maandag 19 oktober 2020

Heeft De Croo gelogen over de cijfers?

 

Dagelijkse overlijdens tijdens eerste en (begin) tweede golf

     Op de persconferentie van 16 oktober zei Alexander De Croo dat de corona-cijfers voor ons land erg hoog waren – 35 doden op één dag, bijna 2000 gehospitaliseerden – en dat ze in de komende dagen nog hoger zouden worden. Daar had hij ongetwijfeld gelijk in. Ook zei hij dat de cijfers ‘significatief hoger’ lagen dan in ‘maart en april toen we de maatregelen genomen hebben’, en dát op ‘op alle dimensies’: bevestigde besmettingen, hospitalisaties, patiënten op intensieve zorgen en overlijdens. Hij formuleerde dat opvallende inzicht vier keer, twee keer in het Nederlands en twee keer in het Frans.
     Maar dat de huidige cijfers nu hoger zijn dan in ‘maart en april’ is natuurlijk onzin. Begin maart waren alle cijfers inderdaad nog erg laag, maar in de maand april schommelden de sterftecijfers rond 250 per dag en de hospitalisatiecijfers rond de 5000.
     Heeft De Croo nu gelogen? Ik vind van niet. Het is een spijkertje waar ik graag op klop: je kunt niet elk foute, onnauwkeurige of veralgemenende uitspraak een leugen noemen, ook al komt die van een politieke tegenstander of al noem je jezelf een factchecker (zie hier, hier en hier).
     De Croo is overigens niet de enige die de fout maakt. Op BE-Alert kon je lezen dat het aantal COVID-patiënten op intensieve zorg vandaag 2,5 keer hoger ligt dan eind maart. Ook dat klopt niet. Het aantal IZ-patiënten op 31 maart was 1088. Op 15 oktober was dat slechts 327. (Zie hier, met dank aan Beatrijs De Schutter, hier)
     Als de fout van De Croo géén leugen is, wat is dan de verklaring ervan? Er zijn er veel. We mogen bijvoorbeeld aannemen dat onze eerste minister niet dagelijks over de tabellen en statistieken van Sciensano gebogen zit. Hij heeft, zoals de meesten van ons, wel wat anders te doen. De gewone burger denkt: die politici van de Veiligheidsraad, die hebben alle cijfers, curves, afgeleiden uit het hoofd geleerd voor ze naar de vergadering gaan. Maar dat is niet zo.
     Ook was Alexander als baby weliswaar razend intelligent, zoals zijn vader Herman een paar keer schreef in het weekblad De Post, waar hij 45 jaar geleden een column had, maar intelligentie betekent niet dat je geheugen onfeilbaar is. Dat geheugen wordt trouwens niet geholpen door de dagelijkse grafieken op de televisie en in de krant waar we cijfers krijgen vanaf 1 juli, zodat de pieken van de eerste golf buiten beeld blijven.
     Ten slotte is er altijd wel enige speling tussen wat we bedoelen en wat we zeggen. Wat De Croo bedoelde is wellicht dit: we hebben op 12 maart een aantal maatregelen genomen, voor een crisis die in april zijn hoogtepunt zou bereiken; op het ogenblik dat we de beslissing namen waren de cijfers op alle dimensies significatief lager dan ze nu zijn. In zijn uiteindelijke verwoording bleven alle elementen behouden: maart, maatregelen, april, cijfers, alle dimensies, significatief en hoger-lager. Maar één en ander is door elkaar gehaspeld. En niemand neemt het Alexander kwalijk, niemand spreekt - en daar ben ik blij om - van ‘leugens’, want als nieuwe premier geniet hij van de état de grâce die naar oud gebruik een nieuwe regering ten deel valt.

zondag 18 oktober 2020

Wij Belgen



      Alleen slechte karakters zullen ontkennen dat de persconferenties van Alexander De Croo een verbetering zijn vergeleken met die van Willmès. Wilmès had de lat laag gelegd, maar zelfs een lage lat kan moeilijkheden opleveren voor een stuntel. Toen ik enkele eeuwen geleden de fysieke toelatingsproeven voor het het regiment paracommando moest afleggen, was daar een onderdeel hoogspringen bij. Ik weet niet meer of de lat op één meter zou liggen, of op één meter tien of één meter twintig, maar ik heb er maanden op geoefend. Op de dag van de proef lag de lat gelukkig heel wat lager dan aangekondigd, anders was ik nooit toegelaten.
     
De Croo noch Wilmès hebben, geloof ik, paracommandoproeven afgelegd, maar louter communicatief springt De Croo in elk geval over een hogere lat dan Wilmès. ’t Bleek nog maar eens op de persconferentie van twee dagen geleden. 
     Omdat De Croo rustig spreekt, en veel vertelde wat we al wisten, en alles nog eens herhaalde in het Frans, was mijn aandacht niet altijd even scherp. Wel schrok ik even op toen hij zijn pakkende uitspraak deed over het verband tussen vrijheid en gezondheid. ‘Wij Belgen zijn zeer gehecht aan onze vrijheid, aan onze manier van leven, maar naast onze vrijheid zijn we ook zeer gehecht aan onze gezondheid. Zonder gezondheid, geen vrijheid.’ In het Frans klonk het iets minder mooi: ‘Nous Belges sommes très attachés à nos libertés. Mais nous sommes aussi très attachés à notre santé. Sans santé, pas de libertés.’ Die laatste klankherhaling sans-sant zou in de Académie française op gegniffel onthaald zijn.
     ‘Wij Belgen’ … daar gaat niets van af. De inwoners van België zijn inderdaad Belgen. Het is de nationaliteit die op mijn identiteitskaart genoteerd staat. Maar het is een poos geleden dat een Vlaamse eerste minister de formule gebruikte. Amerikaanse presidenten spreken van ‘My fellow Americans’, De Gaule sprak zijn publiek aan met ‘Françaises, Français’ en nu heeft De Croo voor zijn persconferenties, zijn interviews, zijn facebook- en zijn twitter-pagina een gelijkwaardige frase gevonden: ‘wij Belgen’, eventueel aangevuld met ‘allemaal samen’. ‘Wij Belgen die weten wat lekker is’, ‘wij Belgen die een Bourgondisch volk zijn’,  ‘wij Belgen die het tij kunnen keren’, “wij Belgen die in maart en april bewezen hebben dat wij het virus kunnen terugdringen’*. ‘Wij Belgen die de dappersten aller Galliërs zijn’ ontbreekt voorlopig nog.** 
     Alexander heeft het van geen vreemde. Zijn vader Herman had het ook. ‘Wij Belgen,’ zei hij in Hautekiet, ‘zijn wereldwijd specialisten in handdrukken.’*** Dat laatste is helaas een specialiteit die wij nu onbenut moeten laten als wij ‘allemaal samen het tij willen keren’.
     Ach, ik heb er overigens geen probleem mee dat De Croo een elegante manier heeft gevonden om zijn neo-Belgicisme te uiten. De Vlaamse minister-president mag gerust spreken van ‘wij Vlamingen’, zijn Waalse collega mag, als hij wil, spreken van ‘nous Wallons’ en de federale premier moet van mij niet uitwijken naar het lastige ‘wij Vlamingen en Walen of wij Vlamingen, Walen en Brusselaars’. Maar ‘wij’ alleen is ook goed. Daarmee omzeil je elke gevoeligheid. Een beetje zoals mijn oud-leerlingen die mij niet met mijn voornaam, maar evenmin met ‘mijnheer’ aanspreken. Dat heb ik het liefst.


