Vaak zien we de herverdeling, schrijft hij, alleen in financiële termen: de overheid neemt wat meer van de vermogenden en geeft wat meer aan de mindervermogenden. Dat is ook hoe er in het van marktfetisjisme doordrongen libertarisme naar herverdeling wordt gekeken.’ 
     Akkoord. Dat is inderdaad ongeveer de manier waarop ik ernaar kijk. Liever woonsubsidies dan sociale woningen, liever studiecheques dan gratis onderwijs, en liever een universeel basisinkomen voor werkenden en niet-werkenden dan een uitkering voor niet-werkenden alleen. De argumentatie daarvoor moet de lezer maar zoeken bij meer beslagen auteurs****.
     Over zijn argument (3) wil ik met Njotea niet te veel ruzie maken. ‘De overheden hebben een rol te spelen in het afraden van ongezonde voeding of gokken, in het aanzetten tot sport, in het sensibiliseren rond het belang van onderwijs, in al die minder tastbare zaken die voor mensen met geld en een netwerk vanzelfsprekend zijn. Als we dat soort zaken aan de markt overlaten, dan wacht ons een bloedbad.’ 
     Ach … een bloedbad … Er is niets mis met wat goede raad. Gezond eten, niet gokken, sporten, flink leren. Als de overheden mij, en de mensen zonder geld of netwerk, wil ‘sensibiliseren’ zal ik als libertair geen moord en brand schreeuwen. Ze doen maar. Als ze overdrijven, zal ik misschien een spottend stukje schrijven.
 

De Franse verkiezingen
    Ik las op Facebook een bericht van iemand die blij was met de Franse verkiezingsuitslag. ‘De overwinning van het ecosocialisme op het neofascisme en het neoliberalisme. Ik zou ‘ecosocialisme’ vervangen door ‘neocommunisme’, om de symmetrie in de voorvoegsels en in de overdrijving te behouden.’
 

 

* De economische ongelijkheid wordt uitgedrukt door de Gini-index, die ik hier in procenten heb vertaald. De cijfers zijn brutale afrondingen. Ik citeer iets preciezere gegevens uit Pinkers Enlightenment Now: ‘In 2013 the Gini index for American market income was a high .53; for disposable income (after taxes and transfers) it was a moderate .38. The United States has not gone as far as countries like Germany and Finland, which start off with a similar market income but level it more aggressively, pushing their Ginis down into the high .20s.’ (Roser, M. 2016. Income Inequality. Our World in Data. https://ourworldindata.org/income-inequality/

**  Misschien doelt Njotea met dat wetenschappelijke bewijs op het succesboek The Spirit Level. Dat boek argumenteert dat allerlei maatschappelijke kwalen zoals slechte gezondheid, korte levensduur, misdaad, wantrouwen, tienerzwangerschappen, alcoholmisbruik, geestesziekten, enzovoort niet alleen gerelateerd zijn aan lage inkomens, zoals men vroeger dacht, maar aan de ongelijkheid op zichzelf. De mensen worden ziek, of leven korter, of worden zwanger op jonge leeftijd, niet omdat ze arm zijn, maar omdat ze rondom zich of op de televisie mensen zien die rijker zijn. 
     Een criticus van de theorie vergeleek het met vliegtuigreizen. De gewone reiziger verlaat het vliegtuig dodelijk vermoeid, geradbraakt en hongerig. Dat komt niet door de slechte stoelen, het gebrek aan beenruimte en de karige maaltijden, maar omdat hij ziet dat de eersteklasreizigers fris en monter en verzadigd het toestel verlaten. Voor wie dieper op de kwestie wil ingaan, raad ik aan om zowel The Spirit Level te lezen, als het antwoord erop, The Spirit Level Delusion van Christopher Snowdon. Al naar gelang je maatschappelijke overtuiging zul je aan minstens van één van die twee boekjes veel plezier beleven. 

*** Iets wat linksen niet nalaten om te onderstrepen. Voor hen zijn loonsubsidies een cadeau aan de werkgevers.

**** Voor het universeel basisinkomen, zie de gematigde libertariër Charles Murray, In Our Hands

  

woensdag 10 juli 2024

De biecht van Raoul


     Een markant stukje in Het Conclaaf vond ik de ‘biecht’ van PVDA-leider Raoul Hedebouw. Erik Goens interviewde hem in de kapel van dat kasteel waar de partijvoorzitters vóór de verkiezingen waren samengekomen. Ik citeer even:

  •  Uw ouders waren ACV’ers?
  • Ja.
  • Waar is het fout gegaan?
  • Nee, waar is het goed gegaan? Juist ook met de basisprincipes van gelijkheid. De familie is eerder CD&V-gezind, West-Vlaanderen en Limburg. En dan is het op een bepaald moment de vakbond eigenlijk, daar heb je … de strijd voor een andere maatschappij zowat, en zo is dat binnengeraakt
.     Ik vrees dat Eric Goens zich de zaken nu zo voorstelt. Een braaf gezin van christelijke werkmensen. Vader werkt in de staalindustrie, moeder in een scheikundefabriek. Door hun roots komen zij bij de vakbond terecht, uiteraard het ACV, waar ze opkomen voor rechtvaardigheid en meer gelijkheid. De jonge Raoul gaat nog een stap verder en kiest voor het communisme. Voor hem is dat geen breuk met zijn ouders, maar een engagement dat in het verlengde ligt van hun sociaal-christelijke inspiratie.
     De biecht had ook anders kunnen verlopen. 

