vrijdag 2 oktober 2026

Ive Marx en de dienstencheque

     Ik breng mijn gesprekspartners altijd aan het schrikken als iets zeg over de dienstencheques*. Zij klagen dat die te duur worden, en ik klaag dat ze veel te goedkoop zijn.  Ik heb in Ive Marx een medestander gevonden, want hij vindt ook dat de prijs van de cheques gerust van 10 naar 12 euro mogen stijgen, en dat het ‘eigenlijk’ 30 euro zou moeten zijn, want dat is de échte loonkost (DS29/9). De staat moet 20 euro bijpassen, voornamelijk om de sociale zekerheidsbijdragen te betalen.

     Als ik het met Marx eens ben, tik ik hem meestal tegelijk op de vingers omdat hij vanuit zijn academische positie uit de hoogte doet over het geknoei in de praktische politiek. Dit keer begint Marx daar zelf over: 

 

‘Toegegeven, ik heb makkelijk praten als columnist. Ik hoef niet verkozen te worden. Politici die de harde beslissingen moeten nemen om de rekeningen te laten kloppen en om Europa en de ratingsbureaus tevreden te houden, hebben het minder gemakkelijk.’

 

     Ik zal dus voortaan zwijgen over het stuurlui-aan-wal-gehalte van zijn columns: hij weet het zelf. En hij heeft gelijk dat hij de zaken zegt zoals ze zijn, zonder rekening te houden met politiek gekonkel. Elk zijn rol.

     Marx schrijft terecht dat de dienstencheques een cadeau zijn voor de middenklassekiezer, ‘een soort schouderklopje voor de hardwerkende Vlaming.’ En hij heeft gelijk dat de middenklassekiezer dat cadeau zelf moet betalen door ‘lagere pensioenen, meer eigen bijdragen in de gezondheidszorg en het onderwijs, nog tragere rechtbanken en nog vollere gevangenissen.’

      Alleen is zijn antwoord onvoldoende om de belangrijkste reden voor de dienstencheques te weerleggen. We vinden die reden op een andere plaats in dezelfde krant: meer werk voor laaggeschoolden, minder zwartwerk en betere sociale bescherming. Dat laatste is meteen de reden waarom niet alleen de middenklassekiezer, maar ook de vakbonden, het systeem van maximaal gesubsidieerde dienstencheques willen behouden.

     Marx antwoordt daarop:

 

De Vlaamse regering weet ook wel dat het systeem zijn initiële doel ver voorbijgeschoten is. Veel mensen die vandaag in het systeem met de dienstencheques werken, komen helemaal niet uit inactiviteit of zwartwerk. Een belangrijk deel heeft de overstap gemaakt vanuit jobs waarop netjes sociale bijdragen worden betaald …

 

     Ik ben er zeker van dat Marx dat ook kan bewijzen met economische en sociologische studies. Het zal ongetwijfeld ook waar zijn. De poetsvrouw van mijn moeder is overgestapt vanuit een kantoorjob waar ze netto minder overhield. Maar ondertussen zal iemand anders die kantoorjob hebben opgevuld, zodat er best een netto-winst in de tewerkstelling kan hebben plaatsgevonden.

     Kris Vanautgaerden van het ACV schat dat een prijsverhoging van 10 naar 12 euro kan leiden tot een banenverlies van 23.000 mensen. Aan dat cijfer hecht ik niet zoveel waarde: het kan minder zijn, of misschien ook meer, maar de laatste prijsstijging heeft in elk geval het aantal gezinnen die dienstencheques gebruiken doen dalen van 780.000 naar 757.000.

     Een harde libertair kan daarop antwoorden: so what? Laat de markt uitzoeken hoeveel vraag er is naar een bepaald type laaggeschoolde arbeid, vergeleken met andere types van laaggeschoolde arbeid, en laat de markt beslissen hoeveel gebruikers voor die arbeid willen betalen.

     Ive Marx en de harde libertair hebben een en ander gemeen. Ze delen een afkeer van ‘koterijen’. De libertair gaat daarin een stuk verder. Hij redeneert als volgt. Van zodra de overheid een maatregel neemt om een wenselijk doel te bereiken – meer werkgelegenheid voor laaggeschoolden – heeft die ingreep gunstige én ongunstige gevolgen. Die ongunstige gevolgen moeten worden gecompenseerd met nieuwe maatregelen, die weer gunstige én ongunstige gevolgen hebben, waardoor alweer nieuwe maatregelen zich opdringen, die … enzoverder. Dat verklaart waarom je koterijen gemakkelijker kunt verdubbelen dan halveren. 

 

 

* Ik heb over de poetshulpen ook al eerder iets geschreven, zoals hier, hier en hier. 

donderdag 1 oktober 2026

Verzamelde kortjes

Wat beïnvloedt onze koopkracht?
     In een interview met De Standaard (31/9) zei Vlaams minister Melissa De Praetere iets merkwaardigs. ‘Niets heeft meer impact op koopkracht dan klimaat. Denk aan onze voedselprijzen.’ Dat is economisch zó fout dat het weer vertederend wordt. Jammer dat De Standaard er de naïeve West-Vlaamse tongval niet bij kon laten horen.

 

tScheldt en JDC
     Nu Joël De Ceulaer door tScheldt is uitgemaakt voor een
‘gepriviligieerde regimekeutel die een gepriviligieerde regimeburgemeester verdedigt’ kon hij niet anders dan iets terugzeggen: 

 Ik heb nog nooit gereageerd op deze vuile smeerlapperij. Maar nu gaan ze echt te ver. Het is geprivilEgieerd!!!!!


Reynebeau en de salariswagen
     Marc Reynebeau (DS 9/9) is voor de volle belasting van salariswagens. Ik eigenlijk ook, al zwijg ik daarover tot het einde van het jaar, wanneer mijn vrouw de hare zal moeten inleveren. Maar of Reynebeau het allemaal juist uitgerekend heeft, betwijfel ik.

De salariswagen kost de schatkist jaarlijks 5,2 miljard euro. Als de regering die fiscale anomalie afschaft, is ze al halfweg in haar opdracht om in de begroting 10 miljard euro te vinden.

     Vandaag kun je zo’n zinnetje aan ChatGPT voorleggen en vragen wat er allemaal fout is aan de redenering. Het antwoord zal een sectie bevatten: ‘Mensen en bedrijven gaan na zo’n maatregel hun gedrag aanpassen.’
     Waardoor die 5,2 miljard heel hypothetisch worden.
 


DS en het lerarentekort

     Ik heb al vaker gemerkt dat er iemand op De Standaard de taak heeft gekregen om mijn blogstukjes uit te pluizen naar suggesties voor kwaliteitsverbetering. Laatst schreef ik dat ik in de krant nog nooit een kop gezien had over het slinkende lerarentekort. Vandaag, 23 september, grote kop op de voorpagina: ‘Lerarentekort is minder nijpend, starters belanden op reservelijst.’


 

Toxisch leiderschap

     Zoals Pieter Laleman schreef op zijn FB-pagina: ‘Toxisch leiderschap is als beschuldiging zelf toxisch.’ Als het woord op het juiste moment valt, en het bevat 10 procent waarheid, dan heb je geen verweer meer. Het heeft dezelfde kracht als ooit het woord ‘heks.’ Ik zal niet snel een post liken – en soms doe ik dat nochtans ondoordacht – waarin bijvoorbeeld een politieke tegenstander als Marc Van Ranst beschuldigd wordt van toxisch leiderschap. En ik zal het ook niet doen als een politieke vriend als de Oostendse N-VA-schepen Charlotte Verkeyn ervan beschuldigd wordt.

