zaterdag 1 oktober 2016

Echte woede

      Volgens Las Cases was Napoleon een brave man omdat hij zijn bedienden nooit sloeg. Ja, die ene keer – toen heeft hij een stalknecht geslagen omdat die weigerde zijn paard af te staan voor het vervoer van gewonde soldaten. Alle soldaten hadden dat gezien. Maar, voegt Las Cases eraan toe, dat was niet omdat Napoleon zich liet meeslepen door woede. Het was een berekend stukje komedie om de omstanders te laten merken hoe goed Napoleon het met de gewonde soldaten voorhad.
     Hetzelfde geldt voor Napoleons woede-uitbarstingen tegen zijn falende medewerkers. Allemaal berekening, volgens Las Cases. Napoleon was helemaal niet écht boos. Hij wou alleen zijn andere medewerkers, die getuige waren van de uitbarsting, aanzetten tot grotere vlijt. Het was hem om het resultaat te doen.
     Dat alles maakt Napoleon, in de ogen van Las Cases, tot een fidele kerel. Ik zie dat anders. Mij doet Napoleon hier denken aan twee onaangename figuren, Adolf Hitler en Simon Carter. Als Hitler met zijn vrienden gezellig aan het tafelen was, en men kondigde aan dat een Franse of Engelse ambassadeur hem wilde spreken, alles vóór de oorlog natuurlijk, dan verklaarde hij guitig dat hij een paar minuten voorbereiding nodig had. Hij begon dan luider en luider te praten en te snauwen tegen zijn disgenoten, tot elke gelaatstrek en elke beweging grote woede uitstraalde. Als ook de blik helemaal goed zat en de ogen bloeddoorlopen waren, stond hij op om de arme ambassadeur de volle laag te gaan geven.
     Simon Carter is een zo mogelijk nog walgelijker man. Gelukkig heeft hij niet echt bestaan en is hij maar een figuur uit het verhaal Thus I Refute Beelzy van John Collier. Die Simon Carter is een sadistische tandarts die zijn zoon opvoedt volgens de moderne principes. Hij mag geen ‘papa’ zeggen, maar moet zijn vader aanspreken met ‘Simon’, of liever nog met ‘Grote Simon’, want de zoon heet zelf ook Simon. De tandarts wil zijn zoon altijd overtuigen, in plaats van hem met een ferm ‘waarom-daarom’ aan te geven wat hij moet doen. Als dat overtuigen niet lukt – kinderen zijn koppig – dan maakt hij met kleine Simon een afspraak om hem ’s avonds een pak rammel te geven*. Dat is dan niet uit woede – het is hem om het opvoedkundig resultaat te doen.
     Toen ik les begon te geven, werd mij door een oudere collega ook aangeraden om af en toe een flinke woedeaanval te veinzen, vooral met nieuwe leerlingen bij het begin van een schooljaar. De kunst was, zo werd me gezegd, om een heel brave leerling als slachtoffer te kiezen en die dan de huid vol te schelden. Dat had twee voordelen. Je moest niet bang zijn dat die brave leerling zou durven antwoorden, en, ten tweede, de ondeugende leerlingen zouden bij zichzelf denken: ‘Als hij zo buldert tegen die brave ziel, hoe zal hij dan tegen ons tekeergaan als wij écht iets mispeuteren?’

     Ik heb, geloof ik, één keer al roepend en tierend een leerling uit de klas gezet. Ik ben blij te kunnen zeggen dat ik toen écht kwaad was. En als ik Jan ooit een klap heb gegeven – ik zeg wel áls, want ik ben niet goed op de hoogte van de nieuwste wetgeving ter zake en ken ook de verjaringstermijn voor zulke misdrijven niet – dus áls dat ooit gebeurd is, dan was ik zeker echt héél, héél kwaad.

*Het verhaal loopt overigens goed af, vind ik, maar het precieze einde zal ik niet verklappen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen