dinsdag 13 november 2018

Schoolmeester met kop van Rockster

Die van links heeft ondertussen zijn haar bij laten knippen
   Over Pinkers boek Verlichting nu bestaan twee vooroordelen die ik meteen van de baan wil. Het eerste is dat het boek over de Verlichting zou gaan. Dat is niet het geval. Pinker heeft niet in oude boeken zitten snuffelen om na te gaan wat Voltaire nu weer juist gezegd heeft, en in welke mate dat verschilt van wat Diderot, Rousseau of Beccaria beweerd hebben. Die namen komen een paar keer in het boek voor, maar ontbreken in de literatuurlijst. Je vindt in die lijst wel de namen van Kant en Adam Smith, en van Nietzsche, als anti-Verlichtingsdenker, maar veel verder gaat het niet. Je merkt aan alles dat Pinker zijn tijd liever besteedt aan recente vakliteratuur over feiten, meer dan aan boeken met overpeinzingen uit een erudiet verleden. Een mens kan niet alles doen. Dat is overigens geen groot nadeel. De grondgedachte van Pinkers boek is dat we in een altijd maar betere wereld leven en dat dat komt door de wetenschap, de rede en het humanisme. Je moet al van kwade wil zijn om te ontkennen dat wetenschap, rede en humanisme wel degelijk iets, en wellicht veel, met de Verlichting te maken hebben. Zo fout is de boektitel dus niet.
     Het tweede vooroordeel, gevoed door een aantal recensies, is dat het boek een saaie en vermoeiende opsomming zou zijn van statistieken. Dat is niet het geval. Er komen wel veel statistieken in voor – 75 – maar het boek wordt daardoor niet saai, zelfs als je niet van die dingen houdt. Dat komt omdat Pinker, binnen zijn genre, een heel goede schrijver is. Ook als hij over statistieken schrijft, blijft hij boeiend en levendig. Bij elk cijfer gaat hij op zoek naar een originele invalshoek, een treffende vergelijking, een leuke anekdote, een onverwachte interpretatie, een aardige omschrijving van de onderzoeksmethode … En het sterkst is hij in zijn boutades. Pinker heeft daar een talent voor, zowel om die zelf te verzinnen als om die te verzamelen bij andere auteurs. Van Steven Radelet leent hij een fraaie uitspraak over de held van mijn jeugd: ‘In 1976 heeft Mao in zijn eentje de aanzet gegeven tot een dramatische daling van de wereldarmoedecijfers: door te sterven.’ Bij Morgan Housel vindt hij een treffende samenvatting van zijn eigen probleem als prediker van de vooruitgang: ‘Pessimisten geven de indruk dat ze je willen helpen, optimisten dat ze je iets willen verkopen.’ En voor wie ontevreden blijft zolang de diepste zin van het bestaan niet achterhaald is, heeft hij enkele phrases assassines van eigen makelij. ‘Een lang leven, een goede gezondheid, begrip, schoonheid, vrijheid, liefde … Ja, er moet toch iets meer zijn!’ Of deze: ‘De eerste stap naar wijsheid is het besef dat de wetten van het universum zich van jou niets aantrekken.’ Ook regelneven krijgen ervan langs: ‘Een regering die de macht heeft om pottenbakkerij te verbieden, zal nog wel enkele andere dingen verbieden ook.’

   Het nadeel van Pinkers levendige stijl is dat hij zich soms laat meeslepen door zijn voorbeelden en dan schrijft hij wel eens iets dat hij niet zo precies meer weet of nooit zo precies geweten heeft. ‘Schopenhauer was een ‘cultuurpessimist’. Dat woordje ‘cultuur’ is er geloof ik teveel aan. ‘Heidegger en Carl Schmitt waren “gung-ho nazis”.’ Gung-ho – dat heb ik opgezocht – betekent enthousiast en overijverig, en dat lijkt mij niet de juiste nuance voor de voornoemde geleerden. ‘Hitler was een “deïst” die meende Gods werk uit te voeren door de Joden uit te roeien.’ Mja … neen, eigenlijk niet. ‘Hayek heeft in Road to Serfdom voorspeld dat sociale zekerheid naar dictatuur zou leiden, en dat is niet gebeurd’.  Als ik mij goed herinner had Hayek het over de planeconomie die naar dictatuur zou leiden. Die dictatuur is er niet gekomen, maar die planeconomie ook niet. ‘Anna Karenina zou géén zelfmoord hebben gepleegd indien ze in een verlicht en kosmopolitisch milieu had geleefd.’ We kunnen het haar niet vragen natuurlijk, maar haar milieu was in elk geval behoorlijk kosmopolitisch en verlicht, en die zelfmoord zat er al aan te komen na dat ongeluk met die spoorwegarbeider in het achttiende hoofdstuk van deel I. Toch doen al die onnauwkeurigheden weinig af aan de boodschap die Pinker wil meegeven. Er bestáán cultuurpessimisten. Veel intellectuelen hébben meegeheuld met de tirannen van de twintigste eeuw. Sociale zekerheid ís verenigbaar met democratie.  En in de negentiende eeuw wáren er onafhankelijke vrouwen die leden onder de verstikkende normen van hun milieu, en we kunnen dat inderdaad afleiden uit romans van die tijd.
    Eén enkele keer strekt de levendige stijl van Pinker zich ook uit tot de titel van een hoofdstuk. In het begin van het boek, krijgt de lezer een beknopte samenvatting van de huidige stand van zaken in het heelal, onder de aanstekelijke titel: ‘Entro, evo, info’, wat staat voor entropie, evolutie en informatie. De materiële wereld valt uit elkaar (entro), binnen dat verval ontstaat en evolueert het leven (evo), en een van die levensvormen, de mens, verzamelt en verwerkt informatie (info) om zijn omgeving, in weerwil van de entropie, naar zijn hand te zetten. Het is een meeslepend stuk voor wie daar weinig van afweet, want Pinker is erg knap in het vulgariseren. En het plaatst de Verlichting tegen een heldhaftige achtergrond. De strijd gaat niet alleen tegen enkele achterlijke opvattingen of praktijken uit de middeleeuwen, nee, de strijd gaat tegen niets minder dan de almachtige entropie zelf. Dat is enthousiasmerend. Zo konden marxisten indertijd een staking in een textielfabriekje voorstellen tegen de achtergrond van een klassenstrijd die al begonnen was bij Spartacus. Bij Pinker is alles al begonnen, niet tweeduizend jaar geleden, maar 13 miljard jaar geleden.
     Pinker gebruikt een groot deel van zijn boek om te bewijzen dat het met de mensheid de goede kant op gaat. De wereld waarin we nu leven, is een betere dan die van vroeger. Om te beginnen leven we langer dan vroeger. De gemiddelde Europeaan werd in 1870 niet ouder dan 35 jaar. Nu wordt de gemiddelde Europeaan 80, de gemiddelde Aziaat 70 en de gemiddelde Afrikaan bijna 60. Met zulke cijfers krijgt de zwartkijker het moeilijk. Hij zal iets mompelen over luchtvervuiling, ongezonde levensstijl, stijgende misdaad, discriminatie, kinderarbeid, terrorisme, en over al die landen waar oorlog woedt en dictatuur heerst. Dat is nu juist iets wat je niet moet zeggen als Pinker in de buurt is en hij je kan horen, want dan komt hij pas goed op dreef. Voor al die zaken diept hij cijfers en statistieken op die laten zien dat de luchtvervuiling daalt, de gezondheid verbetert, de discriminatie afneemt, het met de misdaad de goede kant op gaat, kinderen overal langer naar school gaan in plaats van vroeger te gaan werken, en dat er nu minder – en minder grote – oorlogen zijn dan vroeger, en meer democratie. Over IS-terrorisme valt natuurlijk niets positiefs te zeggen, behalve dat het in het Westen minder doden vallen dan we soms denken*, en dat aan vroegere terreurgolven van anarchisten, nihilisten, marxisten en nationalisten ook een einde is gekomen.
     Bij die cijfers kun je je verschillende vragen stellen. Vooreerst, zijn ze betrouwbaar? Mark Twain vond statistieken de overtreffende trap van leugens, en Churchill beweerde alleen díe statistieken te geloven die hij zelf had vervalst. Maar in tijden van Google, Wikipedia en fact checking worden geloof ik weinig cijfers en statistieken nog echt vervalst. Wel zie je vaak spectaculaire getallen die speciaal worden uitgekozen om een boodschap te ondersteunen: over de 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. Daar kun je Pinker niet op betrappen. Zijn cijfers hebben goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes. De vijanden van Pinker (Taleb, John Gray) hebben een aantal scherpe bedenkingen geformuleerd bij zijn cijfers en zijn interpretaties, maar ik geloof niet dat ze even goede cijfers en statistieken kunnen voorleggen die het tegenovergestelde van wat Pinker beweert ondersteunen. Het zou fijn zijn als die tegenstanders eerst toegaven dat Pinker in grote lijnen gelijk heeft, voor ze aan detailkritiek beginnen.
     Toch zal menige lezer net vanwege de cijfers het boek boos dichtklappen, zeker als die cijfers niet overeenkomen met het beeld van de werkelijkheid dat die lezer koestert. Het zal de godsdienstleraar veel verdriet doen, als hij verneemt dat de armoede in de wereld afneemt, want als het zo verder gaat zijn er straks geen armen meer om solidair mee te zijn. Menig groene jongen of meisje zal humeurig worden bij cijfers over een grondstoffenvoorraad die toeneemt, over uitlaatgassen die afnemen, over een tropisch regenwoud dat minder ontbost wordt, over tankers die minder olie in zee lozen. En voor de herverdelende socialist is er ook slecht nieuws: de armen worden niet armer en de ongelijkheid neemt op wereldschaal niet toe. Ik heb in een vorige stuk op Doorbraak (hier) al eens de ‘olifantengrafiek’ besproken die Pinker overneemt en die laat zien dat er in de wereld twee groepen spectaculair vooruitgaan: de grote groep werkende mensen in Azië en de kleine groep grootverdieners overál. Maar de armen in Afrika gaan óók vooruit, net als de kleinverdieners in de rijke landen.
     Feiten, cijfers en statistieken zijn lastig als ze niet ondersteunen wat je graag gelooft. Maar er is nog iets anders dat sommigen vervelend vinden. Feiten, cijfers en statistieken vertonen geen emoties; ze zijn harteloos. Daarom zal de gevoelsmens vaak afhaken. Pinker wijst erop dat de extreme armoede (momenteel vastgelegd op een dagelijks inkomen van 1,9 $) sinds 1970 gedaald is van 50 % van de wereldbevolking, naar 10 % van de wereldbevolking. Als hij zich daarover verheugt, dan lijkt het alsof hij die 10 % allerarmsten van vandaag niet zo erg vindt. ‘Verlichting nu, empathie later,’ schrijft één van de tegenstanders van Pinker.
     Je komt die reflex vaak tegen bij de tegenstanders van Pinker. Ja, er is vooruitgang, minder armoede, meer veiligheid, betere gezondheid, geeft men toe, maar niet overal!!!. Dat klopt evenwel niet. Die vooruitgang is er juist wél overal. Of je nu in Europa, Azië, of Afrika geboren wordt, overal heb je vandaag statistisch meer kans op een langer leven, een betere gezondheid, en een veiliger omgeving. Maar de gevoelsmens maalt niet om statistiek. Wat heb je eraan dat de extreme armoede gedaald is tot 10 %, zo denkt hij, als je zélf tot die 10 % behoort? Wat heb je eraan dat er minder oorlog is in de wereld, als jóuw ziekenhuis gebombardeerd wordt? Wat heb je eraan dat het aantal verkeersslachtoffers daalt, als jóuw kind door een auto wordt meegesleurd? Zolang er één iemand in extreme armoede leeft, zolang er één bom valt op één ziekenhuis of school, zolang er één kind door één auto wordt meegesleurd, is er geen reden om te juichen. De meeste van die gevoelsmensen die zich aan Pinker storen behoren overigens niet tot die tien procent allerarmsten, komen in ziekenhuizen die niet gebombardeerd worden, en hun kinderen komen dagelijks veilig op school aan. Zij lijden, zou je kunnen zeggen, aan een ‘borrowed suffering’-syndroom. Pinker noemt het de illusie van ‘I’m OK, They’re Not’.

