zondag 21 januari 2018

Hoe beoordeel je het verleden?

Hoe lang is homoseksualiteit een perversie geweest?

     Aangezien de mens een oordelend en veroordelend dier is, en de historicus een mens is, moeten we niet te veel verwachten van een neutrale geschiedschrijving. Ook de historicus oordeelt en veroordeelt als hij de gaskamers, de goelag of het schrikbewind van de wrede hertog Alva beschrijft. Het is één ding om te berekenen wat het gewicht was van  de slavenhandel in de Hollandse economie in de 18e eeuw – 0,005 procent van het nationaal inkomen beweert Piet Emmer –, het is een heel ander ding welke bewoordingen je kiest om over die slavenhandel te schrijven. En die bewoordingen kun je kiezen op twee manieren: vanuit de normen van het verleden zelf of vanuit de verlichte normen van het heden.
     Je zou denken dat de normale benadering die is waarbij je het heden tot maatstaf neemt. Het heden kennen we het best; zijn maatstaf is onze maatstaf. Maar is dat ook zo als je je gedurende lange tijd in het verleden hebt verdiept?
     Ik denk nu bijvoorbeeld aan het verschijnsel van de gelijkgeslachtelijke liefde. Vijftig jaar geleden kon de historicus Pieter Geyl in dat verband nog spreken van een ‘schending van de natuurwet’ – vandaag vind je zulke standpunten alleen nog wijd verspreid binnen de moslimgemeenschap. Toch las ik onlangs iets raars in een biografie van Scott Fitzgerald. Daarin bespreekt Jeffrey Meyers de roman Tender is the Night, en hij merkt daarbij op : ‘The immorality of the class that leads Dick from idealism to corruption is symbolized by sexual perversions: Luis Campion and Royal Dumphrey are homosexuals, Mary North and Lady Caroline pose as lesbians, Baby is onanistic.’

     Nee maar. Homoseksuele en lesbische liefde – een seksuele perversie? Dat kon je ook in 1994, toen de biografie verscheen, al lang niet meer schrijven. Jeffey Meyers zou dat in een gewoon stuk ook nooit geschreven hebben. Maar hij heeft zich jaren onderdgedompeld in de leefwereld van Scott, hij heeft al die romans gelezen, al die verhalen, al die brieven, al die notities, en niet die alleen van Scott – ook die van Zelda, van Hemingway, van Edmund Wilson en van al die andere tijdgenoten. En dan neem je zonder dat je er erg in hebt de oordelen en vooroordelen van die tijd over, is het niet in gedachten, dan toch in de verwoording.
     Hoe zou dat gaan met onze persoonlijke geschiedenis? Ik heb zoals zovelen van mijn generatie de reis gemaakt van extreemlinks naar centrumrechts. Als ik mij gebeurtenissen, gesprekken of overtuigingen voor de geest haal van vroeger, dan neig ik ertoe om die te beoordelen vanuit mijn huidige gezichtspunt. Maar het kan ook anders, zoals ik merkte in de memoires van Christopher Hitchens (1949-2011). Hitch heeft ook de reis gemaakt van links naar rechts. Hij was in zijn jonge jaren hartstochtelijk tégen de westerse tussenkomst in Vietnam, en op zijn oude dag al even hartstochtelijk vóór zo’n tussenkomst in Irak. Je zou denken dat Hitch dan in zijn memoires de Vietnamtijd bekijkt vanuit zijn nieuwe gezichtspunt. Hij heeft alle reden om zich met terugwerkende kracht aan de zijde van de Amerikanen te scharen, tegen de stalinisten van Ho Chi Minh. Maar nee hoor. Vietnam en Irak zijn twee volstrekt verschillende conflicten, vindt Hitch, die verschillend moeten worden beoordeeld.

     En Hitch heeft natuurlijk gelijk. Vietnam en Irak wáren volstrekt verschillende conflicten. Maar is dat de reden waarom hij zijn opstelling over Vietnam niet herziet? Ik geloof het niet. Ik geloof dat het komt omdat hij dat conflict benadert met de maatstaf van het verleden, van zíjn verleden – de maatstaf van eind de jaren zestig, en niet de maatstaf van begin de 21e eeuw – de maatstaf van de jonge linkse rakker, en niet de maatstaf van de oude rechtse zak.

woensdag 17 januari 2018

De grootste intellectueel van Vlaanderen

    Een vraag die ik mij vaak stel is deze: wie is nu eigenlijk de grootste intellectueel van Vlaanderen? Dat is geen gemakkelijke vraag, vooral omdat ik niet alle Vlaamse intellectuelen ken, en degenen die ik ken, ken ik meestal alleen van naam. Nur dem Namen nach, zoals de Duitsers zeggen. En hoe kun je nu de grootste van een verzameling aanwijzen als je de hele verzameling niet zo goed kent?
     Nu heb ik vorige week hulp gekregen van Joël De Ceulaer. Joël stelde zich ook de vraag wie de grootste intellectueel van Vlaanderen was, en hij wist het antwoord blijkbaar al evenmin als ikzelf. Maar Joël was slimmer dan ik. Als je het antwoord niet weet, dacht Joël, vraag het dan aan iemand anders. En hij heeft het gevraagd aan honderd prominente Vlamingen, van Abou Jahjah tot Raymonda Verdyck en van Orban Agirdag tot Els Witte. De lijst van honderd prominenten is evenwel niet helemaal in balans. Joël is journalist bij De Morgen en hij nam niet minder dan zeven journalisten van die krant in zijn prominentenlijst op, hemzelf inbegrepen – hij wist het antwoord dus toch.
     Uit die prominentenbevraging zijn tien namen naar voren gekomen: een activiste (Rachida Lamrabet), een iman (Khalid Benhaddou), een rector (Caroline Pauwels), een schrijver (David Van Reybrouck), een politicoloog (Jonathan Holslag), een econoom (Geert Noels), drie vrijzinnige filosofen (Etienne Vermeersch, Maarten Boudry en Patrick Loobuyck) en één politicus (Bart De Wever), die het lijstje trouwens aanvoert.
     Bart De Wever de grootste of althans de invloedrijkste intellectueel van Vlaanderen? En dan nog benoemd door een panel dat grotendeels uit zijn tegenstanders bestaat? Ik weet het nog zo niet.
     Neem nu die jaarlijkse intellectuele proef die al zoveel politici hebben moeten ondergaan: de Elsschotlezing. De Wever hield ze in 2016. En wat wist De Wever te vertellen over Elsschot? Goed. Hij had die boekjes gelezen, dat merkte je wel, en hij was erdoor gegrepen, dat merkte je ook. Maar toch week hij zo snel mogelijk uit naar zijn eigen terrein. Via een brugje over Elsschots kleindochter en het gezin Elsschot ging het al vlug over normen en waarden, en dat we traditionele instellingen als het huwelijk niet te snel moesten afschrijven. Tobback had het hem voorgedaan: van Elsschot via een brugje over zaken waar hij wél iets van af wist – Boccaccio, Camus –naar de dringende noodzaak van meer links politiek engagement. Je krijgt bijna de indruk dat De Wever en Tobback hun rede zelf hadden geschreven.
     Nee – geef mij dan maar iemand van formaat, iemand als … euh … Kris Peeters. Dát was nog eens een Elsschotrede. Het begon nochtans slecht. Peeters gaf toe dat hij op school de boekjes van Elsschot maar niks vond. Ze waren te dun, de taal was te doorzichtig, de personages te doordeweeks. Die bekentenis maakte op mij een slechte indruk want zelf vond ik die boekjes ook op school al geweldig. Peeters dus niet. Pas later, veel later, begreep hij de grootheid van Elsschot. Maar Peeters weet ook hoe het komt dat hij zich zo laat tot het Elsschotgeloof bekeerde. Het was de schuld van de schrijver zelf, die zijn taalmeesterschap immers slechts ‘toonde in wat het verborg’. Het was niet Peeters zijn schuld.
     Dan komt Peeters op dreef. We worden ondergedompeld in Latijnse zegswijzen, Franse citaten en Engelse wijsheden – horresco referens –  ars est celare artem – le style c’est l’homme – steal from the best.* En niet alleen létterlijke zegswijzen en citaten. Peeters kan die ook naar zijn hand zetten als het moet: la vanité c’est les autres – fiat pecunia, pereat mundus.** En boven alles is hij een meester in het citeren van Elsschot zelf: lange citaten, korte citaten, verborgen citaten, pastiches, zowel uit de bekende werken als Kaas, Dwaallicht en Lijmen, als uit de minder bekende als De verlossing, Tankschip en Pensioen. Overal vindt Peeters wel enkele woorden, soms slechts één woord, dat naadloos past in zijn betoog. Zoiets kan alleen iemand die innig vertrouwd is met het werk van de schrijver, of die zich weken aan een stuk, onder verwaarlozing van zijn politieke taken, met het Verzameld Werk heeft beziggehouden.

