woensdag 15 november 2017

#MeToo en koningin Victoria


     Mannen zijn snel verongelijkt en vrouwen voelen zich snel aangevallen. ’t Omgekeerde geldt even goed. Een zekere bitterheid tussen de twee geslachten heeft altijd bestaan. ‘Ongebonden best, weeldig wijf zonder man,’ dichtte Anna Bijns*,  en de onbekende maar vermoedelijk mannelijke auteur van Karel ende Elegast  had daarvoor al geschreven “Vrouwenlist es menechfout, sijn si jonc oft sijn si out.’ De vijandelijkheden gaan dus al minstens terug tot de middeleeuwen. En zoals dat bij andere confrontaties het geval is, ontwikkelt zich in de oorlogvoerende kampen een solidariteit onder de strijders, een ‘esprit de corps’. Je merkt het aan de gekste dingen.
     Lees je bijvoorbeeld een levensbeschrijving van een Franse schrijver – Hugo, Dumas –, geschreven door een Franse biograaf** – Decaux, Troyat –, dan valt het op hoe die biograaf vanaf de zijlijn zijn held staat aan te moedigen bij elke amoureuze onderneming. Overspel wordt toegejuicht, bedrogen echtgenoten zijn dom, en veroverde vrouwen moeten achteraf niet zeuren als de literaire minnaar hen beu wordt en laat zitten. ‘Dumas had grote behoefte aan afwisseling,’ lezen we dan. Ook maken die biografen zich grote zorgen als de vrouwen of minnaressen na enige tijd in gewicht aankomen. De biograaf neemt zoiets persoonlijk en schrijft dan dingen als ‘de vrouw van Hugo werd belachelijk dik.’ Dus …
     Franse biografieën zijn vaak in de ‘vie romancée’ stijl geschreven - veel vraagtekens, veel uitroeptekens, en een lezer die persoonlijk wordt aangesproken. Daar hoort ook de fameuze ‘style indirect libre’ bij.  ‘Belle en Dumas,’ schrijft Troyat, ‘zijn al té lang samen! De gewoonte der lichamen ontmoedigt de begeerte. Alleen een nieuw lichaam, een nieuwe ziel, een nieuwe liefkozing belet dat een man vastroest.’ Wat moeten we nu aan met zo’n commentaar over de vastroestende man? Is dat nu wat Troyat ervan denkt, of wat Troyat zich inbeeldt dat Dumas ervan denkt? Of heeft Troyat die woorden misschien in een dagboek of een brief aangetroffen? Er heerst een flou artistique, maar in elk geval krijg je de sterke indruk dat Troyat en Dumas het over veel dingen eens zijn.
     De medeplichtigheid van de biografen gaat ver. Tijdens een Italiëreis ontmoet Dumas de mooie operazangeres Caroline Ungher. Hij probeert zich aan haar op te dringen in haar kleedkamer, maar wordt op een afstand gehouden. Caroline is verloofd, staat op het punt te trouwen en wil niets van de Franse schrijver weten. Wat later echter zijn door omstandigheden Dumas, Caroline en haar verloofde samen aan boord van een schip. Er steekt een storm op en de drie schuilen onder een tent. De verloofde wordt zeeziek en begeeft zich naar buiten. Over wat volgt is de biograaf erg enthousiast: ‘Dumas drukt Caroline tegen zijn krachtige mannenborst … en bewijst haar, snel maar hevig, welke hartstocht zij in hem opwekt.’ In dezelfde bouquetreeksstijl, maar uitgebreider, beschrijft Decaux hoe Victor Hugo ‘de weerstand overwint’ van de getrouwde bergbeklimster  Leonie d’Aunet.
     Hugo en Dumas waren natuurlijk roofdieren, en Decaux en Troyat waren académiciens, wat bij mij het beeld oproept van oude snoepers. Maar neem nu de Franse schrijver Julien Benda. Dat was een groot pleitbezorger van rationaliteit en ascetisme. En wat schrijft de halve académicien Etiemble over hem? Ja, hij geeft toe dat de strenge filosoof weinig aandacht had voor lekker eten. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘zijn kleine gestalte belette hem niet succes te hebben bij de vrouwen. Kent u iemand die gedurende twee jaar slaapt met een dame zonder haar naam te kennen.’ Nu ben ik ook slecht in het onthouden van namen, maar ik vind dat niets om over op te scheppen. Waarom is Etiemble dan zo opgetogen?

Caroline Ungher
     Die geestdrift voor andermans seksuele successen illustreert heel fraai de ‘esprit de corps’ van mannen onder elkaar. Je ziet die trouwens ook bij sommige mannelijke reacties op de recente #MeToo-beweging. ‘Vrouwen zijn ook niet altijd heilige boontjes.’ ‘Vrouwen lokken het zelf uit.’ ‘Vrouwen moeten maar leren van zich af te bijten.’*** Dat zijn allemaal giftige pijlen afgeschoten naar de overkant.
     Maar bij die reacties is vaak ook een andere beweegreden te onderscheiden: de angst voor een nieuwe Victoriaanse tijd. Die tijd had, geloof ik, twee gezichten. De preutse zeden tijdens het bewind van Victoria hebben er ongetwijfeld toe bijgedragen dat meisjes en vrouwen uit alle klassen met meer respect werden behandeld. Dat was de aangename kant van die tijd. Types als Dumas en Hugo moesten zich in Engeland een beetje gedragen. Het mannelijke roofdier werd aan banden gelegd. Mr. Hyde werd onder strikte supervisie geplaatst en de goede Dr. Jekyll deed beleefd zijn hoed af voor de dames. Anderzijds weten we dankzij statistisch onderzoek en dankzij The French Lieutenant’s Woman dat ‘your Victorian gentleman could look forward to 2.4 fucks a week’, weliswaar niet met ‘dames’ maar met prostituees. Die laatsten profiteerden heel wat minder van de Victoriaanse zelfbeheersing.
     Bij nader inzien geloof ik eigenlijk niet dat we ons zorgen moeten maken over een nieuwe Victoriaanse tijd. De slingerbeweging van losbandigheid naar preutsheid en omgekeerd, wordt door diepere krachten aangedreven dan door een twittercampagne. #MeToo heeft diepe wortels in de links-progressieve beweging – niet alleen daar natuurlijk, maar toch. Die links-progressieven zullen de ‘verworvenheden van mei ’68’ en van de ‘seksuele revolutie’ niet zó snel opgeven. Ik herinner mij een affiche van een Zweedse progressieve  partij met het opschrift: Nee aan pornografie! Ja aan naaktheid en seks! ’t Is een beetje aandoenlijk en humorloos, maar écht Victoriaans kunnen we het niet noemen.
     Wat we wél zullen krijgen door #MeToo – wat we altijd krijgen – is: meer bureaucratie. Meer vertrouwenspersonen, meer reglementen, meer afspraken, meer opleidingen, meer studies, meer statistieken. Daar zullen miskleunen bij zijn zoals die ‘gedragscode’ voor Amerikaanse studenten die bij elke nieuwe stap van een vrijpartij toestemming moeten vragen aan hun partner. Maar ach, wie zal het controleren of zo’n student of studentin zich daaraan houdt? En ja, sommige hitsige mannen zullen zich wat kalmer gedragen in woord en daad. Hoeveel dat er zullen zijn, weten we niet en hoeveel kalmer ze zich zullen gedragen, weten we ook niet. Maar alle beetjes helpen.
 
­­­­­_______________

 
* Zij dichtte overigens ook: ‘Ongebonden best, weeldig man zonder wijf’.
** Die geestdrift voor andermans seksuele successen vind ik minder terug in Engelse biografieën. Een nawerking van de Victoriaanse terughoudendheid?

