zaterdag 27 februari 2021

Over corona- en ander alarmisme


 ** Het is min of meer politiek correct om inzake corona en klimaat alarmistisch te zijn, zoals het politiek incorrect is om dat te zijn inzake immigratie, islamisme en terrorisme. Of iets politiek correct is of niet geeft in al die gevallen slechts een heel zwakke aanduiding van het waarheidsgehalte van de ingenomen positie.

** Tegenover de alarmistische positie bevindt zich de ‘negationistische’, of, minder radicaal, de ‘sceptische’ of ‘kritische’ positie. ‘Kritisch’ betekent in geval van corona en klimaat dat men argwanend aankijkt tegen de mainstream berichtgeving over het verschijnsel. In verband met immigratie, islamisme betekent het dat men kritisch aankijkt tegen het verschijnsel zelf.

** Een interessante tegenvoeter van het alarmisme is die van het quietisme – de opvatting dat men de zaken beter op zijn beloop laat. Zo’n houding vertrekt van de erkenning van het probleem, de overtuiging dat er niets veel aan te veranderen valt, en de afweging dat de remedies ertegen erger zijn dan de kwaal. Zeker, de aarde warmt nu op, maar drastische verlaging van de CO2 zou de armoede in de wereld doen stijgen. Zeker, er is veel migratie, maar dat is altijd zo geweest en maatregelen ertegen creëren een mentaliteit van racisme en discriminatie. Zeker, corona doodt mensen, maar mensen gaan nu eenmaal dood, en we moeten een of twee jaar menswaardig leven niet opofferen vanwege die 1 % kans om dood te gaan, in het geval van bejaarden, en die 0,1 % kans in het geval van de andere leeftijdscategorieën.

** Alarmisten dramatiseren de kwestie die hun na aan het hart ligt op verschillende manieren. De interessantste is de keerpuntentheorie. Klimaatalarmisten spreken over een ‘runaway’-effect waarbij het de opwarming van de aarde vanaf een bepaalde temperatuur op hol slaat (zie hier);  islamalarmisten spreken over een omslagpunt als 10 procent van een populatie de radicale islam omarmt (1); corona-alarmisten beschouwen een stabiel of licht stijgend aantal besmettingen als een voorbode van de exponentiële explosie die zal volgen (zie hier).

** Je hoort in discussies over bovenstaande kwesties wel eens het verwijt van ‘wetenschapsontkenning’. Dat lijkt mij meestal niet terecht. Je hebt over die dingen zowel (a) echt wetenschappelijk onderzoek, (b) overleg tussen experts-politici-bureaucraten, (c) populariserende wetenschapsjournalistiek, en ten slotte (d) de doe-het-zelf wetenschap van lui die hun eigen grafieken plotten en die uit de stukken en rapporten van de eerste drie een smakelijk menu’tje samenstellen. Ook de laatsten erkennen de basisbeginselen van de wetenschap, al bezondigen ze zich aan cherry-picking. Het is echter naïef om te denken dat zoiets niet voorkomt in de categorieën (b) en (c), en zelfs in (a).

** Het wetenschappelijk onderzoek is genuanceerd en staat meestal niet aan de kant van de extreme alarmisten, maar kan wel leunen in hun richting. Epidemiologen en biostatistici tekenen curves uit die laten zien hoe lockdowns de virusverspreiding tegengaan. Klimaatexperts berekenen de gunstige gevolgen van een verminderde CO2-uitstoot. Dat is fijn voor de alarmisten. Maar diezelfde klimaatexperts gooien dan roet in het alarmistische eten door te pleiten voor kernenergie.

** Het gebeurt ook dat het wetenschappelijk onderzoek zich grotendeels negationistisch opstelt. Dat is het geval van migratie. Een economist als Paul Collier wordt horendol als hij de consensus vaststelt onder onderzoekers naar de effecten van migratie (2). Die heeft volgens hem te maken met de beperkte economische invalshoek van de onderzoekers, hun cosmopolitische levenstijl of de links-liberale ideologie waarin ze zijn opgevoed. Het is een terrein waarin enkele elementaire cijfers, een beetje gezond verstand en een bereidheid om logica boven sentiment te stellen tot betere conclusies leiden dan waar geschoolde economen en sociologen toe in staat blijken.

** Vervelend voor de echte alarmist, scepticus, optimist of quietist is de korte tijdsschaal van de coronakwestie. Elke voorspelling kan binnen enkele weken of maanden gecontroleerd worden. Herman Goossens voorspelde dat ski-toerisme in Italië geen enkele besmetting zou meebrengen. De kans was ‘uiterst, uiterst klein’. Hij was fout. Van Ranst voorspelde dat de pandemie enkele honderden, hooguit enkele duizenden slachtoffer zou maken. Hij was ook fout. Mijn eigen voorspelling rond die tijd was voorzichtiger: ‘tussen 1 500 en 33 000’ (hier) maar informeel verklaarde ik aan vrienden dat 20 000 ‘haalbaar’ moest zijn. De crisis is nog niet gedaan, maar het lijkt voorlopig dat ik toen goed gegokt heb. Mijn meeste andere voorspellingen waren overigens fout. Zo dacht ik dat een vergelijking tussen de verschillende landen binnen enkele weken duidelijkheid zou brengen over de effectiviteit van de verschillende maatregelen.

*  Voor wie vaak verkeerd gokt, heeft Maarten Boudry een uitweg voorzien: de theorie van de zelfweerleggende voorspelling. Als de coronacijfers uiteindelijk nog meevallen, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat zou gevallen zijn zonder maatregelen. Je kunt de theorie op veel terreinen toepassen. Als het aantal terrorismeslachtoffers uiteindelijk meevalt, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat er zou vallen zonder antiterrreurmaatregelen. Voor wie verkeerd gokt betreffende de verre toekomst, stelt het probleem zich niet. Als binnen dertig jaar de wereld niet in brand staat door de klimaatverandering, of heel Vlaanderen niet overstroomd is, dan zal ik er niet meer zijn om die valse profeten uit te lachen. En als ik er wel nog ben, is het lachen mij misschien vergaan om andere redenen.

** Alarmisme heeft vaak te maken met onzekerheid. Je weet niet of je besmet raakt, en niet of die besmetting bij jou tot een erg ziekte leidt. Niemand weet hoe het coronavirus verder evolueert. Niemand weet ook of de islam zich zal aanpassen aan de Europese tradities. We weten niet hoeveel de zeespiegel zal stijgen door de opwarming van de aarde. We weten niet of terroristen er ooit zullen in slagen om een kerncentrale op te blazen, om eens twee kwesties samen in één potje te koken. Die onzekerheid spoort aan tot voorzichtigheid. Maar je ontkomt nooit aan een kosten-batenvergelijking. Bij Russische roulette neem je een nogal groot risico. Maar elke keer als je een auto inhaalt die 60 rijdt waar 70 mag, neem je ook een risico. Je kunt bij dat inhalen frontaal op een tegenligger inrijden die je niet gezien had. Maar lange tijd aan 60 rijden waar 70 werkt op de zenuwen. Ikzelf probeer dan meestal in te halen.

** Alarmisme wordt erg beïnvloed door emotie. De zinloze slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog fascineert mij meer dan de Spaanse Griep die erop volgde. Na een aanslag ben ik banger van een moslim die er in klederdracht, leeftijd en gelaatsuitdrukking ‘geradicaliseerd’ uitziet dan van een gewapende paracommando op straat. Als ik aan corona denk, ben ik banger voor het concrete beeld van een intubatie dan voor het abstracte beeld van dood te gaan. Al die emoties maken helder nadenken moeilijk. Het is beter om af en toe ook naar de cijfers te kijken. Maar alléén de cijfers en tabellen van slachtoffers afwegen, dat gaat ook niet. (zie hier)

** Of cijfers en ratio tot alarmisme aanleiding geven, hangt af van geval tot geval. Voor corona volg ik de redenering van Boudry en De Ceulaer dat vroeg en hard ingrijpen beter is dan laat en langdurig, maar hóe vroeg en hóe hard moet worden ingegrepen weet ik niet. Voor de immigratie volg ik Collier: beter laat dan nooit. En voor het klimaat volg ik de redenering van Lomborg dat laat ingrijpen beter is dan vroeg. We hebben nog even de tijd om na te denken welke maatregelen het beste werken. Er zijn in de wereld problemen die dringender zijn zoals malaria, hiv, en ondervoeding en slecht sanitair. Ook mogen we aannemen dat de maatregelen – bijvoorbeeld dammen tegen overstroming – in de toekomst goedkoper zijn dan nu, niet in absolute cijfers, maar als deel van het ondertussen gestegen bruto wereld product.

