zondag 23 juli 2017

Kleurrijke buren

     Als kind woonde mijn moeder in het Leiedorpje Wevelgem. In het huis ernaast woonde het gezin D. Dat waren fatsoenlijke mensen want de man deed in tabak. Maar tijdens de oorlog begon hij grote winsten te maken door de schaarste, de ratsoenering en door samen te werken met Duitse officieren die wat wilden bijverdienen. Op de zwarte markt betaalde je toen hoge bedragen voor een pakje tabak. Ook kocht mijnheer D. van iedereen rabarberbladen op waar hij de rookwaar mee versneed.
     Je zal het vaak zien: met de rijkdom kwam het moreel verval. Mijnheer D. begon naar de hoeren te gaan en mevrouw D. kocht elke week een nieuwe hoed. Je vraagt je af wat erger is. Toen ze ook begonnen te drinken, was het oude fatsoen helemaal weg. In hun dronkenschap tierden en schreeuwden ze zo luid dat de bewoners van de belendende huizen een deel van de ruzie konden volgen. De wederzijdse verwijten kwamen in een bepaalde volgorde: op het hoogtepunt, diep in de nacht, riep mevrouw D. dan: ‘Moordenaar! Moordenaar!’ Mijn moeder vertelt dat nogal rustig. ‘Ja, misschien had D. wel iemand vermoord. Een smokkelaar wellicht. Dat gebeurde.’
     Naast het gezin D. woonde mevrouw W. Mevrouw W. was niet fatsoenlijk. Mevrouw W. was heel gemeen. Tijdens de oorlog scharrelde zij met Duitse soldaten. Ze bood ook haar brave dochter aan die soldaten aan. Het kind moest toch ‘leven’, nietwaar.  Het spreekt vanzelf dat zo’n gedrag niet onbestraft bleef. Na de oorlog werd mevrouw W. door een groep vrouwen over de straat gesleept en kaalgeschoren. Het kappersgezelschap stond onder leiding van mevrouw G. Die mevrouw G. moet ook een hele gemene vrouw geweest zijn, denk je dan. ‘Helemaal niet,’ zegt mijn moeder. ‘Die had alleen een slechte inborst.’
     Naast mevrouw W. woonde mevrouw K. Mevrouw K. was een seut.

zaterdag 22 juli 2017

Marseille (France)

Om de tuin te bereiken moet je aan deze affiche naar rechts afslaan
     In Marseille verbleven we in een vroegere kloosterschool. Dat was in het oude stadsdeel Le Panier. Een ondernemend echtpaar had een verdieping van het gebouw vertimmerd en verbouwd tot mooie gastenkamers. De bedden waren goed, de hoofdkussens zacht en het ontbijt lekker. Dat ontbijt namen we in een heerlijk verwilderde tuin. Un jardín rebelde, zoals een Spaanse vriendin dat noemt, het soort tuin dat mij altijd doet denken aan chique hippies, bohemien kasteelbewoners en een mei 68 zonder barricades.
     Voor mij had het logement een nadeel. Om de tuin te bereiken moest je door een doolhof van gangen en trappen en ik heb veel last om mij in de ruimte te oriënteren. Volgens Jan, die geneeskunde studeert, heeft het te maken met mijn hippocampale ‘place cells’. Daar moet iets mis mee zijn.
     Maar de goede gastheer en gastvrouw hadden rekening gehouden met de ruimtelijk uitgedaagde medemens. Op verschillende plaatsen in de gangen hadden ze affiches opgehangen die als herkenningspunten dienst konden doen. Op een bijzonder moeilijke tweesprong hing een grote affiche van de filmtrilogie Marius-Fanny-César. Dan moest ik naar rechts. Dan de deur openen met de rode sleutel. Dan rechtdoor. De deur openen met de groene sleutel, en ik was in de hippie-tuin.
     Met die grote affiche was ik erg ingenomen, want ik hou van Pagnol en vooral van zijn drie toneelstukken die zich aan de haven van Marseille afspelen. Ik moet zeven geweest zijn toen ik de film Fanny zag met Leslie Caron en Horst Buchholz en ik vond dat toen de mooiste film die ik ooit had gezien, en Fanny het mooiste meisje.* Toen ik een jaar Franse les gaf, moesten mijn leerlingen elke week één scène uit die stukken lezen, waar ik ze dan streng over ondervroeg.
     Marseille doet anders niet veel rond Pagnol en rond de trilogie. Er is geen straatnaam, standbeeld of museum. Hier en daar is er een etablissement dat naar de schrijver verwijst, of naar zijn helden César, Panisse of de oude Escartefigues. Veel is het niet. We hebben ook gezocht of er misschien voorstellingen waren. Het enige wat we vonden, was Pagnol Ma Vie, waarin een komiek, zijn eigen leven vertelde, ‘onderbroken en aangevuld door de bekendste scènes uit het oeuvre van Pagnol’. Hij deed dat in Le Quai du Rire, een zaaltje vlak naast het jeugdtheater ‘Badaboum’. ‘Dat klinkt niet erg serieus,’ zei mijn vrouw.
     We zijn toch maar een kijkje gaan nemen. Aan de kassa zat een kerel die er zelf als een komiek uitzag. Of er nog plaatsen waren voor Pagnol Ma Vie? Nee, die voorstellingen waren afgelast. Hoe kwam dat? ‘Le comédien n’a plus envie,’ zei de man aan de kassa eraan toe. Hij zei het op een grappige manier.
     Sindsdien heeft Jan er een nieuwe uitdrukking bij. Als ik iets flauws zeg, antwoordt hij nu, uit de hoogte en zonder een spier te vertrekken: ‘Hou dat maar bij voor de Quai du Rire.’ En dan denk ik bij mezelf: ‘Le comédien n’a plus envie’.

* Van die film herinner ik mij alleen het volgende: een vrouwenstem roept: ‘Fanny! Fanny!’, een veelkleurig vliegengordijn wordt opzij geschoven, en Fanny komt het café binnen. Ze heeft een lieve glimlach.

woensdag 19 juli 2017

Dijon (France)

    Als kind las ik over een boer die bij het ploegen een aarden pot ontdekte, met het geheimzinnige opschrift MJDD. Een geleerde onderzocht de pot, besloot dat hij Romeins van oorsprong was en veronderstelde dat het onderschrift betekende: Magno Jovi Deo Deorum. Wat later kreeg hij een brief van een winkelier: het was een mosterdpot en het opschrift betekende Moutarde Jaune De Dijon.
     Dit jaar hebben we op onze terugkeer uit het Zuiden Dijon aangedaan en ik moet zeggen: ’t is een aardig stadje. De voetbalclub, wist Jan, speelt in de Ligue 1, wat mooi is. Omdat we laat arriveerden in het hotel, wilden we meteen iets gaan eten. We vroegen aan de jonge baliemedewerker wat hij ons kon aanraden.
     De medewerker had een vakkundige glimlach. Hij klonk als een vliegtuigpiloot die tijdens de vlucht zijn passagiers toespreekt - zinnen uitgebracht in één lange ademtocht, met eerst een lange stijgende toon en daarna een lange dalende. ‘This is your captain speaking. We are currently cruising at an altitude of 33,000 feet //at an airspeed of 400 miles per hour. The weather looks good and with the tailwind on our side // we are expecting to land in Honolulu approximately fifteen minutes ahead of schedule.’ Zoiets, maar dan met ‘bon restaurant’, ‘bien manger’, ‘prix raisonables’, ‘ambiance charmante’ en ‘à seulement dix minutes à pied d’ici’. Hij zei ook nog iets van ‘Emile Zola’ en zetten een kruisje op het stadsplan.
     Het was allemaal nogal snel gegaan en Jan en ik waren het niet eens over wat de medewerker juist had gezegd. Konden we eten op de ‘Place Emile Zola’ of in het ‘Restaurant Emile Zola’? Jan dacht het eerste, ik het tweede. Nu, veel verschil maakte het niet, zei ik, want op een ‘Place Emile Zola’ zou er ook wel een ‘Restaurant Emile Zola’ zijn. Dat zou dan wel een groot toeval zijn, vond Jan.
     Wedden? Ja, wedden!
     We bereikten uiteindelijk de ‘Place Emile Zola’. We konden kiezen tussen  ‘Les Moules Zola’, ‘L’Emile Brochettes’ en gewoonweg ‘Restaurant Emile Zola’. Jan grijnsde. Ik ook. Een grijns is vaak een glimlach die je niet helemaal onder controle hebt omdat de situatie zowel grappig als ongemakkelijk is.
     We hebben toen maar pizza’s gegeten in de ‘Cosa Nostra’, Rue Berbisey. ’t Is vlakbij.