*** Die laatste reactie hoor je ook bij sommige vrouwen. Ze is perfect verklaarbaar vanuit de vrouwelijke ‘esprit de corps’. Vrouwen die niet ‘van zich afbijten’ zijn in die gedachtegang een soort deserteurs. Daar kun je geen oorlog mee voeren.

zondag 12 november 2017

Ongewenst uitkleden met de ogen

     Ongewenst seksueel gedrag beperkt zich niet tot lustmoord, verkrachting en ‘grabbing by the pussy’ – zoals de vijfenveertigste president van de Verenigde Staten dat ooit zo ruw verwoordde. Een toevallige hand op een knie, een dubbelzinnige opmerking, een schunnige sms, kunnen in een bepaalde samenhang erg ongewenst zijn. ’t Hangt er een beetje van af.
     Ik denk soms terug aan de tijd toen we nog in de buurt van het Brusselse Noordstation woonden. Mijn vrouw werd toen op straat wel eens aangeklampt met de vraag: ‘Madame, combien?’ Dat was denkelijk niet bedoeld als vernederende commentaar maar eerder als een eerlijke informatieve vraag van een gastarbeider die onze prijzen niet goed kende. Toch had de hele situatie voor mijn vrouw iets wat je gerust ‘ongewenst’ had kunnen noemen.
     Ondertussen lees je vooral over het ‘ongewenste gedrag’ op het werk. Het nieuwe woord is geloof ik ‘grensoverschrijdend gedrag’. Volgens een studie van het idewe* kreeg 9,2 procent van de werkneemsters – en 6,2 procent van de werknemers – er vorig jaar mee te maken. In meer dan vier op vijf van de gevallen ging het om ‘ongewenst oogcontact’ en om ‘uitkleden met de ogen’. Ik weet precies wat met dat laatste bedoeld wordt, en ik weet dat al heel lang.
     Oudere lezers zullen zich het begin herinneren van de meeslepende film Gone With the Wind. Er is een feest bij de buren van Twelve Oaks. Scarlett snelt de trap op met een vriendin en blijft plots staan. Ze kijkt naar beneden. Aan de voet van de trap staat en man met een glas in de hand en een brede glimlach op het gezicht. ‘Who’s that,’ vraagt Scarlett, ‘that man looking at us and smiling – that nasty, dark one. He looks as if – as if he knows what I look like without my shimmy!’
     De breed glimlachende man – je raadt het al – is Rhett Butler. En zijn blik is inderdaad heel bijzonder. Hij kijkt niet alleen alsof hij weet hoe Scarlett eruit ziet zonder hemdje. Hij kijkt vooral alsof hij precies weet wat hij met een Scarlett zonder hemdje aanmoet.
     En nu is uit een studie gebleken dat 7,8 procent van de werkneemsters gedurende het laatste jaar zich minstens één keer aangekeken voelde als Scarlett O’ Hara.




* Een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

zaterdag 11 november 2017

Flirterig gedrag jegens actrices

Melanie Waldor - Geen actrice, maar later schreef ze wel toneelstukken
     Flirterig gedrag jegens actrices heeft velerlei nadelen. Voor je het weet gaat de actrice in op je avances, heb je een minnares op je schoot en waar sta je dan? ’t Kost in elk geval veel geld, zoals Alexandre Dumas ondervonden heeft.
     Als jongen had Alexandre Dumas altijd geldnood gekend. Vader vroeg gestorven, moeder een tabakswinkeltje, hijzelf een slecht betaald baantje als notarisklerk. Ten slotte kon hij een betrekking versieren als kopiïst en dan nog wel aan het hof van de hertog van Orléans. Voor een zuinige jongeman met bescheiden behoeftes had dat kunnen volstaan. Maar ‘zuinig’ en ‘bescheiden’ zijn twee woorden die niet zo goed aansluiten bij de persoonlijkheid van Dumas.
     Dumas had van jongs af aan literaire ambities. Op zijn zevenentwintigste schreef hij het succesvolle toneelstuk Henri III et sa cour. Zo kon hij eindelijk écht geld verdienen. Maar daarmee waren de financiële problemen niet van de baan. Hij trad nu immers ook binnen in de wereld van kunst en literatuur, en vooral ook in de ‘demi-monde’, de libertijnse ‘halve-wereld’ die met kunst en literatuur, en vooral met theater verbonden was. Als je je met de ‘demi-monde’ inliet, dat was bekend, en flirterig gedrag vertoonde jegens de  mooie ‘demi-mondaines’, dan mocht je waarlijk geen duitenkliever zijn, of je moest Victor Hugo heten.
     Vóór zijn literaire succes had Dumas met zijn moeder een appartementje betrokken, terwijl hij tegelijk de huisvesting van zijn afgedankte minnares Laure Labay en hun beider zoontje Alexandre, bekostigde. Maar ná zijn literaire doorbraak werd Dumas meteen een belangrijke speler op de huurmarkt. Samengevat kwam zijn huisvestingssituatie rond 1830 hierop neer:

        • Alexandre Dumas – rue de l’Université, 25
        • Laure Labay en Alexandre Dumas fils, op veilige afstand – een huurhuisje in het dorpje Passy
        • Marie-Louise Dumas (moeder) – rue Madame, 7
        • Mélanie Waldor (minnares) – rue Madame, 11
        • Belle Krelsamer (minnares) – rue de l’Université, 7
        • Diversen (minnaressen van de korte termijn) – een ‘garçonnière’ in Sèvres.
             Dat is heel wat. En dan kwam het nog goed uit dat een andere minnares, Virginie Bourbier, naar Rusland verhuisde om voor het Théatre Français de Petersbourg te gaan spelen. Dat was toch al één appartement minder.

             Men heeft Dumas vaak zijn spilzucht verweten. Maar we kunnen ons de vraag stellen: is dat verwijt terecht? We overlopen het lijstje. De auteur zelf – daar kunnen we niet om heen – heeft een woning nodig waar hij zijn literaire vrienden kan ontvangen. Dat is het minste. Dan zijn zoontje. Die heeft net zo’n krullenbol als zijn vader. Die kan hij niet op straat zetten. Verder zijn goede, half verlamde moeder – die moet ook echt wel een dak boven het hoofd hebben. Je kunt van Dumas veel zeggen, maar niet dat hij een ondankbare zoon is.  Wat vervolgens Mélanie Waldor betreft, over haar moeten we ons niet te veel zorgen maken. Die is nog getrouwd, met een vaak afwezige militair, waardoor de huurprijs geloof ik niet alleen ten laste valt van Dumas.
             Dan hebben we dus nog Belle Krelsamer, door iedereen Mélanie genoemd, maar niet door Dumas, want hij heeft al een Mélanie. Dat is een moeilijk geval. Door haar relatie met directeur Isidore Taylor heeft ze zich binnengewurmd in het Theatre-National. Maar door haar ontoereikende talent, krijgt ze geen rollen in Parijs. Haar nieuwe minnaar, Dumas, belooft dat in orde te brengen … maar mislukt. Dan is een appartementje als troostprijs wel het minste wat hij kan doen.
             Blijft de ‘garçonnière’ voor de vluchtige amourettes. Daar was misschien wel een besparing mogelijk geweest. Dumas had bijvoorbeeld met andere overspelige vrienden zoals Victor Hugo, Alfred deVigny of Isidore Taylor samen een groot appartement – misschien een soort loft – kunnen huren of kopen waar ze per toerbeurt een minnares konden ontvangen. Dat zou een mooie besparing geweest zijn. Maar zoiets kan dan weer fout aflopen zoals uit een recente film is gebleken.
             Je kunt je natuurlijk ook afvragen of Dumas wel zoveel minnaressen tegelijk nodig had. Op die vraag heeft de gulzige man – één brok natuur eigenlijk – zelf een antwoord gegeven: ‘Si je n’en avais qu’une, elle serait morte avant huit jours.’ 