  • Uw ouders waren ACV’ers?
  • Ja. 
  • Waar is het fout gegaan?
  • Just niks fout gegaan. Hahaha. Mijn papa en mama waren communisten van het eerste uur, hahaha. Mijn papa zat op school met Ludo Martens en samen hebben ze als studenten in Leuven de communistisch-maoïstische beweging opgericht. Dat waren tijden. Hahaha.
  • Wie is Ludo Martens?
  • Allez, ken je de niet? Hahaha. Dat was een überstalinist. Mijn papa was dat ook in die tijd. Hahaha. Vandaag kunnen we dat niet meer begrijpen.
  • En het ACV?
  • Ja, wel, papa werd door Ludo na een ruzie uit de leiding gezet en moest van de partij gaan werken in de fabriek. En verhuizen naar Luik. Maar die deed dat met volle goesting, hé. Zo ging dat toen. Dat kunnen we nu niet meer begrijpen. Hahaha. En dan moest je infiltreren om zo te zeggen in de vakbond. Om het even dewelke, hahaha. Pas op, dat was niet gemakkelijk in die tijd. De vakbondsleiders maakten jacht op communisten. Hahaha.
  • Was jij ook een stalinist?
  • Hahaha. Toen wel. Hahaha.

       Kort na het zien van Raouls biecht op televisie vernam ik dat zijn vader overleden is. Berten Hedebouw is een naam die deel uitmaakte van mijn jeugd. Ik heb hem geloof ik nooit gesproken, maar als zeventienjarigen kenden we de namen van een handvol leidende ‘kaders’. Er bestonden geen prentjes van, zoals van renners, voetballers of baseballspelers. Hadden die bestaan, ik had ze ongetwijfeld verzameld.
     Als jonge maoisten dachten we dat we binnen tien, vijftien, twintig jaar de macht zouden grijpen. Iedereen buiten de partij dacht dat we gek waren. Maar dat het doorzettingsvermogen en het ijzeren idealisme van Berten Hedebouw en een handvol anderen vijftig jaar later zouden uitmonden in een partij die 10 procent van de stemmen haalt en in Antwerpen de tweede grootste is, dat is bijna even ongelooflijk, en wat mij betreft betreurenswaardig. 


dinsdag 9 juli 2024

Verhulst, De Coster, en het puritanisme

 


     Laatst kwam Dimitri Verhulst in De afspraak vertellen over zijn ervaringen als jeugdanimator. Ik heb een klein stukje van dat programma gezien, en wel toevallig het stukje dat aan Saskia De Coster een verontwaardigde reactie uitlokte (DS 20/6). Verhulst had onthuld dat animatoren in de jaren 90 – toen hij zelf animator was – seks hadden met minderjarige hotelgasten. De animatoren kregen daar van de directie zelfs een bonus voor, ‘want als die meisjes tevreden waren, wilden de ouders het jaar daarop naar dat clubhotel terugkeren.’
 
