vrijdag 29 maart 2024

Viaene vs. Weyts

 


     Ik heb een verstandige vriendin die een blinde haat koestert tegen onze minister van Onderwijs Ben Weyts. Dat er dicht bij haar huis een grote verkiezingsaffiche hangt met de de kop van Weyts erop vindt ze een haar persoonlijk aangedaan onrecht. Zo hebben we allemaal wel wat. Ik kan bijvoorbeeld niet goed tegen de lach van Tom van Grieken. Vroeger, toen hij minder lachtte, kon ik hem beter verdragen. En dat mensen Weyts niet lusten, begrijp ik best. Als hij op televisie komt herhaalt hij voortdurend koppig hetzelfde, in dezelfde woorden. Andere politici doen dat ook, maar die gebruiken af en toe een synoniem.
      Op de inhoud van wat Weyts zegt, heb ik echter meestal weinig aanmerkingen. Dat de scholen tijdens corona niet te lang gesloten moesten blijven; dat leraren en scholen een grotere autonomie moeten krijgen; dat het onderwijs moet bouwen op een goede kennis van het Nederlands en niet op de thuistaal van de leerlingen; dat het niveau verhoogd moet worden in plaats van genivelleerd; dat leerlingen beter een herexamen krijgen dan een deliberatie voor een tekort; dat kennis centraal moet staan.
      En nu is er weer iets waardoor mijn sympathie voor Weyts nog verder is toegenomen. Hij heeft ruzie gehad met de inspecteur-generaal van de Vlaamse onderwijsinspectie, Lieven Viaene, en die Viaene ken ik nog van een interview in De Standaard van 11 juni 2020. ‘In de lessen Nederlands,’ zei hij toen ‘wordt te weinig ingezet op de evaluatie van spreek- en luistervaardigheid.’ Als je het mij vraagt wordt er in de lessen Nederlands te weinig ingezet op literatuuronderwijs en schrijfvaardigheid. Hij zei ook dat er op examens vragen werden gesteld die ‘te makkelijk of te moeilijk zijn’. Ik vind dat een goed systeem. Je moet zowel de absolute basiskennis toetsen – te makkelijke vragen – , als de gevorderde materie, - te moeilijke vragen – anders ga je nivelleren. Viaene zei ook nog dat in veel scholen – twee op de drie geloof ik – ‘de examens niet de juiste inhoud toetsen.’ Zo’n inspecteur die zoveel beter weet dan de leraar wat de ‘juiste inhoud’ is, daar heb ik het nooit op begrepen gehad. Ik dacht bij mijzelf: wat moet Weyts aanvangen met zo’n inspecteur-generaal? Zou die niet beter ontslag nemen? Viaene, bedoel ik. En dat is nu eindelijk, 4 jaar later, gebeurd.
     Naar aanleiding van dat ontslag kwam er in De Standaard een artikel over de hele geschiedenis, en een uitgebreid interview met Viaene. Het gaat vooral over de ‘onafhankelijkheid van de inspectie’ die volgens Viaene moet worden beschermd tegen de politieke druk van de overheid. Weyts antwoordt dat de inspectie de scholen inderdaad onafhankelijk, en zonder politieke beïnvloeding, moet kunnen beoordelen, maar dat ze daarbij wel het kader van de overheid moet volgen.
     Als buitenstaander kan ik niet oordelen over de concrete dossiers die Viaene aanhaalt. Hij heeft het over algemene rapporten die de inspectie had opgesteld, en waarvan Weyts de verwoording en het tijdstip van communicatie in handen wou nemen. Die rapporten zijn het laatste van mijn zorgen. En wat de principes betreft, is het altijd moeilijk om autonomie tegenover controle-van-bovenaf af te wegen. In het algemeen is ruime autonomie beter. Maar de problemen rijzen zodra er meningsverschillen zijn over de richting die men uit wil. Lieven Viaene werd als inspecteur-generaal aangetrokken door Onderwijsminister Pascal Smet, en het minste wat je kunt zeggen is dat die een andere richting uit wou dan Ben Weyts.
     Die meningsverschillen worden ook duidelijk in het interview met Viaene. ‘Vandaag wordt de discussie over onderwijskwaliteit,’ zegt hij, ‘veel te eng gevoerd. Dat is oneerlijk. Onderwijs gaat niet alleen over output, maar ook over ontwikkelingskansen, welzijn, ethiek, waarden, brede basiszorg … Van onze 37 kwaliteitsverwachtingen gaat er één over de leerresultaten.’ Kijk, dat lijkt mij de oude Pascal Smet-lijn. Als Weyts de discussie wat ‘enger’ wil toespitsen op de onderwijskwaliteit, sta ik volledig aan zijn kant. En als hij aan die ene verwachting van leerresultaten ongeveer evenveel aandacht wil besteden als aan de 36 andere, sta ik alweer aan zijn kant. Er is trouwens geen enkele reden om aan te nemen dat ontwikkelingskansen, welzijn, ethiek, waarden en basiszorg daar onder zullen lijden, noch dat ze zullen opfleuren als er veel over gezeurd, vergaderd en gerapporteerd wordt.
    Wat uit het interview met Viaene niet duidelijk naar voren komt, is hoe enorm de macht is van de onderwijsinspectie. Vroeger had je een inspecteur die om de twee jaar eens een lesuur bijwoonde in je klas. Had die een slecht karakter, dan schold hij je de huid vol en ging op het bureau van de directeur kwaad van je spreken. En daarmee was het drama afgelopen. Het was een mauvais quart d’heure à passer. Maar vandaag strijkt er op de school een doorlichtingsteam neer, dat alle verslagen napluist, met iedereen vergadert, de klassen binnen- en buitenwaait, en daarna een dik rapport opstelt waar de directie mee aan de slag moet. Die directie moet er dan voor zorgen – door overreding, manipulatie, intimidatie en intriges – dat de adviezen van de inspecteurs worden gevolgd. Er volgen richtlijnen, personeelsvergaderingen, vakgroepvergaderingen, en verschuivingen in lesopdracht.
     Over die ‘adviezen’ van de inspectie, kun je anders wél iets leren uit het interview. ‘Het onderwijs, ook wijzelf, is lang in theorieën meegegaan die vandaag ontkracht zijn. Het veld heeft bijvoorbeeld de moderne wiskunde of het zelfontdekkend leren geïntroduceerd, in een poging om het onderwijs te verbeteren en aan te passen aan nieuwe noden van de maatschappij. Achteraf bleef die aanpak niet goed te werken en zelfs nadelig te zijn voor veel leerlingen.’
     Mijn volgende zin eindigt met drie uitroeptekens: en dat zegt hij nu!!! Nadat de doorlichtingsteams al die jaren scholen geterroriseerd hebben met hun ‘zelfontdekkend leren.’ En wat is dat voor onzin dat die theorieën vandaag ontkracht zijn? Een leraar die de theorie enkele keren in de praktijk heeft uitgeprobeerd, wist gisteren en eergisteren al dat die theorieën niets waard waren. Trouwens, in 1968, toen Viaene en ik nog in korte broek rondliepen, had David P. Ausubel in zijn standaardwerk Educational Psychology al een heel hoofdstuk gewijd aan de grondige weerlegging van ‘Learning by discovery’.
      Ik vind het allemaal goed en wel dat Viaene nu opkomt voor de autonomie en de onafhankelijkheid van de inspectie, maar hoe staat het eigenlijk met de autonomie en onafhankelijkheid van de leraar? ‘Toen ik startte als leraar wiskunde,’ zegt Viaene, ‘vond ik de vrijheid die ik kreeg gigantisch. Ik bepaalde in mijn eentje wat er in het examen stond. Ik voerde punten in en besliste zelf of leerlingen gebuisd waren … Dat is vandaag nog altijd zo in veel scholen.’ De journalist van De Standaard heeft de strekking van de tirade goed begrepen. ‘U pleit voor minder vrijheid?’ Daarop antwoordt Viaene met een cliché over vrijheid als zuurstof, om dan over te gaan tot de orde van de dag: ‘Vrijheid moet samengaan met verantwoordelijkheid. En die moet zichtbaar worden in verantwoording. Die ontbreekt. Trouwens, de vrijheid die de leraar geniet, is vandaag soms een vergiftigd geschenk. Ze zijn in een wirwar van wisselende voorschriften terechtgekomen.’
     De verantwoording die vandaag ‘ontbreekt’ … pleit de brave man nu voor nog méér controle? En wat hebben die ‘wisselende voorschriften’ te maken met de ‘vrijheid als vergiftigd geschenk’. Die ‘wisselende voorschriften’ zijn een aanval op de vrijheid van de leraar. En ze zijn het werk van mensen als Viaene. De inspectieteams en de koepels zitten er vol van.
     Schaf g.v.d. die wisselende voorschriften af, maak leerplannen van één of twee A-4’tjes, met een lijst van te verwerven kennis, en laat de 100 bladzijden ‘pedagogische wenken’ achterwege. De inspecteurs moeten geen onderwijsbeleid uitwerken. Ze moeten in de klassen komen inspecteren of alles een beetje goed verloopt, of de leraar een beetje zijn best doet, of zijn leerlingen een Frans werkwoord kunnen vervoegen, een Engelse zin zonder fouten kunnen schrijven, ooit gehoord hebben van Guido Gezelle, een wiskundig vraagstuk kunnen oplossen, en weten wie Napoleon I en Napoleon III is. Wat ze niet moeten controleren, is of de leraar mee is met de nieuwste pedagogische mode. Want ik maak mij geen illusies. Na dat zelfontdekkend leren en die moderne wiskunde, vinden lui als Viaene wel iets anders. 