     En Peeters kan meer dan citeren, want jij en ik, beste lezer, kunnen dat ook - als we ons best doen en over een onderzoeksmedewerker beschikken. Maar kunnen we zinnen bedenken als deze: ‘In het venster dat [Elsschot] ons biedt op de wereld trachten we vergeefs de spiegeling van ons eigen gelaat te ontwijken.’ Zo’n zin zou ik nooit kunnen schrijven. Hier is een ware filosoof aan het woord.
     Vroeger liet Peeters zich af en toe ontvallen dat hij járenlang Schopenhauer op zijn nachtkastje liggen had. Nu heeft Schopenhauer niet zo veel geschreven (multum, non multa), maar als je hem in het Duits leest, en je wil alles begrijpen, ook de Vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde, dan ben je daar inderdaad wel even mee zoet. Later werd Schopenhauer op Peeters zijn nachtkastje opgevolgd door een andere filosoof, maar hier lopen de bronnen uiteen. Volgens de enen was die filosoof Kant (De Standaard, 31 december 2004), volgens anderen was het Hegel (De Standaard, 4 augustus 2014). Ik gok op Kant, want nogal wat lezers wagen zich na Schopenhauer aan Kant, wat dan niet meevalt. Aan Hegel beginnen ze niet want dat is immers die kerel met zijn ‘Bierwirthsphysiognomie … auf dessen Gesicht die Natur mit leserlichster Handschrift “Alltagsmensch” geschrieben hatte.’***

     Het is bekend dat Peeters graag burgemeester van Antwerpen wil worden. Mocht dat niet lukken, kan hij proberen aan een onzer universiteiten de filosofie van Kant, Hegel en Schopenhauer te doceren. En als ook dat niet lukt, kan hij nog altijd een goede leraar Nederlands worden. Zijn Elsschotlezing heeft mij overtuigd. Hopelijk worden tegen die tijd nog altijd échte literatuurlessen voorzien in de eindtermen en de leerplannen.

 

* Ik huiver als ik eraan denk – de kunst bestaat erin de kunst te verbergen – de mens zelf is de stijl – steel van de besten.

** ‘IJdelheid, dat zijn de anderen’ – variatie op ‘de hel, dat zijn de anderen’ en ‘de wereld mag vergaan, als er maar geld verdiend wordt’ – variatie op ‘de wereld mag vergaan, als er maar recht geschiedt.’

*** ‘… kerel met zijn kroegbaasfysionomie, op wiens gezicht de natuur in haar duidelijkste handschrift “banale mens” geschreven had.’

 

zondag 14 januari 2018

Voor Paus en Zoeaaf


   Ik zou de roman Spanooghes Queeste van Danny Chambaere wellicht niet gelezen hebben als ik de auteur niet persoonlijk kende. Ik zou dan veel gemist hebben: een uiteenzetting over de vroegmiddeleeuwse pornocratie, een geheime samenzwering die vele eeuwen omspant en tot op vandaag voortwoekert, een zichzelf kastijdende monnik, getrukeerde pornografische filmpjes, saffische liefde, stenen Cupidootjes die hun stenen slachtoffertjes de hersens inslaan met een gemzenhoorn, een hoogzwangere vrouw die over omheiningen klautert, een spannende ontsnapping en achtervolging in Zwitserland. En wat misschien het beste bijblijft: de koude regen en de felle wind op het Schotse eiland Saint Kilda – even ongenadig als de regen en de wind in de tweede en derde kring van Dantes Hel ….
      En dan de figuur van Gianni Utterwulghe.
     Halverwege het boek wordt een West-Vlaamse huisvrouw onder handen genomen door een gangster die dus Gianni Utterwulghe heet. De naam schijnt echt te bestaan. Utterwulghe martelt de vrouw met een elektrische prikstok zoals die in slachthuizen gebruikt wordt. Hij stelt vragen, roept af en toe enthousiast ‘Voor Paus en Zoeaaf’, en tettert voor de rest aan één stuk door in het Algemeen Beschaafd West-Vlaams*.
     “Uw orders zullen alleen via deze GSM gegeven worden [zei Utterwulghe]. Gesnopen? Draag hem altijd bij u, ook op de WC-pot, ook als ge u ligt te vingeren op de canapé. Zorg dat de batterij nooit leeg is. Want weet heel goed, madammeke, dat de batterijen van ’s Heerens Wreekstokken nooit plat zijn.” [Daarna deed hij de terrasdeur een paar keer open en dicht met één vinger]. “Bolt goed,” knikte hij goedkeurend. “Soms hebde van dieje camelot die zo steeg is als een droge hoer. Kwaliteit dit. Veel geld gekost zeker?” Hij begon te gniffelen. “Gij en ik noemen dat een porte-fenêtre, nietwaar madammeke? Weet ge hoe Ollanders dat noemen? Een schuifpui! Echt waar, schuifpui. Ge houdt het niet voor mogelijk. Een land vol zwalpeiers, Olland.” Nee, ’t is geen typische martelscène.

     Bijna de helft van de roman bestaat uit dagboeknotities van Freddy Spanooghe, een wat pedante geschiedenisleraar die de pedanterie zo ver drijft dat hij het zelfs in zijn dagboek niet kan laten om voetnoten te gebruiken. Bij alles wat hij schrijft, schieten hem dingen te binnen die hij meteen in of onder het geschrevene verwerkt. Je zou het culturele referenties kunnen noemen maar Spanooghe spreekt van ‘ankerpunten’, een ‘emotioneel kader’ dat hem later toelaat om het moment van het schrijven opnieuw te beleven.
     Een geleerde die binnen tweehonderd jaar het boek openslaat, zal een redelijk beeld krijgen van hoe een enigszins bovengemiddelde  culturele bagage bij het begin van de 21e eeuw eruit zag. Wat wist iemand die omstreeks 1953 geboren was en omstreeks 2018 een boek publiceerde? Op elke bladzijde zal de geleerde wel een of meer kennissnippers kunnen onderstrepen. Veel van die snippers van Freddy Spanooghe – en van Danny Chambare – behoren ook tot mijn bagage. Dat Germaine Greer een beroemde feministe was, dat Maria van Boergondië  van haar paard viel in de buurt van Wijnendale, dat maoïsten in de jaren zestig groene parka’s droegen, dat Schubert een lied maakte – op een tekst van Goethe – over een Elfenkoning,  dat China bij het begin van de twintigste eeuw geleid werd door een keizerin-regentes met een slecht karakter**, dat Bach een reeks canons opdroeg aan Frederik de Grote en dat één daarvan ‘quaerendo invenietis’ heet, wat Latijn is en betekent: ‘zoekt, en gij zult vinden,’ en dat dat een citaat is uit de bijbel.

     Ik vraag mij af hoeveel hiervan ook tot de bagage van onze toekomstige geleerde zal behoren: Schubert, Goethe, Bach, de Elfenkoning en Frederik de Grote wellicht wel. Maar zouden Germaine Greer, Wijnendale, de maoïsten met hun parkas, het slechte karakter van de keizerin-regentes en het Latijn er nog bij zijn?***


* Dat Algemeen West-Vlaams is ook in de rest van het boek onderhuids aanwezig. Daarbij probeert Chambaere een aantal oude zegswijzen te redden die zijn vader vroeger hanteerde. Uit die zegswijzen blijkt dat magere mensen in de oude, politiek niet correcte tijden vaak het mikpunt waren van spot en discriminatie. Iemand met een smal hoofd was een ‘flessenpikker’: hij kon immers met zijn snavelachtige kop een snip drank uit een fles ‘pikken’. Van zo iemand werd ook gezegd: ‘smijt een brood tegen zijn ongeschoren bek en het valt in boterhammen uit elkaar’. En magere mensen in het algemeen ‘konden maar twee ziektes krijgen: de velziekte en de beenderziekte.’

