donderdag 1 januari 2026

Eindejaarslijstjes


      Wat eindejaarslijstjes betreft ben ik een free-rider. Ik lees met veel genoegen de lijstjes van anderen die de moeite hebben gedaan om hún beste boeken, films, tv-series en muziek op te schrijven en te rangschikken. Ik noteer titels die voor mij van belang kunnen zijn. Maar ik zie er tegenop om zelf zo’n lijstjes samen te stellen. In de loop van het jaar schrijf ik wel eens een commentaar over een film, tv-serie of boek, maar dat gaat meestal over iets bijkomstigs, één of andere gedachte die mij naar aanleiding van die film, tv-serie of boek te binnen geschoten is. 
 
     Het heeft ook met mijn onzekerheid te maken. Wat zullen anderen, die zo veel meer van boeken, films en muziek afweten wel van mijn lijstje denken? Zullen ze mij niet uitlachen als ik zeg dat ik tranen in de ogen heb gekregen bij de autoracefilm F1? Zal een Bob Dylan-kenner niet op mij neerkijken als ik zeg dat ik al drie keer A Complete Unknown heb gezien? Of als ik zeg dat ik veel plezier beleefd heb aan het in eigen beheer uitgegeven Hellehond-Hellhound van Ed Van Gasse. (Zie hier en hier.)

     Waar ik wel bij wijlen toe in staat ben, is het maken van excentrieke lijstjes zoals: beste muzikale eindscènes in films. Daarvan heb ik er dit jaar drie toegevoegd aan mijn lijst

  1. Gold Diggers of 1933
  2. 8 femmes
  3. Emilia Perez

     Over Gold Diggers heb ik al geschreven*. 8 femmes kende ik niet. De film behoort tot een genre waar ik geen enkel ander voorbeeld van ken. Hij bevat elementen van whodunit-parodie en musical, maar uiteindelijk blijkt het een tragedie vermomd als farce. Emilia Perez eindigt met een menigte die een Spaans lied zingt. Het duurde even voordat ik de muziek en tekst van Georges Brassens herkende. Ook 8 femmes eindigde met Brassens. 
     Mijn vrouw neemt mij de laatste tijd wat vaker mee naar optredens, maar niet vaak genoeg om er een lijstje uit te distileren. Als je maar vijf optredens hebt bijgewoond kun je daar geen top-vijf uit samenstellen. Het Zesde Metaal zakte af tot in Keerbergen en Yevgueni tot in het naburige Bonheiden. Mijn gedachten dwalen bij zulke optredens gemakkelijk af, omdat ik de teksten niet goed kan begrijpen. Wannes Capelle heeft leuke bindteksten, maar terwijl hij zingt komt om de twee minuten de gedachte op dat die muzikanten niet, zoals ik eerst dacht, uit het zesde Metaal komen maar, geloof ik, uit de zesde Latijnse. Bij Yevgueni moet ik denken aan de tijd dat ik wel eens een foto van Klaas Delrue vond in de klasagenda van leerlingen. 25 jaar geleden was hij een meisjesidool. Ondertussen ziet hij eruit als een vriendelijke bakker. Ook vroeg ik mij herhaaldelijk af waarom hij in zijn bindteksten verzorgd Vlaams spreekt terwijl hij zijn liedjes in het Boudewijn De Groot-Nederlands zingt. 

     Kommil Foo heb ik vorig jaar twee keer gezien, want mijn vrouw had al zo vaak de kans gemist om tickets te bemachtigen dat ze nu altijd meteen toehapt als er ergens nog plaatsen vrij zijn. Dankzij die optredens kan ik nu een ander excentriek lijstje aanvullen: liedjes over eenzaamheid. 

  1. Ma solitude van Georges Moustaki 
  2. La solitude van Barbara 
  3. Mijn gezelschap van Kommil Foo**
        In alle drie de liedjes wordt de eenzaamheid als een persoon voorgesteld. Moustaki wordt er sentimenteel van (une douce habitude), Barbara is scherp (avec ta gueule de carême) en Kommil Foo gaat nog wat verder (eenzaamheid kun je de hals niet afsnijden / al heb je nog zo’n scherp mes en al tril je van haat.)
     Ook zegt Kommil Foo iets over de eindejaarseenzaamheid. Sommige mensen zijn eenzaam omdat er niemand op bezoek komt, terwijl anderen feest vieren. Maar erger is de eenzaamheid van de introverten die ook in gezelschap eenzaam blijven: die eenzaamheid houdt zich verscholen voor het bezoek, maar zit mee aan tafel
 
     Leuk is dat zowel Moustaki als Kommil Foo commentaar leveren over de eenzaamheid als je alleen in bed ligt. Moustaki blijft op de vlakte:

           Quand elle est au creux de mon lit
           Elle prend toute la place

     Maar Kommil Foo gebruikt hetzelfde motief om over te gaan tot grove beledigingen:

            Geen meetlint volstaat om jouw taille te meten, 
            Je hebt geen figuur om op de weegschaal te staan 
            Je ligt naast me in bed aan weerszijden.


* Over Gold Diggers en andere muzikale eindscènes, zie mijn stukje hier.
** Nou ja, die tekst schijnt van Hans Dorrestein te zijn, maar dat is niet de manier waarop hij in mijn leven is gekomen.