** De coronakwestie en de klimaatkwestie hebben dan weer gemeen dat wetenschappelijk onderzoek – R&D in het jargon – een belangrijke rol moet spelen. Nieuwe vaccins, antivirale medicijnen, propere en goedkope kernenergie, efficiënte CO2-captatie, het zal er allemaal niet vanzelf komen. Op dat vlak moet niemand mij voor wetenschapsontkenner uitmaken. Of voor  quietist.

 

(1) Sam Van Rooy (VB) is heel stelling over het percentage: ‘Niet 8 of 9 procent, maar 10 %’ en hij verwijst naar een studie van het Renselaer Polytechnic Institute.’ (hier)

(2) Zie  (hierhierhierhier,  hier en hier

donderdag 25 februari 2021

Versoepeling van de knuffelcontactregel


      
 Het mooie weer van de laatste dagen is vast een belangrijke aanjager van de roep om de coronamaatregelen te versoepelen. De zon maakt mensen blij en optimistisch, en verdrijft gedachten aan besmetting, ziekte en dood. Het lentegevoel is er een van vrijheid: fietsen zonder muts op, lichte jurkjes, picknick, terrasjes, het strand. En als kuddedier wil een mens die vrijheid graag in groep beleven. Zo’n licht jurkje draag je niet voor jezelf alleen, een picknick met acht is leuker dan één met vier, en eenzaam en alleen op een terrasje is een droevig tafereel. Een verlaten strand waar je met je geliefde hand in hand kunt wandelen is prachtig, voor één keer, maar voor de rest is het geloof ik evenzeer de mensenzee als de echte zee die de menigten naar de kust lokt. Bij mooi weer dan.
     Een verstrenger als Vandenbroucke kan dus maar beter hopen op barslecht weer voor het overlegcomité van vrijdag. Met grimmige cijfers, tabellen en grafieken alleen zou hij het moeilijk hebben tegen versoepelaars die een zonnige wandeling achter de rug hebben van hun dienstauto naar de vergaderzaal.
     In de krant lees ik dat die versoepelaars - de bepleiters van ‘perspectief’ - zich in alle partijen bevinden. Zou er nu onder hen veel ruzie zijn over wélke versoepelingen er eerst moeten komen? Misschien zijn de Groenen vooral voorstander van consumptieloze maatregelen zoals het optrekken van de buitenbubbel van vier naar acht, en de meer ondernemingsgezinde partijen van de opening van de restaurants. Het eerste is interessant voor studenten die graag met een grotere groep in een bos willen wandelen, en het tweede is fijn voor de meer dan twintigduizend restauranteigenaars, hun personeel, en natuurlijk hun honderdduizenden klanten. De studiediensten kunnen eens opzoeken in hun statistieken of het kiespubliek van hun partij eerder uit boswandelaars dan uit restaurantbezoekers bestaat. Dan is dat goede geld dat ze voor hun big data hebben uitgegeven nog voor iets goed geweest.
     Eén welbepaalde versoepeling heeft, vermoed ik, weinig zin: het optrekken van het aantal toegelaten binnenshuiscontacten - de zogenaamde ‘knuffelcontacten’ -  van één naar twee personen. Wie dat wil doet het nu al*. Niemand kan het controleren. Je moet het, zoals Jean-Marc Nollet van Ecolo, al over de radio verkondigen voor de politie op de hoogte is.
     Dat geval van Nollet illustreert ook mooi de paradox van maatregelen met beperkte pakkans. Nollet verklaarde grootmoedig dat hij bereid was de boete van 250 euro te betalen voor zijn overtreding. 250 euro? Hij heeft naar eigen zeggen zijn knuffelcontacten al enkele weken van een naar twee opgeschaald. Wil hij dan 250 euro betalen per contactmoment, of dekt die 250 euro meteen de hele reeks overtredingen?
     Wat Nollet zei over die boete, doet mij denken aan een verhaal dat verteld wordt over mijn  legendarische dorpsgenoot G. G. is een rijke stinkerd  en op een keer had hij te veel gedronken. Hij parkeerde zijn wagen langs de weg en ging tegen een schutting staan om te wateren. Helaas voor hem werd hij opgemerkt door een politie-camionette, en een agent begon een proces-verbaal op te stellen. G. bekeek de agenten eens, haalde zijn portefeuille boven en vroeg: ‘En, hoeveel moet dat kosten, die camionette van jullie?’
     Of het verhaal over G. waar is, weet ik niet. Het schijnt te overeen te komen met zijn karakter. Mijn vrouw is ooit bij hem thuis geweest op een zaterdagvoormiddag en heeft toen helaas verzuimd om navraag te doen naar de waarheid van het verhaal.


* Dat is niet helemáál waar natuurlijk. Veel brave echtparen van middelbare en hoge leeftijd, die gewoon waren andere brave echtparen van middelbare en hoge leeftijd uit te nodigen, of hun eigen getrouwde kinderen, die nodigen nu niemand uit. Als het verboden is, redeneren ze, zal dat wel een ernstige reden hebben, en aan één toegelaten bezoeker hebben ze niet veel. Mocht het aantal toegelaten binnenshuiscontacten van een naar twee worden gebracht, dan zou dat het aantal gezellige bijeenkomsten in die leeftijdscategorieën flink doen stijgen. 

woensdag 24 februari 2021

De niet gestelde vraag


       In toneel en film spelen revelatiescènes een grotere rol dan in romans of andere verhalende genres. Wie de Ilias wil verfilmen kan bijvoorbeeld beginnen met een gespierde man te tonen die driftig rondstapt voor zijn tent. De kijker stelt zich dan allerlei vragen. Wie is die man? Hoe heet hij? Waarom stapt zij zo driftig in het rond? Het is allemaal erg onduidelijk. Slechts stap voor stap, komt de kijker die informatie te weten, als bijvoorbeeld een bode langskomt die zegt: ‘Gegroet Achilles, zoon van Peleus. Koning Agamemnon nodigt u uit om de vete te begraven die tussen hem en u heerst en die de Achaeërs zoveel nadeel berokkent.’ Wie dat alles in  verhaalvorm neerschrijft, kan onmiddellijk de onduidelijkheid wegnemen, de naam van de held en van diens vader vermelden, en uitleg verstrekken over de vete met Agamemnon. 

       Toneel- en filmmakers hebben de gewoonte om de handicap van onduidelijkheid uit te spelen en zo spanning op te wekken. Er waart een spook rond in de buurt van Elsinor. Waar komt dat spook vandaan? Is het de geest van een overledene? Van wie dan? Een waarom komt het spoken? De kijker zit met een heleboel vragen en krijgt daar op het gepaste moment een antwoord op.
     In de aangrijpende film A Sun pakt de Taiwanese cineast Mong-Hong Chung het anders aan*. De kijker wordt af en toe met onduidelijke toestand opgezadeld, maar die wordt zó ingekaderd door montage en toon dat hij er zich geen vragen bij stelt. De hand van een kok wordt afgehakt. Waarom? Je wilt het eigenlijk niet weten. Iemand krijgt de opdracht om een pistool leeg te schieten op een advocatenkantoor. Voert hij die opdracht uit? Je stelt je de vraag niet. Een gangster is afwezig op de plaats van afspraak. Waar is hij naartoe? Ach wat. De kijker wil bij die scène vooral weten hoe je met doorweekte kleren in een auto kunt plaatsnemen zonder die onherroepelijk smerig te maken.
     En het mooie is: op al die vragen die de kijker zich niet gesteld hebt, krijg hij uiteindelijk toch een antwoord. 
 

 

* De film is op Netflix te bekijken.