 ** Chambaere schrijft over de ‘dowager empress’ en verwijst naar de film van Bertolucci, The Last Emperor (1987). Ik zou spreken van de ‘keizerin-douairière’ en verwijzen naar de film van Nicolas Ray, 55 Days at Peking (1963). In de ondertiteling van de film zag ik voor het eerst dat rare woord ‘doaurière’.

 ** En dan spreken wij nog niet van het Grieks, want bij Lukas 11:8 heet het niet ‘quaerendo invenietis’ maar ‘ζητεῖτε, καὶ εὑρήσετε’.

woensdag 10 januari 2018

Regeringscrisis

     Er is, naar het schijnt, een regeringscrisis geweest, en die is, naar het schijnt, weer bedwongen. Toen ik erover las, dacht ik met weemoed terug aan de regeringscrisissen van mijn jeugd. Dát waren crisissen. Een partijvoorzitter maakte ruzie met zijn eigen eerste minister. Iemand van de meerderheid zou een wet ‘met de karwats door het parlement jagen’. In de kamer werd geroepen dat ‘de grondwet geen vodje papier was’. En de leider van de regering gebruikte de enige woorden die zo’n crisis de luister geven die ze verdient: ‘Ik ga naar de koning.’
     Maar nu? Een Wouter Beke doet alsof hij het ontslag van Theo Francken vraagt; een Bart De Wever doet alsof hij dat dreigement ernstig neemt; en de journalisten doen alsof het allemaal een zaak van leven of dood is.

     Pas op, ik begrijp Beke, De Wever en de journalisten. Beke denkt bij zichzelf: hoe vaker ik het woord ‘ontslag’ gebruik, al is het in een glibberig tsjevenzinnetje, hoe meer de mensen zullen denken dat die Francken iets Heel Ergs heeft gedaan. Wat dat erge is, dat is niet helemaal duidelijk, maar het moet Heel Erg zijn, anders zou zo’n nette jongen als Beke zulke grove woorden als ‘ontslag’ niet gebruiken. De Wever denkt bij zichzelf: als ik niet snel even uit mijn krammen schiet, blijft CD&V dat vuurtje verder aanwakkeren door nu eens warme en dan weer koude lucht te blazen. De journalisten denken: daar zit een lekkere kop in; we plaatsen dat mooi op de voorpagina, en relativeren dat wel in het stuk op bladzijde acht.
     Laat ik bij het begin van dit nieuwe jaar de heren Beke en De Wever, alsook de dames en heren journalisten, alle goeds toewensen. Voor die laatsten heb ik wel een nederig verzoekje: of ze misschien voorzichtig willen zijn met hun metaforen. ‘Het spierballengerol van N-VA heeft diepe wonden geslagen,’ schrijft Het Nieuwsblad van eergisteren. Spierballen die diepe wonden slaan, het doet mij denken aan de Lustige Kapoentjes van mijn jeugd. Daar had je een ‘champetter’ die als leus hanteerde: de arm der wet heeft lange benen.

vrijdag 5 januari 2018

Wat ik onder welbevinden op school versta*

     U vraagt mij wat ik denk van leerlingenwelbevinden op school. Dat is een controversieel onderwerp. En als een onderwerp controversieel is, heb ik er een mening over. Oké dan, dít is wat ik denk van welbevinden op school.
     Als u onder welbevinden op school verstaat, de eeuwige verwennerij, de nooit aflatende betutteling, de eindeloze debilisering, waarbij leerstof door spelletjes, en aandachtig opletten door groepswerkgetater en debatjes wordt vervangen; als u onder welbevinden verstaat dat de klas eruitziet als een cyberkroeg met bartafeltjes en zithoeken, waar niet het bier en de sterkedrank, maar de punten rijkelijk vloeien; als u bedoelt dat de kinderen pantoffeltjes aantrekken vooraleer te lezen uit boekjes die ‘aansluiten bij hun leefwereld’; als u bedoelt dat pen en potlood wijken voor hersenloos getik en geschuif op een iPad; als u bedoelt dat het schoolkind ‘gecoacht’ wordt als was het een voetballertje of een danseresje, in plaats van onderricht te worden in een schools vakgebied; dat dat schoolkind niet met vaste hand wordt geleid naar en op het nauwe pad der kennis, maar losgelaten en losgeslagen vanzelf vaardigheden en vaardigheidjes dient te verwerven; dat het niets moet wéten omdat het alles kan opzoeken; dat huiswerk en examens worden afgeschaft om bij teleurstellende cijfers de erbij horende teleurgestelde blikken en traantjes te vermijden – als u dát bedoelt met welzijn op school, dan ben ik er helemaal tégen.
     Maar als u onder welbevinden op school verstaat, de vreugde van het leren, de trots op het geleerde, het zelfzekere meesterschap als gevolg van geduldig oefenen; als u onder welbevinden verstaat de opwindende ontdekking van wat zich búiten de eigen leefwereld bevindt, van wat níet komt aanwaaien: de wetten der natuur, de kennis van het menselijke lichaam, de boeiende rijkdom van het verleden, de schoonheid van de oude literatuur; als u onder welbevinden verstaat dat in een ordelijke klas al eens gelachen wordt;  dat anekdotes tot het vaste repertoire behoren en niet als ‘onwetenschappelijk’ worden weggezet; als u bedoelt dat de leraar Latijn zijn lange zinnen zó voorleest dat je ze haast begrijpt als je ze alleen maar hoort, en dat de lerares wiskunde de oefening zó uiteenzet dat het lijkt alsof je de oplossing zelf ook had kunnen vinden; dat vreemde talen worden aangereikt in grappige stukken proza, boeiende verhalen en ontroerende maar soepel lezende gedichten en dat daarbij in een brede boog wordt heengelopen om ‘zakelijke teksten’, vooral als die een ‘actuele’ of, erger nog, een ‘jongeren’-problematiek behandelen – als u dát bedoelt met welbevinden op school, dan ben ik er helemaal voor.
      Dat is mijn standpunt. Ik zal er niet van afwijken. Ik zal geen compromissen sluiten.


 
 
* In dit stukje pas ik de drogreden ‘If by whiskey’ toe. De drogreden werd oorspronkelijk toegepast door Noah Sweat om, met veel gedruis van woorden, te verbergen dat hij geen standpunt innam over de mogelijke legalisatie van whiskey in Mississippi. De drogreden kan ook gebruikt worden, zoals hierboven, om te verbergen dat men geen argumenten aandraagt. Die worden dan vervangen door een nuancering van het standpunt, of door een opsomming van allerlei kleine standpuntjes, die elk op zich niet worden ondersteund.

zondag 31 december 2017

Theo heeft gelogen. Heeft Theo gelogen?

-       Dus u zegt dat Theo weg moet.
-       Jawel. Hij heeft gelogen.
-       Hoezo?
-       Hij heeft vorige  week donderdag op vtm gezegd dat er geen uitwijzingen naar Soedan gepland waren tot eind januari.
-       En?
-       Er was wél nog een uitwijzing gepland in januari. Op 13 januari.
-       Dus Theo zei op donderdag dat er geen uitwijzingen zouden, en in werkelijkheid hield hij er toch nog één achter de hand?
-       Eh … niet echt. Die uitwijzing van 13 januari had hij woensdagmiddag al laten schrappen. Een NGO had die morgen getuigenissen uitgebracht van uitgewezenen die bij hun terugkeer hardhandig ondervraagd waren geweest door de Soedanese politiek. Theo wou die getuigenissen eerst laten onderzoeken.
-       En daarom heeft hij de uitwijzing van 13 januari geschrapt? Daar moet u toch blij mee zijn.
-       Ja, maar Theo heeft daarover gelogen.
-       Dat begrijp ik niet.
-       Toen hij donderdagochtend zei dat er geen uitwijzingen gepland waren, heeft hij er niet bij gezegd dat er eerst wel één gepland was, maar dat hij ze ondertussen had laten schrappen. En hij had schrappen ook niet aan premier Michel verteld.
-       En dat is de leugen?
-       Dat is de leugen.
-       Maar toen premier Michel woensdagavond zei dat hij de uitwijzingen tot en met januari opschortte, was dat eigenlijk niet nodig omdat het oorspronkelijke uitwijzingsplan al was gewijzigd.
-       Ja.
-       En toen Theo donderdagmorgen –  nogal oneerbiedig, dat wel – zei dat de opschorting door de premier niet nodig was, had hij eigenlijk gelijk.
-       Ja.
-       En toen premier Michel en Theo donderdagmiddag allebei in de kamer verklaarden dat er geen uitwijzingen meer gepland waren in januari, was dat ook correct.
-       Eigenlijk wel.
-       Maar Theo heeft verzwegen dat er éérst wel nog een uitwijzing gepland was geweest. Een uitwijzing die hij onmiddellijk na de getuigenissen geschrapt had.
-       Ja. Dat is de leugen.
-       Dan valt het nogal mee, vind ik.