    Nu, er zijn onder de cijferaars en de statistici ongetwijfeld harteloze mensen, zoals er onder hen die het wereldleed torsen ongetwijfeld schijnheiligen zijn. Die verwijten van harteloosheid en van schijnheiligheid brengen ons niet veel vooruit. Het is interessanter om ons af te vragen wat we we uit die cijfers van Pinker kunnen besluiten. Pinker gelooft dat de wereld in toenemende mate in de ban is van Verlichting en liberalisme en gereguleerd kapitalisme. Dat is volgens hem de verklaring van het goede wereldrapport voor levensverwachting, gezondheid, enzovoort. De linkerzijde kan daar vier dingen tegen inbrengen: (a) de cijfers zijn fout, (b) die cijfers zijn niet het gevolg van dat gereguleerde kapitalisme, (c) die cijfers zouden onder een socialistisch systeem nog beter zijn en (d) Pinker is een ploert. Ik heb in de anti-Pinkerstukken die ik las weinig overtuigende pogingen gezien om (a),  (b) of (c) hard te maken.
     Het eerste deel van Pinkers boek ondergraaft dus vooral de zekerheden van links. Iets over de helft komt Pinker op het terrein van rechts. Wat betekent al die materiële vooruitgang voor de morele vooruitgang en voor het menselijk geluk? En: is het menselijk geluk het opperste ideaal? Moeten we niet eerder streven naar een deugdzaam, misschien zelfs religieus leven? En: moet een samenleving niet steunen op gemeenschappelijke waarden in plaats van op altijd maar meer consumptie? Over dat geluk kan Pinker nog terugvallen op statistieken, maar ze bieden minder vaste grond. De trendlijnen zijn minder steil, de begrippen zijn minder afgebakend, de factoren die meespelen zijn talrijker? Wat is geluk? Is er een verschil tussen een gelukkig en een zinvol bestaan? Zíjn we eenzaam of vóelen we ons eenzaam of zéggen we dat we ons eenzaam voelen? Bieden de sociale media écht menselijk contact? Voel je je door stress gelukkiger of ongelukkiger? Zijn cijfers over zelfmoord en depressie betrouwbaar?

     Pinker probeert zo goed en zo kwaad als hij kan, tussen de moeilijkheden door te laveren. Ja, geluk stijgt met toenemende rijkdom, maar veel trager dan die rijkdom zelf. En ja, je moet met veel dingen rekening houden. Als je met dezelfde rijkdom in Costa-Rica geboren bent dan wel in Rusland, zul je in dat eerste land gelukkiger zijn dan in het dat tweede. In de VS is er de laatste tijd een daling in het aangegeven geluk, ondanks de toegenomen welvaart. Het onderzoek naar geluk is nog nieuw en de conclusies gaan niet altijd in dezelfde richting. Dat neemt niet weg dat volgens het recentste onderzoek, de relatie tussen rijkdom en geluk eigenlijk nauwer is dan men eerst had gedacht. Ook zou het geluk, in tegenstelling tot wat Gentse onderzoekers onlangs beweerden (hier), blijven stijgen zelfs als men al veel rijkdom heeft. Als het over geluk gaat, schrijft Pinker, had Wallis Simpson half gelijk toen ze zei: “You can’t be too rich or too thin.”
     Ook is het moeilijk om het geluk over de eeuwen heen te meten. Het gedachte-experiment met de teletijdmachine helpt ons niet veel verder. In de romantische komedie Kate & Leopold kiest Meg Ryan ervoor om haar geliefde te volgen naar het Victoriaanse tijdperk. Maar misschien heeft ze een voorraadje anticonceptiemiddelen meegenomen en iets tegen de hoofdpijn. Zelf wil ik niet terug naar de tandartsen en de sanitaire voorzieningen van mijn jeugd. Maar was ik daardoor ongelukkiger? Ik weet het niet. Misschien zou de discussie wat makkelijker verlopen als Pinker af en toe erkende dat er naast vooruitgang ook achteruitgang kán zijn. Ik heb de school meegemaakt van de jaren 60-70 en ik ken de school van nu. Veel is gelijk gebleven, sommige dingen zijn verbeterd, andere zijn slechter geworden. Ik betrouw mijn geheugen onvoldoende om die dingen af te wegen –  we are wired for nostalgia, schrijft Pinker – maar dat er én verbeteringen én verslechteringen zijn, dat weet ik wel zeker. Om maar iets te noemen, de leerlingen spreken beter voor de klas, en ze kennen minder Frans. Ze kennen meer films, en minder boeken.

     Over deugd en deugdzaamheid is Pinker nog voorzichtiger. Hij beseft de valkuilen van de Kantiaanse plichtsmoraal, net zo goed als die van de utilitaristische leus ‘zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen en zo weinig mogelijk leed voor zo weinig mogelijk mensen’. Maar hij heeft een voorkeur voor de tweede benadering. ‘Humanisme komt met een utilitaristisch smaakje,’ schrijft hij voorzichtig. Zijn sterkste argument heeft Pinker beet als hij het utilitarisme als gemeenschappelijke grond aanduidt voor mensen met verschillende morele overtuigingen. ‘Wanneer mensen met een verschillende culturele achtergrond met elkaar overeen moeten komen over een morele code, grijpen ze terug naar het utilitarisme.’ Pinker illustreert dat met een uitspraak van Jacques Maritain die samen met andere intellectuelen – christenen, atheïsten, moslims, confucianisten – een lijst van mensenrechten moest opstellen. Het opstellen van die lijst verliep vlot ondanks de hevige ideologische meningsverschillen. ‘We gaan akkoord over die mensenrechten,’ zeiden de opstellers, ‘maar alleen op voorwaarde dat niemand ons vraagt naar het “waarom” ervan.’ Misschien was er ook een verzwegen voorwaarde dat niemand mocht vragen naar het “hoe”, denk je dan.
     Minder voorzichtig is Pinker als hij schrijft over godsdienst. Hij verwerpt, helemaal in de lijn van Richard Dawkins, élke vorm van godsdienst die hij voor een wat achterlijke en niet helemaal eerlijke concurrent van het wetenschappelijke denken houdt. Maar zijn zwaarste kritiek geldt de Islam. ‘Alle oorlogen die woedden in 2016 vonden plaats in landen met een moslimmeerderheid of hadden te maken met islamistische groepen, en die groepen waren verantwoordelijk voor de grote meerderheid van de terreuraanslagen.’
Pinker wijst daarbij streng naar de fundamenten zelf van de Islam. ‘Het probleem begint met het feit dat veel voorschriften van de Islamitische leer, letterlijk genomen, uitbundig anti-humanistisch zijn. De Koran bevat tientallen passages die oproepen tot haat tegen ongelovigen, tot martelaarschap en tot een heilige oorlog onder de vorm van gewapende strijd.’ En het ergste vindt hij dat de moslims hun godsdienst, ook mét die ingebouwde haatboodschappen, zo letterlijk en zo serieus nemen. ‘De Islam heeft ook zijn versie van ‘culturele joden’, ‘cafetaria katholieken’ en ‘CINO’s’ (Christians in Name Only),’ schrijft Pinker. ‘Het probleem is dat die goedaardige hypocrisie zo onderontwikkeld is in de hedendaagse moslimwereld.’ Pinkers enige hoop is dat de moslimjeugd, althans in de moslimlanden, zich in versneld tempo aanpast aan de Verlichtingswaarden, waarbij hij, misschien wat optimistisch, verwijst naar de Arabische lente. Pinker heeft ook weinig geduld met berichten over islamofobie en geweld tegen moslims in de VS. ‘Die komen van organisaties,’ schrijft hij, ‘die voor hun financiering afhankelijk zijn van paniek en overdrijving, eerder dan van objectieve registratie.’ Zouden wij in Vlaanderen ook zoiets hebben?
     In sociaal-economische aangelegenheden is Pinker een centrist, een Obama-bewonderaar, een Ikea-socialist als je wil, die probeert gelijke afstand te bewaren van conservatisme, marxisme en libertarisme. Links en rechts vindt hij achterhaald, omdat ze problemen willen oplossen die in de samenleving van vandaag al grotendeels zíjn opgelost. Zo’n centristische positie is verduiveld comfortabel. Je kunt naar believen kritiek geven op de twee ‘extreme’ standpunten zonder zelf te moeten aanduiden waar precies het juiste midden ligt. Pinker verwijt links dat het de voordelen ontkent van de vrije markt, en rechts dat het de voordelen niet ziet van ‘herverdelende’ maatregelen. Zelf zegt hij dat vrijemarktkapitalisme verenigbaar is met “any amount of social spending”. Any – om het even welk – dat is behoorlijk veel, vooral omdat hij op andere plaatsen wel degelijk schrijft over ‘too much social spending” dat ‘perverse incentives’ in het leven roept. Pinker lost het probleem nogal gemakkelijk op door zowel van rechts als van links een karikatuur te maken. Zo verwijt hij de Amerikaanse republikeinen dat ze tegen élke vorm van sociale uitgaven zijn, en de Bernie Sanders-mensen dat ze tegen élke vorm van vrije markt is. Geen van beide is waar, geloof ik.
     Dat centrisme van Pinker zie je ook als het over immigratie gaat. In een interview met De Volkskrant zei hij het volgende: ‘De Verlichting kan geschaad worden door overhaaste immigratie. In 2015 rees in Europa het beeld van een grote instroom van mensen die niet of moeilijk geïntegreerd kunnen worden. Dat kan een deel van de Verlichting, het vrije verkeer van mensen, in gevaar brengen …  Neem mijn eigen land, Canada. Canada heeft een doordacht en gecontroleerd immigratiebeleid. Geen open grenzen, maar elk jaar wordt een quotum aan legale arbeidsmigranten en vluchtelingen toegelaten.’ Wij krijgen hier een rationeel principe aangereikt: een land bepaalt hoeveel immigranten het toelaat in functie van zijn eigen noden en draagkracht. Maar dat principe kan worden gebruikt om een heel restrictief of juist een heel permissief beleid te voeren. Hoe hoog moet dat quotum zijn? Welke instroom kunnen we ons als land permitteren? Spreken we van 1000 per jaar of van 30 000 per jaar? Ik ben geen specialist, maar ik geloof dat dat laatste cijfer voor ons land de realiteit van de laatste 20 jaar best goed benadert als we arbeidsimmigranten, erkende vluchtelingen, illegalen en gezinsherenigers samentellen.
      Er is één politieke kwestie waarin Pinker allesbehalve centristisch en dat is die van het populisme. Verlichting nu! Is Pinkers ‘war effort’ tegen Trump. Dat Trump door verkiezingen aan de macht is gekomen, is niet iets wat Pinker gunstig stemt tegenover verkiezingen.  ‘Ondanks het wijdverspreide geloof dat verkiezingen de essentie van een democratie uitmaken, zijn ze slechts één mechanisme waarmee de regering ter verantwoording kan worden geroepen door het volk, en dan nog niet altijd een erg constructief mechanisme.’
     Koenraad Elst heeft op Doorbraak ooit geschreven dat antipopulisten in werkelijkheid antidemocraten zijn (hier). In het geval van Pinker zit daar veel waarheid in. In zijn hoofdstuk ‘Democratie’ geeft hij verschillende definities van het begrip, maar de omschrijving als een staat waarin de meerderheid van het volk de beslissingen stuurt, is daar niet bij. Pinker gebruikt het begrip ‘democratie’ om te verwijzen naar een vrije maatschappij die ‘het midden houdt tussen tirannie en anarchie’. Burgers die meebeslissen over het algemeen belang en vertegenwoordigers kiezen om hun wensen te realiseren, dat heeft volgens hem weinig met de werkelijkheid te maken. Het is een idealisering die geschikt is voor de ‘civics-class’***. De werkelijkheid is anders. Het aantal democratieën dat werkt volgens het civics-class-boekje, schrijft Pinker, ‘was nul in het verleden, is nul in het heden, en zal hoogstwaarschijnlijk nul zijn in de toekomst.’ De burgers kúnnen bij verkiezingen niet duidelijk maken wat ze willen, want zij wéten niet wat ze willen – of ze willen de meest tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Beter is het dus, suggereert Pinker in bedekte termen, als de burgers door een goed geïnformeerde en verlichte elite in de juiste richting worden geleid. ‘Nudging’ heet dat nu. In de Verlichtingstijd heette het: ‘Alles voor het volk, niets door het volk’. Het was de slagzin van verlichte despoten die een Romeins cijfers twee bij hun naam hadden staan: Jozef, Catherina en Frederik.
     Nu vertellen geschiedschrijvers ons veel kwaads van Jozef, en nog meer van Catherina en Frederik. Dat neemt niet weg dat de kerngedachte van het verlicht despotisme zich moeilijk laat weerleggen. De burgers zijn inderdaad niet goed geïnformeerd over politiek, weten niet altijd goed wat ze willen, en vaak wíllen ze inderdaad tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Ook kan een meerderheid kiezen voor minder vrijheid. Als ik moest kiezen tussen vrijheid enerzijds en een verkiezingsdemocratie anderzijds, zou ik zonder lang te aarzelen kiezen voor het eerste****. Toch zijn er argumenten om niet al te cynisch te doen over de verkiezingsdemocratie en niet al te gretig toe te geven aan de elitaire verleiding. Burgers informeren zich beter in tijden van verkiezingen en volksraadpleging. Leden van de verlichte elite zijn buiten hun specialisatie vaak even slecht geïnformeerd als anderen, ze zijn moreel niet superieur aan de eenvoudige dorpers*****, ze zijn zoals iedereen onderhevig aan vooroordelen. En, verkiezingen leiden tot een periodieke afwisseling van de wacht waarbij de stommiteiten van het ene kamp na enkele jaren in evenwicht worden gebracht door de stommiteiten van het andere kamp.

     Ik neem aan dat Pinker díe argumenten vóór de verkiezingsdemocratie kent, en overwogen en verworpen heeft. Maar het schijnt mij toe dat er één argument is dat hij niet opmerkt, en dat is het volgende. In de westerse landen, en in de VS in het bijzonder, is er iets aan dat hand dat mijn professor Europese literatuur Marcel Janssens in een andere context de ‘aristocratische secessie’ noemde. Charles Murray spreekt van ‘the new segregation’. De samenleving raakt opgesplitst in twee groepen, de 5 % en de 95 %. Die groepen hebben een verschillend gemiddeld IQ, een verschillende opleiding, een verschillend inkomen, wonen in verschillende buurten, lezen andere kranten, kijken naar andere films, vinden andere dingen in het leven belangrijk, en trouwen binnen de eigen groep.
     Die groepen zou je nieuwe klassen, of nieuwe standen kunnen noemen. Ze leven in hun eigen ‘bubbel’. Ze hebben allebei hun eigen bekommernissen, maar kennen slecht de bekommernissen van de andere groep. Hier stelt zich dus in alle scherpte de democratievraag: is het wijs om de elite van 5 % over allerlei zaken te laten beslissen waarvan de gevolgen niet door hen, maar door de 95 % wordt gedragen? Moeten beslissingen over migratie, zware beroepen, armoedebestrijding eigenmachtig genomen worden door lui die in een buurt wonen zonder migranten en wier kinderen naar homogeen blanke scholen gaan, die op het einde van een werkdag geen pijn hebben voelen aan armen, schouders of rug, en die armoede alleen kennen van horen zien zeggen? Die vragen ziet Pinker niet. Het is zijn blinde vlek. Hij behandelt alle mogelijke maatschappelijke problemen, van armoede en ongelijkheid tot geluk en eenzaamheid. Hij heeft daarover de beste statistieken bij elkaar gezocht. Maar het probleem van de ‘new segregation’ laat hij onbehandeld, ook al had hij kunnen putten uit de tientallen statistieken die Charles Murray verzameld heeft in zijn boek Coming Apart. En Pinker hield toch zo van statistieken?
     Een hele reeks mensen zich zal zich in mindere of meerdere mate ergeren aan Steven Pinkers boek: geboren zwartkijkers, cijferhaters, gevoelsmensen, en iedereen met een uitgesproken linkse of rechtse overtuiging. Ook zullen sommigen zich ergeren aan de directe toon waarop de auteur zijn lezer (Pinker zou schrijven: lezeres) aanspreekt. Pinker treedt niet in dialoog, danst niet om een onderwerp heen, komt meteen ter zake en laat zijn twijfels niet blijken – zoals minder rechtlijnige schrijvers dat soms wél doen: Hume, Burke, Maistre, Nozick, Karel van het Reve. Pinker is een wat autoritaire schoolmeester die van bij het begin zegt waar het op staat.
     Zelf  vind ik dat zo’n directe manier van spreken en schrijven grote voordelen heeft, en al zeker in mijn vak: het onderwijs. Het is dan ook jammer dat Pinker die voordelen net dáár niet ziet, en ze zelfs ontkent. Het is altijd pijnlijk als je met een auteur van mening moet verschillen over een onderwerp dat je zelf een beetje kent en waar je bij betrokken bent. Eerst wil Pinker een nieuw schoolvak invoeren dat kritisch denken moet aanleren. Ik ben daar al geen voorstander van (hier) en het verbaast me niet dat experimenten met zo’n vak tot flauwe resultaten hebben geleid. De leerlingen zagen er een nieuwe ‘civics class’ in, denk ik dan. Daarna maakt Pinker de zaken nog erger door die flauwe resultaten toe te schrijven aan de onderwijskundige aanpak. ‘Elk vak zal pedagogisch inefficiënt zijn als het bestaat uit een docent die voor het bord staat de drenzen en een cursus die leerlingen moeten bewerken met een gele stift.’ Pinker schrijft dat de leerlingen op die manier nooit kritisch zullen leren denken. Ik weet dat nog zo niet. Als leraar sta ik heel vaak te drenzen voor het bord, en stop ik mijn leerlingen een cursus in de hand die ze moeten bewerken met een gele stift. En ook als leerling heb ik vaak geluisterd naar leraren die stonden te drenzen voor het bord, en heb ik cursussen bewerkt met een gele stift. En toch hebben dat gedrens en die stift mij, geloof ik, geholpen om over Pinkers boek kritisch na te denken.


 * Ik had bij het schrijven van dit stuk de Nederlandse vertaling van Pinkers boek niet bij de hand. Mijn eigen ‘vertalingen’ zijn, geef ik toe, vaak meer een verkorte parafrase dan een letterlijke weergave van de tekst.

** Pinker merkt, zoals velen vóór hem, op dat het aantal slachtoffers van het terrorisme weinig voorstelt vergeleken met de verkeersslachtoffers, ongeveer 3 %. Hij maakt echter dezelfde vergelijking in verband met de schietpartijen in Amerikaanse scholen en die hoor je minder vaak. Ook merkt hij op dat er emotionele en rationele redenen zijn waarom mensen anders reageren op tragedies van kwaad opzet dan die van ongeluk en toeval. We maken ons terecht grote zorgen over enkele dissidenten die door dictatoriale regimes worden gedood, ook al zijn die véél minder talrijk dan verkeersslachtoffers.

*** De civics-class is een bijzonder saai vak dat aan Amerikaanse scholen gedoceerd wordt en dat binnenkort ook bij ons zijn intrede doet onder de naam ‘Burgerschap’.