        woensdag 8 november 2017

        Krakers in Gent

             In De Standaard van vandaag staat een stuk over de krakers in Gent waar vorige week zo veel ophef om was. Het was geschreven door ‘kraakactivist’ Jelle Joseph en had als kopje ‘De krakende familie in Gent krijgt mijn steun’. Zelf ben ik voor het eigendomsrecht. Een leegstaand huis dat niet van jou is mag je niet gaan bewonen zonder toestemming van de eigenaar. Als hij daar wel de toestemming voor geeft, al dan niet tegen betaling, is het een andere zaak. Ik was dus erg benieuwd naar de argumenten van de kraakactivist. Als ik op een goed tegenargument bots, kan ik daar maanden over dubben.
             Dat viel tegen. In het stuk van amper 400 woorden kun je lezen over racisme, verrechtsting, klimaatakkoorden, Open VLD, N-VA, hooligans, oorlogswapens, sociale media, de terreurherdenking in maart 2016 op het Brusselse Beursplein, de verlenging van de administratieve aanhouding, de versnippering van links en tenslotte nog iets over de excessen van het politiek correcte denken. Hier en daar wordt ook iets over het kraken zelf gezegd, bijvoorbeeld dat Gent 156 kraakpanden telt. Maar arguménten voor het kraken tref je er niet aan.
             Eén passus is misschien als argument bedoeld. Onze activist schrijft: ‘Het gezinshoofd [van de krakers] heeft één kind van 6 jaar en één van 6 maanden. Mijn kinderen zijn 1 en 4 jaar oud. Maar mijn kinderen zijn Ariërs … Hoe zouden passanten reageren als ik met hen op straat zou overnachten?’ Die vergelijking begrijp ik niet goed. Als het Arische gezin van Jelle ooit op straat moet overnachten, zal dat juist zijn omdat het géén huis gekraakt heeft – en dat voor een kraakactivist! Als je een juiste vergelijking wil, moet je een Arisch en een Roma gezin nemen die alle twéé op straat overnachten of die alle twéé het huis van iemand anders zijn binnengedrongen, dat ze daarna weigeren te verlaten. Maar misschien luistert dat allemaal niet zo nauw bij emotionele argumenten.
            Als ik erover nadenk stoor ik mij eigenlijk niet zo erg aan die emotionele uitglijder. We zijn tenslotte geen Engelsen. Waarom zouden we onze gevoelens dan moeten verbergen? Jelle is als jonge vader bekommerd om zijn kinderen. Dat siert hem Hij moet er niet aan denken dat ze geen dak boven hun hoofd zouden hebben. Heel begrijpelijk. Veel kwalijker vind ik echter de gewoonte om een uitgewerkt argument voor of tegen wat dan ook te vervangen door een opsomming van allerlei stokpaardjes die er niets mee te maken hebben. Man, denk ik dan, zeur niet. Blijf bij je krakers. Schrijf volgende maand een stuk over de klimaatakkoorden – en hou dán de krakers er buiten.

        maandag 6 november 2017

        Lenin was een bodybuilder

             Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
             Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
             Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
             Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
            De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
             Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
             Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
             Lenin was een bodybuilder.


        ___________

        * Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.
        ** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

        *** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

        **** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

        zaterdag 4 november 2017

        Het Nieuwsblad over N-VA ... euh ... Catalonië

             In de laatste commentaren van Het Nieuwsblad  komt de geografische naam ‘Catalonië’ vaak voor in het gezelschap van de partijpolitieke naam N-VA. Peter Mijlemans  laat verstaan dat de Catalaanse kwestie voor de N-VA een ‘bliksemafleider’ is, een list om niet over de tegenvallende begroting te moeten spreken. Liesbeth Van Impe waarschuwt de N-VA dat ze de geen ‘buitenlandse conflicten moet importeren’. En Pieter Lesaffer verwijt de partij dat ze zich onvoldoende inspant om vanuit de federale regering, tegen de andere regeringspartijen in, de Catalanen te ondersteunen.*
             Ben ik de enige die tussen de twee laatste standpunten enige onverenigbaarheid ziet?
             Misschien moet ik het voorbeeld volgen van onze Rusland- en China-watchers. Die zijn ook altijd uitstekend op de hoogte van allerlei ‘fracties’ binnen de regeringen aldaar. Misschien bestaan er binnen de Nieuwsblad-redactie ook wel verschillende ‘fracties’ waar de leek niets van afweet? Een strekking-Liesbeth, een strekking-Pieter en een strekking-Peter.
             Ik zie het voor mij. Op de redactievergadering slaat Liesbeth met de vuist op tafel. ‘Makkers, collega’s, journalisten! Hier staat meer op het spel. Het is tijd dat we als klein land met de grote jongens meespelen. De rest van Europa speelt de kaart van de Spaanse grondwet. We gaan daar een beetje als enigen ons vertrouwen in de Spaanse rechtstaat opzeggen? Neen! Neen! Neen! Het gaat om onze diplomatieke belangen. Die laten we niet in gevaar brengen door die opgeklopte romantiek rond een onafhankelijk Catalonië.’ Liesbeth loopt rood aan. Haar ogen fonkelen. Er zit wat spuug op haar onderlip. Ze lijkt een beetje op die gepassioneerde Spaanse redenares van vroeger … hoe heet ze ook weer?
             ‘Maar allez Liesbeth,’ zegt Pieter, ‘Spanje heeft zichzelf buiten Europa gezet. Een democratisch verkozen regering – ik herhaal: een democratisch verkozen regering – bestraffen met celstraffen van dertig jaar of meer, dat is vele bruggen te ver. Europa verraadt hier haar democratische waarden door de andere kant uit te kijken. De enige instantie ter wereld die een oplossing kan brengen is de Belgische federale regering. Dat is toch duidelijk.’
             Peter heeft het allemaal met een zekere minachting aangehoord. Hij zit wat onderuitgezakt en zijn benen komen onder de tafel heel wat verder dan het midden ervan. ‘It’s the economy, stupid,’ zegt hij ten slotte. ‘Wij zitten hier te ouwehoeren over Catalonië en diplomatie en democratische waarden, en ondertussen is de begrotingstrein zo ontspoord dat hij in Timboektoe zal eindigen. Draconische besparingen, dat hebben we nodig, en een daverende belastingsverhoging.’
             Dan komt de ruzie pas goed op gang.
             Maar misschien gaat het er helemaal anders aan toe. Misschien is het juist omgekeerd en is de redactie matig geïnteresseerd in Catalonië maar daarentegen als één man – sorry Liesbeth – verenigd in haar bekommernis om het wel en wee van de N-VA. Ook dat levert een fijn draaiboek op. De drie zitten dan eendrachtig aan een goed geschraagde tafel. Liesbeth neemt alweer het woord. ‘Makkers, collega’s, journalisten! We kennen allemaal de tegenvallende peilingen van onze partij. Het is tijd dat we de handen uit de mouwen steken. Ik schrijf een artikel om onze vrienden te waarschuwen dat ze zich niet te openlijk in die Catalaanse affaire moeten engageren. Daar krijgen ze niets dan last mee. Jij, Pieter, schrijft een stuk waarin je hen aanraadt om de Catalaanse zaak binnen de federale regering aan te pakken, achter de schermen zeg maar. En Peter, jij herinnert hen eraan dat ze hun besparingspolitiek niet mogen laten verflauwen. Ze waren goed begonnen maar nu …’
             Pieter steekt zijn vinger op. ‘Ja maar,’ zegt hij, ‘weten we wel zeker of de N-VA de zaak nu al niet discreet binnen de federale regering aan het bespreken is?’ ‘Neen, dat weten wij niet,’ geeft Liesbeth toe, ‘maar dat weten de anderen ook niet. Schrijf maar iets in de trant van “de N-VA excellenties zwijgen” en “ze houden zich op de vlakte”. Dat is vaag genoeg. En kleed het allemaal een beetje in als gepeperde kritiek. We willen niet de naam krijgen een N-VA-gazet te zijn.’