dinsdag 23 februari 2021

Coronavrees, nirwana en Xi Jinping


      Zijn coronaverstrengers zoals Boudry en De Ceulaer bovengemiddeld bang om ziek te worden en dood te gaan, en heeft dat invloed op hun mening terzake? Het eerste weet ik niet en het tweede heeft weinig belang, want een mening is juist of fout, onafhankelijk van de onverstoorbaarheid of vreesachtigheid van de meninghebber. Je moet iemand die bezwaren heeft tegen veel immigratie ook niet verwijten dat hij een ‘bange blanke man’ is, of iemand die kritisch is voor de islam verwijten dat hij aan een fobie lijdt.
     Zelf ben ik gemiddeld bang, geloof ik. Bij het begin van de pandemie heb ik eens snel wat berekeningen gemaakt. Daaruit bleek dat ik als 65-jarige ongeveer 1 procent kans had om binnen het jaar te overlijden. Door corona was dat 2 procent geworden, had ik begrepen. Ik ben toen een paar dagen ongerust geweest. Inkopen in de supermarkt probeerde ik te groeperen zodat ik er maar één keer in de week naar toe moest. Heel lang heeft dat echter niet geduurd, en ik fiets er nu weer dagelijks heen. Zo kom ik nog eens buiten. Mijn pianolessen stel ik uit tot na mijn vaccinatie, en verder hou ik mij aan de regels. Dat is het zowat. Als ik wakker lig, is het van andere dingen.
     Bij De Ceulaer is dat anders. In het Humo-interview van 9 februari is hij daar openhartig over. «Ik geef het toe: ik ben nu al bijna een jaar dag en nacht met dat virus bezig. Ik ga ermee slapen en ik sta ermee op. Ik heb er overdreven vaak over getweet, ik heb er overdreven veel over gelezen, en ik heb over bijna niks anders meer geschreven … Eigenlijk is dat niet gezond. Ik had meer afstand moeten nemen.» De Ceulaer heeft in de zomer één keer buitenshuis gegeten, zegt hij, toen dat mocht, en met inachtneming van de strengste voorschriften. Hij voelde zich daar toen niet goed bij. Ik van mijn kant heb in de zomer ook een paar keer buitenshuis gegeten en ik voelde mij daar uitstekend bij. Mensen zijn verschillend.
     Ook Boudry zegt dat hij met een ‘zwaar gevoel in zijn maag’ heeft rondgelopen toen de pandemie uitbrak en er geen maatregelen werden genomen. Toen die wel genomen waren, verdween dat gevoel. Dat lijkt erop te wijzen dat zijn malaise meer van intellectuele aard was. Hij krijgt een knoop in zijn maag als niet de juiste maatregelen worden genomen. Ik had dat vroeger bij personeelsvergaderingen op school als nieuwe pedagogische richtlijnen werden toegelicht.
     Boudry is gespecialiseerd in fallacies, drogredenen. Zijn eigen achterliggende redenering – het is een speculatie van mijn kant – komt het dichtst in de buurt van de nirwana fallacy, de drogreden van de volmaakte oplossing. Eigenlijk zou de mensheid, denkt hij, korte metten kunnen makken met deze pandemie. Het zou volstaan dat mensen overal ter wereld volmaakt rationele wezens waren, met een volmaakte afweging van hun korte en lange termijnbelang, en met een volmaakte burgerzin. Dan kwam gedurende een maand niemand zijn huis uit, niemand zeurde over tijdelijk inkomensverlies, iedereen gebruikte de tijd om leerzame boeken te lezen, droeg ook in bed een mondkapje, en niemand raakte besmet. Een volmaakt werkende overheid liet levensnoodzakelijke goederen zoals toiletpapier huis aan huis bezorgen door mannen en vrouwen in steriele pakken en volgde daarbij het beginsel ‘naar ieder volgens zijn behoeften’. Na een maand keerde de volledige vrijheid terug en werd alles weer zo gezellig als voorheen. Miljoenen mensenlevens waren gered. Wat nog overbleef aan besmetting zou door een perfect test- en traceringsprogramma in geen tijd uitgeroeid zijn.
     Natuurlijk werkt het niet zo en dat weet Boudry ook. Hij is geen nirwana-aanhanger, eerder iemand die, zoals ik het zie, worstelt met de nirwana-verleiding. We leven in een onvolmaakte wereld, met onvolmaakte wezens, met een onvolmaakte overheid. Wat dan bij zo’n coronapandemie overblijft aan keuzes, is een of ander pakket maatregelen dat zich situeert tussen het Zweedse model van Tegnell, met minder dwang en meer slachtoffers, en het Chinese model van Xi Jinping, met meer dwang en minder slachtoffers. En daar komt nog bij dat het moeilijk in te schatten is hoeveel slachtoffers er precies in dat laatste model vermeden worden, en hoe diep de dwangmaatregelen dreigen in te slijten in de mentaliteit van burgers en overheid.
     Wie met de nirwana-verleiding worstelt zal, geloof ik, iets meer in de richting van Xi Jinping loensen. In hun boek schrijven Boudry en De Ceulaer: ‘Xi Jinping - Chinese president die de crisis beter aanpakte dan Donald Trump.’ Het blijft bij loensen natuurlijk, maar toch.

zondag 21 februari 2021

De exponentiële curve als ‘matraque’

 


     Een maand geleden haalde Maarten Boudry zwaar uit naar minister Weyts. Er was in die tijd veel te doen rond de besmettingen in de scholen. Het Journaal en Het Nieuws openden ermee. Ben Weyts wees erop dat in slechts 50 van de 4000 scholen besmettingen waren vastgesteld. Toch nam de druk om de scholen te sluiten nam toe. Boudry schreef toen op zijn Facebookpagina: ‘Mijn inschatting: het is een kwestie van tijd tot de Belgische scholen dichtgaan. ALS dat klopt, dan beter vroeg dan laat. Nu nog even wachten tot de curve helemaal ontploft, is het summum van kortzichtigheid.’
     Op de laatste vijf woorden na, dacht ik toen ongeveer hetzelfde: dat de sluiting van de scholen, al was het dan om politieke redenen, onvermijdelijk was, en dat een snelle korte sluiting beter was dan een die later kwam en langer duurde. Uiteindelijk is de scholensluiting er niet gekomen en met de lente in het verschiet is het niet waarschijnlijk dat ze er nog komt. Het is te laat op het jaar. Boudry en ik hebben ons vergist. Boudry kan zich dit keer niet troosten met zijn theorie van de ‘zelfweerleggende voorspelling’*. Daarvoor moet een maatregel eerst genomen zijn om achteraf nutteloos te schijnen. Maar de maatregel, de sluiting van de scholen dus, ís niet genomen. En misschien is het maar beter ook, want het zou – om nogmaals Boudry’s woorden te gebruiken - geen ‘spijtloze maatregel’** geweest zijn.
     Hoewel ik dus indertijd dezelfde inschatting als Boudry maakte, was ik het niet zo eens met zijn argumentatie die berustte op de exponentiële groei van de besmetting. Hij schreef toen: ‘Stel dat je één balletje in je soep doet, Ben Weyts, en elke minuut verdubbelt het aantal. Hoeveel balletjes heb je dan als je een halfuurtje roert? Een miljard balletjes! … Het is hemeltergend om Weyts op het VRT-journaal te horen. De man heeft werkelijk géén idee van exponentiële groei.’
     Die vergelijking met soepballetjes klopt, geloof ik, niet helemaal. Leerlingen in scholen besmetten elkaar misschien als zich vermenigvuldigende soepballetjes, maar dat is niet noodzakelijk het geval met scholen onderling. Ik vermoed dat Weyts, zoals iedereen die middelbaar onderwijs gevolgd heeft, wél op de hoogte is van het begrip van exponentiële groei, een begrip dat in tegenstelling tot wat Boudry beweert, redelijk goed aansluit bij onze intuïtie en zeker bij de mijne***. Het probleem was niet dat Weyts rekening moest houden met een exponentiële groei – dat moest hij – maar dat hij ook moest afwegen hoe groot de kans was op zo’n groei. Boudry schrijft in zijn pandemieboek: ‘Een exponentiële curve kan eerst onschuldig lijken, een beetje zoals een lineaire curve, maar dan plots exploderen.’
     Ik heb het woordje ‘kan’ gecursiveerd omdat het ons brengt bij de kwestie van de proportionaliteit. De mogelijkheid van de explosie bestond, maatregelen waren nodig – maar welke maatregelen waren proportioneel? Moesten alle scholen dicht, of was het voldoende om de veiligheidsmaatregelen te verstrengen, meer testen in te voeren, en buitenschoolse activiteiten te verminderen, waardoor kinderen van de ene school minder gemakkelijk kinderen van een andere school zouden aansteken? Dat is geen eenvoudige afweging.
     Maar het hele begrip ‘proportionaliteit’ wordt door Boudry en De Ceulaer in vraag gesteld. ‘[H]oed u bij dreiging van een pandemie voor het woord proportionaliteit,’ schrijven ze. ‘Tegen een probleem dat exponentieel uit de hand kan lopen, moet je preventief harder optreden dan je in ‘normale’ – zeg maar: niet-exponentiële – omstandigheden zou kunnen verantwoorden.’****
     Het exponentiële karakter van de pandemie wordt hier naar mijn smaak teveel als troefkaart gebruikt. De auteurs vertellen de parabel van het schaakbord en de rijstkorrel. Als je op het eerste vakje van dat bord 1 korrel legt en dat bij de volgende vakjes telkens verdubbelt, heb je eerst 2 korrels, 4 korrels, 8 korrels en op vakje 64 niet minder dan 18.446.744.073.709.551.615 rijstkorrels, ‘[g]enoeg om heel het Indische continent onder een rijstlaag van een meter dik te bedelven.’ Dat is een mooi verhaal dat ik ken van de lagere school, maar die extreem hoge cijfers trekken niet alleen de aandacht, ze vertroebelen ook de blik.
     Als je in ons land het coronavirus ongehinderd laat razen, dan ga je geen 18,5 triljoen doden hebben, en ook geen 11 miljoen. De coronadodentol heeft geen exponentiële cúrve, maar een exponentiële fáse, zoals Boudry ergens anders terecht opmerkt. Je eindigt bij 30 000 doden, of 50 000 doden of 100 000 doden en die cijfers zijn niet meer dan veronderstellingen. En tegenover díe hypothetische cijfers weeg je de maatregelen af – niet tegenover een exponentiële abstractie die als een komeet door de ruimte schiet.
     De manier waarop Boudry over de exponentiële curve spreekt doet mij denken aan mijn jeugdjaren, zoals tegenwoordig alles mij doet denken aan mijn jeugdjaren. Een groot deel van die jaren was ik geëngageerd in de marxistische partij Amada, later PVDA, een organisatie die toen geleid werd door Ludo Martens. Die laatste was niet alleen een ideoloog, een pedagoog en een demagoog, maar ook, zoals veel politici, een intrigant. Het gebeurde meer dan eens dat hij basisgroepen ging opstoken tegen hun plaatselijke leiders. Die plaatselijke leiders gebruikten dan citaten van Marx en Lenin om zich tegen hun basisgroep te verdedigen. Waarop Martens antwoordde dat die leiders het marxisme gebruikten als matraque. En hij kon het weten, want hij deed het zelf wel eens.
    Hetzelfde denk ik nu bij Boudry: dat hij de exponentiële curve gebruikt als wapenstok, als matraque. Terwijl hij zou moeten weten dat het, naar het woord van Lenin, aankomt op de ‘concrete analyse van de concrete situatie’, en naar het woord van Karel van het Reve, op ‘moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties’. Een discussie over een scholensluiting los je niet op met soepballetjes en rijstkorrels maar met ‘concrete’ reproductiegetallen, ‘concrete’ besmettingskanalen en, jawel, proportionele ingrepen.


 * Ook ‘preventieparadox’ genoemd in het boek van Boudry en De Ceulaer: ‘Door slecht nieuws te voorspellen, zorg je ervoor dat mensen actie ondernemen, waardoor je eigen voorspelling niet uitkomt.’

 ** ‘Spijtloze maatregelen. Maatregelen die achteraf nutteloos of onnodig kunnen blijken, maar die nooit tot grote spijt zullen leiden. Winkelkarren ontsmetten is zo’n maatregel, mondmaskers afraden niet.’

 *** De enorme getallen die de curve uiteindelijk opleveren zijn wél anti-intuïtief.

**** De redenering doet mij denken aan de tipping points van de klimaatalarmisten die op dezelfde manier de proportionaliteitskaart overtroeven. Zie ook hier.

zaterdag 20 februari 2021

De coronacijfers zijn nooit hoog genoeg

 


     Net zoals de maatregelen tegen corona voor Boudry en De Ceulaer nooit streng genoeg zijn, achten ze de cijfers van slachtoffers nooit hoog genoeg. Nochtans zijn de cijfers op zich al erg genoeg. Bij het begin van de coronacrisis hadden onze virologen veel lagere cijfers voorspeld. Ze kwamen toen nog niet dagelijks op de televisie, maar als ze af en toe de krant haalden,  spraken ze over enkele honderden, maximaal enkele duizenden doden. Het zijn er ondertussen 20 000. Je kunt dat cijfer wat naar beneden krijgen door  een onderscheid maken tussen ‘sterven aan corona’ en ‘sterven met corona’, maar dan kun je nog altijd niet om de ondubbelzinnig oversterfte heen in de categorie van de 65-plussers: meer dan 17 000.
     Ook kun je het cijfer proberen weg te zetten door te verwijzen naar de hoge leeftijd van veel van de slachtoffers.  Maar dan blijkt dat die doden gemiddeld ongeveer 13 levensjaren verloren hebben. Boudry en De Ceulaer geven geen uitleg bij dat hoge cijfer dat ingaat tegen onze intuïtie, en daarom doe ik het maar. We gaan er teveel van uit dat bij een gemiddelde levensverwachting van 80 jaar, een 75-jarige nog 5 jaar te leven heeft, en een 80-jarige nog 0 jaar. Dat is natuurlijk niet zo. De 75-jarige heeft gemiddeld nog 12 jaar te goed, en een 80-jarige nog 8,9 jaar. Als je toch zover geraakt bent, kunnen er best nog wat jaartjes bij.
     Die reële hoge cijfers – 20 000 doden, massale oversterfte, 13 verloren levensjaren – zijn voor Boudry en De Ceulaer echter onvoldoende. Ze dikken de coronaschade verder aan met hypothetische cijfers. Zo spreken ze vaak en uitgebreid over het aantal slachtoffers dat er zou geweest zijn zonder lockdown. Ze komen dan aandragen met uitdrukkingen als ‘vijf keer zoveel’ en ‘50 000 tot 100 000 doden’. Dat lijkt erg veel, maar als je goed zoekt en geduld hebt vind je nóg hogere cijfers. Op 6 februari, enkele dagen na de verschijning van het boek, citeert Boudry op zijn facebookpagina een studie van Nature die spreekt over 120 000 doden die er in België geweest hadden kunnen zijn tegen 4 mei 2020. Dat is ‘15 keer zoveel’, voegt Boudry er tevreden aan toe, als het aantal werkelijke doden op dat moment. Ik ben blij dat Boudry die studie van Nature nog niet kende toen hij zijn boek schreef. Of ze toch niet citeerde. Ik werd al zenuwachtig van die ‘5 keer zoveel’.
     Wat ik verder eigenaardig vind, is dat de neiging om maximale, pessimistische cijfers te kiezen voor de coronadodentol, dat die neiging zich ook uitbreidt naar andere domeinen. Zo spreken de auteurs van de 40 miljoen dodelijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Wij leerden op school over 20 miljoen doden;  en.Wikipedia spreekt van 15 tot 22 miljoen (hier). Ook citeert Boudry de gevolgen van Corona voor de wereldarmoede. Hij geeft eerst de cijfers van de Wereldbank: 150 miljoen extra mensen in extreme armoede, wat best mogelijk is. Maar daarna citeert hij nogal onvoorzichtig de Verenigde Naties die vrezen dat covid ‘letterlijk decennia van vooruitgang zal wegvagen’. Hier heeft Boudry niet goed nagedacht. Wie zoals hij goed weet welke vooruitgang er op dat terrein gedurende de laatste decennia gebeurd is, kan moeilijk geloof hechten aan het ‘letterlijk’ wegvagen van die vooruitgang. Zo’n evolutie zou trouwens in tegenspraak met zijn voorspelling in de epiloog dat de wereld na corona vrij snel zou kunnen normaliseren.
     Het lijkt wel of de ene overdrijving de andere oproept en zelfs Boudry tot een inconsequentie verleidt.

 