woensdag 31 december 2025

Het Lenin-gedicht van Herman Gorter

     In het vijfde en zesde middelbaar hadden we achtereenvolgens les van meneer Debrouwere en meneer Delameilleure. Ze gebruikten het handboek De dubbelfluit van Anton van Wilderode, dat eigenlijk vooral een bloemlezing van gedichten was. Een ervan was het rouwgedicht dat Herman Gorter schreef bij de dood van Lenin. Het werd in de klas niet behandeld. Ik meen mij te herinneren dat Van Wilderode het gedicht bombastisch vond. Het bevatte onder andere de regel: ‘Gij alles durvende en hoge Held’. Daarna vergeleek Van Wilderode het met een ander, intimistischer, rouwgedicht van Gorter dat in mijn herinnering ook over Lenin ging. Dat bevatte de regel: ‘Hij deed het bruin en wit van zijne ogen toe.’
     Nu wilde ik graag die gedichten eens opnieuw lezen, en ik vroeg aan Grok om ze op te zoeken. Grok gaf grif toe dat Gorter gedichten schreef, dat hij wel eens met Lenin te maken had gehad, maar ontkende stellig dat hij ooit een Lenin-gedicht had geschreven. Toen ik bleef aandringen, veranderde Grok van mening en leverde mij een Gorter-achtig gedicht dat de regels bevatte die ik mij herinnerde, maar waarvan je in een oogopslag zag dat het een hallucinatie was.
     Gedichten terugvinden is echt het sterke punt niet van de chatbots. Ze schrijven ze liever. Toen ik zelf begon te zoeken had ik het gedicht in twee minuten gevonden. Wel bleek dat tweede gedicht een fragment te zijn uit Mei; het had dus niets met Lenin te maken. Dit is het echte Lenin-gedicht.

        Lenin, gij machtigste, dapperste Strijder,
        Gij alles durvende en hoge Held,
        In diep bezinnen en het verst geweld
        Even machtig, - gij werdt de bevrijder

        Der boeren, en wildet worden ook de leider
        Der Russische arbeiders ter vrijheid, redder
        Van het gehele wereldproletariaat,
        En stichter van de communistische wereldstaat.

        Gij stierft. Waardoor? Door t kapitaal, gij, Held,
        Dat voor een nog te hoge taak u steld’,
        Maar ook door de arbeiders die u verlieten,
        Van West-Europa, en Rusland alleen lieten.
        Uw liefde stierf. Omdat gij werdt verlaten
        Door de arbeiders Europa’s, die uw liefde haatten.

     De laatste regel, met die verleden tijd van ‘haten’ vind ik bijzonder onhandig. En dan zwijg ik nog van de rare gedachte dat het kapitaal en het reformisme van de arbeiders Europas verantwoordelijk zouden zijn voor de dood van de Russische leider. 
     Het fragment uit Mei dat Van Wilderode citeerde als contrast was dit:

        Hij deed het bruin en wit van zijne ogen toe, 
        En zag niet meer de kamer, noch de mensen, 
        Noch ’t licht dat door de vensters kwam, noch ’t groen 
        Der bomen buiten, noch de blauwe hemel.

Economische democratie en planning

       Robrecht Vanderbeeken is én vakbondsverantwoordelijke (ACV) én filosoof én hij plaatst een opiniestuk in De Standaard (23/12). Dan weet ik ik hoe laat het is. Vanderbeken vermeldt ergens dat de Belgische vakbonden bijna 3 miljoen leden hebben, terwijl de meeste politieke partijen fors leden kwijtraken. Hij concludeert daaruit dat ‘mensen hun vertrouwen in onze politiek verliezen, veeleer dan in de democratie zelf.’ Als ik heel diep zou nadenken, zou ik die redenering misschien als een categoriefout kunnen duiden, maar ondertussen ben ik zeker dat hier appels met peren vergeleken worden. Ik was als leraar zelf lid van het ACV en ik kan Vanderbeeken verzekeren dat dat niks met mijn opvatting over democratie of politiek te maken had.
         Vanderbeeken beweert dat onze democratie slechts kan worden gered als we onze economie onder democratische controle krijgen. In de DDR schrijft hij was de economie ‘wel publiek bezit, maar het democratisch bestuur ervan was een leugen.’ Hij lijkt die afwezigheid van democratie in een communistische staat als een toevallig kenmerk van de communistische staat te beschouwen. Nochtans bevat zijn stuk een aanwijzing van het tegenovergestelde. Hij schrijft:

Het vertrouwensverlies ligt weliswaar deels aan de zwakte van de democratische bestuursvorm … Je hebt verschillende bevolkingsgroepen met hun eigen belangen en verlangens die onderling onverzoenbaar zijn.

     Maar die onverzoenbare eigen belangen en verlangens bestaan dus ook in een staat waar de economie publiek bezit is. En als je die belangen moet verzoenen in één algemeen plan, met alle moeilijkheden die daarbij komen kijken, is de autoritaire verleiding sterk. In een liberale economie zijn er onverzoenlijke of schijnbaar onverzoenlijke tegenstellingen tussen grootwarenhuizen en kruideniers, tussen kleerwinkels en webshops, tussen boekhandels en bol.com, tussen bioscoopeigenaars en streamingsdiensten, tussen producenten die graag hoge prijzen zouden willen aanrekenen en consumenten die die prijzen liever laag hebben, tussen bedrijven die veel willen exporteren, en bedrijven die veel moeten importeren*. Soms vindt men creatieve oplossingen, soms gaan bedrijven failliet. Maar als men dat allemaal langs politieke weg wil regelen dringt, worden de ruzies steeds heviger, de compromissen steeds ingewikkelder en de roep om een autoritair beleid steeds groter**.
     Wij zijn gewoon geraakt aan een politiek bestel dat belooft onze economische problemen op te lossen. Maar dé oplossing bestaat niet. Die ziet er voor elke ‘bevolkingsgroep’ anders uit. Hoe meer economisch hooi het politieke beleid op de vork neemt, hoe groter het aantal ontevredenen. Vanuit liberaal standpunt is het dan beter om minder hooi op de vork te nemen. Dan zal er nog altijd ruzie genoeg zijn die we geciviliseerd moeten proberen uit te vechten. 


* De lezer zal opmerken dat ik hier het probleem van de ‘herverdeling’ tussen haakjes plaats. Of, hoe en in welke mate die herverdeling door het politieke beleid moet worden aangepakt, is een andere vraag.
** Dat is de redenering die Hayek uitwerkt in The Road to Serfdom.

