maandag 9 juli 2018

Niet meedoen met de mode

     Waar ik niet erg gevoelig voor ben, is ‘pushen’. Als iemand mij wil overtuigen dat ik een of ander boek, of een of andere film moet zien, dan word ik een beetje nieuwsgierig. ‘Misschien is het wel iets voor mij,’ denk ik dan, ‘of misschien ook niet.’ Ik voel mij niet ‘gepusht’ om dat boek te lezen of die film te zien, maar ik voel mij evenmin ‘gepusht’ om dat boek of die film te mijden. Dat een vriend, een onbekende of een alom tegenwoordige  modetrend iets naar voren schuiven, maakt voor mij weinig verschil. Ik beschouw het als informatie.
     Veel mensen zijn daarin anders. Als iets van alle kanten wordt aangeprezen, voelen ze zich verplicht om aan de dwang die daarvan uitgaat toe te geven, of omgekeerd – wat toch een beetje hetzelfde is –, om eraan te weerstaan. Dat laatste had je zelfs bij Karel van het Reve. ‘t Was een van zijn kleine kantjes waar hij graag de aandacht op trok. ‘Hoe langer Gödel, Escher, Bach op de bestsellerlijst staat, schrijft Karel, hoe vaster mijn voornemen om dat boek niet te lezen.’ Hij vond het kopen van zo’n boek meer ‘een ritueel voor de betere standen’ en wou zich niet laten ‘pushen’ om aan dat ritueel mee te doen.
     Ik heb dat allemaal niet, of slechts in geringe mate. Toegegeven, dat boek van Lize Spit waarvan in het Nederlands alleen al 180 000 exemplaren zijn verkocht, zal ik niet zo snel meenemen naar bad, maar Gödel, Esscher, Bach, dat is een andere zaak. Mijn vrouw kocht het voor mij toen het geweldig in de mode was. Dat is heel lang geleden. Thuiscomputers waren nog een nieuwigheid en de auteur, Hofstadter, vermeldde in de inleiding welk type tekstverwerker hij had gebruikt. Maar dat ik het boek toen niet gelezen heb, had niets met mijn verzet tegen een heersende mode te maken. Het was heel dik en bevatte logische symbolen, dát was de redden.
     Hofstadter, beweert ergens dat slechts één op tien van degenen die het boek gekocht hebben, er ook aan begonnen is, en dat van degenen die eraan begonnen zijn, er slechts één op tien het uitgelezen heeft, en dat van degenen die het uitgelezen hebben, er slechts één op tien het begrepen heeft. Het is mijn betrachting om ooit tot die voorlaatste groep te behoren.

zondag 8 juli 2018

Seksueel machtspel

     Toen ik negen jaar was, werd ik naar een kostschool in A. gestuurd. Het is de school die beschreven wordt in het eerste deel van Het verdriet van België. Ik ging er elke dag naar de mis, zat vier uur per dag in de studiezaal en werd er de eerste jaren geterroriseerd door een jongen die Claude M. heette. Op de speelplaats nam hij mij apart en dan moest ik naar zijn gezeur luisteren. Claude behandelde mij uit de hoogte, alsof ik zijn slaafje was. Hij sloeg mij niet in het gezicht of kneep niet in mijn neus, maar hij keek alsof hij er elk moment mee kon beginnen. Tijdens de vakantie droomde ik van hem.
     Het gezeur van Claude had ook een goede kant. Hij ging elke zondag met zijn vader naar de film en op maandag vertelde hij daarover. Zelf zag ik ook veel films op zondag, want mijn vader had een bioscoop. Maar daar werden alleen producten van Metro, Paramount en Warner Bros vertoond. Films die verdeeld werden door Fox, United Artists of Columbia zaten bij de concurrentie. Maar door Claude bleef ik op de hoogte van dat segment van de markt.
     Zo leerde ik voor het eerst over het bestaan van een zekere James Bond. In een bepaalde scène, werd mij verteld, stond James met zijn schouder tegen de muur geleund. Schandalig, schaamteloos, scandaleus, vond Claude het. Hij deed het even voor. ‘Als ik zo tegen een muur leunde, sloeg mijn vader mij dood,’ zei hij. Pas heel veel later begreep ik dat James bij dat schouderleunen een vrouw in badpak had aangekeken.
     Claude vertelde mij ook over de toenmalige succesfilm Cleopatra (1963). Ik heb de film onlangs op de televisie gezien en alles wat men erover vertelt is waar. Zelden is er zoveel geld uitgegeven voor zo’n vervelend resultaat en hoe meer geld er naar een scène is gegaan, des te harder slaat de verveling toe, want dan komen er meestal buikdanseressen aan te pas. Rex Harrison valt nog mee, maar van de rauwe aantrekkingskracht die tussen Liz Taylor en Richard Burton – de Romeinse haarsnit staat hem niet – moet hebben bestaan, blijft op het scherm niet veel over, zeker als je dat vergelijkt met het onvergetelijke Who’s Afraid of Virginia Woolf van drie jaar later.
     Waar Claude niet over uitgepraat raakte, was een tafereel waar Cleopatra een kussentje schopt in de richting van Caesar, die daarop moet neerknielen ten aanschouwen van zijn en haar onderdanen. Het is maar een heel kort stukje en ik had er bijna overheen gekeken. Maar inderdaad: Cleopatra schopt met een bevallig voetje een paars kussentje twintig centimeter verder, in de richting van Caesar. ‘You have such bony knees,’ zegt ze. Ik had er bijna overheen gekeken, maar Claude, met zijn negen jaar, had begrepen, of aangevoeld, wat hier aan de hand was: een seksueel machtspel als smaakmakertje vor wat komen zou maar niet getoond mocht worden.
     Claude haalde dan wel geen goede punten op zijn rapport, vroegrijp was hij wel.

zaterdag 7 juli 2018

Monica De Coninck over het getwitter van Theo Francken

     Op vrt.be zag ik een ruzie in de Kamer tussen SP.A-parlementslid Monica De Coninck en staatssecretaris Zuhal Demir van N-VA. Het ging geloof ik over de jonge moslima die van de week in de buurt van Charleroi was aangevallen en op de grond was gegooid, waarbij haar hoofddoek was afgerukt en in haar armen, borst en buik was gekerfd met een scherp voorwerp. De Coninck bracht in een parlementaire vraag die aanval in verband met de tweets van Theo Francken (‘een aantal mensen in uw fractie’). Daarop werd Demir boos en onderbrak ze het betoog van De Coninck. Dat mag Demir niet doen. Ook al is ze boos, ze moet een vragensteller laten uitspreken. De Coninck protesteerde dan ook terecht tegen die onderbreking en deed dat met enig theatraal talent. ‘We staan hier niet op de markt, ja?’ zei ze, en ze maakte daarbij een triomfantelijk gebaar als een – ja als wat eigenlijk? Als een marktverkoopster die de voordelen van een bepaald soort kookpan demonstreert?
     De Coninck gaf verder in één zin drie verklaringen voor de tweets van Francken: ‘als het potje overkookt’, ‘sommige partijen worden er rijk van’ en ‘uiteindelijk is het windowdressing’. Die verklaringen sluiten aan bij wat je je ook ergens anders kunt lezen: Francken gebruikt harde emotionele tweets om zich populair te maken, om kiezers af te houden van Vlaams belang, om te verbergen dat hij in zijn beleid braaf de Europese en juridische regels volgt, en ten slotte, om een draagvlak te creëren voor een migratiebeleid dat restrictiever is dan wat hij nu uitvoert.
     Die verklaringen zijn allemaal juist, geloof ik, maar ik zie nog een andere. Een regeringspartij heeft enerzijds een algemeen programma, waarin ze stoutmoedig haar idealen op middellange termijn uiteenzet, en anderzijds heeft ze een beleid waarmee ze een klein deeltje van dat programma probeert te verwezenlijken, rekening houdend met allerlei compromissen en techniciteiten en andere bezwaren die tussen droom en daad komen te staan. Voor niet-politici is dat laatste maar een saaie boel.
     Ik herinner mij de tijd toen Lijst De Decker begon door te breken. Die partij had een nogal opwindend programma waarmee ze allerlei moderne vormen van onvrijheid terug wou dringen. Maar die partij had de naam ‘te radicaal’ te zijn. Ze zou nooit een inbreng hebben in het beleid. En De Decker was niet sociaal aanvaardbaar. Je wou hem niet in je salon. Hij was een ‘straatvechter’. Hij was een ‘brulboei’.
     De ‘brulboei’ begon daarom te sleutelen aan zijn imago en aan dat van zijn partij. Zijn nieuw verkozen vertegenwoordigers – sommige toch – werden specialisten in technische materies. Lode Vereeck werd een gezaghebbende stem in het Vlaams Parlement. Boudewijn Bouckaert werd voorzitter van de Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen. Ik ging ‘s avonds wel eens kijken op de LDD-site en vond daar bewijzen van degelijk dossierwerk, goed uitgewerkte parlementaire vragen en opbouwende beleidsvoorstellen. Dat was allemaal best aardig, maar tegelijk ook weinig inspirerend voor een half-geïnteresseerde leek als ik. Het was allemaal te technisch en … te braaf.
     En nu kan je van de tweets van Francken veel zeggen – dat ze mijn stijl niet zijn, dat ze flirten met vulgariteit*, dat ze veralgemeningen bevatten, dat ze ondoordacht geformuleerd zijn, dat ze kwaadwillig geïnterpreteerd worden, dat ze géén ‘onmenselijke uitspraken’ bevatten zoals vaak wordt beweerd. Maar één ding is zeker: erg braaf zijn ze niet.



* Ik denk aan de door Francken geretweete foto van een zeker Brussels standbeeldje dat naar aanleiding van een zekere voetbalwedstrijd samen gemonteerd werd met een zekere op de grond liggende Braziliaanse speler. Dat zou ik nooit doen, zoals ik hier al schreef.

zondag 1 juli 2018

De snor van Hitler en het hemd van Tolstoj

 Karel van het Reve beschrijft ergens hoe een modeverschijnsel dat verdwijnt, daarna soms voort blijft leven als één ondeelbaar beeld in ons collectief geheugen. Karel noemde dat verschijnsel: de baard van Tolstoj en gebruikte de 19de-eeuwse dichter Hendrik Tollens als voorbeeld. ‘We lezen Tollens niet meer,’ schrijft Karel, ‘en zijn vergeten dat hij een baard droeg. We lezen Tolstoj, zien dat hij een baard droeg en zien in die baard iets dat typerend is voor Tolstoj – terwijl in zijn tijd zoveel mannen die baard droegen.’
     Wij kunnen hierbij opmerken dat Tollens (1780-1856) nauwelijks een tijdgenoot van Tolstoj (1828-1920) was, dat hij nog altijd een beetje gelezen wordt door bijvoorbeeld mijn leerlingen*, en dat hij bij mijn weten … geen baard droeg. Karel moet dat achteraf ook beseft hebben, want wanneer hij in een ander stuk het door hem ontdekte en benoemde verschijnsel opnieuw ter sprake bent, met hetzelfde voorbeeld, voegt hij er achteloos aan toe: ‘Misschien droeg Tollens wel geen baard, maar laat hem omwille van de duidelijkheid een baard hebben gedragen.’
     Als je begint te zoeken, vind je veel voorbeelden van ‘de baard van Tolstoj’. De haarsnit van Caesar, de gehoornde helm van de Vikings – misschien hadden de Vikings wel geen gehoornde helmen –, de eindeloos hoge hoed van Lincoln, de tweekantige steek van Napoleon, de bloksnor van Hitler. Die beelden zijn zo sterk dat ze andere beelden met hetzelfde modeverschijnsel verdringen. Mijn grootvader heeft heel zijn leven zo’n bloksnor als Hitler gedragen, en ik heb dat nooit ‘gezien’. Ik moet in mijn jeugd tientallen oudere heren met een bloksnor gezien hebben, maar die zijn mij nooit opgevallen. Ik blader in een geïllustreerde

literatuurgeschiedenis en vind er een op de bovenlip van Urbain van de Voorde en een op die van Raymond Brulez. Willem Elsschot had er een toen hij een jaar of veertig was, en in Lijmen legt Boormans aan Laarmans uit hoe een zakenman zich scheert: ‘Je baard helemaal weg, maar van je snor kon je in ‘t midden wel iets laten staan.’ Maar al die bloksnorren, van Van de Voorde, van Brulez, van Elsschot, van Laarmans en van mijn grootvader worden onzichtbaar door die ene snor van Hitler. Als ik niet zo bang was van ongepaste metaforen, schreef ik dat die andere bloksnorren in de schaduw staan van die van Hitler.
     Laatst kwam ik de baard van Tolstoj nog eens tegen, en wel bij Tolstoj zelf. De oude Tolstoj, moet je weten, droeg niet alleen een baard maar ook een boerenhemd. Om met Karel van het Reve te spreken: ‘We zien in dat hemd iets dat typerend is voor Tolstoj.’ De oude Tolstoj wou de wereld bekeren tot een nieuwe godsdienst, waarin iedereen zijn eigen schoenen maakte en iedereen voelde en leefde als de boeren. Dat boerenhemd past daarbij. Maar we vergeten dat Tolstoj ook vóór hij met zijn godsdienst bezig was, wel eens een boerenhemd droeg. Sterker nog, dat de andere Russische landheren van die tijd zich ook vaak op zijn boers kleden. ‘De Russische landheer,’ schreef een Engelse reiziger aan het eind van de 18de eeuw, ‘loopt de hele dag rond met blote nek, lange baard en gehuld in schapenvacht. Hij eet ongekookte rapen, drinkt kvas, slaapt de ene helft van de dag en gromt de andere helft naar vrouw en kinderen. De edelman kent dezelfde gevoelens, dezelfde noden, dezelfde wensen en dezelfde genoegens als de boer.’
     Dezelfde gevoelens als de boer … Die edelman van eind de 18de eeuw droeg dus niet alleen een baard en een hemd als Tolstoj. Als hij ook nog eens ‘dezelfde gevoelens als de boer kende’, dan had hij zich dus ook, al lang vóór de wijze van Jasnaja Poljana begon te zedenmeesteren, de belangrijkste beginselen van diens nieuwe geloof eigen gemaakt.


*De eerste 24 verzen van De overwintering van de Hollanders op Nova Zembla. Vroeger las ik wel eens een ander gedicht voor zoals Op de eersten tand van mijn jongstgeboren zoon of ’t Kruipend rupsje, moe gekropen.

zondag 24 juni 2018

Gewetensnood

Anders dan bij Homer staat op mijn twee schouders een duiveltje
     Vanmorgen ging ik verse broodjes halen bij de bakker. Ik doe dat elke zondag want vrouw en zoon vinden dat fijn. Zelf ben ik een gewoontedier dat ’s morgens en ’s middags liever zijn dagelijkse boterhammen (Breughelbrood Delhaize) heeft. Ik besmeer die met Vache qui rit - light, en daar schil ik dan een peer bij.
     Ik kwam dus thuis van de bakker, plaatste de zak met broodjes op de tafel, smeerde mijn boterhammen en moest dan in paniek vaststellen dat er niets geen peren meer in huis waren. Iemand anders zou nu kunnen denken: wat nu? Maar die vraag kwam helemaal niet bij mij op. Dat ik die boterhammen zonder peer zou opeten, behoorde gewoon niet tot de mogelijkheden. Ik reed dus naar de plaatselijke Proxy Delhaize, kocht voor de zekerheid meteen ácht peren, en nam in een moeite door ook nog een vers Breughelbrood mee.

     Maar dit keer spookte de wat-nu?-vraag wel door mijn hoofd terwijl ik naar huis terugreed. Zou ik thuis die oude gesmeerde boterhammen opeten, of zou ik er nieuwe smeren van het verse brood? Ik verkeerde in gewetensnood. Verschillende slechte eigenschappen streden om de voorrang. Zou ik toegeven aan mijn genotszucht en het verse brood tot mij nemen? Zou ik daarbij de heiligsschennis begaan om de besmeerde boterhammen weg te gooien? Ik kwam ooit als kind in een café en daar was een dronken volksvrouw die telkens maar herhaalde: Je l’ai vu jeter du pain dans la poubelle hier. C’est scandaleux. Moi je ne jette jamais du pain. Ça non. On je jette pas du pain.
     Halverwege de terugweg voelde ik dat de beslissing op een onderbewust niveau al genomen was. Ik zou de oude boterhammen opeten. Ik ben namelijk ook erg lui, en ik wist dat ik ertegenop zou zien om nieuwe boterhammen te smeren, als er oude gesmeerde klaarliggen. Aan die verleiding zou ik niet kunnen weerstaan.

zaterdag 23 juni 2018

Worden de rijken rijker en de armen armer?

     Nu moet je eens in de zoekbalk van Google of van een andere internetverkenner het volgende zinnetje intikken: ‘De rijken worden rijker en de armen worden armer’. Je zult veel succes hebben. Je zult cijfers te weten komen over 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. In mijn linkse tijd probeerde ik zulke cijfers te onthouden. Dat ging heel moeizaam. Al die losse cijfers zonder achtergrond of samenhang beletten mij een overzicht te krijgen van het grote geheel.
     In het laatste boek van Steven Pinker, Enlightenment Now, kreeg ik zo’n overzicht wel, ondersteund met statistieken, tabellen en grafieken. Niet iedereen houdt daarvan. Sommige mensen geloven, in navolging van Mark Twain, dat cijfers en statistieken niets dan leugens zijn. Maar het is zoals met wapens: net zoals die niet kunnen doden, kunnen statistieken niet liegen*. Het zijn ménsen die liegen en die daarvoor cijfers vervalsen of, wat vaker voorkomt, heel eenzijdig uitkiezen.
     Pinker liegt niet. Zijn cijfers hebben goede bronnen, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes.** Ze maken één zaak duidelijk: ook vandaag is het niet waar dat ‘de rijken rijker en de armen armer’ worden.
     Als je de hele wereld overschouwt is er zelfs een duidelijke daling van de ongelijkheid. Die wereldongelijkheid was geleidelijk gestegen tot 1960, bleef dan even op dezelfde hoogte, en is dan beginnen dalen vanaf de jaren 1980. Je kunt dat op verschillende manieren uitrekenen. Je kunt de landen onder elkaar vergelijken, of de individuele wereldburgers, je kunt het inkomen als uitgangspunt nemen of de consumptie, telkens kom je weer uit op een daling van de wereldongelijkheid vanaf 1980. Ik denk dat veel godsdienstleraren en derdewereldactivisten blij zullen zijn met dat nieuws, nadat ze de kleine teleurstelling te boven zijn gekomen dat hun wereldbeeld wat achterliep op de feiten.
     Die daling van de wereldwijde ongelijkheid kun je ook weergeven met een sprekende  grafiek. In de grafiek is een kameelrug verborgen – de grijze lijn met twee bulten – die de toestand van de wereld weergeeft in 1975.  In dat jaar bevinden heel wat mensen zich in de eerste bult van de halve-tot-één-dollar-per-dagverdieners. Dan is er een ‘kloof’ en daarna komt er een tweede bult van de 10-tot-20-dollarverdieners. Hogere inkomens van 50 dollar zijn zeldzaam en komen alleen in de Westerse landen voor. Heel anders is de toestand in 2015. De ‘kloof’ is weg. Er is nu een dromedarisrug met één bult in de plaats gekomen. Wiskundigen zouden het een normaalverdeling noemen. Wereldwijd zitten de meeste mensen in die ene bult van 5-tot-20 dollarinkomens, en inkomens van 50 dollar zijn géén Westerse uitzondering meer.
     Goed. De ongelijkheid is wereldwijd is afgenomen. Maar hoe zit dat als je onze westerse wereld uit dat geheel licht? Daar, moet Pinker toegeven, heeft zich een omgekeerde ontwikkeling voltrokken. De auteur illustreert dat vooral met cijfers voor de Verenigde Staten. De ongelijkheid is daar in de 19de eeuw gestegen, in de twintigste eeuw gedaald, na 1940 lange tijd gelijk gebleven, en dan vanaf 1980 geleidelijk weer gestegen. In de 19de eeuw bedroeg de Gini-coëfficiënt 0,5, in 1940 was hij gedaald tot 0,35, en sinds 1980 is hij gestegen tot het huidige niveau van 0,4. (In België is de Gini-coëfficiënt na 1980 gestegen van 0,22 naar 0,25 maar de laatste tien jaar blijft hij stabiel).***
     Er zijn dus twee tegengestelde tendensen sinds 1980. In de hele wereld daalt de ongelijkheid, maar in de Westerse wereld – en vooral in de Verenigde Staten – neemt de ongelijkheid toe. Dat komt niet omdat de ene armer wordt, en de andere rijker, maar omdat de ene sneller rijker wordt dan de andere. Als men zegt dat de wereldwijde economie winnaars en verliezers voortbrengt, drukt men de stand van zaken dus niet helemaal correct uit. De wereldwijde economie heeft overal winnaars voortgebracht, maar de ene wint veel  en de andere heel wat minder. Ook die tendens kan worden voorgesteld in een grafiek waar een aardig dier in verborgen is.
     Let op. De grafiek geeft geen inkomens weer, maar de stíjging van de inkomens, over 30 jaar, en die stijging is overal positief en nergens gelijk aan nul. Aan de linkerkant van de grafiek, de staart van de olifant, zitten de 10 procent armsten ter wereld, veelal Afrikanen. Die zijn er 20% op vooruitgegaan. Daarna wordt het interessant. Het hele lichaam en de kop van de olifant stellen de inkomens voor van de mensen wier inkomen met 40 tot 60 procent gestegen is. Veel van die mensen zijn hardwerkende Aziaten, dus die hebben dat verdiend. Vervolgens komt het minst leuke deel van de grafiek: de krul van de slurf, waar zich de arbeidersklasse van de Westerse wereld bevinden. Die zijn er slechts 10 procent op vooruitgegaan. Wie in een autofabriek of bij een staalreus is blijven werken, is er natuurlijk veel meer op vooruit gegaan, maar het aantal van zulke arbeidsplaatsen is verminderd en er zijn er andere in de plaats gekomen bij koeriersdiensten, schoonmaakbedrijven en hamburgerrestaurants. Die nieuwe, minder betalende arbeidsplaatsen halen het gemiddelde loon van de arbeidersklasse naar beneden. Waar de slurf ten slotte weer steil de hoogte in gaat, vanaf de 4 procent rijkste wereldburgers, is de inkomensstijging weer interessant. Ik geloof dat ik daar als Vlaamse leraar nog net bij hoor. ’t Is ook het verhaal dat mijn loonbriefjes mij vertellen.
     Zal ik dat allemaal kunnen onthouden. Ik denk het wel. 1980. Daling van wereldwijde ongelijkheid. Stijging van ongelijkheid in het Westen. Kameel, dromedaris, olifant.  Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 0,35 naar 0,4. Belgische van 0,22 naar 0,25. Loon Vlaamse leraren in stijgende lijn.

* Sommige statistieken hebben, dat moet ik toegeven, een vrije verhouding met de werkelijkheid. In veel derdewereldlanden lees je aan het bruto binnenlands product maar een klein deel van de economische werkelijkheid af. Toch blijft dat product een redelijke graadmeter om te vergelijken met soortgelijke landen, of om tendensen van stijging of daling te onderkennen.

** De cijfers in dit stuk komen uit de primaire bronnen van Pinker en enkele andere internetpublicaties.
- Moatsos, M. e.a. 2014. Income inequality since 1820. In J. van Zanden e.a. (red) How was life? Global well-being since 1820. Paris: OECD. (Voor de niet gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen tussen 1820-2000)
 - Milanovic, B. 2012. Global income inequality by the numbers: In history and now – an overview. Washington: World Bank Development Research Group. (voor de gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen 1945-2012)
- Milanovic, B. 2016. Global inequality: A new approach for the age of globalization. Cambridge, MA: Harvard University Press. (Gini-index vergelijking tussen wereldburgers op basis van inkomen (1825-1890 en op basis van inkomen en consumptie tussen 1980-2015, daling en stijging van Gini-index in de Verenigde Staten 1775-2013, olifantgrafiek).
- Gapminder, via Ola Rosling, http://www.gapminder.org/tools/mountain. (voor de kameel- en dromedarisgrafiek)
- United Nations Development Program. 2004 [via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_landen_naar_inkomensverschillen]. (voor de Gini-index van Europese landen)
- De Ivoren Toren, http://www.ivorentoren.be/2017/08/07/dertig-jaar-inkomensverdeling-in-belgie/ (voor de evolutie van de Gini-index in België)

 *** De Gini-coëfficiënt geeft de mate van ongelijkheid weer. Een coëfficiënt van 0 betekent dat iedereen precies hetzelfde verdient. Een coëfficiënt van 1 betekent dat één iemand zich alle inkomen toe-eigent, en al de rest niets krijgt. De Gini-coëfficiënt in Europa schommelt tussen 0,25 (België, Finland, Zweden) en 0,33 (Frankrijk, Nederland, Zwitserland).

zaterdag 16 juni 2018

Eén academica in het migratiedebat

      Ik las vandaag een bijdrage van postdoctoraal onderzoekster Luce Beeckmans op Knack.be. Beeckmans is doctor in iets, werkt aan de Gentse universiteit en doet onderzoek naar ‘de ruimtelijke implicaties van immigratie’. Zeker, iemand moet dat doen. Ze stelt zich voor als ‘geen wereldverbeteraar, maar wel academica’. Welja, die moeten er ook zijn. Ik wou meteen een antwoordje schrijven, maar bij een tweede lezing zonk de moed mij in de schoenen. In elke zin zat wel een slakje dat uitnodigde om er zout op te strooien. Het was té veel. Ik voelde mij als de Joker in Tim Burtons Batman. ‘So much to do and so little time,’ zucht die, terwijl hij ijverig verdergaat met het uitknippen van plaatjes uit een tijdschrift.
     De academica stoort zich zoals zovelen aan de wóórden die gebruikt worden in de immigratiediscussie. Ze heeft het vooral gemunt op de uitdrukking ‘illegale vluchteling’ en, een beetje verrassend, ook aan het woord ‘mensensmokkelaar’. Ik laat die semantische discussies echter graag terzijde om meteen de positieve boodschap van de academica voor het voetlicht te brengen. Die luidt als volgt. De Conventie van Genève moet dringend worden aangepast. Niet alleen redenen van vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging, maar ook economische redenen moeten recht geven op het vluchtelingenstatuut. De academica ondersteunt dat standpunt door te verwijzen naar de globalisering en de vrijemarkteconomie die toelaten dat ‘multinationals mensen aan de andere kant van de wereld tegen een hongerloon laten werken.’ Dat zorgt volgens haar voor een ‘structureel onevenwicht’ en het is dat ‘structureel onevenwicht’ dat de “illegale migratiestromen”* op gang brengt’.
     Ik ben niet helemaal zeker wat met dat ‘structureel onevenwicht’ wordt bedoeld. Meent de academica dat die multinationals de landen aan de andere kant van de wereld ármer maken, waardoor de mensen dan naar hier moeten komen om te overleven? Dan heeft ze ongelijk. En ergens weet ze dat zelf ook, geloof ik, want ze geeft als voorbeeld van zo’n door multinationals geplaagd land … Vietnam. Dat is nu niet meteen het land dat zijn zonen en dochters in groten getale naar Europa zendt. De zonen en dochters – vooral zonen geloof ik – die hier aankloppen, komen uit landen die opvallend gespáárd zijn gebleven van de plaag der multinationals – landen als Somalië, Soedan, Eritreia en Afghanistan.
     Aan de andere kant heeft de academica ook gelijk. De globalisering zorgt waarlijk voor ‘structurele onevenwichten’ doordat die arme landen … rijker worden**. Het is die toenemende ríjkdom die zorgt voor een toestroom van migranten. Toen de hongersnood toesloeg in Biafra (1967) of Bangladesh (1974), kwamen er uit die landen helemaal geen vluchtelingen aankloppen op de Europese achterdeur. Om te kunnen vluchten naar Europa moet je enige financiële reserves hebben. Die hadden de Biafranen en Bengalezen niet.
     De dag van vandaag kost een oversteek van Libië naar Italië alleen al 1000 euro voor een volwassene en 500 euro voor een kind. En dan hebben we het nog niet over de kosten om in Libië te geraken, of om van Italië in een ander, meer gewenst land te komen. Veel vluchtelingen betalen tot 4000 euro per man voor een combinatie van vliegtuig- en bootreis. Er bestaan goedmenende lieden die geloven dat de immigratiestroom alleen kan worden gestopt door een versnelde economische ontwikkeling van de arme landen. Op lange termijn is dat zo. Maar op korte en middellange termijn is het net omgekeerd: door die economische ontwikkeling krijgen meer mensen de financiële middelen die nodig zijn om de vlucht naar Europa te wagen.

     De academica schrijft ook iets over de mensensmokkelaars. Goed, ze bestaan, ze geeft het toe, en ze houden er ‘drieste praktijken’ op na waarvoor ze ‘vervolgd zouden moeten worden’. Maar ’t zijn anderzijds ook maar mensen die ‘proberen een alternatieve overlevingseconomie aan te boren’. Ja, zo kun je het ook bekijken. ‘Vluchtelingen hebben mensensmokkelaars nodig.’ Voorwaar een nuchtere zienswijze. Mensensmokkelaars zijn ‘niet de oorzaak, maar een gevolg van de vluchtelingencrisis’, schrijft de academica. Ik twijfel er niet aan. ‘De jacht op mensensmokkelaars,’ voegt ze er nog aan toe, is al te veel een voorwendsel geworden om de vluchtelingenstroom in te dijken.’ Goed, goed, we hebben het begrepen. De academica wil niet te veel indijken.
     En hoe wil ze de mensensmokkel dan aanpakken? Eenvoudig. Door vluchtelingen asiel te laten aanvragen in hun land van herkomst en hen vervolgens naar hier te laten komen langs ‘alternatieve, veilige en legale routes’. Het zou de vluchtelingen ‘een dure en onmenselijke reis kunnen besparen, zowel in het geval van erkenning als van niet-erkenning’. Is er dan ook niet-erkenning?, vraag je je verschrikt af. Ja, er is ook niet-erkenning! Want ‘natuurlijk kunnen we niet alle vluchtelingen asiel verlenen’, aldus de academica.
     Die aanpak zal, vrees ik, niet goed werken. Eerst breid je de categorie van vluchtelingen uit tot de economische migranten, dan vergemakkelijk je de asielprocedure en zorg je voor een goedkope reis, en ten slotte ga je dan aan een deel van de arme drommels zeggen dat de boot vol is. Wedden dat die arme drommels zo snel als het licht een mensensmokkelaar onder de arm nemen om door een andere boot te worden overgezet. Ik zou die andere boot dan graag ‘illegaal’ willen noemen, maar de academica houdt niet van dat woord.

* Dr. Beeckmans schrijft de uitdrukking tussen aanhalingstekens. Ze haalt op het einde een academische gewoonte aan die ik niet kende. ‘[In de academische wereld] plaatsen we woorden die naast hun gangbare betekenis ook een andere invulling hebben of die omstreden zijn tussen aanhalingstekens.’ Ik zal daar in het vervolg eens op letten.

** Steven Pinker, in het besluit van zijn hoofdstuk ‘Inequality’ (2018, Enlightenment Now, p. 120): ‘As globalization and technology have lifted billions out of poverty and created a global middle class, international and global inequality have decreased.’ Je leest beter het hele hoofdstuk.

donderdag 14 juni 2018

Belgen wonen ruimer dan nodig

Molensloot - waar kapitein Haddock Bianca Castafiore ontvangt
     Ik zal nooit iets slechts zeggen over ons aardige huisje aan de bosrand, maar ’t is geen kasteel, en eigenlijk kun je toch niet helemaal gelukkig zijn als je niet in een kasteel woont. Dat kasteel moet dan liefst niet zo groot zijn als dat van Chambord, of dat van Citizen Kane in die film – liever iets als Molensloot van kapitein Haddock, of dat landhuis van Milou en mai, of zo’n neo-gotisch optrekje midden in een parkje, zoals je vaak ziet langs de kant van de weg als je ergens naartoe rijdt. Zelf heb ik het geluk om op een kasteelachtige school les te geven, met ruime lokalen, hoge muren, brede gangen, royale trappen en een uitgestrekt park. De verkwisting van ruimte is er hartverwarmend.
     Zo’n kasteel – ’t is vind ik de enige beschaafde manier van wonen. Iedereen zou er eentje moeten hebben. Ook het dienstmeisje dat er het stof opneemt en de butler die er opdient zouden ’s avonds thuis moeten komen in woning van vorstelijke afmetingen. Soms zie je interviews met rijke mensen uit Hollywood, oude filmsterren of populaire zangers of producers, en die zitten dan hun verhaal te vertellen in een kamertje van vier op vier, met de rug tegen de muur gedrukt, in een fauteuil die te veel te groot is voor de krappe ruimte. Zielig vind ik dat.
Château du Calaoué waar Milou in mei zijn gasten ontvangt
     Iedereen een kasteel? Wij zijn er nog lang niet, maar in ons land zijn we al wat dichter bij dat ideaal dan andere landen. Europa houdt daar statistieken van bij. ’t Zijn helaas niet de cijfers die ik zou willen weten, namelijk die van de hoeveelheid vierkante meter woonruimte waarover de gemiddelde Belg, Nederlander, Fransman of Maltees beschikt. Of liever nog: van de hoeveelheid kubieke meter, want de hoogte van de kamers telt ook mee. Ik ben opgegroeid in een huis met hoge kamers.
     Maar de Europese cijferaars hebben dus geen kubieke meters geteld. Ze hebben geteld hoeveel slaapkamers een gezin heeft per aantal gezinsleden, zonder de grootte of de hoogte van die slaapkamers mee te tellen.* En aangezien het om Europa gaat, heeft men meteen een Europese norm uitgewerkt voor dat aantal slaapkamers. Als je bijvoorbeeld een gezin hebt met twee kinderen van hetzelfde geslacht en die zijn jonger dan twaalf jaar, dan hebben die recht op één gemeenschappelijke slaapkamer. Maar als er eentje ouder wordt dan twaalf, moet het gezin verhuizen zodat de kinderen elk een aparte slaapkamer krijgen – anders wordt niet aan de norm voldaan. Zo’n twee jongens of zo’n twee meisjes – één van twaalf en één van dertien – op één kamer, dat kan Europa moeilijk goedkeuren, dat begrijp je wel.
     In ons land valt het in elk geval goed mee. Slechts 5 procent van de bevolking woont krapper dan de norm en 67 procent  woont ruimer dan de norm, wat De Standaard van 13 juni dan verwoordt als ‘ruimer dan nodig’. Dan nodig? Ik zal het maar meteen toegeven: wij wonen ruimer dan nodig, want we hebben drie slaapkamers en maar één kind. We reizen ook verder dan nodig, we baden ons vaker dan nodig, en we eten grotere ijsjes dan nodig. Ik zit langer achter de computer dan nodig, mijn vrouw ververst de lakens vaker dan nodig, en mijn zoon voetbalt scherper dan nodig. Naar zijn punten te oordelen, studeert hij ook harder dan nodig. En ik denk dat we met het hele gezin– als we het oude Indische ascetisme als maatstaf nemen – frequenter inademen dan nodig.
     Uitstekend nieuws dus: wij Belgen wonen ruimer dan nodig. Maar we moeten niet op onze lauweren rusten. In 2012 woonde nog 73 procent van de Belgen ruimer ‘dan nodig’ en nu maar 67 procent meer.Wij zijn dus zes procentpunten gezakt. Wij zijn potverjandriedubbeltjes ingehaald door Cyprus, terwijl we enkele jaren geleden nog drie procentpunten voor lagen op die eilandbewoners. Het is tijd dat we die inzinking te boven komen. Op naar de 100 procent overschrijding van de norm! En op middellange termijn: iedereen zijn kasteel!