vrijdag 19 februari 2021

De wetenschappelijke consensus en de kritische burger


      Voor ik hun boekje las, was ik bang dat Boudry en De Ceulaer* op elke bladzijde het argument van de ‘wetenschappelijke consensus’ zouden gebruiken . Dat is niet het geval. Dat komt vast omdat ze de beperkingen van dat argument inzien, maar ook omdat ze betreffende corona zelf wat buiten de consensus staan. Hun crash-the-curve is nog altijd controversieel, en mensen als Yaneer Bar-Yam en Nassim Nicholas Taleb waar zij zich achter scharen, geven niet de grondtoon aan binnen de epidemiologie. Die laatste is zelfs geen epidemioloog, en meestal heeft Boudry het niet graag als wetenschappers sterke uitspraken doen over een domein waar ze niet in gespecialiseerd zijn, vooral als die uitspraken hem niet zinnen. Ook is de consensus rond corona vaak fout geweest: over de mondkapjes, over de aërosolen, over de besmetting van de kinderen en op scholen.
    In plaats dus van eenzijdig de wetenschappelijke consensus in te roepen, huldigen de auteurs een gezond scepticisme. Zo schrijven ze onder meer: ‘Toch kunnen kritische burgers [die geen specialisten zijn] helpen om het kaf van het koren te scheiden en om experts uit te dagen, op voorwaarde dat ze [de burgers] deugdelijk redeneren en zich zo goed mogelijk informeren over wetenschappelijke inzichten.’ Daar ben ik het grondig mee eens. En dat die burgers ook zelfkritisch moeten zijn, ook dáár ben ik het mee eens. Als leraar kreeg ik dikwijls richtlijnen van hogerhand dat ik mijn leerlingen ‘kritische zin’ moest bijbrengen. Ze moesten meningen ‘in vraag leren stellen’. Dat vond ik ook, maar dan toch zeker ook hun eigen meningen.
     Boudry geeft in het boek een verklaring waaróm geïnformeerde leken de zaken soms scherper zien dan de specialisten, namelijk omdat ze niet bezwaard zijn door oude kennis die niet van toepassing is op een nieuwe situatie. Er kan zelfs een woordje van lof af voor de sociale media: ‘Wie tijdens deze pandemie betrouwbare informatie over mondmaskers wilde, kon die haast makkelijker op sociale media vinden dan in de landelijke kranten of op de tv-zenders.’
     En zelfs die sociale media heb je niet altijd nodig. Helemaal bij het begin van de coronacrisis heeft een collega op school mij uitstekend voorgelicht. Dat covid geen griepje was. Dat de ‘collateral damage’ aanzienlijk kon zijn als men de gewone gezondheidszorg zou terugschroeven. En dat de grote besmettelijkheid van corona wees op mogelijke verspreiding door aërosolen. Dat was allemaal ongeveer het tegenovergestelde van wat de experts toen beweerden.  Hun bewering dat mondkapjes niet werkten, beantwoordde mijn collega met een krachtig: tarara! Verder wist ik ook zonder haar uitleg dat scholen wel degelijk een ‘hulpmotor’ bij virusverspreiding kunnen zijn. Ik heb wel eens op een schoolbus gezeten.
     Naast de ‘burden of knowledge’ zijn er nog veel meer redenen waarom wetenschappers zich kunnen vergissen. Ze kunnen uit de grote hoeveelheid feiten, cijfers en studies geneigd zijn om die te kiezen die hen het beste uitkomen. Misschien is de kwestie gepolitiseerd en speelt hun politieke overtuiging mee. Misschien beleven zij een ‘moment de gloire’ en gaan ze spreken als beleidsmensen in plaats van als wetenschappers. Misschien willen ze de aandacht trekken door een extreem standpunt in te nemen, of door iets anders te zeggen dan hun collega’s.
     Wat dat laatste betreft: ik geloof dat het omgekeerde vaker voorkomt en dat experts hun status proberen te verhogen door vooral hetzelfde zeggen als hun collega’s. De Ceulaer noemt dat ‘rally around the flag’. Hij bespreekt dat in verband met de pers, maar er is geen reden waarom het niet ook op wetenschappers van toepassing zou zijn. Het zou af en toe wel eens de verklaring kunnen zijn van een of andere ‘wetenschappelijke consensus’. Er is in de psychiatrie heel lang een consensus geweest over de waarde van Freuds dromentheorie. Kritiek kwam van buitenstaanders als Karel van het Reve en Vladimir Nabokov, die achteraf gelijk bleken te hebben.
     In hedendaagse polemieken lees je soms het woord ‘wetenschapsontkenner’. Dat lijkt mij, naast een scheldwoord, ook een veralgemening te zijn. Er zijn namelijk verschillende wetenschappen en ze hebben een verschillende graad van zekerheid. Die van wiskunde is groter dan die van sociologie. Zo interpreteer ik toch
 het liedje van Tom Lehrer, al moet eraan toe worden gevoegd dat Lehrer zelf een wiskundige was, en zich niet noodzakelijk objectief opstelde in de materie. Zo is er, geloof ik, ook een afnemende zekerheidsgraad als we van microbiologie, over virologie en epidemiologie, naar ‘algemene gezondheidswetenschappen’ afdalen.
     Als regel vermindert de zekerheidsgraad van een wetenschap naarmate ze afhankelijk is van statistische modellen met veel variabelen. Boudry geeft een goed voorbeeld van wat wetenschap met wél een hoge zekerheidsgraad vermag: ‘Binnen enkele weken na de uitbraak, op 10 januari 2020, kenden wetenschappers het volledige genoom van SARS-CoV-2, tot op de laatste letter. Niet meer dan vijf dagen later werd het eerste vaccinontwerp ontwikkeld.’ Dat kan de wetenschap dus wel, en er volgt niet veel ‘ontkenning’ op. Maar een jaar na de uitbraak, heeft men nog altijd de grootste moeite om de dodentol van België, Zweden en Noorwegen met elkaar te vergelijken. Hoeveel moeilijker moet het dan niet zijn om ook nog eens met enige mate van zekerheid uit te maken waarom die dodentol in die drie landen zo verschillend is?
     Boudry en De Ceulaer geven de ‘kritische burger’ een aantal adviezen om zich te oriënteren tegenover de schijn van wetenschappelijke consensus, en tegenover de werkelijkheid van wetenschappelijke onzekerheid. De auteurs formuleren vuistregels voor het deugdelijk denken. Zo moeten we een bepaalde coronamaatregel niet verwerpen omdat hij niet erg effectief is. Het is niet de maatregel op zich maar de combinatie van maatregelen die het hem doet. De auteurs noemen dat het Zwitserse Kaasmodel, omdat één plakje vol gaten zit en alles doorlaat, maar als je er een stapeltje van maakt worden de gaten van het ene plakje afgedekt door een volgend plakje met ándere gaten. Hoe dikker het stapeltje, hoe minder er wordt doorgelaten. Toegepast op corona: er kan altijd een extra maatregel bij, dan zal het nóg veiliger zijn. 
     Helaas is er een probleem met vuistregels en algemene beginselen. Als je wat zoekt, vind je er wel een andere, die ook meteen een ander resultaat oplevert. Neem bijvoorbeeld het beginsel van de afnemende meeropbrengst: volgens dat  beginsel zal elke extra maatregel minder extra veiligheid opleveren, zodat bij teveel maatregelen de kostenbaten verhouding uiteindelijk negatief wordt. Je kunt dus, met dat beginsel voor ogen, makkelijk verder met een of twee maatregelen minder, zonder dat je al te veel veiligheid verliest. Kort gezegd: als het om vuistregels en beginselen gaat, komt het erop aan ze goed te kiezen.
     En ook je experts moet je goed kiezen. Wat doe je bijvoorbeeld als de ‘officiële virologen en epidemiologen van een land een - naar je mening - te slappe aanpak van corona voorstaan. Dat is wat in België gebeurde volgens De Ceulaer. Dan moet je ze met ‘lastige vragen’ overvallen. Je moet de ‘overheid uitdagen, schijnbare vanzelfsprekendheid ter discussie stellen en het debat aanzwengelen. Niet met complotgekkies of wetenschapsontkenners. Wel met bonafide stemmen, vaak uit het buitenland, die met de plaatselijke experts van mening kunnen verschillen.’ Dat is mooi. Maar wanneer is iemand een ‘bona fide stem’? Ik denk: als die ongeveer hetzelfde zegt als De Ceulaer.  De Zweed Anders Tegnell is dat niet, maar Yaneer Bar-Yam en Nassim Nicholas Taleb zijn dat wel. De eerste is een wetenschappelijke ‘spookrijder’, en de andere twee rijden op hetzelfde baanvak als Boudry en De Ceulaer. Met wetenschappers doe je zoals je bij kersen doet: je begint met degene die meest in de smaak beloven te vallen.
    Ik doe dat zelf ook natuurlijk. Ik had daar het voorbeeld van Boudry en De Ceulaer niet voor nodig. In de wetenschappen met lage zekerheidsgraad zijn er lui  die praatjes hebben die mij aanstaan, en anderen die praatjes hebben die mij niet aanstaan. De eerste probeer ik zo goed mogelijk te begrijpen, de tweede laat ik wat links liggen en ik probeer ze, uit beleefdheid, zo min mogelijk als ‘spookrijders’, ‘grote roergangers’ of ‘niet bona fide wetenschapsontkenners’ te omschrijven.

 

* Ik heb over het boekje van Boudry en De Ceulaer al twee stukjes geschreven: hier en hier. Begin maart van vorig jaar heb ik als ‘kritische burger’ volgend stuk geschreven: hier.