* Zie onder andere hier, hier en hier.
** Ik heb zopas De Croo op het vtm-nieuws gezien. Toen hem gevraagd werd of de verschillende besmettingsgraad in Vlaanderen en Wallonië geen verschillende aanpak vereisten, haalde hij een nieuwe uitdrukking boven, die hij een vijftal keer herhaalde: 
alle 11 miljoen Belgen
*** Zie hier. Over dat handen schudden heb ik hier een stukje geschreven.

donderdag 1 oktober 2020

Max Havelaar en de gymnasiumstudent

 

     Van het beroemde boek Max Havelaar weet ik nooit met zekerheid of ik het – behoudens de vier eerste hoofdstukken en het Saidjah en Adinda-verhaal – helemaal gelezen heb. Het moet wel. Ik heb er twee keer examen over afgelegd; ik bezit de door W.F. Hermans becommentarieerde uitgave, en op bijna alle bladzijden, ook die van de voetnoten, staan in potlood streepjes, kruisjes en notities in de marge. Het is mijn geschrift. En toch. Ik weet dat er in het boek een Verbrugge meedoet, een Duclari, een Slijmering en een mevrouw Slotering, maar wat die zeggen en doen, dat vergeet ik altijd.  
     Laatst kreeg ik van een oud-leerling de vraag bij welke ‘literaire stroming’ Max Havelaar eigenlijk hoorde. Hij moest daarover binnenkort examen afleggen. Ik wist wel ongeveer het antwoord, maar ik vond het veilig om het boek nog snel eens opnieuw te lezen. De W.F. Hermans-uitgave heeft een onhandig formaat. Je kunt het boek wel vóór je op tafel leggen, maar je kunt het niet vasthouden als je in bed of op de sofa ligt. Ik heb het boek dus half in die uitgave, en half in de handzame ‘hertaalde en bewerkte’ versie van Gijsbert van Es gelezen. Ik weet ondertussen weer wat Verbruggen en Duclari en Slijmering en mevrouw Slotering zeggen en doen in het boek: niet veel. Dat zal de reden zijn dat ik het altijd vergeet.
     Zo’n hertaling of bewerking is normaal gesproken tegen mijn principes (zie hier), maar  Van Es kreeg lof toegezwaaid van Multatuli-biograaf Van der Meulen, en van de conservator van het Multatuli-museum. ‘Zó zou Multatuli hebben geschreven als hij nu had geleefd,’ schrijft de biograaf. Ik besloot het erop te wagen. Ook wou ik het boek snel uit hebben, zodat ik verder kon lezen in Hilary Mantel (zie hier). En als ik mij zou ergeren aan de ‘hertaling’, ach, dan kon ik er misschien een stukje over schrijven.
     Wat zal ik zeggen? Ook in een bewerking is Multatuli onderhoudend en geestig, twee woorden, geloof ik, die Van Es zou ‘hertalen’. Max wordt in het boek door Stern te hoog de hemel in geprezen, vooral omdat je weet dat die Stern eigenlijk Eduard D.D. is, en die Max is ook Eduard D.D., zodat het dus Eduard D.D. die zichzelf de hemel in prijst. Toch blijft het boeien, de strijd van de voortvarende  medisch gezien wellicht manische  rebel tegen het corrupte baasje in Lebak dat zijn onderdanen uitzuigt om meer moskeeën te kunnen bouwen, en dat beschermd wordt door gemakzuchtige Hollandse bureaucraten.
     En natuurlijk héb ik mij geërgerd aan de hertaling. Ik heb vroeger zelf wel eens ‘eindredactie’ gedaan. Je wordt dan per bladzijde betaald om een tekst te corrigeren, maar je krijgt bij jezelf de misvatting moelijk weg dat je per ingreep betaald wordt. Staat er ‘platbranden’, dan wil je er ‘afbranden’ van maken en staat er ‘afbranden’, dan wil je er ‘platbranden’ van maken, zodat je toch íets gedaan hebt voor je geld. En als je zulke dingen doet bij een auteur als Multatuli, dan zal dat niet vaak een betere tekst opleveren.
     Neem het toneelstukje waar het boek mee opent (zie hier).  Lothario wordt ervan beschuldigd dat hij Barbertje heeft vermoord. ‘Die man moet hangen,’ zegt de rechter. ‘Hoe heeft hij dat aangelegd?’ Dat laatste wordt bij Van Es: ‘Hoe heeft hij het gedaan?’ Dat is geen verbetering, lijkt mij. Ik hou nogal van dat ‘aangelegd’. Multatuli noemt de Mekka-bedevaarders ‘gebedzingende leeglopers’. In de hertaling wordt dat ‘biddende nietsnutten’. ‘Nietsnutten’, tot daar aan toe, maar ‘zingend’ maken ze mij toch bozer dan gewoon ‘biddend’. Dat laatste kan ook in stilte. Als de Havelaars visite krijgen, maar ze hebben geen nagerecht voor hun gasten, stelt Max voor om ‘wat te vertellen, in plaats van gebak.’ Van Es schrijft: ‘in plaats van iets zoets’. In welke wereld is ‘iets zoets’ beter dan ‘gebak’?
      Toen Van Es zijn vertaling intikte, naar het schijnt op een pendeltrein, stond hem ongetwijfeld een weinig ontwikkelde gymnasiumstudent voor ogen die het boek moet lezen ‘vanwege de lijst’. Zo’n student mag niet aan het schrikken worden gebracht. In een van de Droogstoppel-hoofdstukken zingt Marie een Frans liedje ‘van Béranger’. Oei. Daar heeft die student nog nooit van gehoord. Moet hij dat kennen voor het examen? Van Es grijpt in. Weg, Béranger*. Helaas, de ingreep helpt niet, want wat later wordt de bibliotheek van Max beschreven, met boeken van Say, Bastiat en … Béranger.
     Het ergste vind ik de weglatingen in de Droogstoppel-hoofdstukken, omdat ik die het beste ken. De makelaar in koffie bespreekt de vaderlandse geschiedenis: de Romeinen en de Batavieren, de hertog van Alva ‘die een ondier’ was, de eb van 1672 die ‘expres’ wat langer duurde om Nederland te beschermen en de ‘bey van Tunis die een koliek kreeg als hij het wapperen hoorde van de Nederlandse vlag’. De Romeinen, de Batavieren en de eb blijven staan, maar de hertog en de bey zijn eruit. Nochtans vind ik de zin over de bey nogal briljant, en prima geschikt om in de klas te illustreren met een stukje visueel theater. Ik deed dat graag.
         In een bekend stuk geeft Droogstoppel commentaar op Heines gedicht Auf Flügeln des Gesanges, dat Stern heeft voorgedragen aan Marie, Droogstoppels dochter.  In dat gedicht wordt het water van de Ganges ‘heilig’ genoemd. Je begrijpt de ergernis van Droogstoppel die recht in de leer is. Hij schrijft een boze brief aan Stern met de vraag: ‘Mag je haar geloof aan het wankelen brengen door te zeggen dat er geen ander heilig water is dan dat van de doop?’ Dat moet ongeveer het omgekeerde zijn.
      Veel tijd heb ik uiteindelijk niet gewonnen door de hertaling te lezen in plaats van het échte boek. Al te vaak moest ik, bij een onbegrijpelijke passage, toch het origineel erbij nemen. In het veertiende hoofdstuk wordt Max ervan beschuldigd dat hij weliswaar goedhartig is, maar dat hij ermee koketteert. Stern haalt daarbij aan dat Max in een oceaan vol haaien sprong om een hondje te redden. En wat is de conclusie van Stern, volgens Van Es? ‘Ik vind zo’n uiting van overdreven goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.**’ Dat is wel erg duister, hoe vaak je de zin ook herleest. De arme gymnasiumstudent zal er niets van begrijpen. Ik ook niet.

  

* Béranger komt met geen enkel lied in mijn bloemlezing voor van Poèmes francais. In mijn tweedelige Histoire de la litérature française krijgt hij één zinnetje. Daar staat tegenover dat Goethe hem in aanwezigheid van Eckermann veel vaker vermeldt dan Victor Hugo.

 ** In het origineel staat er : ‘Ik vind zulk koketteren met goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.’ Aha, dát wordt er bedoeld.


17,5 x 23,5 cm (opengeslagen dus 35 cm breed)


dinsdag 29 september 2020

Anachronismen in films

Clarissa en Joris

      Wie tot kritiek geneigd is, kan zijn hartje ophalen aan sandalenfilms en kostuumdrama’s. Altijd is er wel iets fout. Een Griek of een Trojaan heeft een verkeerde helm op zijn hoofd, een dertiende-eeuwse Schot draagt een kilt, het kasteel van Macbeth (1005 - 1057) is een Tudor-fort van de zestiende eeuw, Sir William Cosgrove in Barry Lyndon ‘dies at Spa, in the Kingdom of Belgium’, minstens 50 jaar vóór dat koninkrijk bestond.
     De oorzaak van die fouten is velerlei: onwetendheid, slordigheid, tegemoetkoming aan een algemeen vooroordeel, beperkt aanbod aan historische sites, vooral in een tijd dat beelden niet digitaal konden worden gefabriceerd. Ook moet rekening worden gehouden met de smaak van de hedendaagse kijker. De regisseur die zijn verhaal in de achttiende eeuw plaatst zal zijn held geen belachelijk hoofddeksel van die tijd opzetten. En hij laat zijn heldin in het salon een leuk negentiende-eeuws wijsje spelen op een wat ouderwetse piano in plaats van een authentiek periodestuk op een klavecimbel. Of hij gebruikt een klavecimbel dat na enige klankbewerking het geluid maakt van een piano.
     Onlangs zag ik een raar staaltje in die lange film – 25 uur 30 minuten – van Edgar Reitz, Die zweite Heimat – Kroniek einer Jugend. Het verhaal speelt zich af in het milieu van jonge kunstenaars in München, tussen 1960 en 1970. Reitz zelf was in die tijd een vertegenwoordiger van de cinematografische avant-garde, iemand van ‘Papas kino ist Tod’, en er wordt in de kroniek wel eens verwezen naar het soort films waar een jonge baldadige Duitse cinefiel warm voor kon lopen. De studenten spreken over Fellini, Antonioni en Malle. Er hangt een affiche van Jules et Jim op in een van de kamers. Tot zover alles normaal.
     Maar dan. De briljante cellostudente Clarissa Neulicht* trekt in 1964 voor enkele maanden naar Parijs. Ze is er ongelukkig, maar dat was ze in München ook, én in haar geboortestreek daarvoor, én ook daarna als ze in Amerika op tournee is. Maar in Parijs dus bezoekt ze het beroemde kerkhof Père Lachaise, en legt een bloem op het graf van … de Nederlandse cineast Joris Ivens. Je ziet de geboortedatum 1898, maar de sterfdatum is bedekt door Clarissa’s bloem. 
     Daar is een goede reden voor: de stalinistische, later maoïstische cineast, was in 1964 nog helemaal niet dood. En dat weet ik niet alleen uit Wikipedia. Ik heb Joris in 1976 zelf met eigen ogen gezien toen hij in Brussel zijn tiendelige ode aan  China voorstelde. In een van die delen wordt mooi aangetoond hoe onder het communisme zelfs de eerste de beste apotheek een boeiender, grootser, meeslepender plek werd dan ze onder het kapitalisme ooit kon worden.
     Joris overleed in 1989 – dat weet ik wél uit Wikipedia. Dat moet op het moment geweest zijn dat Reitz de Parijse episode van Clarissa aan het filmen was. De dood van de filmpionier moet Reitz erg aangegrepen hebben**. En een klein beetje geschiedenisvervalsing, als het om Joris Ivens gaat, is misschien niet helemaal misplaatst.



* Jan Van Duppen, die mij de cyclus aanbeval, wijst erop dat de naam Lichtblau is, niet Neulicht’. Waar haal ik in godsnaam dat Neulicht’ vandaan? Ik heb er in mijn eerste corrigerende voetnoot zelfs 
Blaulicht van gemaakt, tot Geraard Goossen mij op mijn nieuwe fout wees. Onbegrijpelijk.
** Geraard Goossens heeft ondertussen een videofragment opgediept waarin Reitz zijn bewondering voor Ivens uitspreekt: zie hier.

Macbeths Inverness in Polanski's verfilming.
In werkelijkheid Lindisfarne Castle, gebouwd rond 1570



zondag 27 september 2020

Lezen is moeilijk

   

     Mijn schoonmoeder hield in boeken niet van de ik-vertelling*. Ze vond dat pretentieus: ik, ik, ik … Zelf heb ik er nogal een voorkeur voor, zoals in David Copperfield bijvoorbeeld, waarvan de eerste zin luidt: ‘I am born’. Op een of andere manier heeft dat voor mij een grotere geloofwaardigheid. Batavus Droogstoppel die als ‘ik’ tot de lezer spreekt, bestaat voor mij échter dan Max Havelaar over wie in de derde persoon gesproken wordt, hoewel dat eerste personage verzonnen is, en het tweede een wat geïdealiseerd portret is van de echt bestaand hebbende Eduard Douwes Dekker.

     En dan heb ik nóg een probleem met die hij-vertelling. Wie is ‘hij’? In een normale tekst verwijst ‘hij’ naar het laatstgenoemde mannelijke onderwerp. In de hij-roman kan die ‘hij’ echter ook onaangekondigd verwijzen naar het hoofdpersonage. Neem nu die trilogie van Hilary Mantel over Thomas Cromwell. Als er in dat boek ‘hij’ staat gaat het vaak over Cromwell. Maar je weet het nooit zeker. Het kan ook kardinaal Wolsey zijn, of koning Henry, of de Thomas More, of de hertog van Norfolk, of nog iemand anders.
    Het volgende stukje gaat over kardinaal Wolsey die in ongenade is gevallen en intriges spint om weer in de gunst van de koning te komen.

 ‘De strijd is nu om de koning alleen te spreken, om zijn intenties te achterhalen, als hij ze zelf al kent, en tot een overeenkomst te komen. De kardinaal heeft dringend vlottende middelen nodig. Dag in, dag uit wacht hij op een onderhoud. De koning steekt een hand uit en neemt met een blik op het zegel van de kardinaal de brieven aan die hij hem voorhoudt. Hij kijkt hem niet aan, en mompelt enkel een afwezig ‘Bedankt’. 

     Ik geloof dat met de eerste ‘hij’ de koning bedoeld wordt, met de tweede en de derde ‘hij’ Cromwell, met de vierde ‘hij’ weer de koning. Dat is toch allemaal niet zo gemakkelijk.
     Er komen overigens wel meer moeilijke stukjes in het boek. Het volgende stukje gaat over de band tussen Thomas Cromwell en zijn zuster Kat. 