* Ook de keuken met kookeiland, de studeerkamer en het biljartzaaltje worden in de Europese cijfers niet in rekening gebracht.

zondag 10 juni 2018

Nogmaals over de 1000+ academici

     Nu zouden er al meer dan 1200 academici de open brief ondertekend hebben waar ik gisteren over schreef. Marc Ernst heeft uitgerekend dat dat meer dan 3 % is van het totale aantal academici. Ik heb de lijst van ondertekenaars niet overlopen, want ik ken die mensen niet, maar ik hoor van anderen dat er dit keer ook normale geleerden bij zijn, mensen die niet ’s morgens opstaan en meteen gaan tobben over de polarisering in onze samenleving en hoe ze die kunnen bestrijden – of misschien wel aanwakkeren. En toch hebben die mensen allemaal een stuk ondertekend waarvan Maarten Boudry terecht schrijft dat het ‘slordig’, ‘lichtzinnig’, ‘belabberd’ en ‘aanstellerig’ is. Hij noemt het verder nog ‘slappe kost’.
     Als ik erg mijn best doe kan ik die ondertekenaars een heel klein beetje begrijpen. Ik zou zelf ook wel een slap geschreven en slecht beredeneerd stuk ondertekenen als in Saoedi-Arabië of Soedan een homoseksueel of een overspelige vrouw werd terdoodveroordeeld. Ik weet niet eens of ik een petitie daartegen wel helemaal zou lezen. Als ik mij maar herkende in de algemene strekking van het stuk.
     Ook realiseer ik mij ik dat mensen nu eenmaal van mening verschillen zodra men het domein van de wiskunde en de natuurwetenschap verlaat. Theo Francken tweette dat de rectoren met hun Mawda-verklaring ‘de boomerang in hun gezicht’ konden krijgen. Dat was een onduidelijke uitspraak en ze komt in de open brief ter sprake. Jan Demolyn ziet er een flagrant dreigement van Francken in dat die de herverkiezing van de rectoren wil dwarsbomen en de subsidies van de universiteiten wil afpakken. Ik zie er een waarschuwing in om geen uitspraken te doen over individuele dossiers waar je het fijne niet van weet. Misschien hebben we allebei ongelijk.
     Wat veel ondertekenaars trachten te doen, is geloof ik, hun gevoelens uitdrukken over het drama van het doodgeschoten meisje. We kennen die gevoelens dankzij dr. Kübler-Ross – ‘that chick from Chicago, man, who without the benefit of dying herself has broken up the proces of death in five stages’.  ‘Depression’ is een van die gevoelsstadia, en ‘denial’, en ‘acceptance’, maar toch in de eerste plaats ‘anger’ - woede en verontwaardiging. En die verontwaardiging heeft een ankerpunt nodig, een schuldige.
     In de Nederlandse les vertel ik soms iets over sensatiejournalistiek. Je leest in Bild, zeg ik dan, of in een soortgelijk blad, een sterk verhaal. Een vader gaat winkelen met een baby in de wagen. De vader koopt een zak aardappelen en plaatst die in de koffer. Dan komt uit die zak aardappelen een rat gekropen die de baby bespringt en diens halsslagader overbijt. Overal bloed. De baby is dood. Dat verhaal, ga ik verder, is om twee redenen ongeloofwaardig. Eén, er zitten geen ratten in de aardappelzakken en twee, een sensatiejournalist zou dat verhaal nooit zo brengen. Hij laat die vader eerst nog de auto uitstappen om sterke drank of sigaretten te kopen, en terwijl hij het kind alleen achtergelaten heeft om zijn verslaving te voeden, slaat de rat toe. Het kind is doodgebloed voor de vader weer bij de auto komt, want hij heeft eerst nog een sigaret gerookt of een borrel gedronken. Dat is pas een verhaal, met een heuse Dickensian villain in een prominente rol.
     Het Koerdische meisje Mawda is waarschijnlijk het slachtoffer geworden van een heel ongelukkige samenloop van omstandigheden. Boos opzet is weinig aannemelijk. Maar kunnen we dan werkelijk níemand als boosdoener aanwijzen? Dat zou bitter zijn. Er zijn anders kandidaten genoeg: de roekeloze politie-agent, de onnadenkende ouders,  de mensensmokkelaar die het voertuig bestuurde. Helaas wil niemand zeggen wie het voertuig bestuurde, zwijg je beter over ouders die net hun kind verloren hebben – en die politieagent die het ongelukkige schot gelost heeft … als je er even over nadenkt, krijg je vooral medelijden met de man. Dat helpt ons niet veel verder.
     Gelukkig hebben we met academici te maken. Voor zulke mensen mag de Dickensian villain gerust een abstractie zijn: de dehumanisering van vluchtelingen, de verharding van de samenleving, het polariserend discours. Dat klinkt goed. Of die dehumanisering, die verharding en die polarisering ook echt plaats vinden is een andere zaak. Ik zou het niet weten. De open brief heeft in elk geval heel weinig gedaan om het te bewijzen. Maar de broosheid van de bewijzen wordt meer dan vereffend door de zwaarte van het drama op de achtergrond. Wie wil over bewijzen zeuren als een kind is omgekomen? 
     Sommige van de academici – de besten onder hen vermoed ik –  hebben met de open brief eigenlijk een soort rouwregister willen ondertekenen. Wát ze ondertekend hebben is een politiek pamflet.

