zaterdag 3 september 2016

Het M-decreet - Waar staat de ‘M’ voor?

     In de leerplichtwet van 1914 stond de verplichting ingeschreven om aparte klassen te organiseren voor ‘zwakbegaafde of verachterde of abnormale kinderen’. Onder het harde taalgebruik – ‘verachterd’, ‘abnormaal’ – ging een humaan voornemen schuil om ook de minder begaafde en de gehandicapte kinderen een onderwijs aan te bieden waar ze iets aan hadden. Dat is dan uitgegroeid tot het moderne ‘buitengewoon onderwijs’, met acht gespecialiseerde ‘types’– voor kinderen met een lichte mentale handicap, met een zware mentale handicap, met een leerstoornis, met een gedragsprobleem of met een auditieve, een visuele of een spraakmotorische beperking. Ongeveer vijf procent van de kinderen volgen nu les in zulke scholen, van de kleuterklas tot het middelbaar.
    Aan dat buitengewone onderwijs zijn, naast het onmiskenbare voordeel van de gespecialiseerde zorg, ook enkele bezwaren verbonden. Het is ten eerste twee tot drie keer duurder dan het gewone onderwijs, want de klassen zijn kleiner, er komen allerlei specialisten aan te pas zoals logopedisten en kinesisten, en er is nood aan speciale apparaten en aangepaste gebouwen. Het buitengewone onderwijs is ten tweede meer verspreid. Je vindt niet altijd het type school dat je kind nodig heeft binnen fietsafstand. En ten derde worden de kinderen samengebracht op grond van wat ze níet kunnen, in plaats van wat ze wél kunnen. Als ik een hoogbegaafde blinde dochter had, dan wilde ik liever dat ze Latijn-Wiskunde studeerde in een gewone school, dan dat ze terechtkwam in een klas met allemaal blinde leerlingen van voor de rest heel verschillende aanleg en interesse.
     De laatste vijftien jaar hebben de Onderwijsministers gezocht naar een manier om zoveel mogelijk leerlingen over te plaatsen van het buitengewone naar het gewone onderwijs. Misschien was dat vanwege de bezwaren die ik hierboven heb vernoemd. Of misschien dachten ze dat kinderen ‘gestigmatiseerd’ werden als ze naar speciale scholen gingen, of dat de kinderen uit het gewone onderwijs moesten ‘leren omgaan met kinderen die anders zijn’.  Misschien vonden ze dat de kinderen uit het buitengewone en het gewone onderwijs moesten worden samengebracht ‘zodat ze van elkaar konden leren’. Misschien vonden ze het buitengewone onderwijs wel een vorm van ‘segregatie’, zoals  vroeger in de Verenigde Staten, waar tot in de jaren zestig zwarte kinderen aparte scholen hadden. Misschien ook ... Ach, wie weet wat er zich afspeelt in het hoofd van zo’n minister – wie weet waar het denken eindigt en waar de frasen het overnemen*.
     Welnu, het nadenken van die opeenvolgende Onderwijsministers heeft vorig jaar dan geleid tot de aanname van het veelbesproken M-decreet. De ‘M’ staat voor ‘maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte’ – we zijn erop vooruitgegaan sinds de ‘verachterde’ en ‘abnormale’ kinderen van de wet van ’14. Het M-decreet, en zijn verdedigers, houden voor dat

(1)  kinderen eerst het gewone lager onderwijs moeten uitproberen en pas na een mislukking aldaar mogen overstappen naar het buitengewone onderwijs;

(2)  dat ouders de toestemming van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) moeten krijgen voor ze hun kind naar een gespecialiseerde school mogen sturen;

(3)  dat, omgekeerd, ouders van een kind met specifieke behoeften kunnen eisen dat een gewone school ‘redelijke aanpassingen’ doorvoert, waardoor dat kind kan worden opgevangen;

(4)  dat kinderen vanaf een IQ van 60 in het gewone onderwijs terecht moeten kunnen;

(5)  dat een zorgleerling niet de doelen van het gemeenschappelijk curriculum hoeft te halen – hij krijgt dan ook geen diploma, maar wel een ‘attest van verworven bekwaamheden’ waarmee hij naar een volgende jaar kan.

(6)  dat de leraren in de gewone scholen zullen worden ondersteund door experten om de kinderen met speciale behoeften op te vangen;

(7) dat de leraren in het gewone onderwijs de nieuwe uitdagingen aankunnen op voorwaarde dat ze in team werken;

(8)  dat daarbij een gedifferentieerde aanpak noodzakelijk is;

(9)  en, om een teveel aan differentiatie te vermijden: dat maatregelen die normaal voor zorgkinderen voorzien zijn, voor álle leerlingen tegelijk moeten worden toegepast.


Ik ben het daar allemaal niet mee eens.

(1)  Je moet kinderen niet eerst laten mislukken voor je ze het recht geeft op het onderwijs dat het beste bij hen past.

(2) Ouders die een positieve keuze maken voor het buitengewone onderwijs moeten niet afhangen van een instantie die het kind minder goed kent dan alle andere betrokkenen.

(3)  Ik begrijp ouders die hun kind, tegen het advies van de school, toch binnen het gewone onderwijs willen plaatsen. Maar als een school de redelijkheidsclausule inroept om een zorgkind te weigeren, dan staan er andere scholen klaar die het kind wél willen opnemen, met of zonder M-decreet.

(4) Een IQ van 60 is écht laag.

(5) Die maatregel laat toe dat leerlingen zonder diploma lager onderwijs in het beroepssecundair onderwijs komen, met andere woorden in de 1B-klas van mijn schoonzus, waar ze níet op hun plaats zijn, samen met andere leerlingen die daar wél op hun plaats zijn. Het gevolg is dat die onderwijsvorm aan waarde inboet.

(6)  Het is weinig efficiënt om gespecialiseerde kennis die geconcentreerd wordt aangewend in het buitengewone onderwijs – bijvoorbeeld kennis van logopedie –, in verdunde vorm over alle scholen uit te sproeien, door bijvoorbeeld experten van de ene school naar de andere te laten rijden om spraaklesjes te gaan geven aan één leerling. Of bedoelt men dat die experten moeten vergaderen met de leerkrachten? En dat er nascholingen komen? En dat er verslagen worden opgemaakt?

(7) Er zijn omstandigheden waar teamwerk een taak niet lichter maakt. Ik heb in een school gewerkt waar ik de enige leerkracht Nederlands was. Ik had geen vakgroep om mij te ondersteunen. Dat ging prima.

(8) De meeste klassen waar ik nu kom, zijn naar mijn smaak al voldoende gedifferentieerd van aanleg, interesse en gedrag. De opvoedkundige spreidstand waartoe ik daardoor verplicht word, is gezond en uitdagend en houdt me soepel, maar het moet nu ook geen ‘grand écart’ worden.

(9) Die specifieke maatregelen hebben ook welbepaalde nadelen. Krukken zijn heel nuttig voor iemand die slecht loopt, maar remmen de snelheid af van iemand die wel goed loopt. Je kunt voor een slechtziende een tekst afdrukken in een groot lettertype, maar dat maakt de tekst tegelijk ook onoverzichtelijker – een reden om die maatregel niet te veralgemenen.


_____________

* Van mijn oude vijand Els Keytsman, directeur van Unia (hier), weten we wél wat zich in haar hoofd afspeelt. In Knack van deze week (hier) was ze bijzonder strijdvaardig. Buitengewoon onderwijs wás segregatie. Het M-decreet moest integraal worden toegepast. Sleutelen aan de details zou een ramp zijn. Daarenboven was het M-decreet maar een eerste stap naar de volledige afschaffing van het buitengewone onderwijs. Wél gaf Keytsman toe dat er in de praktijk nog altijd “geen breed draagvlak voor het M-decreet” is, “niet in de publieke opinie, niet in het onderwijs, niet in de politiek”. Waar dan wel, vraag je je af. Ik vermoed ergens in de hogere sferen. Ook wond Keytsman zich erg op over veertig ouders – 40 – die hun zorgenkind in een of andere gewone school niet geplaatst kregen, waardoor ze naar een ándere gewone school moesten uitwijken. Maar bij de ouders van de ongeveer vijftigduizend kinderen – 50 000 – in het buitengewoon onderwijs zullen er ook wel enkele bij zijn, misschien zelfs meer dan veertig,  die wél tevreden zijn over de gespecialiseerde zorg die die hun kinderen krijgen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen