maandag 2 februari 2026

De poortwachter in Dominique Willaert

  Het onderstaande stukje gaat over een commentaar van Dominique Willaert, die ik ten onrechte toeschreef aan de beroemde schrijver Jeroen Olyslaegers. Ik schaam mij natuurlijk voor mijn fout. 

   Dominique Willaert maakt zich op FB kwaad omdat er in De Standaard (30/1) een stukje stond van Ignaas Devisch dat de vergelijking tussen Trump II en het nazisme – ‘de jaren ’30’ – afwees. Ik heb dat stukje van Devisch  gelezen toen het verscheen en er verder niet veel aandacht aan besteed. Er zat in dat stukje geen stukje voor mij in. Over het onderwerp zelf heb ik al veel geschreven, en daardoor ook weinig nieuws te melden. Devisch schreef niets dat ik dringend wou weerleggen, maar ook niets dat ik wou overnemen en parafraseren om het niet te vergeten. Maar Willaert maakt zich dus kwaad. Het stukje is slordig, Devisch heeft veel te veel meningen, en ten slotte: hij mist de moed om de zaken te benoemen, dat laatste uit angst om niet meer uitgenodigd te worden in TV-studio’s.
        Dat is een eerbaar oordeel, dat ikzelf echter niet zo zou durven uitspreken. Mijn eigen stukjes zijn ook soms slordig, ik heb ook veel meningen – ik zou daar eigenlijk beschaamd over moeten zijn – en ik heb ook de neiging om als het even kan gematigde standpunten in te nemen, al is dat niet in de hoop om in TV-studio’s te worden uitgenodigd. Maar mag ik erop wijzen dat Willaert zich in zijn eigen stukje  tegenspreekt. Hij schrijft

 Het stuk [van Devisch] begint met een zachte veeg uit de pan aan Christoph Busch, de directeur van het Hannah Arend instituut … Waarom maakt mij dit kwaad? Om Omdat er in ons intellectuele landschap weinig tot geen generositeit bestaat. Telkens voelt er 'een deskundige' de aandrang om de andere deskundige te komen overbluffen en overtroeven. Vaak met argumenten die enkel en alleen het dweepzieke en narcistische karakter van de auteur versterken, maar niets wezenlijks bijdragen aan het democratische, publieke debat.

       Het is niet erg consequent om Devisch te hekelen voor zijn gebrek aan generositeit jegens Busch, als je daarna je opponent een dweepziek en narcistisch karakter toeschrijft. Willaert verwijt Devisch dat hij niet de mening deelt van Dirk Verhofstadt zoals uiteengezet in diens ‘Dagboek 1933’. Devisch zou dat boek moeten lezen, en en zou naar dát boek verwijzen in publieke tussenkomsten, ‘in plaats van telkens zijn eigen kwakje te komen droppen’.
     Het is niet aan mij om te zeggen hoe Willaert zijn polemiek moet voeren. Ik had liever een weerlegging gelezen van Devisch zijn standpunt, dan een verzameling scheldwoorden, intentieprocessen en gezagsargumenten, aangevuld met morele verontwaardiging. Maar ik ben de eerste om toe te geven dat morele verontwaardiging, een aardig scheldwoord, een boosaardig intentieproces, en af en toe een gezagsargument hun plaats hebben in een woordenstrijd. Ik heb dus weinig reden om mij, zoals Willaert, kwaad te maken. En dat hij tegelijk generositeit eist zonder die zelf te beoefenen is ook al niet iets om zwaar aan te tillen. Wie zelf nooit inconsequent is, werpe de eerste steen.  

   Nee, het is iets anders dat mij dwarszit. Willaert schrijft:

Dergelijke opiniestukken beschouw ik als een vorm van schuldig verzuim. En ook de poortwachter van de opiniepagina's verklaar ik mee schuldig. Omdat dit soort stukjes geschreven zijn door mensen die vanuit een ivoren toren - noch weten, noch voelen, noch begrijpen - wat het voor de honderdduizenden Amerikanen met een migratieachtergrond betekent om  etc. …     

Het is dat ‘poortwachter van de opiniepagina’s’ dat mij dwarszit. Onze pers bestaat in de praktijk uit een oligopolie, en in die omstandigheden heb ik het liefst dat de opinie-pagina’s zonder ideologische poortwachter tot stand komen. Idealiter (klemtoon op de á) zouden er stukken moeten komen die de uitwijzingen van Trump verdedigen als noodzakelijk beleid, naast stukken die ze analyseren als het point of no return op de weg naar het fascisme. Ik begrijp heel goed de bezwaren tegen die twee extreme standpunten. Ik begrijp ook heel goed dat men bezwaren maakt tegen voorzichtige tussenposities zoals die van Devisch. Maar dat men die voorzichtige tussenposities door een poortwachter wil laten tegenhouden, dat geeft blijk van een gevaarlijk hellend vlak – dat trouwens ook zijn plaats verdient op de opiniepagina’s. Ik zou als poortwachter het stuk van Willaert in elk geval niet hebben tegengehouden.     

*** 

    Willaert pleit niet voor een overheidscensuur. Wat hij voorstelt is veeleer een vrijwillig cordon médiatique. Maar waar waar eindigt dat cordon? Je begint met het uitsluiten van ‘fascistische’ standpunten. Goed, je kunt niet alles publiceren. Daarna sluit je standpunten uit die ‘aanleunen’ bij fascistische standpunten. Dat aanleunen is natuurlijk nogal rekbaar. En dan eindig je met het uitsluiten van oproepen tot dialoog met de extremen. Dan is alleen nog de ‘antifascistische’ analyse toegelaten. De discussie over de VS onder Trump II wordt beperkt tot de mening dat het fascistische keerpunt is bereikt, dan wel dat het elk moment bereikt kan worden. Ik zou die twee standpunten op de opiniepagina’s niet willen missen, maar ik wil ook wel eens een ándere mening lezen.

***

     Op een andere FB-pagina las ik een antwoord op Devisch dat rechter op het doel af ging. De auteur stelde de vraag of men de discussie met extreem-rechts moest aangaan. Het antwoord bestond uit twee delen. Ja, men moest een open gesprek aangaan met de ‘rechtse arbeiders’ en zich oprecht interesseren voor hun bekommernissen*. Nee, men moest geen open gesprek aangaan met extreem-rechts vanuit de veronderstelling dat zich daar misschien een deel van de waarheid bevond. Dat standpunt kan ik billijken. Iedereen mag zelf beslissen met wie hij een open gesprek wil aangaan en van welk open gesprek hij redelijkerwijze verwacht dat er Waarheid uit zal voortkomen. Ook wil ik niet graag beslissen waar de grens ligt tussen naïviteit en bekrompenheid. Zelf hou ik het meest van een mengsel van goedgelovigheid en cynisme.

  

* Dat standpunt vindt men reeds terug in documenten van de Communistische internationale van ‘de jaren 30’.