dinsdag 18 juli 2017

Game of Thrones op Play More

      Tussen de brieven, kranten en reclame die tijdens de vakantie waren binnengekomen, vond ik een folder van Telenet met een interessant aanbod. We konden ons Play-abonnement gedurende twee maanden omzetten in een Play More-abonnement aan de helft van de prijs. Dat kwam goed uit want we hadden juist Play More nodig om naar het nieuwe seizoen van Game of Thrones te kunnen kijken.
     De folder van Telenet was iets merkwaardigs. Hij doet zich voor als een ‘magazine’, heeft een ‘hoofdredacteur’ en bevat  ‘artikels’, waarvan het langste nu net aan Game of Thrones is gewijd.  Dat ‘artikel’ staat vol met woorden als ‘verslavend’, ‘onmisbaar’, ‘iconisch’ en ‘kijkervaring’. Sommige woordcombinaties zijn ronduit ongelukkig. Er wordt gesproken over de ‘geflipste* aflevering’. De helden gebruiken ‘messcherpe zwaarden’. Sansa Stark probeert ‘krachtdadig te overleven.’ En ook de achtergrondinformatie is niet altijd even bijzonder. ‘De makers verklapten recent dat ze de reeks beschouwen als één lange film.’ Ja, als ze zoiets al gaan verklappen! Hopelijk gaan ze ons ook de afloop niet ‘verklappen’.
     Maar dat zullen ze niet doen, de afloop verklappen. Het Play More-stuk herhaalt tot drie keer toe dat in Game of Thrones ‘onvoorspelbaarheid troef is’. En dat is waar. Er worden in de reeks vaak personages vermoord van wie je dat niet had zien aankomen. En wie de eerste aflevering van seizoen zeven heeft gezien, zal moeten toegeven dat de eerste scène weer een heel onvoorziene wending neemt.
     De laatste scène van de aflevering had ik dan wél weer kunnen voorspellen. Als je de reeks kent en de aflevering nog niet hebt gezien, dan zul je als je er even bij stil staat zelf ook wel kunnen bedenken welk personage men juist voor de laatste scène achter de hand gehouden heeft.
     Een en ander is trouwens heel goed gedaan. De hele scène duurt zes minuten en gedurende heel die tijd wordt geen woord gesproken.** Er gebeurt ook niets. Er is veel decor, veel muziek en een beetje choreografie. Voor de rest moeten we het stellen met cameravoering en montage. Zowat alle kaders, standpunten, bewegingen en scherptes die de filmgeschiedenis heeft opgeleverd volgen elkaar in snelle afwisseling op. Zelfs de adolescente kijker die alleen maar actie en gevechten wil zien, zal zich niet vervelen.
__________________

* [Sic]. Ik geef toe dat ‘gefliptste’ mét een tweede ‘t’ ook raar zou zijn.

** Dat is heel verstandig want dialoog is, in tegenstelling tot monoloog, het zwakke punt van veel epische films. Die bevatten teveel zinnen van het soort: ‘Oh Richard, Richard, you just have to save Christianity’.

maandag 17 juli 2017

Troyes (France)

Troyes: rue Emile Zola - een van de vele literaire straatnamen
     Telkens als we met de auto naar het Zuiden rijden, over de Franse tolwegen, komen we voorbij Troyes, één keer op de heenreis en één keer op de terugreis. ‘Troyes,’ denk ik dan, ‘Chrétien de Troyes, 1140-1190’ want ik ben romanist van opleiding. En we rijden onverstoord verder.
     Dit jaar hebben we het anders gedaan. We hebben de afslag genomen, zijn het stadje binnengereden, hebben ons aangemeld bij het Bureau voor Toerisme, en hebben aan de juffrouw achter de balie gevraagd wat de stad doet om haar beroemde zoon Chrétien te eren. Dus: staat er ergens een standbeeld? Is er een jaarlijks festivalletje? Een museumpje? Een bioscoopje waar men driemaal per dag de film ‘Perceval Le Gallois’ van Röhmer vertoont? Maar dat valt tegen.* De juffrouw achter de balie heeft nog nooit van Chrétien gehoord. Ze haalt er een collega bij en ook die kijkt ons aan alsof het ergens heel in de verte aan het donderen is. Leren ze daar dan niets op die Franse scholen?
      Ik leg geduldig uit* dat Chrétien de uitvinder is van de Arturroman, dat hij de legende van de Heilige Graal bedacht heeft, dat velen hem beschouwen als de grootste middeleeuwse schrijver na Dante en Chaucer. Ik wil er nog bij zeggen dat alleen door het toevoegsel ‘de Troyes’ achter de naam Chrétien men ook aan Amerikaanse universiteiten weet heeft dat het Franse provinciestadje bestaat. Maar ik hou me in en misschien is het niet waar. Misschien kende in Amerika alleen Mary McCarthy iets van middeleeuwse Franse letteren. En Mary McCarthy is al enige tijd dood.
     ‘Een middeleeuwse schrijver?’ vraagt een van de baliejuffrouwen. ‘Dan moet je in de gemeentebibliotheek zijn. Daar hebben ze hele oude boeken.’
     Als we in de gemeentebibliotheek arriveren, melden we ons weer bij de balie aan en stellen we onze Chrétien-vraag aan een jongeman met een bril. Die weet heel goed wie Chrétien is en ook dat er in de bibliotheek niets mee gedaan wordt. Er is wel een tentoonstelling van middeleeuwse manuscripten, zegt hij.
     Die tentoonstelling hebben we dan maar bezocht. In de manuscripten waren allerlei mooie gekleurde tekeningen aangebracht.
___________

* Ik heb in mijn boekenkast een Nederlandse vertaling van ‘Perceval’ in een kinderlijk ogende uitgave: nagenoeg vierkante bladzijden, verbreed lettertype. In het ‘Nawoord’ lees ik: ‘Hij [Chrétien] werd geboren in Champagne, in de stad Troyes, waar echter niets dan een straatnaam nog aan hem herinnert.’ Ik deel de verontwaardiging van de auteur, maar wat hij schrijft is niet helemaal correct. Er is naast een ‘Rue Chrestien de Troyes’ ook nog een ‘Rue du Chevalier Perceval’ en een ‘Rue du Chevalier au Lion’, en zelfs een ‘Lycée Chrestien-de-Troyes’. Die discrete verwijzingen stellen natuurlijk weinig voor in vergelijking met de ‘Boulevard Victor Hugo’, de ‘Avenue Anatole France’ en het ‘Collège Albert Camus’. Maar ’t is toch iets.

** Een duidelijk voorbeeld van ‘mansplaining’. Zie hier.
  
 