      Dat betekent niet dat toxisch leiderschap niet bestaat. Mensen die ik ken en wier oordeel ik vertrouw, vertellen mij soms bloedstollende verhalen over hun werkplaats. Maar evengoed heb ik van dichtbij beschuldigingen meegemaakt waarvan ik de onredelijkheid zelf kon beoordelen. Ik heb indertijd op de personeelsraad van mijn school oppositie gevoerd tegen het pedagogisch beleid van de toenmalige directie. Die directie was ook om andere redenen dan haar pedagogische beleid niet erg populair bij veel collega’s. Had het woord toen bestaan, dan hadden die collega’s hun strenge oordeel welhaast zeker met de term toxisch leiderschap samengevat. Maar dat strenge oordeel was vaak eenzijdig, subjectief gekleurd en onrechtvaardig. Ik besefte dat toen al, en nu nog beter. 


 

Retorische onwetendheid

       Als ik over een moeilijk onderwerp schrijf, wijs ik vaak op mijn beperkte kennis ter zake. Ik krijg dan als verwijt dat die onwetendheid strategisch, voorgewend en selectief is, en dat ze wordt ingezet als retorisch trucje. Maar onwetendheid voorwenden, of als retorisch trucje inzetten, lijkt mij veel minder erg dan het omgekeerde: expertise en zekerheid voorwenden en dáár je retoriek aan ophangen. 

 

 

Hedwig Speliers
        ‘Hedwig Speliers is dood,’ zegt mijn vrouw. ‘O nee,’ zeg ik, ‘de man die mijn Streuvels-beeld aan diggelen sloeg toen ik zestien was, met Omtrent Streuvels (1968) en Afscheid van Streuvels (1971).’

     De heilige Streuvels was dus maar een halve katholiek, en ook een halve nazi. Was me dat een revolutie in de wereld van de literatuur! Het was een gespreksonderwerp op de speelplaats! Mijn vrouw, die zes jaar jonger is dan ik, kan die onmogelijk bewust hebben meegemaakt. Maar ondertussen vraag ik mij af of ik die boeken van Speliers indertijd wel gelezen heb. Misschien. Filip De Pillecyns boek Stijn Streuvels en zijn werk (1943) heb ik toen zéker gelezen. Dat stond gewoon in de boekenkast van mijn vader.  


Francesca Albanese over Oekraïne

     Toen drie Vlaamse universiteiten een eredoctoraat toekenden aan de pro-Palestijnse activiste Francesca Albanese was dat een mooie illustratie van de linksliberale tolerantie tegenover extreemlinks. Maar zoiets leidt tot een wankel bondgenootschap, want extreemlinks munt niet uit door dankbaarheid. Op de plechtigheid zelf beschuldigde Albanese de universiteiten van laksheid. En nu verschijnt ze blijkbaar op Russia Today, en legt ze verklaringen af als: ‘Ik ga akkoord met hen die vinden dat we geen wapens meer mogen leveren aan Oekraïne.’ Daarmee gaat ze in tegen de heel brede consensus van conservatieven en sociaal-liberalen om Oekraïne te steunen tot er een werkbaar compromis gevonden wordt.

 

 


Vrije meningsuiting met excuses

     Zowat iedereen die de academische vrijheid van Cofnas heeft verdedigd, haast zich eraan toe te voegen dat hij diens meningen niet deelt. Dat kan overkomen als, een soort captatio benevolentiae tegenover een publiek dat die figuur hartsgrondig haat. Maar het schept wel klaarheid. Zelf verdedig ik wel eens de vrije meningsuiting van mensen als Van Langenhove, Hasan Piker of, welja, Cofnas, maar dan doe ik wel mijn best om aan te geven waar ik het wel, en waar ik het niet met die mensen eens ben. En als ik het nérgens met hen eens ben, probeer ik ook daarvoor enkele redenen op te geven.  



Out of Africa
   
     Vandaag kan ik alles vragen aan ChatGPT en Grok, en krijg ik brave, middle-of-the-road antwoorden. Maar surf nog altijd op Quora op zoek naar extravagante vragen en extravagante antwoorden. Een mooie vraag die soms terugkeert is: Welke film won een Oscar voor beste film en was eigenlijk niet goed. Iemand had een aantal criteria verzameld: (A) bevat een plotgat; (B) gaat nergens over; (C)  is flauw over de hele lijn.  De toepassing van de criteria leidde tot: The Deer Hunter (A), Chariots of Fire (B) , Out of Africa (A-B-C) , Argo (A-C).
       
 Alleen Out of Africa beantwoordde aan de drie criteria. Dat zou best kunnen, maar zeker weet ik het niet, want ik slaag er nooit in om meer dan een kwartier naar die film te kijken.


Dix pour cent, le film (2026).
    Om toe te voegen aan mijn lijstje van films over het maken van films. Franse komedie in de beste zin van het woord. Dankzij de film heb ik nu ook de serie ontdekt die eraan voorafgaat.


La règle du jeu (1939)
    Op Youtube kun je de mooie en historisch belangrijke film La règle du jeu zien (1939), van Jean Renoir. De klank is slecht en, als iemand die half-doof is, begreep ik weinig van de dialogen. Ik moet hem nog eens opnieuw zien in een betere versie. Maar één dialoog heb ik wel begrepen. Octave zegt :  ‘Ce qu’il y a de terrible dans la vie, c'est que tout le monde a ses raisons.’ Waarop André of Robert antwoordt : Bien sûr, et moi, je suis pour que chacun les expose librement.’

Furious (2026) 
   
 Televisiereeks over een seriemoordenares en een politie-agente. De plot is ongeloofwaardig en bevat alle clichés van het genre. Maar de uitwerking van de personages is hoogst origineel. 


Drops of God (2023)
     Serie over een jonge vrouw Camille Léger die zich vanwege een testament moet vervolmaken in de wijnproeverij. Veel over ‘premier nez’ en ‘deuxième nez’ en dat soort zaken. In de tweede aflevering ziet Camille haar jeugdvriend Thomas terug. Maar Thomas heeft een relatie met Juliette die knap is, zeven talen spreekt en van de regisseur opdracht gekregen heeft om haar vriend voortdurend aan te raken.  ‘Ik begrijp het,’ zei mijn vrouw, ‘wij moeten Juliette niét leuk vinden.’ Dat was ongeveer het moment dat we besloten om het bij twee afleveringen te laten. 


De PVDA en Iran

     Op het PVDA-feest Manifiesta was er ook plaats voor een grote boekenmarkt dat redelijk pluralistisch was opgezet. Je vond er algemeen-progressieve boeken naast meer orthodox-communistische boeken. Er was ook een stalletje van het Iraanse regime waar in eenvoudige druksels werd uitgelegd hoe het er aan toeging in het land van de ayatollah’s en de Republikeinse Garde. 
     Kijk, ik zal nooit zeggen dat de PVDA de ayatollahs ‘verdedigt’. Het zit ingewikkelder in elkaar. Ook zal ik de PVDA niet de ‘nuttige idioten’ van het regime noemen. Ik wil vulgaire polemiek als die van Karel Verhoeven vermijden*. Maar ik zou als Raoul Hedebouw toch niet graag voor de televisie uitleg moeten geven over dat pamflet over het Iraanse nucleaire programma dat op mijn feest werd uitgedeeld. Ik twijfel niet aan het talent van Raoul om er zich uit te praten, maar het zou toch een vervelend moment zijn.  




* Karel Verhoeven had in een commentaar de omschrijving ’nuttige idioten’ gebruikt voor degenen die de vrije meningsuiting van Cofnas verdedigen. 