donderdag 18 februari 2021

Boudry en De Ceulaer: achterafklap vanuit station 3


     Het corona-boekje van Boudry en De Ceulaer* kun je best omschrijven als een reeks luchtige columns, opgebouwd rond een hondertal alfabetisch gerangschikte trefwoorden. Er komen geen tabellen in voor, slechts zes grafieken, en ook met cijfers zijn de auteurs spaarzaam. Dat is prima. Ik heb indertijd gevraagd aan onze virologen om wekelijks zo’n column voor leken te schrijven waarin ze elke week iets anders zouden uitleggen over corona, in plaats van dagelijks hetzelfde te vertellen op televisie*. Boudry en de Ceulaer zijn geen virologen, maar ze hebben wel een boekje geschreven in de vorm die ik gevraagd had. Ik heb het dankbaar gelezen.
     Ik heb weer een en ander bijgeleerd. Nu weet ik dat die mist die ik bij vriesweer uitblaas eigenlijk mijn aerosolen zijn die voor één keer zichtbaar worden. En dat je de bevolkingsdichtheid van zo ongelijke landen als België en Zweden kunt vergelijken door het grondgebied te rasteren in stukjes van één vierkante kilometer, en dan alleen de vakjes mee te tellen waar mensen wonen.** En dat vleermuizen een kwart van alle zoogdieren op aarde uitmaken.
     Het boekje is anders geen neutrale samenvatting van de huidige kennis inzake corona, maar een verzameling van argumenten, redeneringen en principes die bruikbaar zijn om de kwestie te benaderen, en dan vooral om een heel streng anticoronabeleid te rechtvaardigen. Je hebt in heel grote lijnen drie kampen. Degenen die alleen de risicogroepen in de maatschappij willen afschermen van besmetting (‘omgekeerde lockdown’), degenen die de besmettingsgraad voldoende laag willen houden zodat de ziekenhuizen niet overbelast worden (‘flatten the curve’) en ten slotte degenen die de besmettingsgraad tot ongeveer nul willen terugbrengen zodat er niemand ziek wordt of overlijdt (‘crush the curve’). Als ik het goed heb, bevindt het treintje van onze televisievirologen zich ergens op de lijn tussen de tweede en de derde oplossing plaatsen, terwijl dat van Boudry en De Ceulaer al lang in station 3 staat.  
     Vanuit station 3, hebben ze veel kritiek op de blunders uit het verleden: de regering aarzelde te veel, kwam te laat met maatregelen en te vroeg met versoepelingen, de virologen susten, de communicatie was te geruststellend. Dat vat het zowat samen. Wie het daar allemaal niet mee eens is, zal door het boekje niet overtuigd worden. Iemand overtuigen is op zich al moeilijk en in kwesties waar pro en contra moeten worden afgewogen is het nog veel moeilijker. Laat ik het zo zeggen: de argumenten van Boudry en De Ceulaer zijn subtiel genoeg om de zwakke broertjes van het andere kamp te weerleggen, maar helaas kunnen die zwakke broertjes weinig aan met subtiliteit. En de sterke broertjes van het andere kamp hebben zelf ook subtiele argumenten.
      Zelf behoor ik in die materie tegen mijn gewoonte in tot geen enkel kamp. Maar als ik de beleidsblunders overloop die Boudry en De Ceulaer aanklagen, zijn er dat die ik ongetwijfeld ook allemaal zou hebben begaan, of andere die nog erger waren. Er is slechts één blunder die ik had vermeden omdat hij niet met mijn natuur strookt. Toen de gunstige berichten over de vaccinontwikkeling binnenkwamen zou ik niet te lang getreuzeld hebben en ik zou niet te scherp onderhandeld hebben over de prijs (zie ook hier). Ik zou daarentegen gulzige hoeveelheden van álle vaccins besteld hebben. Met die zekerheid van grote bestellingen, konden de farmaceutische firma’s grotere financiële middelen inzetten voor een massalere en snellere productie dan nu het geval is. Als er uiteindelijk een of twee vaccins bij waren die niet werkten, dan kon ik ze nog altijd weggooien. En als ik met een overschot zat, zou ik die, na het inenten van de eigen bevolking, gratis verstuurd hebben naar de arme landen.
     Ik zou natuurlijk te veel hebben betaald, maar dat verlies stelt weinig voor vergeleken met de winst van een economie die één, twee of drie maand vroeger had kunnen opstarten. De winst en het verlies zouden, om het met de woorden van Boudry en De Ceulaer te zeggen, ‘asymmetrisch’ zijn geweest.  De EU is voor één keer te zuinig geweest, stel je voor. Alleen komt díe onbetwistbare blunder in het boekje niet ter sprake. Het moet grotendeels geschreven zijn toen de vaccinontwikkeling minder ver gevorderd was dan nu. Daardoor valt het voor mij nu wat onder de noemer  ‘achterafklap’, wat ook het trefwoord is waar de auteurs mee beginnen***.    

 

* Over het coronaboekje van Boudry en De Ceulaer heb ik hier al iets geschreven. Over mijn voorstel voor coronacolumns voor leken: zie hier. Over mijn vaccinatie-ongeduld: zie  hier.

** De bevolkingsdichtheid in België is vijftien keer hoger dan die in Zweden. Maar volgens de rastermethode is ze maar vijf keer hoger – wat nog altijd een groot verschil is.

*** De auteurs gebruiken het woord in de betekenis van ‘I told you so’. Ik gebruik het in de betekenis van ‘mosterd na de maaltijd’.

 

woensdag 17 februari 2021

Corona en de economie - de schade door 'het virus zelf'


       Je moet je als leek, vind ik, je geen oor laten aannaaien door een expert. Een pedagoog die met de boodschap leurt dat ‘herexamens’ niet helpen’, die moet bij mij niet aanbellen. Ik zou hem meteen vragen of dat ook geldt voor het rijexamen. Of ik zou hem zeggen dat hij eens bij de buren moet navragen of ik dáár niet ben. En ik zeg dat nu als gepensioneerde leraar, maar ik zou ook zo gereageerd hebben als ik nooit had lesgegeven.
     Zo is ook een economist die beweert dat ‘het virus zelf’ de economie meer schade berokkent dan een lockdown, bij mij aan het verkeerde adres. Ik weet net als iedereen dat de slachtoffers vooral onder gepensioneerden vallen, en díe zijn het niet die de economie rechthouden. Bij ons thuis is er maar één die de economie nog recht houdt en dat is mijn vrouw. Als die aan covid overlijdt, gaat het BBP achteruit, maar als ik eraan overlijd, zal het best meevallen.
     Tegelijk voel ik mij bij zo’n uitspraak wat ongemakkelijk. Ik wil weten wat die pedagoog of die economist écht bedoelen. Het zit mij niet lekker als ik tegen iets ben, waar ik de achtergrond niet van ken. Ik dacht dus: ik stel de vraag even op Quora: Waarom zou de economie meer schade ondervinden van het coronavirus zelf dan van een lockdown ertegen, zoals sommigen beweren? En ik stelde die vraag in het Engels om mijn net zo breed mogelijk uit te gooien. De reacties volgden onmiddellijk. Dat het gewoon zo wás. Dat ik geen vragen moest stellen waarvan ik in mijn verwaandheid het antwoord toch al meende te kennen. Dat de kudde-immuniteit een weerlegde theorie was. Dat alleen idioten tegen lockdown waren. Vooral die tweede reactie stoorde mij: ik kende het antwoord juist niet.*
     Gelukkig is er nu het boekje van Maarten Boudry en Joël De Ceulaer over corona. Daarin heeft Boudry een hoofdstuk aan de kwestie gewijd onder het lemma ‘Nevenschade’. Ook hij argumenteert dat ‘het virus zelf’ meer economische schade berokkent dan de maatregelen ertegen. Zijn argumenten zijn de volgende

  1. We moeten niet alleen de coronaschade opmeten die heeft plaatsgevonden, maar de vijf keer grotere schade** inschatten die zou hebben plaatsgevonden zonder lockdown
  2. Zonder lockdown, ‘ligt binnen de kortste keren de helft van je actieve bevolking thuis ziek in bed of in het ziekenhuis
  3. Een korte krachtige lockdown berokkent minder economische schade dan een die halfslachtig is, en in de tijd wordt gerekt.
  4. Ook zonder lockdown gaan de mensen tijdens een pandemie hun gedrag bijsturen en spontaan minder economische activiteit ontwikkelen – bijvoorbeeld minder naar de kapper gaan.

 Zó is het geen onzin meer. (1) is een veronderstelling, (2) is een overdrijving, (3) is minstens in theorie juist en (4) lijkt mij de kern van de zaak. Maar (4) brengt ons ook naar het gebied van semantische verfijning. Je zou de spontane gedragsbijsturing in coronatijden ook kunnen omschrijven als een ‘vrijwillige lockdown’, te onderscheiden van een ‘opgelegde lockdown’. Dan luidt de stelling dat de economische schade ten gevolge van een opgelegde lockdown minder groot is dan die van een vrijwillige lockdown, vooral als die eerste in ideale omstandigheden worden toegepast, dat wil zeggen kort, krachtig, uitgekiend en goed georganiseerd. Dát is een redelijke stelling. Alles wat in ideale omstandigheden wordt toegepast, en kort, krachtig, uitgekiend en goed georganiseerd is, levert een voortreffelijke kosten-batenbalans op.
     Ondertussen is het beter te zwijgen beter over een economie die schade ondervindt van ‘het virus zelf’. Zo
n formulering zorgt voor verwarring, en bij mensen als ik, voor wantrouwen en slecht humeur.


* De agressiviteit van de antwoorden kan ten dele verklaard worden door mijn gebrekkige Engels. Ik had geschreven ‘as some people pretend’, waarbij ‘to pretend’ blijkbaar een minder neutrale betekenis heeft dan het Nederlandse ‘beweren’.