zaterdag 15 juli 2017

Buskruit, slangen en de niqab*

    In de vroege 19de eeuw was Yale een soort High School waar Latijn, Grieks en Hebreeuws werden aangeleerd, en verder opstel schrijven, rekenen en een beetje scheikunde. De leerlingen waren vijftien jaar en ouder en waren afkomstig van rijke ouders, maar dat wilde in Amerika niet zo veel zeggen –  behalve dan dat ze rijk waren. In de eetzaal, waar alleen onbreekbaar servies werd gebruikt,  kwam het vaak tot stevige gevechten, terwijl de leraren bang toekeken vanop hun podium. Die leraren mochten al blij zijn als ze bij het verlaten van de eetzaal in het gedrum gespaard bleven van elleboogstoten of vuistslagen. Er is een verhaal bekend van een leraar die op zijn kamer werd belaagd door studenten en door het sleutelgat een kogel afvuurde om de deugnieten af te schrikken.
     Met dat alles was rekening gehouden toen het schoolreglement van Yale werd opgesteld. Het verbood expressis verbis om  ‘vuurwapens of buskruit op de kamer te hebben’ en eveneens om ‘buskruit op het collegeplein of in de buurt ervan tot ontploffing te brengen.’ Dàt is ondubbelzinnig verwoord. Je krijgt er geen speld tussen. Een leerling die een deur van de school met buskruit opblies  werd onverbiddelijk van school getrapt, wat bijvoorbeeld gebeurde met de zestienjarige James Fenimore Cooper, de latere auteur van de Lederkousverhalen.
     Dat buskruit stond dus in het schoolreglement. Maar je kunt nooit met alles rekening houden. Albert Jay Nock (1870-1945) vertelt in zijn memoires hoe er op zijn school, het Stephen’s College, een medestudent was die slangen op zijn kamer hield en er ook meestal een paar onder zijn  hemd bij zich had. Toen de rector daarvan hoorde, schrok hij vreselijk. ‘Most revolting! Abominable’. Maar er bleek niets over in het reglement te staan. De jongen mocht de slangen houden. ‘I can’t see but that he is within his rights,’ zei de rector. Nock bewonderde de rechtvaardigheid van zijn rector.
     Een laatste schoolreglementverhaal brengt heden en verleden samen. Theodore Dalrymple (1949) vertelt ergens van een Britse medische faculteit waar enkele meisjesstudenten plots gesluierd in de aula verschenen en wel op zodanige manier dat alleen hun ogen zichtbaar bleven. Zo’n sluier heet een niqab geloof ik. Wat nu? De decaan kon moeilijk die niqab verbieden als religieus symbool van vrouwenvernedering of segregatie. Een decaan die zoiets doet, zou beschuldigd worden van racisme, discriminatie en islamofobie. Gelukkig vond hij een oud en eerbiedwaardig reglement van 1857 waarin bepaald werd dat artsen en artsen in opleiding altijd hun volledige gezicht moeten tonen aan hun patiënten. Hoe kon de patiënt anders weten of die arts eerlijk was over zijn ziekte, over de behandeling ervan of over het ereloon?
     Dankzij het oude reglement verschenen de meisjes weer op school zonder niqab. De decaan was opgelucht, Dalrymple was opgelucht, de meisjes wellicht ook, en zelf ben ik er evenmin rouwig om. Op school, geen buskruit, geen slangen en geen niqab.
 
*  Enige tijd geleden wou ik iets schrijven over de schoolreglementen van Yale College en Stephens College. Daarbij viel mij van alles te binnen over de schoolreglementen in mijn tijd, vergeleken met de schoolreglementen van nu, en over de toen actuele kwestie van ‘dampen op school’. Het gedeelte over Yale en Stephens liep een beetje verloren tussen de andere beschouwingen. Toch wou ik het niet loslaten.
Toen ik mijn stukje echter naar De Bron opstuurde kreeg ik een korzelig antwoord van eindredacteur Eddy Daniëls. Die ‘flauwekul’ over Yale en Stephens moest eruit. Kill your Darlings, voegde hij er nog aan toe.
Eddy had gelijk. Maar hij moest niet denken dat ik mijn lievelingen zomaar als geaborteerde foetussen in de vuilnisemmer zou gooien. Hier krijgen ze een ordentelijke begrafenis.

woensdag 28 juni 2017

Hugo, Dumas en Zoonvan

     Victor Hugo (1802-1885) was goed bevriend met Alexandre Dumas (1802-1870). De twee hadden heel wat met elkaar gemeen: wegbereiders van de romantische beweging, onverzettelijke werkkracht, veel vrouwen. Hugo was gierig als de pest en Dumas gooide het geld door ramen en deuren, maar dat was een detail. Dat deed niet ter zake. Soms hadden ze ook ruzie als hun minnaressen belust waren op dezelfde theaterrol, maar die ruzie werd dan bijgelegd want Hugo was de kwaadste niet en Dumas al zeker niet. ‘L’excellent Dumas’, noemt Alain Decaux hem.
     Als schrijver hadden ze allebei veel succes. Toch werd Hugo meer au sérieux genomen. Hij nam zichzelf ook heel erg au sérieux en dat helpt. Uiteindelijk werd hij in 1841 verkozen tot lid van de Académie française. Hij kreeg een groen uniform en een degen, en mocht plaats nemen in het midden van de veertig ‘onsterfelijken’ om mee de belangen van de Franse taal en literatuur te  behartigen over de hele wereld. Alexandre Dumas daarentegen  geraakte nooit binnen in dat voorname clubje en moest ook na zijn dood wachten tot 2002 voor hij werd begraven in het Panthéon – waar Hugo al onmiddellijk na zijn verscheiden was bijgezet.
     Lid worden van de Académie was niet gemakkelijk geweest, zelfs niet voor een groot man als Hugo. Hij moest wachten tot een ander academielid stierf en zich dan kandidaat stellen, naar mondaine feestjes gaan, zoete broodjes bakken met de andere leden, of, als die vis niet wilde braden, met hun vrienden, hun verloofdes, hun vrouwen of hun minnaressen. Omgekeerd kon je het eens verworven lidmaatschap ook niet meer kwijtraken. Hugo leefde twintig jaar in ballingsschap omdat hij ruzie had met Napoleon III en al die tijd bleef zijn stoel – nr. 14 – onbezet. Toen Napoleon III verdreven was, keerde Victor Hugo terug en kon hij zijn plaats weer innemen. Dat was in 1870, het jaar ook van de dood van Alexandre Dumas.
     Welnu, die Alexandre Dumas had een zoon en die heette ook Alexandre Dumas. Omdat hij net als zijn vader toneelstukken en boeken schreef, was het noodzakelijk dat de namen van elkaar onderscheiden werden. De ouwe, dikke Dumas werd Dumas père genoemd, en zijn zoon Dumas fils. Maar dan ontstond zoetjes aan de gewoonte om dat ‘Dumas fils’ uit te spreken zonder pauze tussen de twee woorden en met een klemtoon op de laatste lettergreep. Je moet het eens proberen – Dumasfils - en je zult het lichte misprijzen voelen van zo’n uitspraakwijze die verder ook haar eigen schrijfwijze meebracht: Dumafice. Les voilà: Dumas et Dumafice. Dat is zoiets als: kijk, daar heb je ze, Dumas en Zoonvan.
     Tussen de jonge Dumas en Hugo vlotte het niet zo goed. Hugo was een man van links, de jonge Dumas was een man van rechts, ‘un homme de l’ordre’*. Hugo was geschokt toen de arbeidersopstand van 1871 op gruwelijke wijze werd onderdrukt, met veel executies, lange gevangenisstraffen, dwangarbeid en verbanning naar onherbergzame eilanden aan de andere kant van de wereld. De jonge Dumas van zijn kant juichte de onderdrukking toe. Hugo zag een blinde wraakoefening, de jonge Dumas een noodzakelijke maatregel om de beschaving veilig te stellen.
     Welnu, in 1874 wou de jonge Dumas zich laten verkiezen voor de Académie. Elke stem was van belang. Langs tussenpersonen probeerde hij te vernemen of hij de stem van Hugo kon krijgen, maar de grote man zweeg grimmig. Op de dag van de verkiezing nam de jonge Dumas plaats op een bankje in de buurt van de Académie en wachtte angstig af. Zou hij voldoende stemmen behalen? Zou Victor Hugo een kruisje plaatsen naast de naam Dumas? Toen kwam Hugo naar buiten, zag de nerveuze kandidaat-académicien en stapte naar hem toe. Zonder hem de hand te schudden, zei hij: ‘J’ai voté pour votre père,’ en ging weg. 
      Zoonvan was verkozen. Stoel nr. 40.

*Un homme de l’ordre - mooie uitdrukking. Advocaat de Callatay zei mij ooit: ‘Philippe, vous ne comprenez pas cela. Vous n’êtes pas un homme de l’ordre.’

zondag 25 juni 2017

De samenzwering van Yves Desmet


     Je bent een brave linkse jongen of een brave linkse meid. Militairen ‘in het straatbeeld’ doen je aan rechtse dictaturen denken. Je wil ze zo snel mogelijk weg. Je vindt ook dat het gevaar voor islamistische aanslagen erg wordt overdreven, zeker vergeleken met de onveiligheid in het verkeer. En dan gebeurt er tóch weer een aanslag, dit keer in Brussel-Centraal. Die mislukt weliswaar, maar ’t is toch een aanslag. En de terreurzaaier wordt ter plekke doodgeschoten door een aanwezige militair.
Wat nu?
      Yves Desmet, de vroegere hoofdredacteur van De Morgen, laat zien hoe je de zaak in zeven ‘tweets’ naar je hand kunt zetten. Ik citeer ze even.