donderdag 28 maart 2024

Decadentie


      Wanneer ik in de klas een verhaal van Couperus besprak – Eene illuzie bijvoorbeeld, of Een zieltje – dan wilde ik daarbij graag het begrip decadentie uitleggen. De leerlingen werden zo’n moment bijzonder aandachtig, want ze dachten aan wilde feesten in nachtclubs en aan seksuele uitspattingen. Met wat meer culturele achtergrond hadden ze er het pre-Hitler Berlijn bijgehaald, en de divine decadence van Sally Bowles. Ze waren dan wat ontgoocheld omdat ik het begrip anders invulde: vermoeidheid, krachteloosheid, slapheid, gebrek aan wilskracht en ambitie. In zijn boek The Decadent Society noemt Ross Douthat de twee invullingen van het begrip decadentie de low definition (die van mijn leerlingen) en de high definition (die van mij). Wat hem interesseert is vanzelfsprekend de high definition, met daarbij de vraag of die van toepassing is op de wereld van na 1970.
      Douthat zoekt inspiratie bij de theorie van Jacques Barzun die uitlegt wat decadentie inhoudt, en ook wat ze niet inhoudt. ‘Decadentie,’ schrijft Barzun, 
betekent niet dat er geen energie of talent of moreel gevoel meer aanwezig is. Het is omgekeerd: een decadente tijd wordt gekenmerkt door grote drukte, door overdreven morele bezorgdheden, en door buitengewone rusteloosheid, ‘omdat’ zo voegt Barzun eraan toe,  'er geen duidelijk zicht op vooruitgang is.’ Dat is een waardevolle correctie op de eenzijdige definitie die ik aan mijn leerlingen meegaf, en sinds ik die zin van Barzun gelezen heb, laat ze mij niet meer los. Ik zie overal – te beginnen met in het onderwijs – voorbeelden van drukte, van morele bezorgdheden en van rusteloosheid, van – om het eens anders te zeggen – vernieuwing zonder verbetering.
      Uiteindelijk doet Douthat wat bij grote veralgemenende begrippen het beste is: in plaats van een sluitende definitie van het begrip decadentie te zoeken, geeft hij een opsomming van kenmerken – kenmerken die volgens hem in de Westerse maatschappij van de laatste 50 jaar aanwezig zijn. Het zijn er vier, en aan elk ervan wijdt hij een hoofdstuk:

  1. Stagnatie (technologie, economie en levenstandaard)
  2. Steriliteit (bevolkingsafname)
  3. Sclerose (politieke instellingen)
  4. Herhaling (kunst en cultuur)

      Het is een heel mooi lijstje. Stagnatie-steriliteit-sclerose-herhaling is veel rijker dan het lijstje dat ik in de klas gebruikte: vermoeidheid-krachteloosheid-slapheid-gebrek aan wilskracht en ambitie. Mijn lijstje bestond uit synoniemen, en verwees naar persoonlijke karaktereigenschappen, terwijl Douthats lijstje bestaat uit verschillende begrippen die bovendien zowat elk aspect van de samenleving omvatten: wetenschap, economie, demografie, politiek en cultuur.
     
Toch roept het lijstje ook vragen op, en op de meeste van die vragen probeert Douthat een antwoord te geven. Eén vraag beantwoordt hij niet of amper: hebben die verschillende aspecten veel met elkaar te maken? Zelf denk ik dat ze weinig met elkaar te maken hebben. Het lijkt eerder een toevallige constellatie van omstandigheden, en als die omstandigheden samenvallen, tja, dan heb je pech – als je decadentie tenminste als ‘pech’ kunt omschrijven.
      Dat laatste is dan weer een vraag waar Douthat wel diep op ingaat: is decadentie nu zó erg? Hij beantwoordt die vraag heel genuanceerd, maar uiteindelijk, schrijft hij, is het leven in een decadente maatschappij vooral depressing. Hij heeft natuurlijk gelijk, maar dan stelt zich een andere vraag: waren of zijn andere niet-decadente maatschappijen dan zoveel minder depressing – althans voor iemand aanleg heeft voor depressieve gevoelens? Van al de mogelijke toekomstbeelden die Douthat schetst, is het voortzetten van de huidige decadentie voor mij nog een van de aantrekkelijkste. Ik vind het redelijk geruststellend dat hij de sustainability van van onze decadentie nogal hoog inschat.
     
Naast de algemene vragen kunnen er natuurlijk ook kanttekeningen worden gemaakt bij elk domein afzonderlijk. In verband met de technologische stagnatie verwijst Douthat naar de beroemde uitspraak van Peter Thiel: We were promised flying cars. We got 140 characters. Ik heb als kind bij de buren wel eens een aflevering van The Jetsons gezien, een tekenfilmserie die zich afspeelde in 2062. De mensen hadden in die tekenfilm inderdaad vliegende auto’s, maar ik heb daar nooit een ‘belofte’ in gezien, zoals ik in 1972, toen ik voor het eerst 2001, A Space Odyssey zag, niet verwachtte dat er in 2001 echt ruimtestations zouden bestaan die er zouden uitzien als in Kubricks film, noch dat er dan een reuzenfoetus rond de aarde zou cirkelen.
      Ik sloot die vliegende auto’s en die symmetrisch-klinische ruimtestations niet uit, maar het was iets waar ik weinig denkkracht en fantasie aan verspilde. Wel had ik als kind de walkie-talkies van de redders aan zee gezien en ik droomde ervan dat in de toekomst iedereen over zo’n toestel zou beschikken*. Die verwachting van mij is ruimschoots overtroffen: de mobieltjes van vandaag zijn mooier en liggen beter in de hand dan de draadloze tuigen van weleer, en dankzij de 140 characters kun je er ook veel meer mee doen.
       