     Dat is niet naar de zin van De Coster. De schrijfster keurt niet alleen die seks en die bonus af, maar ook de manier waarop Dimitri erover vertelde – achterovergeleund, ondeugend, handenwrijvend – en de manier waarop de gasten in de studio reageerden: besmuikt en schaapachtig lachend. De vrouwen aan de tafel waren weliswaar not amused, maar voor De Coster is dat niet genoeg. Wat haar het meeste tegenstaat is dat niemand zich ‘duidelijk uitsprak’ over de feiten, en dat Verhulst geen berouw vertoonde over zijn laffe gedrag van toen: hij deed wel niet mee, maar hij deed ook niets om het te verhinderen. Ikzelf zou in zo’n situatie wellicht ook niets gedaan hebben om het te verhinderen, en mij daar tot op de dag van vandaag niet erg schuldig over voelen. Zulke animatoren en zulke meisjes bestaan nu eenmaal.
     Ik begrijp enigszins de verontwaardiging van De Coster. Er is veel aan de situatie dat niet in de haak is. Die Club Med vakanties met hun verplichting tot plezier maken, die animatoren die dan wel niet hun macht maar dan toch hun aura misbruiken, die weddenschappen over wie wie zal verleiden, het heeft allemaal iets ordinairs, al kwamen vergelijkbare toestanden ook voor onder de hoogste adel zoals we leren uit Les liaisons dangereuses
     En uiteraard: seks met minderjarigen op vakantie is een delicaat onderwerp. Ik herinner mij een artikel uit het Parochieblad van ongeveer 55 jaar geleden waarin ouders gewaarschuwd werden om hun dochters niet alleen op skivakantie te laten vertrekken. Ze liepen de kans verleid te worden door heren die ‘na elke nacht enkele bankjes op het nachtkastje achterlieten.’ Zo’n waarschuwing paste helemaal bij de toenmalige stuiptrekkingen van het oude puritanisme.
      Dan rijst de vraag: past de reactie van De Coster in een opstoot een nieuw soort puritanisme*? Dat is een moeilijke kwestie. Laten we voor het gemak het onderwerp van de minderjarigheid en van de ordinaire vakantieformules erbuiten laten. Stellen we ons even voor dat Verhulst iets geschreven had over dames van middelbare leeftijd die seks hebben met hun tennisleraar, of voetbalmama’s die iets beginnen met de trainer van hun zoontje. Daar zou Verhulst ook handenwrijvend over kunnen vertellen. Het publiek zou besmuikt en schaapachtig lachen. De vrouwelijk tafelgasten zouden not amused zijn.
     Zulke verhalen over animatoren en tennisleraren of desnoods over Tiroolse geitenhoeders hebben iets pikants, iets ondeugends – een woord dat De Coster in deze context terecht weer opvist. Ze ademen de sfeer uit van schuine moppen, van de vette lach van Erik Van Looy, en van winkeliers uit Ingelmunster of Pijpelheide die op huwelijksreis de Moulin Rouge in Parijs aandoen. Ze kunnen de vorm aannemen van vulgaire cafépraat of van verfijnde scabreuze verzen. Ze duiken op in puriteinse tijden als de geniepige keerzijde van het taboe op seks, en in meer vrijmoedige tijden als een proeve van brutale levenslust.
      De meeste vrouwen die ik ken houden er niet van, behalve als ze zich als one of the boys willen gedragen. Sommige mannen houden er wel van. Zelf neem ik hier een middenpositie in. Je zou kunnen zeggen dat ik in dat opzicht genderfluïde ben. Ik ben niet gek op pikante verhalen, en ik word er ook niet boos over. Als het om voor waar vertelde verhalen gaat 
 roddel dus  ben ik nieuwsgierig, en als ze grappig zijn, zal mijn lach niet besmuikt zijn. Maar ik kan er moeilijk verontwaardigd over zijn, en al zeker niet als het over het verleden gaat, dat een ander land is. Ik voel er weinig behoefte aan om er mij ‘duidelijk over uit te spreken.’
     De Coster schrijft dat onze cultuur staat of valt met een beetje ‘voortschrijdend inzicht.’ Veranderend inzicht zou een betere term zijn, geloof ik, want juist in de seksuele moraal is de slingerbeweging van de geschiedenis nog het duidelijkst waarneembaar, met taboes die afnemen, toenemen en verschuiven. Denk bij dat laatste aan de reglementen voor zwembaden. De ene keer lees je dat vrouwen in een of andere regio voortaan topless mogen zwemmen, om discriminatie te vermijden, en de andere keer lees je dat het ergens anders voortaan verboden is om naast het zwembad topless te zonnebaden.
      Of neem mijn zoon. Die was lichtjes geërgerd toen hij de brave naaktscène in Romeo and Juliet (1968) zag, want die acteurs waren een wat te jong voor zo’n rol, vond hij. Maar omgekeerd vertelt hij op een egale toon over een feest waarop een van zijn vroegere jeugdvriendjes af en toe een of twee meisjes apart nam, zich ermee in het bureau van zijn vader opsloot, en daar, enfin, de lezer begrijpt wat ik bedoel. Hij vertelt dat als een pikante situatie, zonder er al te veel belang aan te hechten, als een voorval dat mij zou kunnen interesseren aangezien ik dat jeugdvriendje heb gekend en misschien wil weten wat ervan geworden is.
     De neopuriteinse en feminiene afkeer van pikanterie merk je trouwens op de meest onverwachte plaatsen. Neem De drie musketiers. In de roman van Alexandre Dumas heeft D’Artagnan een relatie met madame Constance Bonacieux. Dat is dus een typische pikante situatie, met een clowneske monsieur Bonacieux als hoorndrager. Dat is ook zo in de verfilming van 1948 en 1973. Maar in de uitgebreide verfilming van 2023 is Constance plots mademoiselle Bonacieux geworden. De bedrogen echtgenoot is in geen velden of wegen te bekennen, want hedendaagse kijkers, denkt men, zouden die pikanterie niet kunnen plaatsen. Wel belandt Porthos naakt in bed met een vrouw én een man. Dát dan weer wel, want zó neopuriteins is onze tijd ook weer niet.

 

* Op mijn FB-pagina kreeg ik de volgende reactie van Paul Cordy: ‘Dat monitoren seks hadden met de meisjes die te gast waren? Ongetwijfeld. Dat dat al eens voorviel met meisjes die te jong waren? Ook ongetwijfeld. Dat monitoren al eens een weddenschap hieromtrent afsloten, zal zich ook wel hebben voorgedaan. Het verhaal van de bonussen voor de animatoren en het systematisch aansporen daartoe door het hotel? Quasi zeker verzonnen.' Dat die bonussen bijna zeker verzonnen zijn, geloof ik ook. Hoogstens werden de populairste animatoren inderdaad extra vergoed. Ook sluit ik niet uit dat die animatoren bij de directie opschepten over hun avonturen, ongeveer zoals er - ik spreek nu van 15 jaar geleden - journalisten waren die bij de hoofdredactie opschepten dat ze een BV niet alleen geïnterviewd hadden, maar haar ook in bed hadden gepraat. 

** Over neopuritanisme, zie ook mijn kortjes hier en hier. Over topless in het zwembad: zie hier;

*** Over die minderjarigheid, weet ik niet zo goed wat ik moet denken. Hoe oud is Frances in Dirty Dancing

Van Jos Snellings kreeg ik een reactie waar ik nog even over na wil denken. ‘De neopuritanisten proberen vanuit hun angst of dégoût het taboe op pedoseksualiteit zoveel mogelijk op te rekken. Seks met een 17-jarige is ook seks met een minderjarige.’ 

maandag 8 juli 2024

Aangehechte flessendop, e.a.


Aangehechte flessendop
      Bij mijn ochtendritueel hoort dat ik de koelkast opendoe, er de fles met grapefruit sap uithaal, aan mijn mond zet, en er een slok uit drink om mijn ‘naar roest en stront smakende mond’ te verfrissen. Vanaf nu wordt dat iets moeilijker vanwege de EU-richtlijn aan de fabrikanten om de dop onlosmakelijk vast te hechten aan de fles. Ik heb nog een oude, nu illegale fles, waar ik vandaag voor het laatst probleemloos â même la bouteille van gedronken heb, maar de nieuwe fles die voor morgen klaarstaat, is voorzien van een aangehechte dop. Dan zal ik bij het drinken moeten oppassen dat ik bij wijze van spreken het deksel niet op mijn neus krijg. Vervuilen wordt voor ons Europeanen hoe langer hoe moeilijker. Wie nu nog wil bijdragen aan de plasticsoep in het noorden van de Stille Oceaan zal zijn héle petfles, met dop en al, in zee moeten gooien. 