**** Er bestaat een andere mogelijkheid om de nadelen van een verkiezingsdemocratie te temperen. Pinker wijst erop dat mensen bij politieke vraagstukken sterk door vooroordelen en groepsgevoel geleid worden, maar dat ze in zaken waar hun persoonlijk belang direct van een persoonlijke beslissing afhangt veel redelijker te werk gaan. Alles verandert als men ‘skin in the game’ heeft. Dat lijkt mij een argument om de sfeer van de politieke beslissingen te verminderen en de sfeer van markt te vergroten.
 
***** Pinker beroept zich voor zijn democratie-interpretatie op Popper, maar juist Popper wijst die morele superioriteit van de elite af. Ik heb daar indertijd iets over geschreven naar aanleiding van de Brexit. (hier)

zondag 4 november 2018

Verstrooid op zondagmorgen

     Eergisteren meldde ik al het zondagmorgen-broodjesprobleem  (hier). Bij de bakker moet ik aan minstens vier dingen denken: de broodjes, de bakkerskrant, het geld en het wisselgeld. Ook mag ik mijn autosleutels niet op de toonbank laten liggen. Dat is allemaal nogal moeilijk en soms gaat het mis.
     Het is nu zondagmorgen en ik kom net van de bakker. Het is weer misgegaan.
     Ik had nochtans flink mijn best gedaan en niets vergeten. Ik stapte in de auto en controleerde nog een laatste keer of  de portefeuille in mijn jaszak stak, en de broodjes en de krant naast mij liggen. Ja, ze lagen er.

    Maar toen ik de autosleutel in het slot wou steken was er weer iets anders fout. Die sleutel paste niet. Ik zat potverjandriedubbeltjes in de verkeerde wagen – een donkerblauwe BMW, terwijl ik met de zwarte Skoda van mijn vrouw gekomen was.
     Ik trek uit dat avontuur twee lessen. Eén, hoe erg je ook op je hoede bent, sommige fouten zijn onvoorspelbaar. En twee, ook BMW-eigenaren hebben last van zondagmorgenverstrooidheid, want de wagen was niet op slot. Dát is dan weer een fout die ik niet vaak bega. Ik keer wel drie keer op mijn stappen terug om te controleren of de portieren goed gesloten zijn.

zaterdag 3 november 2018

De flauwe praatjes van Groen!

     Groen! stelt een vraag die mij wat overvalt: Had je 3,5 miljard, wat zou jij dan doen?* Dat is een moeilijke vraag. Ik laat die soms los op mijn leerlingen in de Engelse les: What would you do if you had a billion dollars? De leerlingen moeten antwoorden, beginnend met ‘If  …’ ’t Is een goede oefening op de zogenaamde second conditional. De meeste leerlingen zouden een eiland kopen en zouden hun vrienden uitnodigen om ook op dat eiland te komen wonen. Maar dit terzijde.
     Ik heb de boodschap van Groen! overigens goed begrepen. Meer geld naar pensioenen, scholen, parken … en geen geld naar F-35-vliegtuigen. Goed, dat is een politieke keuze. Maar ik vind het flauw om die pensioenen en die parken tegen de vliegtuigen te gebruiken. Als je tegen die vliegtuigen bent, zegt het dan gewoon, en voeg eraan toe waarom je ertegen bent, zonder die pensioenen en die parken erbij te halen. Sociale zekerheid is sociale zekerheid, onderwijs is onderwijs, ruimtelijke ordening is ruimtelijke ordening … en defensie is defensie.
     In het programma van Groen! vind je weinig over defensie. Er staat iets in over  ‘humanitaire militaire interventies’, over ‘internationale samenwerking’ en over een ‘Europese defensie’. Prima. En dat allemaal zonder gevechtsvliegtuigen? Hoe stelt Groen! zich die interventies voor? Met een bataljon cyclisten? Dat zou een mooie internationale samenwerking zijn. Nederland levert de vliegtuigen, Frankrijk de tanks, Spanje de artillerie en België de fietsen.
     Groen! kan nu zeggen, zoals de socialisten, dat die F-35’s teveel kosten voor wat ze waard zijn en dat ons goeie defensiegeld op een betere manier kan worden besteed. Dat kan. Ik ben geen specialist. Maar dat goedbestede geld blijft dan binnen defensie, en gaat weer niet naar pensioenen en parken. Of Groen! moet eens flink zijn en zonder omwegen verklaren dat het defensiebudget gehalveerd moet worden. Dat is dan duidelijk. Van Besien kan daar misschien een motie over indienen op de Antwerpse gemeenteraad. Maar zolang Groen! dat niet doet, is de  3,5-miljard-boodschap niet veel meer dan een gemakkelijke manier om het kumbaya-pacifisme  van de groene sympathisant te strelen, zonder als partij de verantwoordelijkheid op te nemen dat pacifisme rationeel te onderbouwen.
     Ik heb nog een tweede bezwaar tegen de groene 3,5 miljard-boodschap en dat betreft de leestekens: pensioenen – komma – scholen – komma – parken – komma – drie puntjes. Aha! En waar staan die drie puntjes voor? Alles wat ons hartje lust? Dan vind ik het jammer om mijn groene vrienden te moeten ontgoochelen. 3,5 miljard is echt niet zoveel.



* Ik heb die vraag ook al eens gekregen van John Crombez, maar toen ging het nog om 15 miljard (hier). Ik heb toen ook gewezen op enkele basiscijers. Het defensiebudget in ons land is  0,91 van het BBP. Het onderwijsbudget is 4,4 procent. En dat van pensioenen is 11 procent. Van die drie zal vooral het laatste nog flink stijgen in de komende jaren. 

** In mijn allereerste politieke stukje (hier) heb ik al iets gezegd over het drie-puntjes-probleem, zoals het zich bij het PVDA-programma stelt. Die partij wil een rijkentaks om, zeg, hogere pensioenen te betalen. maar bij de eerste staking van de postambtenaren moet dat geld ook nog eens gebruikt worden voor hogere lonen, nieuwe aanwervingen, mooiere uniformen, betere fietsen, of wat de eisen van die staking op dat moment ook mogen zijn.

vrijdag 2 november 2018

Hammett en de verse broodjes

     Er is iets wat mijn huisgenoten niet weten. Zondagmorgen sta ik een halfuurtje vroeger op om verse broodjes te halen. Dat weten mijn huisgenoten wél. Bij de bakker staat een lange rij auto’s geparkeerd. Dat is geen probleem als ik met de fiets ga, maar vaak ga ik met de auto, en dan moet ik wachten tot een andere auto wegrijdt.
     Dat is niet alles. Ook binnen staat een lange rij mannen en vrouwen van verschillende leeftijden, sommigen met kinderen. Er zijn er bij met lange bestellingen: ‘3 witte broodjes en 3 bruine, 2 met zaden, 1 koffiekoek met chocolade, 2 met pudding, 3 met kersen en 2 met abrikoos,’ en daarna volgt nog een bestelling van kaas en fijne vleeswaren aan de andere toonbank. Het zijn, geloof ik, de enige momenten van de week dat ik mij verveel.
     Een oplossing bestaat er dan in om de bakkerskrant te lezen die daar in stapeltjes ligt – De Zondag – met veel reclame, een verslag van de voetbalwedstrijden van zaterdag, en een politiek interview. Dat lezen, terwijl je aanschuift in een wachtrij, is niet zo prettig als je zou denken, maar de tijd gaat wat sneller en halverwege het interview met Peter Mertens of Gerolf Annemans, vraagt een van de winkeljuffrouwen wat ik hebben wil. ‘Vijf broodjes, wit,’ zeg ik ferm, waarmee ik de andere klanten met hun lange bestellingen op hun nummer zet.
     Dan volgt de financiële afhandeling. Ik haal mijn portefeuille boven, leg een briefje op de toonbank, neem het wisselgeld en vertrek.
      Als ik thuiskom, slapen mijn huisgenoten nog, en dat is maar goed ook. In ongeveer de helft van de gevallen ben ik de broodjes vergeten en moet ik stiekem terugrijden. Krant, geld, wisselgeld én broodjes, dat is één gegeven teveel voor een zondagmorgen.
     In de mooie film Hammett van Wim Wenders, zegt ene Sue Alabama: ‘He needed one hand for the money and the other for the gun ... He wasn’t good enough to handle both.’ Daar moet ik dan aan denken terwijl ik terugrij naar de bakker. Not good enough to handle all four. Die Sue overigens heette niet echt Alabama, hoor. ‘It was Sue something Greek and unpronouceable.’ Helemaal in de ware Hammett-stijl.

zaterdag 27 oktober 2018

Vlaams Belang, N-VA en het cordon sanitaire

    Zelf zal ik nooit op Vlaams Belang stemmen. Mijn vrouw en mijn zoon zouden niet meer met me praten. Maar zelfs zonder mijn huisgenoten gerekend, zou ik het niet doen. Voor het sociaaleconomische is de partij mij te links, voor immigrantenzaken te rechts, en voor het Vlaamse te voortvarend. Maar ik heb begrip voor de mensen die er wél voor stemmen. Daar zitten flaminganten bij die hun geduld kwijt zijn, knappe koppen die de Islam bestudeerd en de gevaren ervan overwogen hebben, en ook lieden uit volkse buurten, die hun leven achteruit zagen gaan door de immigratie van de laatste 40 jaar. Die laatsten voelden zich veiliger op straat toen hun buurt nog helemaal blank was. Ze leven van een sociale uitkering en ze hopen dat die wat hoger zou zijn, als er minder middelen naar de nieuwkomers gingen. Men noemt die mensen ‘proteststemmers’ of ‘foertstemmers’, maar dat is een neerbuigende interpretatie. Sommige van die mensen willen niets liever dan dat het Belang mee kan besturen  zodat er, zo hopen zij, eindelijk iets gedaan wordt aan de onveiligheid en de lage uitkeringen.
   Het Belang heeft bij de laatste verkiezingen weer wat meer stemmen behaald, 4 % meer dan bij de vorige gemeenteraadsverkiezingen. Met zo’n vooruitgang moet je je ogen niet neerslaan en met je pet frunniken. Dan kun je best eens met je vuist op tafel slaan en iets eisen. De opheffing van het cordon sanitaire bijvoorbeeld, die afspraak van 30 jaar geleden waarbij alle Vlaamse partijen – N-VA bestond nog niet – beloofden om nooit een bestuurscoalitie te vormen met wat toen nog het Vlaams Blok heette.