        * Commentaren Het Nieuwsblad: Liesbeth Van Impe, 31 oktober – Peter Mijlemans, 3 november –Pieter Lesaffer, 4 november

        vrijdag 3 november 2017

        Hoe schrijf ik een geweldige roman?


        Ayn Rand - Romanschrijfster en filosofe van het objectivisme
             Ik weet wel dat ik binnen goed twee jaar op pensioen ga, maar in het dagelijkse leven gedraag ik mij alsof ik eeuwig zal blijven lesgeven. Ik ben nog altijd aan het dubben over het omgooien van een lessenreeks, het uitwerken van een nieuw onderwerp, het verzinnen van een nieuwe opdracht. Eergisteren was ik op de boekenbeurs en ik zag een boekje liggen van Ellen Deckwitz,  Zo word je een geweldig dichter. Ik wil helemaal geen geweldig dichter worden, maar ik dacht: in zo’n boekje zal wel altijd iets staan dat ik kan gebruiken als ik ooit mijn lessen over poëzie herwerk.
             ’t Is een aardig bundeltje met wat je een beetje oubollig ‘nuttige wenken’ kunt noemen. Zoals: schaf je een notitieboekje aan om losse invallen te noteren – geen al te chic boekje, want dan ga je de lat te hoog leggen. Noteer opvallende zinnen. Wees spaarzaam met Grote Woorden. Kijk naar je omgeving met de ogen van een filmregisseur. Dat soort ‘wenken’ dus. Er staan ook dingen bij waar ik nooit aan zou hebben gedacht. Schrijf elke morgen een aantal dingetjes neer onmiddellijk na het opstaan, als je nog niet helemaal wakker bent. Je kritische vermogen – wat Selma Lagerlöf noemde: de ijzige geest van de zelfbeschouwing – loopt je inspiratie dan niet voor de voeten.
             Af en toe haalt Ellen Deckwitz voorbeelden aan om haar aanbevelingen te verduidelijken. Ze citeert daarbij zowel beroemde gedichten uit de wereldliteratuur – weliswaar vooral Nederlandse – als gedichten van haarzelf, volgens de
        rechtvaardige regel van ieder de helft: één uit de wereldliteratuur, één van haarzelf, een uit de wereldliteratuur , één van haarzelf … Door die naast-elkaarplaatsing lijken háár gedichten wat bleker dan zij eigenlijk zijn.
             Op bladzijde 59 botste ik tot mijn niet geringe verbazing op een oude bekende: de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand (1905 - 1982)*, die te onzent heel wat minder naam heeft dan in haar thuisland. ‘Rand staat bij schrijvers bekend,’ zegt Deckwitz, ‘als een van de slechtste schrijvers ter wereld, en tegelijkertijd een aardige filosoof. En bij de filosofen als een van de slechtste filosofes ter wereld, maar een okay schrijfster.’ Dat is grappig gezegd, maar is het ook waar? Ik heb iets dergelijks over Voltaire gelezen: dat juristen hem een slechte jurist vonden maar een goed geschiedsschijver, terwijl geschiedsschrijvers – enfin, je begrijpt het wel.
             Nu ben ik er vrij zeker van dat er heel wat romanschrijvers zijn die de romans van Rand maar niks vinden. Zelf heb ik ook wel eens iets beters gelezen. En filosofen die op Rands ‘objectivisme’ neerkijken moeten er ook zijn. Ik hoorde Etienne Vermeersch op de televisie ooit zeggen dat die denkstroming door niemand in de filosofie ernstig wordt genomen. Maar dát zoeken we niet. We zoeken een filosoof of een schrijver die Rand vanuit zijn eigen vakgebied onderuithaalt maar prijst om haar verdiensten op een ander vlak.
             Zo’n filosoof bestaat: Robert Nozick (1938 - 2002). Zijn essay ‘On the Randian Argument’ is om meerdere redenen opmerkelijk. Ten eerste polemiseert hij met Rand hoewel hij het ééns is met haar conclusie, namelijk dat het kapitalisme moreel kan worden gerechtvaardigd. Zijn kritiek betreft alleen de redenering. Ten tweede gebruikt hij om Rand te bekritiseren precies die redeneerprincipes die de filosofe zo na aan het hart liggen: de Aristotelische syllogistiek. Ten derde – en daar is het mij nu om te doen – gaat zijn filosofische kritiek op Rand samen met een grote literaire waardering. ‘Ik wil hier opmerken,’ schrijft Nozick, ‘dat ik haar twee grote romans boeiend, levendig, verhelderend en inspirerend vond.’
            Ellen Deckwitz heeft ons over de respons op Ayn Rand niets voorgelogen –  wat dichters anders vaak doen.


        * Rand wordt aangehaald omdat ze het boek schreef The Art of Fiction. Ze geeft daarin aan beginnende schrijvers onder andere de raad om slecht geschreven boeken te lezen. Daaruit kun je leren hoe het niet moet.

        donderdag 2 november 2017

        Huwelijksaanzoek op zijn Brits

             Vroeger dacht men dat je vreemde talen kon leren door grappige boekjes te lezen. Dat was vóór het ‘communicatieve talenonderwijs’, waar ik nu soms ‘visieteksten’ over ontvang. Maar wij, in onze tijd, leerden Nederlands uit Pieter Bas, Engels uit Three Men in a Boat en Frans uit Les carnets de Major Thompson, waar de leuke zin in voorkwam: ‘La France est divisée en 43 millions d’habitants.’
             Die majoor van ’t laatstgenoemde boekje heet William Marmaduke van zijn voornamen, is zo Engels als gekookte biefstuk en heeft, na het overlijden van zijn eerste vrouw, een Française als tweede vrouw genomen. In korte hoofdstukjes verkent hij de vermakelijke kenmerken van de Fransen, waarbij de lezer tussen de regels door– dat is ’t leuke – evenveel te weten komt over de vermakelijke eigenschappen van de Engelsen zelf.
             Vóór de majoor getrouwd was met zijn Française, waren de twee een keer aan het wandelen geweest langs de Seine. Martine, want zo heette zij, had hem bij die gelegenheid gezegd dat ze de grijze haartjes van zijn snor wel schattig vond. Die intieme opmerking was voor de majoor een schokkende ervaring. Het deed hem denken aan die andere emotionele uitbarsting die tot zijn eerste huwelijk had geleid: ‘Nous deux … après tout … Qu’est-ce que vous en pensez?’
             Zouden Engelsen echt ooit op zo’n flegmatieke manier een huwelijksaanzoek verwoord hebben? In het Engels dan? Laat eens kijken.
             Eind negentiende eeuw was in heel Engeland geen Engelser Engelsman te vinden dan Joseph Conrad. Aristocraat, gereserveerd, man van de zee, altijd een tweed jasje. Hij was weliswaar Pool van geboorte en nerveus van aard, maar daardoor deed hij alleen nog meer zijn best om met de heftigheid van de nieuwbekeerde in alles zo Brits mogelijk te zijn.
             Als kapitein kon Conrad op zee niet meer aarden toen zeilschepen zoetjesaan door stoomschepen werden vervangen. Hij vestigde zich op het vasteland, begon te schrijven en ging op zoek naar een vrouw. Hij werd een paar keer afgewezen en leerde toen Jessie George kennen met wie hij zo nu en dan afsprak. Een keer, op de trappen van de National Gallery, draaide hij zich naar haar toe en zei: ‘Kijk eens hier, mijn beste, zouden wij niet beter trouwen. Dan zijn we ervan af. Kijk eens naar het weer. Binnen een week kunnen we in Frankrijk zijn.’
              Hoewel hij zuiver Engels schreef, was Conrads gesproken Engels afschuwelijk: alle klemtonen fout, alle klanken fout, de meeste werkwoorden fout. Zijn kernachtige ‘We had better get married and out of this’ moet geklonken hebben als ‘Wee hard betterr get marrièd aunt out off disa.’
             Ook tijdens de huwelijksnacht was de romantiek stevig onder controle. Conrad was niet gehaast. Voor hij bij zijn vrouw ging slapen, schreef hij tot twee uur ’s nachts brieven - die hij daarna zelf op de post ging doen ook.