  1. Militair heeft vrij duidelijk uit wettige zelfverdediging gehandeld.
  2. Er zijn weinig momenten dat er minder volk in Brussel Centraal aanwezig is dan op het moment van de aanslag.
  3. De ontsteker ontplofte, de bom niet. Omdat de dader een prutser is, of net niet?
  4. De militairen hebben de ontploffing niet verijdeld, die was al gebeurd vóór hun ingrijpen.
  5. De dader loopt na de mislukte ontploffing, blijkbaar toen ongewapend, op de militairen af.
  6. De dader is bekend voor zedenfeiten, niet voor radicalisering. Gefrustreerd dus.
  7. Maakt dat alles de hypothese van ‘suicide by cop’ niet minstens het onderzoeken waard?
     Punten 1, 4, 5 en 6 zijn niks speciaals. Wettige zelfverdediging –  ja natuurlijk. Aanslag niet verijdeld – nee, eigenlijk niet. Dader liep ongewapend op de militairen af – ja, zo staat het in de krant. Dader niet bekend om zijn radicalisering – nee, toch niet vóór de aanslag. Dat staat allemaal min of meer vast. Daar hebben we Desmet niet voor nodig.
     Bij punt 3 wordt uit een ander vaatje getapt. Het maken van een goede TATP-bom schijnt nogal moeilijk te zijn en onze terreurzaaier heeft het verprutst. Dat is wat we in gewone kranten lezen. En Desmet lijkt hierin mee te gaan. Een prutser – zeker dat kan, maar dan voegt hij er, na een dramatische komma, aan toe: ‘Of net niet?’ Het doet denken aan een populair Amerikaanse tv-programma over de Vierde Dimensie, waar om de zoveel minuten een voice-over zegt: just a coincidence – or is it? Waardoor we ook weer met andere ogen kijken naar het tijdstip van de aanslag (punt 2) –  een moment dat er weinig volk in het station aanwezig was. Alweer: just a coincidence – or is it?
     Desmet werkt toe naar zijn uiteindelijke vraag: ging het hier niet om een ‘suicide by cop’? Moet dat niet eens onderzocht worden? In één betekenis is die veronderstelling meer dan redelijk. De terreurzaaier had inderdaad verwacht als eerste dood te zijn. Daarom noemen we zulke mensen ook zelfmoordterroristen. En toen dat niet lukte moest het maar anders: op de politie afstormen om zich te laten neerschieten en zo alsnog als martelaar naar de moslimhemel te gaan.
    Maar Desmet suggereert meer. Door zijn suicide-by-cop vast te haken zowel aan het verkeerde tijdstip als aan de niet- ontploffing van de bom, lijkt Desmet te zeggen dat de dader helemaal geen aanslag wou plegen. Dat de reiskoffer en de springstof en de dodelijke spijkers en het ontstekingsmechanisme en de kreet Allahu Akbar niets meer dan een vertoning waren, een onderdeel van een ingewikkeld plan om zichzelf te laten neerschieten door een militair. Omdat de brave man niet wilde dat er ook andere slachtoffers vielen, zorgde hij ervoor dat de bom niet ontplofte. En om helemaal zeker te zijn koos hij een tijdstip dat er weinig volk was in het station. Het was allemaal één grote samenzwering met deze bijzonderheid: dat er maar één samenzweerder was.*
     Dat schrijft Desmet allemaal niet. Dat heb je met samenzweringstheorieën. Het blijft bij vragen, suggesties, verdachte omstandigheden, toevalligheden die geen toeval kunnen zijn, ‘niets is wat het lijkt’ … En dat maakt het ook zo vermoeiend om die theorieën te lezen.** Je weet nooit waar men eigenlijk naartoe wil, terwijl duidelijk maken waar je naartoe wil een van de eerste regels van helder schrijven is.
     Mooier zou zijn als de opstellers van samenzweringstheorieën te werk zouden gaan volgens de bekende wetenschappelijk methode: beginnen met een zo eenduidig mogelijke werkhypothese. Desmet bijvoorbeeld had in zijn ‘tweet’-reeks kunnen schrijven: ‘De man in Brussel-Centraal wou geen aanslag plegen. Zijn enige doel was zich te laten neerschieten door een militair.’ Dan had het parket ten minste geweten wat het moest onderzoeken.

* Op de sociale media vind je in verband met Brussel-Centraal ook uitgebreider samenzweringstheorieën. Zo lees je dat Oussama Zariouh werd doodgeschoten omdat hij anders misschien de Waarheid aan het licht zou brengen.
** Behalve natuurlijk in de spionageromans van John le Carré

donderdag 22 juni 2017

Maar wat was zijn motief?

    Zo onmiddellijk na een terreuraanslag is het voor een  krantenschrijver of nieuwslezer soms moeilijk om de juiste toon te vinden. Een mediterraan type heeft ‘Allahu Akbar’ geroepen en heeft daarna een bom laten ontploffen, een automatisch pistool leeggeschoten of is met een vrachtwagen op een menigte voetgangers ingereden. Je kunt dan terugvallen op clichés zoals: ‘Over de motieven van de dader is nog niets bekend’.
     Het is een beetje lachwekkend, maar ook een beetje begrijpelijk. Het maakt deel uit van een oude traditie: je maakt een gezicht onherkenbaar, je gebruikt initialen (O.Z. uit M.), je verklaart met een zorgelijk gezicht dat de ‘uitkomst van het gerechtelijk onderzoek wordt afgewacht’. Je spreekt uiteraard van ‘verdachte’ in plaats van ‘dader’, ook al had die verdachte – heel verdacht – een bebloed mes in de hand toen hij werd gearresteerd, of had de verkrachter zijn broek op de enkels. En ten slotte zeg je dus nog iets over de motieven die ‘voorlopig nog onbekend zijn’.
     Ik heb daar allemaal geen probleem mee. Een paar dagen later vernemen we hoe dan ook dat bijvoorbeeld ons mediterrane type op zijn appartementje een ruime verzameling islamistische literatuur had, op de sociale media zijn sympathie uitsprak voor terreuraanslagen en, wie weet, misschien zelf op een lijst stond van mogelijke aanslagplegers. En daarmee zijn zijn motieven dan eindelijk toch bekend.
     Maar nu heeft Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad iets nieuws. Over de mislukte aanslag van gisteren schrijft hij: ‘Oussama Zariouh is een kopzorg. Omdat we niet weten wat er in zijn hoofd omging … Zolang we de motieven niet kennen van mensen die snel radicaliseren, kunnen we ook geen echt antwoord bieden op de terreurdreiging.’
     Dit is duizelingwekkend.
     Want we kennen natuurlijk de motieven van Zariouh om zijn aanslag te plegen: hij was een van die ‘geradicaliseerde’ moslims die de koran letterlijk interpreteren. Aangezien dat boek in verschillende hoofdstukken oproept om ongelovigen te doden, wilde Zairouh daar graag zijn steentje toe bijdragen. Barbaars en achterlijk, maar zonneklaar.
     Maar dan komt Mijlemans met een tweede vraag: wat waren zijn motieven om te radicaliseren? We moeten met andere woorden niet alleen Zairouhs motieven kennen voor de aanslag, we moeten ook de motieven kennen van die motieven. En zo kunnen we nog even doorgaan. Moeten we immers ook de motieven van die motieven van die motieven niet kennen? In de logica spreekt men in zo’n geval geloof ik van regressus ad infinitum.
     Stel dat Zariouh geradicaliseerd is omdat hij op Wikipedia een artikel heeft gelezen over het verdrag van Sykes-Picot (1916). Moeten we nu ook niet nagaan wat zijn motieven waren om iets over dat verdrag te lezen? En moeten we iedereen gaan schaduwen die iets over dat verdrag heeft gelezen? Ik heb dat tenslotte ook wel eens gedaan. Of moeten we het artikel op Wikipedia laten weghalen?
     En stel nu dat Zariouh véél motieven had om te radicaliseren – een eindeloze rij van frustraties: het onrecht van Sykes-Picot, een ongehoorzame vrouw, een ontoereikend loon in de gsm-winkel waar hij werkte, een ketchupvlek op zijn mooiste T-shirt  … Moeten wij dat allemaal weten? Willen wij dat allemaal weten?
     En als we het allemaal weten, zijn we dan beter uitgerust om, zoals Mijlemans schrijft, een ‘echt antwoord’ op de terreurdreiging te kunnen bieden?