 


dinsdag 29 september 2026

Albanese en het antisemitisme

 


Albanese en het antisemitisme 
    
De pro-Palestijnse activiste in de UNO, Francesca Albanese, zei laatst iets heel vreemds over het antisemitisme. Haar woorden werden op de sociale media niet altijd nauwkeurig weergegeven. Ik heb daarom het filmpje zelf bekeken en getranscribeerd. 

Zodus, antisemitisme, zoals ik vaak zeg, bestáát, het is een plaag, het is discriminatie. Het is niet alleen discriminatie van Joden, het is discriminatie van semitische volkeren, die, toen de term antisemitisme werd bedacht, verwees naar iedereen die niet Europees was, iedereen die uit het Midden-Oosten kwam. De nazi’s, de fascisten en de racisten van vorige eeuw beschouwden de joden als semieten. En omdat in Europa de joden veruit de grootste groep onder de semieten vormden, is antisemitisme gaan samenvallen, of beter: gaan overlappen, met het begrip anti-judaïsme. Toch wordt deze haat — en dat is nog steeds zo — vandaag begrepen als haat tegen Joden. Maar het moet gezegd worden dat het concept antisemitisme in werkelijkheid breder is. Er bestaan verslagen van ooggetuigen in de concentratiekampen die zeggen dat de Joden, toen ze naar de gaskamers gingen, ‘moslims’ werden genoemd.

 

    Het grappigst zijn haar eerste woorden: Allora, l’antisemitismo, come dico spesso … Ze heeft die onzin dus váák verteld. Nu is het echter op de sociale media terechtgekomen en heeft ze zich moeten verontschuldigen. 

 

Ik verontschuldig mij oprecht. Ik had de term ‘Muselmann’ die in Nazikampen werd gebruikt voor gevangenen die bijna dood waren verkeerd geïnterpreteerd en heb verkeerdelijk verondersteld dat het woord ‘antisemitisme’ oorspronkelijk de haat aanduidde voor alle semitische volkeren. In werkelijkheid is het begrip gemunt om jodenhaat aan te duiden. 

 

     Die verontschuldiging ontlokte een sarcastische opmerking aan mijn FB-vriend Pieter Laleman. Aangezien Albanese eredoctor is aan drie onzer Vlaamse universiteiten, zou het misschien goed zijn om in het vervolg de kandidaten voor zo’n titel aan een kleine kennistoets te onderwerpen. Een andere FB-vriend Mel Bergbewoner stelde de filosofische vraag: Is Albanese een ignorant kalf, of een perverse leugenaar? De twee hoeven elkaar natuurlijk niet uit te sluiten, maar in dit particuliere geval neig ik naar de eerste verklaring.
     Kijk, je kunt Albanese niet verwijten dat ze de betekenis niet kende van een term uit het kampjargon als ‘Muselmann’. Ik kende die ook niet. En je kunt zes jaar geschiedenisles krijgen in het middelbaar zonder een systematische uitleg over de eeuwenlange jodenvervolging in Europa. Maar dat Hitler het op de joden gemunt had, de joden-de joden-de joden, dat weet het kleinste kind. En dat heb je met sectaire activisten: dat ze menen het beter te weten dan het kleinste kind.

     Waarschijnlijk heeft Albanese ergens in de Arabische milieus die ze frequenteert iets opgevangen over de ‘oorspronkelijke betekenis van het woord antisemitisme.’ De gekste theorieën doen daar de ronde. PLO-leider Mahmoud Abbas heeft ook zo’n uitleg over het antisemitisme. Dat heeft niets met de Europese joden te maken want, heeft hij ergens gelezen, dat zijn geen semieten, maar afstammelingen van de Turken. Het is een oude theorie die niet ter zake doet en die door modern DNA-onderzoek is weerlegd, maar Abbas blijft ze verkondigen.

     Hoe gaat dat dan bij iemand als Albanese? Ze weet wat het kleinste kind weet: Hitler had het op de joden-de joden-de joden gemunt. En dan hoort ze op een dag dat het eigenlijk anders in elkaar zit. De versie die men het kleinste kind wijsmaakt komt van de joodse lobby. Na die openbaring bekeert Albanese zich tot de nieuwe Waarheid: eigenlijk was het oorspronkelijke antisemitisme helemaal niet exclusief anti-joods. Zoiets gelooft ze onmiddellijk en graag, zonder iets te controleren. Had ze die theorie even afgetoetst aan de de vage historische kennis die een 50-jarige intellectuele onvermijdelijk heeft opgedaan in de loop van haar leven, dan had ze de onwaarschijnlijkheid ervan onmiddellijk ingezien.

     Er speelt nog iets anders. Als je vanuit je anti-Israël-engagement geëvolueerd bent naar emotioneel antisemitisme, zul je dat altijd ontkennen, ook aan jezelf, maar je blijft met een slecht geweten achter. Ergens zit je in hetzelfde kamp als Hitler en dat is niet wat je wil. Dan komen allerlei nuances goed van pas. Antisemitisme is niet hetzelfde als anti-judaïsme. Een aanslag op een synagoge is geen daad van antisemitisme van van anti-Israëlisme. Enzovoort. 

     In dezelfde toespraak waarin Mahmoud Abbas betoogt dat de Europese joden geen semieten zijn, legt hij ook uit wat Hitler bezielde. Ik citeer: 


 ‘They say that Hitler killed the Jews for being Jews and that Europe hated the Jews because they were Jews. Not true. It was clearly explained that (the Europeans) fought (the jews) because of their social role, and not their religion.’ 

 

     Je vraagt je af wat Abbas met zo’n afleidingsmaneuvers wil bewijzen. Dat Hitler geen jodenhater was, en dat jodenhaat dus oké is? Of bedoelt hij dat je joden alleen mag haten vanwege hun politieke en sociale rol? In dat geval zou hij dus precies hetzelfde doen als wat hij Hitler toeschrijft.  

     

* Het filmpje met de flater van Albanese staat hier. De toespraak van Abbas staat hier. Abbas stelt een vals dilemma voor: dat Hitler de joden haatte voor hun godsdienst dan wel voor hun sociale positie. In werkelijkheid haatte hij hen om hun ras - in de woorden van Abbas: for being Jews. 

 

 