zaterdag 30 december 2017

De Vlaming als neger in Wallonië, of omgekeerd

Een typische Vlaamse kop
    In 1838 was de Franse schrijver Alexandre Dumas op doorreis in ons land, en na Brussel deed hij ook Luik aan. Eerst een stukje eten, dacht de schrijver, want dat dacht hij altijd. Toen hij in juni 1830 deelnam aan de revolutie, verliet hij herhaaldelijk de barricaden om een stukje te gaan eten in nabijgelegen restaurants.
     Zijn zoektocht naar voedsel leidde hem dit keer naar het Hôtel d’Albion. Het was al erg laat. Het hotel geleek van binnen op een gewoon burgerhuis en Dumas vroeg verlegen aan de vrouw in de keuken of hij iets te eten kon krijgen, en daarna een bed om in te slapen.
     ‘Monsieur est Belge?’ Of meneer een Belg was, wou de vrouw weten.
     De vraag was begrijpelijk. Dumas zag er met zijn donkere huid, kroeshaar en dikke lippen uit als een neger. Zijn grootmoeder was dan ook een zwarte slavin geweest. Hij sprak ook een beetje anders en … hij was wat verlegen geweest.
     Nee, meneer was geen Belg. Meneer was een Fransman.

     Aha, dat was in orde. Een Fransman was oké, zei de vrouw, maar een Vlaming, dat was iets anders. Daar moesten zij als Walen niets van hebben.
     Als dat het enige probleem is, dacht Dumas en hij begon te informeren naar het menu. Helaas, alles was op. Geen kip, geen eend, geen patrijs. Gisteren wel, maar vandaag niets meer … Misschien een stukje rosbief, probeerde Dumas, of wat kalfsvlees. Nee hoor, gisteren was dat er nog geweest, maar een Vlaming had alles opgegeten. Meneer was toch geen Vlaming?
     Nee, meneer was een Fransman.
     Uitstekend, want Vlamingen, daar hielden ze in Wallonië niet van.

     ’t Was inderdaad een triestig volkje, gaf Dumas diplomatisch toe, maar je kon er wel altijd boter en eieren krijgen, op om het even welk uur van de dag.
     Boter? Dat was nu eens jammer. Wallonië was het land van de goede boter. Maar de boter werd op vrijdag gemaakt en nu was het woensdag en was er niets meer over. En die eieren die daar lagen, die waren leeggezogen. Valentin, die deugniet, prikte met een speld twee gaatjes in zo’n ei, aan de twee kanten één, en zoog het daarna leeg. En dat had hij met al die eieren gedaan. Ja, ’t was een deugniet, Valentin.
     Maar een bed? Ja, een bed kon meneer krijgen. De waardin riep het dienstmeisje en vroeg of ze meneer de Vlaming zijn kamer kon wijzen. Dumas en het meisje gingen naar boven. Aan de kamer gekomen vroeg Dumas of hij misschien een stuk brood kon krijgen. Ja, ze zou het beneden vragen. Wat later hoorde Dumas de waardin uitroepen: ‘Wat nu weer? Brood? Wat kunnen die Vlamingen lastig zijn. Sont-ils difficiles ces Flamands.’
     Je kunt het allemaal nalezen in Dumas’ Impressions de voyages, maar veel uitgebreider, want Dumas werd per woord betaald.

donderdag 28 december 2017

Impotent, maar je weet maar nooit ...

Het kasteel van Hurstbourne, waar Lord Portsmouth door zijn vrouw geslagen werd
     In On Liberty, aan het einde van hoofdstuk 3, neemt Stuart Mill de verdediging op zich van excentriek gedrag – zolang het niet schadelijk is voor onze medemens. Je moet al een Lord zijn, merkt Mill op, om je te kunnen veroorloven je anders te gedragen dan de andere mensen.
     Ja, die Engelse Lords. Hun namen alleen al zijn excentriek genoeg om een gewone boer, dorper, burger of andere kinkel in de grootste verwarring te storten.

     Neem nu de derde Graaf van Portsmouth (1767-1853). Eigenlijk heette hij John Charles Wallop, en hij was de oudste zoon van John Wallop. Maar zo kon je hen niet noemen. Naar de vader verwees je met de titel ‘Lord Portsmouth’ en naar de zoon verwees je met de titel ‘Lord Lymington’, maar toen de vader stierf werd ‘Lord Lymington’ op zijn beurt ‘Lord Portsmouth’. Zijn broers heetten gewoon Wallop, weliswaar met de rare voornamen Coulson en Newton. Dat is allemaal erg ingewikkeld. Ik zal de derde Graaf hier gewoon John Charles noemen.
     Met die John Charles was van alles mis. Hij leerde niet goed en hij stotterde. Voor dat laatste werd hij door een gespecialiseerde opvoeder aangepakt, en wel zo grondig, dat het met de jonge Lord nooit meer goed kwam. Hij kreeg een vreemde obsessie voor begrafenissen. Op het kasteel moesten zijn bedienden op gezette tijden nepbegrafenissen ensceneren die dan werden bijgewoond door de luid en vals zingende heer des huizes. Ook bezocht hij geregeld slachthuizen. De dieren die op het punt stonden geslacht te worden, keek hij diep in de ogen, en hij voegde hen dingen toe als ‘net goed’ en ‘je verdiende loon’ en ‘dat komt ervan’.

     John Charles is twee keer getrouwd geweest. De eerste keer was dat met een veel oudere vrouw, speciaal door zijn familie uitgekozen zodat hij zeker geen kinderen zou krijgen. De bruidegom was weliswaar impotent, maar je wist maar nooit. De tweede keer werd hem door zijn advocaat een veel jongere vrouw opgedrongen – de dochter van die advocaat. Lord Byron was getuige bij het huwelijk.
     De jonge bruid ontsloeg al de bedienden van het kasteel, verving ze door een reeks handlangers, nam een minnaar, en sloeg haar man met een zweep – een terreurregime dat negen jaar duurde. Dan werd John Charles gered door zijn broer die het huwelijk liet annuleren.
     John Charles heeft zijn hele leven in Hurstbourne gewoond. Hurstbourne ligt, net als de havenstad Portsmouth waar hij zijn naam van kreeg, in het graafschaf Hampshire. Op zekere dag nam John Charles geen genoegen meer met de titel van graaf – van earl eigenlijk – en riep hij zich uit tot Koning van Hampshire. Bij Shakespeare zou hij dus als koning wellicht Hampshire geheten hebben. Niet Wallop, of Lymington, of Portshmouth, maar Hampshire.




dinsdag 26 december 2017

Othman El Hammouchi vs. Hendrik Bogaert?


     Othman El Hammouchi is een achttienjarige filosoof, gelovig moslim en conservatief. Hij is erg slim, heeft veel boeken gelezen van andere erg slimme conservatieven, en als hij een stukje schrijft, kun je daar niet gauw-gauw een redeneerfout in aanwijzen. ’t Is eens wat anders dan de hoofdartikels in onze kranten.
     El Hammouchi heeft zich nu ook bemoeid met het hoofddoekenverbod* van Hendrik Bogaert (CD&V). ’t Is een ‘flagrante aanslag op de liberale rechtstaat,’ beweert El Hammouchi. En in een adem voegt hij eraan toe dat hij zelf ook géén voorstander is van die liberale rechtstaat  – die hij de ‘politieke status-quo’ noemt. Maar hij verwijt Bogaert dat hij niet consequent is en dat hij niet ‘expliciet’ zegt, naar het voorbeeld van de doopformule: ja, ik verzaak de liberale rechtstaat en al zijn werken en al zijn pomperijen.**
     In het tweede deel van zijn stuk gaat Othman in op de kwestie van religieuze symbolen voor publieke ambtenaren***. Hij betoogt dat een verbod daarop strijdig is met de liberale principes. Maar die liberale principes, dat weten we uit de vorige alinea, zijn niet de zijne. Zo’n redeneertrant waarbij je de principes van de tegenstrever tegen hemzelf gebruikt, noemde men vroeger een ‘argumentum ad hominem’****. Je bedient je van argumenten die je zelf niet voor waar houdt maar waarvan je weet dat je opponent dat wel doet. ’t Is een aardig trucje, maar ik van mijn kant probeer er zo weinig mogelijk gebruik van te maken.
     Het argument tegen religieuze symbolen voor ambtenaren heeft El Hammouchi als volgt samengevat: ambtenaren die dergelijke symbolen dragen, laten een afkeuring blijken van mensen wier levensstijl niet strookt met de gesymboliseerde religie. (We kunnen denken aan de homoseksueel die zich moet aanbieden bij een zich als moslima afficherende ambtenaar. Misschien voelt die homoseksueel zijn ‘levensstijl wel in vraag gesteld’.) El Hammouchi weerlegt dat argument met enig succes door erop te wijzen dat afkeuring van een ‘levensstijl’ geen afkeuring van de persoon inhoudt, dat geen enkele ‘levensstijl’ boven mogelijke afkeuring verheven is, en dat, als die afkeuring niet van de ambtenaar komt, dat ze dan toch zal komen van andere burgers ‘[in] de supermarkt of [bij] de bakker’.
     Maar daarmee weerlegt El Hammouchi hoogstens een slordige versie van het argument. De sterkere versie van het argument luidt dat ambtenaren te allen tijde neutraliteit moeten uitstralen zodat vrees voor, of vermoeden van, een partijdige behandeling zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Tegen díe formulering lijkt de weerlegging van El Hammouchi mij machteloos.
     In zijn laatste alinea beweert El Hammouchi dat zijn tegenstanders de drogreden van compositie gebruiken, dat ze de eigenschap van het deel verwarren met de eigenschappen van het geheel. De neutraliteit van de staat in zijn geheel, beweert Hammouchi, komt niet tot stand door de neutraliteit van zijn afzonderlijke ambtenaren. Die komt door tot stand ‘door de neutraliteit van hun dienstverlening’. Maar het verwijt van de drogreden is niet correct. De staat moet inderdaad neutraal zijn in zijn dienstverlening, en die neutraliteit komt – zeker gedeeltelijk – tot stand doordat zijn ambtenaren neutraal zijn in hun dienstverlening. De staat moet ook neutraliteit uitstralen, en die komt – zeker gedeeltelijk – tot stand door de neutrale uitstraling van de ambtenaren.*****


 

* Het stuk van El Hammouchi vind je hier. Het is een antwoord op een stuk van Nick Mertens in Doorbraak (hier). Bogaert stelt voor om ‘grotere en zichtbare’ religieuze tekens te verbieden voor ‘gemeenschappen met meer dan 5 % aandeel van de bevolking’. Dat komt neer op niet veel meer en niet veel minder dan een hoofddoekenverbod op straat.
 
 ** Het verwijt van El Hammouchi is niet helemaal terecht. Bogaert verwerpt wél expliciet de consequente benadering van de liberale rechtstaat. Hij noemt die benadering ‘liberal’ en ‘Amerikaans’ (hier).  Bogaert vindt dat, als de staat de vrije markt mag inperken, die inperking zich ook mag uitstrekken tot de manier waarop we ons kleden. Ik heb een probleem met de twee inperkingen. De kwestie is verder deze: Bogaert en El Hammouchi vertrekken allebei van een ‘communitaristische’ zienswijze. Als je die zienswijze consequent toepast, eindig je met een hoofddoekenverbod in landen met een moslimminderheid en een hoofddoekenverplichting in landen met een moslimmeerderheid.

*** Of de hoofddoek al dan niet een religieus symbool is, is een open vraag. Eddy Daniëls bijvoorbeeld vindt het eerder een politiek symbool (hier).
 
**** Ondertussen heeft het ‘argumentum ad hominem’ de betekenis gekregen van wat vroeger het ‘argumentum ad personam’ heette: de persoon aanvallen in plaats van de argumenten weerleggen.

***** In principe zou de staat zijn neutraliteit tegenover de godsdienst ook duidelijk kunnen maken door zijn ambtenaren nauwkeurig en proportioneel uit alle godsdiensten te rekruteren, ambtenaren die dan allemaal religieuze symbolen dragen van gelijke omvang en uitstraling. Met zo’n voorbeeld zou El Hammouchi zijn beschuldiging van compositiedrogreden staande kunnen houden. Maar dan heb ik nog liever een uniform voor elke ambtenaar.








dinsdag 19 december 2017

Kind van de collaboratie

Reimond Tollenaere, VNV propagandaleider en Untersturmführer
van de Waffen-SS
     Die Jan Tollenaere is me er eentje. Als zoon van Reimond Tollenaere, de in Rusland gesneuvelde propagandaleider van het Vlaams Nationaal Verbond, kwam hij onlangs op de televisie.  Jan is geen volksmenner zoals zijn vader. Nu is hij ook al heel oud, maar je ziet zo dat hij zich ook vroeger niet met dat volksmennen heeft beziggehouden. Eerder een professoraal type: afstandelijk, koel, ironisch. Iemand die zich niet de moeite getroost zich anders of beter voor te doen dan hij is. Nee, hij is niet trots op zijn vader. Maar hij is er ook niet beschaamd over. Ja, hij heeft ‘dat kamp daar in Polen’ bezocht, maar neen, het deed hem niet veel. Het was allemaal zo lang geleden. Nee, hij weet niet of zijn vader in staat zou zijn geweest om de uitroeiing van de Joden, waar hij met zijn woorden mee de weg voor had gebaand, ook met daden waar te maken. Hij dacht het niet, maar je weet maar nooit.
     Alleen als het gesprek op zijn eigen mening over Joden komt, laat Jan zich wat gaan. Hij zou er zelf niet over beginnen, maar als men het hem vraagt, wil hij gerust toegeven dat hij antisemitisch is, ‘niet virulent’, maar toch antisemitisch. Die Joden vindt hij nu eenmaal ‘niet sympathiek’, ‘nare mensen’. Wat later zijn het ‘profiteurs’, zoals hij in zijn professioneel leven heeft kunnen vaststellen. ‘Parasieten’ eigenlijk. Als je Jan even laat doorpraten, wordt zijn antisemitisme bij nader inzien toch stilletjes aan virulent.

     Tot voor die televisie-uitzending had ik nog nooit van Jan Tollenaere gehoord. Maar die Reimond kende ik wel. Die was hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor een zwarte episode in het verleden van mijn vader – waar gelukkig geen bewijzen van bestaan. Dat zit zo. Toen mijn vader zestien jaar was, kwam Reimond Tollenaere spreken in Menen. Dat moet in 1940 of begin 1941 geweest zijn. De Duitsers waren nog op alle fronten aan het winnen en dus trok de Menense bevolking in groten getale naar de plaatselijke bioscoop om de nazigezinde volkstribuun te horen spreken. Mijn grootvader was eigenaar van die bioscoop, waardoor mijn vader gratis binnen kon, samen met zijn tante die amper twee jaar ouder was.
     Wat die Tollenaere toen allemaal gezegd heeft, weet mijn vader niet meer. Iets over ‘volksverbondenheid’ wellicht, of over de ‘nationale orde’, of misschien over de ‘socialistische gemeenschap’, want ook daar stond het Vlaams Nationaal Verbond voor. Wat mijn vader wel nog heel goed weet, is wat er op het einde van de redevoering gebeurde. Iedereen sprong overeind en stak een gestrekte rechterarm omhoog. Er werd ook luid geroepen. Misschien wel: Vlaanderen! Hoezee! – of Vliegt den blauwvoet! Storm op zee! In elk geval iets van die strekking.
     Mijn vader en mijn oudtante bevonden zich achteraan op de balkonverdieping, maar zo blijven zitten terwijl iedereen overeind sprong durfden ze toch niet goed. Ze kwamen mee overeind en staken net als iedereen een gestrekte rechterarm omhoog. Roepen deden ze niet, alleen de lippen bewegen, zoals ik doe als in de kerk hardop gebeden wordt. Naast mijn vader, eveneens met gestrekte rechterarm, stond Oscar Debunne, die toen student in de Rechten was, en later volksvertegenwoordiger en ideoloog van de Belgische Socialistische Partij werd. Ik heb nog een boekje uit 1977 van hem liggen: ‘Socialisten, wat ze zijn en wat ze willen’. Soms lees ik daar enkele bladzijden in.

zaterdag 16 december 2017

Barslecht economisch nieuws

     De regering krijgt een goed rapport van de Nationale Bank: minder belastingen, kleiner begrotingstekort, stijgende koopkracht. Het mooist zijn de cijfers van de werkgelegenheid. Er zijn dit jaar in ons land  69 000 banen bijgekomen. En ’t schijnen echte jobs te zijn, en geen gesubsidieerde baantjes zoals die van Guy Spitaels indertijd, die werden gefinancierd met belastinggeld van de burger. Dat was eind de jaren zeventig als ik mij goed herinner.
     Zo’n rapport van de regering, mag je niet vergelijken met het rapport van een leerling na de kerstexamens. De goede of slechte cijfers die daarop staan, zijn bijna uitsluitend te danken of te wijten aan twee oorzaken: aanleg en ijver. En als er op dat rapport ook een klasgemiddelde staat, eventueel aangevuld met een standaarddeviatie, is het ook niet moeilijk om uit te maken of de cijfers goed of slecht zijn.
     Maar die ‘economische projecties’, daar kun je alle kanten mee uit. Het halfvolle glas van de regeringspartijen zal al meer dan halfleeg zijn als ik de samenvatting ervan in De Nieuwe Werker lees. En dan is er nog de vraag of de gunstige resultaten van het rapport het gevolg zijn van het regeringsbeleid, dan wel van iets anders: de internationale conjunctuur, het stilvallen van de vluchtelingenstroom, de regeringsformatie in Nederland, de koers van de bitcoin, of de hevige rukwinden van het voorjaar? De Nationale Bank zelf schrijft dat het ‘weinig twijfel [lijdt] dat die jobcreatie is aangedreven door de recente beleidsmaatregelen.’ Maar is dat genoeg om een rode redacteur van De Nieuwe Werker te overtuigen? Is het genoeg om Paul de Grauwe te overtuigen?
     Wat er ook van zij, de groeiende tewerkstelling is een hoopgevende geschiedenis. 69 000 extra jobs in 2017, en nog eens 54 000 in 2018 en 38 000 in 2019. De toekomst is stralend. Maar wacht! 69 000 – 54 000 – 38 000. Dat is wel een stijging, maar eigenlijk ook een daling. De stijging van het aantal jobs wordt minder waardoor er een daling is van het aantal jobs dat erbij komt. Een daling van de stijging. Daar zit een krantenkopje in, maar hoe formuleer je dat nu?

     Op www.standaard.be heeft een redacteur het antwoord gevonden. ‘Jobgroei staat onder druk.’ Potverdriedubbeltjes. Toch weer slecht nieuws.

vrijdag 8 december 2017

Over kernenergie, al ben ik geen ingenieur

     Op de voorpagina van Het Nieuwsblad lees ik het dat N-VA het energiepact ‘opblaast’. Dat is krachtig verwoord, maar alles kan beter, zoals bewezen wordt op bladzijde zes. Daar heet het dat N-VA ‘een atoombom plaatst’ onder de kernuitstap. Nu komen we in de buurt. Als die ‘atoombom’ van bladzijde zes ook nog wordt ‘opgeblazen’ zoals op bladzijde één, kunnen we de jodiumpillen beter in de buurt houden.
     Wie op de redactie aan die hysterische taal niet meedoet, is Pieter Lesaffer. ‘Je hebt minstens een ingenieursdiploma nodig’, schrijft hij in zijn commentaar, ‘om deze discussie met rationele elementen te beslechten.’ Nu kun je van mij veel zeggen, maar niet dat ik ingenieur ben. Toch heb ik mij in het verleden wel eens tot een discussie over kernenergie laten verleiden, zonder mij om rationele elementen te bekommeren. In 1980 wilde mijn universiteit, de KULeuven, een eredoctoraat toekennen aan Norman Rasmussen, een Amerikaanse professor die ingewikkelde berekeningswijzen had uitgevonden om de veiligheid van kerncentrales te beoordelen. Dat vond ik op zich al schandalig. Bovendien was hij tot de conclusie gekomen dat het met die veiligheidsrisico’s nogal meeviel. Dat vond ik zo mogelijk nog erger. Ik hield als studentenvertegenwoordiger in de Academische Raad een een klein toespraakje tegen het eredoctoraat voor die pro-kernenergieprofessor. Rector Piet de Somer lachtte mij uit in mijn gezicht. ‘Kom,’ zei hij, ‘we gaan over naar het volgende agendapunt.’
     Sinds die dagen in de Academische Raad ben ik tot betere inzichten gekomen. Ik volg nu Pieter Lesaffer. De veiligheid van kerncentrales is iets voor ingenieurs, en niet voor leken zoals ik. Wel zijn de ingenieurs die ik ken toevallig allemaal voorstanders van kernenergie, maar daar wil ik niet te veel gewicht aan toekennen. Zolang ik de veiligheid van zo’n derde generatie thoriumreactor niet eigenhandig kan berekenen, doe ik er beter het zwijgen toe. Zelfs het begrip halfwaardetijd kan ik niet correct gebruiken, tot grote wanhoop van mijn lieve collega van fysica.
    Maar ik volg Pieter nu ook weer niet overal. Kernergie, schrijft hij, is een eindig verhaal, en dus kun je er maar beter zo snel mogelijk mee stoppen. Waarom zo snel mogelijk, denk ik dan. Wij zijn allemaal eindige verhalen, en toch willen we er graag nog even mee doorgaan. Misschien is kernenergie inderdaad een eindig verhaal. Dat kan. Misschien zal kernenergie in de toekomst wel degelijk worden afgelost door een alternatieve energiewinning die schoner, veiliger, betrouwbaarder en goedkoper is. Maar dat zegt weinig over de snelheid van die aflossing. Het is niet omdat Apple een iPhone X uit heeft, dat het ‘zo snel mogelijk’ moet ophouden met de productie van iPhone 6, 7 of 8. Die uitfasering komt er, maar het is een hele discussie om te beslissen wanneer die begint en hoe lang die duurt. Om Lesaffers woorden te gebruiken: je moet minstens een handelsingenieur zijn om die discussie met rationele argumenten te beslechten.

     Lesaffer beweert nog meer rare dingen. ‘Er staan investeerders en een hele industrie klaar om de energie van ons land vorm te geven. Maar dan hebben zij wel een stabiel kader nodig.’ Ja, dat zou leuk zijn, zo’n stabiel kader. Je wil wel investeren, op voorwaarde dat je belangrijkste concurrent – de kernenergie – door een politiek ‘energiepact’ is uitgeschakeld. Dan is het niet moeilijk om naast de veiligste en de schoonste ook de betrouwbaarste en de goedkoopste energie te produceren. Als je ongeveer de enige bent, ben je zeker de betrouwbaarste en de goedkoopste. Maar hóe betrouwbaar en goedkoop dat zal zijn, is een heel andere kwestie.
     Wie daar bijvoorbeeld geen goed oog in heeft, is het bedrijfsleven. Lesaffer schrijft dat ‘een deel van het bedrijfsleven’  graag de kernenergie nog wat aanhoudt, terwijl ‘de rest van het bedrijfsleven’ daar tegen is. Het moet omgekeerd zijn, geloof ik. Een welbepaald deel van het bedrijfsleven wil van de kernenergie af – dat is het deel dat zelf groot wil worden door  alternatieve energie te produceren. De ‘rest’ van het bedrijfleven – alle bedrijven die geen energie produceren, maar wel verbruiken –  is bang dat de nieuwe energie véél en véél duurder zal zijn, en minder betrouwbaar.
     Ik geloof dat mijn belangen als verbruiker hier samenvallen met die van de ‘rest’ van het bedrijfsleven.

dinsdag 5 december 2017

Gewetensnood om Sinterklaas

Luns (links) en Bomans als Sinterklaas (rechts)
     Van Godfried Bomans heb ik alle stukjes meermaals gelezen, behalve die over Sinterklaas. Die vind ik kinderachtig. Ik heb nochtans in Sinterklaas geloofd tot in het derde leerjaar. Toen meester Bernard in de godsdienstles zei dat er in de moderne tijden geen mirakels meer gebeurden – het was de tijd van het tweede Vaticaans Concilie –  wees ik hem op het jaarlijkse wonder van de schoorsteen. Daar wist onze meester niet zo gauw een antwoord op. In de klas waren gelovige kinderen zoals ik, en ongelovige, die al door hun ouders waren ingelicht. Wat moest je nu als meester zeggen als je niemand wilde kwetsen?
     Dus gelóven deed ik. Maar geloven is één ding, en respecteren is een ander. Gerespecteerd heb ik Sinterklaas nooit. Ook toen ik nog in hem geloofde, vond ik hem een potsierlijke verschijning, en zijn knecht Zwarte Piet ook. Goed, de man was heilig, en hij had kinderen weer tot leven gewekt die eerder in stukken waren gesneden en ingezouten, en dat kon niet iedereen. Maar ik had meer ontzag voor Romeinen, ridders, zeerovers en musketiers, zoals ik die kende van de films, en waarvan mijn tante nochtans beweerde dat ze níet echt waren. Die films waren maar prentjes, zei mijn tante telkens weer.