        woensdag 1 november 2017

        Jaloers op een poes

        De schrijver en dichter Thomas Hardy was vierendertig toen hij trouwde hij met de eveneens vierendertigjarige Emma Gifford. Zijn moeder vond haar te oud. Het werd ook geen gelukkig huwelijk, zeker niet tijdens de laatste jaren. Als er bezoek kwam, deed Emma er alles aan om haar man te kleineren. Hardy, op zijn beurt, wilde zijn vrouw om de dooie dood niet helpen om háár literaire probeersels aan uitgeverijen te slijten. Ook weigerde hij een ‘knighthood’ te aanvaarden zodat Emma haar wens gedwarsboomd zag ooit met ‘Lady Hardy’ te worden aangesproken. Hij deed dat met opzet, want een ‘Order of Merit’, waar geen titel voor zijn vrouw aan verbonden was, aanvaardde hij wel.
             Toen de schrijver vijfenzestig werd, leerde hij de vierentwintigjarige Florence Dugdale kennen. Zij was lerares van opleiding, erg in literatuur geïnteresseerd en bezat een eigen schrijfmachine. Hardy schakelde haar in voor onderzoekswerk en liet haar zijn manuscripten uittikken. Hij werd verliefd op haar en zij … tja. Hardy was een kleine kale nogal schuchtere man die met zijn hoofd bewegingen maakte als een vogeltje. Is dat waar jonge vrouwen voor vallen? Toch bracht zij veel tijd door in Max Gate, het lelijke huis dat Hardy zelf ontworpen had. Hardy was architect van opleiding.
             Het werd een merkwaardige ménage à trois, Hardy, Emma en Florence, met de gebruikelijke jaloezie, maar dan anders dan je zou verwachten. Het waren niet de twee vrouwen die om de gunst van de man dongen, maar het bejaarde echtpaar dat wedijverde om de vriendschap van de jonge indringster - die op haar beurt jaloers was … op de poezen: Kitsy, Snowdove, enzovoort. Toen Kitsy stierf schreef Hardy een gedicht waarin hij de overleden poes omschreef als ‘zijn enige vriend’. Dat vond Florence heel ondankbaar. Wat was zij dan, vroeg ze verontwaardigd. Hardy antwoordde dat hij ‘niet over zichzelf had geschreven, maar over een ingebeelde persoon die ook een poes verloren had.’*
             Na de dood van Emma, trouwde Hardy met Florence. Hij was toen tweeënzeventig. Alle poezen werden weggedaan. Er werd een hond gekocht. Hij kreeg een plekje in de echtelijke slaapkamer. Hij mocht uit het goede servies eten. Hij mocht de postbode bijten en de gasten lastigvallen. Hij werd opgevoed als een verwend kind en gedroeg zich ernaar.


        * Bekende rouwgedichten op Hardy’s poezen zijn ‘Last words to a dumb friend’ en ‘The Roman Gravemounds’.

        zondag 29 oktober 2017

        Vlaktaks - Sacha Dierckx is tégen

        Sacha Dierckx van de progressieve denktank Minerva
             Aan de stukken van Sacha Dierckx zal ik nog veel plezier beleven. Sacha is medewerker van de progressieve denktank Minerva en publiceert net als ik graag stukjes. Woensdag schreef hij op VrtNws iets over Poolse bouwvakkers (mijn antwoord vind je hier) en vrijdag schreef hij in De Morgen iets over de vlaktaks. Die vlaktaks is een Open VLD-voorstel om de vijf belastingschalen (25 - 30 - 40 - 45 - 50  procent) te vervangen door twee schalen: 0 procent voor de kleinverdieners en 30 procent voor al de rest. Die twee schalen zouden dan gelden zowel voor inkomsten uit arbeid als voor die uit beleggingen.
             Sacha vindt die hele vlaktaks ‘een plan om koud van te worden.’ Hij citeert, ter ondersteuning van zijn standpunt, allerlei studies van de KU Leuven, de Hoge Raad van Financiën, het IMF en de OESO. Hij haalt de voormalige Amerikaanse minister van Arbeid aan, en een Nederlandse econoom. Bij al die studies blijf ik redelijk kalm. Als het moet heb ik ook mijn gezagsargumenten. De grote Bas Haring bijvoorbeeld, die schrijft dat in de ‘macro-economie … uiteenlopende verhalen … naast elkaar [kunnen] bestaan zonder dat je er goed achter kunt komen welk van die verhalen het beste is.’
             Volgens Sacha is de vlaktaks ‘regressief’. Ik zie niet in hoe dat kan. Een taks is progressief als je bij een groter inkomen een groter percentage belastingen betaalt, vlak als je bij alle inkomens een gelijk percentage betaalt en regressief als je bij een groter inkomen een lager percentage betaalt. Een percentage van 30 procent voor iedereen is dus naar mijn smaak vlak.”*
             Onze vriend van Minerva laat verstaan dat vlaktaksmensen de trickledowntheorie aanhangen: door vlaktaks de rijken nog rijker maken zodat de rijkdom aan de top vanzelf naar beneden kan druppelen. Dat zou een rare theorie zijn. Ik las ergens dat die theorie eigenlijk niet écht bestaat, toch niet onder economen – je hoort er alleen maar over praten door tegenstanders. En in elk geval ben ik de rare theorie niet tegengekomen in de pleidooien voor vlaktaks.
             Niet alles wat Sacha beweert is onzin. Zo schrijft hij dat de complexiteit van ons belastingssysteem niet voorkomt uit de vijf belastingsschalen maar uit de uitzonderingen en aftrekposten binnen het systeem. Inderdaad, en Open VLD belooft om die uitzonderingen en aftrekposten te vereenvoudigen en, hoop ik, af te schaffen. Sacha betrouwt die belofte niet, en dat is zijn goed recht. We moeten wachten op de definitieve plannen om te weten of dat wantrouwen gerechtvaardigd is. Als al die uitzonderingen en aftrekposten - of de meeste ervan - blijven bestaan, heeft de vlaktaks in elk geval weinig zin. Dat geef ik graag toe.
             Het hele stuk van Sacha gaat ervan uit dat vlaktaks de ongelijkheid doet toenemen terwijl progressieve belasting de ongelijkheid laat afnemen. Dat is een geloofwaardige thesis. Als je die ongelijkheid heel erg vindt, zijn bezwaren tegen vlaktaks begrijpelijk. Als je bijvoorbeeld vindt dat niemand meer mag verdienen dan drie keer het modale inkomen, dan moet je sommige hoge inkomens aan 99 procent gaan belasten. ‘t Is mijn keuze niet, maar ik begrijp de logica.
             Je kunt het ook anders bekijken. Een systeem met progressieve belastingen maakt economisch presteren weinig aantrekkelijk. Hoe beter je presteert, hoe hoger het percentage belasting dat je betaalt. Als je filmacteur bent en je heet Leonardo DiCaprio, dan is elke succesvolle film een fiscale ramp. Je kunt dan twee dingen doen. Je maakt minder films, tot groot verdriet van je fans – of je geeft een groot deel van je inkomen aan advocaten en financiële raadgevers die gaten in de wetgeving opsporen waarlangs je je centen belastingvrij in veiligheid kunt brengen.** Kunnen die gaten dan niet worden gestopt? Eigenlijk niet. In een systeem van hoge belastingen heeft elk gaatje, elke uitzondering, elke aftrekpost wel een goede reden … die om een slechte reden kan worden misbruikt.
             Hoge belastingen roepen een eigen economische sector in het leven: die van de belastingontwijkingindustrie. Duizenden en tienduizenden van de knapste koppen ter wereld houden zich bezig met het oprichten van nepbedrijven, met het uitlokken van financiële verliezen, en met het verplaatsen van geld van de ene rekening naar de andere bank. ’t Is ook een vorm van tewerkstelling en economische groei natuurlijk, maar het bewijst dat de groene jongens toch op één punt gelijk hebben: niet álle groei moet worden toegejuicht.
             Daarbij stelt zich nog een andere vraag. Zal de belastingontwijkingsindustrie niet onverminderd blijven draaien ook ná de invoering van de vlaktaks? Zullen rijke stinkerds die zoveel moeite doen om hun belastingen van 60 naar 30 procent te brengen niet evenveel moeite blijven doen om ze van 30 naar 15  te brengen? Ik geloof het niet. Hoe minder het geknoei opbrengt, hoe kleiner het enthousiasme ervoor zal zijn, zeker als de vlaktaks samengaat met een afschaffing van uitzonderingen, aftrekposten en ingewikkelde regels. Dan kun je met meer profijt je energie ergens anders in stoppen.
             Het mooiste zou zijn als de vlaktaks ook kon zorgen voor een algemene verlaging van de belastingen en bijdragen. Nu gaat 50 procent van wat wij verdienen naar de staat. We krijgen daar veel voor terug, zegt men, politiediensten, gratis onderwijs, goedkope geneeskunde. Dat is waar. Maar ’t blijft een situatie waarin iemand anders met óns geld voor óns een cadeau koopt. Vaak kan het niet anders, zegt men, maar 50 procent is wel erg veel. Hier en daar moet er toch een cadeau zijn dat we zelf, als we een beetje oppassen, voor minder geld kunnen verwerven – een mooier cadeau, dat beter bij ons past.
             Hier kan de vlaktaks een gunstige uitwerking hebben. Als iedereen dezelfde 30 procent betaalt, zal iedereen een verandering in de staatsuitgaven in gelijke mate voelen. Elke aanvullende investering, elke bijkomende subsidie, elke nieuwe sociale uitkering vertaalt zich voor iedereen in eenzelfde belastingverhoging.*** En bij elke besparing gaat voor iedereen de te betalen belasting in gelijke mate naar omlaag.  Wellicht zullen bij zo’n regeling meer mensen twee keer nadenken voor ze allerlei mooie gratisplannetjes onderschrijven. Meer mensen zullen dan – hopelijk – begrijpen dat ze hun eigen melkkoe zijn. En dat altijd al geweest zijn.