Regressus ad infinitum met twee spiegels

zaterdag 17 juni 2017

Dampen op school

     Over ‘dampen’ – elektronisch roken – heb ik geen mening. Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad is tégen en dan moet ik mij geweld aandoen om niet meteen vóór te zijn, maar tot nu toe is het mij aardig gelukt. Een andere kwestie is evenwel die van dampen op school. Wat doe je als zo’n brutale vlegel op de speelplaats gaat dampen en, daarop aangesproken, antwoordt: ‘Daar staat niets over in in het schoolreglement. Daar staat alleen iets in over roken.’ Moet dat dampen dan apart in het reglement worden opgenomen? Daar wil ik iets over zeggen vanuit mijn levenservaring en vanuit mijn boekenstudie.    
     In mijn tijd bestond een schoolreglement uit een A-4’tje dat ophing aan het raampje van de schoolwinkel. Ik heb dat reglement ooit grondig bestudeerd om te zien of het geen aanvechtbare bepalingen bevatte, bepalingen die aanleiding konden geven tot ontevredenheid, actie, of misschien zelfs staking. Dat viel niet mee. Ja, er stond ergens in dat onze haarsnit ‘verzorgd’ moest zijn. Maar kon je daar nu tegen zijn?
      Toch was op onze jongensschool bijna alles verboden. Je mocht niet spuwen op de grond. Je mocht je stofjas niet open dragen. Je mocht je haar niet over je oren kammen. En je mocht op de speelplaats niet te lang met dezelfde vriend staan praten – er mocht zich eens een ‘speciale’ vriendschap ontwikkelen, stel je voor. Maar al die verboden, die stonden niet op het A-4’tje van het winkelraam, en dat was ook niet nodig. Een repressie-apparaat van drie ‘subregenten’ en een woeste ‘secretaris’ bepaalde op elk moment wat mocht en wat niet mocht. Wij verkeerden in een staat van volslagen rechteloosheid.
     Nu is dat allemaal anders. Het schoolreglement is een heus boekje geworden – op onze school zelfs twee boekjes, samen meer dan 100 bladzijden. En nog staat niet alles erin, wat erin moet staan. Er staat bijvoorbeeld nergens een duidelijk verbod in op het gooien van schoenen in de klas, en ik heb dat nochtans een keer meegemaakt in het 4de jaar Handel. Je kunt natuurlijk zeggen dat schoenen gooien indruist tegen de bepaling ‘respectvol omgaan met elkaar’, maar dat vind ik toch een kwestie van interpretatie. Ik geloof ook niet dat het reglement verbiedt dat leerlingen gewapend naar school komen. Er staat alleen iets in over ‘gewapend zijn tegen individualisme en zelfzucht’.
 
     Wij zouden dus op mijn school, in dezelfde visie van rechtszekerheid, de regel ‘Roken levert strafstudie op’ kunnen uitbreiden tot ‘Roken en dampen leveren strafstudie op.’ Ja, dat kunnen we. Maar zijn we dan zeker dat dat genoeg is? Misschien komt na de elektronische sigaret weer iets nieuws – de digitale sigaret? – de virtuele sigaret? Nee, hier kunnen we beter bij Godfried Bomans ten rade gaan. In De avonturen van Bill Clifford  citeert hij op de eerste bladzijde al het reglement der Posterijen: ‘Alle ambtenaren, die, hetzij met een sigaret, hetzij met een sigaar, hetzij met een pijp, hetzij met enig ander rookwerkuig worden aangetroffen,  zijn gehouden hiervan aan de directeur verantwoordig af te leggen.’ Enig ander rookwerktuig - de Posterijen waren op alles voorbereid.
     Zo gaan we het doen bij ons op Sint-Ursula. We verbieden pijp, sigaar, sigaret en enig ander rookwerktuig. En geen slangen meebrengen in de klas natuurlijk, want dat zijn vieze beesten.

woensdag 14 juni 2017

Hilde Sabbe en Yvan Mayeur

     Columniste Hilde Sabbe wordt nu overal een beetje uitgelachen omdat ze vorig jaar zo’n  lovend stuk schreef over PS-burgemeester Mayeur toen hij de Vlamingen, enigszins veralgemenend ‘fascisten’ of ‘extremisten’ had genoemd. Sabbe had Mayeur geprezen voor zijn passie, zijn overtuiging en zijn emotie. Ook was hij ‘zeer intelligent’. Veel politici waar Sabbe mee gepraat heeft zijn ‘zeer intelligent’.
     Maar nu is gebleken dat die Mayeur zich rijkelijk liet betalen door een organisatie voor daklozen terwijl hij helemáál niet dakloos is. Daarover is nu veel verontwaardiging. Vooral vrijwilligers die zelf al eens wat doen  in de armoedebestrijding zonder daar een cent voor te vragen hebben bedenkingen bij zo’n graaier die hoge zitpenningen ontving voor vergaderingen die niet eens plaats vonden. Die zitpenningen beliepen 19 000 euro bruto per jaar, lees ik.
     Sabbe had kunnen stilzitten en zwijgen als een schaap dat geschoren wordt. Maar ik geloof niet dat dat iets voor haar is, dat zwijgen. Op Facebook maakt ze duidelijk dat ze bóós is op de kranten die van Mayeur een sjoemelende burgemeester hebben ‘gemaakt’. Mayeur heeft een koel hoofd, schrijft Sabbe, en een open geest. Mayeur is geen racist. Mayeur heeft veel talent in zijn vingertop. Mayeur is geen lid van de N-VA.
     Dat kan allemaal best waar zijn.
     Maar die zitpenningen dan? Sabbe gaat in de tegenaanval: ‘Die les hadden de grote graaiers natuurlijk allang begrepen: je nooit laten vergoeden voor geleverde diensten voor sociale organisaties. Alleen maar werken voor kapitaalkrachtige instellingen, dan kraait er geen haan naar hoeveel je betaald wordt.’
     Ik zou nu kunnen vitten en zeggen dat die diensten voor sociale organisaties naar het schijnt juist niet ‘geleverd’ zijn, maar daar gaat het mij niet om. De hele redenering lijkt er mij op neer te komen dat je je gerust flink mag laten betalen door een sociale organisatie die leeft van subsidies en giften want anderen laten zich ook flink betalen door ‘kapitaalkrachtige’ firma’s. Dat die firma’s niet leven van subsidies en giften doet er niet toe. Het gaat er alleen om hoeveel je betaald wordt. Die anderen krijgen dat, dus Mayeur heeft er ook recht op. En Sabbe misschien ook.
     Je kunt op zoveel manieren eerlijk je geld verdienen: een eigen zaak uitbaten, betaald worden door iemand die een eigen zaak uitbaat, aan de staat werken volgens een barema. Je kunt een laag- of een hooggeschoold beroep uitoefenen. Je kunt geld van anderen beleggen en daar kleine procentjes voor opstrijken die samengeteld een enorm bedrag opleveren. In zo’n systeem zal de ene een veel hoger inkomen hebben dan de ander.
     Socialisten en communisten zijn geneigd om die inkomensongelijkheid zelf als een misdaad te zien. Zodra iemand veel meer heeft dan een ander, is er vals gespeeld. Derrière chaque grande fortune il y a un crime, schreef Balzac, die nochtans geen socialist was en zijn leven lang wanhopig op zoek was naar een groot fortuin. Brecht brengt dezelfde boodschap in zijn Driestuiversopera: de hele maatschappij bestaat dankzij de misdaad. Als je nu geld verdient als ondernemer, straatrover, pooier of zaakvoerder van een bedelaarssyndicaat: wat telt is hoeveel je binnenrijft. Of zoals Sabbe schrijft: ‘hoeveel je betaald wordt’.
     Indien Mayeur redeneert als Sabbe, wat kan, of als socialist, wat waarschijnlijk is, dan heeft hij eigenlijk niets verkeerds gedaan. Yvan Mayeur verdient minder dan een grote bankier, een zakenman, een nefroloog of een eerste minister. Hij denkt dat hij dat verschil mag bijpassen, want hij werkt even hard en heeft evenveel talent. Wat dondert het dat het geld uit de kas van de daklozen komt? En wat dondert het dat hij dat geld kreeg voor vergaderingen die niet plaats vonden? Was hij op die avonden dat hij niet vergaderde voor de daklozen niet op een andere manier druk in de weer voor het algemeen belang? Als hij maar krijgt waar hij recht op heeft.
     Toch hebben Mayeur en Sabbe het verkeerd voor. In een fatsoenlijke maatschappij verdien je je geld in afspraak met degene die je het geld bezorgt: de klant, de patiënt, de werkgever, de staat. Tot op zekere hoogte krijgt zelfs de politicus zijn centen in afspraak met zijn kiezer.* Maar met wie heeft Mayeur zijn vergoeding afgesproken? Met de kameraden onder elkaar? In elk geval niet met de daklozen.
     In Oom Vanja van Tsjechov is er een discussie tussen de plompe Serebrjakov, eigenaar van een landgoed, en de brave Ivan Petrovitsj – Vanja dus – die het landgoed beheert. Vanja klaagt dat hij in al die jaren geen loonopslag gekregen heeft. De plompe Serebrjakov zegt dat hij die loonsopslag zelf maar uit de kas had moeten nemen. Daarover is Vanja erg verontwaardigd. Dat zou diefstal geweest zijn. Misschien niet in de wettelijke betekenis van het woord, maar toch: diefstal.
     Vanja heeft gelijk. Ook geld nemen uit de kas van een plompe landheer als Serebrjakov is diefstal. Maar eigenmachtig geld nemen uit de kas van de daklozen is véél erger. Dat begrijpt iedereen, behalve Mayeur, de gewetenloze graaiers van de PS en onze eigen Hilde Sabbe.
 