Gezond ontbijt
     Na het grapefruit sap, ben ik voldoende wakker om mijn onbijt klaar te maken: 5 gram canderel, 30 gram soya proteïnepoeder, 450 gram IJslandse yoghurt, een versnipperde appel, en 45 gram granola met cashewnoten en pompoenpitten. Dat eet ik echter niet allemaal in een keer op. De hoeveelheid die ik opeet wordt bepaald door de koffie die ik drink. Mijn yoghurtpreparaat smaakt nogal zoet, en dat moet ik voortdurend in evenwicht brengen met de bittere smaak van koffie. Als mijn tweede kop koffie op is, stop ik met eten. Dan is er nog genoeg over voor een middagmaaltje.
     Over dat evenwicht tussen de bittere en zoete smaak schreef Wouter Deprez laatst een geestig stukje. Hij stak de draak met de exotische trends van personal wellbeing. De Deense hygge met zijn televisiedekentje, de Zweedse fika met zijn koffie-uurtje. Hij vond er ter plekke zelf een uit: het Japanse akimori, waarmee je de tegengestelde krachten van bitter en zoet in evenwicht brengt. Dat is dus wat ik ’s morgens beoefen: akimori. Voor de rest van de dag stort ik mij op feng shui, ayurveda, reiki, shinrin-yoku, qigong, watsu, lomi-lomi en tummo. 

Groet
     Als je iemand wil groeten zonder woorden, kun je je hoed afnemen, of eventueel gewoon eens tegen de rand van die hoed tikken. Of je kunt met een hoofdknip te kennen geven dat je het bestaan van iemand valideert. Bij die knik gaat je kin naar beneden. Maar het kan ook omgekeerd. Je kunt hetzelfde effect bereiken door je kin lichtjes op te tillen. Kijk, dat is nu eens een zin die je in een bepaald soort roman zou kunnen gebruiken. ‘We tilden gelijktijdig onze kin op ten teken van groet.’

N-VA en vastgoed
     Mijn FB-vriend Jan-Willem Geerink bespreekt op Liberales het boek De vrienden van het vastgoed, van Tom Cochez en David Leloup. Die bespreking  begint met een zin die de aandacht trekt: ‘Ik begrijp plots weer waarom sommige van mijn vrienden de N-VA fascistoïde trekken toedichten.’ De N-VA is er in dit geval niet met de haren bij gesleurd want het boek gaat over de immobiliënsector in Antwerpen, waar die partij goed vertegenwoordigd is in het stadsbestuur. En de lezer weet net zo goed als ik dat de invloed van de politiek op de immobiliën niet gering is. Een stadsbestuur heeft immers de macht om bouwwerkzaamheden toe te laten of te verbieden. Ik zie niet in hoe het anders zou kunnen, en ik zie ook niet in hoe onder die omstandigheden elke mogelijkheid tot corruptie op voorhand kan worden uitgesloten.
      Zelf zou ik echter zo’n boek over de vastgoedsector nooit kopen of lezen. Daarom heb ik ook een boek als De keizer van Oostende, over Johan Vande Lanotte, niet gekocht of gelezen. Ik lees amper de artikels over de restauratie van de Oostendse Thermen en Gaanderijen, die ik hier nochtans vanuit ons raam kan zien. Ik denk dan altijd dat dat vreselijk moeilijke dossiers zijn, met heel veel afwegingen, tegenstrijdige belangen en onverenigbare voorkeuren. Zijn die onderzoeksjournalisten wel slim, ervaren en onbevangen genoeg, vraag ik mij af, en beschikken ze over voldoende middelen, om die afwegingen te doorgronden en eerlijk te evalueren? Ik zou het niet kunnen. Ik zou de ene dag alles legitiem vinden, en de andere dag alles illegaal, afhankelijk van met wie ik laatst gesproken heb. Nee, ik ben niet sterk in dat soort dingen. Ik zie dolgraag de film Chinatown, maar hoe die deal rond die watervoorziening van L.A. nu precies in elkaar zit, dat blijft voor mij een raadsel.
      Ik citeer even een bijzonder helder stukje uit de bespreking van Geerink om mijn moeilijkheid te illustreren: ‘Gebouwen werden bijvoorbeeld aangekocht,
 schrijft Geerink, voor bedrag x en luttele tijd later met exorbitante winsten doorverkocht. In die luttele tijd gaven politici de eigenaars toestemming om op die plek enkele etages hoger bouwen*, wat een pand natuurlijk in waarde doet stijgen. Tel uw winst per extra etage.’
      Dat ziet er inderdaad niet zo fraai uit, maar is dat het hele verhaal? Ik begrijp om te beginnen al niet hoeveel partijen er hier meespelen. Is de nieuwe eigenaar een parasiterende tussenpersoon dan wel een bouwpromotor die het risico op zich neemt om de etages verkocht te krijgen aan nieuwe bewoners? Of is het nog veel ingewikkelder? Ik lees dat er in de immobiliënsector soms gebouwen worden verkocht voor 1 euro. Hoe zou ik zoiets ooit kunnen begrijpen zonder de stiel van binnen en van buiten te kennen?
      Geerink gelooft niet, schrijft hij, ‘dat Bart De Wever het soort politicus is dat zichzelf via die weg wil verrijken.’ Ik geloof dat ook niet, maar het is goed dat er journalisten en desnoods rechters bestaan die dat kunnen controleren. Geerink vind dat de relaties tussen de politiek en de zakenwereld vooral transparant moeten zijn. Dat vind ik ook. Maar het is geloof ik al een hele kunst om te beoordelen óf die relaties transparant zijn. Kristalhelder en transparant is niet hetzelfde. Zelf zou ik, zonder theoretische en praktische kennis van de zakenwereld, het onderscheid tussen die twee niet kunnen maken. 