        _________________

        Als het over belastingen gaat, gebruikt men de termen ‘progressief’ en ‘degressief’ in een precieze betekenis. Sacha Dierickx gebruikt de term ‘progressief’ in die precieze betekenis, maar de term ‘regressief’ gebruikt hij in de algemene betekenis van ‘minder herverdelend’. Hij volgt hierin de door hem geciteerde studies. Verder maakt hij geen onderscheid tussen een hypothetische ‘opbrengstneutrale’ vlaktaks die door zijn bronnen werden bestudeerd, en het Open VLD-voorstel. Hij beweert dat door dat voorstel de hoogste inkomens minder zullen moeten betalen, en de rest meer. In een voorstel met 0 en 30 procent moet niemand meer betalen. - Met dank aan Gert Verwilt die mij herinnerde aan het verschil tussen  ‘degressief’ en ‘regressief’.

        * Met name om die redenen – meer economische prestatie en minder belastingontwijking – zou een verlaging van de hoogste belastingstarieven in ons land kunnen zorgen voor grotere belastingsinkomsten, volgens een recente studie van Jacob Lundberg.

        *** Eenzelfde? Niet helemaal natuurlijk. Want 30 procent op een hoog inkomen blijft natuurlijk hoger dan 30 procent op een laag inkomen. Maar je begrijpt wat ik bedoel.

        zaterdag 28 oktober 2017

        Gelijk loon voor Poolse bouwvakkers

             Marianne Thyssen  (CD&V) vindt zichzelf heel flink omdat ze een einde heeft gemaakt aan ‘de sociale dumping’ in de EU. ‘Een Pool, Roemeen of andere werknemer die hier komt werken moet hetzelfde loon krijgen als een Belg.’ Zo staat het op een CD&V-postertje.
             ‘t Is een slimme formulering. Thyssen laat het voorkomen alsof ze bezorgd is om de Pools bouwvakker of de Roemeense vrachtwagenchauffeur. Dat is allerminst het geval. In het beste scenario – ik kom hierop terug – is ze bezorgd om de Bélgische bouwvakker of vrachtwagenchauffeur, of om de Bélgische bouw- en transportsector. Maar de Pool en de Roemeen wil ze zoveel mogelijk buitenhouden.
             Wat wil immers het geval? Een Poolse bouwvakker verdient hier 60 % van wat zijn inlandse collega verdient. Dat is nog altijd twee of drie keer meer dan in zijn land van herkomst. Als hij nu verplicht wordt hier evenveel te verdienen als zijn Vlaamse collega, worden zijn kansen op tewerkstelling aanzienlijk kleiner. En alsof dat niet genoeg is, hebben Thyssen en Co ervoor gezorgd dat de periode van tewerkstelling van die buitenlanders – de zogenaamde ‘detachering’ – van 24 maand teruggebracht wordt tot 12 maand.
             Er zijn in Vlaanderen geloof ik een kleine twintigduizend Poolse bouwvakkers aan het werk. Vier ervan hebben vorig jaar ons mooie landhuis verbouwd, dat nu beter geïsoleerd is en er nog fraaier uitziet. Die Polen waren kerels met sterke spieren, ronde gezichten, stuurse blikken en een paar woorden Engels. Als het regende, of er stak een koude wind op, dan gingen ze wat harder werken om zich warm te houden. Als het waar is dat ze maar 60 % verdienen van Vlaamse bouwvakkers, is dat zeker niet omdat ze maar 60 % zo hard werken. Het verklaart wel waarom de werken maar 60 % gekost hebben van wat we hadden gevreesd.
             Hebben wij door die Polen aan ons huis te laten werken, het werk afgenomen van Vlaamse bouwvakkers? Dat weet ik nog zo zeker niet. Onze beslissing om te verbouwen werd in elk geval gunstig beïnvloed door de lage aanbestedingsprijs. Was die 40 % hoger geweest, waren we er misschien niet aan begonnen. Dan hadden noch de Poolse, noch de Vlaamse bouwvakkers er iets aan gehad. Misschien zelfs omgekeerd. Doordat de isolatie en bepleistering van onze muren zo meeviel konden we ons ook wagen aan het vervangen van onze slecht geïsoleerde ramen. Die vervanging gebeurde door echte 100 % inlandse vakmensen. Als je het zo bekijkt hebben die Polen zelfs gezorgd voor een tewerkstellingsgroei in de Vlaamse bouwsector.
             Bij de voorstanders van gelijk-loon-gelijk-werk hoor je wel eens het argument van de ‘concurrentievervalsing’. Daar zit iets in. Economen halen aan dat concurrentie best uitgevochten wordt met slimme automatisering en betere organisatie, want daar kan iedereen van leren. Dat is waar. Maar een vrije loonvorming kan er dan weer voor zorgen dat werknemers op precies die plek terechtkomen waar ze het beste renderen: Polen voor het isoleren van muren en Vlamingen voor het steken van ramen en deuren.
             De linkse medemens zal zich afvragen of de lagere lonen van de Polen geen neerwaartse druk op de Vlaamse lonen zullen uitoefenen. Ook daar zit iets in. Die Vlaamse lonen zijn weliswaar verankerd in wetten en collectieve arbeidsovereenkomsten maar op langere termijn kunnen buitenlandse lage-loonwerknemers wel een invloed hebben. In ons land gaan jaarlijks meer dan 10 000 bouwvakkers met pensioen en er komen er maar een duizendtal bij.* In die omstandigheden moet de bouwsector vroeg of laat hogere en zelfs veel hogere lonen betalen om toch werknemers aan te trekken. Maar is dat altijd een goede zaak? ‘t Is fijn voor de bouwvakkers natuurlijk, maar minder fijn voor de Antwerpse metaalarbeider of de West-Vlaamse tapijtwever die die een eigen huis wil laten bouwen en de bouwprijzen ziet oplopen.
             Voor de linkse medemens is de maatregel van Thyssen en Co ook nog eens volslagen ontoereikend. Sacha Dierckx van de progressieve denktank Minerva wijst erop dat zelfs bij gelijke nettolonen voor Polen en Belgen het loonkostverschil blijft bestaan. De werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid voor Vlaamse arbeiders bedraagt immers 35 % van het loon en dat voor Polen slechts 19 %. Ook daar moet iets aan worden gedaan, vindt Dierckx.**
             Hier tekent zich een stuk gemeenschappelijk front af tussen progressief links en een deel van de de ondernemerswereld. Johan Willemen, van de bouwfirma ‘Groep Willemen’ heeft zelfs een welomschreven voorstel om het sociale zekerheidsprobleem op te lossen. ‘Laat een werkgever sociale lasten betalen in het land van tewerkstelling in plaats van in het land van herkomst … Laat België een deel van de sociale-zekerheidsbijdragen die het int, doorstorten aan Polen. En laat ons land het andere deel op zak steken.’*** Beschouw dat als een eerlijke winst voor de sociale zekerheid voor de inkomsten die ze mist omdat er geen Belg aan de slag is.’
            'Het andere deel op zak steken ...’ Men kan zo’n praktijk protectionisme noemen. Ik noem het diefstal. Het verschil tussen die twee is trouwens niet groot. Als de Poolse arbeider dan toch hetzelfde moet verdienen als de inlander, met verlies van zijn concurrentievoordeel, dan zou hij minstens dat ‘andere deel’ zelf in zijn zak moeten kunnen steken. Daar kan hij dan de lagere sociale uitkeringen in Polen mee goedmaken.