zondag 27 september 2026

Het heimelijke atheïsme van Obama


   Mijn vader heeft een betekenisvol deel van zijn leven in de Verenigde Staten doorgebracht, de eerste keer in de jaren 20-30 en de tweede keer in de vroege jaren 50. Als kind ging hij naar school bij de zusters van Saint-Clare, en als jonge man, zong hij in het kerkkoor. Hij had ook de Amerikaanse opvatting over kerk en staat. De staat moest de godsdiensten niet subsidiëren zoals bij ons: de gelovigen moesten dat zelf maar doen. Iedereen gaf geld aan zijn eigen kerk: katholieken, methodisten, baptisten.  Wel vond hij het vervelend dat zijn eigen kerk de bedragen publiceerde die de parochianen schonken, want zijn eigen bijdrage was eerder bescheiden.
     De Nederlandse filosofe Stine Jensen betreurt dat de scheiding tussen kerk en staat, en tussen politiek en godsdienst in de VS aan het verdwijnen is. Ze maakt zich zorgen over het ‘christelijk nationalisme’ dat het ‘geloof probeert toe te eigenen voor één radicale politieke flank.’ Maar ze heeft het niet alleen over de politiek. In haar stuk (DS 26/9) brengt ze verschillende kwesties onder één noemer samen: trumpisme, maar ook moreel conservatisme, islamofobie, homofobie. Van dat moreel conservatisme – ultraconservatisme genoemd – haalt Jensen het voorbeeld aan van een populaire podcast Girls Gone Bible waarin twee jonge vrouwen kuisheid voor het huwelijk bepleiten. Ik kan er mij iets bij voorstellen: vlotte babbel, brede glimlach, naïef of pseudo-naïef enthousiasme. Iets als wat de linkse podcastmaker Hasan Piker brengt, maar dan voor een ander publiek*.
     Over kuisheid voor of na het huwelijk heb ik geen uitgesproken mening, maar dat politiek misbruik van de godsdienst vind ik ook gevaarlijk. Toch wil ik proberen om de vrees van Jensen voor de Amerikaanse godsdienstigheid wat te temperen. Jensen begint haar stuk met een vaststelling. Van de 435 leden van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden is er maar één lid is dat openlijk toegeeft niet in God te geloven: Jared Huffman. Dat kunnen wij ons in Europa inderdaad niet voorstellen. Tocqueville had in zijn tijd al vastgesteld dat de godsdienst in de VS een veel grotere rol speelde in de levensopvatting dan in het oude Europa.
     Bij de vaststelling van Jensen horen enkele nuances die ze niet vermeldt. Die Amerikaanse godsdienstigheid is traditioneel niet sectair, of althans niet onverdraagzaam tegen andere godsdienstige stromingen. Men heeft er de Europese godsdienstoorlogen niet gekend. De founding fathers waren geen religieuze dogmatici, veeleer een soort deïsten. Het donderde niet tot welke kerk je behoorde, maar het bestaan van een goedaardig opperwezen was een vanzelfsprekende aanname**. Je moest een onmens zijn om dat te ontkennen. Erkenden ook de plaatselijke stammen geen Grote Geest die de bron van alle leven was? 
     In die zin is de Amerikaanse religiositeit ook niet noodzakelijk christelijk. Elke godsdienst is goed, als het maar geen atheïsme is. Veel conservatieve christenen steunden indertijd de Afghaanse moslimstrijders tegen het goddeloze communisme. Die moslims waren tenminste geen ongelovige honden.
    Omdat de Amerikaanse godsdienstigheid niet noodzakelijk aan één sekte, aan één kerk of aan één godsdienst gebonden is, kan ze ook niet zo gemakkelijk als instrument gebruikt worden door één politieke strekking. Er is bij wijze van spreken een dubbele concurrentie: tussen verschillende politieke partijen en tussen verschillende godsdiensten. Als J.D. Vance zich tot het katholicisme bekeert, moet hij oppassen dat hij geen Evangelicals tegen de borst stoot, en bovendien zal hij er niet gemakkelijk in slagen om paus en bisschoppen aan zijn kant te krijgen.
     Dat godsdienstig pluralisme heeft echter wel een beperking, en Jensen legt in haar stuk de vingere op de wonde. De Amerikaanse politicus mag katholiek, protestants, joods of moslim zijn, maar atheïsme en zelfs openlijke religieuze onverschilligheid is off limits.  Een politicus die niet in een God gelooft, moet doen alsof hij dat wel doet. Barack Obama kan stiekem een atheïst zijn – Jensen volgt de hypothese van Richard Dawkins – maar hij moet wel trouw ter kerke gaan. 
     Op dat vlak zijn de politieke mores in de VS achteruitgegaan. Er is een bekende anekdote over een woordentwist tussen Lincoln en de methodistisch predikant Cartwright. Lincoln voerde campagne om een parlementszetel te veroveren en werd door Cartwright verweten een ongelovige te zijn. De gelovigen zouden naar de hemel gaan, en de ongelovigen naar de hel, zei hij op een van zijn predicaties waar de politicus aanwezig was. ‘And may I inquire of you, Mr. Lincoln, where you are going?’ Lincoln stond recht en zei: ‘I am going to Congress.’ Zoiets kon je toen nog zeggen, en het tóch tot president brengen.
     We hebben in dit leven allemaal zaken die we nogal naïef geloven. Antoine Furetière noemde het la foi du charbonnier en Rousseau la foi des simples. Zelf geloof ik in mijn simpelheid dat de openbaringsgodsdiensten vroeg of laat zullen verdwijnen en dat een technologische samenleving onherroepelijk tot secularisme leidt. Europa lijkt die veronderstelling te bevestigen, en de VS lijken die te weerleggen. Denemarken telt nog 2 % kerkgangers, tegenover 32 procent in de VS. Maar 32 procent is wel ver verwijderd van 100 procent.
     En nog belangrijker is het om naar de evolutie te kijken. In 1972 gaf 5 procent van de Amerikanen  aan dat ze ‘geen godsdienst’ hadden. Vandaag is dat volgens PEW gestegen naar 29 procent. Dat zijn niet allemaal overtuigde atheïsten, maar het zijn niet de cijfers die ik vanuit mijn Europees vooroordeel en mijn lectuur van Tocqueville zou verwachten. Met zulke cijfers vraag je je af waarom progressieve politici als Barack Obama, Hillary Clinton, Bernie Sanders en Zohran Mamdani hun eventuele atheïsme zouden moeten camoufleren met praatjes over hun spiritualiteit als bron van politiek engagement.
     Er bestaat nog een tweede misverstand. In Europa denken we dat het christelijke fundamentalisme in de VS spectaculair aan het stijgen is. Je kunt dat fundamentalisme op verschillende manieren meten. Een van de eenvoudigste manieren is om te kijken naar de aanhang van de Evangelical Protestants. Hun percentage in de bevolking was 19 % in 1927, steeg naar 28 procent rond 1985, bleef stabiel tot 2010 is is ondertussen gedaald naar 21,5 % in 2024. (Zie hier)

Evolutie van aantal Evangelicals in de VS



     Dat misverstand over het opkomende fundamentalisme ent zich op nog een ander misverstand: dat de godsdienst in de VS vooral een kwestie is van de lagere klassen terwijl de hogere klasse uit seculiere humanisten bestaat***. Maar de 29 procent dat volgens peilingen ‘geen godsdienst’ heeft is ondertussen mooi verdeeld onder de de hoogste en de laagste klassen van de bevolking.  Het secularisme bloeit onder de economische en intellectuele elite – de 1 % – maar het is eveneens ruim verspreid bij de 30 procent blanken met de laagste inkomens. De meerderheid van hen gaat niet meer naar de kerk en is niet meer betrokken als vrijwilliger bij de kerkelijke activiteiten. 
     Het kerkelijk leven concentreert zich meer en meer bij de hogere middenklasse. Ook daar heeft een daling zich ingezet, maar minder dan bij de andere bevolkingsgroepen: tussen 1970 en 2010 ging het aantal regelmatige kerkgangers onder de hogere middenklasse van 65 % naar 55 % en het aantal vrijwilligers van 30 % naar 23 %****. Geen enkele progressieve, heimelijk atheïstische,Amerikaanse politicus kan het zich permitteren om die hogere middenklasse te schofferen. 

 

* Zie mijn stukje over Hasan Piker hier

 

** De founding fathers vonden het mooi meegenomen dat godsdienst een moreel kompas bezorgde aan vrije burgers die geen vorstelijk gezag boven zich hadden om orde op zaken te stellen.


 die tegelijk – la providence arrange bien les choses – een moreel kompas bezorgde aan vrije burgers in een republiek.


*** De cijfers in de twee laatste alinea’s betreffen alleen de blanke bevolking. Ze zijn verzameld door Charles Murray in Coming Apart, een boek dat zich beperkt tot ‘White America’, en dat dateert 2012. De cijfers kunnen dus verouderd zijn. Met hogere middenklasse bedoelt Murray de 20 procent hoogste inkomens. 

 

****Dat vrijwilligerswerk wordt mooi geïllustreerd in de tv-serie Love & Death. 

 

zaterdag 26 september 2026

D’hanis en Debruyne tegen AI-slop

      Na twee of drie boekrecensies op Dissonant.be gelezen te hebben, had ik begrepen dat ik met AI-gegenereerde teksten te maken had. Bij andere teksten twijfel ik soms, want er bestaan ook mensen die écht saai en zielloos schrijven. Maar dit was duidelijk. Ik heb echter geen reden gehad om mij zorgen te maken want na een poosje verdween Dissonant.be vanzelf van mijn feed. 

     Schrijfster Heleen De Bruyne had wél een goede reden om zich zorgen te maken, want de site plaatste een slechte recensie van haar boek Aline. Ze heeft dan samen met haar lief Frank D’hanis de zaak uitgezocht en van die zoektocht heeft ze een verslag geplaatst in Knack van 23/9. Het begint dus met die slechte recensie. 

 

‘Moet je dit lezen!’ Ik roep Frank mijn lief. ‘Oei,’ zegt Frank. ‘Oei oei … Zeg, maar dit stuk is wel eigenaardig … Het is zo saai geschreven. Drammerig.’ Ik merk het ook. De andere besprekingen op het platform hebben ook last van eenzelfde vlakke taal en voorspelbare opbouw. Zou het AI zijn, opper ik. Hij knikt. ‘Vermoedelijk wel. Kijk, hoeveel besprekingen er al op die site staan, terwijl het platform nog maar pas bestaat. Dat kan geen mensenwerk zijn.’ AI-detector Pangram bevestigt ons vermoeden.

 

       De Bruyne en D’hanis hebben helemaal gelijk om die AI-slop van Dissonant.be, dat nu Librar heet, met Pangram te lijf te gaan en aan te klagen. Ze zijn er achter gekomen dat de recensenten van Dissonant.be niet bestaan. De namen zijn verzonnen, de foto’s zijn getrukeerd, en de zwendel is hoogstwaarschijnlijk opgezet om gratis recensie-exemplaren te ontvangen en om een bedrijfje van print-on-demand te ondersteunen.  

     Kijk, ik heb er niets op tegen dat men AI als schrijfassistent gebruikt voor allerlei soorten teksten, maar niét voor een recensie. Dat hoort een bij uitstek persoonlijk genre te zijn, geschreven door een mens van vlees en bloed. Van Emile Zola komt de beroemde zin: ‘Une œuvre d’art est un coin de la création vu à travers un tempérament.’ Hetzelfde geldt voor een recensie die reageert op ‘une œuvre d’art.’

     Ik vind dat eigenlijk ook van opiniestukken. Je kunt natuurlijk een reeds vaststaande opinie in prompts te gieten en dan AI het handen-en-voetenwerk te laten doen, maar een opiniestuk is alleen interessant, vind ik, als de auteur bij het schrijven op zoek gaat naar wat zijn opinie eigenlijk is – een opinie die niet los staat van de manier waarop ze uiteindelijk geformuleerd wordt. Natuurlijk heeft de opinieschrijver op voorhand al een mening over het neoliberalisme, de begroting, of het zionisme, maar als hij geen algemeenheden wil schrijven en zichzelf niet voortdurend wil herhalen, moet hij tijdens het schrijven, of tijdens een lange wandeling die aan het schrijven voorafgaat, op zoek gaan naar een invalshoek, naar een  onderbelichte kant van de zaak, naar een stekelig kantje waar hij niet meteen een oplossing voor heeft.

     Ik vraag mij soms af hoe dat met de opiniestukken van D’hanis zelf zit. Bijna dagelijks heeft hij weer een nieuwe wervende tekst op FB terwijl hij nog helemaal niet met pensioen is.  Dat lange stuk van gisteren bijvoorbeeld, over Zuhal Demir, heeft hij dat nu werkelijk helemaal alleen geschreven? Het is natuurlijk leuker geformuleerd dan de slop van Dissonant.be, maar toch twijfel ik. Wat zou AI-detector Pangram daarover zeggen? 100 procent human is het antwoord dat ik krijg. 


 


 

Het genetica-boek van Lewontin en co

    Door de heisa rond Cofnas voelde ik mij half verplicht om wat kennis over genetica op te frissen of op te doen. Ik haalde onder andere het boek van Lewontin, Rose en Kamin uit de kast. Not in Our Genes (1984) werd in 1987 in het Nederlands uitgebracht door EPO als Genetica, erfelijkheid en ideologie. Ik heb het onmiddellijk na het verschijnen gelezen, en volgens de notities in de marge moet ik toen nog een brave marxist geweest zijn. Op bladzijde 73 heb ik de volgende passage aangestreept, die past binnen de kritiek op het ‘mechanisch materialisme’ en op het ‘vulgair marxisme’, die moeten vervangen worden door het ‘dialectisch materialisme’ en het ‘echte marxisme’:

Dit soort reductionisme … kun je vinden in sociale en politieke werken die gaan van Kautsky tot sommigen onder onze huidige trotskistische theoretici (bijvoorbeeld Ernest Mandel). Tegenover dit economisch reductionisme als een verklarend principe voor alle menselijke gedragingen, stellen wij het inzicht van marxistische filosofen als Georg Lukacs en Agnes Heller en van revolutionaire theoretici en practici zoals Mao Tse-Tung.

     Het mooiste in dat citaat is het revolutionaire ‘wij’. Het revolutionair collectief is aan het woord. En dat Mao een complimentje en die vuile trotskisten een veeg uit de pan krijgen was mooi meegenomen. Maar ik meen mij te herinneren dat ik het hoofdstuk over IQ eigenlijk niet zo overtuigend vond. De auteurs maakten er zich nogal gemakkelijk van af. Ik zal niet zeggen dat ik de vinger kon leggen op de fameuze Lewontin fallacy, maar ik had wel de indruk dat de bewijsvoering iets te gretig was en de aanval op collega Cyril Burt iets te enthousiast. 


 

Overtuigen en nuanceren

     Overtuigend spreken is in de eerste plaats een kwestie van charisma. Wat ook helpt is je direct en. ongenuanceerd uitdrukken. In de film Nouvelle vague (2025) zien we een kort toespraakje van Roberto Rosselini, gespeeld door Laurent Mothe, die zich richt tot de redactie en de sympathisanten van Les cahiers du cinéma. De jonge Franse cinefielen hangen aan zijn lippen. Rosselini spreekt met overtuiging en gezag. Dit is wat hij zegt.

 Merci, les amis, merci cercle de cinémaniaques, bande d’insurgés. J’essaie toujours de créer un mouvement. Mais je n’y suis pas encore parvenu, parce que j’ai bien compris que, pour créer un mouvement, il faut se cristalliser dans une position. Et dès lors qu’on se cristallise, on se castre. Le cinéma est affaire de morale. Il n’y a pas de technique pour capturer la réalité. Seule une rigueur morale peut y parvenir. La caméra est un stylo mais un imbécile qui ne vaut rien si vous n’avez rien à dire. La meilleure manière de filmer est la plus simple. L’art, le vrai, se méfie des effets artistiques comme de la peste. La vraie liberté est logique, n’a que faire des  règles et des habitudes. Il ne faudrait filmer que dans un état d’urgence et de nécessité. Ne considérez pas le cinéma comme quelque chose de mystique.

      Je vraagt je af of Rosselini niet met evenveel succes het tegenovergestelde had kunnen zeggen:-

  •  Je n’ai jamais essayé de créer un mouvement.
  • Pour créer un mouvement, il ne faut jamais se cristalliser dans une position.
  • Se cristalliser, ce n’est pas se castrer.
  • Le cinéma n’est pas affaire de morale.
  • Pour capturer la réalité, il faut avant tout de la technique.
  • La caméra n’est pas un stylo imbécile.
  • La meilleure manière de filmer n’est jamais la plus simple. 
  • L’art, le vrai, ne peut se passer des effets artistiques.
  • La vrai liberté est illogique.
  • Pour filmer, il faut se libérer de cet état d’urgence et de nécessité.
  • Considérez toujours le cinéma comme quelque chose de mystique.

 

Wie houdt de migratie in stand?

     Wie houdt de migratie in stand? De vraag zoals ik ze hier stel, is misleidend. Het is op die manier dat de kwestie geframed wordt door radicaal-rechts. En het geïmpliceerde antwoord - de traditionele partijen houden de aslielmigratie in stand - is eveneens misleidend. Alsof Bart De Wever of gelijk welke andere politicus ’s morgens wakker wordt met de vraag: hoe kan ik de asielmigratie in stand houden? Maar de vraag áchter de misleidende vraag is reëel: wat is de reden dat er aan de massale asielmigratie geen einde komt? Dat einde wordt nochtans gewenst door een groot deel van de bevolking, en beloofd door een groot deel van de mainstream politici.

     Een betere kadering van de kwestie vond ik in een stuk van historicus Martin Sommer in EW-magazine. 

Aan de meerderheid in de Tweede Kamer ligt het niet. Maar het hindervermogen van de secundaire machten, van asieladvocaten, journalisten, adviesorganen, hoogleraren en Europese rechters, is ook na een kwarteeuw soebatten helemaal intact.

     Een andere vraag is dan: waarom kan een parlementaire meerderheid die secundaire machten niet opzij schuiven? Daar zijn veel redenen voor. De belangrijkste is dat de mainstream partijen – terecht – de kwestie willen regelen binnen een wettelijk en rechtstatelijk kader. Het opnemen van asielzoekers is een verplichting binnen het EU-recht. Ofwel moet België dus uit de EU treden, ofwel moet dat EU-recht worden aangepast. Misschien moet zelfs de Grondwet worden aangepast. 
   
 Dat alles is in de praktijk niet mogelijk met een eenvoudige meerderheid. En dan botst men op een niet te omzeilen struikelblok. Een niet-onbelangrijke minderheid van de publieke opinie, en een niet-onbelangrijke minderheid binnen de politieke partijen, zijn voor het behoud van massaal toepasbaar asielrecht**. 
     Op termijn moet een hervorming van het EU-recht mogelijk zijn. Het zou mij verwonderen als niet in alle EU-landen – althans in de publieke opinie – een meerderheid te vinden was voor drastische asielbeperking. Dan moet die uiteindelijk toch mogelijk zijn. In het kader van een democratisch compromis met de minderheid zal die beperking misschien niet zó drastisch zijn als sommigen zouden willen, maar toch: drastisch.
     Daarvoor is een zekere mate van Kulturkampf onvermijdelijk. Die asieladvocaten, journalisten, experts en rechters zijn beïnvloed door het linksliberalisme, of preciezer: door een mengeling van christelijk humanisme, liberaal universalisme en socialistisch internationalisme. Maar een strikter asielbeleid kan ook verantwoord worden vanuit een voorzichtig liberalisme, een protectionistische sociaaldemocratie en een cultuurconservatieve christendemocratie. Als het alléén van het nationalisme zou afhangen, zal er in Europees verband nooit iets veranderen. 

* Er bestaan, toegegeven, politici die voordeel halen uit de migratie omdat die een deel van hun kiespubliek levert. Maar dat kan slechts een beperkt voordeel zijn aangezien legale asielmigranten niet zomaar stemrecht krijgen, en illegale, afgewezen asielzoekers al helemaal niet kunnen stemmen. 

** Die mensen willen niet zozeer asielzoekers aantrekken, maar ze vinden het onmenselijk om asielzoekers te weigeren. 


donderdag 24 september 2026

Verslavende algoritmes


     Zuckerberg en Musk, hoor ik soms, hebben Facebook en X uitgerust met verslavende algoritmes. Ik moet dan altijd glimlachen. Dat is dan zoals snoepfabrikanten die suiker en vet toevoegen om hun product ‘verslavend te maken’. Natuurlijk is dat product verslavend. De producent biedt de klant wat hij wil, en als die klant zwak is treedt er verslaving op. Als er chocolade in huis is, eet ik die in korte tijd allemaal op. 

     De algoritmes van Facebook en X gaan ook zo te werk: ze geven mij als klant wat ik vraag, behalve de reclame natuurlijk, maar dat laatste is de prijs die ik betaal om gratis van hun diensten gebruik te maken. Maar verder schotelen ze mij berichten voor die ik lekker vind: omdat ik ermee akkoord ga, omdat ze mij provoceren, omdat ze mij doen lachen, omdat zij mij boos maken – en ook dat is een lekker gevoel.  

     Maar vaak krijg ik ook berichten die ik op geen enkele manier lekker vind, terwijl de algoritmes al lang zouden moeten weten dat ik ze niet lust, bijvoorbeeld omdat ik bij die berichten niet lang stil sta of er niet op reageer. En toch blijf ik die berichten krijgen.
     Dat komt geloof ik omdat die algoritmes twee zaken nastreven: dat ik langer blijf stilstaan bij elk afzonderlijk bericht, maar ook dat ik zo lang mogelijk blijf scrollen naar steeds nieuwe berichten. En dat laatste bereik je niet door alleen maar lekkers op te dissen. Een spelletje spelen waarbij je altijd wint, wordt snel vervelend. Gokautomaten zijn verslavend omdat je niét altijd wint: elk verlies zet je aan op opnieuw te spelen zodat je je verlies kunt goedmaken. Als je bij patience elke keer je kaarten allemaal kunt leggen, is er geen donder aan.

     Ik heb over de kwestie een goed gesprek gehad met ChatGPT. De bot wilde mij allerlei overbodige nuances aansmeren, maar moest uiteindelijk toegeven dat de sociale media een systeem hanteren met ‘variabele beloning’ waardoor ik langer blijf scrollen. Facebook en X houden mij goed in de gaten en bestuderen mijn scrolgedrag. Als ik alleen heel interessante berichten krijg, dan zal ik na het tiende bericht afhaken en een boek gaan lezen dat nóg interessanter is. Maar als interessante berichten worden afgewisseld met minder interessante, dan blijf ik langer ‘hangen’. 


 


dinsdag 22 september 2026

Ed Sheeran



Ed Sheeran
     Ik kan niet zeggen dat ik de carrière van Ed Sheeran op de voet gevolgd heb. Toen ik met pianolessen begon, wou ik graag Perfect leren spelen, maar ik vond toen geen geschikte partituur die ik aankon. Wat later leerde ik de artiest kennen in de charmante komedie Yesterday waar hij zichzelf speelt. Hij en Jack Malick worden uitgedaagd tot een wedstrijd om in tien minuten het beste lied te schrijven. Dat gebeurt in een fantasie-wereld waarin iedereen, behalve Jack, de liedjes van de Beatles vergeten is. Jack zingt The Long and Winding Road, waarop Sheeran ruiterlijk toegeeft dat hij daar niet tegenop kan. Hij geeft de strijd op. 