     En zo komt het dat ik rond deze tijd van het jaar in gewetensnood verkeer. Ik lees dan hier en daar een stukje van de anti-Zwarte-Piet-club. In die club heeft zich het meer kinderachtige deel van de anti-racistische beweging verzameld. Een moeder denkt met pijn in het hart terug aan die keer toen haar zwarte zoontje schreiend thuiskwam van school. Sinterklaas was op bezoek geweest, herinnert ze zich, en zijn vriendjes hadden gevraagd of hij ook zo stout was als Zwarte Piet. Mens, denk ik dan, raap jezelf bij elkaar. Dat een kind voor zoiets schreit is niet ongewoon, maar daarom moet jíj nog niet beginnen janken.
     Of ik lees van een freelance journalist die in Taiwan – of all places – te horen kreeg dat Zwarte Piet ons koloniale verleden symboliseert.* Voor die journalist is dat aanleiding om daar enkele alinea’s lang over te zaniken. Het is door die kolonies van vroeger, beweert hij, dat we nu ‘extreem rijk’ zijn.  Och jongen, vloek ik stilletjes, kijk eens om je heen, daar in Taiwan. Daar zijn ze ondertussen toch ook flink rijk en ze hebben géén koloniaal verleden. Die rijkdom heeft alles te maken met de productiviteit van nu, en heel weinig met de rooftochten van toen.

     Ik zou op die stukjes willen antwoorden, maar iets houdt me tegen. Als ik antwoord, is het alsof ik de verdediging op mij neem van die hele zes-decembertraditie, en ik eet nog liever mijn hoed op. Zeg ik evenwel niks, dan lijkt het alsof ik mij laat afdreigen door flauwe moeders en door freelance journalisten. Wat moet ik doen? Ik zou aan Sinterklaas raad kunnen vragen, maar die doet daar niet aan, geloof ik. Marsepein en speculaas en zo, dat is meer zijn ding. En die lust ik niet.


* Het stuk van freelance journalist Jeroen Deckmyn verscheen op de radicaal-linkse site van De Wereld Morgen. Het begint met een aardige taalkundige uitweiding over de vraag : hoe vertaal je Zwarte Piet in het Chinees? Leuk. Ook vertelt de journalist over zijn verleden. Dat hij vroeger moest lachen met naïeve Amerikanen die in Zwarte Piet een racistisch symbool zagen. Voor een stuk in De Wereld Morgen, vond ik dat allemaal op een verrassend menselijke toon verteld. Daarna wordt het iets minder.

zaterdag 2 december 2017

De hoed van Beethoven*

     Van Beethoven bestaat een beroemde foto waarop hij aan het wandelen is op een pad tussen het struikgewas. Natuurlijk is het geen echte foto, want Beethoven stierf in 1827 en de eerste foto dateert pas van 1831. Het gaat hier dus om een schilderij, en wel van een zekere Julius Schmid. Het schilderij is geloof ik verloren gegaan, maar er zijn tijdig zwart-wit ansichtkaarten van gemaakt. Je zou zweren dat daarop een grofkorrelige foto staat afgedrukt.
     Wat mij aan de afbeelding boeit, is de hoed die achter de jonge toondichter aan zweeft. Je ziet ook een wandelstok, en die heeft hij stevig in de onzichtbare linkerhand. Maar die hoed, dat is een andere zaak. Die volgt de wandelaar op een zekere afstand. Misschien heeft de hoed wel een kinkoordje en heeft de getormenteerde componist dat koordje aan zijn gekromde rechterwijsvinger gehaakt.
     Negentiende-eeuwers worden vaker afgebeeld met de handen op de rug, en met in die handen een wandelstok en een hoed. Die hoed hield je als vooruitziend man best bij je, want je weet nooit wanneer je door een regenbui overvallen wordt. Maar als ondertussen het zonnetje schijnt, mag die hoed wel even van het hoofd, zonder daarbij de elegantie uit het oog te verliezen. ’t Is een wankel evenwicht waarbij enig overleg gepast is.

     Uit de iconografie blijkt dat er twee scholen hebben bestaan. Je hebt de school-Thackeray, wiens leerlingen de hoed en stok in één hand houden, de rechter, en de school-Schopenhauer die op beide handen inzet – waardoor de stok ten volle zijn ondersteunende werking kan laten gelden.
     Als ik nog eens nog eens naar een kostuumfilm kijk, zal ik erop letten hoe de heren hun hoeden dragen. Op het hoofd is goed, maar hier en daar mag er ook een heer rondlopen met de hoed op de rug. Dat heeft wel iets.


 
Thackeary door F. Walker en Schopenhauer door W. Busch

* Soms mag ik wel eens een stukje aan hoofddeksels wijden, zoals hier, hier, hier en hier.

donderdag 30 november 2017

Klasgemiddeldes op het rapport

Deze school - mijn school - behoort niet tot het GO!
     Soms wind ik mij op over niets.
     In Het Nieuwsblad van vandaag las ik dat het GO! zijn scholen aanraadt om geen gemiddeldes of medianen meer op het rapport te vermelden. Leerlingen zouden zich slechter voelen als ze zich met elkaar vergelijken, zei een woordvoerster. Ik begreep waar ze naartoe wou. Als een leerling vaststelt dat zijn punten onder het mediaan liggen, en die kans is bijna vijftig procent, dan komt zijn ‘welbevinden’ in het gedrang.
     Nu dat weer, dacht ik. Gelukkig heb ik met dat GO! niets te maken.
     ’s Avonds kwam het item op het Nieuws van vtm. En wie zie ik daar op het scherm verschijnen? Mijn eigen directeur – van het Sint-Ursula-Instituut. Dat die gemiddeldes in zijn instituut al lang waren afgeschaft, zei hij, al was het dan een nonnenschool. Zo’n mediaan zei niets over de individuele prestatie van de leerling.
     Dus – die medianen wáren bij ons al afgeschaft, en ik had er niets van gemerkt. Plots leek het allemaal zo erg niet meer.


                ‘De aarde was niet uit haar baan gedreven
                 en ’t huis was overeind gebleven’.

      ’t Systeem zonder gemiddeldes heeft trouwens ook zijn goede kant. Leerlingen met slechte resultaten moeten niet meer komen aanzetten met het excuus van een laag klasgemiddelde. De toets was veel te moeilijk meneer. Kunnen we geen hertoets krijgen? Of iedereen twee punten extra? Die krijgen zij nu niet meer.

woensdag 29 november 2017

Meertalig in de klas - Wetenschap en gezond verstand

      De voorstanders van ‘meertaligheid in de klas’, zoals de mensen van GO!, verwijzen graag naar wetenschappelijk onderzoek dat hun stelling bewijst: als je Arabisch in de klas toelaat en bevordert, zullen Marokkaantjes sneller en beter Nederlands leren. Een jonge collega van mij, een bioloog, vindt dat je dergelijk wetenschappelijk onderzoek niet zomaar kunt wegzetten als een aprilgrap. Wat ik daarvan vond?
      Mja. Met wetenschappelijk onderzoek is het volgens mij gesteld als met het oversteken van een straat: je moet goed uitkijken, en wel naar de twee kanten. Links, want – wat is wetenschap? Rechts, want – wat is onderzoek? Bedoelt men met ‘wetenschap’ zoiets als fysica, scheikunde en biologie, of worden ook de geesteswetenschappen erbij gerekend. En vooral als het over die laatste gaat – maatschappijkunde, zielkunde of opvoedkunde – wil ik graag weten hóe de onderzoekers te werk zijn gegaan: heeft men proefpersonen testjes laten afleggen, wisten die proefpersonen dat ze een testje aan het afleggen waren, heeft men aan proefpersonen gevraagd hoe ze zich voelden, heeft men feitelijke resultaten gemeten?