        * Volgens Johan Willemen in De Tijd van 21 oktober 2017.

        ** Volgens Dierckx moeten de lonen niet alleen binnen de landsgrenzen zelf, maar in de hele EU ‘geharmoniseerd worden naar boven toe’. Dat had gekund, vindt hij, door in het Verdrag van Maastricht ‘convergentiecriteria af te spreken.’ Ergens anders geeft hij toe dat dat de productiviteit in veel Oost-Europese landen ‘nog niet de helft bedraagt van die in België.’ Bedoelt hij nu dat ze in Maastricht ook hadden moeten ‘afspreken’ om de productiviteit in Oost-Europa te verdubbelen? Dan heeft Dierckx een eigenaardige opvatting over wat allemaal bij ‘afspraak’ kan worden geregeld.

        ** Willemen noemt dat ‘een eerlijke winst voor de sociale zekerheid voor de inkomsten die ze mist omdat er geen Belg aan slag is.’ De sociale zekerheid mist hier niets. Ze krijgt geen inkomsten van die Polen, maar ze moet er ook geen uitgaven voor doen.

        woensdag 25 oktober 2017

        De cultuurfilosoof en het Biermuseum

        Er bestaat een plan om in het Brusselse Beursgebouw een Biermuseum onder te brengen. Ik lees op Bruzz.be een stuk waarin cultuurfilosoof Lieven De Cauter zich negatief uitlaat over het project. Het sluit, vindt Lieven, een belangrijk deel van de Brusselse bevolking uit, namelijk de Islamieten, voor wie alcohol haram is. Ik werd vooral getroffen door de kop boven het stuk: ‘Over our dead bodies!’ Lieven gebruikt graag sterke Engelse uitdrukkingen als hij polemiseert. Dat was mij al opgevallen toen ik drie jaar geleden een stukje schreef waarin de cultuurfilosoof ter sprake kwam. Ook Marc Vanfraechem maakte zich vrolijk over dat Engels.

        zaterdag 21 oktober 2017

        Beetje hardhorend - niet vergeetachtig

             Mijn vader is een beetje hardhorend, zoals ik.
              We waren over films aan het praten. Of ik de film The Nun’s Story gezien had, met Audrey Hepburn? Ja, daar herinnerde ik mij vaag iets van. Ik zie een non omringd door dankbare zwarten. De camera verwijdert zich, de non wordt altijd maar kleiner en er zijn altijd meer dankbare zwarten te zien. The End.*
             Plots schiet mij iets te binnen. The Nun’s Story, vraag ik, is dat niet die film waar Michael en Kay over praten in The Godfather, als ze de bioscoop verlaten.
             ‘Wie?’ vraagt mijn vader.
             ‘Michael en Kay, in The Godfather.’
              ‘Michael wie?’
              ‘Michael en Kay, in The Godfather.’
              ‘In The Godfather? Ha, neen. Daar was het over een andere film dat ze aan het praten waren. The Bells of Saint Mary’s met Ingrid Bergman en Bing Crosby. En weet je wie daar ook in meespeelde:  Joan Carol. En William Gargan als haar vader. Ja, een film uit 1945. Een groot succes indertijd, maar eigenlijk niks bijzonders.’


        ___________

        * Marjorie Hofmans heeft er mij ondertussen op gewezen dat de film in elk geval niet zo eindigt.