De kwestie is dat de denigrerende omschrijving 140 characters verwijst naar iets wat een heel grote waarde vertegenwoordigt, misschien wel een grotere waarde dan die van vliegende auto’s. Johan Norberg verwijst in zijn boek Open naar onderzoek daarover: ‘Dan blijkt onder andere dat mensen zelfs voor een miljoen dollar nauwelijks bereid zijn om het internet op te geven … Een ander onderzoek naar het consumentensurplus wees uit dat we aan de toegang tot zoekmachines een waarde toekennen van bijna 18.000 dollar per jaar, aan e-mail ruim 8.000 dollar en aan digitale landkaarten 3.600 dollar.’ Ik moet toegeven dat Norberg ook aanhaalt dat een derde van de mensen liever zouden afzien van seks dan van het internet, en in die vaststelling zou Douthat natuurlijk het ultieme bewijs van decadentie zien.
     Dat neemt allemaal niet weg dat Douthat gelijk kán hebben met betrekking tot de technologische stagnatie. In het verleden heeft men in een korte tijd en doelbewust bepaalde technologische doorbraken kunnen forceren: de atoombom, de maanlanding, de Groene Revolutie in de landbouw. Dat waren telkens projecten die beantwoordden aan een bepaalde nood: het verslaan van de Duits-Japanse coalitie, het winnen van een prestige-slag in de Koude Oorlog, het overwinnen van de hongersnood in de Derde Wereld.
       Vandaag zijn de meeste geleerden het eens over de noodzaak om iets aan het klimaat te doen, maar de spectaculaire technologische omwentelingen die daarvoor nodig zijn blijven uit: in kernenergie, batterij-opslag, CO2-captatie en geo-engineering. Ook lijkt er geen remedie op komst te zijn voor kanker of Alzheimer, of een alternatief voor de bestrijding van antibiotica-resistente bacteriën. Het beste scenario op die terreinen schijnt er een te zijn van trage, stapgewijze vooruitgang – wat geloof ik ook de normale gang van zaken was in de laatste 200 jaar. Ook waren de meeste spectaculaire doorbraken, van stoommachine tot internet, juist niet het gevolg van een bewuste planning afgestemd op een welbepaalde nood. Misschien zijn de atoombom, de maanlanding en de Groene Revolutie wel uitzonderingen op de algemene regel van stapsgewijze evolutie en van ongeplande doorbraken.
     Daar komen nog twee verwante vragen bij. Kunnen we er überhaupt zeker van zijn dat er nog veel ruimte is voor wetenschappelijke en technologische vooruitgang? Eind 19de eeuw dacht Maxwell dat met de wiskundige beschrijving van het electromagnetisme zowat het laatste geheim van de natuur was ontdekt. Vandaag, met de quantumfysica, denkt niemand dat nog. Maar niemand weet met zekerheid of we nog veel verder geraken dan waar we nu staan. Misschien zijn onze hersenen wel te klein voor verdere vooruitgang.
     En dan die de andere vraag: wat heeft de teleurstellende toestand van wetenschap en technologie te maken met decadentie? Douthat schrijft ergens heel terloops dat technologische vooruitgang slechts mogelijk is als de maatschappij gedreven wordt door een geest van wedijver en door enthousiasme voor een gemeenschappelijk doel. Maar hoe sterk is die verklaring? Het minste wat je kunt zeggen is dat er in de middeleeuwen bijvoorbeeld veel wedijver was en veel enthousiasme voor een gemeenschappelijk doel, terwijl er toch weinig technologie uit voortkwam. En dat in de 19de en de 20ste eeuw, toen veel gemeenschappelijke doelen wegvielen, de technologie juist hoge ogen gooide. 
     Dichter bij het begrip decadentie komen we wanneer we de economische gevolgen van een mogelijke technologische stilstand bekijken. Het ondernemerschap in het vrije-marktkapitalisme hangt sterk af van technologie. Als er nieuwe technologieën zijn, moet de ondernemer bepalen welke daarvan de moeite waard zijn, wat het goede moment is om ze in te zetten, wat de beste schaal is om ze te laten renderen, en wat het beste ritme is om ze te ontplooien. Juiste beslissingen worden beloond met winst en expansie, verkeerde beslissingen met verlies en faillissement.
     Maar als er géén nieuwe technologieën komen, valt er in de toekomst veel minder te beslissen, en wordt het leiden van een bedrijf meer een kwestie van management-volgens-de-boekjes. Dan kunnen we de boel meteen beter toevertrouwen aan de staat, redeneert de socialist. En aangezien de taart toch niet groter wordt, laten we ze vooral in gelijkere stukken snijden. De libertair denkt daar anders over. Voor hem zijn er nog altijd
  onvoldoende argumenten om vrij ondernemen en handel drijven te verbieden of onmogelijk te maken, maar hij is een van zijn beste argumenten kwijt. Het morele argument van de vrijheid blijft, het pragmatische argument van de welvaart-stijging verdwijnt. 
     Gezien het late uur, zou ik graag dit onderdeeltje afsluiten met een positieve noot, anders slaap ik slecht. Douthat spreekt de vrees uit dat de kapitalisten bij een technologische stilstand dreigen te verglijden van risk-taking naar rent-seeking activiteiten. Maar is dat niet een vrees die de Engelse econoom David Ricardo meer dan tweehonderd jaar geleden ook al uitsprak?  En is die voorspelling niet evenzeer gelogenstraft als die van zijn leerling Karl Marx die een allesvernietigende, revolutie-veroorzakende economische crisis voorspelde? Bovendien is het nog altijd mogelijk dat de volgende technologische doorbraak, in de woorden van Douthat, just around the corner op ons aan het wachten is.
      Over de andere kenmerken van decadentie – steriliteit, sclerose en herhaling – zal ik morgen iets schrijven. Hopelijk wordt dat wat korter.  

 

* Waar ik als kind ook over fantaseerde waren jetpacks, en die bestaan ondertussen, maar ze blijken alleen voor ruimtevaarders van praktisch nut te zijn. Stanley Kubricks ruimtevaarders in 2001 waren helaas niet met zulke jetpacks uitgerust. 

woensdag 27 maart 2024

Eruditie

 


     Ik noem mijzelf op een onbewaakt ogenblik wel eens een libertair én een conservatief, maar ik zou dat eigenlijk niet mogen doen. Dat er grote verschillen zijn tussen het conservatieve en libertaire gedachtegoed, is daarbij nog de minste moeilijkheid. Erger is dat ik de twee idealen niet goed durf dóórdenken tot in al hun implicaties. Als ik een boek lees van een libertair voel ik mij na elke bladzijde conservatiever, en als ik een boek lees van een conservatief voel ik mij na elke bladzijde libertairder. 
     Laatst volgde ik de raad van een FB-vriend om een boek te lezen van een échte conservatief: The Decadent Society van Ross Douthat, een katholieke bekeerling, strijder tegen abortus en pornografie en pleitbezorger van kroostrijke gezinnen. Ik nam als voorzorg een antihistaminicum tegen de jeuk en begon te lezen, met de verwachting dat ik op elke bladzijde wel iets aan te merken zou hebben. Het verliep enigszins anders. Ik had inderdaad op elke bladzijde wel wat aan te merken, maar de auteur was mij altijd voor. Als hij een stelling formuleerde op de eerste helft van de bladzijde, gaf hij op de tweede helft van de bladzijde de kritiek mee die de stelling kon oproepen. Dan heb je er niet veel aan om ‘een kritische lezer’ te zijn.
     Douthat schrijft genuanceerd, verfijnd, elegant, met af en toe een woord of uitdrukking in een vreemde taal. Je zou zijn stijl met wat slechte wil ‘decadent’ kunnen noemen. Hij schrijft op de maniëristische manier van een Amerikaanse filmcriticus. Nou ja, hij is ook – among other things – een Amerikaanse filmcriticus. Verder gebruikt hij in zijn proza veel erudiete verwijzingen.
     Je kunt als auteur die verwijzingen op twee manieren aanpakken. De eerste manier is door duidelijk aan te geven waar je naar verwijst. Neem het volgende voorbeeld waarin Douthat verwijst naar Marx’ beroemde vergelijking tussen Napoleon I en Napoleon III. Douthat schrijft:

Misschien zullen we later terugkijken op het Trump-tijdperk en begrijpen dat het geen toneeltje was, maar een soort generale receptie voor een dreigende tragedie – vergelijk het met de uitspraak van Karl Marx over de geschiedenis die zich herhaalt, eerst als een tragedie en dan als een klucht, maar dan omgekeerd.