     En vorige week kreeg ik dankzij de klassieke en sociale media weer met Sheeran te maken. In zijn nieuwe tournee trad de Amerikaanse rapper Macklemore op in het voorprogramma en die had al een paar keer ‘Free Palestine’ vanop het podium geroepen. De concertorganisator had daarop Macklemore van de affiche geschrapt, waarop de begeleidingsband van Sheeran, uit solidariteit met de rapper, ook uit de tour stapte. Dat was een erg vervelende situatie. De fans hadden een ticket gekocht voor de whole shebang, mét Macklemore en mét de begeleidingsband.

     Sheeran heeft dan op 15 september uitgebreid zijn versie van de feiten toegelicht om zich tegenover zijn publiek te verontschuldigen. Eerst legt hij uit dat niet hij, maar de concertorganisatoren het contract met Macklemore hebben opgezegd, niet om wat hij zei, maar om de manier waarop. Hij legt ook uit dat hij – tevergeefs – geprobeerd heeft te bemiddelen in het conflict, en – eveneens tevergeefs – met ‘activisten van beide kanten’ heeft gesproken. Maar de zanger wil er zich ook niet te gemakkelijk van afmaken. Tenslotte had ook hij de tournee kunnen afbreken uit solidariteit met de rapper. Hij heeft dat niet gedaan, en wel om deze reden: 

 

Ik heb mijn persoonlijke standpunten over dit verwoestende conflict. Dat ik ervoor kies er niet publiekelijk over te spreken, betekent niet dat ik ze niet heb, en het betekent niet dat het me niet kan schelen … Er is een reden waarom ik mijn professionele platform niet voor politiek gebruik: mijn publiek bestaat uit jonge mensen, vaak kinderen, van alle achtergronden. Wie naar mijn shows komt, verwacht geen politiek forum. Ik respecteer Macklemore’s vastberadenheid om op te staan en uit te schreeuwen wat hij gelooft. Maar er is ruimte voor meerdere wegen naar hetzelfde doel: vrede. Ik kies ervoor mijn bekendheid en mijn platform te gebruiken als een plek van veiligheid en toevlucht, om diplomatie te bewaren en gesprekken open te houden, niet dicht te gooien. Als we alleen maar focussen op wie het hardst schreeuwt, verandert er nooit iets. Er zijn verschillende manieren om een voorvechter van verandering te zijn.

 

      Tom Naegels (DS 19/9) heeft enige sympathie voor Sheeran. Ik heb op mijn beurt enige sympathie voor twee standpunten van Naegels. Hij vindt dat niet iedereen altijd een standpunt moet innemen over élk onrecht in de wereld. ‘Ook de geëngageerdste activisten, schrijft Naegels, kiezen één zaak, en zijn stil over alle andere.’ En het tweede standpunt dat ik goed kan pruimen is dat er ruimte moet zijn voor mensen die zich op elegante manier afzijdig houden. En hij citeert Metallica, Mariah Calley, Britney Spears en Marco Borsato, van wie niemand zich afvraagt waar zij nu precies in de Gaza-kwestie staan. ‘Dát is wat neutraliteit hoort te zijn. Geurloos, smaakloos, onopvallend.’

     Minder eens ben ik het met zijn standpunt over de ‘gespierde neutraliteit’. 

 

Een organisatie kan ook kiezen voor een gespierdere vorm van neutraliteit, waarbij ze zegt: jouw keuzes stralen af op ons, dus als je voor ons werkt, dan zwijg je over zaken die polariserend werken voor ons publiek. Dat was de keuze van het Oost-Vlaamse provinciebestuur, met betrekking tot de hoofddoek. Het was de keuze van het Eurosongfestival met betrekking tot Israël. Maar daarmee bots je op een ander probleem. Als je neutraliteit moet verplichten, dan is het geen neutraliteit meer. Dan wordt het het machtswoord van één partij. Neutraal zijn in Oost-Vlaanderen betekent: vinden wat de N-VA vindt. Neutraal bij Eurosong is: het Israëlische regime naar de mond praten. Zoals Ed Sheeran nu alleen neutraal kan zijn als hij kant kiest voor wie kant kiest voor Israël.

 

     De drie voorbeelden die Naegels geeft overtuigen mij niet dat de ‘verplichte neutraliteit’ per se iets kwalijks is. De hoofddoeken op school is een kwestie sui generis. Hoofddoeken verbieden is niet helemaal neutraal – het gaat bijvoorbeeld in tegen de ‘politieke islam’ – maar hoofddoeken toelaten is evenmin neutraal, en geen van de twee maatregelen houdt in dat men kiest voor of tegen de islam. Je kunt heel goed de deelname van Israël – of van Rusland voor mijn part – aan het Eurosongfestival verdedigen zonder het eens te zijn met wat die landen uitspoken. En niemand verbiedt Macklemore om ‘Free Palestine’ te roepen, alleen niet in het voorprogramma van Ed Sheeran. 

     Maar Naegels heeft gelijk dat er een ‘neutraliteitsparadox’ bestaat al is die, wat mij betreft, schijnbaar. Aan de Gentse universiteit duikt een wat Naegels noemt ‘vlaggenzwaaiende eugeneticus en biologische racist*’ op. Als Petra De Sutter zich neutraal opstelt, krijgt ze van activisten het verwijt dat ze biologische racisten beschermt en dus niet neutraal is. Maar of dat zo is, moeten we niet van die activisten laten afhangen. Naegels en ik verschillen van mening over De Sutters neutraliteit, maar we zouden wel, los van dat concrete geschil, kunnen afspreken wat we onder neutraal verstaan, met criteria die zowel voor een vlaggenzwaaiende rassenrealist als voor een vlaggenzwaaiende Israël-hater gelden.

    Het is natuurlijk waar dat de neutraliteitskwestie veel organisaties voor een dilemma plaatst: de neutraliteit volhouden, of toch een standpunt innemen. Uiteindelijk heeft Ed Sheeran dan toch voor het laatste gekozen. Op zijn concert van 19 september gaf hij kort zijn mening over Israël en Palestina , die ik alweer sterk inkort:

 

Wat er in Israël en op het Nova Music Festival op 7 oktober is gebeurd, was afschuwelijk en kwam bovenop  eeuwen van Joodse pijn. Wat er in Gaza gebeurt, is catastrofaal, onrechtvaardig en disproportioneel. Mijn hart is gebroken door de omvang van de verwoesting en het verlies van burgerslevens, van kinderlevens. En het systemische onrecht dat we op de Westelijke Jordaanoever zien ontvouwen, kan niet over het hoofd worden gezien. 

 

     Ik heb er geen moeite mee om te geloven dat dat ook Sheerans echte mening is: het is immers ook de mijne. En zijn nuances brengen mij op een ander punt. Naegels heeft net als ik een hekel aan de slogan: Silence in the face of injustice is complicity with the oppressor. Maar zijn redenen zijn niet helemaal dezelfde als de mijne. Hij schrijft: 

 

Ook de geëngageerdste activisten kiezen één zaak, en zijn stil over alle andere. Dat kan ook niet anders. Je zou kierewiet worden en al je vrienden van je wegjagen als je je permanent zou opwinden over én de genocide in Soedan, én de oorlog in Oost-Congo, én de lakse bestraffing van seksueel geweld, én het gevaar van AI, én de opkomst van extreemrechts in Duitsland, én de vernietiging van Gaza, én de dictatuur in Wit-Rusland, én de milieueffecten van fracking, én de ontvoering van kinderen door Al-Shabaab, én het tot slaaf maken van mensen in scam-kampen in Cambodja, én de overbevolking in de Belgische gevangenissen ... Je afzijdig houden, ergens geen mening over hebben is de norm. Dat wil niet zeggen dat je het onrecht goedkeurt. 