** Dat ‘vijf keer grotere’ is een formulering die Boudry vooral gebruikt als het om de dodentol gaat. Het is zijn veronderstelling, die hij vaak herhaalt, dat eerste golf zonder lockdown 50 000 doden zou hebben geëist in plaats van 10 000. Op andere plaatsen gebruikt hij enigszins andere cijfers. Dan beweert hij dat we nu een dodentol hebben gehad van 20 000 maar dat het er zonder lockdown één van ‘50 000 tot 100 000’ zou zijn geweest.

vrijdag 12 februari 2021

De memoires van Jo Komkommer


      Toen ik op Facebook een aankondiging zag voor het boek De opkomst en ondergang van de Citroën Berlingo van Jo Komkommer, dacht ik dat het niets voor mij was. Ik heb weinig interesse voor de geschiedenis van auto’s en iemand die als schuilnaam ‘Komkommer’ kiest, dacht ik, moest wel een flauwe grappenmakker zijn. Dat was een dubbele vergissing want ‘Komkommer’ is de echte naam van de auteur en het boek gaat niet over de geschiedenis van auto’s. Het is een bundel alleraardigste memoires – een genre dat ik erg genegen ben.
     Ook de toon van het boek bevalt mij: een combinatie van melancholie, humor en zelfspot. Dat is niet zo’n moeilijke toon om te hanteren, maar als je hem héél héél goed wil treffen, dan moet je toch van goeden huize zijn. Vooral met die zelfspot is het oppassen: als heer wil je immers je waardigheid bewaren, anders word je een komiek, een clown of een hofnar. ’t Is een dunne grenslijn maar Jo blijft altijd aan de goede kant ervan. En overigens ís Jo natuurlijk van goeden huize: zijn grootvader, leren we, was een rijke diamantair.
     In een voor mij herkenbaar hoofdstuk beschrijft Jo hoeveel moeite hij moest doen om zijn rijbewijs te halen. De eerste keer, schrijft hij, faalde hij bij het vierde manoeuvre. Het vierde manoeuvre … zo ver ben ik de eerste keer niet geraakt. Ik moest alvorens de manoeuvres aan te vatten even de ruitenwissers aanzetten. Omdat ik de juiste hendel niet vond, werd ik meteen op de bus naar huis gezet. Maar de tweede keer verknoeide ik het inderdaad ook met de manoeuvres. Jo spreekt van een trillende rechtervoet. Bij mij was het niet alleen de voet, maar het hele rechterbeen dat ongecontroleerde bewegingen maakte, eerder schokken dan trillingen. En toen ik uiteindelijk toch slaagde voor de manoeuvres, volgde de vuurproef van het kruisend verkeer. Jo vat de paniek van de beginnende chauffeur in die situatie samen in een treffend detail:  de vreugde die hij voelt telkens wanneer het verkeerslicht op rood springt zodat hij even naar adem kan happen.
     Ook herkenbaar is de geringe aanleg voor klussen. Op pagina 152 van het boek staat een foto afgedrukt met als bijschrift ‘Klusjesman Jo maakt zich op om een gloeilamp te vervangen.
 Dat is op zich al grappig, maar met de foto erbij is het nog véél grappiger. Ik heb tenminste heel luid gelachen. Zelf kan ik redelijk goed gloeilampen vervangen. Ik heb hier in huis alle boekenkasten gemaakt van timmerpanelen. Maar elk jaar wordt het wat minder. Zo zie ik er, net als Jo, geweldig tegen op als ik een fietsband moet oppompen. Als kind kon ik het, maar nu heb ik er de grootste moeite mee. Ik ben dan, net als Jo, geneigd om het materiaal de schuld te geven en moet vechten tegen de verleiding om stante pede een nieuwe fietspomp te gaan kopen en meteen aan de fietsenmaker te vragen of hij, nu ik daar toch ben, snel wat extra lucht in mijn banden wil jagen.
     Eigenlijk zijn het die herkenbare hoofdstukken die ik het liefste lees. Jo vertelt ook heel boeiend over zijn verleden als reisleider in Californië, zijn verblijf in San Francisco, zijn fietstochten met vrienden, zijn kaartavonden, zijn ervaringen als marathonloper, en nog veel meer. Maar als ik díe hoofdstukken lees, wordt mijn plezier een beetje vergald door jaloezie. Bij memoires van Grote Mannen heb ik die jaloezie niet. De bronnen van de Nijl ontdekken is niets voor mij. Ik zou opzien tegen de moeite.
     Maar wat Jo heeft meegemaakt, dat hàd mijn leven kunnen zijn. Californië, San Francisco, fietstochten, kaartavonden … met iets andere keuzes in mijn leven, met een iets avontuurlijker aanleg, met iets meer talent voor vriendschap, had ik dat ook allemaal gehad. Vooral dat verblijf in San Francisco spreekt tot mij, in een huis dat Jo als een ‘vrijstaat’ omschrijft, samen met een stel twintigers die ‘de schemerzone tussen de onbezonnen kinderjaren en het opnemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid als een uitgesteld paradijs beleefden’ … Die Amerikaanse fanfare van honger en dorst wordt erg aanstekelijk beschreven.  Wat had ik graag in die fanfare meegelopen.
     Tussen het schrijven van memoires door is Jo ook bijna 25 jaar receptionist geweest in een Antwerps hotel. Zoals hij het beschrijft, moet dat een fijn bestaan zijn. Toch kwam ook voor hem na een kwarteeuw het ‘is-dit-het-maar?’-gevoel. Hij wou iets nieuws proberen. Hij zocht daarom een loopbaanbegeleidster op, en na een reeks gesprekken stond haar conclusie vast: ‘Ik zie in jou een geboren leraar Frans.’
     Dàt ben ik dan weer wel geweest. En daarna leraar Nederlands, wat nóg fijner was.

 

* Ik heb al eerder iets geschreven over het boek (hier). Het is in eigen beheer uitgegeven (zie ook hier en hier), werd gedrukt op de persen van Education Prolétarienne/Proletarische Opvoeding, en kan met een Messenger-berichtje besteld worden bij de auteur (hier). Onder andere Kees van Kooten en Christophe Vekemans lieten zich gunstig uit over de eersteling van de auteur: Dinsdagen in november.

woensdag 10 februari 2021

#MeToo, Clinton en Anselmus


      Als er een #MeToo- of andere zedenzaak in de krant komt, heb je altijd gelovers en niet-gelovers. Aangezien het vaak om handelingen gaat die zich zonder getuigen voltrekken, is ‘geloven’ hier de juiste term.  Het is bij zulke zaken immers het ene woord tegen het andere, en dan wordt het moeilijk.
     Ik hou mij dan op de vlakte. In de jaren 80 had je de zaak van notaris X. In Humo en De Morgen verschenen jarenlang stukken over een notaris die zijn zoontjes van drie en van zes seksueel zou hebben misbruikt. Dat werd onder andere verklaard door zijn ex-vrouw. Ook werden de zoontjes ondervraagd door psychiaters, en hadden ze geloof ik tekeningen gemaakt van de feiten.
     Over dat alles had ik geen mening. Incest bestond nu eenmaal, en, zoals men zegt, ook in de beste families. Er waren wel drie dingen die mij deden twijfelen aan de beschuldiging. Humo en De Morgen haalden er de politieke – naar verluidt extreemrechtse – overtuiging van de notaris bij. Wat had dat ermee te maken? Ook is een echtgenote na een vechtscheiding niet noodzakelijk een onbevooroordeelde bron. En kinderen van drie en zes jaar vertellen en tekenen zo veel. Ik las toen een interview met een of andere deskundige die met zekerheid wíst dat kinderen op die leeftijd niet kónden liegen. Ik was razend op die deskundige, en ben dat nu nog altijd. Maar voor de rest bleef ik twijfelen, tot ik een discussie op de televisie zag tussen Paul Coeck en Guy Mortier. Toen dacht ik meteen: Paul spreekt de waarheid sprak, Guy probeert er zich uit te lullen en die notaris is onschuldig.
     Je kunt om veel redenen geloof hechten aan een beschuldiging. Neem de Lewinski-Clinton affaire indertijd. Did Bill have sex with that woman? Wie sprak de waarheid: Bill die zei dat er niets gebeurd was of Monica die beweerde dat er wél iets gebeurd was? Uiteindelijk is de waarheid aan het licht gekomen door een ongewassen jurk met zaadsporen, maar daarvóór moesten we ons laten leiden door toevallige krantenstukken, politieke overtuiging, sympathie of antipathie voor de betrokken personen, eigen ervaringen in dezelfde sfeer, en echte of vermeende mensenkennis. Een cijferaar kon zelfs een kleine kansberekening uitvoeren om de waarschijnlijkheid van de beschuldiging te achterhalen.
     Ik wil hier echter nog een ander element aanraken dat onze inschatting mee kan bepalen: hoe zwaarder men aan de feiten tilt, hoe eerder men bereid is om te geloven dat die feiten ook echt gebeurd zijn. Het wonderlijke daarbij is dat men hierbij springt van de beoordeling van de feiten naar het bestaan van de feiten. Het is heel erg, dus het heeft plaatsgevonden. Of: het is zó erg dat het wel moet hebben plaatsgevonden. Het doet heel in de verte denken aan het ontologisch godsbewijs van Anselmus van Canterbury. (a) God is het volmaakste wezen dat denkbaar is. (b) Iets wat niet bestaat is minder volmaakt dan iets wat wel bestaat. (c) God moet dus bestaan.
    Laten we die redenering eens toepassen op een fictieve Maarten, die door een fictieve Katrien van date rape wordt beschuldigd. Een feministe, die van de zaak niets meer afweet dan een ander, kan redeneren: (a) Date rape is de ergste misdaad die denkbaar is. (b) Iets wat alleen gefantaseerd is, kan nooit zo erg zijn als iets wat heeft plaatsgevonden. (c) De date rape heeft dus plaatsgevonden. Katrien spreekt de waarheid en Maarten liegt*.
     Er is overigens een verschil tussen de redenering van Anselmus en die van de feministe. De eerste berust op logica: vanuit de analyse van het begrip ‘volmaaktheid’ wordt het ‘bestaan’ afgeleid. De redenering van de feministe daarentegen is psychologisch (en onbewust): de mogelijkheid van het kwaad wekt zoveel verontwaardiging op dat die de loutere mogelijkheid optilt tot de hoogte van het werkelijk bestaan*.
     Je ziet iets vergelijkbaars in Amerikaanse rechtbankfilms. Zack wordt beschuldigd van moord maar pleit onschuldig. De openbare aanklager doet er alles aan om elke verminking van het slachtoffer te illustreren met gruwelijke foto’s. Maar door die foto’s kan hij eigenlijk alleen bewijzen dat die verminkingen gruwelijk zijn, niet dat ze zijn toegebracht door Zack. Ze kunnen even goed zijn toegebracht door X, Y of Z. Maar X, Y en Z zitten niet in de rechtszaal. In zekere zin bestaan ze niet.
     Dat is een oncomfortabele toestand. De gruwel moet zich vasthaken aan iets tastbaars, aan een schuldige van vlees en bloed, die voor iedereen zichtbaar is, en dat is Zack. Hoe gruwelijker de moord, hoe meer de jury gaat geloven in de schuld van Zack. Zonder Zack, die ze daar in de beklaagdenbank zien zitten, is de moord minder reëel. En ook: zonder tastbare dader lijkt de moord minder erg. Het is alsof een jurylid dat gelooft in de onschuld van Zack meteen de moord zelf wil goedpraten. 