vrijdag 8 juni 2018

1042 academici tegen Theo Francken

     1042 academici hebben een opiniestuk ondertekend waarin ze de ‘dehumanisering van vluchtelingen’* en de ‘beperking van de vrije meningsuiting’ aanklagen. Als actoren van die dehumanisering en die beperking citeert men Theo Francken (N-VA), Tom van Grieken (Vlaams Belang), de media, het politieke debat en het publieke discours. Maar toch vooral Theo Francken.
    Waar ziet men die ‘dehumanisering’ in het publieke discours? De auteurs halen aan dat er over immigranten gesproken wordt in termen van (a) vluchtelingenstrómen; (b) migratiególven; en (c) illegalen. Dat zijn, ondanks de 1042 academische ondertekenaars, zwakke argumenten. Die ‘stromen’ en die ‘golven’ zijn algemeen aanvaarde woorden om grote menselijke verplaatsingen of evoluties aan te duiden. Als onze directeur over leerlingenaantallen spreekt gebruikt hij woorden als a-stroom, b-stroom, instroom, uitstroom en zij-instroom. En een feministe spreekt vlot over de eerste, de tweede en de derde golf. Noch onze directeur, noch die feministe heeft daarbij als doel om de leerlingen of de zusters te dehumaniseren.
    En dan ‘illegalen’. In het Frans noemt men die mensen ‘les sans-papiers’. Dat Franse woord vind ik iets te hol. Het klinkt alsof die mensen er helemaal niets aan kunnen doen dat ze geen papieren hebben, alsof ze die ergens op straat verloren zijn, alsof ze ze die ergens hebben gelegd en nu vergeten zijn wáár ze die hebben gelegd. Het Nederlandse woord ‘illegaal’ vind ik dan weer te beladen, omdat het doet denken aan illegale wapenhandel, illegale vakantiewoningen, illegaal vuurwerk, illegaal kamperen, illegaal films downloaden en illegale huiszoeking – allemaal zaken die je ook op morele gronden kunt afkeuren. Maar dat mensen het land binnenkomen zonder onmiddellijk asiel aan te vragen, of dat ze in het land blijven nadat ze het wettelijke bevel kregen het land te verlaten, dat kan ik die mensen eigenlijk niet kwalijk nemen.  Hoe zou ik zelf zijn als ik in hun plaats was?
     ‘Illegaal’ is dus een enigszins beladen woord. De hysterie in het opiniestuk kan ik evenwel niet vatten. ‘Migreren zelf,’ lees ik,  ‘wordt als een te vervolgen crimineel feit beschouwd, getuige het gebruik van het woord ‘illegaal’.’ Maar dat is helemaal niet zo. Je kunt het woord ‘illegaal’ best gebruiken zonder migreren als een crimineel feit te beschouwen, waar een straf op moet volgen. Niemand wil die illegalen een boete opleggen of ze in onze gevangenissen houden. Integendeel. Het enige wat men wil is die illegalen het land uit krijgen. Dat is geen straf uit het strafwetboek.
     Stromen, golven en illegalen - is dat alles wat het opiniestuk aan ‘dehumanisering’ te bieden heeft? Ongeveer, wel. Er wordt nog iets gezegd over het ‘ontzeggen van emoties aan rouwenden bij het graf van een kind’. Dat is geloof ik een verwijzing naar het doodgeschoten meisje Mawda en een uitspraak van Bart De Wever daarover. Hoe hier emoties ‘ontzegd’ werden, is mij niet duidelijk, ook al heb ik de betekenis van het woord ‘ontzeggen’ nog eens opgezocht. Verder wordt vermeld dat ‘sommigen het zelfs nuttig [vinden] om een prijs op hen [de vluchtelingen] te plakken’. Ja, zo kan ie wel weer. Jarenlang kon ik stukken lezen over vluchtelingen die geld zouden opbrengen, maar nu men dat eens ernstig wil berekenen, is het weer niet goed. Een economische berekening uitvoeren wordt nu ‘een prijs plakken’ op een mens. Nou, nou. En zou die gedachtegang dan niet moeten gelden voor álle economische berekeningen, want die gaan altíjd over mensen.
     Dat hele gedoe over dehumanisering is wat mij betreft grotesk. Maar het meeste heb ik mij gestoord aan het tweede deel van het opiniestuk, onder het kopje ‘Beperking van de vrije meningsuiting’. Francken had gereageerd op een open brief van de rectoren waarin ze bedekte kritiek gaven op zijn beleid. Francken had daarop getweet ‘Als de rectoren een politiek spelletje willen spelen over immigratiedossiers, zullen ze de boomerang in hun gezicht krijgen. Zowel inhoudelijk als publiek.’ Volgens het opiniestuk is dat ‘niet mis te verstaan als een dreigement aan het adres van de rectoren en bijgevolg aan de hele academische gemeenschap’.
     Ik heb een radicaal-linkse vriend die op dezelfde manier elke polemische uithaal van N-VA naar een politieke tegenstander, naar een journalist of naar een open-grenzenadvocaat als ‘intimidatie’ opvoert. Maar als dat zo is, dan zou elke uithaal náár N-VA – van een politieke tegenstander, van een journalist of van een open-grenzenadvocaat – ook een intimidatie moeten zijn.
     Om geloofwaardig over intimidatie te kunnen spreken moet degene die verbaal intimideert ook werkelijk de middelen hebben om het leven van de geïntimideerde te verpesten – anders krijg je dreigementen van het type ‘One wrong move and I'll bleed all over you.’ Je kunt redelijkerwijze maar van intimidatie spreken als er een of andere vorm van machtsrelatie bestaat. En die machtsrelatie bewijs je niet door erop te wijzen dat N-VA de machtigste partij in het land is. Die machtigste partij van het land heeft geen macht over advocaten, over de pers, en over haar politieke tegenstanders – en al zeker niet over de universiteiten. Wat stelt men zich bij die laatste intimidatie eigenlijk voor? Dat de regering, op aandringen van Jambon, Van Overtvelt en Vandeput, de rectoren uit hun functie ontheft? Dat ze weerspannige universiteiten belangrijke subsidies ‘ontzegt’ (als ik dat woord op mijn beurt eens mag gebruiken?).
     Eerlijk gezegd, ik heb mij zelf ook het hoofd gebroken over de tweet van Francken. Wat bedoelde hij toch met die ‘boomerang’? Pas bij de vervolgtweet ging mij een licht op. ‘Rectoren mogen zich uiteraard uitspreken,’ schreef Francken in die tweede tweet, ‘maar over individuele migratiedossiers waarover nog zoveel onduidelijkheden zijn, is men beter wat voorzichtig. Dat is wat ik met die ‘boomerang’ bedoelde.’ Ik lees dat als volgt: buitenstaanders weten een aantal dingen niet die ik wel weet maar niet mag zeggen; als die dingen na het onderzoek geopenbaard worden, zou wel eens kunnen blijken dat hier en daar te voortvarend werd gereageerd.



* De auteur omschrijft dehumanisering als ‘het zien van de Ander als minder mens dan wij’. Wat later schrijft hij dat ‘dehumanisering een vrijgeleide [geeft] om de ander als minderwaardig te beschouwen’.  Dan zou die dehumanisering waarempel een vrijgeleide geven om te dehumaniseren. Ja, als je het zo bekijkt …

dinsdag 5 juni 2018

De atoombom en de opwarming van de aarde

     Sinds er atoombommen bestaan, is men altijd beducht geweest dat die ook zouden worden gebruikt. Maar die vrees ging op en af, en het lag ook aan het milieu waar je kwam. Verlichte geesten in de jaren zestig hadden er het meest last van. Stanley Kubrick wijdde er een film aan, Robert Bolt een toneelstuk of drie, en Boudewijn de Groot zong hoe hij “met alle andere baarden op de bom te wachten zat”.
     Maar in de jaren zeventig was men alles al een beetje vergeten, en dat was jammer. De maoistisch-communistische partij ‘Alle Macht’* waar ik toe behoorde, had net in die jaren het bouwen van atoomschuilkeders als haar belangrijkste programmapunt vastgelegd. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 werden we daarvoor in ons gezicht uitgelachen. Andere partijen kwamen op voor betere straatverlichting, een gemeentelijke zwembad en een extra tennisveld, en wij gingen donkere kelders bouwen waar je hoogstens een pingpongtafel kon plaatsen.
     Toch hadden we onze redenen. Communistisch China – ons lichtend voorbeeld – lag rond die tijd in ruzie met communistisch Rusland, en dus zagen ook wij in Rusland een vijand waartegen we ons moesten beschermen. In mijn cel – een communistische partij bestaat niet uit afdelingen maar uit ‘cellen’ – in mijn cel dus stond de kwestie van de oorlogsdreiging vaak op de agenda. Je had de trouwe aanhangers van de partijlijn die stelden dat een oorlog ‘onvermijdelijk’ was, en je had een dissidente strekking – één man eigenlijk – die volhield dat een oorlog ‘bijna onvermijdelijk’ was. Je begrijpt dat zoiets tot bittere discussies moest leiden.
     We hadden ons die discussies kunnen besparen. Al die tijd bestond er immers, zonder dat we het wisten, een Bulletin of the Atomic Scientists waar de beste atoomgeleerden aan meewerkten en dat het precieze oorlogsgevaar elke maand opnieuw berekende. Dat gevaar werd weergegeven door een klok op de voorpagina waarvan de minutenwijzer aangaf hoeveel minuten het was vóór twaalf. In 1947 stond de wijzer op 7 minuten vóór. In 1953 stond die al op 2 minuten vóór.* Maar in 1974, toen wij van deur tot deur ons idee van de atoomschuilkelders verkochten, was de wijzer gezakt naar 12 minuten, wat bewijst dat onze dissidente kameraad niet helemáál ongelijk had. En in 1991, na het einde van de koude oorlog, waren we al 17 minuten verwijderd van een allesvernietigende nucleaire catastrofe.
     17 minuten! Dat is je lezer voor de gek houden. Die koopt dat blad om iets over het einde van de wereld te lezen, en dan wordt hem doodleuk meegedeeld, dat de catastrofe voor onbepaalde tijd is uitgesteld. Gelukkig heeft de redactieraad het gevaar tijdig ingezien. ‘Waarom zouden we al onze eieren in één korf leggen,’ vroegen de atoomgeleerden zich af. ‘Die opwarming van de aarde waar iedereen de mond van vol heeft, zou dat ook niet iets voor ons zijn? Kunnen we die milieubedreiging niet optellen bij onze eigen bedreiging?’
     Zo gezegd, zo gedaan. De opwarming van de aarde werd vanaf 2007 opgeteld bij de dreiging van een atoomoorlog. Sindsdien staat de klok op de voorpagina van het Bulletin weer op een alarmerende 2 en een halve minuut voor twáálf. Je zou kunnen zeggen dat het gevaar geweken is.

 
*Voluit: Alle Macht Aan De Arbeiders - de voorloper van de huidige PVDA.

** Tijdens de Cubacrisis eind 1962 stond de wijzer gelukkig op een veiliger 7 minuten vóór. Misschien hebben Kennedy, Chroestsjow en Fidel Castro daar wel rekening mee gehouden.

woensdag 30 mei 2018

Dostojevski en het Stockholmsyndroom

     In het laatste jaar van zijn leven, toen hij al een poos aan maagkanker leed en wist dat hij een volgende operatie niet zou overleven (‘I think I don’t have the stomach for it,’ zei hij) heeft de Amerikaanse filosoof Nozick nog een jaar college gegeven over Dostojevski. Ik zou wel eens willen weten wat hij op die colleges vertelde, want Dostojevski had zonderlinge opvattingen over velerlei onderwerpen: over de Joden, over de noodzaak van het lijden, over de enige échte reden waarom je je medemens niet met een bijl mocht doodslaan, over de hoge zending van Rusland, dat aan het hoofd van de Slavische volkeren de wereld bevrijden moest van democratie en materialisme …
     Dostojevski was zijn carrière begonnen als een ‘linkse’ schrijver, een soort groen-linkse jongen, een adept van de volksverheffing, een aanhanger van het humanitair christelijk socialisme. Voor die opvattingen werd hij eerst ter dood veroordeeld, werd hem enkele minuten voor de terechtstelling gratie verleend, en verbleef hij vier jaar in een Siberisch strafkamp. Vier jaar droeg hij ketenen aan handen en voeten en was hij meestentijds met heel veel anderen opgesloten in een houten barak waarin je ’s zomers stikte en ’s winters bevroor. Slapen deed je er op een houten plank, gehuld in je overjas en zonder deken. De sadistische kampoverste had verordend dat de gevangenen op hun linkerzij moesten slapen, ‘zoals Jezus’. Wie bij het slapen betrapt werd op zijn rechterzij, werd gegeseld.
     Tot de euvelen van de strafkolonie, schrijft Schopenhauer, behoort ook het gezelschap dat men daar aantreft. Dat was ook zo bij Dostojevski. De nerveuze schrijver was omringd door ruwe moordenaars uit de boerenklasse. Ze bestalen elkaar, dronken zich laveloos, zongen obscene liederen, vochten met messen en sloegen in groep, als het zo uitkwam, één of andere medegevangene bewusteloos. Bovenal koesterden ze een diepe haat tegen de ‘politieken’ zoals Dostojevski, omdat die uit de bevoorrechte klasse kwamen en niemand vermoord of bestolen hadden. Die haat had de schrijver niet verwacht en hij leed er de erg onder.
     Bij de ‘politieken’ waren ook een aantal Poolse nationalisten die hun land wilden afscheiden van Rusland. Ze namen Dostojevski liefdevol op in hun midden en gedroegen zich verder beleefd maar afstandelijk tegen het geboefte. ‘Je hais ces brigands,’ zei een van hen tegen Dostojevski. Dat zette de schrijver aan het denken. Typisch Pools vond hij dat. Die mensen zagen niet dat onder de obsceniteiten, de dronkenschap, de dieverij en het geweld van het geboefte een Schone Russische Ziel stak, zoals je die alleen bij de Volksmens aantrof. Zeker, die Volksmens roofde, maar met het geroofde geld kocht hij, naast drank, ook kaarsjes om in de kerk te branden. Jawel, de Volksmens pleegde moorden, maar was Jezus niet gekruisigd naast een Goede Moordenaar?
     Dostojevski’s aanvankelijke afkeer van zijn medegevangenen was omgeslagen in bewondering. ’t Waren kranige kerels, vond hij nu, en hoe meer ze op zijn kop zaten, hoe kraniger hij ze vond. En als er soms een met Kerstmis of met Pasen wat vriendelijker tegen hem was dan anders, dan was het laatste bewijs geleverd dat de redding van Rusland en van de wereld van dat soort mensen afhing, en van het orthodoxe geloof natuurlijk. Dat ze hun geld niet opspaarden maar verdeden aan drank en dobbelspel bewees dat ze niet materialistisch waren. Hun rancune tegen de hogere klasse bewees hoezeer ze de deugd van nederigheid op prijs stelden. En hun kinderlijk geloof in de Tsaar bewees het bestaan van een mystieke eenheid tussen vorst en volk. Niet het volk moest worden verheven door de bollebozen van de stad; het waren de bollebozen van de stad die moesten worden verheven door het wijze volk.
     Die ideeën waren niet zo vreselijk rationeel. Maar met rationaliteit kwam je niet ver in een strafkamp, had Dostojevski ondervonden. Als je tot levenslang veroordeeld was, kon je maar beter geloven dat je ooit op wonderlijke wijze weer vrijkwam. En als je omringd was door een stelletje boeven kon je maar beter geloven dat die boeven geen boeven waren, maar edele lieden.
     Dostojevski was in gevangenschap gekomen door zijn ‘linkse’ ideeën. Maar door diezelfde gevangenschap  ontwikkelde hij zich tot een gezagsgetrouwe ‘rechtse’ schrijver. Het oude geloof moest worden hersteld. De waarheid ontsprong niet in het moderne westen, maar op het Russische platteland. Alle heil kwam van de Tsaar die als een vader voor zijn volk zou zorgen. En die Poolse nationalisten moest men op tijd en stond een lesje leren, ook al waren ze nog zo liefdevol of beleefd.

zaterdag 26 mei 2018

De opengrenzenlobby van Bart De Wever

     Van de week heb ik Bart De Wever weer enkele keren op de televisie gezien. Hij zei iets over de ‘zware beroepen’ en ook over dat Koerdisch-Iraaks meisje dat was doodgeschoten bij een politieachtervolging. Bart vond dat die jammerlijke dood ‘misbruikt werd’ voor politieke doeleinden’. Hij stoorde zich aan diegenen die ‘emoties’ aanwenden als argument in het immigratiedebat. Hij noemde hen de ‘opengrenzenlobby’.  Een treffende verwoording, dat is zeker, maar misschien vraagt de lezer zich wel af zo’n lobby nu ook echt bestaat? Je leest af en toe dat zulks níet het geval is, aangezien geen enkele partij volledig open grenzen in haar programma bepleit. Hoe zit dat nu? En om te beginnen: hoe zit dat met die grenzen zelf? Zijn die nu open of gesloten?
     Het juiste antwoord is dat die grenzen geslóten zijn, en wel sinds 1974. Dat weet ik zo goed omdat ik in dat jaar meer dan eens actie heb gevoerd met spandoeken en bordjes waarop een blanke en een getaande arbeider samen een kapitalist bij het nek vasthielden nadat ze hem eerst, blijkens de stand van zijn bril, een pak rammel hadden gegeven.* Op die bordjes stond in grote letters: ‘Neen aan de sluiting van de grenzen’. De regering heeft toen naar mij en naar mijn medeactievoerders niet geluisterd en ze besloot om de grenzen tóch te sluiten. Vóór 1974 waren Marokkaanse en Turkse ‘gastarbeiders’ naar ons land gekomen volgens vastgelegde procedures of ‘op de bonnefooi’, zoals de De Standaard ooit schreef. Er was immers werk genoeg. Maar ná de economische terugval van 1973 werd alles anders. Er was werk te kort. En de deur ging dicht.
     Of toch niet helemaal. Want toen in 1974 de grenzen dichtgingen, telde ons land ongeveer 40 000 Marokkanen. Nu zijn er dat 470 000.** Dat is bijna twaalf keer zoveel. Je zou dus kunnen zeggen dat de deur niet zozeer dichtging, als wel dat ze op een kier werd gezet, een flinke kier zelfs, en door die flinke kier zijn er meerdere honderdduizenden Marokkanen binnengekomen die zich kwamen voegen bij de eerste generatie en haar kinderen. Het heeft wellicht weinig te maken met de acties die we in 1974 gevoerd hebben, maar het resultaat was hetzelfde: ze bleven komen.
     Als ik de migratie uit Zuiderse landen in zijn geheel bekijk, zie ik drie mechanismen die de instroom mogelijk maken: de gezinshereniging, het vluchtelingenstatuut en de illegaliteit. Over alle drie de mechanismen is er onenigheid tussen de verschillende politieke partijen, maar ik vermoed dat De Wever bij zijn ‘opengrenzenlobby’ vooral denkt aan de kwestie van de illegaliteit.
     Er zijn geloof ik bij sp.a, Groen en de linkervleugel van CD&V weinig lieden die een ongereglementeerde immigratie voorstaan. Dat zou een beetje tegen hun instinct ingaan om juist álles te reglementeren. Eerder lijken ze bezield door het beroemde spel ‘Schipper mag ik overvaren?’, ook wel ‘Dikke Bertha’ of ‘Overlopertje’ genoemd. Bij dat spel moeten kinderen die zich aan de ene kant van de speelplaats bevinden, proberen de andere kant ervan te bereiken. Ze kunnen daarbij worden aangetikt door een ‘schipper’ of een ‘dikke Bertha’ en dan zijn ze eraan voor hun moeite. Maar als ze een keer de overkant hebben bereikt zijn zij onschendbaar. Er kan hen niets meer gebeuren. Ze worden met rust gelaten.
     Enkele maanden geleden las ik een interview met Miet Smet (CD&V) in De Zondag dat mij aan dat spel deed denken.  ‘De nationalisten maken mij kwaad,’ zei Miet. Nationalisten zijn egoïsten. Ze verengen de wereld tot hun eigen gewest. Dat is fout. Neem nu migratie. N-VA buit dat thema uit ... Maar zolang wij, Europeanen, onze ogen sluiten voor Afrika***, zullen er migranten blijven komen. Ik pleit voor meer menselijkheid, ook in het beleid. Ik zou nooit Soedanezen terugsturen. Ik kén dat land. Vreselijk wat daar gebeurt.’
     Miet zou dus nóóit Soedanezen terugsturen? Heeft ze dan een bilateraal akkoord met Soedan voor ogen dat de toestemming geeft aan alle Soedanezen om legaal naar ons land te komen? Ik geloof het niet. Wil ze misschien een luchtbrug verwezenlijken van Soedan – of van enig ander vreselijk land – naar Zaventem, met gratis bedeling van paspoorten in de inkomhal. ’t Zou me verwonderen. Maar als die Soedanezen zelf illegaal naar hier komen, na het overwinnen van allerlei moeilijkheden – verzamelen van fondsen bij familieleden, onderhandelen met mensensmokkelaars, omkopen van ambtenaren – en als ze er uiteindelijk in slagen om de Belgische bodem met twee voeten aan te raken, dan hebben ze, zo lees ik de logica van Miet, door die hardnekkige inspanningen werkelijk een verblijfvergunning in ons land verdiend. Ze kunnen niet meer worden teruggestuurd.
      Bij de ‘opengrenzenlobby’ hoor je vaak het argument dat de rechtstaat moet worden gerespecteerd. De overheid, haar ambtenaren en haar politie kunnen zich niet zomaar álles veroorloven om illegale migranten op te sporen of uit het land te zetten. De regels van recht en fatsoen moeten worden gevolgd. Dat vind ik ook. Maar de ‘Schipper-mag-ik-overvaren’-mentaliteit van de voormelde lobby is evengoed moeilijk te verzoenen met een van grondslagen van de rechtstaat: dezelfde regel voor iedereen. Een migrant wordt wel of niet toegelaten omdat hij wel of niet aan bepaalde criteria voldoet. Geen bonus voor hardnekkigheid of voor wie de beste mensensmokkelaar onder de arm neemt. 

 

* Enig opzoekingswerk – Marc Ernst leest misschien mee – leert mij dat de beschreven affiche in 1971 werd gebruikt. In 1974 werd een gestileerde affiche gebruikt waarin alleen de twee vuisten werden afgebeeld.

** Zie hier voor de cijfers van 2015. Wikipedia geeft voor 2012 een totaal van 429 000, dat wil zeggen: 86 000 mensen met de Marokkaanse nationaliteit; 210 000 mensen met een Belgische nationaliteit maar geboren met een Marokkaanse nationaliteit; en 133 000 geboren met een Belgische nationaliteit maar waarvan minstens  één ouder geboren is met de Marokkaanse nationaliteit.

*** ‘Onze ogen openen’ of ‘sluiten’ voor Afrika  is wel een erg vage metafoor om een politiek beleid mee te omschrijven.

maandag 21 mei 2018

Mei '68

     Mei 1968 viel voor ons in januari of februari van dat jaar. Ik zat in het eerste middelbaar, in het provinciestadje Menen. Tijdens de voormiddagpauze verscheen een groepje jonge mannen op de speelplaats. Ze vertelden ons dat ze studenten uit Leuven waren en ze vroegen of we mee wilden staken voor ‘Leuven Vlaams’.  Behalve een klasgenootje wiens vader lid was van de Volksunie, wist niemand waar ze het over hadden. Maar dat ‘staken’ leek ons wel wat. We trokken in een soort stoet naar de andere speelplaats, liepen daar een paar rondjes om het  plein, en riepen mee met de studenten. Leu-ven Vlaams! Leu-ven Vlaams! Misschien werden ook obscene dingen geroepen zoals Wa-len bui-ten! Als dat zo was, hoop ik dat het Paul Goossens indertijd niet ter ore is gekomen en dat hij nu dit stukje niet leest. Wat er ook van zij, na de rondjes trokken we weer naar het klaslokaal, want dat Latijn leerde zich niet vanzelf.
     Ik was in dat eerste jaar nog niet ‘politiek bewust’. Maar in het tweede jaar werd dat al anders. Ik kreeg vriendjes die wisten dat Rudi Dutschke en Cohn-Bendit ‘belangrijke leiders’ waren. In het derde jaar hadden we een jonge leraar die de Maartrevolte in Gent had meegemaakt en die ons kon vertellen dat in onze streken Ludo Martens zo’n grote leider was. Nog eens een jaar later – in 1971 dus – kon ik dat al zelf, want die Leuvense studenten kwamen af en toe nog eens terug om in kleine Menense lokaaltjes aan ons, scholieren, uit te leggen wat die Ludo Martens aan hén had uitgelegd: over de klassenstructuur van onze samenleving en het socialisme van Mao. Mei ’68 kwam daarbij soms ter sprake, maar in de ongunstige zin. Het was immers een ‘kleinburgerlijke’ beweging geweest, ‘spontaneïstisch’ ook. Maar gelukkig had een deel van de studenten zich van dat spontaneïsme afgekeerd, hadden ze zich ‘verbonden met de arbeidersklasse’, en bestond er daardoor een ‘nieuwe communistische partij in opbouw’. En nu werd er ernstig gewerkt aan de voorbereiding van de revolutie. Maar we moesten niet ongeduldig worden. Revolutie was een werk van lange duur. Het kon best vijf of tien jaar duren voor het zover was – tot 1976 dus of tot 1981. Of misschien duurde het nóg langer. Dat nóg langer konden we ons moeilijk voorstellen.
     We zijn nu geen vijf of tien, maar vijftig jaar later. De revolutie is er niet gekomen, maar er is wel veel veranderd. Het gezag is zachter geworden. De bedrijfsleider loopt met open kraag rond, draagt op vrijdagen een jeansbroek en laat zich door zijn werknemers aanspreken als ‘Jan’ of ‘Piet’. De schooldirecteur maakt geen aanmerkingen meer op het ongepaste schoeisel van zijn leraren. En die leraren zelf maken op de speelplaats een babbeltje met hun leerlingen alsof het hun vrienden zijn. De papa’s slaan niet meer en de mama’s kijven … ach dat nog wel, geloof ik. Maar ’t is allemaal meer ontspannen, minder verkrampt. Het leven is een stuk aangenamer geworden voor werknemers, leraren, leerlingen en kinderen. En op een andere manier soms ook niet.
     Hebben die veranderingen iets te maken met de vermaarde ‘geest van mei ’68’? Iets, allicht, maar veel zal het niet zijn. Zonder die vlugschriften, spandoeken, toespraken, betogingen, ‘volksvergaderingen’ en maoïstische groupuscules zou de verslapping der zeden ook wel opgetreden zijn. In het ene land waren de studenten roerig en in het andere hielden ze zich rustig – veel verschil heeft dat voor de verdere ontwikkeling niet uitgemaakt. En ’t zelfde geldt voor al die andere veranderingen die aan mei ’68 gekoppeld worden. Die zouden er zonder die paar maanden oproer ook wel gekomen zijn: de ‘inspraak’, de daarmee samenhangende vergadercultuur, de verlinksing van de intelligentsia, de nivellering van het onderwijs, de vervrouwelijking van het openbaar leven, de nieuwe politiek correcte bekrompenheid.
     Er is onlangs, geloof ik, nogal wat verschenen over de hele historie. Zelfs Paul Goossens, die toch moeizaam naar woorden zoekt, heeft een boekje uit waarin hij ‘komaf maakt met de karikaturen die conservatief Vlaanderen maakt van de erfenis van 1968’* en waarin hij ‘de hypocrisie van de conservatieve restauratie blootlegt’. Eddy Daniëls heeft er op Doorbraak een paar smalende woorden aan gewijd zonder het eerst te lezen. Daarvoor kreeg hij – terecht – op zijn donder. Als penitentie heeft hij zich nu voorgenomen om het boekje alsnog te lezen. Mij zal zoiets niet gebeuren. Ik zal geen énkel van die boekjes lezen over de legendarische strijdbeweging en ik zal er ook niets over zeggen.
     In de plaats daarvan heb ik naar de dvd Leuven ’68 gekeken.** Mooie zwart-witbeelden. Jongensstudenten met dassen. Meisjesstudenten met opgemaakte haren. De Rijkswacht die betogers natspuit met een waterkanon. Prominenten die uitleggen waarom de Leuvense universiteit wel of niet moet worden gesplitst. Piet De Somer die er plezier in heeft. Walter De Bock die analyses maakt. Ludo Martens die geconcentreerd aan het lezen is. En al die Vlaamse studenten die als het moet van dat mooie Frans spreken, in lange fraaie zinnen, met correcte lidwoorden, geraffineerde subjunctieven en een aanvaardbare uitspraak. Behalve dan Paul Goossens.***

    

* Ik moet mijzelf geweld aandoen om de onwelluidende zin in haar oorspronkelijke vorm te laten staan.
** Ondanks de titel had ik gehoopt dat de dvd ook beelden zou bevatten van Gent ’69. Ik wou graag nog eens zien hoe Ludo Martens aan een zaal vol studenten en studentinnen het historisch belang van één en ander uitlegt.
*** Marc Ernst meldt mij dat hij andere fragmenten van Paul Goossens beluisterd heeft en daar bleek zijn Frans wel behoorlijk.