     Dat is een leuke benutting van een leuk citaat, en de lezer hoeft De 18de brumaire van Louis Bonaparte niet gelezen te hebben om de vondst en de gedachte te appreciëren. Maar het kan ook verfijnder. Als contrast met de huidige tijd, somt Douthat een hele reeks technische prestaties op uit het verleden – hij neemt de formulering over van een zekere Perry Miller – maar dat verandert niet veel aan wat ik wil zeggen:

Het stoomschip, de spoorweg, Henry Adams dynamo, de lopende band in de Fordfabrieken, de Hooverdam, de Golden Gate Bridge, de wolkenkrabbers, het straalvliegtuig, de atoomboom en de maanlanding – al deze technologische majesteit komt samen om naast de ‘sterren aan de hemel en de morele wet in ons binnenste’ de typische Amerikaanse drie-eenheid van het Sublieme te vormen.

      Hier zullen toch enkele lezers zijn die niet weten wat ze aanmoeten met die ‘dynamo van Henry Adams’ of met die ‘sterren aan de hemel en de morele wet in ons binnenste’. Anderzijds kunnen die lezers de zinnen ook wel begrijpen zonder bekend te zijn met de theologie van Immanuel Kant of met de mémoires van de achterkleinzoon van Amerika’s tweede president. Zelf herkende ik toevallig die verwijzingen: ik bezit van voornoemde memoires een exemplaar van de eerste commerciële uitgave, meer nog, ik herinner mij de dynamo-passage – , en ik had een collega die het sterrencitaat van Kant wel eens aanhaalde.
      Maar er waren ook veel zinsnedes in Douthats boek waarbij ik dacht: oei, hier ontgaat mij iets. Alleen, met Google is dat geen probleem meer. Eruditie ligt vandaag op straat, klaar om opgeraapt te worden. Je moet alleen nog – klein detail – aanvoelen dat er iets is dat kan worden opgezocht. Als je dat een keer aanvoelt, vind je de nodige zoektermen wel. Voor dat aanvoelen heb je echter een soort voorafgaande eruditie nodig. Je moet met andere woorden een zekere eruditie hebben om eruditie te herkennen. ‘t Is wat een middelbare school zou moeten aanreiken, in plaats van de leerlingen plechtig een techniek of zelfs een ‘metastrategie’ van ‘zoektermen’ en ‘prompts’ bij te brengen. Die vinden de leerlingen zelf wel, en veel is er niet over te vertellen.
     Nu kan de verkeerde indruk ontstaan dat eruditie bij Douthat vooral dient om te schermen met terloopse verwijzingen. Niets is minder waar. Ook is hij niet het soort auteur die alleen boeken van meer dan 200 jaar oud de moeite vindt. Hij is erudiet in de eenvoudige zin van heel brede belezenheid - zo breed dat hij thuis is in verschillende onderwerpen, en dat hij over die onderwerpen zoveel gelezen heeft dat hij een beetje kan oordelen wat de moeite waard is.
      Voor sommige onderwerpen is eruditie een manier van denken, en het onderwerp van Douthat, decadentie, is er zo een. Een auteur die daarover schrijft moet voortdurend speculeren over waar de maatschappij naartoe gaat. Dan kom je er niet met statistieken, want die gaan over het verleden. Je kunt er geen experimenten voor opzetten zoals in de psychologie. Je komt er ook niet met streng logisch te redeneren vanuit vaststaande beginselen, want die zijn er evenmin. Wat je nog het beste doet, is kennis nemen van zoveel mogelijk speculaties van anderen, en die zorgvuldig tegenover elkaar af te wegen, zodat er uiteindelijk een diagnose ontstaat die op enige plausibiliteit kan bogen. Veel meer kun je niet bereiken. En het behoort tot de erudiete cultuur om dat te beseffen.
    Douthat beseft dat, hij houdt voortdurend een slag om de arm, en het maakt hem enigszins onkwetsbaar. ’t Is erg frustrerende lectuur voor een criticaster. Morgen zal ik toch eens kijken of ik de auteur geen vlieg kan afvangen. 

vrijdag 22 maart 2024

Meningsverschil over defensiebudget


   Op dinsdag verscheen er in De Standaard een groot stuk van Charles Michel over het Europese defensiebeleid, terwijl wetstraatjournalist Bart Brinckman op maandag al een stuk had gepubliceerd over hetzelfde onderwerp. Het verschil van toon tussen de twee stukken was opvallend. Er lijkt zich zoetjesaan een barst af te tekenen in het oude bondgenootschap tussen onze pers en onze eurocraten, of het nu gaat om milieu, om immigratie*, of om defensie. 
     De eurocraten hebben altijd hoog opgegeven van een Europese defensie. En zo lang het om praatjes ging, kon de links-liberale pers dat idee best smaken. Maar door Oekraïne is het nu menens: de speeltijd is voorbij**. Ons land bijvoorbeeld zou, om goed te zijn, zijn defensie-uitgaven ongeveer moeten verdubbelen: van 1 procent van het BBP naar 2 procent. Charles Michel denkt helemaal in die richting en spreekt over de noodzaak van een ‘oorlogseconomie’ en ‘defensie-obligaties.’
      Dan is de toon van Bart Brinckman in zijn commentaar wel even anders. Hij wil, geloof ik, nog het liefst van twee walletjes eten. Hij geeft toe dat er in het verleden te vaak is bespaard op defensie en dat ‘het vredesdividend nu is opgebruikt.’ Ook vindt hij dat ons land, als het Navo-bescherming wil, een bijdrage moet leveren, maar met de keuze voor dat onbepaalde lidwoord blijft hij lekker op de vlakte. En bovendien gaat de redenering al snel de andere richting uit. Het is niet meteen het interbellum discours van het ‘gebroken geweer’, maar het gaat er toch vooral om dat we een ‘nietsontziende wapenwedloop’ moeten vermijden en dat we moeten oppassen met ‘snelle verwijzingen naar het Russische en Chinese gevaar’.
     Eerst iets over die ‘snelle verwijzingen’. De vraag, zou je denken, is niet of we snel of traag moeten verwijzen naar het Russische en Chinese gevaar, de vraag is of dat gevaar echt bestaat. En ik denk niet dat het Brinckmans bedoeling is om dat gevaar te ontkennen. Als argument van zijn kant heeft de woordcombinatie ‘snelle verwijzingen’ dus niet veel om het lijf. De uitdrukking ‘wapenwedloop’ bevat daarentegen, naast stemmingmakerij, wél een rudimentair argument. Als wij onze bewapening van 1 procent naar 2 procent opdrijven, dan kan Rusland ook zijn bewapenening opdrijven van 6 procent naar 12 procent. We herinneren ons van tijdens de Koude Oorlog dat zoiets kan escaleren en dat daarom een Oost-Westdiplomatie nodig is om een tegenwicht te vormen.  Ik ben van zo’n diplomatie een groot voorstander, vooral als Rusland wat goede wil laat zien door zich uit Oekraïne terug te trekken.
    Maar Brinckman heeft ook een goed argument tegen wat hij een ‘turbo op defensie-investeringen’ noemt. ‘Het zou goed zijn,’ schrijft hij, ‘mocht er [eerst] Europees meer worden samengewerkt om de taken te verdelen en de inzet te optimaliseren.’ Daar heeft hij volledig gelijk in. Zelfs met het bestaande budget zou er door goede keuzes en door optimale samenwerking al veel kunnen worden bereikt. Ik denk dat er met het bestaande budget van Onderwijs ook betere keuzes kunnen worden gemaakt. Maar bij echt grote nood is optimalisering onvoldoende.  Onderwijs bijvoorbeeld zal, gezien het stijgende aantal anderstaligen, ook echt wel meer centen moeten krijgen. Soms moet je én de optimalisatie van de uitgaven nastreven, én het budget verhogen, zeker als er, zoals bij Onderwijs en Defensie, extra personeel nodig is.
     Wat de nieuwe militaire uitgaven betreft, wil ik trouwens liever realistisch blijven. Ze zijn nodig, maar optimale keuzes in dit verband lijken mij een erg hoog ideaal. Er zal wel weer, zoals dat in die zaken gaat, veel knoeiwerk aan te pas komen. Daar valt niet veel tegen te beginnen. Er zijn te veel partijen betrokken die andere doelstellingen hebben dan militaire. Bedrijven willen winst maken, politici willen zich populair maken door plaatselijk jobs te creëren***, specialisten hebben hun stokpaardjes, en militairen weten niet precies wat ze nodig hebben zolang er geen oorlog is. 
     Het probleem van het militair-industrieel complex is niet wat men er vaak van maakt: dat de bewapeningsindustrie zou aansturen op oorlog om meer te kunnen verkopen. Het is eerder omgekeerd. De bewapeningsindustrie heeft voordeel bij vrede. Het is in vredestijd dat ze zo een beetje om het even wat kunnen verkopen. Hoe performant de wapens precies zijn, is minder belangrijk dan de pitch, het lobbywerk, de dia-presentatie, het economisch dossier, en niet te vergeten: de indrukwekkende demonstraties … op het droge. Ik lees in De Standaard van 20/3 dat vooral niet-Europese bedrijven van de nieuwe wapenwedloop profiteren. Zuid-Koreaanse bijvoorbeeld****. Ik vind dat zo slecht nog niet. Ik heb dat liever dan bestellingen die voor de helft gemotiveerd zijn door protectionisme en voor de andere helft door ‘economische compensaties.’
     Hoe je het ook draait of keert, militaire uitgaven zijn staatsuitgaven, met alle nadelen van dien. Als de helft van de uitgaven efficiënt besteed worden, mogen we dat een succes noemen. En laten we voor onze defensie hopen dat de helft van 2 procent dit keer meer zal zijn dan de helft van 1 procent. 
     En oh ja, ik zou het nog vergeten, Brinckman begint zijn commentaar met een Latijns citaat: si vis pacem, para bellum. ‘Als je vrede wil, moet je oorlog voorbereiden.’ Het is een van de weinige Latijnse citaten die mijn vader zich van zijn collegetijd herinnerde. Friedrich Merz, de leider van de Duitse christen-democraten, schreef het onlangs toe aan Cicero. Fout, schrijft classicus Patrick De Rynck in De Standaard, Cicero heeft dat nooit gezegd. ‘We weten niet wie die oneliner verzonnen heeft,’ voegt hij er aan toe.
      Zelf meen ik wel te weten waar het citaat ongeveer vandaan komt. Meer zelfs, ik weet dat al van toen ik veertien was en nog op de schoolbanken zat. Het is een aangepaste versie van een uitspraak van Cicero: si pace frui volumus, bellum gerundum est (Cic. Phil. 7, 19). ‘Als we van de vrede willen genieten, moet er oorlog worden gevoerd.’ In de spraakkunst van de goede pater Geerebaert werd het citaat als voorbeeld gebruikt bij regel 302: ‘Wanneer men alleen het logisch verband tussen voor- en nazin beschouwt, dan staat in de voorzin een der tijden van de indicatief.’ Daarom is het volumus. 

     

 

* Over de kloof tussen de Eurocraten en de pers, zie mijn vorige stukje hier. Bij de immigratiekwestie liggen ‘links’ en  ‘liberaal’ in elkaars verlengde, bij de defensiekwestie is het ingewikkelder.  ‘Liberaal’ is anti-Poetin, en  ‘links’ is anti-defensie. 
     De toon van Brinckman zit, zoals zo vaak bij hem, ook in de gekleurde woorden. Wie aandringt op meer defensie-uitgaven, wil een ‘turbo’ zetten op het budget, of ‘schermt met een verlanglijstje’. Wie denkt aan herinvoering van de dienstplicht, handelt ‘ondoordacht’. Wie een carrière overweegt in het leger, wordt aangetrokken door ‘avontuur’ en ‘blitse technologie’, terwijl er in een oorlog ‘weinig romantiek valt te bespeuren.’ En uiteraard is een wapenwedloop ‘nietsontziend.’

** ‘De speeltijd is voorbij’ … ik herinner mij de lichte walging die ik voelde toen Pieter De Crem dat zei, en herhaalde, op televisie. Het ging toen over de strenge straffen die hij wou opleggen aan Covid-overtreders. 

*** Ook het stuk van Charles Michel eindigt met een obligaat hoofdstukje Jobs creëren.

**** Als het wapentuig vooral door Amerikaanse bedrijven wordt geleverd, is dat minder goed nieuws is. Die zijn geloof ik geweldig goed als het erop aankomt te pitchen, te lobbyen, dia’s te tonen, economische dossiers op te stellen en indrukwekkende demonstraties op het droge uit te voeren.

 

zondag 17 maart 2024

Verhoeven en de migratie, enz.


Enkele kortjes in de marge van De Standaard, 16-17 maart 

Karel Verhoeven tegen de Europese ‘Realpolitik
    De Standaard, die anders graag de tijdsgeest door haar pagina’s laat waaien, heeft beslist om rond migratie het tegenovergestelde te doen. Bij het Marakesh-akkoord van 6 jaar geleden, was de richting van de Geschiedenis nog duidelijk. Het linksliberale front was verenigd, van hoofdredacties tot Eurocraten. Maar die laatsten zijn stilletjesaan hun politiek aan het bijstellen. De Standaard echter houdt vast aan de ‘oude vormen en gedaanten.’
       Neem het hoofdartikel van Karel Verhoeven. Hij keert zich tegen de ‘nieuwe realpolitieke lijn’, die hij samenvat als ‘het Australische model’, ‘pushbacks’, en ‘asielzoekers buiten Europa laten opvangen.’ Verhoeven voegt daaraan toe dat dat eerste wordt aanbevolen door Meloni, dat tweede wordt getolereerd door de Griekse premier Mitsotakis en het derde wordt voorgestaan door Ursula Von der Leyen.
     Mij maken die namen niet veel uit. Een goed voorstel is een goed voorstel, van wie het ook komt. Het Australische model heeft de illegale immigratie in dat land succesvol teruggedrongen; pushbacks aan de grens zijn vanuit liberaal-democratisch standpunt veel beter dan achteraf deporteren – een gedachte die mij altijd doet griezelen –; en opvang in eigen streek in plaats van in Europa lijkt mij de logica zelf, behalve voor die asielzoekers die misschien wel een gevaarlijke plek op aarde willen ontvluchten maar die dat alleen willen als ze zich in Europa kunnen vestigen. Dat is vanuit hun standpunt een begrijpelijke wens, maar Europa is niet verplicht om die wens in te willigen.
     Verhoeven haalt aan dat het bewaken van de eigen grenzen wordt uitbesteed aan ondemocratische regimes, zoals dat van Al-Sisi in Egypte. Dat is zeker waar. Europa wordt omgrensd door minder democratische of ondemocratische landen. Wie naar Europa wil, moet door die landen trekken. En als men door Europa niet wordt binnengelaten, zit de asielzoeker vast in zo’n land. Dat is een jammerlijke situatie. Maar de enige andere mogelijkheid die ik zie is de bestaande toestand: iedereen die de magische woorden Ik wil asiel uitspreekt, wordt voorlopig toegelaten, en daarna zien we wel.
     Hoeveel asielzoekers kan Europa op die manier verwerken? Eén miljoen per jaar, zoals nu? Veronderstel dat Verhoeven en ik van mening verschillen over die verwerkingscapaciteit. Dan zal hij nog altijd, geloof ik, realistisch genoeg zijn om toe te geven dat die capaciteit niet onbeperkt is. Op zeker moment kan een bovengrens worden bereikt. En als die bereikt is, dan blijven alleen nog de mogelijkheden over van hierboven: Australisch model, pushbacks, opvang in eigen streek, en mensen die komen vast te zitten in ondemocratische landen aan de grens van Europa.