 

     Dat zijn goede redenen. We willen niet kierewiet worden, al onze vrienden wegjagen en in een permanente staat van opwinding verkeren. Maar mijn probleem met activisten is niet dat ze zich over alle problemen ter wereld, dan wel slechts over één ervan willen ontfermen. Mijn bezwaar is dat ze alle kwesties die ze onder handen krijgen meteen herleiden tot een vorm van onrecht waarvan de onderdrukker maar al te goed bekend is. In Vietnam waren het de Amerikanen, in Israël/Palestina zijn het de zionisten, en in Oekraïne zijn het de Russen. Dat is, wat mij betreft, een schema dat soms opgaat, en soms niet. 

 

* ’Biologische racist’ is een kwestie van interpretatie, maar voor de beschuldiging van ‘eugeneticus’ is mij geen uitspraak of tekst van Cofnas bekend die die zou rechtvaardigen. 


 

 

 

 


Het 'postfascisme' van Bart De Wever

Postfascisme
     Eric Corijn, die ik in mijn jeugd kende als een ‘vuile trotskist’, heeft op x.com een bericht geplaats naar aanleiding van de ontmoeting tussen De Wever en Meloni: 

‘Zowel Meloni als De Wever zijn postfascisten. Ze begrijpen hoe gelijkaardige principes in de huidige context moeten worden geformuleerd.’ 

Daaruit blijkt dat Corijn een posttrotskist is, want orthodoxe trotskisten hadden indertijd een veel striktere definitie van het begrip ‘fascisme’ dan wij, maoïsten, die nogal snel alles wat ons niet aanstond ‘fascistisch’ noemden. Wij waren toen de enigen.
     Mooi is dat Corijn mij hier met zijn ‘postfascisme’ op elegante manier op het verkeerde been zet. Hij had zijn tegenstanders evengoed ‘neofascisten’ kunnen noemen, en dan had ik met een grijnslach gezegd: ‘Kalm, Eric, kalm.’ Dat heb ik ook bij Frank D’hanis. Die schrijft wel eens dat N-VA ‘protofascistisch’ is. Bij dat woord moet ik denken aan Gabriele D’Annunzio en Charles Maurras, en weer begin ik onwillekeurig te grijnslachen. Maar bij een woord als ‘postfascist’ sta ik even met mijn mond vol tanden. 
   
 Het was nochtans niet de eerste keer dat ik het woord ‘postfascist’ tegenkwam. Ik las het al in Eddy Daniëls’ boek De open samenleving en haar nieuwe vijanden. Daniëls noemde het Vlaams Belang ‘postfascistisch’, zoals hij elders, geloof ik, de PVDA ‘postcommunistisch’ noemt. Daniëls bedoelde daar echter iets anders mee dan Corijn. Hij redeneerde dat het Vlaams Blok in zijn begindagen misschien een fascistische partij was, maar ondertussen van die ideologie zo ver was afgeweken dat het verwijt van ‘fascisme’ onredelijk was geworden. Dat was voor mij een nieuw inzicht.
      Bij Corijn is de zaak omgekeerd. Hij schijnt ter geloven dat De Wever en Meloni wel degelijk hetzelfde soort regime nastreven als Mussolini en Hitler destijds, maar dat ze hun methodes aanpassen aan de huidige context. Zo sluw zijn ze wel.



 

Drie maal over AI

 De anti-AI advocatentruc
     AI en  datacenters lijken vandaag heel wat tegenstanders te kennen. Wat mij daarbij tegenvalt is dat die zo véél argumenten hebben. Ik hoorde op de radio een specialist die bang was dat AI zou leiden tot machines die de mensheid uitmoorden, tot banenverlies, tot intelligentieverlies,  tot geopolitieke spanningen en tot superwinsten voor de techbro’s. Maar waarom zouden we ons zorgen maken over dat banenverlies en al de rest als toch uitgemoord worden. Dat is de oude advocatentruc. ‘AI zal de mensheid uitroeien. En in subsidiaire orde: als AI de mensheid niet zou uitroeien, quod non, dan zal ze zorgen banenverlies.’ Het is eigenlijk een soort vermomde kettle logic. Mijn cliënt heeft het slachtoffer niet doodgeschoten, edelachtbare, en bovendien handelde hij uit zelfverdediging. De moslims leveren een belangrijke culturele en economische bijdrage aan Europa en gelukkig zijn ze met veel minder dan extreem-rechts beweert. 


Regulering van AI
      Ook al is de kans dat AI de mensheid uitroeit klein, heel klein of heel heel klein, de mogelijke katastrofe is zo enorm dat iedereen akkoord kan gaan met het principe van regulering. Anderzijds is die regulering vanuit economisch standpunt een verderfelijk streven naar monopolie. De Standaard (15/9) haalt meerdere analisten aan die tot dezelfde conclusie komen, o.a. Aidan Gomez (ceo van het Canadese AI-bedrijf Cohere):

Gomez vreest dat die regels zo zullen worden geschreven dat de huidige koplopers hun voorsprong behouden, bijvoorbeeld door van iedereen veiligheidsmaatregelen te eisen die Anthropic en OpenAI al doorgevoerd hebben.

     Maar, met alle terechte afkeer van monoplies, wat zou men eigenlijk kunnen inbrengen tegen veiligheidsmaatregelen die grote techbedrijven op eigen initiatief al genomen hebben? 
    En wat moeten we denken van de fameuze ‘pauze’ waar zowel AI-sceptici, AI-tegenstanders als AI-bedrijven voorstander van zijn? Ook dat wordt mooi uitgelegd in De Standaard, dit keer door Siddy Jobe, de technologie-expert van Econopolis. 

Van minder snelle AI-innovaie kunnen Anthoropic en OpenAI volgens Jobe ook profiteren. Nu hebben ze te weinig tijd om hun modellen goed te rentabilseren, doordat ze snel worden ingehaald door nog betere modellen. Beide bedrijven hebben onlangs nieuwe krachtige modellen op de markt gebracht en willen naar de beurs. Het innovatietempo wat afremmen en meer nadruk op winst leggen, zou hen goed uitkomen.

      Het zou voor de AI-bedrijven leuk zijn als ze een tijdje geen nieuwe peperdure chips moeten kopen en even verder kunnen met het materiaal dat ze al hebben. Dat zal dan weer minder goed zijn voor de winst van Nvida. In elk geval: die immense innovatie voltrekt zich niet in een economisch vacuüm. Ze is het werk van zakenlui, niet van idealisten die vrijblijvend met belastinginkomsten experimenteren. 


A4 en Asimov
     Wie de zaak politiek bekijkt, zal snel uitkomen op de vraag: wie moet de regulering opstellen? Mijn vraag is  : hoe zou zo’n regulering er moeten uitzien. Sam Altman van Open AI is optimistisch: ‘Die regels kunnen zelfs op één A4-tje.’ Zou het? Sciencefictionschrijver Asimov had in 1942 zelfs geen kwart van een A4-tje nodig om zijn wetten van de robotica te formuleren:

  1. Een robot mag een mens geen schade toebrengen, of, door niets te doen, toestaan dat een mens schade lijdt. 
  2. Een robot moet bevelen van mensen gehoorzamen, behalve wanneer dat in strijd komt met de eerste wet. 
  3. Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, zolang dat niet in strijd komt met de eerste twee wetten.

      Ik heb aan AI gevraagd of die drie wetten voldoende zijn om AI veilig te programmeren en zichzelf te laten programmeren. Het antwoord was heel wat langer dan een A4-tje, maar in één woord samengevat: nee.