        zaterdag 14 oktober 2017

        De IQ-rel tussen N-VA en Groen

             Koen Daniëls (N-VA) heeft in het Vlaams Parlement voorgesteld om het onderwijsbeleid beter te evalueren en bij te sturen door IQ-metingen te doen bij leerlingen. Elisabeth Meuleman van Groen was tegen omdat ‘geen enkel kind herleid mag worden tot een cijfer’. Ik voelde mij persoonlijk door de discussie aangesproken omdat ik mij altijd zorgen heb gemaakt over mijn IQ.
             Nochtans studeerde ik aan de universiteit, behaalde de grootste onderscheiding – wat niet voor iedereen is weggelegd –, ik lees dikke boeken in vreemde talen, en als het meewil kan ik een leuk stukje schrijven. Dat zijn zaken die allemaal wel iets met intelligentie te maken hebben, maar ook weer niet zó veel. Toen ik mijn jongere broertjes de schaakregels uitlegde, waren zij mij na drie partijen al de baas in het spel. Voor wiskunde haalde ik altijd slechte punten. De voetnoot op bladzijde 239 van Anarchy, State and Utopia kan ik ook na herhaaldelijk lezen niet begrijpen terwijl alles nochtans heel duidelijk wordt uitgelegd en ik heel graag het verschil zou kennen tussen ‘envious’, ‘jealous’, ‘begrudging’, ‘spiteful’ en ‘competitive’. Dat is allemaal erg bedenkelijk.
             Naar wat ik ervan begrepen heb, is IQ een omstreden begrip. Je hoort soms de opmerking dat IQ niets anders is dan wat door een IQ-test gemeten wordt. Anderzijds schijnen de echte onderzoekers – zielkundigen, breinkundigen – het over veel zaken wél eens te zijn. Dat IQ in zekere mate wordt bepaald door erfelijkheid. Dat IQ bestaat uit verschillende geestelijke vermogens die redelijk goed met elkaar correleren. Dat IQ een vrij nauwkeurige voorspeller is van studieresultaten en verloop van beroepsloopbaan. Dat er verschillende soorten IQ-testen bestaan waarvan de ene meer en de andere minder op culturele voorkennis bouwen, maar dat de resultaten van die testen ongeveer gelijklopen.
            De aandachtige lezer zal mijn angstvalligheid hebben opgemerkt:  ‘in zekere mate’, ‘redelijk goed’, ‘vrij nauwkeurig’, ‘redelijk’. ‘t Is een discussie waar je voorzichtig bij moet zijn. Op een Facebookdraad las ik ergens: ‘Met wa zijt ge bezig? Zit uw IQ in uw gat of wa?’ Ik heb het leestekengebruik wat gefatsoeneerd.
             Een van de mentale hindernissen die we moeten nemen bij een IQ-discussie is dat we naar gemiddelden moeten leren kijken en de anekdotiek moeten loslaten. Ik heb zelf ooit zulke twee testen afgelegd: één in het Klein Kasteeltje, en één toen ik solliciteerde bij Sidmar. Van geen van die testen ken ik het resultaat. Maar ze waren wel voldoende om mij in het leger ongevraagd met een onderofficierenopleiding op te zadelen en om mij bij Sidmar een contract van onbepaalde duur aan te bieden. De twee organisaties hebben achteraf hun ongelijk ingezien. Toch geloof ik, met de legerleiding en de Sidmardirectie, dat, gemiddeld genomen, de kandidaten met goede testresultaten betere onderofficieren en betere Sidmararbeiders opleveren.
             Maar ter zake. Heeft Koen Daniëls van de N-VA gelijk als hij IQ-testen wil invoeren in het onderwijs?
             Zoals bij zoveel zaken is hier sprake van voor- en nadelen. Veronderstel dat die testen worden afgenomen en de resultaten worden meegedeeld aan ouders, leraren en kinderen. Dan is het wel even slikken als blijkt dat je IQ nogal laag is. Als ik een slechte wiskunde-toets aflegde, kon ik mijzelf troosten door te verwijzen naar mijn onoplettendheid in de les en mijn ziekelijke uitstelgedrag thuis. Bij een IQ-test ben je van zo’n troost verstoken. Je gedrag in de klas en thuis heeft er niet veel mee te maken. Misschien ga je als leerling, bij het nieuws van je lage IQ, nog minder uitvoeren daar voorheen.Want wat heeft het allemaal voor zin? Of stel: je hebt een heel hoog IQ. Je kijkt neer op je leraren. Je vertikt het om een boek open te doen want je bent al zo slim. Misschien ben je wel bang dat je de hoge verwachtingen niet zult kunnen waarmaken en word je onzeker. Ook dat is niet ideaal.
             En dan: hoe ga je ermee om als anderen je IQ kennen. Zeker als je competitief bent ingesteld (‘competitive’ – niet ‘jealous’ of ‘begrudging’), kan dat voor psychologische problemen zorgen. Ik veronderstel dat Koen Daniëls niet graag in het Vlaams Parlement rond zou moeten lopen met een kaartje op zijn jas gespeld dat zijn IQ aangeeft. ‘t Zou trouwens ook bedreigend zijn voor mensen buiten dat Parlement. Je moet er niet aan denken dat de partij van je voorkeur (N-VA, Groen, enzovoort) toevallig de partij is die de laagste intelligentiescores heeft, terwijl de partij die je hartsgrondig veracht (N-VA, Groen, enzovoort) uit allemaal bollebozen bestaat.
             In het bijzonder voor het onderwijs zie ik naast de nadelen van IQ-meting ook twee voordelen. Uit cijfers van bijvoorbeeld het Rekenhof blijkt dat kinderen uit kansarme middens gemiddeld slechter presteren in het onderwijs. Men meet die kansarmoede vaak aan het opleidingsniveau van de moeder. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om te begrijpen dat een kind uit een kansarm gezin minder goed wordt voorbereid op het schoolse leren, en minder ondersteund wordt. Hier zouden IQ-tests kunnen helpen om de begaafde kinderen uit de kansarme gezinnen op te sporen. De Centra voor Leerlingen Begeleiding (CLB) zouden die kinderen in het vizier krijgen die ondanks hun slechte punten op school toch over een behoorlijk IQ beschikken. Dan moet zo’n centrum die kinderen niet oriënteren naar een beroepsopleiding terwijl ze eigenlijk een theoretische richting aankunnen. Het is natuurlijk mogelijk dat ook de IQ-test van een kansarm kind negatief beïnvloed wordt door zijn kansarme milieu. Dan worden de échte capaciteiten van dat kind alweer niet goed weergeven. Maar de vertekening door de IQ-test zal nooit zo erg zijn als die van de schoolresultaten waar vooraf opgedane kennis en vaardigheden een veel grotere rol spelen.
             We gingen hier uit van een scenario waarbij de resultaten van een IQ-test beter zijn dan die van het schoolrapport. Het omgekeerde kan zich ook voordoen. Maar dàt hoeft geen probleem te zijn. Als een leerling, kansarm of niet, door hard werken, betere punten haalt dan zijn IQ voorspelt, dan is er, vind ik, geen reden waarom het CLB hem een lagere opleidingsvorm zou aanpraten. Bovendien wil het IQ op die leeftijd nogal eens schommelen.
             Het tweede voordeel van een IQ-meting is zowel van wetenschappelijk als van beleidsmatig belang, en hier kom ik op het terrein van Daniëls en Meuleman. Je kunt haast geen stuk over het Vlaamse onderwijs lezen, of er wordt gemeld dat de schoolse kloof tussen kinderen uit hogere en lagere sociale milieus te groot is. Extreme gelijkheidsdenkers beweren dat ons schoolsysteem die kloof veroorzaakt, terwijl hun meer gematigde collega’s beweren dat de school onvoldoende doet om die kloof weg te werken. ‘t Komt geloof ik op het zelfde neer. De twee groepen bepleiten een grondige hervorming van het onderwijs om ‘de kloof weg te werken’. Maar wat als de kloof het gevolg is van de ongelijke verdeling van IQ over de verschillende lagen van de bevolking? Wat als de democratisering van het onderwijs in de jaren zestig de intelligentste elementen uit de laagste klasse heeft afgeroomd en doorgesluisd naar de hogere klasse, waardoor de lagere klasse nu – gemiddeld! – minder intelligente kinderen in haar rangen telt dan vroeger?
             Ik schreef: wat als? – ik weet niet óf het zo is. Ik heb de democratisering van het onderwijs van dichtbij meegemaakt. Arbeiders- en boerenzonen van mijn klas leerden door om leraar, arts, advocaat of ingenieur te worden. Dat gebeurt vandaag niet meer op die schaal en ik geloof dat dat door het afroomeffect komt. Maar ‘t is niet veel meer dan een geloof. Het zou eigenlijk eens onderzocht mogen worden, met de IQ-meting van Daniëls bijvoorbeeld.
             Mocht de meting er komen, dan doe ik graag de volgende belofte aan al mijn bloglezers. Als mijn vermoeden weerlegd wordt dat in kansarme gezinnen het gemiddelde IQ lager is – als met andere woorden blijkt dat het gemiddelde IQ daar even hoog is, of, wie weet, zelfs hoger dan in andere gezinnen, dan zal ik die bevinding niet alleen aanvaarden maar ook toejuichen. En allerlei toekomstige initiatieven om de schoolse kloof te verminderen, waar ik nu tegen ben, zal ik dan omarmen, ook al omdat ik dan gepensioneerd zal zijn en het er dan niet meer zo op aan komt.
             Ik vraag me alleen af of Groen, Rood en Tsjeef hetzelfde zullen doen als hùn vermoeden weerlegd wordt. Als blijkt dat de gemiddelde schoolachterstand van kansarme kinderen wel degelijk verklaard wordt uit hun minder theoretische aanleg. Zal men dan in die hoek bereid zijn om daar conclusies uit te trekken? Zal men bereid zijn om egalitaire utopieën te laten varen?  Zal men bereid zijn om realistische plannen uit te werken om kinderen vanaf hun werkelijke niveau zo hoog mogelijk mee te trekken.
             Ik denk het eigenlijk niet. Groen, Rood en Tsjeef zullen zich weren als een kat in de krullen om ervoor te zorgen dat de meting er niet komt. Dan moeten er ook geen conclusies worden getrokken.