‘En Kat … ach, de laatste tijd had ze haar broer ongeveer even goed begrepen als ze de bewegingen van de sterren begreep: ‘Ik misreken mij voortdurend aan je, Thomas, zei ze vaak, wat zijn eigen schuld was, want wie had haar tenslotte op haar vingers leren rekenen en de facturen van een koopman leren ontcijferen?’ 

     Hoe zit het nu? Begrijpt Kat haar eigen broer nu goed of niet goed? ‘Even goed als ze de bewegingen van de sterren begreep.’ Maar hoe goed begreep ze die bewegingen? Ze ‘misrekent’ zich voortdurend. Dat zou kunnen wijzen op onbegrip. Maar ze heeft veel van haar broer geleerd. Dat zou kunnen wijzen op juist wel een goed begrip. Misschien bestaat dat begrip hieruit dat ze zich snel van haar misrekeningen bewust wordt.
     Als je wat langer bij die passages blijft mijmeren, kom je allicht tot een lezing waar je mee kunt leven, maar erg lang mijmeren zou ik niet aanraden, aangezien de trilogie 2570 bladzijden telt. Het is overigens meeslepende lectuur, maar niet, geloof ik, door ingebouwde vaagheid. Duidelijkheid is minstens even meeslepend, zolang ze niet vervalt in wijdlopigheid of uitleggerij. (Zie ook hier). 


* Tot de minst boeiende dingen die je over literatuur kunt uitleggen is het verschil tussen een ik-vertelling en een hij-vertelling, het ‘vertelperspectief’, de ‘ruimte’, de ‘verteltijd’ en de ‘vertelde tijd’, zaken die in de handboeken soms ‘verhaalaspecten’ worden genoemd. Ik heb daar als leraar zo weinig mogelijk over gesproken, en ik raadde mijn leerlingen aan om er ook in hun presentaties niet te veel over te vertellen. Of het moest zijn dat ze er iets interessants bij konden opmerken.

“Keep on with your sewing, ladies,” zegt Melanie, “and I’ll read aloud. ‘The Personal History and Experience of David Copperfield. Chapter one. I am born. To begin my life with the beginning of my life, I record that I was born...’”

zaterdag 26 september 2020

Pijntjes

 


     We kunnen, zegt Schopenhauer, wel pijn voelen, maar niet de afwezigheid ervan. Daaraan alleen al zie je volgens de filosoof dat er iets mis is met het bestaan.
     En hoe zit dat met kleine pijntjes? Hetzelfde geloof ik. Als ik opsta heb ik een beetje pijn in mijn rug. Ik heb geleerd om recht te komen door mij op mijn zij te leggen, af te drukken met mijn rechterelleboog tegen de matras, en tegelijk mijn rechterbeen neerwaarts uit het bed te zwaaien. Het gaat prima. Als ik door een wonder plots weer mijn lichaam had van 35 jaar geleden  zou ik dat rugpijntje niet voelen en zou ik uit bed komen zoals ik wil. Ik zou dat de eerste dagen fijn vinden, maar ik zou het, vrees ik, zo snel gewend zijn dat ik het al gauw niet meer zou merken, zoals je de aangename temperatuur ook snel doodnormaal vindt als je in het midden van de winter naar een warm land reist.
    Dat zal ook wel zo zijn voor de andere pijntjes en ongemakjes. Als ik met de fiets rij kan ik mijn nek onvoldoende omdraaien om veilig de straat over te steken. Als ik in bed lig, mag ik mij niet te bruusk omdraaien, want dan kan ik duizelig worden. Als ik de poes eten wil geven, moet ik helemaal op mijn hurken zitten om bij het bakje te komen, zeker ’s morgens. En als ik moet plassen, gebeurt dat in heel kleine hoeveelheden met een heel zwak straaltje.
     Om mijn jonge lezers gerust te stellen, dat laatste is helemaal niet zo erg als het kan lijken. Ik las ooit bij Céline of Boon over een generaal in de oorlog die jaloers was op zijn soldaten. Hij zou graag zijn luxe-leventje willen wisselen als hij ooit weer een keer met zo’n krachtige straal kon urineren als zij. Ik dacht toen dat die generaal erg te beklagen was, terwijl het natuurlijk de soldaten waren die te beklagen waren. Dat had Céline, of Boon, wel begrepen.
     Er is op die gewenning aan een pijnloze toestand een uitzondering. Ik heb enkele jaren geleden last gehad van een ‘frozen shoulder’. Nou ja, last … Ik voelde het vooral als ik een snelle beweging maakte, of als ik hoog op het bord probeerde te schrijven. Een dokter heeft op die schouder een distentie uitgevoerd, onze kinesiste heeft die verder onder handen genomen, en ik heb in die tijd veel met mijn armen gezwaaid, waardoor de zaak na een jaar weer in orde was. Het zou, las ik ergens, ook in orde gekomen zijn zonder die distentie, die kinesiste en dat armgezwaai. Soit.
     Maar waar ik naartoe wil is dit. Als ik indertijd fietste voelde ik in mijn schouder een onaangename spanning. En als ik nu fiets, heb ik iedere keer opnieuw het leuke gevoel van: hé, die schouder doet normaal. Ik heb lang nagedacht hoe dat komt, en ik denk dat ik het weet. Ik voel die spanning iedere keer nog een heel, heel klein beetje, genoeg om mij te herinneren aan vroeger, toen die spanning onaangenaam was.

woensdag 23 september 2020

Asceet en estheet

 


     Uit zijn memoires komt De Man naar voor als een humorloze man, een harde werker die weinig sliep, een gekwelde ziel*, een rusteloze trekker, een scherpzinnig analist, met vaak een genuanceerd oordeel over vriend en vijand, alhoewel die nuances minder worden naarmate het boek vordert. In het laatste hoofdstuk geeft hij aan tevreden te zijn met zijn leven. Hij heeft geleefd in armoede, gehoorzaamheid, plichtsbesef, nederigheid, verwondering en hij heeft, zonder de gelofte van kuisheid af te leggen, altijd ‘het menselijk wezen gerespecteerd in elke vrouw’.
     De Man was een geestdriftig sportbeoefenaar die ‘s morgens een bad nam in ijskoud water, verder een natuurliefhebber en een groot avonturier. Hij gaf les aan de universiteit en werkte in fabrieken, hij was vrijwilliger in de Eerste Wereldoorlog met een voorkeur voor de frontlinie, hij zag de Russische revolutie met eigen ogen en hield er toespraken. Hij leidde een expeditie in New Foundland waar overleven in arctische temperaturen een kwestie was van organisatie en discipline (kou was niet gevaarlijk, schrijft hij, wind wel). Hij voedde zich tijdens die expeditie met het rauwe, nog warme vlees, met veel vet, van pas gedode beren of kariboes. Hij wist hoe je je moet gedragen in een gezelschap van ruwe Ieren, Indianen en Eskimo’s. Het belangrijkste, schrijft hij, is dat je hun manieren niet overneemt, want dan ruiken ze paternalisme. Je moet je gedragen zoals een gentleman zich gedraagt tegenover een andere gentleman van zijn eigen ras.
     Het meest tot mijn verbeelding spreekt zijn verblijf op een eiland van vissers en houthakkers, waar De Man met masochistisch genot deelnaam aan het ruwe en gevaarlijke werk. De vissersboten vertrokken rond middernacht. Iedereen hield zich aan strikte regels, met beurtrollen om het vuur te onderhouden en drinkwater te halen voor de hele gemeenschap. De enige ontspanning bestond uit de avondlijke discussies rond het kampvuur en die gingen altijd over politiek. De vissers-houthakkers waren lid van de verboden extreemlinkse vakbond IWW. Het waren zogenaamde Wobblies, voorstanders van directe actie, van aanslagen, van stakingen uitgevochten met vuurwapens en dynamiet. De Man legde vruchteloos de principes uit van de Europese sociaaldemocratie. Maar we respecteerden elkaar, zegt hij er trots bij.
    En het was pas ná al die opgedane levenservaring, dat hij in 1939 verkozen werd tot voorzitter van de socialistische partij. Dat is even wat anders dan Conner Rousseau. Al heeft die af en toe wel geholpen als monitor in het socialistische jeugdvakantiecentrum van zijn vader.
     Welke wijsheid had De Man overgehouden aan al die levenservaring? Dat een armoedig en eenvoudig leven best te verdragen was, als je je gerespecteerd voelde. Dat niemand geïnteresseerd was in democratie. De Man had ooit een socialistische kostschool opgericht voor jongvolwassen arbeiders. Hij wou hen allerlei zaken zelf laten beslissen. ‘Doe jij dat maar, kameraad-directeur, zeiden zij, je hebt daar meer verstand van.’ En voor staatszaken leidde democratie alleen tot politieke partijen, intriges en maneuvers. Ook persvrijheid was gevaarlijk, want dan gingen bedrijven hun geld gebruiken om journalisten om te kopen. En eigenaars van banken en monopolies waren uit op winst maken. Ze moesten dus worden vervangen door plannenmakers die het algemeen belang voor ogen hielden. En er was een probleem met de Joden. Daar waren eerlijke mensen bij, maar ze brachten een element van individualisme en intellectuele onrust in de maatschappij. Het ergste was dat zovelen van hen tot de geprivilegieerde klasse behoorden en dat hun solidariteit altijd eerst naar hun rasgenoten uitging. In Oostenrijk, stelde De Man vast, bestond de socialistische partij uit twee delen: de gewone leden waren ariërs en de leiders waren joden. Het was een probleem dat ‘vreedzaam moest worden opgelost.’
     Je zou kunnen zeggen dat De Man op geen enkele moment van zijn politieke leven een voorstander was van democratie en politieke vrijheid. Die was altijd ondergeschikt aan het socialistische doel. In zijn eerste periode was dat doel het marxistische recept van ‘socialisatie van de productiemiddelen’. In zijn latere periode werd dat doel er een van eigen bereiding: de planeconomie, samengevat als ‘Plan van de Arbeid’ of ‘Plan De Man’. Als democratie en vrijheid konden helpen om dat doel te bereiken, zoveel te beter; als dat niet zo was, dan moest een autoritaire staat ingrijpen.
     De Man was een asceet en een estheet. In de door hem gestichte kostschool probeerde hij zijn volmaakte maatschappij in het klein te verwezenlijken. Leerlingen en leraren leefden volgens hetzelfde ideaal: eenvoud, regelmaat, hygiëne, lichaamsoefeningen, smaakvolle soberheid, vrijwillige discipline, hoogstaande vormen van ontspanning**. Hij spreekt met misprijzen over socialistische leiders die een grote behoefte hadden aan ‘luxe’ en ‘tendresse feminine’. Toen hij minister was van Openbare Werken wou hij met alle geweld reclameborden, ‘ces offenses à l’oeil’, verbieden over het hele Belgische grondgebied. 
     Zijn kruistocht tegen reclameborden is een mooi symbool voor zijn hele levenswerk. Er zat iets bewonderenswaardigs in, zoals in elk streven van de asceet en estheet om het ‘consumentisme’ te overstijgen. Maar ’t is toch beter voor iedereen, geloof ik, dat zo’n streven tot de eigen levenssfeer wordt beperkt en dat niet de gehele maatschappij wordt onderworpen aan één grandioos ‘Plan De Man’. Wij hebben elk ons eigen kleine plan. En daar moeten we onze plan mee trekken.

 

* Gekweld, vooral zolang hij zijn temperament en aspiraties probeerde aan te passen aan het marxisme. Toen hij zijn eigen versie van socialisme bedacht en uitgewerkt had, werd hij rustiger.

** Het doet denken aan een passage uit de memoires van Karl Popper: ‘I remained a socialist for many years … For nothing could be better than living a modest, simple, and free life in an egalitarian society.’ Popper voegt er wel aan toe: ‘It took me some time before I recognized this as a beautiful dream; that freedom is more important than equality; that the attempt to realise equality endangers freedom, and that, if freedom is lost, there will not even be equality among the unfree.’ 

dinsdag 22 september 2020

Communistische 'vorming'

 


     Ik heb in mijn communistische jaren vaak ‘vorming’ gegeven. Dat kwam erop neer dat ik aan vlijtig noterende mede-militanten of sympathisanten, door sommigen ‘sympa’s’ genoemd, uitlegde wat het marxisme-leninisme ons ‘leerde’ over deze of gene kwestie. Ik heb eens twee dagen aan één stuk uitleg gegeven aan een groep Afrikanen, in het Frans, over het oorspronkelijke communisme in de oertijd. In die groep zaten een aantal antropologen die eerbiedig luisterden terwijl ik van de hele zaak eigenlijk alleen maar wist wat Ludo Martens mij en anderen op een soortgelijke vormingstweedagse had uitgelegd. Ludo en ik deden niet veel meer dan herhalen wat in enkele 19de-eeuwse boeken stond. Het was niet meteen state of the art science.
     Een andere vormingssessie die ik van Ludo Martens overnam was er een over de Belgische socialist Hendrik de Man. Die had in zijn memoires ‘Après Coup’ uitgelegd hoe hij geëvolueerd was van driekwart marxist naar driekwart nationaal-socialist. Voor Ludo was het duidelijk: een socialist die zich niet honderd procent aan het marxisme hield, verzonk vroeg of laat in het fascistisch moeras.
     Dat niet-marxisten vroeg of laat bij het fascisme aanbelanden, is natuurlijk onzin, maar de continuïteit tussen socialisme en fascisme is wel iets wat ernstige historici bezighoudt. De ene historicus ziet het fascisme als een ketterse zijtak van de rode beweging, met haar vlaggengezwaai, optochten, turnkringen, jeugdbewegingen, milities; de andere ziet de zwarthemden en hakenkruisers als de baldadige erfgenamen van het conservatieve denken met zijn gezag, gehoorzaamheid, trouw aan de natie, volksverbondenheid. De historici van beiderlei strekking schrijven interessante boeken, waarin ze allerlei feitenmateriaal opgraven om hun stelling te ondersteunen. Ik wil die boeken graag lezen en dat feitenmateriaal graag kennen, maar de stelling zelf interesseert mij minder. Het zal wel een beetje van beide zijn, conservatisme én socialisme, en nog heel veel van wat anders. Het woordje ‘socialisme’ in ‘nationaal-socialisme’ is heus niet toevallig, maar het is ook heus niet toevallig dat Goebbels in 1933 verkondigde: ‘Damit wird das Jahr 1789 aus der Geschichte gestrichen.’
     Nu, dát was in elk geval niet wat ik op mijn ‘vorming’ vertelde. Ik volgde Ludo op de letter, en al zeker omdat ik het boek ‘Après coup’ niet gelezen had, want ik had het nooit in handen gehad. Ik kocht het boek pas veel later, nu 23 jaar geleden, in een Brussels antiquariaat. Het was in slechte staat, en ik haalde de katernen uit elkaar om het opnieuw in te binden. Maar rond die tijd gaf ik mijn kantoorbaantje op en begon ik les te geven, waardoor ik geen tijd meer had om in te binden. De katernen bleven dus ongelezen liggen. Nu echter, met mijn pensioen, heb ik wat meer tijd, en het boek is ondertussen ingebonden, met een rug van rood leer en donkerblauwe kunstleren platten. Ik heb het ook gelezen.
     Misschien schrijf ik er morgen iets over.

maandag 21 september 2020

Kwijt

      In een beroemd lied zong Boudewijn de Groot dat hij nog schoenen had staan in Madrid, een zak wasgoed in Parijs en een koffer met onduidelijke inhoud in Berlijn. Hij ging er optimistisch van uit dat die schoenen, dat wasgoed en die koffer daar nog altijd op hem wachtten en vroeg zich af of hij ze moest ophalen. Maar misschien waren ze ondertussen wel verdwenen. Alhoewel, écht verdwijnen ... Ik sprak ooit met een Argentijnse professor die zijn bril of zijn pijp kwijt was geraakt en jaren later die pijp of die bril in een volkomen andere omgeving terugvond. Hij vertelde dat aan de schrijver J.L. Borges, en die keek hem met zijn blinde ogen aan en antwoordde: ‘Claro, que nada se pierde.’ Niets gaat ooit verloren, of het nu een bril is, een pijp of een gele paraplu.
    Maar ondertussen raakt een mens af en toe wel iets kwijt op zijn levensweg: een trouwring, een mooie vulpen, een Raleigh-fiets die hij van zijn oudoom heeft geërfd, de 47 delen ‘Oeuvres complètes’ van Lenin … Nou ja, die laatste heb ik ergens aan een partijbibliotheek geschonken toen duidelijk werd dat ik daar niet veel meer in zou lezen. Na de ‘Keuze uit zijn werken’ en nog enkele apart uitgegeven brochures had ik Vladimir Iljitsj in grote lijnen wel begrepen. 
   En nu vinden we ook onze keukenschaar niet meer terug.
     Een uitgelezen plek om iets niet meer terug te vinden is een boekenkas*. Iemand vertrekt op reis naar Frankrijk en je wil hem je Michelin-gids uitlenen, maar die is spoorloos. Heb je die soms aan iemand anders uitgeleend? Ik heb jaren gezocht naar mijn exemplaar van Theory of Justice en ik heb verschillende vrienden ervan beschuldigd dat ze het boek hadden ontleend en nu weigerden om het terug te geven. Uiteindelijk bleek het boek een plankje lager te staan dan ik mij herinnerde. Sinds het boek weer gelokaliseerd is, heb ik het overigens niet meer geopend. Enkele jaren geleden bestelde ik een boek van Artis Historia met plaatjes uit de Vaderlandse Geschiedenis. Het boek is minstens 30 cm hoog, maar ik zie het nergens staan tussen de hoge ruggen in de kast. Wat zou ik de plaatjes graag nog eens bekijken!
     Van sommige dingen wéét ik overigens hóe ik ze ben kwijtgeraakt. Een groene lodenjas is zoekgeraakt op een woelige rechtbankzitting. Een mooi wit overhemd heb ik laten liggen in een hotel in Maastricht. Ik heb daarvoor gebeld, en ze hebben mij weliswaar een gevonden overhemd opgestuurd, maar het was het verkeerde. Toen ik 17 was las ik het boek 25 jaar Belgisch socialisme van Mieke Claeys-Van Haegendoren. Later kocht ik het en raakte het kwijt. Ik kocht het opnieuw, leende het uit aan een vriend, en een week later kwam die vriend om bij een auto-ongeluk. Op de begrafenis heb ik de ouders van die vriend er niet over durven aanspreken. Ik had een dvd van Heaven’s Gate waarvan ik wel eens de openingsscène** bekeek als ik wat de pest in had. Ik heb die uitgeleend aan mijn broer, en een paar dagen later werd bij hem binnengebroken. De dief moet onder tijdsdruk gehandeld hebben, want ongeveer het enige wat hij in zijn zenuwachtige haast meenam was de dvd-collectie.
     Mocht u, lieve lezer, ooit op een rommelmarkt de dvd van Heaven’s Gate zien liggen, dan weet u nu waar die vandaan komt.


 * Zie ook hier.
** Hier vind je een stukje van die scène, maar in de film was ze heel wat langer. En in de ‘original cut’ moet ze nóg veel langer zijn.


zondag 20 september 2020

Een regering zonder N-VA

      Een regering zonder N-VA is voor mij een persoonlijk drama. Of misschien zou ik beter zeggen: een regering met N-VA in de oppositie is dat. Ik leg graag uit waarom, en waarom niet.
     Het is voor mij géén kwestie van beleid. Of een regering nu centrumrechts is, met N-VA, of centrumlinks, met socialisten en groenen, ze zal ongeveer hetzelfde doen: belastingen innen, ambtenaren betalen, pensioenen uitkeren, misdadigers opsluiten, migratie regelen, Europese richtlijnen toepassen, de grootte van de bubbels vastleggen … Met een centrumrechtse regering zal het beleid 2 procent opschuiven in de richting van wat ik wenselijk acht; met een centrumlinkse regering zal het 2 procent opschuiven in de tegenovergestelde richting: samen een verschil van 4 procent. La belle affaire.
     Ook is zo’n oppositie niet noodzakelijk slecht voor de partij zelf. Ik zie allerlei voordelen in een ‘afwisseling van de wacht’, wat de Fransen l’alternance noemen, en Nozick the zigzag of politics. Het is goed dat een partij af en toe aan een regering deelneemt om wat Realpolitik in de vingers te krijgen. Het is ook goed dat een partij af en toe in de oppositie zit om zich over haar eigen principes te bezinnen, te herbronnen, bij te sturen. Partijen die te lang in de regering zitten worden grijs en saai. Nu zal De Wever niet gauw grijs en saai worden, maar de laatste verkiezingscampagne van N-VA was mij te veel een variant van ‘Samen vooruit’, ‘Goed bestuur’ en ‘We hebben een ervaren gids’. Ik las de folders van Vlaams Belang liever dan die van N-VA. De inhoud van de eerste soort ergerde mij; de inhoud van de tweede soort was vaak onbestaande.
     Maar dat heeft allemaal niets met mijn persoonlijk drama te maken. Dát betreft iets anders. Ik hou namelijk niet van oppositie. Ik heb indertijd op mijn school oppositie gevoerd tegen de directie. Ik heb daar bij wijlen van genoten, maar het was toch meestal à mon corps défendant. De directrice riep mij ooit in de lerarenkamer toe: ‘Als jij in mijn plaats stond, je hield het geen twee dagen uit.’ Ze had volkomen gelijk; ze kon alleen niet weten hoevéél gelijk ze had.
     Als ik dan in de toekomst zal horen dat N-VA dit of dat of nog iets anders aan te merken heeft op de regering, zal mijn eerste gedachte altijd zijn: doe het dan zelf als je het beter kunt. De gedachte dat ze als grootste partij die kans niet heeft gekregen, zal pas daarna bij mij komen. En mijn derde gedachte zal zijn dat die kans er pas komt als ze door nieuwe stemmenwinst en stemmenterugwinst incontournable wordt; óf als ze al haar principes – sociaal-economisch én communautair én op migratievlak – tegelijk laat varen. Dan kan ik evengoed terugkeren naar de libera … 
     Nee, dat nu ook weer niet.

