zaterdag 3 januari 2026

Kortjes

Mijn dagelijkse portie linkse FB-posts
     Op mijn FB-feed krijg ik dagelijks enkele groen-linkse posts te zien. De meeste lees ik zonder ergernis of leedvermaak, terwijl dat toch gevoelens zijn die mij wel eens overvallen bij het lezen van krantencommentaren en stukken in het opiniekatern van De Standaard. Soms voel ik bij die groen-linkse tweets een soort schaamte, en stel ik mij de vraag: ben ik ook zo geweest? Maar bij de stukjes van D. bijvoorbeeld stel ik mij die vraag nooit. Daar weet ik het antwoord: ja, ik ben ook zo geweest, met precies dezelfde mengeling van emotionaliteit, moralisme en absolute zekerheden. Mijn vroegere ik is het met alles eens wat hij schrijft, behalve met zijn halfzachte meningen over onderwijs.
     Laatst vertelde hij dat hij wat snotterde en daarmee naar de dokter ging. Die liet hem kiezen: thuisblijven of gaan werken. De eerste reactie van D. was om te gaan werken. Hij is leraar, en zo kort voor de examens, zou hij het gevoel hebben dat hij zijn leerlingen in de steek liet. Maar toen bedacht hij dat zo’n houding van weinig solidariteit getuigde met de zieken die nu ‘door de rechtse regering aan het werk worden gejaagd.’ Hij onderdrukte zijn ‘kleinburgerlijke’ reflex en bleef thuis. Ik zou geloof ik ook zo geredeneerd hebben.


Het vrouwenduel
     Op mijn FB-feed zag ik op verschillende plaatsen iets verschijnen over een merkwaardig duel op de degen dat zou zijn uitgevochten in 1892 tussen prinses Pauline Meternich en gravin Anastasia Kielmansegg. Ik heb niet gecontroleerd of het echt gebeurd is. Dat factchecken heeft vandaag veel van zijn charme verloren omdat het zo gemakkelijk geworden is, en bovendien: si non e vero … Sommige verhalen, zegt Karel van het Reve, zijn te mooi om ze op hun waarheidsgehalte te controleren.
     Een pikant detail in het verhaal is dat de vrouwen met ontbloot bovenlijf vochten, om te vermijden dat bij verwonding stukjes tekstiel in het lichaam kwamen. Zoiets kon in die tijd voor dodelijke infecties zorgen. Fatsoenshalve waren dus ook geen mannen aanwezig, maar alleen vrouwen die optraden als secondant en als medische hulpverlener. Het was, zou je kunnen zeggen, een feest van emancipatie.
     Ik heb even getwijfeld of ik het bericht zou doorsturen naar een feministische vriendin. Misschien kon ik haar daarmee een plezier doen. Maar toen las ik wat de aanleiding van het duel was: een meningsverschil over bloemschikking. Misschien vond mijn vriendin dat wel een kwalijke stereotypering 


Anja Meulenbelt
      Anja Meulenbelt heeft dus de PC Hooftprijs voor beschouwende literatuur gewonnen. Mijn vrouw vertelt dat ze op haar werk een duidelijke generatiekloof vaststelt. De wat ouderen kennen Anja Meulenbelt al heel hun leven, de jongere generatie hoort nu voor het eerst naam.
      Ikzelf behoor tot de Amada-generatie. Wij lazen De schaamte voorbij op onze manier. Uiteraard hadden wij ook belangstelling voor Anja’s zoektocht naar het ultieme orgasme, maar we lazen het vooral als een afrekening met het maoïstische milieu in Nederland, dat, onder ons gezegd, nog veel erger was dan dat in Vlaanderen. Maar wat Anja daarover schreef was toch ‘de schaamte voorbij.’ Zelfs als het waar was wat ze schreef – en het wás waar – mocht je dat niet schrijven. Je speelde ermee in de kaart van de klassevijand. De titel had moeten zijn: Ik moest beschaamd zijn.
     Zoveel jaren later stel ik vast dat ik niet op mijn tegel ben blijven staan. Anja wel. Aan het einde van De schaamte voorbij was ze nog maar een halve maoïste meer. En dat is ze nog altijd geloof ik. 

Jane Austen
     Op 16 december vierden Janeites de 250ste geboortedag van de schrijfster. De zeer belezen Dirk Ooms plaatste op zijn FB-pagina een fragment van W.H. Auden dat ik niet kende (of vergeten was). In het fragment is ‘you’ de schandaalauteur Lord Byron en ‘she’ Jane Austen.

        You could not shock her more than she shocks me;
        Beside her Joyce seems innocent as grass.

     Ik voel precies wat Auden bedoelt. Joyce is een naïeve romanticus die zichzelf heeft moeten overwinnen om de werkelijkheid te zien zoals ze is. Hij wil die overwinning op zichzelf heel graag laten blijken. Maar Jane Austen lijkt als een keiharde realiste geboren te zijn. Ze voelt geen behoefte om illusies te bestrijden. Illusies zijn haar speelgoed. 


Palestina en de ‘westerse christenen’
     Op de opiniepagina’s van De Standaard staat op de vooravond van Kerstmis een opvallende, maar ook voorspelbare kop: ‘Kindeke Jezus tussen de puinhopen.’ Die puinhopen zijn natuurlijk die van Gaza. Het is echter de inleiding van het stuk dat mijn aandacht trekt: ‘Was Jezus vandaag geboren,’ schrijft Lofti Hamidi, dan lijdt het geen twijfel aan welke kant van de muur hij zich zou bevinden. Wrang dat juist westerse christenen zich achter de onderdrukker scharen.’ 
     Wat is er nu weer aan de hand met de westerse christenen?
      Ik lees snel het stuk. ‘Hoe een aanzienlijk deel van de westerse christenen … pal achter Israël staat vanwege een Bijbelse voorspelling over het einde der tijden.’ Het einde der tijden? Ik ken niet veel christenen in mijn onmiddellijke omgeving die dáármee bezig zijn. Ik ken ook niet veel mensen van wie het Israël- of Palestina-standpunt van dat apocalyptisch visioen afhangt. Misschien in Amerika? Je weet maar nooit met die gekke predikanten. Maar wat doet die verwijzing dan plompverloren in de lead van een Vlaams krantenartikel?


Parsen
     Omdat ik soms artikels van Quillette aanklik, kreeg ik in mijn mailbox een kerstboodschap van managing editor Iona Italia. Het begon als volgt:  

Dear Philippe, even though personally I’m a non-believer—and as a Parsi, the god I don’t believe in is the Zoroastrian deity, Ahura Mazda—I’ve never gone a year without celebrating Christmas.   

    Dat bijzinnetje met as a Parsi was fraai gezegd. Onmiddellijk moest ik denken aan het gedicht van J.H. Leopol– eigenlijk een vertaling van Al-Ma’arri (973-1057):

            Christenen, Joden, Parsen, Moslemin
            zij dolen allen; voor wie toe wil zien,
            vervalt de ganse mensheid slechts in tweeën,
            twee soorten enkel worden er ontdekt:
            intelligente mensen zonder vroomheid
            en vrome mensen zonder intellect.


 Moderne woorden als narratief en iconisch
      Van sommige moderne woorden die uit het Amerikaans komen overgewaaid weet ik dat ik ze nooit zal gebruiken. Maar er zijn twijfelgevallen. ‘Iconisch’ zou ik niet gebruiken als synoniem van ‘belangrijk’, maar van Diane Keaton of Vivian Leigh zou ik wel durven schrijven dat hun naam vastgeklonken is aan een ‘iconische’ film. De betekenis is dan ‘belangrijk voor een vorige generatie.’ Over dertig jaar zou men de Harry Potter-boeken en films van mij ‘iconisch’ mogen noemen.
     ‘Narratief’ is ook zo’n twijfelgeval. Ik zou het gebruiken in de betekenis van ‘framing’, maar zonder negatieve bijbetekenis. Iets als: ‘een bepaalde versie van de feiten.’ Maar ik zou vermijden om, zoals Heleen Debruyne (DS – Terugblik 2025), te spreken van een ‘neoliberaal narratief’. De journaliste die het interview van Debruyne afneemt gebruikt het woord ook zo. Ze spreekt van de ‘narratieven van de goede moeder’. Ik zou in die gevallen spreken van ‘ideologie’, al is dat ook geen mooi woord. 

 

Expertologen
     Wetenschapsredacteur Maxie Eckert bespreekt (DS 27/12) de verantwoordelijkheid van de journalist die een expert aan het woord laat. ‘Quoting a scientist is not the same as quoting science.’ Men had in de corona-periode te veel stamcelonderzoekers, gezondheidseconomen en amateurrekenaars aan het woord gelaten die

geen deel waren van een wetenschapsgemeenschap waarin de nieuwste inzichten werden gewikt en gewogen. Ze waren buitenstaanders … Laat dit een pleidooi zijn om de experts die we een forum geven, kritisch te selecteren en om te toetsen hoe hun uitspraken zich verhouden tot de collectieve kennis van de wetenschapsgemeenschap. Om je als journalist goed in te lezen en je bullshitdetector fijn af te stellen. Om tijdens het gesprek de expert naar bewijslast voor gedurfde stellingen te vragen.

     Dat zijn terechte opmerkingen, maar het is moeilijk om uit de cercle vicieux te raken. De journalist is immers zelf ook geen lid van de wetenschapsgemeenschap. Hij kan dan ook moeilijk de ‘bewijslast’ evalueren die elke expert ongetwijfeld kan op tafel kan leggen. Ik zou dan ook vooral een brede selectie van experts bepleiten. De wetenschappen waar kranten over berichten zijn vaak van de minder exacte soort, sterk leunend op statistiek en niet altijd makkelijk te scheiden van ideologische vooroordelen. Ik denk aan gezondheidswetenschappen, economie, sociologie, politicologie. Ik besef het gevaar van een onkritische keuze bij het zoeken naar de beste experten, maar ik ben nog banger van een eenzijdige keuze.


Boekenlijstjes
     De Standaard (27/11) publiceert twee top-tienlijstjes die door lezers zijn samengesteld. Het eerste lijstje dateert van 1957 en bevat de ‘belangrijkste Nederlandstalige boeken’ tussen 1900-1950. Het tweede lijstje is er een van de huidige lezers en beslaat de jaren 2000-2025. Van het eerste lijstje heb ik alle boeken gelezen, behalve één. Van het tweede lijstje heb ik geen enkel boek gelezen, behalve één. Ik moet eraan toevoegen dat het nieuwe lijstje één titel bevat die ik van plan ben om binnenkort te lezen, en dat ik de meeste boeken van het oude lijstje onder dwang van leraren en professoren heb gelezen. Die oude boeken worden aangevoerd door De Vlaschaard van Stijn Streuvels. Volgens mijn eigen definitie is dat een ‘iconisch’ boek. Het was geloof ik de enige boektitel die mijn grootmoeder kende, al las ze dagelijks in La Libre Belgique en las ze maandelijks de Nederlandse Readers’ Digest van kaft tot kaft.
     Ook in een vorige Standaard (20/11) stonden boekenlijstjes. 70 ervaren lezers, vooral journalisten en occasionele medewerkers van de krant, mochten hun boek van het jaar, en hun boek van de voorbije 25 jaar voorstellen. Eigenaardig genoeg waren twee titels populair die ik dit jaar wél gelezen had. Als Rusland wint van Carlo Masala is een dun boekje dat ik staande in een boekenwinkel heb gelezen. Het ontvouwt een scenario van wat er gebeurt als Rusland in Oekraïne wint. Spoiler: Esland wordt aangevallen en de Nato durft niet reageren. Het andere boek was Het complot tegen Amerika van Philip Roth. Ik heb het gelijktijdig met mijn vrouw gelezen: zij op papier en ik op mijn reader. Het is natuurlijk goed geschreven, slim gestructureerd met af en toe een korte of uitgebreide vooruitblik op de rest van het verhaal. Maar het boek heeft mij ook aan het denken gezet over begrippen als identiteit, integratie en assimilatie. Dat die identiteit in dit geval de Joodse is, doet niet erg ter zake. 


Thierry Breton
      De Verenigde Staten hebben natuurlijk het recht om Thierry Breton* een inreisverbod op te leggen. Toen ik voor het eerst naar de VS reisde heb ik een verklaring moeten ondertekenen dat ‘I am not and have never been a member of the Communist Party’. Dat is misschien een beetje kleinzielig van de Amerikanen, maar het is hun recht. En ik ga nu zeker ook Breton niet verdedigen, zoals Hans Cottyn doet (DS 27/12):

Thierry Breton is het brein achter de Digital Service Act, de Europese regelgeving die Musk & Co een doorn in het oog is. De Amerikanen noemen democratisch tot stand gekomen wetten al snel censuur … De online haat en desinformatie aan banden leggen, is één van de essentiële taken van de overheid die wil voorkomen dat een samenleving uit elkaar valt.

         Als de Amerikanen het aan banden leggen van ‘online haat en desinformatie’ censuur noemen, hebben ze gelijk, ook als dat gebeurt met democratisch tot stand gekomen wetten. In een ander stuk van dezelfde krant wordt betreurd dat miljardair Bolloré een deel van de Franse media in handen heeft. 

Ideeën die lang taboe waren, voeden via Bolloré’s media hun weg naar het publieke vocabulaire. Termen als ‘grand remplacement’ werden genormaliseerd. 

     Zou de overheid, in de redenering van Cottyn, ook dié vormen van ‘haat en desinformatie’ aan banden moeten leggen? En welke andere taboes moeten er dan nog in stand worden gehouden?

*Zie mijn eerder stukje over Breton, met een verwijzing naar de fameuze brief die de eurocommissaris indertijd stuurde naar Elon Musk. (hier)


Het verdeelde Trump-kamp
     Het interview met de rechtse, maar Trump-kritische, ideoloog Richard Hanania (DS 27/12) is grotendeels mislukt. Dat kan aan de interviewer, de geïnterviewde of aan de omstandigheden van het interview liggen. Toch bevat het interessante informatie over de verdeeldheid in het populistische kamp, en met name over het Epstein-dossier. Daarover zegt Hanania:

Dat is echt een onderwerp waarover Trump niet op één lijn zit met zijn achterban. Trump zegt: vergeet dit toch. Maar veel Republikeinen  en consumenten van rechtse media zijn erdoor geobsedeerd.

     Dat is een zwak punt van de populisten. Ze kunnen hun achterban opstoken met praatjes over Hillary Clinton die deel uitmaakt van een pedofilienetwerk, maar zulke mensen zijn geneigd om álle praatjes over pedofilienetwerken te geloven. 


De Boose en de rampen.
     
Johan De Boose is niet bang van een Russische agressie. Ook tijdens de Koude Oorlog was hij er gerust in.        

Geloven we echt, vraag ik mij dagelijks af, dat er straks een kolossale troepenmacht uit het land van Ivan de Verschrikkelijke op het marktplein zal verschijnen, die onze vrouwen zal ontvoeren, onze mannen ontmannen en onze huizen slopen? Nee, dat zal niet gebeuren, lieve mensen. Het is al veel, veel erger.

     Hoezo? Wat is er erger dan de verkrachting van onze vrouwen, de castratie van onze mannen en de vernietiging van onze huizen? De Boose weet het antwoord: de klimaatramp (‘de bom tikt’), de migratieramp (‘fascistische straffen voor wie illegalen steunt’) de genocideramp (‘eeuwenoude dilemma’s die evenmin met tomeloos geweld worden opgelost’), 

en boven op dit alles, op nummer één van alle rampen, prijkt de big brother technologie die ons met hoerige listen manipuleert en ons op hybride manieren verkracht, ontmant en sloopt. 

     De enige ramp waar ik direct en dagelijks mee te maken heb is de technologieramp, en ik zou niet durven beweren dat die ‘veel, veel erger’ is dan wat zich bijvoorbeeld afspeelt aan het front in Oekraïne. 


 

Schermpjes en zelfeducatie

 Pedagogische chatbots

     Veel van mijn kennis heb ik te danken aan Wikipedia. De lezer moet zich daar niet veel van voorstellen, want het meeste van wat ik opzocht, was ik snel weer vergeten, maar ik geloof dat zo’n kennis toch ergens in het achterhoofd blijft hangen. Alleen was Wikipedia een strenge docent die geen vragen in de aula dulde. Soms was de uitleg te lang, soms te kort, en als het over  onderwerpen ging, bijna altijd te moeilijk voor iemand als ik.
    Met de chatbots is dat grotendeels opgelost. Ik verduidelijk in de prompt of ik een kort of een uitgebreid antwoord wil. En ik kan altijd bijkomende vragen stellen. Bijvoorbeeld. Ik lees een artikel over economische concurrentie en daar wordt in verwezen naar de Olley-Pakes decompositie. In één zin wordt uitgelegd wat die decompositie betekent. Als ik er meer over wil weten, stel ik de vraag aan Grok: ‘Wat is de Olley-Pakes decompositie?’ Ik krijg een uitleg die vol staat met wiskundige formules, Griekse letters en symbolen die ik niet kan thuisbrengen. Het soort de uitleg die ik van Wikipedia zou hebben gekregen als daarover een lemma was voorzien. Ik stel mijn vraag aan Grok opnieuw: ‘Kun je dat gemakkelijker uitleggen, met een eenvoudig fictief voorbeeld?’ En ik krijg onmiddellijk een antwoord dat begint met ‘Supereenvoudige uitleg. Stel: er zijn maar 5 kippenboerderijen in België …’ en eindigend met ‘Hopelijk is het nu kristalhelder.’
     Grok is de geduldige docent aan wie ik altijd vragen kan blijven stellen. Het is jammer dat leerlingen en studenten de chatbots kunnen gebruiken om hun opstellen of papers te schrijven. Dat is een pedagogisch nadeel. Maar de bots moeten een formidabele hulp zijn om een moeilijke cursus te begrijpen. 


Filosofische memes

     Ik heb mijn FB zo getraind dat ik weinig foto’s van katten zie, en weinig tegeltjes die mij ‘Goeiemorgen’ wensen. Daarentegen blijf ik memes zien voorbijkomen met uitspraken van filosofen en andere denkers. Als het om Amerikanen of Engelsen gaat, zijn de citaten in het Engels  en anders ook. Vaak zijn het parafrases, vervalsingen, of plattitudes, of baden ze in de sfeer van Bond zonder Naam. Neem dit citaat van Rudolf Steiner:

Where is the book in which the teacher can read about what teaching is? The children themselves are this book. We should not learn to teach out of any other book than the one lying open before us and consisting of the children themselves.

     Mijn eerste gedachte is dan, omdat Steiner hier toch Engels spreekt, kort en krachtig te antwoorden: ‘Claptrap!’ Mijn tweede gedachte is: hadden die Reformpedagogen, te beginnen bij Steiner zelf, maar niet zoveel boeken geschreven ‘about what teaching is!’
     Heel uitzonderlijk kom ik een uitspraak tegen waar ik wel over blijf nadenken. Laatst  zag ik er een die aan William James (1842-1910) werd toegeschreven: 

A great many people think they are thinking when they are merely rearranging their prejudices. 

     Nu, het is best mogelijk dat James zoiets nooit gezegd of geschreven heeft. Het komt in elk geval niet voor in The Variety of Religious Experience, want dan zou ik het hebben aangestreept. Maar het is een aardige gedachte. Onze vooroordelen als de elementaire deeltjes van ons denken. Alles wat we doen is ze wat anders rangschikken, zoals scheikundige processen met atomen doen.  

Elchardus en de vrije meningsuiting

     Mark Elchardus schreef een schitterende stuk op Doorbraak ter verdediging van de vrije meningsuiting*. Die wordt vooral bedreigd door wetgeving van 1981 om ‘aanzetten tot haat’ te bestrijden. Elchardus neemt vooral aanstoot aan de gebrekkige evaluatie van de wet. Er werd een evaluatiecommissie ingesteld  die in 2022 een eindverslag indiende. Daarin stond dat er onvoldoende gegevens waren om de doeltreffendheid van de wet te beoordelen, maar stelt tegelijk voor om de middelen uit te breiden om de wet af te dwingen. Elchardus stelt daarbij een aantal vragen die een uitgangspunt kunnen zijn voor onderzoek, bezinning of debat.

  • Waarom moet eenzelfde misdaad zwaarder gestraft worden als hij uit ‘haat’ werd gepleegd?
  • Hoe kan een rechter oordelen dat een misdrijf uit ‘haat’ werd gepleegd?
  • Hoe kan een rechter oordelen dat een boodschap daadwerkelijk ‘aangezet’ heeft tot ‘haat’?
  • Heeft een mens niet het recht om te ‘haten’, zolang hij geen geweld pleegt of discrimineert? 
  • Waarom schrijft de commissie dat een ‘haatboodschap’ schadelijker is dan de discriminatie zelf? Is ‘boem’ roepen erger dan iets in de lucht blazen?
  • Waarom introduceert de evaluatiecommissie de modieuze begrippen als ‘cyberhaat’ en ‘intersectionaliteit’? 
  • Is het redelijk, zoals de commissie vraagt, om slachtoffers van ‘intersectionele discriminatie’ te vergoeden voor elk kenmerk van het slachtoffer?** 
  • Waarom moeten, zoals de commissie vraagt, niet alleen slachtoffers maar ook actiegroepen het recht krijgen procedures tegen ‘haatboodschappen’ op te starten? 
  • Hoe gevaarlijk is de evolutie om drukpersmisdrijven in verband met racisme te laten behandelen door correctionele rechtbanken in plaats van door een traditionele jury?
  • Dienen boodschappen op de sociale media niet dezelfde bescherming – persvrijheid – te krijgen als die in de traditionele media?
  • Hoe rechtvaardig is het om sociaal zwakke mensen die zich onhandig uitdrukken gerechtelijk te vervolgen?

     Ik heb op elk van die vragen een onmiddellijk antwoord klaar dat teruggaat op de absolute prioriteit van het vrije woord. Elke inhoudelijke beperking van het vrije woord zie ik als een hellend vlak. Het antwoord van Elchardus gaat in dezelfde richting, maar is minder dogmatisch.

De antidiscriminatie-wetgeving is aan herevaluatie toe. Begrippen als ‘haat’, ‘haatboodschap’ en ‘haatmisdrijf’ moeten uit de wetgeving verdwijnen. De wet moet specificeren onder welke omstandigheden kan worden besloten dat een uitspraak ‘aanzet tot’ discriminatie of geweld. Er moet degelijke evidentie zijn: een aangetoond statistisch verband tussen dezelfde of gelijkaardige uitspraken en de gevreesde gevolgen, redelijke aanwijzingen dat de persoon die de woorden zegt of schrijft voldoende invloed heeft om de gevolgen te veroorzaken.

     Wie zoals ik het argument van een hellend vlak gebruikt, weigert een grens te trekken. Elchardus wil die grens wel trekken, door nauwkeurig de gevolgen af te wegen. Als een statistisch verband kan worden aangetoond tussen bepaalde uitspraken en bepaalde gevolgen, dan kan vervolging worden ingesteld of een veroordeling worden uitgesproken.
      Hij doet mij hier denken aan het ‘consequentialisme’ van Etienne Versmeersch die vond dat men altijd de gevolgen moest afwegen. Eerst vond Vermeersch dat pedofilie niet noodzakelijk strafbaar moest zijn. Later veranderde hij van mening toen een statistisch verband kon worden aangetoond tussen pedofilie en daaruit volgende psychologische trauma’s. Herman De Dijn ging daar niet mee akkoord. Het verbod op pedofilie kon beter als een onaantastbaar taboe worden beschouwd, zei hij.
      In de kwestie van vrije meningsuiting volg ik instinctief de dogmatische logica De Dijn. Maar ik ben blij dat ik in Elchardus een medestander heb die de consequentialistische logica toepast. In een democratie komt je daar een stuk verder mee. 


Het Doorbraak-stuk van Elchardus staat hier

** Men kan het juridische probleem rond intersectionele discriminatie als volgt samenvatten: ‘Moet een allochtone lesbische bejaarde bij discriminatie vier keer vergoed worden: als vrouw, als allochtoon, als lesbienne en als bejaarde?’

vrijdag 2 januari 2026

Overheidsbeslag en belastingsdruk

     Je kunt een chatbot gebruiken om moeilijke vragen te laten beantwoorden, maar dan moet je veel geduld en kritische zin hebben, en blijven doorvragen over inconsistenties. Maar als iemand die niet veel weet, stel ik ook voortdurend makkelijke vragen, waarop ik een snel antwoord wil krijgen. Een van de weinige cijfers die ik uit mijn hoofd ken, is dat van het overheidsbeslag in België. Dat bedraagt 54 procent.  Maar als ik dan ergens lees dat de belastingsdruk bij ons 43 % bedraagt, dan wil ik graag het verschil tussen die twee cijfers begrijpen. Bij Grok word ik op mijn wensen bediend. De belastingdruk bestaat uit alle belastingen plus sociale bijdragen. Het overheidsbeslag bestaat uit alle uitgaven van de overheid. In cijfers (2023-2024)

  • Totale belastingen + sociale bijdragen                                           43 % van bbp
  • Andere ontvangsten                                                                            3-4 % van bbp
  • Begrotingstekort                                                                                  5-6 % van bbp 
  • Samen: totale ontvangsten = totale uitgaven                                53-54 % van bbp.

     De cijfers kloppen niet helemaal, maar ik ben tevreden met de grote lijnen. Ook kom ik te weten wat die ‘andere ontvangsten’ zijn: dividenden op aandelen (Proximus, bpost, Belfius …), verkoop van overheidsactiva (gebouwen, vergunningen, 5G-veilingen …), boetes, retributies, erfpacht, loterij, rente-inkomsten …
     Uiteraard is die 43 % belastingdruk een gemiddelde. Kleinverdieners betalen bijna geen inkomensbelasting en enkel RSZ-bijdragen, BTW en taksen. De middenklasse draagt gemakkelijk 60 tot 70 procent van het inkomen af.

Korte kortjes

Palestine is everywhere
     Laatst wees ik erop dat de slagzin ‘Global Palestine’ doet denken aan de oude leuze: ‘Een, twee, vele Vietnams.’ Maar nu vond ik een slagzin die er nog meer op leek: ‘Palestine is everywhere.’ Het was de titel van een boek die ik in een boekenwinkel zag staan. Ik was verbaasd over de grote hoeveelheid links-theoretische boeken er vandaag gepubliceerd worden.


 Pfas in het kraantjeswater
     Journalisten die over Pfas in het kraantjeswater moeten schrijven, zitten in een moeilijk parket. Ze moeten kiezen tussen twee scholen van politieke correctheid. Enerzijds behoren ze tot wat Steven Pinker noemt the carcinogen-du-jour school of journalism. Maar anderzijds hebben ze de morele taak op zich genomen om hun lezerspubliek uit te leggen hoe gezond en hoogstaand het niet is om kraantjeswater te drinken. Ze staan voor de moeilijke keuze tussen een alarmistische aanklacht en opvoedende preek? Het resultaat is dan een zeldzaam genuanceerde berichtgeving over de drempelwaarden, en de raad om geen kraantjeswater te gebruiken voor babyvoeding. Maar van een paar glaasjes Pfas-water gaat een volwassene niet dood, zoals Jean-Luc Dehaene niet dood ging van een dioxine-kip op de barbecue. Hij verloor er alleen de verkiezingen door.


DT-fouten en journalistieke overdrijvingen
     Een belangrijk argument tegen dt-fouten (ik maak er dagelijks) is dat het de aandacht van de lezer afleidt. De lezer kan alleen nog maar aan die fout denken. Ik heb hetzelfde met een aperte overdrijving in een journalistiek stuk. Ik lees het artikel van Corry Hancké over de Partido Popular en Vox. Het is een beschaafd, interessant artikel. Maar dan lees ik ‘In de onderhandelingen over het regeerakkoord in Extremadura eist Vox dat alle wetten die vrouwen beschermen verdwijnen.’ Dat móet een overdrijving zijn, denk ik, en na enig opzoekwerk weet ik het zeker.
 
     Ik neem Hancké die overdrijving niet kwalijk. Ze kunt in zo’n overzichtsartikel niet álles genuanceerd uitleggen. Maar het maakt het voor mij moeilijker om mijn aandacht bij de rest van het stuk te houden.


Schaatsbaan
     We waren aan het slenteren door de Oostendse winkelstraten. ‘Gaan we even op de schaatsbaan?’ vroeg mijn vrouw. Dat was een grapje natuurlijk. ‘Schaatsen is iets voor romcoms,’ heb ik geantwoord.


Fiscale fraude
     Men stelt het vaak voor alsof fiscale fraude gemakkelijk is voor iemand die veel geld en invloed heeft. Maar het verhaal van D idier Reynders laat zien dat dat niet waar is. Reynders was een van de meest invloedrijke politici van ons land en om een som zwart geld wit te wassen, zag hij zich genoodzaakt om wekelijks een aantal lotjes te kopen. Is dat niet zielig? 



Eurobonds
     Ik heb als burger van dit land en als sympathisant van De Wever veel plezier beleefd aan onze overwinning rond Euroclear. De Europese steun aan Oekraïne zal niet verlopen via de confiscatie van Russische tegoeden, maar via een Europese lening met eurobonds. Dat was de verantwoordelijke keuze. Maar Joshua Livestro komt nu mijn plezier vergallen met een opiniestuk in De Standaard (29/12). Hij juicht de lening toe omdat ze een precedent schept om in de toekomst nog meer leningen aan te gaan. Hier sta ik weer aan de kant van de ‘vrekkige lidstaten’ zoals Duitsland.


Het protectionisme van Trump
     Wat is de gemiddelde heffing die de VS opleggen voor geïmporteerde producten. Mijn beeld daarvan is bepaald door de tabel die Trump op televisie liet zien: 46 %, 32 %, 24 %, 26 %, 25 %, 36 % enzovoort. En iedere keer dat ik een stuk lees over die heffingen komt er in mijn hoofd een procent bij. Een artikel van Ruben Mooijman (DS 29/12) plaatst dat in perspectief: ‘Gemiddeld heffen de VS nu 11 procent op hun geïmporteerde producten.’ 
     11 procent, dat is een cijfer dat ik kan onthouden.


Le consentement
       In DSL (27/12) schrijft Anaïs Van Ertvelde iets over de autobiografie Le consentement:

Springora gebruikt haar kennis van de literaire wereld om M., de vermaarde auteur die haar en vele andere kinderen misbruikte, en iedere uitgever, recensent, journalist en collega die ervan wist, ter verantwoording te roepen.

     Ik zou in plaats van ‘kinderen’ de woorden ‘jonge meisjes’ gebruikt hebben. Maar vooral, waarom vermeldt de journaliste niet dat niet alleen uitgevers, recensenten, journalisten en collega’s maar ook alle lezers van M.’s boeken van dat misbruik op de hoogte waren? M. schreef daar toch openlijk over?



 Een provinciale kijk
     DSL (6/12) bevat een korte recensie over een nieuw uitgegeven boekje van Tolstoj. Het heet Leven en dood, en bevat citaten die Tolstoj verzamelde tijdens zijn lectuur. Ik citeer:

Elke dag voorziet Tolstoj in een aantal citaten van de meest uiteenlopende (weliswaar haast uitsluitend mannelijke) denkers: Schopenhauer, Tsjechov, Marcus Aurelius, John, Milton, maar ook Indiase mystici, Perzische dichters en (vaak onbekende) boeddhistische filosofen.

     Zou de recensent beseffen dat hij of zij met de toevoegingen tussen haakjes een wel erg provinciale kijk op cultuur laat zien, waarvan de ene toevoeging weliswaar meer de lachlust opwekt dan het tweede. 

donderdag 1 januari 2026

Eindejaarslijstjes


      Wat eindejaarslijstjes betreft ben ik een free-rider. Ik lees met veel genoegen de lijstjes van anderen die de moeite hebben gedaan om hún beste boeken, films, tv-series en muziek op te schrijven en te rangschikken. Ik noteer titels die voor mij van belang kunnen zijn. Maar ik zie er tegenop om zelf zo’n lijstjes samen te stellen. In de loop van het jaar schrijf ik wel eens een commentaar over een film, tv-serie of boek, maar dat gaat meestal over iets bijkomstigs, één of andere gedachte die mij naar aanleiding van die film, tv-serie of boek te binnen geschoten is. 
 
     Het heeft ook met mijn onzekerheid te maken. Wat zullen anderen, die zo veel meer van boeken, films en muziek afweten wel van mijn lijstje denken? Zullen ze mij niet uitlachen als ik zeg dat ik tranen in de ogen heb gekregen bij de autoracefilm F1? Zal een Bob Dylan-kenner niet op mij neerkijken als ik zeg dat ik al drie keer A Complete Unknown heb gezien? Of als ik zeg dat ik veel plezier beleefd heb aan het in eigen beheer uitgegeven Hellehond-Hellhound van Ed Van Gasse. (Zie hier en hier.)

     Waar ik wel bij wijlen toe in staat ben, is het maken van excentrieke lijstjes zoals: beste muzikale eindscènes in films. Daarvan heb ik er dit jaar drie toegevoegd aan mijn lijst

  1. Gold Diggers of 1933
  2. 8 femmes
  3. Emilia Perez

     Over Gold Diggers heb ik al geschreven*. 8 femmes kende ik niet. De film behoort tot een genre waar ik geen enkel ander voorbeeld van ken. Hij bevat elementen van whodunit-parodie en musical, maar uiteindelijk blijkt het een tragedie vermomd als farce. Emilia Perez eindigt met een menigte die een Spaans lied zingt. Het duurde even voordat ik de muziek en tekst van Georges Brassens herkende. Ook 8 femmes eindigt trouwens met Brassens. 
     Mijn vrouw neemt mij de laatste tijd wat vaker mee naar optredens, maar niet vaak genoeg om er een lijstje uit te distileren. Als je maar vijf optredens hebt bijgewoond kun je daar geen top-vijf uit samenstellen. Het Zesde Metaal zakte af tot in Keerbergen en Yevgueni tot in het naburige Bonheiden. Mijn gedachten dwalen bij zulke optredens gemakkelijk af, omdat ik de teksten niet goed kan begrijpen. Wannes Capelle heeft leuke bindteksten, maar terwijl hij zingt komt om de twee minuten de gedachte op dat die muzikanten niet, zoals ik eerst dacht, uit het zesde Metaal komen maar, geloof ik, uit de zesde Latijnse. Bij Yevgueni moet ik denken aan de tijd dat ik wel eens een foto van Klaas Delrue vond in de klasagenda van leerlingen. 25 jaar geleden was hij een meisjesidool. Ondertussen ziet hij eruit als een vriendelijke bakker. Ook vroeg ik mij herhaaldelijk af waarom hij in zijn bindteksten verzorgd Vlaams spreekt terwijl hij zijn liedjes in het Boudewijn De Groot-Nederlands zingt. 

     Kommil Foo heb ik vorig jaar twee keer gezien, want mijn vrouw had al zo vaak de kans gemist om tickets te bemachtigen dat ze nu altijd meteen toehapt als er ergens nog plaatsen vrij zijn. Dankzij die optredens kan ik nu een ander excentriek lijstje aanvullen: liedjes over eenzaamheid. 

  1. Ma solitude van Georges Moustaki 
  2. La solitude van Barbara 
  3. Mijn gezelschap van Kommil Foo/Hans Dorrestijn**
        In alle drie de liedjes wordt de eenzaamheid als een persoon voorgesteld. Moustaki wordt er sentimenteel van (une douce habitude), Barbara is scherp (avec ta gueule de carême) en Kommil Foo gaat nog wat verder (eenzaamheid kun je de hals niet afsnijden / al heb je nog zo’n scherp mes en al tril je van haat.)
     Ook zegt Kommil Foo iets over de eindejaarseenzaamheid. Sommige mensen zijn eenzaam omdat er niemand op bezoek komt, terwijl anderen feest vieren. Maar erger is de eenzaamheid van de introverten die ook in gezelschap eenzaam blijven: die eenzaamheid houdt zich verscholen voor het bezoek, maar zit mee aan tafel
 
     Leuk is dat zowel Moustaki als Kommil Foo commentaar leveren over de eenzaamheid als je alleen in bed ligt. Moustaki blijft op de vlakte:

           Quand elle est au creux de mon lit
           Elle prend toute la place

     Maar Kommil Foo gebruikt hetzelfde motief om over te gaan tot grove beledigingen:

            Geen meetlint volstaat om jouw taille te meten, 
            Je hebt geen figuur om op de weegschaal te staan 
            Je ligt naast me in bed aan weerszijden.


* Over Gold Diggers en andere muzikale eindscènes, zie mijn stukje hier.
** Nou ja, die tekst schijnt van Hans Dorrestijn te zijn, maar dat is niet de manier waarop hij in mijn leven is gekomen De versie van Dorrestijn is humoristischer, met alle voor- en nadelen die daaraan verbonden zijn.

woensdag 31 december 2025

Het Lenin-gedicht van Herman Gorter

     In het vijfde en zesde middelbaar hadden we achtereenvolgens les van meneer Debrouwere en meneer Delameilleure. Ze gebruikten het handboek De dubbelfluit van Anton van Wilderode, dat eigenlijk vooral een bloemlezing van gedichten was. Een ervan was het rouwgedicht dat Herman Gorter schreef bij de dood van Lenin. Het werd in de klas niet behandeld. Ik meen mij te herinneren dat Van Wilderode het gedicht bombastisch vond. Het bevatte onder andere de regel: ‘Gij alles durvende en hoge Held’. Daarna vergeleek Van Wilderode het met een ander, intimistischer, rouwgedicht van Gorter dat in mijn herinnering ook over Lenin ging. Dat bevatte de regel: ‘Hij deed het bruin en wit van zijne ogen toe.’
     Nu wilde ik graag die gedichten eens opnieuw lezen, en ik vroeg aan Grok om ze op te zoeken. Grok gaf grif toe dat Gorter gedichten schreef, dat hij wel eens met Lenin te maken had gehad, maar ontkende stellig dat hij ooit een Lenin-gedicht had geschreven. Toen ik bleef aandringen, veranderde Grok van mening en leverde mij een Gorter-achtig gedicht dat de regels bevatte die ik mij herinnerde, maar waarvan je in een oogopslag zag dat het een hallucinatie was.
     Gedichten terugvinden is echt het sterke punt niet van de chatbots. Ze schrijven ze liever. Toen ik zelf begon te zoeken had ik het gedicht in twee minuten gevonden. Wel bleek dat tweede gedicht een fragment te zijn uit Mei; het had dus niets met Lenin te maken. Dit is het echte Lenin-gedicht.

        Lenin, gij machtigste, dapperste Strijder,
        Gij alles durvende en hoge Held,
        In diep bezinnen en het verst geweld
        Even machtig, - gij werdt de bevrijder

        Der boeren, en wildet worden ook de leider
        Der Russische arbeiders ter vrijheid, redder
        Van het gehele wereldproletariaat,
        En stichter van de communistische wereldstaat.

        Gij stierft. Waardoor? Door t kapitaal, gij, Held,
        Dat voor een nog te hoge taak u steld’,
        Maar ook door de arbeiders die u verlieten,
        Van West-Europa, en Rusland alleen lieten.
        Uw liefde stierf. Omdat gij werdt verlaten
        Door de arbeiders Europa’s, die uw liefde haatten.

     De laatste regel, met die verleden tijd van ‘haten’ vind ik bijzonder onhandig. En dan zwijg ik nog van de rare gedachte dat het kapitaal en het reformisme van de arbeiders Europas verantwoordelijk zouden zijn voor de dood van de Russische leider. 
     Het fragment uit Mei dat Van Wilderode citeerde als contrast was dit:

        Hij deed het bruin en wit van zijne ogen toe, 
        En zag niet meer de kamer, noch de mensen, 
        Noch ’t licht dat door de vensters kwam, noch ’t groen 
        Der bomen buiten, noch de blauwe hemel.

Economische democratie en planning

       Robrecht Vanderbeeken is én vakbondsverantwoordelijke (ACV) én filosoof én hij plaatst een opiniestuk in De Standaard (23/12). Dan weet ik ik hoe laat het is. Vanderbeken vermeldt ergens dat de Belgische vakbonden bijna 3 miljoen leden hebben, terwijl de meeste politieke partijen fors leden kwijtraken. Hij concludeert daaruit dat ‘mensen hun vertrouwen in onze politiek verliezen, veeleer dan in de democratie zelf.’ Als ik heel diep zou nadenken, zou ik die redenering misschien als een categoriefout kunnen duiden, maar ondertussen ben ik zeker dat hier appels met peren vergeleken worden. Ik was als leraar zelf lid van het ACV en ik kan Vanderbeeken verzekeren dat dat niks met mijn opvatting over democratie of politiek te maken had.
         Vanderbeeken beweert dat onze democratie slechts kan worden gered als we onze economie onder democratische controle krijgen. In de DDR schrijft hij was de economie ‘wel publiek bezit, maar het democratisch bestuur ervan was een leugen.’ Hij lijkt die afwezigheid van democratie in een communistische staat als een toevallig kenmerk van de communistische staat te beschouwen. Nochtans bevat zijn stuk een aanwijzing van het tegenovergestelde. Hij schrijft:

Het vertrouwensverlies ligt weliswaar deels aan de zwakte van de democratische bestuursvorm … Je hebt verschillende bevolkingsgroepen met hun eigen belangen en verlangens die onderling onverzoenbaar zijn.

     Maar die onverzoenbare eigen belangen en verlangens bestaan dus ook in een staat waar de economie publiek bezit is. En als je die belangen moet verzoenen in één algemeen plan, met alle moeilijkheden die daarbij komen kijken, is de autoritaire verleiding sterk. In een liberale economie zijn er onverzoenlijke of schijnbaar onverzoenlijke tegenstellingen tussen grootwarenhuizen en kruideniers, tussen kleerwinkels en webshops, tussen boekhandels en bol.com, tussen bioscoopeigenaars en streamingsdiensten, tussen producenten die graag hoge prijzen zouden willen aanrekenen en consumenten die die prijzen liever laag hebben, tussen bedrijven die veel willen exporteren, en bedrijven die veel moeten importeren*. Soms vindt men creatieve oplossingen, soms gaan bedrijven failliet. Maar als men dat allemaal langs politieke weg wil regelen dringt, worden de ruzies steeds heviger, de compromissen steeds ingewikkelder en de roep om een autoritair beleid steeds groter**.
     Wij zijn gewoon geraakt aan een politiek bestel dat belooft onze economische problemen op te lossen. Maar dé oplossing bestaat niet. Die ziet er voor elke ‘bevolkingsgroep’ anders uit. Hoe meer economisch hooi het politieke beleid op de vork neemt, hoe groter het aantal ontevredenen. Vanuit liberaal standpunt is het dan beter om minder hooi op de vork te nemen. Dan zal er nog altijd ruzie genoeg zijn die we geciviliseerd moeten proberen uit te vechten. 


* De lezer zal opmerken dat ik hier het probleem van de ‘herverdeling’ tussen haakjes plaats. Of, hoe en in welke mate die herverdeling door het politieke beleid moet worden aangepakt, is een andere vraag.
** Dat is de redenering die Hayek uitwerkt in The Road to Serfdom.

Griekse oudheid

Griekse en christelijke sprookjes

     Ik lees alle FB-stukjes van Pierre Plum graag, maar zijn laatste beschouwingen over Kerstmis heb ik met nog meer plezier dan anders gelezen. Plum schrijft onder andere dat hij zich als kind op zijn plaats voelde bij het kerststalletje. ‘meer met de os en de ezel identificeerde dan de rest. ‘Ik identificeerde mij meer met de os en de ezel dan met al de rest. Maar tussen de os en de ezel was het moeilijk kiezen.’ Uiteindelijk koos Plum voor de ezel. 
     Dat van dat identificeren geloof ik niet helemaal. Ik geef toe dat ook ik als kind de os en de ezel de interessantste beeldjes vond, maar ik identificeerde mij er niet mee. Ik voelde er zelfs geen sympathie voor. De eerste ezel waar ik sympathie voor voelde was Eeyore, de depressieve vriend van Winnie the Pooh, en die leerde ik pas kennen toen ik vader was.
     In een meer algemeen stukje schildert Plum in heel brede stroken vele eeuwen beschavingsgeschiedenis.

Na het Griekse begin, waar rede en inventiviteit hand in hand, de weg banen naar de wereld van de ideeën, wiskunde, astronomie, logica, filosofie, dan ineensdie regressie naar een sprookje [van het christendom].

     De gedachte wordt verder subtiel uitgewerkt. Hoe academici later ‘alle mogelijke kennis en geraffineerde techniek van Plato en Artistoteles bij elkaar sprokkelden’ om voor de kar van het sprookje te spannen, dat de ultieme waarheid zich misschien moet laten vertellen als een verhaal, dat de gedachte dat God zichzelf voor de mensheid opoffert getuigt van een weinig christelijke nederigheid. Dat zijn allemaal gedachten en formuleringen waar ik zelf niet zou opkomen.
     Alleen een kleine bedenking. Het zou mij erg verwonderen dat er voor de meeste mensen een regressie naar het sprookje heeft plaatsgevonden. De Grieken en Romeinen die geen wiskundigen, astronomen, logici en filosofen waren zullen al die tijd evengoed in sprookjes hebben geloofd. Ik gaf daar les over in het vierde middelbaar: mythen, sagen, legenden, fabels, parabels, sprookjes. Ik had daar zelf in het vierde middelbaar les over gekregen.