Griekse oudheid

Griekse en christelijke sprookjes

     Ik lees alle FB-stukjes van Pierre Plum graag, maar zijn laatste beschouwingen over Kerstmis heb ik met nog meer plezier dan anders gelezen. Plum schrijft onder andere dat hij zich als kind op zijn plaats voelde bij het kerststalletje. ‘meer met de os en de ezel identificeerde dan de rest. ‘Ik identificeerde mij meer met de os en de ezel dan met al de rest. Maar tussen de os en de ezel was het moeilijk kiezen.’ Uiteindelijk koos Plum voor de ezel. 
     Dat van dat identificeren geloof ik niet helemaal. Ik geef toe dat ook ik als kind de os en de ezel de interessantste beeldjes vond, maar ik identificeerde mij er niet mee. Ik voelde er zelfs geen sympathie voor. De eerste ezel waar ik sympathie voor voelde was Eeyore, de depressieve vriend van Winnie the Pooh, en die leerde ik pas kennen toen ik vader was.
     In een meer algemeen stukje schildert Plum in heel brede stroken vele eeuwen beschavingsgeschiedenis.

Na het Griekse begin, waar rede en inventiviteit hand in hand, de weg banen naar de wereld van de ideeën, wiskunde, astronomie, logica, filosofie, dan ineensdie regressie naar een sprookje [van het christendom].

     De gedachte wordt verder subtiel uitgewerkt. Hoe academici later ‘alle mogelijke kennis en geraffineerde techniek van Plato en Artistoteles bij elkaar sprokkelden’ om voor de kar van het sprookje te spannen, dat de ultieme waarheid zich misschien moet laten vertellen als een verhaal, dat de gedachte dat God zichzelf voor de mensheid opoffert getuigt van een weinig christelijke nederigheid. Dat zijn allemaal gedachten en formuleringen waar ik zelf niet zou opkomen.
     Alleen een kleine bedenking. Het zou mij erg verwonderen dat er voor de meeste mensen een regressie naar het sprookje heeft plaatsgevonden. De Grieken en Romeinen die geen wiskundigen, astronomen, logici en filosofen waren zullen al die tijd evengoed in sprookjes hebben geloofd. Ik gaf daar les over in het vierde middelbaar: mythen, sagen, legenden, fabels, parabels, sprookjes. Ik had daar zelf in het vierde middelbaar les over gekregen.


Griekse vrouwen.
    
Geert Mak (DSL 27/12) prijst de romanschrijfster Pat Barker voor haar navertelling van de Griekse sagen. 

 Ze construeert met een nieuwe trilogie de levens van de vrouwelijke hoofdrolspelers van Homerus’ Ilias. We weten dat deze vrouwen hebben bestaan, we kennen hun wederwaardigheden, maar hun eigen stem hebben we nooit gehoord. Nu wel.

      Hoe kan Mak nu zoiets zeggen? Van veel van die vrouwen kennen we de stem juist wél, niet uit de Ilias, maar uit de toneelstukken van Aeschylus, Sophocles en Euripides, die hetzelfde verhaal behandelden. Het is zelfs zo dat in die toneelstukken de stem van de vrouwen luider klinkt dan die van de mannelijke helden. Ik heb dat aan mijn leerlingen altijd als een raadsel voorgesteld: dat de vrouwen in de Griekse oudheid in het openbare leven geen enkele rol speelden, en in de fictie van die tijd centraal stonden.


 

Notities bij film en tv

Ozark
     De televisieserie Ozark speelt zich af in de buurt van het Ozarks-meer in de Amerikaanse staat Missouri. Hoewel de naam Ozarktientallen keren in de serie wordt uitgesproken, blijf ik er de meeste moeite mee hebben. Ik wil altijd Orzak zeggen. Zoals bejaarden die Spaans leren ‘mujer’ uitspreken met een ‘j’ en leerlingen die Duits leren ‘länger’ uitspreken als ‘langer’.
      De serie heeft 44 afleveringen, en dat is te veel. Het sterkste punt van de serie zijn de vertolkingen van Jason Bateson en Laura Linney als Marty en Wendy Byrde, en na een twintigtal afleveringen heb je alle nuances van die vertolkingen al meerdere keren gezien. Een recensent zou kunnen aanhalen dat Marty en Wendy niet zo heel erg ‘evolueren’. Recensenten hebben graag dat personages evolueren. Maar u en ik, lezer, evolueren ook niet zo veel, dus kan ik het niet zo erg vinden dat Marty en Wendy blijven wie ze zijn. De hilbilly assistente van Marty evolueert wel, maar dat wordt zo geleidelijk over de afleveringen uitgesmeerd dat je het amper merkt. Ja, twintig afleveringen was wel het minimum voor de serie.
     Zowel Marty als Wendy zijn oplichters. Marty is een genie in het witwassen van drugsgeld, en Wendy is erg bedreven in politieke intriges. Het mooie is dat Wendy zichzelf en anderen wijsmaakt dat haar intriges haar uiteindelijk een machtspositie zullen bezorgen van waaruit ze ‘veel goeds’ zal kunnen realiseren voor de progressieve zaak. Ook mooi is hoe ze perfect alle mede- en tegenspelers kan inschatten en manipuleren – ‘she has good instincts’. Alleen als het op haar rebelse kinderen aankomt, wordt haar gedrag onhandig en zegt en doet ze altijd net wat ze niet moet doen.
     Het is altijd moeilijk om voor een serie met ambiguë hoofdpersonages een bevredigend einde te bedenken. Dat is geen kwestie van plot maar van toon. Die toon heeft Ozark goed getroffen. Mocht ik het einde verklappen, wie er allemaal dood is en wie niet, zou dat op u, lezer, overkomen als een ontgoocheling. Maar als je het ziet, valt het best mee.
     De serie levert ook een mooie quote op. Ruth, de hillbilly assistente, woont in een vervallen trailer, maar die is wel prachtig gelegen, vlakbij het meer. Ze droomt ervan om op die plaats een groot huis te laten bouwen. ‘Met een zwembad?’ vraagt haar neef. ‘Waarom zou ik een zwembad nodig hebben als het meer hier vlakbij ligt?’ vraagt Ruth. Waarop haar neef: ‘You don’t know the first thing of being rich.’

Once Upon a Time ... the robber barons
     In de klassieker Once Upon a Time in the West komt een typische robber baron voor die met misdaad en geweld een spoorwegproject uitvoert. Hij is op twee manieren rijk. Hij leeft in een decadent-luxueuze treinwagon en hij bezit de spoorweg. Dat eerste soort rijkdom wekt mijn weerzin op, want ik vergelijk die instinctief met de miserie van de mensen die aan de spoorweg werken. Maar die treinwagon is economisch irrelevant, het is maar een heel klein deeltje van zijn rijkdom.
      Het tweede soort rijkdom, die spoorweg, is economisch wel relevant en maakt bijna zijn hele bezit uit.  Maar soort rijkdom wekt mijn weerzin niet op, want ik heb eigenlijk liever dat zo’n robber baron de spoorweg bezit dan de staat. Uiteraard, in die tijd begingen de robber barons grote misdaden, en ze verdienden het om daarvoor opgehangen te worden, maar de leiders van de staat in die tijd begingen ook grote misdaden, ondere andere tegen de native Americans, en ze verdienden het ook opgehangen te worden, zeker als je het vanuit onze morele normen bekijkt.


For All Mankind: feminien en masculien
     Ik houd op mijn mobieltje een lijstje bij van de films en series die ik nog wil zien, gerangschikt per streamingdienst. Een van de series is For All Mankind, waarin gespeculeerd wordt over een universum dat lichtjes verschilt van het onze. In plaats van de Amerikanen zijn het de Russen die als eersten op de maan landen. Dat heeft grote gevolgen voor de wereldgeschiedenis.
      En nu lees ik toevallig een tweet van Charles Murray over die serie. Murray interesseert zich al langer voor ruimtevaart. Samen met zijn vrouw schreef hij het boek Apollo: Race to the Moon. En wat schrijft hij over de serie? 

Gisteravond was ik gekomen aan seizoen twee, derde aflevering, en ik ben halfweg gestopt uit verveling. In het midden van de nacht werd ik wakker, en ik begreep waarom: het is een chick flick. Ons Apollo-boek ging over mannelijke gevoelens. For All Mankind gaat over vrouwelijke gevoelens. Veel van wat aan de oppervlakte gelijkt op ver-woke-ing, is in de grond feminisering.’ 
Of anders gezegd: demasculinisering.
 

      Of anders gezegd: demasculinisering.
     Nu zijn we als het erop aankomt allemaal genderfluïde maar er zijn toch een aantal eigenschappen die meer bij mannen dan bij vrouwen voorkomen. Agressieve gewelddadigheid en harde rationaliteit bijvoorbeeld. Ik hoop dat een van die twee in een evenwichtige beschaving niet teloor gaat. 


De Foer over Breakdown 1975
   
     Omdat ik in vorige stukjes niet mals was over het Bardot-stuk van De Foer in De Standaard, wil ik graag vermelden dat ik het helemaal eens ben met zijn recensie van vandaag over Breakdown: 1975. In die documentaire wordt aan de hand van interviews en filmfragmenten een verband geschetst tussen de politiek, de algemene cultuur en de Hollywood-films rond 1975. Ik heb zelf bij het bekijken het meeste doorgespoeld, om slechts af en toe stil te staan bij een filmfragment. Voor de 90 minuten durende film had ik genoeg aan een kwartier kijktijd . Mijn vrouw vroeg of ik altijd zo naar films keek als ze niet thuis was. 


Hedda (Gabler)
     In de nieuwe verfilming van Hedda Gabler wordt Hedda gespeeld door een zwarte actrice, en is ze niet verliefd op een man maar op een vrouw. Ik zal zeker kijken, om te bewijzen dat ik ruimdenkend ben, en omdat een gecultiveerd mens in zijn leven toch minstens vier of vijf versies van dat stuk van Ibsen moet hebben gezien. Ik ken voorlopig alleen de versie met Glenda Jackson. Hopelijk valt de nieuwe film mee. Een paar jaar geleden zag ik Miss Julie met Colin Farrell en Jessica Chastain, acteurs die ik graag bezig zie, en toch heb ik mij erg verveeld. Misschien lag het aan de omstandigheden. Ik had toen een zware verkoudheid. Ik heb nu weer een zware verkoudheid. 


The Abandons en Yellowstone
      Werkelijk iedereen zegt dat de westernserie The Abandons slecht is. En omdat iedereen het zegt zal ik dan ook maar niét kijken, ondanks Gillian Anderson en Aisling Fraciosi (Cersei Lannister in Game of Thrones). Pim Raes (DS 30/12) schrijft dat de reeks ‘een feminien antwoord is op Yellowstone, een macho succesreeks die met elk nieuw seizoen aan kwaliteit verloor.’ Dat kwaliteitsverlies in Yellowstone heb ik niet opgemerkt. Het verwonderde mij zelfs dat de serie overeind bleef nadat de charismatische Kevin Kostner halverwege het laatste seizoen uit de reeks werd geschreven.

* Over Yellowstone schreef ik ook hierhier en hier.


Pluribus
     In de tv-serie Pluribus wordt de mensheid, op enkele individuen na, door een buitenaardse tussenkomst, verbonden tot één geheel*. Elke individuele kennis is gemeengoed geworden en als een iemand iets voelt, voelt ook iedere aardbewoner hetzelfde. Er is geen ‘ik’, ‘gij’ of ‘hij’ meer. Er is alleen nog een wereldziel. Tat Tvam Asi. Het Atman en het Brahman vallen samen.
     Dit leidt onmiddellijk tot een integraal communisme. Als er geen ‘ik’ en ‘gij’ meer is, vervalt ook het onderscheid tussen ‘mijn’ en ‘dijn’. Het oude bezwaar tegen het communisme (‘great theory, wrong species’) valt weg. De mensheid is de ‘right species’ geworden. En planning van de economie wordt kinderspel want alle informatie is overal gelijktijdig voorhanden. Ook Hayeks bezwaar valt dus weg.
     Tegelijk is de mensheid ook integraal libertarisch. Het non-agressie principe wordt de basis van alle menselijke verhoudingen. Waarom zou je agressief willen zijn tegen jezelf? En de nieuwe mensheid breidt het non-agressie principe ook uit tot de dieren- en plantenwereld, en tot de enkele individuen die niet getransformeerd zijn.
     De nieuwe mensheid is altijd rustig, altijd vriendelijk**, altijd efficiënt, altijd gelukkig. Voor iemand die de transformatie niet heeft doorgemaakt, zoals die enkele individuen in de serie en de kijkers naar de serie, werkt dat op de zenuwen. We wantrouwen al te vrolijke, al te brave, al te vriendelijke mensen. We geloven, vaak terecht, dat ze naïef en hypocriet zijn dan wel dat ze ons willen manipuleren. Of we geloven dat ze zelf gemanipuleerd zijn, zoals in Brave New World. Maar dat komt omdat we vanuit ónze realiteit redeneren. In de getransformeerde wereld is geen plaats voor naïeviteit, hypocrisie en manipulatie.
     Hoezeer de nieuwe Pluribus-mensheid mij ook op de zenuwen werkt, ik kan er niets tegenin brengen. Misschien vallen de maskers af in een volgende seizoen, maar voorlopig kan ik er niets op aanmerken. Ik probeer daarin onpartijdig te zijn. Ook in andere science-fiction verhalen sta ik niet per definitie aan de kant van de mensheid. Een universum zonder intelligentie is voor mij een moeilijke gedachte om te verdragen, maar die intelligentie moet niet per se menselijk zijn. Ik wil van de menselijke onvolkomenheden geen deugden maken. Brel zingt: ‘Toi, tu n’est pas le Bon Dieu, toi tu es beaucoup mieux, tu es un homme.’ Die pathos is mij vreemd.
     Eén ding vraag ik mij af. Is er in de perfecte collectivistische Pluribus-maatschappij plaats voor kunst? Of is die verbonden met ons individualisme, met onze onvolkomenheden en misschien zelfs met onze agressieve instincten. Het is een vraag die George opwerpt in Who’s Afraid of Virginia Woolf: 

I’m really very mistrustful. I read somewhere that science-fiction is really not fiction at all... That you people are rearranging my genes so that everyone will be like everyone else... I suspect we will not have much music, much painting, but we will have a civilization of sublime young men, very much like yourself. Cultures and races will vanish. The ants will take over the world... 

* Over sciencefiction gedachte-experimenten rond individualisme en collectivisme, zie ook mijn stukje hier.
** De nieuwe mensen zijn vooral vriendelijk tegenover de overgebleven, niet getransformeerde individuen. Onder elkaar lijken ze  onverschillig. Het spreekt vanzelf dat ze elkaar niets te vertellen hebben.

  

 

dinsdag 30 december 2025

Wonderkinderen, topsport, statistiek

Wonderkinderen, topvoetballers, statistiek
      ‘Vergeet Mozart: de meeste wonderkinderen worden later geen toppers,’ lees ik op de voorpagina van de krant 
(DS 30/12). Ik weet meteen dat ik ten eerste dat artikel met interesse zal lezen en ten tweede dat ik er mij aan zal ergeren. Die interesse ligt voor de hand. Toen ik tien jaar geleden piano begon te studeren, keek ik vaak naar videofilmpjes van 6-jarige Chinese wonderkinderen die schijnbaar moeiteloos preludes van Bach op de piano speelden. Ik vroeg mij toen wel eens af wat er van die kinderen terecht zou komen.
         Mijn eigen zoon was op een heel bescheiden manier een wonderkind in het voetbal. Toen hij op zijn negende – vrij laat dus – begon te voetballen bij een plaatselijke club, werd hij bijna onmiddellijk door scouts van Lierse opgemerkt en mocht hij bij de jeugd in die ploeg van de hoogste klasse  beginnen. Ik wist dat er een groot verschil was tussen de jeugdreeksen in de hoogste klasse en de uiteindelijke A-ploeg. Als je alle jeugdspelers van de verschillende leeftijden samentelde kwam je al snel tot 200 spelers terwijl er in de A-ploeg, waar alle leeftijden door elkaar spelen, maar plaats was voor 20. In elke leeftijdscategorie was er misschien één die kans maakte om later ook als volwassene op eerste-klasse niveau te spelen. Het was een berekening die elke voetbalvader snel had gemaakt.
     Die autobiografische bijzonderheden verklaren mijn interesse. Ik sla de krant dus open en zoek het artikel. Nu heeft het een andere kop: ‘Wie te vroeg piekt, mist meestal de top*.’  Daar heb je het al, denk ik. Het zal een pleidooi zijn tegen te vroege specialisatie. Kinderen verplichten om zich op één discipline toe te leggen wordt gezien als een vorm van kindermishandeling, wellicht terecht, en om die morele stelling te ondersteunen zal er wetenschappelijk onderzoek en cijfermateriaal worden aangehaald.

Bij sporters is het opvallend duidelijk. Zo haalt 82 procent van de jonge toppers het nooit tot de absolute top als volwassene. Omgekeerd was 72 procent van de volwassen toppers nooit internationaal actief … En voor muzikanten zien we hetzelfde: de meeste wonderkinderen worden nooit topmuzikanten, en de meeste topmuzikanten waren geen wonderkinderen.

     Maar uit die cijfers kun je geen conclusies trekken! Dat is geen statistiek, maar anekdotiek met cijfers! Weet de journalist dat dan niet? Ik begin mij op te winden. Maar dat is ten onrechte. Naar het einde van het artikel toe staat de correcte uitleg van het verschijnsel.

Bij de resultaten hoort een belangrijke nuance. Dat de latere toppers tijdens hun jeugd geen kampioen waren, is vanuit statistisch oogpunt niet zo verrassend. De groep van jeugdkampioenen is immers heel klein, terwijl de groep van niet-kampioenen vele malen groter is. Daarom kunnen twee dingen tegelijk waar zijn: jonge kampioenen hebben een veel grotere kans om het later tot topatleet te schoppen, én toch zijn volwassen topatleten voornamelijk niet-jeudkampioenen. Dat toonden de onderzoekers zelf aan in een eerdere studie bij 1,8 miljoen atleten. Die studie liet zien dat jeugdkampioenen 49 keer meer kans hebben om ook bij de volwassen toppers te horen.

      Daarmee is alles gezegd wat er over het onderwerp geweten is. Veel van de rest is speculatie. Er wordt aangehaald dat veel topatleten zich in hun jeugd hadden toegelegd op meerdere disciplines. Daar zijn cijfers van. Maar dat is alweer geen ernstige statistiek.
      Kijk, het is best mogelijk dat jonge voetballertjes in plaats van vier of zes dagen per week alleen te voetballen, beter tussendoor twee dagen aan basketbal zouden wijden. Misschien is het ook beter dat ze naast het voetballen en basketballen wat vaker een boek zouden lezen of naar een film kijken of een prent inkleuren of een lego-kasteel bouwen of verstoppertje spelen met hun vriendjes. Maar het zou mij verwonderen dat het helpt om hun kansen op een topcarrière in het voetbal te vergroten. Het is een vorm van wishfull thinking: men vindt een brede, algemene vorming om morele redenen beter, en dáárom hoopt men men dat die vorming meteen de beste methode is om een welbepaald doel te bereiken. Wie dan een beetje zoekt, vindt een gemakkelijk een aantal cijfers die dat bewijzen.
      In een geest van objectiviteit is het altijd best om meerdere cijfers te geven. Bijvoorbeeld. Slechts 18 procent van de jonge topsporters bereikt de absolute top. Maar ook: jeugdkampioenen maken 49 keer meer kans om ook bij de volwassen toppers te behoren. Dat zijn twee cijfers die elkaar alleen op het eerste gezicht tegenspreken. Men heeft ze allebei nodig om een correct beeld te krijgen.
     Hetzelfde geldt voor roken. Anti-rook-mensen halen aan dat rokers 15 keer meer kans maken om longkanker te krijgen dan niet-rokers. Een roker antwoordt dan met de klassieke anekdotische evidentie: hij kent persoonlijk een roker die honderd is geworden. Waarop de anti-rookmensen antwoorden dat die bejaarde rokers zonder kanker een uitzondering zijn. Maar die zijn natuurlijk géén uitzondering. Rokers hebben ongeveer 15 procent kans om longkanker te krijgen. 85 procent van de rokers krijgt géén longkanker. (Ondertussen ben ik nog altijd tevreden dat ik er zelf 35 jaar geleden definitief met roken ben gestopt).

* Het aanvoelen dat men mislukt omdát men te vroeg gepiekt heeft, is meestal een illusie. De piek was een uitzondering en daarna werd teruggekeerd naar het normale niveau. Regression to the mean. 



maandag 29 december 2025

Oekraïne: ‘angst’ en ‘illusies’ van De Wever

 


   Militair analist Oleksi Kopytko, voormalig adviseur van de Oekraïense minister van Defensie, vindt dat Bart De Wever grondig fout was in het Euroclear-dossier (DS 26/12). De drie grootste fouten van De Wever waren angst, corruptie en illusies. Ik kan die beschuldigingen niet ‘weerleggen’; ik wil ze wel ‘weerspreken’, of minstens enkele punten van voorbehoud aanbrengen.
      Bij de beschuldiging van angst verwijst Kopytko naar De Wever zelf die beweerde van Russische zijde bedreigingen te hebben ontvangen. Ik geloof De Wever natuurlijk op zijn woord als hij spreekt over die bedreigingen, maar ik geloof tegelijk ook dat die geen erg grote rol hebben gespeeld in het debat. De Wever heeft het argument in stelling gebracht, zoals hij álle argumenten in stelling bracht, maar hij is er niet vaak op teruggekeerd. Wat waren overigens die bedreigingen? Kopytko denkt aan

cyberaanvallen, kunstmatig veroorzaakte toestroom van vluchtelingen, steun aan boze boeren en andere protestgroepen die tot straatconfrontaties kunnen leiden.

     Dat is inderdaad chantage die een staatshoofd niet van zijn stuk horen te brengen. Het mag niet leiden tot verminderde steun aan Oekraïne. Maar het kan één element zijn om te kiezen voor een vorm van steun – de eurobonds – die even efficiënt is maar de Russen geen extra argumenten voor agressie of subversie in handen speelt.
      De beschuldiging van corruptie had Kopytko beter achterwege gelaten.

België blijft inkomsten ontvangen uit de bevroren Russische tegoeden, waarvan een deel in de Belgische schatkist blijft plakken, iets wat elk jaar alleen maar zal toenemen.

     Dat is om te beginnen geen corruptie in de normale betekenis van het woord, want het gaat om volstrekt wettige belastingsinkomsten die niét in de zakken van regeringsleiders of vriendjes verdwijnen. De Russische tegoeden zouden normaal rente opleveren die naar Rusland zou gaan. Door de oorlog gebeurt dat niet. De rente gaat naar Euroclear, en daarvan gaat een deel als belasting naar de Belgische staatskas. Die vennootschapsbelasting – in 2024 bijvoorbeeld 1,7 miljard – gaat integraal naar Oekraïne. Ook het grootste deel van de extra-rente gaat via Europese mechanismen naar Oekraïne. Hoogstens kun je zeggen dat België het door die extra belastingen gemakkelijker heeft om steun aan Oekraïne te geven. Toegegeven, tijdens het diplomatieke spel dat aan de Europese top voorafging, circuleerden geruchten dat België de extra belastingen niét integraal doorstort aan Oekraïne. Dan is het beter om zulke geruchten niet als harde feiten voor te stellen.
     De derde beschuldiging noemt Kopytko zelf de ‘belangrijkste’. De Wever en Europa maken zich illusies over de internationale rechtsorde. Rusland heeft die geschonden en zal die blijven schenden.

De Europeanen verwachten een directe confrontatie met Rusland ergens rond 2029-2030 … Maar als het erop aankomt, dan gedragen ze zich alsof er helemaal geen Russische dreiging is. De illusie levend houden dat er een beschaafde dialoog mogelijk blijft terwijl Rusland zich opmaakt voor oorlog, is compleet onlogisch en contraproductief … Rusland zal niet stoppen. En op een dag zouden de Belgen wel eens kunnen vaststellen dat hun hele levenswijze verwoest is.

     Hier gaat Kopytko uit van één mogelijk scenario. Ik ken ongeveer de argumenten voor en tegen de waarschijnlijkheid ervan. Zelf geloof ik ook dat het een mogelijk scenario is, en dat daarom een versterkte Europese defensie en een volgehouden steun aan Oekraïne noodzakelijk is. En ik geef toe dat in het geval van een directe confrontatie in 2029-2030 de Euroclear-miljarden onze laatste bekommernis zullen zijn. Maar dat rampscenario is niet het énige mogelijke. Een ander is dat de twee strijdende partijen uitgeput raken – of misschien al zijn – en een compromisvrede bereiken. Ook met dat, en nog andere scenario’s moet worden rekening gehouden.
     In het Oekraïne-kamp hoor je vaak de slogan ‘Poetin wil geen vrede.’ Wat men bedoelt is:  ‘Poetin wil geen rechtvaardige vrede.’ En dat is zeker waar*. Maar op dit ogenblik zijn er weinig mensen die weten wélk compromis Poetin bereid is te aanvaarden. We weten wel ongeveer welk compromis Europa wil aanvaarden: een vorm van ‘tijdelijke’ territoriale toegevingen in ruil voor een rest-Oekraïne als steel porcupine. 

*Over die ‘rechtvaardige vrede’ heb ik eerder al enkele bedenkingen geformuleerd: hier.






 


zondag 28 december 2025

Brigitte Bardot in De Standaard


      Ik behoor tot de generatie die Brigitte Bardot net gemist heeft. Et Dieu créa la femme is van 1956 en toen was ik juist één jaar oud. Het succeslied Brigitteee-Bardot-Bardot is van 1961, alhoewel het ook enkele jaren later nog op de jukebox gekozen werd. Ik heb slechts enkele van haar latere films gezien, waarvan L’ours et la poupée mij nog het beste is bijgebleven. Ik ben gevoelig voor het ‘icoon’ dat ze geweest is, maar ook weer niet zo gevoelig. Er is een televisieserie Bardot waarvan ik de eerste drie of vier afleveringen gezien heb, maar ik voelde niet de noodzaak om ze allemaal te bekijken.
 
     Moest ik nu, bij haar dood, een stukje over Bardot schrijven?
     En dan zag ik de kop in De Standaard. ‘Brigitte Bardot (1934-2025), het boegbeeld van de seksuele revolutie, gleed af in haat.’ Ik vind die titel niet erg kies. Ik wil ook uitleggen waarom. Het heeft allemaal met nuancering te maken. Dat de latere Bardot sympathie had voor het extreemrechtse Front en later Rassemblement national is bekend. Maar dan. Er is, geloof ik, een onderscheid tussen volgende beweringen: 

  • (1)   extreemrechts stimuleert ressentiment tegen immigranten
  • (2)   extreemrechts drijft op haat 
  • (3)   extreemrechts heeft haat als enige drijfveer
  • (4)   haat is de reden waarom Bardot sympathie voelde voor extreemrechts. 

     De Standaard-kop is verklaarbaar vanuit een bepaalde politieke analyse aangaande extreemrechts, maar ook vanuit een keuze voor sterke emoties. En daar komt bij dat de korte formulering, die voor een kop noodzakelijk is, alles nog aanscherpt: haat zonder uitleg van wát gehaat wordt. Dan wordt die haat de hele persoon. En dan nog afglijden in die haat - of laten we zeggen in een ‘poel van haat. Met een kop als ‘Brigitte Bardot, het boegbeeld van de seksuele revolutie werd later een sympathisante van extreemrechts,’ had ik minder problemen gehad.
     Het artikel ónder de kop biedt overigens enige ondersteuning van de boodschap onder (4). Steven De Foer benadrukt dat Bardot een ‘middelmatige’ actrice was; hij schrijft over de ‘mensenhaat’ van Bardot,  en dat ze

zes keer veroordeeld voor het aanzetten tot rassenhaat. Bardot deed krasse uitspraken over moslims (‘Onze voorouders hebben niet voor niets eeuwenlang strijd tegen hen geleverd, moeten we ons door een buitenlandse overbevolking uit ons eigen land laten jagen?’), homo’s (‘laag-bij-de-grondse flikkers’, ‘kermisfenomenen’), werklozen (‘profiteurs’) en … moderne vrouwen (‘vrouwen bij de politie of in het leger, nonsens, de plaats van de vrouw is in het bed van een man’).

     Dat zijn geen uitspraken die ik zou doen, alhoewel ik vermoed dat die over homo’s meer met de Gay Pride-parades te maken had. Maar zelfs hier spreek ik niet graag over ‘haat’. Of neem die werklozen-uitspraak. Ik ken een aantal concrete mensen die een aantal andere concrete mensen als ‘profiteurs’ beschouwen wegens hun zelfgekozen langdurige werkloosheid. Maar dat is geen ‘haat’. Daar zijn mensen bij die samen aan de kersttafel zitten.
     Als ik het artikel van De Foer lees, zou ik ook kunnen concluderen dat hij Bardot ‘haat’. Uit zijn artikels over Trump zou ik dat nog makkelijker kunnen concluderen, dat hij Trump ‘haat’. Maar ik zou nooit een kop verzinnen van ‘De Foer glijdt af in haat.’ 
     De Foer
 schrijft over Bardot

Haar rapport is complex, het eindcijfer hangt af van antwoorden op moeilijke vragen. Is de ware feministe zij die het recht opeist om door mannen niet als lustobject gezien te worden, of juist zij die het recht opeist haar seksualiteit te etaleren, en er plezier, macht en geld uit te putten? Waar ligt de grens tussen vrije meningsuiting en haatzaaierij?

     Die laatste retorische vraag, over vrije meningsuiting en haatzaaierij, doet mijn bloed koken. Maar ik vind niet dat ik De Foer daarom haat. Ik koester geen haat tegen mensen die het vrije woord onvoldoende ruim interpreteren. Ik word wel onredelijk boos als ze hun ongelijk en hun onderliggende onverdraagzaamheid niet willen inzien. En zo'n onredelijke boosheid kan omslaan in haat', dat is waar. Daar moeten we allemaal voor oppassen. 


                                                                                    ***


     Nu had ik echt-eerlijk-ik-zweer-het-op-mijn-communiezieltje gedacht dat De Standaard van maandag, na rijp beraad, de scherpe online-kop van zondag zou vervangen door een afgezwakte versie. Maar nee. Het blijft dezelfde. En sterker nog: die kop wordt zelfs overgenomen op de voorpagina.

‘Het boegbeeld van de seksuele revolutie gleed af in haat.’

       Het is natuurlijke ook een kwestie van generaties: boomers tegen de rest. Dat heeft De Foer in zijn Bardot-artikel althans juist opgemerkt:

Conservatieve Fransen houden van Bardot omdat “de tijd dat we BB nog choquerend vonden” pure nostalgie geworden is voor hen. Of zelfs een model van authentieke Franse vrijgevochtenheid tegen de vaak preutsere normen van moslims of andere culturen die hun plaats in Europa opeisen.

      Maar voor jongere generaties van min of meer linkse signatuur is BB nu eenmaal in de eerste plaats ‘iemand die bevriend was met Jean-Marie Le Pen.’ En het zijn die jongere generaties die de redactielokalen van de meeste kranten bevolken, en zeker in Vlaanderen. 
     Maar dan nog blijft het probleem van kiesheid. Niemand verwacht vandaag nog een necrologie in de traditie van ‘over de doden niets dan goed’. Schaduwzijden – of wat daarvoor moet doorgaan – mogen vernoemd worden. Het artikel zelf van De Foer blijft op dat vlak binnen het perken der redelijkheid. De voornaamste aandacht gaat naar de filmcarrière van Bardot en naar de invloed die ze gehad heeft op het culturele klimaat; en slechts twee alinea’s brengen haar extreemrechts engagement ter sprake.
     Maar de verwoording in de kop blijft mij dwars zitten. Hij is uniek, geloof ik, zowel in de Vlaamse als in de internationale pers. Vergelijk maar:

  • Het Laatste Nieuws:  Tot haar 91ste aanbeden voor wie ze op haar 22 was.
  • De Morgen: Afscheid van Brigitte Bardot
  • Het Nieuwsblad: Meer dan een sekssymbool
  • Le Figaro: L’icône du cinéma français est morte
  • Le Monde: L’histoire d’une icône.
  • Libération: Bye-bye BB
  • La Dépêche du Midi: La France pleure une icône.
  • France-info: Star mondiale du cinéma et militante infatigable de la cause animale
  • The New York Times:  French Movie Icon Who Renounced Stardom
  • The Washington Post: French femme fatale and cultural phenomenon
  • Los Angeles Times: France's prototype of liberated female sexuality
  • Die Welt: Das ungezähmte Leben
  • Der Spiegel: Frankreichs größter Star ist tot
  • Neue Zürcher Zeitung:  Die letzte Leinwandgöttin

     Er zijn in dezelfde (en andere) kranten soms bijkomende koppen of leads waarin allusies worden gemaakt op het politiek engagement Bardot.

  • De Tijd: Frans mode-icoon en controversiële persoonlijkheid
  • De Morgen: Van filmicoon tot omstreden stem
  • Het Nieuwsblad: De mooiste vrouw ter wereld die ook lelijke kantjes had
  • Gazet van Antwerpen: Actrice, sekssymbool, dierenrechtenactiviste, en allesbehalve onomstreden
  • Le Figaro: Ardente patriote
  • Neue Zürcher Zeitung: Sie beendete ihre Karriere … und geriet anschließend vor allem mit politischen Äusserungen in Verruf.

           We kunnen nu lachen met hypocriete clichés als ‘controversieel’, ‘omstreden’ en ‘allesbehalve onomstreden’. Maar bij een overlijden heb ik die liever. Op dergelijke momenten zijn clichés gepast. Als Noam Chomsky straks overlijdt, zal er ook wel hier en daar een kop zijn die het woord ‘omstreden’ gebruikt. Daar moeten vriend en vijand mee kunnen leven. Maar dat de formule ‘afglijden in haat’ bewaard bleef in de papieren versie van De Standaard, en de hoofdpagina haalde, dat zal mij nog een poosje blijven verwonderen. En ook natuurlijk dat men aanstoot nam aan sommige ideeën van Bardot, maar niet aan het feit dat ze daarvoor veroordeeld werd.

 

 

 


* Zo werd Bardot in 2001 in Cassatie veroordeeld voor haar ‘Lettre ouverte à ma France perdue.’ Die brief bevatte onder andere volgende passage:

‘Et puis voilà que mon pays, la France, ma patrie, ma terre, est de nouveau envahie, avec la bénédiction de nos gouvernants successifs, par une surpopulation étrangère, notamment musulmane, à laquelle nous faisons allégeance ! Au droits desquels nous nous plions avec soumission. 
De ce débordement islamique nous devons subir à nos corps défendants toutes les traditions, pour beaucoup les mauvaises interprétations de leur religion et le mépris de l'ordre public devant lequel nos dirigeants politiques se soumettent avec une lâcheté qui n'a d'égale que leur trouille.’