zaterdag 19 september 2020

Een droevig kerstverhaal van Martin

Bart De Wever moederziel alleen op glijbaan

      Soms gaan mijn blogjes over een politiek onderwerp. Ik probeer dan een evenwicht te bewaren tussen goedmoedige scherts, hautaine ironie, slecht karakter, wilde veronderstellingen en nuchtere argumentatie. Als ik op zo’n stukje echter een reactie krijg op Facebook hou ik het in mijn antwoord bij argumentatie alleen. Ik wil wel ruzie maken in het algemeen, maar niet mano a mano, zoals de Amerikanen zeggen.
     De helft van de reacties op mijn Facebookpagina komen de laatste tijd van Martin S., die op dezelfde school zat als ik, germanistiek gestudeerd heeft, les gaf op de school waar mijn moeder lesgegeven heeft, en nu, alweer net als ik, gepensioneerd is. Soms denk ik dat Martin lééft op mijn pagina. Het aardige daarbij is dat hij ook geïnteresseerd reageert op stukjes die niet politiek zijn. Maar áls ze politiek zijn, reageert hij zeker. Als ik een stukje schrijf over Emile Vandervelde, Sarah Bernard en Eleonara Duse, en ik vermeld per ongeluk ook Peter De Roover, dan mag ik mij verwachten aan een karakteranalyse van Bart De Wever, een voorspelling van de electorale ondergang van N-VA, een link naar een Youtube-filmpje, een uitspraak van Jeroen Olyslaegers, een meme over Donald Trump, een cartoon over het egoïsme van rechts, of althans een of meerdere van die dingen.
     Martin blijft daarbij meestal vriendelijk en beleefd, met de rustige zekerheid van een die weet dat hij gelijk heeft over verleden, heden en toekomst. Hij is een heel klein beetje uit de hoogte  hij noemde een antwoord van mij ooit schattig  – maar hij is toch vooral vriendelijk en beleefd. Hij moet ongeveer de enige Facebook-gebruiker ter wereld zijn die de uitdrukking ‘nog een fijne avond’ gebruikt zonder dat sarcastisch te bedoelen. Maar verder praten hij en ik vooral naast elkaar. Ik weet niet zeker of hij ooit een reactie plaatste die kon gelden als een rechtstreeks antwoord op iets wat ik had beweerd. Wel plaatst hij heel vaak reacties op iets wat ik niet heb beweerd. Maar hij is natuurlijk niet de enige Facebook-gebruiker die off topic gaat.
    Wij zijn, Martin en ik, nogal verschillend. Toen hij op pensioen ging, zeiden zijn collega’s van hem dat hij een ‘goed mens’ was. Dat zullen ze van mij niet gauw zeggen. Hij kan mensen goed inschatten, vindt hij, ook mensen – politici bijvoorbeeld – die hij helemaal niet kent, terwijl ik zelfs de mensen die ik goed ken niet kan inschatten. Hij kijkt en luistert liever naar Youtube-filmpjes van linkse auteurs dan hun dikke boeken te lezen. ‘Dat is vaak interessanter’, schrijft hij, ‘want dan zeggen ze meestal wat ze echt denken.’ Ik lees liever de dikke boeken waarin ze uitleggen waaróm ze iets denken. Die filmpjes vind ik meestal oppervlakkig, en ik zou ze voortdurend moeten stopzetten om te kunnen nadenken of wat gezegd werd ook hout snijdt.
     Maar in zijn propagandatechniek is Martin in elk geval niet oppervlakkig. Hij heeft begrepen dat ik nogal vergeetachtig ben en schroomt zich niet om dezelfde gedachte, cartoon of meme verschillende keren te herhalen, zelfs op hetzelfde draadje. Ook begrijpt hij dat beelden krachtiger zijn dan argumenten of cijfers. Hij heeft op mijn pagina een keer of vijf het verhaal gepost van de ‘Wintermarkt in Antwerpen’. Vroeger was burgemeester De Wever daar populair en werd hij omstuwd door mensen. Maar Martin heeft nu zelf, met eigen ogen, gezien, hoe De Wever daar de laatste jaren moederziel alleen staat. Niemand wil nog met hem praten. Zijn eigen partijleden zoals Annick De Ridder staan zo ver mogelijk van hem weg. Martin had voorwaar medelijden.
     Ik weet niet of Martin dat op een cursus geleerd heeft, dan wel of hij dat uit zichzelf gevonden heeft, maar zo’n beeldende anekdote is briljant. Ik denk dan bij mijzelf: ja, maar De Wever heeft toch de verkiezingen in Antwerpen gewonnen; ja, maar hij behaalde vorig jaar toch 242 386 voorkeurstemmen. Het is boter aan de galg. Die 242 386 stemmen helpen niet en ik zie alleen maar het het beeld van die arme De Wever die daar in de kou staat te bibberen op de Wintermarkt, helemaal alleen. Net als in het boek Jeremia hebben ‘al zijne minnaars hem vergeten’.
     Martin heeft begrepen dat je een vijand niet mag demoniseren, want dan maak je hem groter. De mensen denken dan: ja, het is misschien een smeerlap, maar zo iemand hebben we nodig om de klus te klaren. En dan stemmen ze toch voor hem. Veel beter is om de vijand te treiteren en voor te stellen als een loser, een has been, iemand die zijn kans gemist heeft, een over zijn paard getilde zuurpruim, iemand die het moet afleggen tegen een veel sympathiekere Tom van Grieken en Bouchez. Of dat klopt is niet zo belangrijk. Belangrijk is om die soundbites te herhalen. Dan wordt het misschien een selfulfilling prophecy.
    Misschien vindt de lezer zulke lepe trucjes wat immoreel? Dat is natuurlijk zo. Maar dat heb je in alle propaganda. Ikzelf bezondig mij eraan als ik een polemiekje voer. Wij zijn nu eenmaal niet zo braaf als Bregman beweert. Ik heb slechts één kleine bedenking bij Martins Kerstverhaal. Alhoewel de algemene propagandaregel is dat je soundbites niet vaak genoeg kunt herhalen, geldt dat niet voor anekdotes. Die vertel je best één keer. Als ik mij thuis niet aan die regel hou, krijg ik de wind van voren. ‘Ja, papa, dat heb je al duizend keer verteld,’ zegt Jan dan met enige overdrijving. 

vrijdag 18 september 2020

      Het moet een mooi stukje theater geweest zijn in het Parlement, toen Wilmès weigerde – tegen haar belofte in – om voor haar mini-regering opnieuw het vertrouwen te vragen in het Parlement. Vivaldi versus oppositie, een kamervoorzitter die uit zijn rol valt, one-liners van Peter de Roover, chaos … Mocht het mij interesseren, ik zocht de beelden op.
     Eigenlijk moeten we niet klagen. De politieke welsprekendheid was vroeger geloof ik veel erger. Die mooie redevoeringen van Lincoln zijn vooral zo bekend omdat ze in niets geleken op de doorsnee redevoeringen van zijn tijd. Wie zich een idee wil vormen van zulke doorsnee redevoeringen, raad ik de film ‘Peterloo’* aan waar de 19de-eeuwse welsprekendheid waarheidsgetrouw wordt weergegeven. Het is bijna niet te geloven dat die inhoudsloze pathos ook wérkte. Godfried Bomans beschrijft hoe zijn vader de menigte toesprak op vergaderingen van de Katholieke Partij. Alles was perfect: aanloop, aarzelingen, stiltes, tremolo’s, climax … maar als je achteraf de samenvatting in de krant las, bleek dat er inhoudelijk amper iets was gezegd.
     In het linkse kamp was het niet veel anders. Trotski ging door voor een groot redenaar. Bertrand Russel beluisterde een van zijn toespraken en vond het niet meer dan wat ‘hiep hiep hoera voor onze jongens aan het front’. De Belgische socialist Emile Vandervelde ging door voor een van de beste sprekers van zijn tijd: mooie stem, aangepaste gebaren, bestudeerde emfase**. Medesocialist Victor Adler noemde hem ‘de Sarah Bernard van het internationaal socialisme’. ‘Maar,’ voegde hij eraan toe, en hij wees naar Jean Jaurès, ‘ik heb liever Eleonora Duse.’***
     Ik heb ook liever la Duse, om redenen die ik al eens ter sprake bracht (hier).