* Kiezers die vinden dat burgemeesters, parlementairen en ministers te veel verdienen kunnen stemmen voor een partij die tegen die hoge vergoedingen is. De PVDA bijvoorbeeld. Zelf heb ik niks tegen politici die goed verdienen én goed werk leveren.

zaterdag 10 juni 2017

Lerarentekort - Is meer pedagogie de oplossing?

     Wat ook veel te vaak wordt hervormd en vernieuwd is de lerarenopleiding. We lazen van de week in de krant dat het wiskundeniveau daalt en dat er te weinig wiskundeleraren zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad?* ‘Onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) wil het probleem tackelen door de lerarenopleiding te hervormen.’ Ik betwijfel of dat de oplossing is. Als het aan mij lag zou ik juist al die hervormingen van de laatste veertig jaar weer afschaffen. Of ik daardoor meer wiskundeleerkrachten zou krijgen, weet ik niet, maar meer of minder, ik zou het tóch doen.
     Er moet een Gouden Tijd bestaan hebben toen universitaire diploma’s van wiskunde, fysica en germanistiek directe toegang verleenden tot het lerarenberoep. Je moest er nog twee of drie pedagogische vakjes bij nemen, je moest een paar stagelessen geven, en de zaak was beklonken. Die Gouden Tijd heb ik niet meer meegemaakt. Toen ik afstudeerde waren die vakjes al zodanig uitgedijd dat ik er een heel jaar mee bezig was. 
     Dat was niet altijd even aangenaam. Mijn ergernis was meteen gewekt toen ik in  ‘Algemene pedagogie’ op de eerste bladzijde een definitie van ‘leren’ kreeg die nergens op sloeg. Uit die definitie volgde dat we als leraren niet aan ‘kennisoverdracht’ mochten doen.* Ook moest ik op geregelde tijden met medeleerlingen, en onder begeleiding, ‘reflecteren over de onderwijspraktijk’. Maar laat ik mild zijn: niet alles in het programma was onzin. Ik heb er enkele inzichten in leerprocessen aan overgehouden, en een paar nuttige adviezen. Als je echter alles wat interessant of nuttig was bij mekaar harkte, had je toch voor niet meer dan twee of drie kleine vakjes, zoals vroeger. 
     Goed, je wilt lesgeven en je moet erdoor. Je denkt dat je dat lesgeven wel al doende zult leren en je hebt een paar oud-leraren voor ogen die je graag wil nabootsen, maar je zet die gedachten tijdelijk uit je hoofd en je verstand op nul – wat een uitstekend uitgangspunt is om pedagogie te studeren. Wat is nou een extra jaar? Un mauvais quart d’heure à passer, meer niet.
     Helaas is er de laatste tijd iets nieuws aan de hand. De nieuwigheid bestaat erin dat de pedagogische opleiding niet alleen wordt uitgebreid – wat al erg genoeg is – maar dat ze wordt uitbreid ten koste van de wetenschappelijke vakopleiding. Hoe zal Crevits voor meer wiskundeleerkrachten zorgen? ‘Ze wil,’ zo schrijft Het Nieuwsblad, ‘dat jongeren na het middelbaar ook aan de unief meteen voor een lerarenopleiding kunnen kiezen, met de zogenaamde educatieve master.’ Wie geen bezwaar heeft tegen slecht proza kan over die educatieve master lezen in Crevits haar conceptnota ‘Wervende en kwalitatieve lerarenopleidingen’ – alinea 3.2.7.
     Ik weet hoe het zal eindigen met die educatieve master. We komen ten langen leste uit op twee universitaire opleidingen: de echte wiskunde en de onderwijswiskunde, de echte fysica en de onderwijsfysica, de echte taal-en-letterkunde en de onderwijstaal-en-letterkunde. En de onderwijsvariant wordt de light versie. Universitaire wiskunde light! Tja. Ik weet ook hoe men dat zal ontkennen: ‘de bacheloropleiding blijft gemeenschappelijk’, ‘we zullen de instroom versterken via een verplichte, niet-bindende toelatingsproef’*, ‘we gaan zowel de vakinhoudelijke als de educatieve inhoud versterken’.
     Dat zijn praatjes, vooral dat laatste.  In alinea 3.2.4 van de Conceptnota worden de terreinen van de versterkte lerarenopleiding opgesomd:
  • Vakinhoudelijke kennis
  • Didactische vaardigheden
  • Klasmanagement
  • Praxisonderzoek
  • Toenemende diversiteit in een grootstedelijke context.
     In zo’n opvatting is ‘vakinhoudelijke kennis’ maar één van de vijf ingrediënten –  ingrediënten waar ik er gemakkelijk nog enkele bij kan van verzinnen. En in elk geval voorziet de educatieve master 120 studiepunten ‘waarvan 60 studiepunten aan de component leraar worden besteed.’ De helft gaat dus naar het lerarengedoe en de helft gaat naar de vakinhoud. Dan wordt die vakinhoud toch wel aardig uitgekleed, vind ik.
     De reden die Crevits voor de educatieve master aangeeft is kletskoek. ‘We willen dat jongeren op 18 al een bewuste keuze kunnen maken voor leraar.’ Maar die bewuste keuze hebben achttienjaren altijd al kunnen maken. Toen ik aan mijn opleiding Romanistiek begon, had ik niet de minste twijfel dat ik leraar wou worden, net zoals tachtig procent van mijn medestudenten. Daarvoor moest er echt geen educatieve master Romanistiek worden opgericht. Wel waren er sommigen die in de loop van hun studies veranderden van mening en vooralsnog een andere loopbaan kozen. Dat is uitstekend. We leven in een vrij land. Wij willen alleen échte leraren en leraressen in ons beroep. De rest doet maar iets anders.
     Crevits heeft daarbij wel gelijk als ze denkt met universitaire opleidingen light meer kandidaten aan te trekken. Dat zullen dan kandidaten zijn die wetenschappelijk wat minder aanleg hebben.* Natuurlijk betwist ik niet dat er daar bij zullen zijn die goed les kunnen geven. Het zijn niet altijd de beste wetenschappers die de beste lesgevers zijn. En dan: is al die wetenschap wel nodig? Is het wel nodig dat eenvoudige leraren Nederlands, om in mijn vakgebied te blijven, noties hebben van Indo-Germaans, Gotisch, principes van klankverschuiving, fonologische en morfologische analyse, structuralistische en generatieve grammatica, allemaal zaken waar zij in hun lessen toch niets mee aanvangen Waarom die arme studenten lastig vallen met de poëzie van Willem Bilderdijk, Jacob Da Costa en P.A. de Génestet als ze die aan hun leerlingen toch niet verkocht krijgen, gesteld dat zij dat zouden willen?
     Ja, dat heb je met universitaire studies. Veel is niet direct nuttig. De fictie wordt in stand gehouden dat al die studenten eigenlijk toekomstige wetenschappers zijn die hun verdere leven aan de studie van klankverschuivingen en dergelijke zullen wijden. Maar die fictie heeft zijn charme. Het is, om met Plato te spreken, een ‘nobele fictie’. Dat elk jaar tienduizenden jongeren een instituut bezoeken waar niet ‘nut’ maar ‘waarheid’ centraal staat, trekt een versterkte muur op rond onze beschaving. Het is goed dat die jongeren gedurende enkele jaren worden aangewaaid door de tegendraadse gedachte ‘Fiat veritas, pereat mundus’. Het is eveneens goed dat een flink deel van die jongeren in het onderwijs terecht komen waar ze hopelijk de vlam van de wetenschap, zij het op een laag pitje, levend houden.
    In de vroege jaren zeventig gaf op het Sint-Aloysiuscollege te Menen, dat nu SAM heet, de jonge Antoon Vandendriessche les in de vakken Nederlands, Engels, Duits en Geschiedenis. Hij vertelde over Paul Lebeau, aan wie hij zijn scriptie had gewijd, en over George Bernard Shaw, ‘der Alte Fritz’,  Barbarossa, en ook over die andere keizer die in zijn onderhemd en op zijn blote knieën naar Canossa trok. Als hij op dreef was schreef hij een Indo-Europese stam op het bord, tekende hij een Hegeliaanse triade, stelde het werk van Elsschot voor op een x- en y-as, of lichtte het begrip ‘chaosmos’ toe tegen de achtergrond van Finnegan’s Wake.
     Wij waren een beetje trots op onze leraar. Antoon Vandendriessche kwam net van de universiteit. Hij was aangeraakt door de wetenschap. Maar ik geloof niet dat hij veel lerarenopleiding had meegemaakt. Hij deed aan kennisoverdracht.