 

* Over die hoog- of laagbouw, of een ritmische afwisseling van beide, heb ik geen sterke overtuiging. Wel kom ik graag eens in New York, en van de nieuwe wolkenkrabbers aan het Brusselse Noordstation word ik iedere keer weer blij.

zaterdag 6 juli 2024

VB: lessen Nederlands en meldpunten

     Mercina Claesen (Vlaams Belang) is op haar 22ste het jongste lid van het Vlaams Parlement. In het portret dat DS (3/6) van haar schetst vallen mij twee standpunten op. ‘Nieuwkomers moeten zelf betalen voor Nederlandse lessen,’ zegt ze. ‘Als ik naar Spanje ga, klop ik toch ook niet aan bij de overheid om Spaans te leren.’ Ik vind dat argument van Spanje niet goed genoeg. De onderliggende toon is dat de nieuwkomers geen privileges mogen krijgen.
      Ik zou dat pragmatischer bekijken. Als die nieuwkomers van plan zijn om hier te blijven is het niet alleen in hun voordeel, maar ook in het voordeel van de hele samenleving, dat ze zo snel mogelijk Nederlands leren. Gratis cursussen kunnen daarbij helpen. Je mag dat noemen zoals je wil: een privilege, het wegnemen van een obstakel, het belonen van een inspanning. De bekende Chinese filosoof Deng Xiaopin heeft ooit gezegd: ‘Het is niet belangrijk of een kat wit of zwart is, als ze maar muizen vangt.’
     Een ander standpunt dat mij niet bevalt is dat over de ‘meldpunten’ in het onderwijs. Claessen maakt een onderscheid tussen het secundair en het hoger onderwijs*. Vooral in het middelbaar moet een leerkracht heel neutraal zijn, zegt ze. ‘Als dat niet zo is, moet dat ergens gemeld kunnen worden. Een meldpunt dient om uitwassen tegen te gaan, bijvoorbeeld van leerkrachten die vertellen dat Vlaams Belang racistisch is. Een pure leugen.’
     Zulke leerkrachten bestaan natuurlijk, maar ik geloof niet dat het er erg veel zijn die dáárvoor hun les wiskunde of fysica gebruiken. Claessen zelf is als studente en als stagiaire verschillende leerkrachten van linkse signatuur tegengekomen, maar geen die ‘hun mening opdrongen.’ Dan vraag je je toch af of de meldpunten geen overdreven maatregel zijn. Vervolgens bestaan er nu al meldpunten: de ouders. De leerlingen kunnen thuis vertellen over de linkse propaganda in de klas, en de ouders kunnen dat dan doorvertellen aan de directie. ’t Is geen werkwijze die ik aanraad of erg hoogstaand vind, maar ze bestaat. Trouwens, als een leerling zich stoort aan linkse of rechtse propaganda, kan hij proberen een discussie met de leraar uit te lokken. Als hij dat een beetje handig aanlegt kan hij daarmee gemakkelijk de les een kwartier of een half uur stil leggen. Ik heb het vaak gedaan.

* Het onderscheid tussen secundair en hoger onderwijs is zo dwaas nog niet. En het gaat om meer dan het verschil tussen minder- en meerderjarigen. Als je over de Verenigde Staten leest, heb je de indruk dat links en woke overheersen in het hoger onderwijs, terwijl het secundair onderwijs onder druk staat van rechtse ouders en School Boards.  

 

donderdag 4 juli 2024

Enkele films


  Jeanne Dielman (1975)
      
Mijn vader hield wel van een cinefiele film op zijn tijd, vooral als Delphine Seyrig erin meespeelde. India Song (1975) bijvoorbeeld van Marguerite Duras, vond hij ‘best interessant.’ Maar Chantal Ackermans Jeanne Dielman, 23, quai du Commerce, 1080 Bruxelles, van hetzelfde jaar, en óók met Delphine Seyrig, zou hij geloof ik als ‘pseudo-intellectueel’ hebben afgedaan. Daar zit iets in. Het is inderdaad het lot van films als Jeanne Dielman dat ze vooral door ‘intellectuelen’ en uit plichtsbesef worden bekeken. Anderzijds heb je het gevoel dat ze niet zo ‘bedoeld’ zijn. Joyce geloofde ook dat Ulysses geschikte lectuur was voor kelners en taxichauffeurs. 
 