** Zie hier.
** Een oud plaatje van de sprekende Emile Vandervelde vind je hier.
*** Zie ook hier.


woensdag 16 september 2020

Betere opvangkampen op Lesbos

 

      Vluchtelingen en migranten uit het Midden-Oosten en Afghanistan die graag naar Europa willen, verkiezen de korte oversteek vanuit Turkije naar het vlakbije Griekse Lesbos boven de lange en gevaarlijker zeereis van Libië naar een Italiaans eiland. In 2015-2016 belandden een half miljoen van hen op Lesbos. Nu is het veel minder, maar de vluchtelingen en migranten blijven toekomen en de kampen zijn overvol. Het Moria-opvangkamp is officieel berekend voor 2. 800 mensen maar er verblijven er 12.500. En dat kamp is nu vernietigd door een grote brand.
     Het is mogelijk dat bewoners de brand zelf hebben aangestoken om te protesteren tegen de Corona-maatregelen, mogelijk dat ze Griekse huizen plunderen, mogelijk dat ze relletjes uitlokken met de politie, mogelijk dat ze daar illegaal zijn of geen kans maken om als ‘vluchteling’ te worden erkend.  Dat alles is best mogelijk. Maar er is ook iets dat zéker is: de toestand in de kampen is schrijnend en mensonterend, en dat op een stukje Europees grondgebied.
     Wat kan er gebeuren om verlichting te brengen?
     Er is de NGO-oplossing van open grenzen. Caroline Willemen van Artsen zonder Grenzen sympathiseert in Het Nieuwsblad van 15 september met de ‘vrouwen en kinderen die vragen om [na de brand] géén nieuw kamp op te richten, maar die hun vrijheid vragen.’ Dat is dan de vrijheid om naar het Europese vasteland te trekken. Die vrijheid is een mooi ideaal, maar aangezien ik in discussies met links altijd hoor dat ‘niemand voor open grenzen is’*, ga ik daar niet verder op in.
     De EU-oplossing is om quota af te spreken om de minderjarigen uit de kampen over verschillende landen te verdelen. België zou twaalf minderjarigen laten overvliegen. Groen en SP.A vinden dat het er meer moeten zijn, zonder daar een concreet getal aan te verbinden, en Maggie De Block belooft dat het niet bij die twaalf zal blijven**. Maar als de toestand in de Griekse kampen zo schrijnend is, zou men eigenlijk alle bewoners ervan over de verschillende Europese landen moeten verdelen, en ik vrees dat het niet lang zou duren voor de kampen weer vol zouden lopen met nieuwe vluchtelingen en migranten.
     De Theo Francken-oplossing is om financiële steun te geven zodat de toestand in de kampen kan worden verbeterd voor alle bewoners, zonder zelf nieuwe migranten op te nemen. Hij verwijst naar de Oostenrijkse regering van christendemocraten en groenen die de zaak zo wil aanpakken. Dat vind ik een redelijke, efficiënte, haalbare 
 maar verre van ideale  oplossing. De opvang van twaalf of vijftig of vijfhonderd kinderen, zou enig geld kosten. Goed, we verdubbelen die som, en die gaat rechtstreeks naar betere infrastructuur en voorzieningen. Wil Groen en S.PA het tienvoudige schenken, mij ook goed, als ze de grenzen maar dicht laten.
     Peter Mijlemans van Het Nieuwsblad is het niet met Francken eens. ‘Dan is het cynisch’, schrijft hij in het hoofdartikel van 16 september, dat er nog steeds stemmen opgaan – met op kop die van Theo Francken (N-VA) – dat financiële hulp beter is dan twaalf kinderen over te brengen.’ Waarom het voorstel van Francken cynisch is, wordt verder met geen enkel argument onderbouwd.
     Zou ik zelf zo’n argument kunnen verzinnen? Misschien dit. Geldelijke steun voor een grote groep heeft iets onpersoonlijks. Er is een heel verschil tussen aan de ene kant een bedelaar iets toestoppen, en aan de andere kant een bepaald bedrag storten in een fonds waarmee soep of alcohol voor alle bedelaars van de stad wordt aangekocht. Wie een bedelaar iets toestopt heeft een persoonlijk engagement aangegaan, heeft een mens in de ogen gekeken, en heeft een gêne moeten overwinnen. Men denkt vaak dat iets geven aan een behoeftige de gever  een goed gevoel bezorgt. In mijn ervaring is het omgekeerd: de persoonlijke gift zorgt voor een slecht gevoel en een slecht geweten, want je weet hoe weinig je hebt gedaan. Maar je hebt het toch gedaan, en dat was flink en misschien zelfs goed.
     Onpersoonlijke geldelijke steun daarentegen is geen daad van Goedheid, Liefde of Caritas. In de klas van meester Bernard lazen we het toneelstuk ‘L’annonce faite à Marie’ van Claudel. Het is een stuk over de middeleeuwen. Violaine Vercors ontmoet de lepralijder Pierre en geeft hem een kus. Het is een mooi voorbeeld van Caritas, een daad van onmiddellijke, onberedeneerde solidariteit, waarbij de laatste druppel eigenbelang verdwijnt in een oceaan van Liefde. Door de kus krijgt Violaine zelf ook lepra en is Pierre ondertussen geen stap verder. Dat wil zeggen, Pierre geneest, maar dat komt geloof ik niet door die kus maar door een miraculeuze tussenkomst van God  of van Maria, dat wil ik kwijt.
     Maar op mirakels zou ik niet rekenen als het om het migratie- en vluchtelingenprobleem gaat. Ook zijn de quotabeslissingen van Merkel, Macron, Michel en Maggie De Block ongeveer even onpersoonlijk als financiering van een betere infrastructuur. Het enige verschil is dat het opvangen van kampbewoners in Frankrijk, Duitsland, België enzovoort eigenlijk is wat die mensen zélf vragen. Die willen geen infrastructuur of voorzieningen. Die willen naar Europa***. En daarmee zijn we weer bij de open grenzen beland. Maar daar is niemand voor. Toch?

* In werkelijkheid is de toestand zo: links en een deel van het centrum is in principe voorstander van gecontroleerde grenzen ... die echter telkens weer onvoorwaardelijk moeten worden geopend als van één bepaalde groep de ellende in de actualiteit komt, zoals bij een grote brand.
** Het gaat ondertussen om 150 kampbewoners die naar ons land kunnen komen.
*** Alhoewel sommigen van hen die voorzieningen achteraf - begrijpelijkerwijs - weer missen. Zie 
hier.