maandag 9 februari 2026

Trump - ICE - fascisme


     De optreden van de immigratiepolitie in de VS heeft er de laatste weken voor gezorgd dat bedachtzame mensen het woord ‘fascisme’ in de mond namen: Christophe Bush, Bart Eeckhout, Geert Mak, Conner Rousseau, Quinten Jacobs, Jeroen Olyslaegers, Jan de Zutter … Enkele bedenkingen.   

Fascistisch regime
     Haast niemand omschrijft de Verenigde Staten zoals ze nu zijn als een ‘fascistisch regime’. Zover wil men niet gaan. Men spreekt over 
fascistische praktijken, over een afglijden in of overhellen naar, over een ‘point of no return’ dat binnenkort bereikt wordt, enzovoort.

Historische of ruime betekenis
     In de enge historische betekenis slaat de term ‘fascisme’ alleen op de beweging en de dictatuur van Mussolini. Maar mensen van allerlei strekkingen gebruiken de term veel ruimer spreken van fascisme bij elke tendens die zich radicaal verwijdert van de liberaal-democratische rechtstaat. Hayek schreef bijvoorbeeld: ‘No doubt an English “fascist” system would greatly differ from the Italian and German models.’ Hij zette het woord wel tussen aanhalingstekens, maar zag er toch min of meer een synoniem in voor het begrip dat hij meestal gebruikt: totalitarisme.
 
     Zelf probeer ik zuinig te zijn met het woord, maar ik heb er geen groot bezwaar tegen dat anderen spreken van MAGA-fascisme, islamofascisme, ecofascisme, woke fascisme, links fascisme, enzovoort, zolang het woord gebruikt wordt om een discussie op gang te brengen, niet om ze af te sluiten. 

Wannabee fascist
     Ik lees vaak dat Trump een ‘wannabee fascist’ is. Dat lijkt mij een geloofwaardige omschrijving. Het lijkt mij erg waarschijnlijk dat Trump graag zou willen regeren zonder grondwet, zonder verkiezingen, zonder oppositie, zonder kritiek in de media. Maar met zo’n definitie lopen er onder de politici waarschijnlijk veel wannabee fascisten rond. Omdat ze een minder grote mond hebben dan Trump, kunnen we niet weten wie ze zijn, maar dát ze er zijn, daar ben ik nogal zeker van. Een grondwet zoals de Amerikaanse is opgesteld vanuit de veronderstelling dat de politieke wereld vergeven is van wannabee fascisten die met checks and balances onder controle moeten worden gehouden.

Hellend vlak
     Ook geloofwaardig is de bewering dat de VS zich op een hellend vlak bevinden dat naar het fascisme kan leiden. Elke liberale democratie bevindt zich op een hellend vlak dat naar het fascisme kan leiden. Het vergt echter een grondiger analyse om na te gaan welke beleidsmaatregelen een land rechtstreeks – of onrechtstreeks, door een contraproductief effect – in het fascistisch moeras doen belanden.

Afvinken in het Fascist Playbook
     Professor Ive Marx vond in De Afspraak van 30/1 dat men overdrijft als men de term ‘fascisme’ gebruikt om de recente gebeurtenissen in de VS te omschrijven. Conner Rousseau antwoordde dat in Trump-Amerika alle hokjes van het ‘Fascist Playbook’ waren aangevinkt. Hij was bereid om dat mij onbekende standaardwerk naar de professor op te sturen.
     Ik veronderstel dat Rousseau ongeveer evenveel afweet van de VS als ik, dat wil zeggen: honderd keer minder dan Ive Marx, maar het behoort tot mijn credo dat ook een absolute leek iets waardevols aan een debat kan bijdragen. Maar wat Rousseau voorstelt is niet erg waardevol. Je kunt een verschijnsel als fascisme niet benaderen met een lijst kenmerken die al dan niet worden afgevinkt. Elk kenmerk moet immers worden gewogen. ‘Politiebrutaliteit’ is zeker een kenmerk van fascistische regimes. Maar je vindt het kenmerk jammer genoeg ook terug in zelfs de meest liberale democratieën. En als het erop aankomt om zo’n kenmerk te wegen, heb ik meer vertrouwen in Ive Marx dan in Rousseau.

Wie was Alex Petti?
     Wie was Alex Petti die doodgeschoten werd door een ICE-agent? Volgens Conner Rousseau was het ‘een verpleger die andere mensen hun leven redt’ en volgens Ive Marx was het ‘iemand die zich moeide met een arrestatie terwijl elke Amerikaan weet dat zoiets buitengewoon onverstandig is.’ De twee omschrijvingen zijn allebei waar natuurlijk, maar de ene legt een beter causaal verband met het doodschieten dan de andere.

De vragen van Mark Elchardus
     Mark Elchardus benadert de fascisme-kwestie aan de hand van vragen die de lezer zelf moet beantwoorden. Ik vat die vragen samen en voeg er zelf nog twee aan toe. Is er sprake van fascisme 

  1. als een staat wettelijk bepaalt onder welke voorwaarden buitenlanders zich in het land mogen vestigen?
  2. als een staat overgaat tot de deportatie van buitenlanders die die voorwaarden schenden en illegaal het land binnenkomen?
  3. als die deportaties gepaard gaan met ‘opsporen, identiteitscontroles, huiszoekingen, aanhoudingen, opsluitingen, dwang, getrek en geduw’?
  4. als een regering kiest om de deportaties niet discreet te houden maar uit te voeren met ‘spektakel en straffe taal’, zodat toekomstige kandidaat-immigranten worden afgeschrikt? 
  5. als een regering kiest voor haast boven voorzichtigheid, en daarbij vlug-vlug agenten recruteert die niet geschikt zijn voor de taak en niet goed opgeleid worden?
  6. als er bij de deportaties en bij de acties ertegen af en toe doden vallen door ongerechtvaardigd politiegeweld?
  7. als de regering over die dodelijke slachtoffers leugenachtige verklaringen aflegt? 
  8. als de regering een gerechtelijk onderzoek start tegen de bugemeester van Minnneapolis en tegen de gouverneur van Minnesota omdat ze oproepen tot geweldloos verzet tegen de deportaties?

     Alles wat hierboven wordt opgesomd is toepasselijk op de recente gebeurtenissen in de VS. Veel – maar niet noodzakelijk alles – is verwerpelijk. Het impliciete antwoord van Elchardus op zijn eigen vragen is dat de eerste zes kenmerken onvoldoende zijn om van fascisme te spreken. 

De kracht van het woord
     Op zijn FB-pagina legt Jeroen Olyslaegers uit waarom sommige mensen liever niet het woord ‘fascisme’ gebruiken om de Amerikaanse toestanden te omschrijven:

De reden is simpel: de meerderheid in deze samenleving heeft een hekel aan fascisten, aan geweld op straat tegen wie ook, en allicht simpelweg aan bullebakken. En dat weten de fascisten en daarom zullen ze zich altijd verzetten tegen het woord en dus niét willen argumenteren, lak hebben aan definities en luid blijven opiniëren.

     Die redenering kan natuurlijk gemakkelijk omgedraaid worden; dan verklaart ze waarom anderen het woord ‘fascisme’ juist wél gretig gebruiken: omdat ‘de meerderheid in onze samenleving een hekel heeft aan fascisten’. Door het woord te gebruiken hoef je niet eens meer te argumenteren. Waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat de Trump=fascisme-mensen nooit argumenteren.

                                                                            ***

      Jan de Zutter volgt op zijn FB-pagina dezelfde redenering als Olyslaegers. Wie bij beschuldigingen van fascisme over de definitie discussieert, doet aan

definitional deflection of definitional evasion … een bewuste afleiding waarbij de aandacht wordt verlegd van wat er feitelijk gebeurt naar de vraag of het juiste etiket wel mag worden gebruikt. Het gaat niet over een onschuldige poging om de dingen juist te definiëren, maar het is een vorm van machtsuitoefening via taal.

      Ook hier kan de redenering gemakkelijk worden omgedraaid, en kan je evengoed zeggen dat diegene die het woord fascisme wél gebruikt, zich bezondigt aan ‘machtsoefening via taal.’ De Zutter schrijft nog:

Volgens de taalfilosofe Judith Butler zijn woorden als fascisme, oorlogsmisdaad of genocide ‘drempelbegrippen’, die een punt markeren waarop schouderophalen niet meer mogelijk is. Wie voortdurend dit soort begrippen verwerpt omdat ze ‘toch eigenlijk niet helemaal correct zijn’ doet aan threshold denial. Dat houdt in dat er vaak wel erkend wordt dat er allerlei foute tot hele foute dingen aan de hand zijn, maar dat de ‘drempel’ nog niet bereikt is. Je hoorde dat in de discussies over de genocide: Ja wat er in Gaza gebeurt, is verschrikkelijk, maar is ‘juridisch’ géén genocide. Deze houding zorgt ervoor dat dringende actie kan worden uitgesteld, want ‘de drempel’ is nog niet overschreden.

     De vraag die hier rijst is wat we moeten verstaan onder ‘dringende actie’. Als er ‘allerlei foute tot hele foute dingen aan de hand zijn’ dan moet daar natuurlijk dringende actie tegen worden ondernomen, onafhankelijk van welk woord voor die foute dingen wordt gebruikt.  Maar met het woord ‘fascisme’ geven we aan dat normale democratische oppositie, kritiek in de pers, betogingen, spandoeken, vlugschriften en boodschappen op de sociale media niet meer volstaan. Als het om ‘fascisme’ gaat, is clandestien verzet en burgerlijke ongehoorzaamheid aan de orde, en is, behalve voor pacifisten, gewelddadige actie moreel geoorloofd.
     Nu zal ik niet ontkennen dat er situaties zijn waar clandestien verzet, burgerlijke ongehoorzaamheid en gewelddadige acties moreel geoorloofd zijn. Maar óf zo’n situatie zich voordoet kun je niet beslissen door een ‘drempelbegrip’ te gebruiken (of te ontkennen).

Extreemlinkse analytische hygiëne
      Eigenaardig genoeg komt ook vanuit extreemlinkse hoek wel eens kritiek op de losse manier waarop centrum-links spreekt over de 
fascisering in de VS. Op de FB-pagina van Ludo De Witte kun je de volgende waarschuwing lezen:

Er waart door progressieve middens een spook: het doembeeld dat de VS op de drempel van het fascisme staat, zo niet dat het al gewoon een fascistische staat geworden is. Het lijkt me echt niet wijs om vandaag te beweren dat de VS ‘fasciseert’; dat het land op weg is naar fascisme; dat ‘de jaren dertig’ zich herhalen. De laatste in de rij die daarmee applaus oogst, is Christophe Busch (Hannah Arendt Instituut), in een FB-post (25/1/26), en ook in De Afspraak op Canvas.

     Dan volgt een lange persoonlijke aanval op Christophe Bush, waarna De Witte overgaat tot de eigenlijke argumentatie. 

Wie zoekt, vindt altijd wel parallellen tussen Trump II en de jaren dertig – precies zoals je dat ook kunt tussen Mussolini, Hitler, Xi, Poetin, Al Sharaa, Orban, Vander Leyen, Meloni en ga zo maar door. Maar een regering of regime karakteriseren als ‘fascistisch’, of spreken over een vage 'fascisering', zonder precies te definiëren wat fascisme is, is niet ernstig: in dat geval hebben we te maken met een banale toepassing van de Wet van Godwin.

       Dat is geen slecht argument. Ik zou zelf zoiets kunnen schrijven in ongeveer dezelfde woorden. Maar ik heb ook begrip heb voor de benadering van Jan De Zutter. Die schrijft, niet geheel onterecht, ‘dat het nauwelijks mogelijk is om fascisme definitief en ondubbelzinnig te definiëren’ en dat ‘het fascisme zich overal op een andere wijze aandient.’
     De rest van Dewittes tekst roept herinneringen op aan de theologische discussies in het extreem-linkse milieu van 50 jaar geleden. De mao-stalinisten zoals wij zagen in ons land overal tekenen van ‘fascisering’, terwijl de smerige trotskisten een onderscheid maakten tussen ‘fascisme’, ‘bonapartisme’, ‘cesarisme’ en ‘militaire dictatuur’. Dat onderscheid vind ik dus vandaag terug bij De Witte, die trouwens ook uitgebreid Trotski citeert.
     In essentie komt het hierop neer dat je maar van ‘fascisme’ kunt spreken als het gaat om een ‘massabeweging’ zoals die van zwarthemden van Mussolini of de bruinhemden van Hitler. Die knokploegen waren iets helemaal anders dan de 25.000 ICE-agenten die onderdeel zijn van het Amerikaanse overheidsapparaat. De Witte haalt aan dat de ICE-politie op Belgische schaal zou neerkomen op een vreemdelingenpolitie van 300 à 350 agenten. ‘Good luck als je daarmee het fascisme wil invoeren,’ schrijft De Witte.
     De Wittes kritiek op Christophe Bush en consorten is niet alleen een kwestie van ‘analytische hygiëne’, ze heeft ook te maken met de politieke strategie van een bepaald soort extreemlinks. Wat gebeurt er volgens De Witte als we spreken over de fascisering onder Trump II? Dan 

  1. ontkennen we dat Trump onder druk van de acties ondertussen al zware toegevingen heeft moeten doen
  2. duwwen we progressieven in de richting van de Democratic Party, ‘de andere partij van het kapitaal’
  3. vergeten we dat Obama en Biden ook tot honderdduizenden immigranten per jaar gedeporteerd hebben
  4. miskennen we het ware doel van de deporaties: niet álle illegalen deporteren, niet de hele bevolking angst aanjagen, maar de overblijvende illegalen gemakkelijker als goedkope arbeidskrachten inzetten
  5. vergeten we dat ‘de razzia’s van ICE verbleken’ als je ze vergelijkt met ‘de Europese pushbacks van Frontex’
  6. leiden we de aandacht af van het werkelijke gevaar dat de burgerlijke democratie bedreigt: de sluipende houdgreep van de tech miljardairs op de deep state, en de surveillance maatschappij die in de steigers wordt gezet.
     Over dat gevaar van een surveillance maatschappij heeft De Witte gelijk, maar dat is dan vooral als de nieuwe technologie van de miljardairs in handen zou komen van de overheid, en als de commerciële doelstellingen plaats moeten maken voor politionele controle en repressie van dissidenten. 


zondag 8 februari 2026

Filmfestival Oostende 2026


      We hadden na veel gepuzzel een heel ambitieus lijstje samengesteld voor het Filmfestival van Oostende*. Het kwam erop neer dat we vijf films per dag zouden zien. Dat bleek moeilijk vol te houden. Het heeft geen zin om vijf films te kiezen als je tijdens de vertoning indommelt. We hadden bovendien allebei last van een verkoudheid. Uit de 100 films die werden aangeboden hadden we er 38 bij elkaar gepuzzeld; uiteindelijk hebben we er maar 25 gezien.
    
     Bij zo’n festival kies je uit gulzigheid ook altijd films die je ’s avonds thuis, uit een ruimer streaming-aanbod, misschien links zou laten liggen. Dan kun je je wel eens in de zaal vervelen. Bij sommige films verveel ik mij vooral het eerste halfuur en wordt mijn interesse eindelijk gewekt tijdens de third act. Bij actiefilms – maar daar waren er weinig van het op het festival – is het vaak omgekeerd: dan begin ik mij te vervelen wanneer de personages stoppen met praten, en in plaats daarvan beginnen rond te rennen en te schieten.
      Als ik de zaal verlaat na het zien van een film, gonst het in mijn hoofd van commentaren. Na enkele dagen schiet daar gelukkig niet veel meer van over. Wat bleef hangen, heb ik hier verzameld.  

Árva – Orphan (2024). Hongaarse film. Het verhaal speelt zich af kort na de mislukte anticommunistische opstand van 1956. Over een Joodse moeder en haar zoon. De moeder had tijdens de oorlog kunnen onderduiken – tegen betaling – bij een slager, die ook de vader is van het kind. Die slager gelijkt een beetje op Anthony Hopkins. Hij is een joviale bruut, vol levenskracht, egoïstisch en grofbesnaard. De jongen is veertien jaar. Ik hou in het algemeen niet van films waarin gekwelde kinderen van die leeftijd het hoofdpersonage zijn. Prachtige cameravoering. Het gezin leeft gelukkig niet in een communistische woonkazerne, maar in enkele kamers van een vroeger herenhuis.

Vissers uit Oostende  Pêcheries à vapeur (2025). Documentaire. Als toekomstige Oostendenaren wilden we die graag zien. België was naar het schijnt een van de eerste landen die om aan visvangst te doen overschakelden op stoomboten. In de marge werd ook de ‘sociale kwestie’ behandeld. De vissers waren vroeger heel arm en dat is geleidelijk aan verbeterd. De documentaire zelf legt de nadruk op de filantropische initiatieven van de redersfamilie Bauwens. Een professor die niet erg gespecialiseerd leek in de visserij sprak in algemene woorden over het belang van organisatie en syndicale strijd – ‘die niet ontstond in de grote industrie maar in de kleine bedrijven’ – en een andere professor die wel gespecialiseerd leek legde uit dat de rijke redersfamilie de vissers ‘aan het bedrijf wilden binden door hen betere voorwaarden aan te bieden.’

Broken English (2025). Interviews met en over Marianne Faithfull, ingekaderd in een fictief kaderverhaal. Intelligent verteld, knap gemonteerd, zeer goede keuze uit wat getoond en niet getoond wordt. We zien korte flitsen uit een vrt-uitzending waarin Faithfull geïnterviewd werd door deejay Zaki. Dat interview herinner ik mij. Toen Zaki, tegen de afspraken in, een vraag stelde over Faithfulls relatie met Mick Jagger, stond de zangeres op en liep kordaat weg. En dat incident – dat niet paste in het ritme van het verhaal – wordt niét getoond. Wat wel getoond wordt, is onder andere een aangrijpend stuk uit The Seven Deadly Sins. Ik word altijd emotioneel als ik onverwacht een fragment van Kurt Weill hoor dat ik niet ken, maar wel hérken.

Los Domingos (2025). Spaanse film over een meisje dat graag non wil worden in een slotklooster. Haar alleenstaande vader is een gemakzuchtige slappeling, haar atheïstische tante verzet zich als een Spaanse furie. De moeder-overste van het klooster is perfect gecast. Ze is verstandig, wijs, standvastig en begrijpt dat er in de wereld ook atheïsten zijn die je niet kunt overtuigen. Ze is kortom onuitstaanbaar.  ‘Ik weet weer waarom ik zo tegen nonnen ben,’ zei mijn vrouw na afloop. In het beste geval kan een film over zo’n afwijkende levenskeuze vragen wakker maken bij degenen onder ons die een meer conventioneel leven leiden. Maar dáárvoor ga je beter kijken naar Ida (2013), een Poolse film die een gelijkaardig verhaal vertelt.

Mad Bills to Pay (2025). Een (legaal) migrantengezin in de Bronx. Ik veronderstel dat het tot de bottom-10 van de maatschappij behoort. Geen auto, wel een aangename, nette woning. Vader verdwenen met de noorderzon. Moeder werkt hard. Dochter gaat naar school. Zoon verkoopt alcoholische drankjes op het strand. Hij heeft een 16-jarig meisje zwanger gemaakt dat komt inwonen bij het gezin. Dan gaat de zoon proberen om meer reguliere baantjes te combineren: toiletten schoonmaken en tafels afruimen in een fast food restaurant. Van de moeder en de dochter kun je het niet weten, maar de zoon en het meisje zijn echt niet snugger. Ze hebben een heel beperkte tijdshorizon. Je kunt je moeilijk voorstellen dat ze ooit uit de bottom-10 weggeraken. In de hele film wordt een luchtige toon aangehouden. Men maakt wel eens ruzie, maar die is even snel weer vergeten. Don’t worry, man, zegt de zoon, of woorden van die strekking.

Plainclothes (2025).  New York in de jaren 90. Een jonge politieagent moet homoseksuele mannen verleiden in openbare toiletten, waar ze dan gearresteerd worden voor zedenschennis. Meestal valt me na de film wel iets te binnen om aan mijn vrouw te zeggen, maar dit keer ben ik alleen gegaan. Er is mij niets te binnen gevallen.

Ky Nam Inn (2025). Vietnam in de jaren 90. Vreemde tinten van blauw. Volgens mijn vrouw was het géén turquoise. Een jonge literair vertaler neemt zijn intrek in een druk appartementsgebouw. Hij wordt verliefd op een van de bewoners, de weduwe van een anti-communistische officier. Zij wordt ook verliefd op hem geloof ik, maar ‘sy konden by malkander niet komen’. Het thema van onvervuld verlangen doet onvermijdelijk denken aan In the Mood for Love, maar de Vietnamese film is gezelliger, minder claustrofoob. 

Primavera (2025). Venetië in de vroege 18de eeuw. Antonio Vivaldi wordt aangetrokken om in een weeshuis het meisjesorkest te dirigeren. De meisjes hebben maar twee toekomstmogelijkheden: hun hele leven opgesloten blijven in het weeshuis, of trouwen met een rijke Venetiaan op zoek naar een jonge vrouw. De keuze wordt vóór hen gemaakt.
     Het hoofdpersonage van de film, de getalenteerde violiste Cecilia, is een ander lot beschoren: het geplande huwelijk gaat niet door, en ze wordt uit het weeshuis gezet. Volgens de voice-over wacht haar de vrijheid. Maar welke vrije keuzes kon zo’n weeskind in de vroege 18de eeuw maken? Socialisten en sociaal-liberalen zullen zeggen dat ze alleen een ‘negatieve’ vrijheid krijgt, zonder veel kansen om die vrijheid ‘positief’ in te vullen. Het is moeilijk om de socialisten en sociaal-liberalen hier ongelijk te geven. Veel mooie muziek overigens. Vergeleken met films als  Le roi danse (2000), Tous les matins du monde (1991) en Amadeus (1984) is Primavera een lichtgewicht.

In the Mood for Love (2000). Hongkong 1962. Meneer Chow en mevrouw Chan raken hopeloos op elkaar verliefd, maar om onduidelijke redenen blijft de verhouding platonisch. De herinneringen die ik aan de film had, bleken accuraat: de melancholie, de claustrofobie, de elegantie, de indringende muzikale score**. Toen ik de film 20 jaar geleden zag, heb ik vooral op de dassen en de herenmode gelet. Bij het herbekijken had ik meer oog voor de damesmode: uniforme jurken van dezelfde snit maar met telkens andere kleuren en kleurpatronen. Ik had de film toen ook aan mijn vader aangeraden, maar tot mijn verbazing hield hij er niet van. Dat altijd hetzelfde stukje straat getoond werd, vond hij een zwaktebod. 

Dead Man’s Wire (2025). VS 1977 – waargebeurd. Tony Kiritsis voelt zich opgelicht door een verzekeringsmakelaar en gijzelt de ceo van het bedrijf. Spannende thriller die de ‘maatschappijkritische insteek’ vermijdt.

The Testament of Ann Lee (2025). 18de eeuw. Ann Lee ontvlucht Engeland en sticht de religieuze Shakers-beweging in de VS. De wilde gebaren waar de Shakers zich bij hun vieringen aan overgaven, worden herhaaldelijk in een moderne choregrafie gegoten, waardoor de film uiteenvalt in een psychologisch drama en een musical. De Shakers bouwden sobere, smaakvolle huizen waar ze in communeverband samenleefden. Ik had altijd gedacht dat de Shaker-beweging in de 19de eeuw tienduizenden mensen aantrok, en als een storm over het land trok, maar blijkbaar telde ze op haar hoogtepunt slechts een goede drieduizend leden. Dat kwam ook omdat seks en voortplanting verboden waren, omstandigheden die de aangroei beperkt hielden.

Rental Family (2025). Een in Japan wonende Amerikaanse acteur wordt door een moeder ingehuurd om zich voor te doen als de vader van haar dochter. Acteur Brendan Fraser gelijkt af en toe op Bart De Wever toen die nog dik was. Onderhoudend, oppervlakkig-komisch en sentimenteel. Beter dan een doorsnee sitcom. Het thema van een bedrijf dat acteurs inzet om tijdelijk rollen te spelen in het leven van klanten werd al diepgaander uitgewerkt in andere films, zoals Pfau. Bin ich echt? (2024) die op het FFO van vorig jaar te zien was. 

The History of Sound (2025). Begin 20ste eeuw. Lionel en Josh leren elkaar kennen aan het conservatorium in Boston. Ze worden verliefd op elkaar en in de vakantiemaanden trekken ze van dorp tot dorp om opnames te maken van oude volksliedjes***. Daarna verliezen ze elkaar uit het oog. Voor wie van het genre houdt: een ingetogen film over gekwelde personages. De beste stukken van de film komen in het begin. De kennismaking in de pianobar is erg goed. De vanzelfsprekende manier waarop de seksuele relatie begint heeft iets ontroerends. 

The President’s Cake (2025). Irak in de jaren 90. Ter gelegenheid van Saddam Husseins verjaardag moet elke school een taart bakken, maar de ingrediënten zijn nergens te vinden. De 9-jarige Lamia moet er in haar eentje op uit om in de grote stad enkele eieren, suiker, bloem en bakpoeder te vinden: een ware Odyssee.  Bij het bekijken van zo’n film vraag je je onwillekeurig af hoe het vandaag met Lamia gesteld is. Ze zou nu 40 jaar zijn. Het Iraakse BBP schommelde in 1995 rond de 1000 dollar per inwoner. Vandaag schommelt het rond 6000 dollar.

A Magnificent Life. (2025). Animatiefilm over het leven van Marcel Pagnol. Als bewonderaar van de toneelstukken Topaze, Marius, Fanny en César had ik hier veel van verwacht. Het werd een ontgoocheling: een inspiratieloze chronologische vertelling, een kinderachtig kaderverhaal, personages die nooit tot leven komen, een banale jaren-zestig tekenstijl. Wie al iets wist over Pagnol leerde niets nieuws, wie nog niets wist over Pagnol kon amper volgen.

It’s Never Over - Jeff Buckley. (2025) Mijn vrouw is een grote fan, maar de film biedt weinig extra. Er bestaat amper beeldmateriaal van optredens of interviews waar een regisseur mee aan de slag kan. Veel fotos waarop wordt ingezoomd. 

Magellan (2025). Over de beroemde ontdekkingsreizigers. De film bestaat uit een aaneenrijging van stilstaande beeldkaders die variëren van 15 tot 150 seconden, zonder muzikale ondersteuning en met weinig dialoog. Slechts aan het einde van de film gebeurt er iets, maar dan heeft een deel van het publiek de zaal al verlaten.
     Wat is dat toch met die films over de vroege kolonisatie? De kritiek bejubelt films als Magelan en Zama (2017)****, maar ik vind alles even vervelend. Ik had dat al met Aguirre, der Zorn Gottes (1971), maar toen deed ik nog mijn best om zoiets mooi te vinden. Ook bij de conventionele films over het thema kan ik mij trouwens geen voorbeelden voor de geest halen die ik graag gezien heb: The Mission (1986), Silence (2016), 1492: Conquest of Paradise (1992). Die laatste heb ik zelfs niet uitgekeken. 

Renoir (2025). Japan, 1987. De 11-jarige Fuki heeft het niet gemakkelijk. Haar vader is terminaal ziek en haar moeder heeft een slecht humeur (dat verbetert na het overlijden van haar man). Gelukkig is alles heel mooi gefotografeerd en gemonteerd. Op zeker moment koopt het meisje een reproductie van La petite fille au ruban bleu, vandaar de titel. 

Eojjeolsuga eobsda – No Other Choice (2025). Film van Park Chan-Wook. Een welvarend Koreaans gezin komt in moeilijkheden als de vader bij een herstructurering wordt afgedankt. Hij is een hooggeschoold technicus met als specialisatie én passie de productie van hoogwaardig papier. De enige manier om nog aan een job te geraken in de sector bestaat erin andere hooggeschoolde technici uit de papierwereld te vermoorden. Een verrukkelijke zwarte komedie. Wie wil kan in het verhaal een satire op het kapitalisme zien, maar je wordt daar op geen enkel moment toe verplicht.

Pillion (2024). Britse film die zich afspeelt in het milieu van kinky bikers. De brave homo Colin wordt het seksslaafje van de onweerstaanbaar knappe Ray. De kinky bikers lijken een vrij bestaan te leiden, maar in werkelijkheid onderwerpen ze zich zoals kloosterlingen aan een strikte ascese. Ze ontzeggen zich allerlei eenvoudige genoegens en moeten met zichzelf strijd leveren om niet toe te geven aan de verlokkingen van een burgerlijk bestaan. Deze moeilijke keuze wordt in een ingenieuze verhaallijn uitgewerkt. De dramatiek en de heroiek van een zelfgekozen alternatieve levensstijl komen in deze film véél beter tot hun recht dan in het slappe Los Domingos, over het meisje dat zo graag naar het klooster wil.

Radeju zesilet v divocine –  Better Go Mad in the Wild (2025). Tsjechische film. Over tweelingbroers die al hun hele leven samen een armoedige boerderij uitbaten. Het is een soort documentaire, want de broers spelen zichzelf, ze beelden scènes uit die zich in hun dagelijkse leven afspelen. Ze kibbelen als een oud echtpaar, filosoferen als oosterse wijzen en fantaseren als kunstenaars. Ooit kregen ze van de regering een hoge onderscheiding voor hun verzet tegen de communistische dictatuur. Het is niet helemaal duidelijk of hun ‘alternatieve’ levensstijl zelfgekozen is. Wellicht gedeeltelijk. Het is ook niet duidelijk of ze gelukkig zijn. Wellicht ook gedeeltelijk.

Straight Circle (2025). Brits absurd drama. Twee imaginaire operette-staten sluiten vrede, waarop ze elk een soldaat afvaardigen die een grenspost in de woestijn moeten bewaken. De twee soldaten zijn erg verschillend, maar na verloop van tijd zijn ze niet meer te onderscheiden. Wie denkt dat er in de film ‘niets gebeurt’ heeft het verkeerd voor. De makers hebben zich suf gezocht naar originele ideeën, maar geen van die ideeën is erg interessant. Wat vooral onbreekt zijn sterke dialogen à la Wachten op Godot

Tre ciotole (2025). Marta is lerares en Antonio is kok en ze betrekken samen een appartement in Rome. Ze hebben geen kinderen. Helemaal aan het begin van de film besluiten ze uit elkaar te gaan. Daarna krijgt Marta te horen dat ze aan een terminale vorm van kanker lijdt. Men kan min of meer voorspellen welke scènes zo’n film zal bevatten. Het pleit voor de makers van de film dat ze van elke scène visueel of narratief iets interessants proberen te maken en daarbij een waardige en lichte toon weten te treffen. De film is nooit spannend, maar wel boeiend. Eigenlijk is er niets wat je tegen de film kunt inbrengen; toch maakte hij geen grote indruk. Volgens mijn vrouw lag het aan actrice Alba Rohrwacher. ‘Die heeft voor mij ook het laatste seizoen van L’amica geniale verpest,’ zei ze.

Is This Thing On? (2025).  Van Bradley Cooper, dus ik keek ernaar uit. Ook hier begint de film met een relatiebreuk, maar dit keer zijn er wel kinderen in het spel. De man begint na zijn werk op te treden als stand-up comedian; de vrouw was een vroegere volleyball-kampioene en wordt coach van het Olympische team. Leg je de film naast Tre ciotole, waarmee hij enkele verhaallijnen deelt, dan zie je het verschil: kracht, energie, tempo, close-ups, ellipsen. Er worden meer keuzes gemaakt, er is minder opvulling. Halverwege de film besef je dat het verhaal in twee richtingen kan kantelen. Maar de toon van de film laat niet toe om te voorspellen welke richting het wordt. Either would do

Orwell: 2 + 2 = 5 (2025). Amerikaanse documentaire over George Orwell. Ik wist dat ik mij aan een linkse lezing van Orwell mocht verwachten. Fair enough, dacht ik, want Orwell wás natuurlijk links, al heeft hij veel bijgedragen tot mijn huidige rechtse denkbeelden. Het eerste deel van de documentaire is veeleer biografisch: gezin, school, Indië, de Spaanse burgeroorlog. Het blijft aan de oppervlakte maar je krijgt wel een goed beeld waar Orwells engagement vandaan kwam.
     In het tweede deel wordt de totalitaire dystopie van Orwell getoetst aan hedendaagse toestanden, bijvoorbeeld een parallelmontage van een fictieve Big Brother-toespraak uit een film en een echte Trump-toespraak op televisie. Ik vond die aanpak niet erg Orwelliaans, omdat hij louter emoties opwekt: verontwaardiging bij Trump-aanhangers, euforie bij Trump-tegenstanders. Geen van beide kampen wordt uitgenodigd tot nadenken. Orwell zelf betrachtte altijd de rationele analyse en hield zich in zijn essays ver van emotionele demagogie. Dat verklaart, geloof ik, dat hij ondanks zijn duidelijke partijdigheid, zowel rechtse als linkse lezers kan aanspreken.
      Potsierlijk vond ik het stukje over het verhullend taalgebruik van rechts. Er werden veel voorbeelden gegeven. Dat rechtse taalgebruik was dan bijvoorbeeld ‘inflatie’ en daarna werd de ‘echte’ betekenis geprojecteerdz 
zoiets als, ik parafraseer: ‘de praktijk van meedogenloze kapitalisten die producten duurder maken om superwinsten binnen te rijven.’ 

     Over de titel 2 + 2 = 5, schrijf ik later wel eens een kortje.  


* Over het filmfestival van vorig jaar, zie mijn bedenkingen hier.

** Het muzikale leidmotief van In the Mood for Love heet Yumeji’s Theme en staat onder andere hier:


*** Mijn vrouw en en ik dachten allebei terug aan een documentaire over Alan Lomax die met zijn vader in de jaren 30 Amerika doorkruiste om volksliedjes op te nemen.


**** De filmkritiek geeft natuurlijk goede punten als de film het kolonialisme ontmaskert, maar er is meer aan de hand.

 


woensdag 4 februari 2026

Enkele films

 Hamnet
     Ik hou van Shakespeare verfilmingen, maar ook van films waarin Shakespeare als personage meespeelt: Shakespeare in Love (1998) is sentimenteel, maar vaart en enthousiasme maken veel goed. Anonymous (2011) propageert een bekende samenzweringstheorie, maar is bij een eerste visie goed genietbaar. All is True (2018) is beperkt van opzet maar subtiel in de uitwerking. De film was al halverwege voor ik acteur Kenneth Brannagh herkende. In Oliviers Henry V (1944) loopt op het podium een bebrild mannetje rond in een renaissance-kermispak dat Shakespeare moet voorstellen.  Soms denk ik dat dat mannetje misschien nog het meest op de historische figuur lijkt, zoals het bescheiden theatertje in de film ook beter op The Globe gelijkt dan wat we in modernere producties zien.

     Ik keek dus al een poosje halsreikend uit naar het moment dat Hamnet in onze zalen zou komen. Maar vanaf het eerste beeld – twee bomen gefilmd vanuit kikvorsperspectief – wist ik dat het niets voor mij zou zijn. Zoals ik vanaf het eerste beeld van Brannaghs Henry V (1989) – een lucifer die aangestoken wordt – wist dat het wél iets voor mij zou zijn. 


F-1. The Movie
 
     Ik zie dat de autorace-film F-1. The Movie onverwacht genomineerd is voor Beste Film-oscar. Ik vind dat helemaal terecht. Het is een van de allerbeste Spielbergfilms die ik gezien heb, nu al twee keer, al heeft Spielberg er niets mee te maken. De film hangt aaneen van de clichés. We hebben het allemaal al vele keren gezien. Het is Top Gun of The Color of Money, maar met auto’s in plaats van vliegtuigen of biljarttafels. De clichés zijn altijd dezelfde, maar is er iets dat meer ontroert dan een perfect uitgewerkt cliché, waarin vakmanschap, timing, en liefde voor het medium samenkomen?
      Een regisseur die clichés aaneen wil rijgen moet een goed psycholoog zijn. Hij moet geen inzicht hebben in de ziel van zijn personages; hij moet inzicht hebben in de ziel van zijn publiek. En hij moet nieuwe manieren vinden om oude dilemma’s op te lossen. 
     Veel van die dilemma
s hebben te maken met de rivaliteit tussen de oude ervaren racer Sonny, gespeeld door Brad Pitt, en zijn talentvolle teamgenoot Joshua, gespeeld door Damson Idris. De truc voor een feel-good movie is dan om bij de kijker sympathie op te wekken voor de twee personages, maar net iets meer voor de oudere Sonny. 
     Op zeker ogenblik zitten Sonny en Joshua aan de pokertafel. Het moment breekt aan dat ze all-in gaan: alles of niets. Joshua laat zijn pair of fives waarop Sonny teleurgesteld zijn kaarten neergooit. Hij heeft verloren. Nu weet elke kijker dat de kaarten van Sonny die we niet gezien hebben, eigenlijk de betere kaarten zijn, maar dat hij Joshua láát winnen. Als zo’n scène verkeerd wordt uitgewerkt is de kijker boos. Maar de scène wordt schitterend uitgewerkt.
     Ander dilemma. Het publiek heeft Sonny eerst leren kennen als een racer die grote risico’s neemt. Maar dan komt het moment dat hij Joshua beveelt een risico te vermijden. Joshua is koppig, neemt het risico, gaat over kop en komt in het ziekenhuis terecht. De moeder van Joshua denkt dat het ongeluk de schuld is van de roekeloze Sonny en scheldt hem langdurig uit. Dilemma: als Sonny zichzelf verdedigt en de schuld bij Joshua legt, is hij op dat moment harteloos tegenover de moeder; als Sonny zich niét verdedigt is de kijker boos omdat de waarheid niet aan het licht komt. Probeer dat maar eens elegant op te lossen. Je komt er niet met een slimme ‘vondst’, je moet het oplossen met ‘stijl’.
     Het grootste dilemma betreft de afloop van de film. Het is een happy-end film en het team van Sonny en Joshua moet dus winnen. Maar wie van de twee racers komt het eerst over de finish? De kijker heeft twee tegenstrijdige verlangens. Hij wil graag dat Sonny wint, maar hij wil ook graag dat Sonny edelmoedig is en de overwinning gunt aan zijn jonge teamgenoot. Hoe los je dat op? Mijn zoon zei: ‘Als ze daar de verkeerde keuze hadden gemaakt, dan was ik beginnen roepen!’


The Rip
     Ik had scenarist Paul Baeten over de radio horen zeggen dat de nieuwe Netflix-film The Rip niet zo goed was en in elk geval niet zo goed als de Netflix-reeks Adolescence. Die laatste titel sprak hij uit met een klemtoon op de tweede lettergreep, zodat ik het woord pas begreep toen hij het de derde keer uitsprak. Maar Baeten heeft gelijk. De film is niet zo goed. Dat heeft onder andere met de casting te maken. De plot veronderstelt dat de kijker niet goed weet wie de goeien zijn, en wie de slechteriken. Maar je moet als kijker niet veel ervaring hebben om te zien tot welk kamp Matt Damon en tot welk kamp Kyle Chandler behoren. Je moet alleen maar naar hun gezicht kijken en dan weet je het al.


The Beast in Me
     De Standaard (21/2) prijst de Netflixserie The Beast in Me. ‘Onderhoudende thriller met een zoals altijd goede Claire Danes, en een geweldige Matthew Rhys.’ De drie omschrijvingen zijn correct. De thriller is onderhoudend, Claire Danes is goed, en Matthew Rhys is geweldig, vooral in de eerste afleveringen.


Nuremberg
      Over het proces van Nuremberg is al eens eerder een aardige miniserie gemaakt in 2000, met Brian Cox en Alec Baldwin. Nu is er een nieuwe film met Russel Crowe die de rol van Göring speelt. Fien Meynendonckx (DS 27/1) noemt het een popcornfilm. Ik heb de trailer gezien in de bioscoop, en ik geloof dat ze gelijk heeft. Meynendoncks stelt zich in dat verband de prangende vraag of zo’n aanpak ‘gepast’ is. Ze vindt van niet.

 Zeker omdat de regisseur ons met lepe trucjes tot vijf keer toe hardop laat lachen om situaties die niet grappig zijn.

     Om dat zinnetje heb ik dan weer hardop moeten lachen.
     ‘Gniffelen met Göring, kan dat wel?’ vraagt Meynendonckx zich af. In vind van wel. Het is moeilijk om nooit te gniffelen met gangstertypes als Göring, Stalin, Mao en keizer Tiberius. Wie gniffelt er niét bij het lezen van Tacitus of Milovan Djilas? Het is veel moeilijker om te gniffelen bij de ideologisch gedrevenen als Robespierre, Hitler of Lenin, al lachte die laatste zelf uitbundig als hij zijn cynisme kon laten zien aan buitenlandse gasten. En met die eerste, Robespierre, moet ik lachen om de manier waarop hij geportreteerd wordt in Napoleon van Abel Gance. 



'Meer' Europa

     Als ik iets over Europa schrijf, doe ik dat liefst in de meest algemene termen. Ik zie er tegen op om telkens weer op te zoeken wat het verschil is tussen de Raad van de Europese Unie, de Europese Raad en de Raad van Europa, of tussen het Europees Hof van Justistie en het Europees Hof van de Rechten van de Mens.
     Maar toch wil ik een ‘goede Europeaan’ zijn. Als men mij een enquête-formulier zou toestoppen, zou ik bij de vraag of ik meer of minder Europa wil, de eerste keuze aanvinken. Meer Europese defensie, betere bescherming van de buitengrenzen, meer economische integratie. Uiteraard geldt hier vaak de regel: ‘less is more’. Voor meer economische integratie bijvoorbeeld hebben we geloof ik vooral minder regels nodig, zowel op nationaal als op Europees niveau. Maar die integratie is tot nu toe redelijk succesvol, en kan in de toekomst nog toenemen. Ive Marx (DS 27/1) schrijft:

Om te beginnen zijn de economische verschillen tussen de landen van de EU spectaculair afgenomen. Polen en Tsjechië zullen binnenkort Italië of Frankrijk inhalen in termen van bbp per capita. De werkloosheid in Zuid-Europa is spectaculair afgenomen en ligt vandaag op het niveau van de Scandinavische landen … Economische en budgettaire verschillen tussen de lidstaten hebben altijd verhinderd dat er meer middelen en bevoegdheden naar het Europese niveau gingen. Die vrees kan nauwelijk nog bestaan.

     Dit is misschien té rooskleurig, maar de economische nivellering is een gegeven dat uit harde cijfers kan worden afgeleid – en die nivellering kan slechts héél gedeeltelijk worden verklaard vanuit de ‘transfers’.
     Moet er ook meer Europese ‘democratie’ komen? Dat is een moeilijker vraag. Ik ga al zeker de filosofische kwestie van de nationale soevereiniteit voorzichtig uit de weg. Over het nemen van beslissingen bij unanimiteit dan wel bij gekwalificeerde meerderheid, hou ik mij op de vlakte. Over Europese belastingen zeg ik geen woord. Maar ik wil wel iets kwijt over het Europeese Parlement. Moet dat Parlement zwaarder wegen op de beslissingen?
      Laatst heeft dat Parlement twee keer het beleid van de Europese Commissie afgekeurd. Mercosur werd voor toetsing verwezen naar het Hof van Justitie,  en de handelsdeal met de Verenigde Staten werd uitgesteld. Dat zijn twee betreurenswaardige beslissingen van het Parlement. Moet ik mij nu troosten met de gedachte dat ze ten minste de democratische werking van Europa demonstreren?
     Ik weet natuurlijk dat ik in een democratie niet kan verwachten dat de verkozenen alleen beslissingen nemen die ik goed vind. Maar wie zijn die Europese verkozenen eigenlijk? Waarom worden ze verkozen? Hoe worden ze electoraal afgestraft voor verkeerde beslissingen? Via welke kanalen hebben ze voeling met hun kiezers? Wat maakt dat een politicus de nationale politiek verlaat en voor Europa kiest?
      De Mercosur-stemming kan ik enigszins begrijpen*. De parlementairen hebben een afweging gemaakt op grond van de korte-termijn-belangen van hun land of regio. Maar de handelsdeal met de VS, wat moet ik daarvan denken? De Europese Volkspartij, de Europese Conservatieven en Hervormers, en de Patriotten waren vóór; de sociaaldemocraten, liberalen en Groenen waren tegen. Mag ik dat een eigenaardige verdeling van de stemmen vinden? Welke motieven speelden hier mee? 

* Enigszins, want ik begrijp niet dat zoveel liberalen tegen Mercosur gestemd hebben. 


dinsdag 3 februari 2026

Kortjes

 Reynebeau en Vos
     Sommige van mijn lezers geloven dat ik niets liever doe dan schelden op Marc Reynebeau of Hendrik Vos. Dat is helemaal niet zo. Het stuk van Vos in De Standaard van vandaag (20/1) heb ik niet eens gelezen, alhoewel het onderwerp – de toekomst van het transatlantisme – mij wel interesseert. Maar het klopt dat ik graag polemiseer en graag teksten fileer die ik onzinnig vind. Maar even graag geef ik commentaar naar aanleiding van genuanceerde opiniestukken die in de krant verschijnen: van Tom Naegels, Tinneke Beekman, François Levrau ...


Ereloonsupplementen
      Frank Vandenbroucke heeft alweer een wantoestand ontdekt: ‘Tien procent van de artsen is verantwoordelijk voor 43 procent van de ereloonsupplementen. Die excessen moeten eruit.’ Maar als ik het goed begrepen heb worden die ereloonsupplementen alleen betaald door wie extra wil betalen voor het privilege van een éénpersoonskamer. Die bedragen worden niet terugbetaald door de verplichte verzekering bij een ziekenfonds. Ze kosten niets aan de Sociale Zekerheid. Waar bemoeit Vandenbroucke zich dan mee? 


Hoogmoed
     De korte stukjes van Joke Van Caesbroeck in de krant slag ik nooit over. Ze is ‘niet voor het huishouden geboren’, vertelt ze vandaag. Ook heeft ze moeite met het sms’en omdat ze een pleister rond haar wijsvinger draagt. Ze had met een ‘uit hoogmoed vers geslepen keukenmes’ een topje van haar wijsvinger gesneden. Als je geen talent hebt voor het huishouden, kun je maar beter niet hoogmoedig zijn.


Subsidies
     Een liberaal is natuurlijk tegen ‘subsidies’, maar de term zoals die administratief gebruikt wordt, is dubbelzinnig. Ons onderwijs bijvoorbeeld wordt betaald door de overheid. Salarissen van de leerkrachten rekent men bij de ‘personeelskosten’, terwijl men renovatie van de gebouwen vaak bij de ‘subsidies’ rekent. Maar dat zijn niet noodzakelijk het soort subsidies die ik als liberaal dringend afgeschaft wil zien. De subsidies die ik als liberaal afgeschaft wil zien zijn bijvoorbeeld de ‘renovatiepremies’. Mijn vrouw heeft die altijd stipt aangevraagd en we hebben die in dank aanvaard, maar dat is geen reden om die praktijk te goed te praten.


Studiebeurzen
     De Vlaamse regering bespaart op de studiebeurzen. Vooral studenten die langer over hun studies doen, kunnen hun beurs verliezen. Ik neem aan dat er goede argumenten voor en tegen zo
n maatregel bestaan. Alleen dit. Als die studenten langer over hun studies doen, is dat omdat ze zich niet erg inspannen, of omdat ze niet de nodige talenten hebben voor die studies. Ik heb in het middelbaar een paar keer meegedaan aan een examen om een studiebeurs te verkrijgen. Die werden toen toegekend door door een instantie die in de volksmond het ‘Fonds voor de Meest Begaafden’ heette. Ik hoop dat de huidige maatregel dat ‘meest begaafde’ segment van de studenten ongemoeid laat.


Niets over Trump
     De Oostenrijkse schrijver en journalist Karl Kraus zou gezegd hebben: ‘Over Hitler valt mij niets te binnen.’ Ik heb hetzelfde met Trump. Ik schrijf wel vaker commentaartjes waar de naam Trump in voorkomt, maar eigenlijk gaan die over wat anderen over Trump denken. Als ik dié lees, valt mij van alles te binnen. Maar over Trump zelf: weinig. Is hij een briljant onderhandelaar of een seniele narcist? Zijn we getuige van madness, of is there some system in ’t. Ik weet het niet en het interesseert mij amper. Als men de vraag binnen honderd jaar probeert te beantwoorden in geleerde biografieën, dan zal ik Trump een van de fascinerendste politici van de 21ste eeuw vinden. 


De Nato
     Je hoort en leest dezer dagen overal dat de Nato ‘dood’ is. Dat komt vaak, maar niet altijd, van mensen die de Nato dood wénsen. Ik vraag mij af of hoe letterlijk wij die metafoor moeten nemen. Is de Nato even dood als de papegaai in de beroemde sketch, of bedoelt men gewoon dat de toekomst van de organisatie onzeker is? Wat denken bijvoorbeeld de hoge militairen van de Nato-landen ervan? Ik behoor in elk geval tot degenen die de Nato niet dood wensen. ‘If anyone thinks,’ zei Mark Rutte onlangs, ‘that the European Union or Europe as a whole can defend itself without the US, keep on dreaming.’ Nu is het makkelijk om Rutte uit te schelden omdat hij een slippendrager en een sycophant, maar ik denk wel dat hij hier gelijk heeft.


Achterklep van de auto
      Iedere keer als ik iets uit de koffer van de auto haal, of er iets in leg, beschouw ik het als een overwinning wanneer ik mijn hoofd niet gestoten heb aan de achterklep.


Droom
     Binnenkort geef ik een lezing op de school waar ik vroeger les gaf. Voor de leerlingen van het vijfde jaar, geloof ik. Als voorbereiding heb ik vannacht gedroomd dat ik weer voor de klas stond. Men had mij gevraagd voor een interim-opdracht, en in een droom kan ik nooit nee zeggen. Ik zeg zelfs geen nee als de PVDA mij vraagt om vlugschriften uit te delen. Het eigenaardige was dat de leerlingen mij herkenden – ‘u bent meneer Clerick’ – en ik ook hen herkende. Dat laatste was geloof ik het resultaat van iets wat men gezichtscompositie noemt: 
ons brein dat kenmerken mixt van mensen die we ooit gezien hebben.
     In elk geval, de les verliep vlot. Maar voor het volgende lesuur moest ik mij naar een ander lokaal begeven. Toen raakte ik hopeloos verdwaald. Hoe meer gangen ik inliep, hoe minder ik de omgeving herkende. Ik leek verzeild te zijn geraakt in een verhaal van Tom Wouters.


Mansplaining
     Ik heb in een vorige blogje* het licht misandrische woord ‘mansplaining’ verklaard vanuit de vrouwelijke voorkeur voor rapport-talk boven report-talk. Vrouwen houden minder van uitleg geven en uitleg krijgen dan mannen. Dat geldt echter alleen voor informele contexten. Bij een lezing in een formele context is mijn vrouw aandachtiger en meestal ook enthousiaster dan ik. 

* Dat blogje over mansplaining staat hier. Andere blogjes over dat onderwerp staan hier en hier.

 

Het Europees idealisme van Verhoeven

     Karel Verhoeven (DS 21/1) wil dat Europa opstaat als machtsblok-met-een-ideaal. Een machtsblok dat streeft naar

 Een wereld waarin landen zichzelf niet willen uitbreiden, grondstoffen vrij verhandelbaar zijn, volkeren hun eigen politieke lot kiezen, en vooral alle landen ernaar streven om het gebruik van het geweld af te zweren en dus ontwapenen als hoogste doel te hebben.

      Bij zoveel idealisme rijst de vraag wat een land of blok moet doen als ándere landen of blokken dat ideaal niét nastreven. Verhoeven noemt de agressieve landen en blokken, in navolging van Bart De Wever en Gramsci,  ‘monsters’. Bismarck noemde ze ‘snoeken’ – roofvissen dus. We kunnen onze vraag van hierboven dan in metaforische termen herformuleren. Wat moet je als karper doen in een vijver vol snoeken? De karper-idealen prediken?
      Verhoeven schrijft nog:

Als houvast kunnen documenten van andere existentiële crisissen dienen, zoals het Atlantic Charter dat Franklin D. Roosevelt en Winston Churchill in 1941 ondertekenden, waarin ze de wereld beschreven die ze nastreefden na de overwinning op nazi-Duitsland.

     Daar zit een argument in. Als je een militaire overwinning boekt op je voornaamste vijand, kun je inderdaad proberen je vredelievend ideaal op te leggen aan anderen. Maar dat doe je best zonder al te veel idealistische illusies. Van Roosevelt weet ik het niet, maar Churchill had die illusies in elk geval niet. Tegen het einde van de oorlog eiste hij dat elk lid van zijn kabinet Leopold Schwarzschilds boek Primer of the Coming World zou lezen. In dat boek wordt voorspeld dat de toekomstige wereld, net zoals in het verleden, er een zal zijn van brute krachtsverhoudingen. Schwarzschild raadt aan om niet te veel vertrouwen te schenken aan Verdragen voor een Eeuwige Vrede. Hij raadt het westerlingen aan om zich vooral niet eenzijdig te ontwapenen, er vooral voor te zorgen dat zij hun eigen politieke lot kunnen kiezen, dat zij het slachtoffer niet worden van landen of blokken die zichzelf willen uitbreiden, en dat zij over voldoende grondstoffen beschikken*. 

*Gelukkig heb ik de titel van het boek gecontroleerd, niet door het op te zoeken in mijn bibliotheek, maar op Wikipedia. Ik had eerst geschreven: A Primer of a New World. Ik heb niet gecontroleerd of Schwarzschild ook over grondstoffenbevoorrading schrijft. In elk geval niet in de eerste twee hoofdstukken die ik ongeveer uit het hoofd ken.


AI in het onderwijs

     Ik heb in vorige stukjes al iets geschreven over de voor- en nadelen van AI in het onderwijs. Een groot voordeel is dat je AI kunt manipuleren om een uitleg te geven van verschillende moeilijkheidsgraden, dat je bij een ontoereikend antwoord kunt doorvragen, en dat je de antwoorden kunt gebruiken om je eigen vraagstelling te verbeteren. Je kunt, dankzij AI, van een domme vraag een slimme vraag maken. Zo weet ik nu beter dan vroeger wat DNA is. Daarvoor begon ik met de domme vraag: ‘Als een molecule de kleinste eenheid van een scheikundige verbinding is, wat is dan de kleinste eenheid van DNA?’ Dat was eigenlijk helemaal niet wat ik wou weten. Vijftien vragen later wist ik ongeveer wát ik wel wou weten.
     AI-specialist Tim Brys somt in zijn nieuwe stukje (DS 20/1) een aantal andere voordelen op, maar legt meer klemtoon op de nadelen. Die zijn reëel. Zo schrijft hij: ‘Een samenvatting maken met AI is niet even leerzaam als die samenvatting zelf maken.’ Dat is zeker waar. Je leert meer uit de worsteling om zelf een samenvatting te maken, dan uit het lezen en herlezen van een hapklare AI-tekst. Sterker nog: in het huidige stadium zijn die samenvattingen ondermaats.  Mijn zoon zegt het krachtiger: ‘Die samenvattingen van AI zijn pure shit.’
     Een van die nadelen die Brys opsomt vind ik echter onzin.
 

‘Daar komt nog bij dat AI-chatbots … de ongelijkheid versterken tussen AI-geletterden en AI-ongeletterden.’

        Wat is dat nu voor een nadeel? Het is alsof je zou zeggen dat de uitvinding van het schrift de ongelijkheid versterkte tussen geletterden en analfabeten.
     Ik ben het overigens eens met de conclusie van Brys: 

 Daarom is het essentieel dat onderwijsinstellingen en leerkrachten onderscheiden waar en hoe AI onderwijs ondersteunt, en waar ze dat niet doet. In dat laatste geval wordt AI best verbannen, al besef ik dat zoiets niet makkelijk afdwingbaar is.      

maandag 2 februari 2026

De poortwachter in Dominique Willaert

  Het onderstaande stukje gaat over een commentaar van Dominique Willaert, die ik ten onrechte toeschreef aan de beroemde schrijver Jeroen Olyslaegers. Ik schaam mij natuurlijk voor mijn fout. 

   Dominique Willaert maakt zich op FB kwaad omdat er in De Standaard (30/1) een stukje stond van Ignaas Devisch dat de vergelijking tussen Trump II en het nazisme – ‘de jaren ’30’ – afwees. Ik heb dat stukje van Devisch  gelezen toen het verscheen en er verder niet veel aandacht aan besteed. Er zat in dat stukje geen stukje voor mij in. Over het onderwerp zelf heb ik al veel geschreven, en daardoor ook weinig nieuws te melden. Devisch schreef niets dat ik dringend wou weerleggen, maar ook niets dat ik wou overnemen en parafraseren om het niet te vergeten. Maar Willaert maakt zich dus kwaad. Het stukje is slordig, Devisch heeft veel te veel meningen, en ten slotte: hij mist de moed om de zaken te benoemen, dat laatste uit angst om niet meer uitgenodigd te worden in TV-studio’s.
        Dat is een eerbaar oordeel, dat ikzelf echter niet zo zou durven uitspreken. Mijn eigen stukjes zijn ook soms slordig, ik heb ook veel meningen – ik zou daar eigenlijk beschaamd over moeten zijn – en ik heb ook de neiging om als het even kan gematigde standpunten in te nemen, al is dat niet in de hoop om in TV-studio’s te worden uitgenodigd. Maar mag ik erop wijzen dat Willaert zich in zijn eigen stukje  tegenspreekt. Hij schrijft

 Het stuk [van Devisch] begint met een zachte veeg uit de pan aan Christoph Busch, de directeur van het Hannah Arend instituut … Waarom maakt mij dit kwaad? Om Omdat er in ons intellectuele landschap weinig tot geen generositeit bestaat. Telkens voelt er 'een deskundige' de aandrang om de andere deskundige te komen overbluffen en overtroeven. Vaak met argumenten die enkel en alleen het dweepzieke en narcistische karakter van de auteur versterken, maar niets wezenlijks bijdragen aan het democratische, publieke debat.

       Het is niet erg consequent om Devisch te hekelen voor zijn gebrek aan generositeit jegens Busch, als je daarna je opponent een dweepziek en narcistisch karakter toeschrijft. Willaert verwijt Devisch dat hij niet de mening deelt van Dirk Verhofstadt zoals uiteengezet in diens ‘Dagboek 1933’. Devisch zou dat boek moeten lezen, en en zou naar dát boek verwijzen in publieke tussenkomsten, ‘in plaats van telkens zijn eigen kwakje te komen droppen’.
     Het is niet aan mij om te zeggen hoe Willaert zijn polemiek moet voeren. Ik had liever een weerlegging gelezen van Devisch zijn standpunt, dan een verzameling scheldwoorden, intentieprocessen en gezagsargumenten, aangevuld met morele verontwaardiging. Maar ik ben de eerste om toe te geven dat morele verontwaardiging, een aardig scheldwoord, een boosaardig intentieproces, en af en toe een gezagsargument hun plaats hebben in een woordenstrijd. Ik heb dus weinig reden om mij, zoals Willaert, kwaad te maken. En dat hij tegelijk generositeit eist zonder die zelf te beoefenen is ook al niet iets om zwaar aan te tillen. Wie zelf nooit inconsequent is, werpe de eerste steen.  

   Nee, het is iets anders dat mij dwarszit. Willaert schrijft:

Dergelijke opiniestukken beschouw ik als een vorm van schuldig verzuim. En ook de poortwachter van de opiniepagina's verklaar ik mee schuldig. Omdat dit soort stukjes geschreven zijn door mensen die vanuit een ivoren toren - noch weten, noch voelen, noch begrijpen - wat het voor de honderdduizenden Amerikanen met een migratieachtergrond betekent om  etc. …     

Het is dat ‘poortwachter van de opiniepagina’s’ dat mij dwarszit. Onze pers bestaat in de praktijk uit een oligopolie, en in die omstandigheden heb ik het liefst dat de opinie-pagina’s zonder ideologische poortwachter tot stand komen. Idealiter (klemtoon op de á) zouden er stukken moeten komen die de uitwijzingen van Trump verdedigen als noodzakelijk beleid, naast stukken die ze analyseren als het point of no return op de weg naar het fascisme. Ik begrijp heel goed de bezwaren tegen die twee extreme standpunten. Ik begrijp ook heel goed dat men bezwaren maakt tegen voorzichtige tussenposities zoals die van Devisch. Maar dat men die voorzichtige tussenposities door een poortwachter wil laten tegenhouden, dat geeft blijk van een gevaarlijk hellend vlak – dat trouwens ook zijn plaats verdient op de opiniepagina’s. Ik zou als poortwachter het stuk van Willaert in elk geval niet hebben tegengehouden.     

*** 

    Willaert pleit niet voor een overheidscensuur. Wat hij voorstelt is veeleer een vrijwillig cordon médiatique. Maar waar waar eindigt dat cordon? Je begint met het uitsluiten van ‘fascistische’ standpunten. Goed, je kunt niet alles publiceren. Daarna sluit je standpunten uit die ‘aanleunen’ bij fascistische standpunten. Dat aanleunen is natuurlijk nogal rekbaar. En dan eindig je met het uitsluiten van oproepen tot dialoog met de extremen. Dan is alleen nog de ‘antifascistische’ analyse toegelaten. De discussie over de VS onder Trump II wordt beperkt tot de mening dat het fascistische keerpunt is bereikt, dan wel dat het elk moment bereikt kan worden. Ik zou die twee standpunten op de opiniepagina’s niet willen missen, maar ik wil ook wel eens een ándere mening lezen.

***

     Op een andere FB-pagina las ik een antwoord op Devisch dat rechter op het doel af ging. De auteur stelde de vraag of men de discussie met extreem-rechts moest aangaan. Het antwoord bestond uit twee delen. Ja, men moest een open gesprek aangaan met de ‘rechtse arbeiders’ en zich oprecht interesseren voor hun bekommernissen*. Nee, men moest geen open gesprek aangaan met extreem-rechts vanuit de veronderstelling dat zich daar misschien een deel van de waarheid bevond. Dat standpunt kan ik billijken. Iedereen mag zelf beslissen met wie hij een open gesprek wil aangaan en van welk open gesprek hij redelijkerwijze verwacht dat er Waarheid uit zal voortkomen. Ook wil ik niet graag beslissen waar de grens ligt tussen naïviteit en bekrompenheid. Zelf hou ik het meest van een mengsel van goedgelovigheid en cynisme.

  

* Dat standpunt vindt men reeds terug in documenten van de Communistische internationale van ‘de jaren 30’.