     Mijn eigen indruk is dat de strenge wetenschappen altijd rare conclusies opleveren. Een licht voorwerp en een zwaar voorwerp vallen even snel naar beneden. Huh? De aantrekkingskracht van de maan zorgt ervoor dat het zeewater op aarde stijgt aan de kant die naar de maan gericht is, én tegelijk ook aan de kant die van de maan verwijderd is. Nee maar! Bij zoiets springt mijn gezond verstand op nul. Voorwerpen, zeewater en manen zijn duidelijk van ander materiaal gemaakt dan mijn verstand – gezond of niet.
     Anders is dat bij de geesteswetenschappen. Daar wil mijn gezond verstand graag een woordje meepraten. Het behoort immers ook tot de wereld van de geest. Het gedrag van mensen, en wat hen drijft, daar weet déze mens wel iets van af, vooral als het gaat om domeinen waar zelfbedrog niet veel voordeel biedt. En zo helemaal fout ben ik dan meestal niet. Als ik soms iets lees van een ernstige geestenswetenschapper, dan staan daar weinig dingen in waar mijn gezond verstand iets anders over te vertellen heeft, zoals dat wel het geval is als het over de zwaartekracht en de normaalkracht gaat.*
     Gebeurt het dan toch dat een geesteswetenschappelijke studie iets anders beweert dan mijn gezond verstand en mijn ervaring mij ingeven, dan krijg ik argwaan. Ik geef toe dat ik het zelf bij het verkeerde eind kan hebben, maar door mijn slechte karakter ben ik desondanks geneigd om de fout bij de studie te zoeken. Of misschien liever nog bij de manier waarop de studie in de populaire pers werd samengevat.
     Zo was er onlangs een studie over aanstrepen met een markeerstift. Het hielp niet bij het studeren, zei de studie. Nou breekt mijn klomp, dacht ik. Bij mij heeft die markeerstift altijd geholpen. Hoe kan dat nu? Achteraf las ik hóe de studie was verlopen. Met had aan twee groepen studenten gevraagd om woordenlijsten te memoriseren. De ene groep beperkte zich tot aanstrepen van woorden, terwijl de andere groep een intensievere leermethode gebruikte. En die eerste groep had minder woorden gememoriseerd. Ja, dàt kon mijn gezond verstand weer wél aanvaarden.
     Vorige week stond iets in de krant over ‘zwarte’ basisscholen die evengoed voorbereidden op het middelbaar onderwijs als ‘witte scholen’. Hoe is dat nu mogelijk, vroeg ik mij af. Het stond allemaal in een doctoraat van Griet Vanwynsberghe en op het internet kon ik de ‘abstract’ raadplegen. Die maakte mij niet veel wijzer. Het volledige doctoraat kon ik niet opvragen en ik zou dat geleerde geschrift waarschijnlijk toch niet begrepen hebben. Gelukkig botste ik op een facebookpost van een andere doctor, Jeroen Lavrijsen, die dat doctoraat voor mij gelezen had. Het kwam hierop neer, schreef hij, dat men witte en zwarte basisscholen van gelijke effectiviteit vergeleken had. Of, om het nog anders te zeggen, men had witte en zwarte scholen vergeleken, en de verschillende effectiviteit had men uit de vergelijking weggezuiverd. Men had, zoals statistici dat noemen, de effectiviteit ‘gelijk gehouden’. Kijk, daar kon ik met mijn gezond verstand wel weer bij. Dat twee even goede basisscholen evengoed voorbereiden op het middelbaar, dat had ik altijd al geloofd, en nu was het bewezen.**

       Van een krant kun je natuurlijk niet vragen dat hij alle nuances juist heeft. Iets anders wordt het wanneer men discussieert. Wie zich in een discussie beroept op wetenschappelijk onderzoek, en óver dat onderzoek zelf niets zegt, is naar mijn smaak een beetje onbeleefd. Het minste wat zo iemand kan doen, is de methode en de besluiten van het onderzoek heel kort samen te vatten zodat de gesprekspartner zelf kan beoordelen of dat onderzoek iets van waarde toevoegt aan de discussie. Als die toegevoegde waarde er niet is, hebben we niet alleen te maken met een gezagsargument, maar tegelijk ook met een non sequitur
     Thuistalen in de klas helpen om het Nederlands van de kinderen te verbeteren, zeggen studies. Mijn gezond verstand steigert. Als ik op een Spaanse cursus in het buitenland de Vlamingen opzoek en met hen mijn thuistaal Nederlands spreek, dan stagneert mijn Spaans. Zoek ik een groepje op waar men Spaans spreekt, dan verbetert mijn Spaans. Waarom zou dat met een Marokkaans of Turks kind anders zijn? Dus: hoe minder een kind Turks en Marokkaans spreekt, en hoe meer het kind Nederlands spreekt, hoe sneller zijn Nederlands verbetert. Oefening baart kunst.
     En die wetenschappelijke studies dan? Die bestaan wel, geloof ik. Misschien zijn ze zelfs tot de volgende besluiten gekomen

  1. Kinderen die gestraft worden omdat ze thuistaal gebruiken, vinden dat niet leuk;***
  2. Marokkaantjes die wiskunde-uitleg krijgen in het Arabisch, begrijpen sneller wiskunde;
  3. Marokkaantjes die taalvaardig zijn in het Arabisch, leren sneller Nederlands dan Marokkaantjes die hun thuistaal slecht beheersen;
  4. Marokkaantjes op scholen waar extra inspanningen worden gedaan om hen iets extra bij te leren, al was het Arabisch, zullen ook op andere terreinen betere resultaten boeken, zelfs voor Nederlands.
 
     Als die studies bestaan, en ze zijn tot die besluiten gekomen, dan is daar niets bij wat ik zonder meer als een aprilgrap beschouw. Op een goeie dag wil ik dat allemaal voor gangbare munt aannemen. Maar geen enkele van de conclusies lijkt mij een argument te zijn voor Arabisch of Turks in de klas. De straffen (1) zijn een argument om een beetje redelijk met de kinderen om te gaan. De betere wiskunde (2) is een voorbeeld van kortetermijndenken. Op langere termijn zijn de leerlingen beter af met goed Nederlands zodat ze wiskunde ook in díe taal kunnen volgen. En het betere Arabisch (3, 4) zijn geen argument om de kinderen onder elkaar hun thuistaal te laten spreken; het is een argument om lessen Arabisch aan te bieden, wat geloof ik in Scandinavische landen ook gebeurt.
     Kunnen extra lessen Arabisch een hulp zijn om beter Nederlands te leren? Ik geloof het wel. Kinderen leren ook beter Nederlands door Latijn en Grieks te leren. Maar we moeten het anders bekijken. Stel, je krijgt als school vier uur extra. Je verdeelt je jonge Marokkaantjes in twee groepen. De enen krijgen vier aanvullende uren Nederlands en de anderen vier aanvullende uren Arabisch. En dan kijk je welke groep het meeste vooruitgang boekt. In het Nederlands bedoel ik.
     Zou dàt wetenschappelijk onderzoek al eens gebeurd zijn?
 
 __________
 
* Geesteswetenschappelijk onderzoek kan mij wel iets leren over tegenstrijdige tendenties. Ik heb graag veel geld en veel vrije tijd, en ik vermoed dat dat bij veel van mijn medemensen ook het geval is. Een studie over deeltijds werk kan mij dan bijvoorbeeld laten zien welke van de twee tegenstrijdige tendenties bij de meeste mensen het zwaarste doorweegt.
 
** Wat natuurlijk niet belet dat de studie ook andere minder vanzelfsprekende dingen heeft aangetoond.

 *** Ik betwijfel of dat straffen vaak gebeurt. Misschien worden sommige opgeschoten jongens wel eens gestraft omdat ze tegen het uitdrukkelijke verzoek van een leraar of lerares hun thuistaal blíjven spreken. Dat is iets anders, lijkt mij.