Migratie en de export van mensenrechten
     Verhoeven betreurt het 
nieuwe realisme want daardoor, schrijft hij, ‘is Europa niet meer het continent van een decennium geleden, dat zijn democratie en mensenrechten uitdraagt.’ Maar misschien was juist dat ‘uitdragen’ wel wat te ambitieus. Het belangrijkste is dat Europa de democratie en de mensenrechten binnen de eigen grenzen blijft toepassen. En met een grote instroom van asielzoekers kan dat moeilijk worden, om verschillende redenen.

Migratie en verkiezingen
     In zijn conclusie schrijft Verhoeven nog dat de Europese migratiedeal niet zal helpen om radicaal-rechts electoraal af te remmen. Maar dat zou geen overweging mogen zijn van verantwoordelijke politici, of toch niet hun eerste overweging. Ik vind zelfs dat verantwoordelijke journalisten die twee zaken – electorale evoluties en migratiebeleid – best niet te veel door elkaar halen, en best niet het ene als argument voor het andere gebruiken. 

Migratie en nationale politiek
     Het stuk van Ine Roox en Derk Walters over de migratiedeal is interessant. Vaak lees je artikels dat nationale politici en regeringen veel lawaai maken over immigratie, maar dat ze in de praktijk ook niets kunnen realiseren, want alles ligt vast op Europees niveau. Het stuk legt uit, met als voorbeeld Italië, dat nationale politici wel degelijk de Europese koers kunnen beïnvloeden.

Migratie en chantage
      Er wordt in hetzelfde stuk ook gewezen op een mogelijk nadeel van de recente deal. ‘De moeder van dit soort Europese migratiedeals was het Turkije-akkoord, uit 2016, gesloten met de Turkse president Recep Tayyip Erdogan. Die dreigde nadien meermaals migranten naar Europa te laten doorreizen als hij niet méér geld zou krijgen. Deals met autoritaire leiders maken Europa chantabel.’
     Chantabel, ongetwijfeld, maar dat is een nadeel dat we erbij moeten nemen. De mogelijkheid dat Erdogan en Al-Sisi de migranten alsnog doorlaten zal blijven bestaan. Maar die mogelijkheid is vanuit Europees standpunt beter dan de zekerheid dat die migranten meteen mogen doorreizen.

Dries VL en Vlaams Belang
     Naar aanleiding van de veroordeling van Dries Van Langenhove twitterde Tom van Grieken dat de Belgische justitie ‘door en door rot’ is. Ik heb geen mening over het vonnis. Ik heb wel een mening over de wet waarop het vonnis teruggaat (tégen). En ik heb ook een mening over die door-en-door-rot-uitspraak (tégen).

Angst in Rusland
     De Pools-Belgische schrijfster Maja Wolny heeft in 2022 rondgereisd in Rusland. Ze zag video’s in stations waarin mensen gewaarschuwd worden voor allerlei gevaren. Pas op dat uw kind niet door het raam valt. Draag geen capuchon die uw zicht beperkt, want dan kun je onder een trein terechtkomen. Ik ben er zeker van: over die videoboodschappen is nagedacht. Uit veel psychologische experimenten is keer op keer gebleken dat je bij proefpersonen alleen angstige gedachten moet induceren om ze zover te krijgen dat ze autoritaire leiders verkiezen boven een liberale democratie. Noem mij een complottheoreticus, maar ik ben er redelijk vast van overtuigd dat er ergens in een zaaltje in het Kremlin, in aanwezigheid van een psychologisch adviseur, beslist is om die video’s te maken, over die gevaarlijke ramen waar kinderen uitvallen, en over die capuchons die je onder een trein doen belanden.
     Ik geloof niet dat er in het Westerse politieke beleid zaken gebeuren die even indirect, doelbewust en pervers zijn*. Zeker, er heerst een cultuur van angst, waarbij publiek, media en politici elkaar ophitsen. Maar de groenen zich écht bang van klimaatopwarming en kernenergie, en de rechtsen zijn écht bang van ongecontroleerde en snelle migratie. Misschien zijn de linksen wel écht bang van het fascistisch gevaar. Maar niemand van die lui zit op geheime vergaderingen af te spreken om beelden van spinnen te verspreiden, waardoor het publiek banger zou worden van klimaatopwarming, kernenergie, migratie en fascisme.
     Wat bij ons nog meest in de buurt komt van zo
n subliminale manipulatie, is het overleg dat er geweest is tijdens corona. De informatie werd toen gestroomlijnd. En er werden soms maatregelen voorgesteld waarvan men wist dat ze niet veel hielpen, behalve dan dat ze de mensen alert hielden. Dat was trouwens geen geheime samenzwering: Vandenbroucke gaf het openlijk toe op televisie. Ik vond dat eerlijk van hem. 

Investeringen, maar door wie?
     Groot interview met Kurt Vandenberghe, de hoogste klimaatambtenaar van de EU. Hij wil dat Europa de concurrentie aangaat met China en de VS om eigen groene technologie te ontwikkelen. Zijn remedie is: investeren, heel veel investeren. ‘De volgende Commissie moet een investeringscommissie zijn.’ De vraag daarbij voor mij is: wie moet investeren? Het antwoord van Vandenberghe bevalt me wel: ‘Het is niet aan bureaucraten om te beslissen welke sectoren toekomst hebben of niet. Dat zal de markt moeten uitmaken.’
      Maar hoe weet ik dat dat geen mooie praatjes zijn? Zijn het niet de bureaucraten van de toekomstige ‘investeringscommissie’ die zullen bepalen wat de markt moet doen? ‘De auto-industrie, staal en aluminium, de chemie, de groene technologie,’ zegt Vandenberghe, dat zijn sectoren die we niet willen zien vertrekken.’ En als die sectoren nu eens, door de marktwerking gedreven, toch vertrekken? Moeten die sectoren dan hier worden gehouden door hen geld toe te stoppen dat aan andere sectoren onttrokken werd?
     ’t Is allemaal, vrees ik, above my paygrade.

Van Hool
     Van Hool kwam niet in de moeilijkheden door slecht management, of door hoge looneisen. Misschien hebben die zaken niet geholpen, maar het was de hoofdreden niet. De hoofdreden was de keuze voor waterstoftechnologie. Die keuze was het die het bedrijf de das omdeed. Ruben Moojman citeert zijn eigen krant: ‘Van Hool dacht lang dat waterstof de toekomst was voor duurzame bussen, maar lijkt verkeerd gegokt te hebben.’
     Maar wie nu denkt dat Van Hool een fout heeft gemaakt, vergist zich, schrijft Moojman. Zo iemand is het slachtoffer van ‘uitkomst-bias’. Achteraf lijkt het een foute beslissing, maar op voorhand kon ook de slimste bedrijfsleider niet weten welke richting het voor de bussen zou uitgaan: elektriciteit of waterstof. Ook
 De Standaard wist het niet. ‘België mist de waterstoftrein,’ schreef die krant in september 2005. Het is hoogst bewonderenswaardig dat een journalist herinnert aan het - achteraf beschouwd - foute advies van zijn eigen krant.

Zorgplichtwet
     De Europese Unie heeft een Zorgplichtwet goedgekeurd. Europese bedrijven hebben nu een civielrechtelijke verantwoordelijkheid om te zorgen dat toeleveringsbedrijven in de Derde Wereld de mensenrechten en het milieu respecteren. Wie wint er bij zo’n wet?  

  1. het milieu – dat is evident
  2.  de vakbonden in westerse landen die minder ‘oneerlijke concurrentie’ krijgen vanuit de Derde Wereld
  3. de grootste multinationals zoals Ikea, Aldi, L’Oréal en Unilever die beter omkunnen met dergelijke bureaucratie dan hun kleinere concurrenten
  4. de niet-Europese multinationals die niet door het akkoord gebonden zijn
  5. de arbeiders in de Derde Wereld die in de meest productieve toeleveringsbedrijven zijn tewerkgesteld. 
Wie verliest er bij zo’n wet. 

  1. de ondernemers in de Derde Wereld die met hun laagproductieve bedrijven niet aan de nieuwe voorwaarden kunnen voldoen
  2. de arbeiders in die laatste bedrijven die hun werk verliezen of die de kans niet krijgen om er te beginnen. 
Naar mijn smaak weegt dat laatste nadeel erg zwaar door**.

Gezonde economie?
     ‘Waarom economie en beurs het beter doen dan verwacht?’ luidt de vraag in de kop. En het artikel geeft meerdere antwoorden. Eén ervan belooft niet veel goeds. ‘De economie houdt zich kranig door het vele overheidsgeld dat sinds de covid-pandemie is uitgegeven aan crisisplanning.’ Dat kan niet blijven duren. 

Partituur
     Een kort interview met illustratrice Floor Denil. Een grote foto van de werkkamer. Op de piano ligt een partituur open. Ik kan niet lezen welk stuk het is.

Europese nervositeit rond Oekraïne
     Een stuk van Annelien De Greef op de laatste pagina. Ik erger mij vaak aan de opiniëring die binnensluipt op de pagina’s voor de berichtgeving, maar hier gebeurt het omgekeerde: sobere berichtgeving op een pagina voor opinies. Macron heeft gezegd dat het sturen van Europese troepen naar Oekraïne niet moet worden uitgesloten. De Greef ziet daarin een uiting van verkiezingskoorts, maar vergeet stelling te nemen over de uitspraak van Macron: is ze nu voor of tegen? Gelukkig heeft de eindredactie ingegrepen. 
Bovenaan het stuk staat een samenvattende inleiding die wél een stellingname bevat. ‘Voor je het weet escaleert de boel, waarschuwt Annelien De Greef.’ Sommige van mijn lezers vinden dat ik dat in mijn eigen stukjes ook vaak vergeet om een duidelijke stellingname te formuleren. Misschien heb ik een eindredacteur nodig.

Trump over de Ruskies
     Eén zinnetje in het stuk van De Greef valt mij op. ‘Zo zinderen de woorden van Donald Trump nog na: I encourage the Russians to do whatever the hell they want.’ Met google vind ik het zinnetje niet terug. De enige verwijzing die ik krijg is het artikel van De Greef zelf. Maar Trump zal wel iets gezegd hebben. Wat precies? Wanneer? Ging het over Oekraïne? Ik zou het graag weten. 
     P.S. Een behulpzame lezer heeft mij een link doorgestuurd naar de toespraak van Trump waarin het bewuste zinnetje voorkwam. Het was op een recente verkiezingsmeeting in South-Carolina. De ex-president was aan het opscheppen hoe hij Europese Navo-landen had overtuigd om hun bijdrage te betalen. Trump vertelt wat er volgens hem op een internationale ontmoeting gebeurd is:  ‘Een van de leiders van een groot land stond op en zei: ‘Mijnheer, als we niet betalen en we worden aangevallen door Rusland, zou u ons beschermen?’ Ik zei: ‘U hebt niet betaald? U bent een delinquent?’ Hij zei: ‘Ja.’ ‘Oké. Laat ons aannemen dat dat gebeurt. Nee, ik zou u niet beschermen. Meer nog, ik zou hen aanmoedigen om verdomme alles te doen wat ze willen. U moet betalen. U moet de rekening betalen.’ En wees gerust, het geld stroomde binnen. https://www.youtube.com/watch?v=lu0Ki8eD5lk&t=43s


* In reclame zijn zulke praktijken natuurlijk heel gewoon.
** Over de arbeidsomstandigheden in de Derde Wereld, zie 
hier en hier.


vrijdag 15 maart 2024

Nog één keer Klein: kortjes


Kritiek op rechts én op links
     In haar boek Dubbelganger bekritiseert Naomi Klein zowel rechts én links, maar ze doet dat niet vanuit een ‘middenpositie’. Ze bekritiseert rechts omdat het een onrechtvaardige maatschappij in stand houdt, en links omdat het niet genoeg doet om daar tegenin te gaan. Woke-mensen hekelt ze niet voor hun overdrijvingen – daar is ze zelf aan verslingerd –  maar voor hun inefficiëntie en individualisme. Ze noemt hen ‘mensen die met hun eigen witte fragiliteit aan de slag gaan’ of die hun ‘gemarginaliseerde groepsidentiteit vertegenwoordigen in speciaal daarvoor gecreëerde ruimtes.’ 

Sociale media
     Uit alles blijkt dat Klein de sociale media graag gezuiverd wil zien van boodschappen die haar niet bevallen: samenzweringstheorieën, fake news, rechtspopulistische propaganda. Ze wil zo’n belangrijke taak niet overlaten aan de tech-ondernemers. Overigens vind ik het wel een sympathiek trekje van haar dat ze zich ergert aan het triomfalisme van haar vrienden wanneer haar vijanden (Trump, Bannon, Wolf) hun account verliezen. Als radicaal-linkse beseft ze dat de maatregelen tegen radicaal-rechts zich ook altijd tegen haar eigen kamp kunnen keren.

Corona
     Zowel voor Naomi Wolf als voor Naomi Klein was de corona-epidemie een ‘opportuniteit’. Voor Wolf was het een gelegenheid om de staatsalmacht tegen het individu aan te klagen. Voor Klein was het een gelegenheid om collectieve oplossingen naar voren te schuiven om het individualisme te bestrijden. Hoe waanzinnig de theorieën van Wolf ook zijn, door corona ben ik een heel klein beetje in haar richting opgeschoven. Klein geeft zelf trouwens ook voorbeelden van corona-maatregelen die werden misbruikt door staat en politie voor algemenere surveillance.

Corona (2) 
   
 Naomi Wolf heeft op een bepaald moment voorgesteld dat de urine van gevaccineerden zou worden gescheiden van het gewone afvalwater, zodat een ongevaccineerde niet door die mRNA-troep besmet zou raken. Het is jammer dat dergelijke waanzin doet vergeten dat de vaccincritici op sommige punten gelijk hadden: het vaccin was niet het wondermiddel dat men – ook ik – ervan verwachtte, het stopte amper de virusverspreiding, de berichtgeving erover was propagandistisch en eenzijdig, het kon ernstige bijwerkingen veroorzaken*, en een wettelijk verplichte vaccinatie zou niet proportioneel geweest zijn. Het pleit voor Klein dat ze die kritieken in mindere of meerdere mate onderschrijft. Ze schrijft ook, terecht, dat de eenzijdige berichtgeving één van de redenen was waarom samenzweringstheorieën zo’n succes hadden.

Samenzweringstheorie
    De Europese Commissie definieerde een samenzweringstheorie als ‘het geloof dat bepaalde situaties of gebeurtenissen achter de schermen met een negatieve bedoeling gemanipuleerd worden door invloedrijke krachten.’ Die definitie is niet naar de zin van Klein. ‘Allemaal leuk en aardig,’ schrijft zij, ‘maar deze definitie laat de belangrijkste factor buiten beschouwing: dat de theorie onwaar of tenminste onbewezen is.’
     Ik zou die maatstaf van ‘onwaarheid’ of ‘gebrek aan bewijs’ minder sterk formuleren. Het is voor een leek, die de deugdelijkheid van zogenaamde bewijzen moeilijk kan beoordelen, eerder een kwestie van geloofwaardigheid. Veel theorieën over corona waren erg ongeloofwaardig: dat corona met opzet werd verspreid, dat de vaccins nanodeeltjes bevatten die ons gedrag konden beïnvloeden, enzovoort. De theorie van Klein dat bijna alle kwalen in de wereld kunnen worden toegeschreven aan de winstzucht van de kapitalisten, is voor mij ook niet geloofwaardig, maar het is – toegegeven – een ongeloofwaardigheid van een hoger niveau.

Oorlogseconomie
     Voor de aanpak van de klimaatproblematiek verwijst Klein uitdrukkelijk naar de ‘oorlogseconomie van de Tweede Wereldoorlog’ als een te volgen voorbeeld. Hayek begint zijn klassieke boek Road to Serfdom met een waarschuwing om in vredestijd vooral niet de methodes van de oorlogseconomie toe te passen. 