     30 jaar – dat is lang geleden, zul je zeggen. Misschien mag dat cordon inderdaad wel zoetjesaan overboord. Het Belang van nu is gematigder dan het Blok van toen. Als de partij aan coalitiebesturen deelnam, zou ze misschien nóg gematigder worden. Bovendien is het cordon eenzijdig omdat enerzijds de centrumrechtse partijen wel het extreemrechtse Vlaams Belang uitsluiten, maar anderzijds de centrumlinkse partijen toch bereid zijn coalities aan te gaan met de extreemlinkse PVDA. Van rechts wordt het uiteinde van de staart afgekapt, terwijl links een ongeschonden exemplaar bewaart om mee in het rond te slaan.
    Om het cordon te doorbreken richt het Belang zich in de eerste plaats tot N-VA en Bart De Wever, van wie het die 4 % heeft afgesnoept. ‘In zestien gemeenten,’ schrijft VB-voorzitter Tom van Grieken, ‘zijn er meerderheden Vlaams Belang/N-VA. Vlaams Belang reikt duidelijk de hand aan N-VA om deze wil van de kiezer om te zetten in een Vlaamse meerderheid.’ Als De Wever niet op de uitnodiging ingaat, dreigt Van Grieken om hem bij de volgende verkiezing ‘de rekening te presenteren’. Hij bedoelt daarmee dat het Belang dan nog meer stemmen van N-VA zal afsnoepen.
        Maar De Wever zal wel niet snel als eerste en als enige op zo’n uitnodiging ingaan. Als hij in één van die zestien gemeenten een coalitie met het Belang aanging, zouden de partijen van centrumlinks én centrumrechts geen coalities met N-VA meer willen aangaan. N-VA bevond zich dan zelf ook binnen het cordon, in ‘splendid isolation’. ’t Zou mooi en solidair zijn natuurlijk, maar ik betwijfel of De Wever tot dergelijke zelfopoffering genegen is en ’t zou voorzeker niet erg verstandig zijn.
     Dat stemmenverloop van N-VA naar Vlaams Belang bij de volgende verkiezingen zou overigens best kunnen meevallen. Je weet nooit hoe zo’n muntstuk valt. Misschien gaat dat verloop wel in de omgekeerde richting. Zowel het cordon als een eventueel doorbreken van het cordon, kan een dubbele nawerking hebben. Mét het cordon blijft het Belang buiten het bestuur, behoudt de partij haar zuiverheid en haar radicale taal, en zoiets trekt sommige kiezers aan. Maar andere kiezers hebben liever dat hun verkozenen een paar procenten van hun ideaal realiséren dan dat ze honderd procent gelijk hebben in de oppositie. Welke kiezersgroep zal groter zijn? Mocht het cordon daarentegen ooit doorbroken worden en Vlaams Belang aan het bestuur deelnemen, dan vallen ook dan de gevolgen niet te voorspellen. Zou Vlaams Belang in zo’n geval kiezers winnen door haar gematigde koers en haar nieuwe argument van ‘nuttige stem’, of zou ze ontgoochelde alles-of-niets-kiezers verliezen? Wie zal het zeggen?
     Dat is allemaal hogere electorale rekenkunde, gebaseerd op speculaties, wensdromen en angstscenario’s. Politiek is wel wat meer dan dat. Elke generatie heeft een aantal politici die, terwijl ze verzuipen in de dossiers en de volgende verkiezing voorbereiden, ook nadenken over de middellange en de lange termijn. De gedachten van De Wever over de middellange termijn zijn geen geheim:  een gematigd besparingsbeleid, minder belastingen, en een armoedebestrijding door meer werkgelegenheid liever dan door hogere uitkeringen. Zo’n beleid kun je voeren met een krappe centrumrechtse coalitie, ook al komt daar heel wat trekken en duwen aan te pas.

     Maar De Wever heeft daarnaast nog andere plannen die niet op de korte termijn en niet met een krappe meerderheid kunnen worden gerealiseerd. Ook die plannen zijn geen geheim: een Vlaanderen dat loskomt van Wallonië en een volledige ommekeer in het migratiebeleid. Zulke plannen zijn veel ingrijpender. Je kunt ze niet verwezenlijken zonder het héle politieke centrum mee te krijgen. Wie een ingrijpende verandering wil afdwingen op een radicale manier, steunend op een minderheid of op een kleine meerderheid, is een revolutionair. En De Wever is géén revolutionair. Hij is als leerling van Burke vóór alles een antirevolutionair. Hij mag vaak ronde taal spreken en in debatten vrolijk op de vijand van het ogenblik inhakken, hij eindigt graag, geloof ik, met een of ander compromis, niet alleen met andere partijen, maar ook met dat deel van de bevolking dat zich door die partijen vertegenwoordigd voelt.
     Neem de kwestie van de migratie. Tegen een restrictief migratiebeleid bestaan veel bezwaren van emotionele aard. Hoewel zo’n beleid op een rationele en humanitaire grondslag rust*, hangt er snel een geur van racisme omheen. Filip De Winter, nu Vlaams Belang maar toen nog Vlaams Blok – draagt hier een deel van de verantwoordelijkheid omdat hij met zijn 70-puntenprogramma zowel anti-immigratie als anti-immigrant was.
     Die geur van racisme moet weg. De Vlaming heeft, wat Bert Bultinck van Knack daarover ook moge denken of schrijven, weinig racisme ingebakken in zijn DNA. Om de gemiddelde Vlaming, en zeker de jonge Vlaming, voor een migratiestop te winnen, zal het nodig zijn om een tweeluikig plan voor te stellen: het sluiten van de grenzen voor nieuwe migranten én de integratie in onze maatschappij van de oude migranten. Dat laatste heb ik door N-VA’ers wel eens ‘inclusief nationalisme’ horen noemen. Vlaams Belang heeft nog een stuk weg af te leggen vooraleer ze een geloofwaardige partner kunnen worden voor het tweede luik van het plan. En zolang dat stuk weg niet is afgelegd, zal De Wever wel afstand blijven houden.
     Voor de Vlaamse kwestie is het nog duidelijker. De Vlaming heeft heel wat te winnen bij een financiële opsplitsing van het land. Je hoort niet zo vaak meer over de transfers van Vlaanderen naar Wallonië, maar die zijn er nog. Ik las ergens dat élke Vlaming – vader, moeder, zoon, dochter en inwonende grootmoeder – jaarlijks ongeveer 1000 euro aan Wallonië betaalt en dat elke Waal – vader, moeder, enzovoort – ongeveer 1800 euro van Vlaanderen ontvangt.** In Wallonië is er niet veel enthousiasme om aan die toestand iets te doen. Maar eigenaardig genoeg, in Vlaanderen ook niet. De socialisten verbinden hun lot aan hun grote Waalse PS-broer, de groenen verkeren in een hogere sfeer, de liberalen denken door meer België de chaos van de vele bestuursniveaus te verminderen, en CD&V wil wel meer Vlaanderen maar toch vooral eerst minder N-VA.
     Chris Janssens van Vlaams Belang heeft op Doorbraak een uitgebreid stuk gepubliceerd waarin hij N-VA hekelt omdat de partij coalities aangaat met centrumlinks en centrumrechts maar niet met het Belang. Hij wil dat de volgende verkiezingen een ‘referendum over het cordon’ worden. Hij hoopt met andere woorden dat heel veel Vlamingen, liefst meer dan de helft, voor het Belang stemmen, want daar gaat het bij een referendum om.
     Het is een stuk in de oude stijl. Het gaat over Waalse Dictaten en Vlaamse Principes. Het woord ‘kaakslag’ komt er niet in voor, maar het woord ‘knieval’ wel. Janssens haalt verkiezingscijfers aan, citeert rechters, professoren en journalisten, en verwijst naar extreemrechtse regeringsdeelnames in het buitenland. Maar dat verandert niet veel aan het volgende gegeven. In Vlaanderen behalen N-VA en Vlaams Belang samen 38 % van de stemmen. In het Belgische parlement bezetten ze 25 % van de zetels. Dat zijn geen cijfers waarmee je een Vlaamse onafhankelijkheid uitroept. Je kunt dat cijfer van die 38 % verhogen door veel affiches op te hangen, veel folders te verspreiden en te twitteren alsof je leven ervan afhangt. Misschien halen de twee partijen in Vlaanderen ooit samen 48 of zelfs 51 %. Dat is nog altijd veel te weinig om tegen een verenigd Waals front van 99 % uit te komen.
    Het valt te verwachten dat De Wever in die omstandigheden de voorkeur zal blijven geven aan samenwerkingsverbanden met centrumlinkse en centrumrechtse partijen. Hij kan zelfs hopen dat er door zo’n gezamenlijk bestuur ooit meer eenheid van visie komt op een Vlaamse toekomst, dat de socialisten zich verder verwijderen van hun PS-kameraden, dat de groenen hun hogere sfeer verlaten, dat de liberalen juist in meer Vlaanderen een middel gaan zien tegen de bestuurlijke chaos, en dat CD&V went aan haar verminderde status en haar Vlaamse aspiraties weer bovenhaalt.
     Ja, misschien gebeurt dat ooit. Of misschien niet.


* Rationeel: migranten komen naar Europa omdat hier een betere levenskwaliteit is, maar doordat hier meer migranten komen, vermindert die levenskwaliteit die die de oorspronkelijke reden van de migratie was.
Humanitair: als een rijk land 1, 2 of 5 % van zijn rijkdom wil besteden aan armoedebestrijding in Afrika, bestaat de minst billijke manier om dat te doen erin om enkele miljoenen Afrikanen naar Europa te laten komen en de rest in de miserie te laten.
** Een jaarlijkse transfer van 7 miljard euro. Zie hier, en recenter hier.

woensdag 24 oktober 2018

Verlichting nu. Niet seffens, niet subiet, maar nu, maintenant, tout de suite, heute nog godverdomme

Het boek van Pinker is eindelijk in het Nederlands vertaald
  De boeken van Steven Pinker lees ik met een mengeling van ergernis en fascinatie en dat geldt ook voor dit boek, dat een pleidooi is voor de waarden van de Verlichting. Pinker laat zien hoe die waarden zich verhouden tot de grote problemen van onze tijd: welvaart, levenskwaliteit, milieu, oorlog, islam, terrorisme, democratie …
     Pinker drijft zijn lezer in de hoek met cijfers en logica. Die cijfers vormen het beste deel van het boek. Het zijn geen zorgvuldig uitgekozen spectaculaire getallen over de 0,004 % rijksten ter wereld, de   productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. Pinkers cijfers hebben goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes.
     Ook de logica van Pinker is solide, alhoewel niet altijd subtiel. Hij formuleert scherp, waardoor je altijd wel iets vindt om op af te dingen, maar elk argument dat hij aandraagt is het overwegen waard. Wel gaat hij niet altijd diep in op mogelijke tegenargumenten.

     In Amerika is Pinker een man van het centrum. In Europese termen zou hij een gematigde, een zéér gematigde, sociaaldemocraat zijn. Hij is redelijk goed op de hoogte van sommige andere denkstromingen: klassiek liberalisme, rechts populisme, links radicalisme, emotioneel ecologisme en die krijgen om beurten een veeg uit de pan, vooral de laatste drie. De denkwereld van het conservatisme lijkt hem echter totaal vreemd. Die doet hij af met een woord: ‘cultuurpessimisme’.
     Je vindt in de bibliografie achteraan weinig boeken van de grote Verlichtingsauteurs. Dat is niet Pinkers specialiteit. Pinker beperkt zijn Verlichting tot rationalisme, positivisme en (atheïstisch) humanisme. Daarin leunt hij naar mijn smaak te veel aan bij de radicale Franse traditie en te weinig bij de sociaal gematigde Engels-Schotse denkers als John Locke, David Hume en Adam Smith, wier leer meer aanknopingspunten heeft met het conservatieve denken.
     Het boek bevat een reeks fundamentele cijfers waarzonder een ernstige discussie over de problemen van deze tijd onmogelijk is. De conclusies zullen geloof ik in de smaak vallen van de zéér gematigde sociaaldemocraat en van de zéér rationeel ingestelde ecologist. Anderen zullen ze lezen met gevoelens die van bladzijde tot bladzijde of van hoofdstuk tot hoofdstuk variëren. Het is immers lang niet altijd leuk om meningen te lezen die botsen met je eigen wereldbeeld. Maar je wordt er wel groot en sterk van.

zaterdag 20 oktober 2018

Meester, hij polariseert weer!

     Aan alles wat hij zegt of doet, merk je dat Kristof Calvo graag polariseert. Ik heb daar geen probleem mee. Een aantal politici die ik graag aan het werk zie of zag, hebben of hadden dat ook: Bart De Wever, de jonge Verhofstadt, de oude Tobback. Zo iemand heeft graag een vijand om op in te hakken, en bij Calvo is die vijand N-VA.
     In Het Nieuwsblad demonstreert Calvo nog een keer waar hij goed in is. ‘De Wever speelt toneel,’ zegt hij zo ongeveer. ‘De Wever faalde in zijn opdracht als burgemeester.’ ‘Antwerpen is een stad als parking.’ ‘In Antwerpen kun je jezelf niet zijn aan een loket.’
     Dat laatste begreep ik eerst niet. Waarom zou je in Antwerpen jezelf niet kunnen zijn aan een loket? Pas achteraf begreep ik dat hij het niet sprak over de Antwerpse man of vrouw die zich aan een loket aanmeldt. Het ging om de persoon aan de andere kant van het loket – meer bepaald de vrouwelijke ambtenaar die haar islamitische obediëntie kenbaar moet kunnen maken door het dragen van een hoofddoek. Alleen zo, denkt Calvo blijkbaar, kan die ambtenaar ‘zichzelf zijn’.
     In de Jambersreportage van donderdag hebben we gezien hoe De Wever met de verkiezingsuitslagen voor zich op tafel begon na te denken over een coalitie met Groen. CD&V en OpenVLD had hij natuurlijk liever, maar die haalden zo weinig zetels. Met Groen daarentegen kon hij een mooie meerderheid vormen, en dan zou er misschien wat minder ruzie zijn. ‘Ik word daar zo moe van, die oorlog elke dag,’ zei hij nog.
     Zo’n uitspraak is natuurlijk betrekkelijk. De Wever is altijd een ‘happy warrior’ geweest, in die mate zelfs dat hij het vergaderzaaltje waar hij zich liet filmen had omgedoopt tot de ‘war room’. Maar hij is ook zes jaar bestuurder van een stad geweest, en dan word je het wel eens beu als je meer tijd moet besteden aan het verdedigen van je beleid dan aan je beleid zelf. Ik heb op mijn school een poosje op overlegvergaderingen mijn mond geroerd. Ik vergeet niet snel die keer dat de toenmalige directeur uitriep: ‘Kun je ons dan nooit eens met rust laten, zoals wij jullie met rust laten.’ Die was de oorlog ook moe.
     Voor De Wever heeft een coalitie met Groen dus een paar voordelen. Voor de groene kiezer ook, want dan heeft die niet voor niets gestemd. Maar voor groenen als Calvo zou zo’n coalitie een vloek zijn. Het is immers moeilijk om tijdens de komende nationale verkiezingscampagne overal ten lande N-VA voor te stellen als nare asocialen, milieuverpesters en halve racisten als je er zelf een erg zichtbare coalitie mee aangaat. Zo’n werkwijze is meer iets voor ... tja, wie hier geen namen kan plaatsen heeft geloof ik de politiek van de laatste drie jaar niet aandachtig gevolgd.
       Ik heb de voorbije week vastgesteld dat iedereen bereid is goede raad te geven aan de politieke leiders van dit land. Dat lijkt mij een goed idee. Ik heb dus zelf ook een bierviltje genomen en daar enkele eisen op genoteerd waarmee Calvo, als hij dat wil, de Antwerpse coalitiegesprekken kan doen mislukken – vooral als hij die eisen op voorhand doorgeeft aan de pers. Het zijn er vier:
1.       De Wever weg uit de nationale politiek.
2.       In Antwerpen een circulatieplan zoals in Gent.
3.       Een sociale woning voor wie erom vraagt. Verdrievoudiging van het aantal gesubsidieerde woningen.
4.       Moslima’s met een hoofddoek aan het loket. Weg met het secularisme.
     Ik was van plan om het bierviltje op te sturen naar Calvo, maar nu ik het stuk in Het Nieuwsblad helemáál gelezen heb, en ook dat in De Morgen, zie ik dat ze daar bij Groen mijn goede raad niet nodig hebben.

zaterdag 13 oktober 2018

Groen, N-VA, Vlaams Belang en CD&V

     Op de facebookpagina van een groene vriend las ik dat hij zich verheugde over de goede peilingen voor Groen en de slechte peilingen voor N-VA. Dat eerste vond ik normaal, maar dat tweede vond ik raar. Die vriend moest toch weten dat de stemmen die N-VA verliest vooral naar Vlaams Belang gaan. Dáár kon hij zich toch niet op verheugen? Voor zo’n groene jongen moet Vlaams Belang toch het vleesgeworden kwaad zijn, meer dan N-VA of enige andere partij?
    Ik heb daar lang over nagedacht, niet aan een stuk door, maar af en toe, op de fiets of ergens anders. Misschien, zo dacht ik, had die groene jongen zijn morele intuïtie ondergeschikt gemaakt aan een strategische overweging. Misschien vond hij een verzwakt N-VA en een versterkt Vlaams Belang wel een mooie kans voor Groen.
     Wat het bestuurlijke niveau betreft is dat een robuuste redenering. Neem nu Antwerpen. Hoe slechter de score daar is voor N-VA, hoe kleiner het verschil met Groen, en hoe groter de kans dat Groen op een geloofwaardige manier het burgermeesterschap kan opeisen. Het stemmenaantal van Vlaams Belang heeft daar weinig invloed op, omdat die partij toch uit het bestuur geweerd wordt en omdat ze vanuit haar verleden weinig bestuurlijke capaciteit heeft opgebouwd en wellicht ook niet zoveel echte bestuurlijke ambitie heeft. Als men De Winter vraagt welk ambt hij in het stadsbestuur bereid zou zijn te aanvaarden, antwoordt hij ‘burgemeester’. Dat is een brutaal antwoord, dat helemaal past bij zijn gespierde stijl, maar ’t is een antwoord dat je moeilijk serieus kunt nemen. Het is zoals een kind dat, gevraagd naar zijn toekomstige beroep, ‘koning’ of ‘paus’ als zijn keuze opgeeft.
     Maar mijn groene vriend moet toch ook weten dat de invloed van Vlaams Belang zich niet langs bestuursdeelname doorzet. Met haar anti-immigratiestandpunten treedt Vlaams Belang op als zogenaamde ‘zweeppartij’, dat wil zeggen een partij die door harde oppositie ervoor zorgt dat de besturende partijen in haar richting opschuiven. En als mijn groene vriend dat weet – is hij dan niet bang dat een versterkt Vlaams Belang nog zwaarder gaat wegen op het beleid? Ik geloof dat hij daar inderdaad niet bang voor is, en ik geloof zelfs dat hij daar gelijk in heeft.
     Het is een ingewikkelde kwestie. Buiten de bestuurssfeer is Vlaams Belang de pleitbezorger van een restrictief immigratiebeleid. De partij doet dat in een stijl die past bij een eeuwige opposant: met harde taal en zonder veel rekenig te houden met wetten, reglementeringen en andere politieke meningen. Binnen de bestuurssfeer is dat anders. Daar is N-VA de partij van het restrictieve migratiebeleid. De partij speelt daarbij een dubbele rol: de harde taal van de Theo-tweets, en de voorzichtige weg van administratieve maatregelen, juridische hervormingen en politieke compromissen.  En nu zou je denken: een versterkt Vlaams Belang zal ervoor zorgen dat N-VA die anti-immigratiekoers blijft varen  en zelfs naar een hogere versnelling schakelt.
     Dat zou in de praktijk echter anders kunnen lopen. Ik ken weinig van interne partijkeukens, maar ik hoor wel eens dat binnen N-VA verschillende strekkingen huizen. Er zou in de partij een VU-achtige linkerflank bestaan die op sociaal-economisch gebied graag wat meer geld zou uitgeven, en die op immigratiebeleid graag wat minder strikt zou zijn. Je leest soms dat Jan Peumans tot die strekking behoort. ’t Is mogelijk. Zeker is in elk geval dat die strekking het de laatste tijd niet makkelijk heeft gehad (hier). De rechtervleugel had namelijk, naast inhoudelijke argumenten, ook de electorale logica aan zijn kant. De partij móest wel stevige standpunten innemen inzake migratie want anders zou een deel van haar kiespubliek naar Vlaams Belang deserteren.
     Maar als die desertie toch plaatsvindt, dan ziet de zaak er anders uit. Dan krijgt de linkervleugel van N-VA een deel van het electorale gelijk aan zijn kant. N-VA heeft dan immers kiezers aan het Vlaams Belang verloren ondánks haar stevige anti-immigratiestandpunten. Dan kun je je afvragen wat nog het electorale nut is van die standpunten? De partij kan die kiezers niet terugwinnen door haar standpunten en beleid onveranderd te laten, want het is op die manier dat ze die kiezers is kwijtgeraakt. Maar N-VA kan ze ook niet terugwinnen door haar standpunten en haar beleid verder te radicaliseren. Radicaler dan Vlaams Belang kan ze toch nooit worden, en bovendien zou zoiets ingaan tegen de filosofie van geleidelijkheid en redelijkheid die Bart De Wever altijd heeft voorgestaan.
     De meer linkse N-VA’ers kunnen dat allemaal gebruiken om op een koersverandering aan te dringen. Voortaan, zo kunnen ze pleiten, moeten we het kiespubliek van ándere partijen voor ons zien te winnen. We moeten polariserende kwesties ontwijken, een vager taalgebruik hanteren, meer spreken over ‘humanitaire bezorgdheid’ en ‘sociale accenten’. Hoe minder we over de immigratie spreken, hoe beter, want anders ‘spelen we in de kaart van het Vlaams Belang’.
     Of die aanpak zou lonen, is natuurlijk niet zeker. Er bestaat al een partij van het ‘moedige midden’. Net zoals N-VA nooit radicaler kan worden dan Vlaams Belang, kan ze nooit waziger worden dan CD&V. Bart De Wever zal nooit een goede Kris Peeters worden. Zelf hoop ik dat N-VA, of ze nu versterkt of verzwakt uit de verkiezingen komt, zich altijd meer zal laten leiden door de urgentie van de problemen, dan door electorale sterrenwichelarij.

zaterdag 6 oktober 2018

Sp.a belooft bijna-gratis hoorapparaten

     De Gentse professor Carl Devos heeft van de week voor zijn college politicologie de partijvoorzitters uitgenodigd. Ik las daar een stukje over in Het Nieuwsblad. ‘John Crombez (sp.a) zette van bij het begin de toon,’ schrijft HN. ‘Hij deinsde er niet voor terug om de gehele sociale zekerheid met zijn partij te claimen.’ Van mij mag Crombez alles claimen. Zijn partij heeft in de ontstaansgeschiedenis van die sociale zekerheid haar rol gespeeld. Als Crombez wil mag hij op die manier ook het algemeen stemrecht claimen. De werkelijkheid is echter dat álle partijen – ook n-va en de liberalen –  ondertussen voorstander zijn van de sociale zekerheid – én van het algemeen stemrecht. De socialisten zitten al vier jaar in de oppositie, en toch zijn de sociale uitkeringen in die tijd alweer met 8 procent gestegen.* Die uitkeringen vertegenwoordigen de helft van alle staatsuitgaven en 25 % van ons bruto binnenlands product. Het grootste deel ervan gaat naar pensioenen** en geneeskundige zorg.
     Die sociale zekerheid is een erg ingewikkelde materie. Jan moest daar vorig jaar een en ander over leren, en hij deed dat al zuchtend en steunend, om dan zo snel mogelijk de monoklonale antilichamen en de cytokinen weer op te zoeken. Maar voor de burger valt het mee. Ik moest laatst een heelkundige ingreep ondergaan. Ik werd onder handen genomen door een team van hooggeschoolde en duurbetaalde specialisten die daarbij gebruik maakten van kostbare apparatuur. Een maand later kregen we met de post een belachelijke lage factuur toegestuurd. De rest was al allemaal betaald door de sociale zekerheid. Bij de huisarts is het iets ingewikkelder. Daar moet ik eerst betalen, en krijg ik later een deel van het geld teruggestort. Ook dan krijg ik de indruk dat ik wel erg goed wegkom.
     Maar die indruk is bedrieglijk. Met de geneeskunde is het gesteld als met een ontbijt – je krijgt ze nooit écht gratis, ook niet in Cuba. Er is altijd iemand die betaalt, en die iemand is, in laatste instantie, de patiënt die zijn geld stort in de sociale zekerheidskas. De sociale zekerheid kun je zien als een verzekering die je verplicht bent te nemen – en te betalen – zoals je ook verplicht bent een autoverzekering te nemen – en te betalen. Maar er is een verschil. Die autoverzekering moet je nemen zodat iemand ánders, die door jouw toedoen schade lijdt, zeker mag zijn dat die schade vergoed wordt. Je wordt dus verplicht je te verzekeren om een derde partij te beschermen. In het geval van ziekteverzekering is dat niet zo. Daar word je verplicht jezélf te beschermen.*** Om in de sfeer van de auto te blijven: het is alsof de staat je verplicht een omniumverzekering af te sluiten, iets wat slecht is voor je financiën maar goed voor je gemoedsrust. Inzake gezondheid weegt de staat in jouw plaats financiën en gemoedsrust tegen elkaar af en neemt een beslissing voor je eigen bestwil.
     Elke regeling waar je je verplicht aan moet onderwerpen ‘voor je eigen bestwil’ mag gerust paternalistisch worden genoemd. Dat is een lelijk woord, maar de zaak zelf heeft zo zijn voordelen. Daniel Kahneman heeft uitvoerig geargumenteerd dat de emotionele homo sapiens soms beslissingen neemt die aantoonbaar in zijn eigen nadeel zijn. Een paternalistische overheid kan de sapiens dan met harde verplichtingen of zachte wenken in de ‘juiste’ richting duwen. Misschien is dat ook wat gebeurt met de ziekteverzekering. Misschien gaan we allemaal wat sneller en wat vaker naar de dokter nu we toch verzekerd zijn, en misschien is dat terecht en zijn we daardoor allemaal een klein beetje gezonder en misschien zelfs een heel, heel klein beetje gelukkiger.****
     Toch zou ik met paternalisme ook niet overdrijven. Ik zag onlangs een advertentie van sp.a passeren die hogere terugbetalingen voor brillen, lenzen en hoorapparaten eiste. ‘Sp.a. – we zorgen ervoor,’ stond erbij. Er stond een foto naast van een hardhorende bejaarde die schrok van de prijs van zijn hoorapparaten: 675 euro. Daar hebben veel mensen op gereageerd. De meesten wilden weten waar je die hoorapparaten aan 675 euro kon krijgen. Ik zou dat ook wel willen weten, want ik ben zelf een hardhorende bejaarde. Ik heb me enkele jaren geleden geïnformeerd over die kwestie. Zo’n paar hoorapparaten waarmee je ook in gezelschap de gesprekken kunt volgen, kost al gauw 5000 en niet  675 euro. Ik heb toen maar beslist dat ik eigenlijk ook niet álles wil horen.*****
     We vinden in het verleden van de sp.a geen aanwijzingen, dat die partij in de toekomst van plan zou kunnen zijn zelf de kosten van onze hoorapparaten terug te betalen uit de partijkas. Dat geld zal ergens anders vandaan moeten komen. Eenvoudig gesteld: als we bijna-gratis hoorapparaten willen, dan zal de verzekeringspremie die we betalen omhoog moeten. Zoals het nu is moet ik zelf de beslissing nemen en voorlopig haalt de gierigheid het van mijn wens om alles te verstaan wat om mij heen wordt gezegd. Met het sp.a-voorstel is mijn keuze sterk verminderd: ik moet dan hoe dan ook de verhoogde premie betalen. Ik kan alleen nog beslissen of ik die bijna-gratis hoorapparaten nu wil of niet, en díe beslissing zou snel genomen zijn.
     Is die verhoogde premie de enige oplossing om bijna-gratis hoorapparaten te krijgen? Ik geloof het wel. Je kunt die hoorapparaten natuurlijk ook terugbetalen door pvda-gewijs hogere belastingen te heffen op de rijken, of door de patronale bijdragen bovenop de werknemerslonen te verhogen. Maar dat verandert niets aan het paternalisme. Als men geld van de rijken wil doorsluizen naar de hardhorenden, kan dat nog altijd cash gebeuren. Dan kan de hardhorende zelf beslissen wat hij met dat geld doet. Of als de loonkosten moeten stijgen, dan kan die stijging evengoed rechtstreeks naar de werknemers gaan, in plaats van naar een kas waarop de werknemer later, als hij oud en grijs of kaal is, een beroep kan doen om zijn hoorapparaat te betalen. ******
     Anderzijds is het hele sp.a-voorstel misschien écht wel in mijn voordeel als hardhorende. Misschien moet ikzelf maar een klein bedrag bijbetalen en wordt de kost verder mooi gespreid over mijn niet-hardhorende buren. Maar, ten eerste, put ik weinig troost uit de gedachte dat mijn buren voor mij moeten opdraaien. En, ten tweede, misschien hebben die buren allerlei andere zorgen nodig, waar ik dan weer voor moet opdraaien. Ik wil, zoals elke solidaire Vlaming, heel gráág voor die kosten opdraaien, als het gaat om duur onderzoek, om levensreddende operaties, of om dure, experimentele medicijnen. Maar als het gaat om hoorapparaten, neussprays, kinesibeurten voor een frozen shoulder, of mooie tandheelkundige kronen, dan moeten die buren zelf maar beslissen of ze hun goede geld daarvoor over hebben. Ze kunnen in plaats daarvan ook hun hand achter hun oorschelp brengen, hun neus wat vaker snuiten, enkele maanden wachten tot die schouderpijn vanzelf weggaat, of zich tevreden stellen met een vals gebit.
     Voor de rest zou ik het mooi vinden als mijn buren en ik voor onze medische uitgaven konden kiezen tussen een reeks omnium verzekeringsformules. Ikzelf zou kiezen voor de zogenaamde ‘kleine omnium’. Daar zijn geen hoorapparaten bij, geloof ik.