* Alle aanhalingen uit Het Nieuwsblad, 8 juni 2017 – Het Laatste Nieuws 26 maart 2016 (hier) en de conceptnota Lerarenopleidingen versterken – Wervende en kwalitatieve lerarenopleiding als basispijler voor hoogstaand onderwijs (hier). De titel van de conceptnota geeft een stilistisch voorproefje van het hele opstel.

** Van Popper heb ik geleerd dat je uit een definitie héél weinig kunt afleiden.

*** ‘Verplicht, maar niet bindend’. Heerlijk is dat.

**** De educatieve master kan de opleidingstermijn natuurlijk verkorten omdat er dan na de vakinhoudelijke master geen aparte lerarenopleiding moet worden gevolgd. Ook dat kan nieuwe studenten opleveren. Maar door de pedagogische kant van de opleiding drastisch te verminderen, zoals ik voorstel, krijg je dezelfde uitkomst.

zondag 4 juni 2017

Heeft Trump voor één keer gelijk?

     Verstandige mensen zoals Joseph Stiglitz (Nobelprijswinnaar Economie), Louis Verbeke (gewezen zakenadvocaat) en Marc Ernst (facebookvriend) geloven dat Trump een verkeerde beslissing nam toen hij uit het klimaatakkoord van Parijs stapte. Trump heeft die beslissing toegelicht in de bekende Rozentuin. Hij had geen zin, zei hij, om de Amerikaanse CO2-uitstoot met 25 % te verminderen, of om 2 miljard dollar te schenken aan andere landen om hùn CO2-uitstoot te verminderen.
     Over dat CO2 heb ik weinig te melden. Dat is iets van scheikunde, wat het enige vak is waar ik ooit een herexamen van heb afgelegd. Soms zie ik op Facebook een discussie over CO2 en het klimaat. Ik word dan bang. ‘Show me your PhD,’ reageerde een klimaatalarmist driftig toen hij werd tegengesproken door een scepticus. Nu kende ik die scepticus, en die heeft toevallig een doctorsgraad – wat hij overigens niet vermeldde. Dat laatste vond ik een beetje raar. Als ik een PhD had, zou ik dat vermelden bij elke kans die ik krijg. Maar helaas, ik heb niet eens het allerkleinste doctoraatje in het allerkleinste vakgebiedje. Ik zwijg dus.
     Het enige wat ik wel weet over het klimaat is dit: dat volgens een geleerd model de temperatuur, mede onder invloed van CO2, fors zal stijgen tegen 2100. En dat volgens datzelfde geleerde model die stijging door het Parijse akkoord iets minder zal zijn. Hoeveel minder? Dat is precies berekend geweest: 0,05 °C minder.* Dankzij Parijs komt er dus een stijging van bijvoorbeeld 2,95 °C en niet van 3 °C. Dat is geen groot verschil. Vanuit klimaatstandpunt is het besluit van Trump met andere woorden een bagatel, een akkefietje, een onbetekenende anekdote in de marge. Of het dat ook is voor de economie of de diplomatie is een andere zaak.

     En dan weet ik nóg iets over klimaat en energie: met windmolens en zonnecellen komen we er niet. Is er eigenlijk één klimaatgeleerde die ronduit zegt van wel? Nu leveren wind en zon hooguit één procent van de geproduceerde energie.** Is er één klimaatgeleerde die ronduit durft beweren dat we binnen afzienbare tijd dat ene procent kunnen optrekken tot bijvoorbeeld 50 % van de huidige energienoden. En wat met de toekomstige energienoden van, zeg, China en India?
      Als leek weet ik niet of –  en hoe snel – de aarde in de toekomst zal opwarmen. Ik weet niet hoe groot de rol van de CO2-uitstoot daarbij is. Ook weet ik niet hoe catastrofaal de gevolgen zullen zijn. Komt de malariamug naar Scandinavië? Krijgen we grote, oncontroleerbare volksverhuizingen? Overstromen binnenkort onze metropolen? Worden wij allemaal, zoals Kevin Costner, mensvissen met kiewen achter de oren en vliezen tussen de tenen? Dat alles weet ik niet. Maar als het inderdaad allemaal zo erg is als sommige klimaatgeleerden beweren, dan moeten we daar volwassen conclusies uit trekken. Dan moeten we nu, meteen en massaal, investeren in atoomenergie, en wel zo massaal dat die energie niet alleen helemaal veilig wordt, maar ook goedkoper dan steenkool, petroleum of gas.*** Dan kan een einde komen aan de CO2-uitstoot. Wind en zon en zuinig verbruik en nieuwe batterijen zijn prima, maar zonder atoomkernen te splitsen of te fuseren, komen we er niet.
     Atoomenergie ligt niet goed bij de pers en bij de bevolking. Dat is zo. Het is geen boodschap waar je op feestjes veel vrienden mee maakt. Maar waarom zou een klimaatbewuste ondernemer als Elon Musk, gesteund door zijn collega’s van Apple, Nike, Starbucks, BP en Shell, zich daar iets aan van aantrekken? Musk en zijn vrienden buigen niet voor de ‘populistische’ klimaatpolitiek van Trump. Dan moeten ze ook niet buigen voor de publieke opinie. Moedig voorwaarts!
     En dan spreken we nog niet van onze visionaire politici zoals Kathleen van Brempt (SP.a), Charles Michel (MR), Lode Vereeck (OpenVLD) en Vincent van Peteghem (CD&V). Die hebben gisteren en eergisteren een invoertaks geëist op Amerikaanse producten omdat in de VS binnenkort weer nieuwe steenkoolcentrales zouden opengaan voor goedkope energie. In de toekomst zullen die visionairen dan op de televisie, op facebook of op twitter kunnen eisen dat er een importtaks komt op alle producten die niet met schone atoomenergie zijn geproduceerd. Want dat protectionistische reflexen zomaar zullen verdwijnen met de bouw van mooie nieuwe atoomcentrales, dat geloof ik niet.

* 0,05 °C – weet men dat zeker? Misschien niet. Maar de berekening is uitgevoerd, door Bjorn Lomborg, met gebruikmaking van hetzelfde model als dat waarop de hele klimaatwetenschap gebouwd is. Als die 0,05 °C niet klopt, dan klopt ook de huidige klimaatwetenschap niet. Zie hier voor het peerreviewed artikel van Lomborg. Een summiere kritiek op de conclusies van Lomborg vind je hier. Een antwoord op die kritiek vind je hier

** Windmolens en zonnecellen produceren ongeveer vijf procent van de elektrische energie. Elektrische energie is zelf ongeveer een vijfde van de totale geproduceerde energie. Zie hier.