Wegkijken
     Klein neemt de Westerse middenklasse op de korrel omdat die liever ‘wegkijkt’ van de miserie. Ze citeert James Baldwin: ‘Er zijn zoveel dingen die je liever niet zou weten.’ Dat is in elk geval waar voor mij. Als mijn vrouw niet thuis is, kijk ik niet eens naar het televisienieuws. In mijn filmkeuze ben ik een groot liefhebber van escapisme. Dat is een morele keuze waar heel wat op af te dingen valt.
     Maar ik wéét wel dat er veel miserie op de wereld bestaat, en ik méén te weten dat de remedies van Klein de boel eerder slechter dan beter zullen maken.
 

Protectionisme
     Een van de remedies die de boel slechter maken is het protectionisme. Naomi Klein is Jonathan Holslag niet en protectionisme behoort niet tot haar core business, maar enkele losse opmerkingen van haar wijzen wel in die richting. Ze prijst de Canadese NPD omdat die zich altijd verzet heeft tegen ‘ongunstige handelsdeals’. Ze spreekt over de Amerikaanse vakbondsleden die zich door de Democraten verraden voelden toen die ‘in de jaren negentig handelsakkoorden afsloten en fabriekssluitngen mogelijk maakten’. Ze gebruikt de kwestie meteen om Trump te kapittelen: hij beloofde ‘de handelsakkoorden te verscheuren’ maar in werkelijkheid voerde hij ‘vrijwel uitsluitend kleine veranderingen aan het handelsbeleid door.’ Zoals ik het interpreteer: Trump was nog niet protectionistisch genoeg.

Het wrede verleden
     Wij, Westerse mensen, vindt Klein, moeten ons bezinnen over de wreedheden uit ons verleden. Dat is een aanvaardbaar advies. We mogen de geschiedenis niet vervalsen:  die wreedheden wáren er, net als trouwens veel bewonderenswaardige dingen. Vaak waren die twee zelfs verstrengeld. Wat ik echter niet begrijp is dit: waarom zouden we ons vooral over die wreedheden bezinnen? Vragen wij aan de Afrikanen of aan de Native Americans om zich vooral over de wreedheden uit hun verleden te bezinnen? Moeten de Duitsers zich in hun geschiedenisles vooral over Hitler bezinnen? Kunnen we geschiedenis niet wat afstandelijk bekijken? Met af en toe een grapje, zoals meester Bernard dat deed in het vierde leerjaar? 

Vrijheid, een leeg begrip
     Op veel plaatsen in haar boek prijst Klein de collectieve vrijheid boven de individuele vrijheid. Tekenend is haar beschrijving van een manifestatie tegen coronarestricties. ‘Op straat brulden mensen: vrijheid. Dat grote lege woord. Want vrijheid om wat?’ 
     Helaas, wat Klein hier niet begrijpt is dat ‘vrijheid’ tot op grote hoogte een leeg begrip moet zijn, zodat mensen het een eigen invulling kunnen geven, en niet een invulling die Klein, of een of ander collectief, welgevallig is. Bovendien is haar vraag ‘vrijheid om wat?’ zinloos als je ze stelt aan de demonstranten van hierboven. Die wisten precies wat ze met hun vrijheid wilden doen: ongevaccineerd en zonder mondkapjes rondlopen, op café gaan, ongehinderd hun beroep uitoefenen. Natuurlijk mocht de staat die vrijheid beperken – maar slechts omwille van de volksgezondheid –  niet omdat het begrip vrijheid ‘leeg’ was.

Politie
     Als de politie terecht of ten onrechte, per ongeluk of met opzet, iemand doodschiet, ligt het in de lijn van de verwachtingen dat er protest komt. Gematigd links eist dan hervormingen en radicaal links wil meteen de politie afschaffen. Dat laatste was een veel gehoorde eis bij de BLM-beweging. Ik moet Klein bewonderen voor de manier waarop ze de radicale eis overneemt en die zo formuleert dat gematigd links er zich niet aan stoort. Defund the police wordt bij haar: ‘geld dat niet zou moeten gaan naar gemilitariseerde politie maar naar onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg’. En verder schrijft ze nog dat het erop aan komt ‘alternatieven voor de politie uit te denken.’ Misschien denkt Klein bij die alternatieven aan de ‘legers van maatschappelijke werkers’ in het Rode Wenen. Zelf denk ik dan aan het lied Gee, Officer Krupke. Hoe gaat het ook weer? Juvenile delinquency is a social disease / So take him to a social worker.’ En laten we het slot niet vergeten: Officer Krupke / Krup you!

Leren van Bannon
     Tijdens de corona lockdown heeft Klein een ‘onnoemelijk aantal uren’ naar de podcast van de radicaal-rechtse populist Steve Bannon geluisterd. Ze schaamt zich daarvoor, zoals ik mij schaam als ik te lang op FB of op X een discussie volg, waarvan allang duidelijk is dat de argumenten langs de twee kanten uitgeput zijn. Maar ik begrijp Kleins fascinatie. Ze ziet Bannons gedrevenheid en zelfverzekerheid. Ze stelt zich wellicht in gedachten voor dat ze met hem moet debatteren, en beseft hoe onmogelijk het zou zijn om zo’n debat te winnen, zeker als er veel Bannon-aanhangers in de zaal zijn.
      Uiteindelijk heeft Klein van Bannon drie dingen geleerd. Ten eerste, dat het mogelijk is om een argument om te draaien. Als links bezwaren heeft tegen de kapitalisten, gaat Bannon die kapitalisten vervangen door ‘globalistische elite’.  Dat moet radicaal-links ook kunnen, denkt Klein. Ten tweede: dat je altijd moet oproepen tot actie, al is het maar een tussenkomst op een oudercomitévergadering. Ook dat zou radicaal-links moeten kunnen. En ten derde: dat je een brede beweging moet nastreven. Je moet samen optrekken met mensen voor één zaak, al verschil je over andere zaken van mening. Over die andere zaken moet je licht heengaan. Je maakt er een grapje over. Geen gedram. Maar een radicaal-linkse die niet mag drammen, dat wordt moeilijk. 

Diagonalisme
     Klein is ook gefascineerd door het diagonalisme: rechtse rebellen, rare allianties tussen extremen, ongewone combinaties van links en rechts, heterogene samenzweringstheorieën. Ik kan mij daar niet druk in maken. Alleen wie dacht dat links en rechts door een loodrechte streep gescheiden was, kan zich verbazen als de streep plots diagonaal blijkt te liggen. En als die diagonalisten de extremistische en gewelddadige toer opgaan, dan moet de politie maar een oogje in het zeil houden.

Fascisme
     Klein beschuldigt de Andere Naomi ervan dat ze ‘door te pas en te onpas met fascisme te strooien het woord in het absurde trekt.’ Dat is een pertinente kritiek, maar … Klein doet zelf niet veel anders.  Zo spreekt ze van ‘een ecofascistische toekomst, oftewel een toekomst waarin ecologische angsten worden aangewend ter rechtvaardiging van gewelddadig optreden tegen degenen die als minderwaardig worden beschouwd … Het ecofascisme is een reële dreiging die onder delen van het rechtse spectrum steeds meer aan de oppervlakte treedt.’ Of wat moeten we denken van het citaat van Arielle Angel dat Klein ons meegeeft: ‘De laatste tijd voel ik in mijn lichaam de dreiging van het fascisme kloppen als een ooit gebroken bot vlak voordat de regen valt.’ 

 

* Bij vaccinatie van bejaarden en van mensen van middelbare leeftijd was het overduidelijk dat de voordelen van vaccinatie zwaarder wogen dan de mogelijke bijwerkingen. Bij jonge mensen en kinderen was dat minder duidelijk. Jonge mensen vaccineren zodat ze ouderen niet besmetten was ook al geen erg zwaar argument omdat het vaccin vooral het ziekteverloop beïnvloedde, en veel minder de virusoverdracht.

 

** Over diagonalisme in coronatijden, zie mijn stukje hier