* Perscommuniqué van de Nationale bank van 2018-04-20 en Kerncijfers. De sociale uitkeringen bedroegen 101.301 miljard in 2014 tot 110.092 miljard in 2017. De sociale uitkeringen zijn ook gestegen als percentage van de totale staatsuitgaven: van 46 % naar 48 %. De stijging van de staatsuitgaven is volledig toe te schrijven aan en stijging van de sociale uitkeringen. Er is alleen een heel kleine daling van de sociale uitkeringen vergeleken met het bbp: van 25,3 % naar 25,1 %. Die relatieve daling is wellicht een gevolg van de dalende werkloosheid en de verhoogde pensioenleeftijd.
** Over de pensioenen heb ik al eens een stukje geschreven. (Hier)
*** Anders dan bij sommige andere verzekeringen, ben je met de ziekteverzekering bijna zeker dat je niet alleen veel geld betaalt, maar ook veel geld of diensten terugkrijgt. Gemiddeld zal iemand met een zwakke gezondheid of een hypochondrische aanleg er wat meer uithalen dan iemand anders, maar iedereen is wel eens ziek en niemand is veilig voor de streken van het noodlot.
**** Misschien ben ik niet alleen gelukkiger omdat ik gezonder ben, maar ook omdat ik niet te veel zélf moet beslissen. Of misschien ben ik daardoor juist ongelukkiger, wie weet. Sp.a-politici lijken in elk geval gelukkiger als zij over mijn lot mee kunnen beslissen en voor mij kunnen ‘zorgen’. ‘Horen, zien en lachen is geen luxe,’ schrijft sp.a, waarmee ze verwijst naar hoorapparaten, brillen en tandzorg. De onderliggende redenering is dat alles wat geen ‘luxe’ is, geregeld moet worden door de staat, zodat we het niet ‘uit eigen zak’ moeten betalen.
***** Sp.a beweert dat ze gemiddelde prijzen genomen heeft. In haar resolutietekst over de kwestie lijkt ze niet goed te beseffen dat hoorapparaten meestal met twee stuks tegelijk worden gekocht: één voor elk oor. Eén stereofoon toestel kost al snel € 2500, samen dus € 5000. Met een totale terugbetaling van € 1317 betaal je dus zelf  € 3683. Sp.a stelt voor de tussenkomst van de verplichte verzekering ‘significant’ te verbeteren. Dat is vaag. Wil sp.a bijvoorbeeld € 4500 terug laten betalen? Dan zal het aantal kandidaten erg snel de hoogte ingaan. Ik zal er zeker ook bij zijn. Overigens heeft sp.a nog een reeks voorstellen om de toestellen aan lagere prijzen aan te bieden, zoals openbare aanbesteding, maximumprijzen, controle van de audiciens en aanmoedigen van goedkopere technieken. Ik heb daar allemaal niet zo veel vertrouwen in.

dinsdag 2 oktober 2018

Inhoudelijk sterker onderwijs - Trots op mijn vakbond

     De Christelijke Onderwijscentrale (COC) komt met een opmerkelijk standpunt naar voren. Voortaan zal de bond niet alleen meer ijveren voor betere arbeidsvoorwaarden, maar ook voor een inhoudelijk sterker onderwijs. Ik ben daar erg blij mee. Natuurlijk heb ik op het einde van de maand graag een hoger loon, en aan het einde van mijn loopbaan een hoger pensioen. Maar ik ga daar niet graag voor in staking, want dat hoger loon en dat hoger pensioen moeten betaald worden door de hogere belastingsbijdragen van mijn buurman, en ik wil met die brave ziel geen ruzie. Maar inhoudelijk sterker onderwijs is goed voor iedereen: voor mij, voor mijn buurman en voor de kinderen van mijn buurman.
     In Het Nieuwsblad van 1 oktober geeft Koen Van Kerkhoven van de COC de krachtlijnen van zijn programma: gestructureerde kennis in plaats van ervaringsleren en competenties, klassikale lessen in plaats van groepswerk, discipline in plaats van eindeloze ‘gesprekken’, duidelijk afgebakende vakken gegeven door specialisten in plaats van allegaartjes gegeven door all-rounders. I second these motions. En ik ben blijkbaar niet de enige. Als zo’n vakbond die dingen zegt, dan moeten ze wel sterk leven aan de basis – om het jargon van de sector te gebruiken. De christelijke vakbond gaat hier immers in tegen wat de christelijke onderwijskoepel opdringt in leerplannen, omzendbrieven, bijscholingen en pedagogische richtlijnen.
     Ik heb de foto van Koen Van Kerkhoven eens goed bekeken, en die man lijkt mij van het redelijke type. Ik veronderstel dus niet dat hij álle vaardigheden wil bannen, élk groepswerk wil verbieden, of álle vakoverschrijdende initiatieven wil afschaffen. In sommige vakken zijn zulke methodes meer op hun plaats dan in andere. Sommige leraren hebben daar een speciaal talent voor. Sommige leerlingen vinden dat fijn. Maar die methodes moeten een aanvulling zijn, en kunnen niet het hoofdbestanddeel vormen van een gezonde didactiek. Het werd tijd dat iemand dat eens in ronde woorden durfde te zeggen. Dat iemand erop wees dat – pas op voor het cliché – de slinger veel te ver was doorgeslagen.
     Mijn cliché heeft zijn reden. Het wordt namelijk ook gebruikt in het nijdige commentaartje dat Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad van 2 oktober aan de nieuwe COC-koers heeft gewijd. Mijlemans beweert namelijk dat de COC op zijn beurt ‘de slinger enkele decennia terugslaat’. Hij gebruikt daarvoor een aantal onnozele beelden van ‘stofjassen’ en ‘ijzeren linialen’. Mijlemans geeft toe dat veel ‘onderwijsvernieuwingen’ hebben geleid tot ‘nivellering’, maar, zegt hij erbij, ze hebben ook gezorgd voor ‘nieuwe kansen’.  Dan denk ik bij mijzelf: over wélke onderwijsvernieuwingen heeft die idioot het eigenlijk? Hebben het ervaringsleren, het competentie-onderwijs, de groepswerken en de vakoverschrijdende obsessie gezorgd voor nieuwe kansen? Ik geloof het niet. En dát zijn nochtans de punten die de COC aanhaalde. Mijlemans stelt het voor alsof de bond tegen élke vernieuwing is. Dat is belachelijk. Zelfs ik ben niet tegen élke onderwijsvernieuwing.
     Mijlemans houdt verder een pleidooi voor een ‘opleiding op maat voor elke leerling’ en haalt daarbij het voorbeeld aan van Joris Janssens (17) een leerling die door ‘het watervalsysteem’ in het beroepssecundair onderwijs (bso) terechtkwam waar hij niet thuishoorde. Die leerling krijgt nu door de ‘nieuwlichterij’ van een ‘naamloos 7de jaar’ toch de kans zich voor te bereiden op hoger onderwijs en een studie in de Rechten. ‘In het klassieke model waartoe de COC zich bekeert, had hij die kans nooit gekregen,’ schrijft Mijlemans.’
     De onzin staat hier echt wel dicht opeengepakt. Het is om te beginnen al geen goed idee om het algemene onderwijsbeleid af te stemmen op de uitzonderlijke gevallen – zoals iemand die wil overstappen van het bso naar een Rechtenstudie. Je moet rekening houden met die uitzonderingen, je mag die mensen niet dwarsbomen, je moet er ruimte voor voorzien, maar je mag ze het algemene design van een systeem niet laten bepalen.
     Verder zou Mijlemans beter een keer toegeven dat de watervalregeling een broodnodig correctiemechanisme is in élk gezond onderwijsopzet. Een leerling die verkeerdelijk een zware studierichting kiest waarvoor hij de aanleg of de studie-ijver mist, moet de kans krijgen in een minder zware richting verder te gaan. Zulke verkeerde keuzes kunnen geminimaliseerd worden door meer informatie, door goede adviezen van de klassenraad of door een betere begeleiding. Maar de kans op verkeerde keuzes zal blijven staan. Of heeft Mijlemans nooit verkeerde keuzes gemaakt die hij achteraf moest corrigeren? Dat zou me verwonderen.
     Leerlingen kunnen hun verkeerde keuze ook in de omgekeerde zin maken. Ze kiezen dan voor een studierichting die niet zwaar genoeg is. Dat is wat Joris Janssens twee keer heeft gedaan: eerst toen hij van aso overschakelde naar Sociaal-technische wetenschappen en later toen hij van die richting overschakelde naar Kantoor. Ook dat zijn verkeerde keuzes die men achteraf moet kunnen rechtzetten. Elk initiatief dat die rechtzetting – de zogenaamde ‘zalmbeweging’ – vergemakkelijkt, kan op mijn goedkeuring rekenen. Een voorbereidend 7de jaar hoort daarbij. Zo’n jaar moet misschien niet, zoals Joris vraagt in een interview met Het Nieuwsblad, in héél Vlaanderen worden ingericht. Daar zullen waarschijnlijk te weinig kandidaten voor zijn. Maar het principe is gezond. Ongezond is alleen als men de zwaardere richtingen minder zwaar gaat maken met als enige doel om de zalmbeweging te vergemakkelijken.* En men mag evenmin van een school verwachten dat ze buitensporig veel investeert in begeleiding van zalmkandidaten, ten koste van de reguliere leerlingen. De zalm zal toch vooral op eigen kracht, met forse slagen van zijn staart, omhoog moeten zwemmen.
     Ook bazelt Mijlemans als hij beweert dat Joris in het ‘klassieke model’ zijn kans op hoger onderwijs zou hebben gemist. Dat is niet zo. Je kon in het verleden, net als nu, met een bso-diploma aan elke vorm van hoger onderwijs beginnen. Wij hebben op onze school een leerling gehad die rechtstreeks vanuit de beroepsopleiding Kantoor aan succesvolle Rechtenstudies is begonnen. Dat is een vergelijkbaar scenario met wat Joris voor ogen staat. Het komt niet elk jaar voor, maar gelukkig kómt het voor en wordt het niet door reglementen onmogelijk gemaakt.
     Mijlemans beweert dat ‘nieuwlichterijen’ nodig kunnen zijn om leerlingen toe te laten hun kansen te benutten. Ik zal dat niet tegenspreken. Maar mag ik er hem op wijzen dat het vaak net die ‘nieuwlichterijen’ zijn die die kansen vernietigen. Dat zien we ook in het dossier van Joris. Joris kreeg in zijn tweede jaar Sociaal-technische wetenschappen een B-attest. Hij had dat jaar ‘geen zin gehad om te studeren’. Hij had daar spijt van en wou het jaar overdoen, maar dat mocht niet van zijn moeder. Goed, dat is een zaak tussen moeder en zoon. Nu vraagt de oudere lezer zich wellicht af: als Joris spijt had van zijn verloren jaar, waarom probeerde hij dat niet goed te maken door aan herexamens mee te doen? Het antwoord zal de oudere lezer verbazen: de school liet dat niet toe. En waarom liet de school dat niet toe? Ook dat weet ik. Omdat die school bestookt werd met nieuwlichterijen vanuit Brussel, en één van die nieuwlichterijen was om géén herexamens meer te geven.**


* Dat was meen ik te weten de filosofie van de ‘gemeenschappelijke eerste graad’.
** Gelukkig is sinds kort in die herexamenskwestie – vooruit, nu we toch in clichés grossieren – de klok enkele minuten teruggezet. Koen Daniels van N-VA heeft daar een paar jaar kabaal rond gemaakt, en het heeft blijkbaar een beetje geholpen.