 

* De antifeminist zal hier niet ontologisch reageren. Hij zal zoals Bill Clinton over semantiek beginnen. Sex with that woman? Definieer ‘sex’, ‘that’ en ‘woman’. Of in ons geval: definieer date rape. Ook kan de antifeminist grijpen naar de goede, oude, vertrouwde kettle logic: die date rape heeft niet plaatsgevonden én was bovendien helemaal niet zo erg. Anselmus zou zo’n logica niet hebben aanvaard, maar eigenlijk is er niets mis mee: De antifeminist denkt gewoon dat date rape én minder erg is én minder frequent voorkomt. Dat kan een morele en feitelijke fout zijn, maar is daarom nog geen logische fout. Door een handiger verwoording kun je de meeste drogredenen omzetten in een aanvaardbare uitspraak.

** Naast verontwaardiging zijn er nog andere mechanismen die een denkbeeld kunnen optillen tot bijna de hoogte van het werkelijke bestaan: vrees, hoop, wens (wishful thinking), en het aanvoelen dat iets té mooi is om níet waar te zijn.

zondag 7 februari 2021

#MeToo: hoe was het vroeger?


      Lezers van mijn blog die naar de Telefacts-uitzending over Bart De Pauw hebben gekeken, zullen nu ongetwijfeld een mening hebben over de hele kwestie. Dat komt goed uit, want dan kan ik de mijne voor mijzelf houden. Als ik niets zeg, moet ik ook de kool en de geit niet sparen. Laat de rechters het maar uitzoeken. Zij worden daarvoor betaald.
     Wat zou ik daar ook beginnen oordelen en veroordelen? Ik ben geen betrokken partij. Geen van die mensen die in de uitzending kwamen of vernoemd werden, ken ik persoonlijk. Geen van hen woont in mijn straat. En ik ben zelf nooit een belaagde vrouw of een bronstig hengstje geweest, dus mij ‘inleven’ in de gevoelens van de betrokkenen kan ik ook al niet.
     Maar als we de gevoelens, de betrokken personen en de particulars of the case erbuiten laten, dan wil ik, als men aandringt, wel iets algemeens over de zaak inbrengen. Er wordt, zo stel ik vast, meer geredetwist over de termen dan over de feiten. Het gaat over dezelfde sms-jes, maar de ene kant spreekt van verliefdheid, flirten en onnozel doen, de andere kant van machtsmisbruik, stalking en porno. Dat meningsverschil over woorden verbergt een dieper meningsverschil: die over de vraag hoe érg het was wat De Pauw die vrouwen heeft aangedaan?
     Ja, hoe erg? In de televisiereeks over New York – Pretend it’s a city legt Fran Lebowitz uit waarom ze, als onbemiddelde aankomende schrijfster in de jaren zeventig, niet bijkluste als serveerster. Iedereen deed het, je had flexibele uren en met de fooien erbij verdiende het goed. Je kon het combineren met je creatieve werk. Toch wilde Fran het niet doen. ‘You had to sleep with the manager,’ zegt ze. Fran is het type dat graag overdrijft. Er zal in de jaren zeventig heus wel hier en daar een café of restaurant bestaan hebben waar je niet moest slapen met de uitbater om serveerster te worden. Maar die toestanden waren vroeger toch veel meer gemeengoed dan nu, en niet alleen in New York.
      Toen ik aan de universiteit was, hoorde zelfs ík – en ik ben altijd de laatste aan wie men iets vertelt –, hoorde zelfs ik dus verhalen over ondernemende professoren. Iedereen wist bijvoorbeeld hoe M.  zijn assistentes benaderde: ’s avonds belde hij bij hen aan, in trainingspak en met een fles champagne in de hand. De bijzonder charmante en aristocratische S. pakte het ongetwijfeld anders aan. Ik kan mij hem niet voorstellen in trainingspak. Toch hoorde ik dat hij evengoed – naar het schijnt stormachtige – relaties met elk van zijn opeenvolgende assistentes had.
     Die praktijken had je niet alleen aan de universiteiten. In het Atheneum van M., wist ik, hadden ze een directeur met een zwak voor jonge germanistes zonder vaste benoeming. In middelgrote en grote advocatenkantoren kon je de relaties tussen de raadsmannen en hun secretaresses niet bijhouden. Bij weekbladen werden nieuwe redactrices door oudere collega’s gewaarschuwd voor de hoofdredacteur die hen voor een ‘gezellige spaghetti’ zou uitnodigen. En elk ziekenhuis had minstens één, maar meestal meerdere hitsige chirurgen die niet discrimineerden tussen verpleegstertjes en vrouwelijke stagiair-artsen. Vooral dat laatste vindt Jan, die nu zelf stagiair-arts is, erg oneerlijk. De gedachte aan die extra credit voor meisjes brengt zijn bloed aan het koken. Hij is opgelucht dat dat tijdperk min of meer afgesloten is en de toelating tot een specialisatie alleen nog op andere gronden wordt beslist.
     Maar Clerick, zul je nu zeggen, dat tijdperk is nog helemaal niet afgesloten. Hoe verklaar je anders de #MeToo-beweging? Welja, zeker, er gebeurt nog één en ander, maar mijn indruk is dat dergelijke bewegingen vooral ontstaan als het probleem voor driekwart is opgelost. Bewegingen tegen racisme, homohaat, vervuilende auto’s, partnergeweld, loonkloof tussen man en vrouw, kolonialisme in verre landen enzovoort – schakelen een versnelling hoger als  het racisme wegdeemstert, homoseksualiteit als iets normaals wordt aanvaard, auto’s minder vervuilen, partners elkaar minder aftuigen, mannen en vrouwen stilaan hetzelfde verdienen, en de laatste kolonialen een halve eeuw geleden naar huis zijn teruggekeerd*.
     
Die hogere versnelling is begrijpelijk, want de laatste loodjes wegen het zwaarst. Maar de verleiding om te overdrijven wordt ook groter. Niet alle activisten kunnen daaraan weerstaan. We leven dus in een tijd waarin het de moeite loont om zorgvuldig af te wegen**. En wie ooit betrokken raakte bij een vriendendiscussie over de zaak De Pauw – waar ik mij dus buiten hou, zie hoger – zal merken dat niet ieders weegschaal op dezelfde manier is afgesteld.
 

* Tocqueville wees er al op dat de wantoestanden van het Ancien Régime scherper werden aangevoeld naarmate ze aan het verdwijnen waren.

** Wie iets wil lezen over seks en begeerte tegen een achtergrond van machtsposities en afhankelijkheid, kan terecht bij een groot aantal klassieke werken, van de mythologische Zeus-verhalen over Jane Eyre tot Disgrace.