     ’t Is in elk geval meer een film voor recensenten en grootverbruikers. Wie honderden films per jaar ziet, met telkens weer dezelfde verhaallijnen en plotpoints, wil graag eens iets helemaal anders zien, iets wat niet onmiddellijk vervaagt in het geheugen, en in veel opzichten is Jeanne Dielman inderdaad helemaal anders. Ik denk ook niet dat hij snel in het geheugen vervaagt, maar juist dáár geleidelijk beter wordt.
      Wie de film alleen van horen zeggen kent, weet dat het gaat over een huisvrouw die aardappelen schilt. Dat is geen slechte samenvatting, alhoewel Jeanne de aardappelen ook kookt en opdient, en verder koffie zet, porseleinen popjes afstoft, boodschappen doet, op een baby past, de les van haar zoon overhoort, en oudere heren ontvangt die haar na het bezoek een briefje van duizend frank overhandigen.
     Maar met dat schillen van de aardappelen is inderdaad iets aan de hand. Het is de midpoint scène. De handeling verloopt volgens hetzelfde obsessieve en systematische patroon als alle andere die eraan voorafgaan, maar er zijn haperingen. Het schillen gaat minder vlot dan het zou moeten. In een ‘normale’ film zou de vrouw nu in een huilbui uitbarsten. Maar zo is Jeanne niet. Het is een gevoelsarme, dysforische, frigide, ongeïnteresseerde vrouw. Aan haar zoon vraagt ze dat hij zou stoppen met lezen als ze aan het eten zijn, maar ze vraagt nooit welk boek hij leest. Ze is permanent depressief in een tijd dat huisartsen niet de gewoonte hadden om antidepressiva voor te schrijven. Jeanne is bang van nieuwe informatie, bang van verandering en bang van emoties – terecht zoals zal blijken.
     Verrassend is ondertussen dat de film nooit verveelt, behalve misschien de laatste 7 minuten – en zelfs dan lijkt het of de scène maar 2 minuten duurt. Je blijft de hele film door kijken naar die onverbiddelijke reeks dagelijkse handelingen en die onverbiddelijke reeks vaste beeldkaders. Eén vraag die mij voortdurend bezighield was deze: hoe is de regisseur erin geslaagd om de sfeer van 1975 zo exact op te roepen? Elk detail is juist: de kleerkast, het behangpapier, de haarlak, de postzegelautomaat, de koffiemolen, de suikertang, het opklapbed, de bedsprei. Nu zou je kunnen antwoorden dat die film in 1975 gemaakt is, maar dat is naast de kwestie. De film gaat over 1975 maar hij lijkt onlangs te zijn gemaakt, door een regisseur die 1975 goed kent, en die precies weet wat mensen die 1975 ook gekend hebben in een film over 1975 willen zien. Jeanne Dielman lijkt op een film die thuishoort in een eindejaarslijstje met de beste films van 2023. 
     Het British Film Institute ging veel verder en riep hem uit tot de beste film aller tijden. Dat is nu ook weer overdreven. Sommige scènes zijn wat stuntelig. Als een jongetje over een marktplein loopt, krijg je de indruk dat hij eerst aan de rand van het beeldkader had staan wachten op een teken van de regisseur. De film bevat een monoloog van Jeanne die haar verleden vertelt, en een monoloog van haar zoon (Jan Decorte) die over zijn ontluikende seksuele interesse vertelt. Ackerman laat haar acteurs die teksten opdreunen. Je begrijpt de keuze om een naturalistische acteertrant, die als stijlbreuk zou overkomen, te vermijden, maar het resultaat is een beetje kinderachtig. Hoe ze de monologen wel had moeten aanpakken, weet ik niet. Ze kon ze niet weglaten, want de inhoud ervan kleurt het hele verhaal.
     Je leest over de film ook rare dingen, bijvoorbeeld dat hij vernieuwend of invloedrijk was. Ik zou die vernieuwing of invloed niet meteen kunnen aanduiden. Anders is niet hetzelfde als vernieuwend of invloedrijkSommigen beweren verder dat de film ons iets leert over de Situatie van de Vrouw. Dat zou mij verwonderen. Mijn moeder moet in 1975 ongeveer de leeftijd van Jeanne Dielman hebben gehad. Ze gebruikte dezelfde haarlak. Ze heeft ook heel wat aardappelen geschild en gehaktbrood gekneed. Maar haar Situatie zou ik niet willen vergelijken met die van Jeanne.

Das Lehrerzimmer (2023)
     Met Das Lehrerzimmer heb ik nu ongeveer alle grote films van vorig jaar gezien. Mijn vrouw vond de film mooi maar deprimerend, ik vond dat het met dat deprimerende best meeviel. Duitsland is Vlaanderen niet, maar het beeld dat de film geeft van het onderwijs, leek mij redelijk waarheidsgetrouw. De meeste leerlingen, leraren en ouders zijn van goede wil. De directrice is een verstandige vrouw. Er zijn ook enkele akelige mensen die met de school te maken hebben: de ettertjes van de schoolkrant, een of twee ouders die het beter weten, een jaloerse collega, niks om je zorgen over te maken. En dan is er één kreng, maar dat wordt snel ontmaskerd. Zo hoort het, want als de ontmaskering op zich laat wachten krijg je melodrama. Helaas kan het kreng ook na haar ontmaskering nog voor problemen zorgen.
       De lerares die de problemen op haar bord krijgt, Carla Nowak, is ontzettend aardig. Ze heeft misschien een teveel aan empathie en een tekort aan weloverwogen principes, maar dat maakt geen verschil voor de afloop van het verhaal.  Er is een conflict onstaan dat maar op één manier kan worden opgelost: er moet een leerling van school worden gestuurd, ook al treft die jongen in zekere zin geen schuld. Carla kan zich daar moeilijk bij neerleggen, maar eigenlijk is zo’n concilium abeundi nu ook weer geen tragedie. Mijn twee broers zijn ook van school gestuurd, en bij mij heeft het maar een haar gescheeld. In Das Lehrerzimmer is het bovendien een beslissing die Carla niet eens zelf moet nemen. In de films van Asghar Farhadi (A Separation, The Saleman, A Hero) komen de protagonisten voor ándere dilemma’s te staan, en wat ze ook kiezen, ze zijn de pineut. Die films vind ik deprimerend en uitzichtloos. Maar mooi natuurlijk.

Kiss the Girls (1997)
     Al na vijf minuten twijfelde ik of ik die flauwe thriller wel uit zou kijken. Morgan Freeman speelt de rol van forensisch pyscholoog Alex Cross. Alex Cross ... ik had die naam al eerder gehoord, maar waar? Toen ik het opzocht bleek Alex Cross een held te zijn zoals James Bond of D’Artagnan, die in meerdere films en boeken meespeelt. Morgan Freeman speelde hem ook in Along Came A Spider (2001). In mijn herinnering was dat een betere thriller dan Kiss the Girls, maar de bekende filmcriticus Roger Ebert dacht daar anders over.

A Family Affair (2024)
     Bijna alle hedendaagse romantische komedies zijn te traag en missen de juiste combinatie van naïviteit en cynisme. Leuk in deze prent is de naïeve karikatuur van de egotrippende filmster (Zac Efron) die in de loop van de film tot inkeer komt. Zon ongeloofwaardige wending ten goede kan ik in een romcom best smaken. Het meest opvallende in de film was echter Nicole Kidman. De vrouw is 57 en heeft het gezicht van een meisje van 16. Wat is daarmee gebeurd? Dat is toch niet dezelfde actrice als in Eyes Wide Shut (1999)? 

Fancy Dance (2023)
     Een eenvoudige intrige die zich afspeelt in het milieu van de Native Americans. Conflicten tussen goedmenende mensen. Lily Gladstone heeft een gezicht waar je wel moet naar kijken. Eén scène speelt zich af in een trailer waar ongure arbeiders van een boorbedrijf logeren. Ik heb in een andere film een heel vergelijkbare scène gezien, maar ik weet niet meer welke film dat was. 

Licorice Pizza (2021)
     De film is grappig, slim en goed geacteerd, en het is de tweede keer dat ik hem zie. Ik herinnerde mij van de eerste keer, twee jaar geleden, alleen de scène waarin Sean Penn op een brommer rijdt. Wat ik ook doe, ik word nooit een echte fan van Paul Thomas Anderson. 

Drive-away Dols (2023)
      Ethan Coen pasticheert en parodieert Tarantino. Coen én Tarantino, ik zou de film zo opnieuw bekijken.

Dream Scenario (2023)
     Nicolas Cage als loser. Voor één keer, zijn de droomscènes het leukste onderdeel van een film. Ik vrees dat een en ander als maatschappijkritiek is bedoeld.

Brideshead Revisited (2008)
      De film van 2008 voelt niet als een korte samenvatting aan, maar als een volwaardig verhaal. Oxford, Brideshead, Venetië, Marokko, de stoomboot op de oceaan, alles komt aan bod. Charles Ryder wordt een ‘agnost’ genoemd, en hij verbetert dat zelf in 
atheïst. In het boek gebeurt het tegenovergestelde.
     Door de film heb ik opnieuw de oude reeks van 1981 met Jeremy Irons bekeken. Het is vooral de ontknoping die in de reeks oneindig veel genuanceerder wordt uitgewerkt. In de film van 2008 is het bijna antireligieuze propaganda.  

Hunger (2023)
      Een film waarin gastronomie als aanzet tot sociale kritiek wordt gebruikt, maar het verhaal is vriendelijker dan wat we in The Menu (2022) te zien kregen.  Het eerste half uur is slechte soap, waarbij de klassieke huiskamer vervangen is door het gelukkig wat interessantere interieur van een volks noedelrestaurant in Bangkok. Daarna komt het verhaal goed op gang. Je raadt ongeveer hoe het zal aflopen, maar je vraagt je angstig af of de film wel de juiste toon zal treffen bij zon voorspelbaar einde. Dat houdt de spanning erin. 

Babylon (2022)
      Voor een film moet je in de juiste stemming zijn. Ik had Babylon al eerder gezien, en vond hem toen goed, maar niet geweldig. Van mijn zoon moest ik eens opnieuw kijken. Dat hielp, want nu vind ik hem geweldig. De orgie waarmee de film begint vond ik de eerste keer opzichtig en vulgair, nu vond ik ze groots en meeslepend.

The Long Good Friday (2008)
     Bob Hoskins is een eerlijke gangster …  Ik had pas bij de scène in het slachthuis door dat ik de film al eerder had gezien. Wel kon ik de afloop raden. Ik weet niet of dat kwam omdat ik de toon van de film juist las, dan wel of de film zich toch ergens in mij achtergrondgeheugen had genesteld.

A Most Violent Year (2014) 
   
 Dat gewelddadige jaar is 1981. Een ambitieuze zakenman uit New-York probeert eerlijk te blijven in de corrupte omgeving van de brandstofdistributie. Zijn vrouw wordt gespeeld door Jessica Chastain, wat mij bij het kiezen van een film altijd een duwtje in de rug heeft. De toon van de film verraadt niets van de afloop. Het kan twee richtingen uitgaan. Ik ben ondertussen vergeten welke richting het geworden is.

The Zone of Interest (2023)
     Nog een van de grote films van vorig jaar. In een commentaar las ik dat de film met een ‘contrast’ werkt tussen de niet-getoonde gruwelijkheden van het uitroeiingskamp en de ‘paradijselijke sfeer’ waarin het gezin van de kampcommandant  leeft. Maar die sfeer is helemáál niet paradijselijk. Alles wordt zo lelijk mogelijk voorgesteld: de slaapkamer, de tuin, het verjaardagsfeest.
     Men spreekt vaak, in navolging van Hannah Arendt, van de ‘banaliteit van het kwaad’. Maar banaliteit is zelf een vorm van kwaad. Het is tot op zekere hoogte een kwaad dat je zelf kiest. De mensen ín het kamp leven in een hel waar ze met geweld werden ingetrapt, de mensen náást het kamp leven in de zelfgekozen hel van Sartre waar het smakeloze interieur en de onbenullige conversaties op de duur de ergste foltering uitmaken.
     Het is ongelooflijk dat de mooie, levendige, intelligente, ambitieuze Sandra Hüller van Anatomie d’une chute (2023) dezelfde actrice is die de oerlelijke, oersaaie, oerdomme en oerslechte Hedwig Höss gestalte geeft.

Shirley (2024)
     Over de zwarte activiste Shirley Chisholm die in 1972 een poging deed om mee te doen aan de presidentsverkiezingen. Chisholm was een buitenbeentje onder de activisten. Ze was bijvoorbeeld principieel tegen de praktijk van ‘bussing’, waarbij blanke kinderen verplicht naar zwarte scholen, en zwarte kinderen verplicht naar blanke scholen worden gestuurd – per bus – om de integratie te bevorderen. Ze was hoogstens bereid om zo’n inbreuk op de individuele vrijheid als tijdelijke maatregel te tolereren, op pragmatische gronden. My kind of woman.

Ferrari (2023)
     Weinig beelden van racende auto’s. Pas halverwege de film had ik door dat Enzo Ferrari gespeeld werd door Adam Driver. Penélope Cruz had ik wel meteen herkend.
     Zoals ik nooit een echte fan van P.T. Anderson zal worden, zal ik dat ook nooit worden van Michael Mann. Maar ’t is een stilist hoor, daar hebben zijn fans gelijk in. Mijn vrouw en ik hebben met plezier naar zijn recente
 Tokyo Vice-serie gekeken.  


Haatspraak tegen het R.N.

     Haatspraak, waar linkse mensen zo op gebeten zijn, vind je vooral aan de toog, op sociale media en in Rap-poëzie. In Frankrijk is er nu een initiatief 20 rappeurs contre le RN

  • ‘Jordan t’es mort,’ 
  • ‘Si les fachos passent, je sors mon gros calibre,’ 
  • ‘Baise la mère à Bardella,’ 
  • ‘Marine et Marion des putes, un coup de bâton sur ces chiennes en rut.’ 
      Dat zijn toch krasse staaltjes van haatspraak, is ‘t waar of niet?
      Van huis uit, heb ik een afkeer van haatspraak, vooral als ze, zoals vaak het geval is, agressiviteit, domheid en vulgariteit combineert. Maar van verbieden heb ik ook een afkeer. Mijn zoon lacht mij daarvoor uit. ‘Daar ga je weer, papa,’ zegt hij, ‘je denkt meteen aan het communisme.’ Hij heeft daarin niet helemaal ongelijk. Het zit zo. Mijn primaire reflex is zoals bij velen een communistische: alles verplichten wat mij bevalt en alles verbieden wat mij niet bevalt. Maar vijfendertig jaar liberale bezinning hebben ervoor gezorgd dat de secundaire reflex om te tolereren wat mij niet bevalt, ongeveer even snel komt.
     Vandaag is het vooral rechts dat de vrijheid voor haatspraak verdedigt. Extreemrechts doet dat omdat het daarmee haar eigen discours veilig wil stellen*, liberaal rechts doet het omdat het vrijheid als dusdanig voorop stelt, en conservatief rechts doet het omdat het een afweging maakt tussen voor- en nadelen van het verbod. Peter De Roover (N-VA) bijvoorbeeld heeft zich in zijn verzet tegen de haatspraak-wetgeving laten kennen als een liberaal-conservatief**.
      Betreurenswaardig is vooral de houding van OpenVLD die, tegen de liberale principes in, de haatspraakwetgeving verdedigde. Ik zie daar verschillende redenen voor: de politieke strategie van het cordon sanitaire, de profilering tegenover de N-VA, een gevoeligheid voor de woke-dominantie binnen het culturele establishment, en een verkeerd begrip van de tolerantieparadox***.
      Een andere kwestie is deze: moet je bij het verdedigen van het recht op haatspraak ook telkens vermelden dat je het met de inhoud ervan niet eens bent? Moet je je distantiëren van de meningen – en als iemand nu zegt dat haat geen mening is, sla ik op zijn smoel – moet je je dus distantiëren van de meningen waarvan je eist dat ze mogen worden uitgesproken, geschreven of gerapt? Het is een beetje laf als je dat doet. Het is alsof je een vrijheid opeist voor anderen, een vrijheid die je zelf niet nodig hebt, aangezien je eigen ideeën zo door en door fatsoenlijk zijn.  Maar zelf doe ik het toch, ook als ik mij daarvoor van de weinig fraaie locutie ‘voor alle duidelijkheid’ moet bedienen.
     Dus: voor alle duidelijkheid: ik ben geen voorstander van het Rassemblement National in Frankrijk – ik zou indien mogelijk voor de Macron-partij stemmen – , en ik vind dat die rappers best hun mond eens met zeep mogen wassen. Maar het Rassemblement moet een faire kans krijgen bij de verkiezingen en die rappers mogen rappen zoals ze nu eenmaal gebekt zijn.  

* Vergeleken met conservatief-rechts en liberaal-rechts, lijkt extreemrechts minder bereid om haatspraak van tegenstanders te tolereren. 

** Voor de argumentatie van Peter De Roover, zie hier.

*** De tolerantieparadox houdt in dat je niet tolerant hoeft te zijn voor intolerante meningen. In de praktijk is het echter 1) vaak verkieslijk om intolerante meningen wél te tolereren en 2) moeilijk om het begrip ‘intolerante mening’ precies af te bakenen en toe te passen.