*** De redenering is ontwikkeld in een artikel van Joshua S. Goldstein and Steven Pinker. Zie hier.

vrijdag 2 juni 2017

Foutje bij meerkeuze-examen

     Professor Carl Devos van Gent is een klein betwetertje, en dat ben ik ook. Dat komt dus goed uit. Nu is hem iets onaangenaams overkomen. Zijn studenten moesten een meerkeuze-examen afleggen en daarbij bleek achteraf dat het juiste antwoord op alle vragen ‘A’ was. Ik heb ook eens zo’n blunder begaan, al was het niet bij een examen maar bij een tussentijdse toets.
     Een meerkeuze-toets opstellen is een hele klus. Je begint met een vraag te verzinnen. Dan formuleer je een antwoord. Maar dan ben je er nog niet. Nu moet je nog drie afleiders verzinnen: antwoorden die er ook geloofwaardig uitzien, maar die toch fout zijn. Ik gebruik daarvoor de wildste associaties: de kinderen van Don Corleone, ouderwetse woorden uit de Max Havelaar, lukraak gekozen zinnen uit de  Tao Te Ching … Door die werkwijze staat het juiste antwoord bovenaan en de afleiders daaronder. Daarna begin je ongeduldig aan de tweede vraag. Je eindigt met een vragenlijst waar alle juiste antwoorden bovenaan staan. Daarom moet je achteraf bij elke vraag nog even de antwoorden door elkaar husselen. Ik doe dat door ze alfabetisch te ordenen (ik maak ook een tweede versie met omgekeerde alfabetische ordening, zodat spiekende leerlingen allemaal foute antwoorden kiezen). ’t Is een gemakkelijke oplossing, maar je mag het niet vergeten.
     Je begrijpt het probleem van de student als het wél vergeten wordt. De student vult de drie eerste vragen in: A – A – A. Dan nog een A. Dat is vreemd. En nog een. En nog een. Als de student heel knap is, en hij heeft heel goed gestudeerd, dan eindigt hij met 20 keer A. Maar als hij ook wat onzeker is van aanleg, dan schrikt hij zo erg van het resultaat dat hij nog snel enkele van die A’s verandert in B, C of D. Doet hij dat een keer te veel, dan zakt hij voor de toets of het examen.
     Professor Devos werd om uitleg gevraagd. ‘Een medewerker is vergeten de antwoorden door elkaar te husselen,’ zegt hij. ‘De man vindt het bijzonder erg.’ Goed, het was dus niet de schuld van de professor. Maar die arme medewerker voor de leeuwen gooien vind ik wat harteloos. Hier had een onpersoonlijke passief uitkomst kunnen brengen: ‘Bij het invoeren van de examens werd vergeten …’ Veel Amerikaanse presidenten gaven het voorbeeld. Serious mistakes were made,’ zei Ronald Reagan.
     Overigens vindt professor Devos het AAA-examen ook weer niet zo erg. Ja, sommige onzekere studenten hebben wat punten verloren door A’s te wijzigen. Maar dat werd goedgemaakt ‘omdat er ook studenten waren die het door hadden, en dus na een tijdje bij twijfel gewoon voor A kozen.’ De een zijn dood was de ander zijn brood, lijkt de professor te redeneren.*
     Ik ben het daar niet zo mee eens. Beeld je de volgende examenvraag in:
 
Wat is geen goede reden om een meerkeuze-examen met allemaal A-antwoorden valide te verklaren?

     A)     Omdat sommige studenten het na een tijdje door zullen hebben
     B)     Omdat de studenten allemaal dezelfde vragen krijgen
     C)      Omdat studenten die de leerstof goed kennen niet zullen twijfelen aan de
              antwoorden
     D)     Wie te voet gaat, komt geen buffel of tijger tegen.

 Volgens mij is antwoord ‘A’ alweer correct.

* Ook Kim Clemens van Het Nieuwsblad lijkt het probleem niet goed te begrijpen. ‘En wat als de resultaten achteraf opmerkelijk slecht blijken?’ vraagt de journalist zich af. Maar dat is helemaal niet het enige probleem. Het totale aantal geslaagden kan hetzelfde gebleven zijn, maar er is geen waarborg dat dezelfde studenten geslaagd zijn.

zaterdag 27 mei 2017

Overspel in 1845

Links Léonie dAunet bij wie Hugo betrapt werd
Rechts Juliette Drouet bij wie Hugo onderdook
      Op 5 juli 1845 werd Victor Hugo door de politie op overspel betrapt. De echtgenoot van Hugo’s minnares had klacht neergelegd, de commissaris had op de deur geklopt en geroepen: ‘Doe open in de naam des konings’, Hugo had snel een overjas over zijn naakte lichaam gegooid en opengedaan – hier was geen kruid tegen gewassen, het bed was nog warm, met de minnares erin.
     Je moet daar niet licht over denken. De Code Napoléon (1804) voorzag een flinke gevangenisstraf voor overspeligen. Hugo zelf was lid van de senaat en als pair de France onschendbaar. Maar zijn minnares werd meegevoerd en opgesloten in de Saint-Lazare-gevangenis, tussen dieveggen en prostituees. Dan had je de pers. Die was toentertijd, heel anders dan nu, vooral belust op sensatie. De volgende dag stond het schandaal al in de krant, zonder de naam van Hugo, maar de details waren zo gekozen dat heel Parijs begreep om wie het ging. Een commentaarschrijver vroeg zich af of de onschendbaarheid van senatoren ‘nog van deze tijd was’.
     Als u, lieve lezer, iets gelijkaardigs overkomt, dat u betrapt wordt  – niet op overspel, want dat is niet strafbaar meer – maar op een ander delicaat misdrijf, dan kunt u van de grote Franse schrijver leren hoe u de zaak moet aanpakken.
     Eerst moet u alles eerlijk aan uw man of vrouw opbiechten. Hugo deed dat op zijn knieën, met veel bidden en smeken, maar als u minder toneelervaring hebt moet u dat op uw eigen manier doen. Authenticiteit in zulke zaken is belangrijk. Daarna schakelt u een hooggeplaatste vriend of vriendin in om je medeplichtige te laten overbrengen van de gevangenis naar een klooster, zoals Michèle Martin en bisschop Van Gheluwe. In het geval van Hugo was het madame Hamelin, een oude vriendin van Napoleon, die daarvoor zorgde, hoewel sommigen beweren dat het mevrouw Hugo zelf was die de zaak regelde. Léonie Briard d’Aunet, want zij was het, verhuisde van de gevangenis naar het Augustijnenklooster aan de rue Neuve-de-Berri.
     Aansluitend neemt u de koning onder de arm. Bij Hugo was dat Louis-Philippe, de ‘burgerkoning’. Die nodigde de benadeelde echtgenoot uit op zijn paleis in Versailles en liet hem een mooi fresco zien dat hij zojuist had laten herstellen. De echtgenoot trok zijn klacht in. ‘Door het fresco vergat het hij fiasco,’* zeiden de Parijzenaren.
     Komt de zaak dan voor de rechtbank. Op dat moment moet vooral de pers worden bewerkt. Hugo liep de redactielokalen af, nederig, met de hoed in de hand. Soms had een hoofdredacteur geen oren naar zijn smeekbede en moest Hugo een vriend inschakelen. Of hij schreef de zus van de hoofdredacteur aan. En het werkte. De kranten hielden het stil.
     Nu is het tijd voor de verdwijntruc. Hugo besprak de zaak met de koning. Die gaf de grote man de raad om voor enige tijd naar het buitenland te reizen. Dan waaide het wel over. Hugo vroeg een paspoort aan voor Spanje … en dook onder in het appartementje van zijn andere minnares, Juliette Drouet, ongeveer de enige vrouw in Parijs die niet op de hoogte was van de affaire, want ze kwam nooit buiten en las alleen de kranten die ze van Hugo kreeg. In dat appartementje begon de grote man te schrijven aan een nieuw werkje: Les misérables.
     Dat zijn dus in extremis nog twee laatste wenken: zorg dat je altijd twee ijzers in het vuur hebt, en, als je moet onderduiken, zorg dat je wat omhanden hebt om de tijd door te komen.
 
* Eigenlijk zeiden ze: ‘Ce sont les fresques qui ont fait oublier les frasques de sa femme’.