Griekse vrouwen.
    
Geert Mak (DSL 27/12) prijst de romanschrijfster Pat Barker voor haar navertelling van de Griekse sagen. 

 Ze construeert met een nieuwe trilogie de levens van de vrouwelijke hoofdrolspelers van Homerus’ Ilias. We weten dat deze vrouwen hebben bestaan, we kennen hun wederwaardigheden, maar hun eigen stem hebben we nooit gehoord. Nu wel.

      Hoe kan Mak nu zoiets zeggen? Van veel van die vrouwen kennen we de stem juist wél, niet uit de Ilias, maar uit de toneelstukken van Aeschylus, Sophocles en Euripides, die hetzelfde verhaal behandelden. Het is zelfs zo dat in die toneelstukken de stem van de vrouwen luider klinkt dan die van de mannelijke helden. Ik heb dat aan mijn leerlingen altijd als een raadsel voorgesteld: dat de vrouwen in de Griekse oudheid in het openbare leven geen enkele rol speelden, en in de fictie van die tijd centraal stonden.


 

Notities bij film en tv

Ozark
     De televisieserie Ozark speelt zich af in de buurt van het Ozarks-meer in de Amerikaanse staat Missouri. Hoewel de naam Ozarktientallen keren in de serie wordt uitgesproken, blijf ik er de meeste moeite mee hebben. Ik wil altijd Orzak zeggen. Zoals bejaarden die Spaans leren ‘mujer’ uitspreken met een ‘j’ en leerlingen die Duits leren ‘länger’ uitspreken als ‘langer’.
      De serie heeft 44 afleveringen, en dat is te veel. Het sterkste punt van de serie zijn de vertolkingen van Jason Bateson en Laura Linney als Marty en Wendy Byrde, en na een twintigtal afleveringen heb je alle nuances van die vertolkingen al meerdere keren gezien. Een recensent zou kunnen aanhalen dat Marty en Wendy niet zo heel erg ‘evolueren’. Recensenten hebben graag dat personages evolueren. Maar u en ik, lezer, evolueren ook niet zo veel, dus kan ik het niet zo erg vinden dat Marty en Wendy blijven wie ze zijn. De hilbilly assistente van Marty evolueert wel, maar dat wordt zo geleidelijk over de afleveringen uitgesmeerd dat je het amper merkt. Ja, twintig afleveringen was wel het minimum voor de serie.
     Zowel Marty als Wendy zijn oplichters. Marty is een genie in het witwassen van drugsgeld, en Wendy is erg bedreven in politieke intriges. Het mooie is dat Wendy zichzelf en anderen wijsmaakt dat haar intriges haar uiteindelijk een machtspositie zullen bezorgen van waaruit ze ‘veel goeds’ zal kunnen realiseren voor de progressieve zaak. Ook mooi is hoe ze perfect alle mede- en tegenspelers kan inschatten en manipuleren – ‘she has good instincts’. Alleen als het op haar rebelse kinderen aankomt, wordt haar gedrag onhandig en zegt en doet ze altijd net wat ze niet moet doen.
     Het is altijd moeilijk om voor een serie met ambiguë hoofdpersonages een bevredigend einde te bedenken. Dat is geen kwestie van plot maar van toon. Die toon heeft Ozark goed getroffen. Mocht ik het einde verklappen, wie er allemaal dood is en wie niet, zou dat op u, lezer, overkomen als een ontgoocheling. Maar als je het ziet, valt het best mee.
     De serie levert ook een mooie quote op. Ruth, de hillbilly assistente, woont in een vervallen trailer, maar die is wel prachtig gelegen, vlakbij het meer. Ze droomt ervan om op die plaats een groot huis te laten bouwen. ‘Met een zwembad?’ vraagt haar neef. ‘Waarom zou ik een zwembad nodig hebben als het meer hier vlakbij ligt?’ vraagt Ruth. Waarop haar neef: ‘You don’t know the first thing of being rich.’

Once Upon a Time ... the robber barons
     In de klassieker Once Upon a Time in the West komt een typische robber baron voor die met misdaad en geweld een spoorwegproject uitvoert. Hij is op twee manieren rijk. Hij leeft in een decadent-luxueuze treinwagon en hij bezit de spoorweg. Dat eerste soort rijkdom wekt mijn weerzin op, want ik vergelijk die instinctief met de miserie van de mensen die aan de spoorweg werken. Maar die treinwagon is economisch irrelevant, het is maar een heel klein deeltje van zijn rijkdom.
      Het tweede soort rijkdom, die spoorweg, is economisch wel relevant en maakt bijna zijn hele bezit uit.  Maar soort rijkdom wekt mijn weerzin niet op, want ik heb eigenlijk liever dat zo’n robber baron de spoorweg bezit dan de staat. Uiteraard, in die tijd begingen de robber barons grote misdaden, en ze verdienden het om daarvoor opgehangen te worden, maar de leiders van de staat in die tijd begingen ook grote misdaden, ondere andere tegen de native Americans, en ze verdienden het ook opgehangen te worden, zeker als je het vanuit onze morele normen bekijkt.


For All Mankind: feminien en masculien
     Ik houd op mijn mobieltje een lijstje bij van de films en series die ik nog wil zien, gerangschikt per streamingdienst. Een van de series is For All Mankind, waarin gespeculeerd wordt over een universum dat lichtjes verschilt van het onze. In plaats van de Amerikanen zijn het de Russen die als eersten op de maan landen. Dat heeft grote gevolgen voor de wereldgeschiedenis.
      En nu lees ik toevallig een tweet van Charles Murray over die serie. Murray interesseert zich al langer voor ruimtevaart. Samen met zijn vrouw schreef hij het boek Apollo: Race to the Moon. En wat schrijft hij over de serie? 

Gisteravond was ik gekomen aan seizoen twee, derde aflevering, en ik ben halfweg gestopt uit verveling. In het midden van de nacht werd ik wakker, en ik begreep waarom: het is een chick flick. Ons Apollo-boek ging over mannelijke gevoelens. For All Mankind gaat over vrouwelijke gevoelens. Veel van wat aan de oppervlakte gelijkt op ver-woke-ing, is in de grond feminisering.’ 
Of anders gezegd: demasculinisering.
 

      Of anders gezegd: demasculinisering.
     Nu zijn we als het erop aankomt allemaal genderfluïde maar er zijn toch een aantal eigenschappen die meer bij mannen dan bij vrouwen voorkomen. Agressieve gewelddadigheid en harde rationaliteit bijvoorbeeld. Ik hoop dat een van die twee in een evenwichtige beschaving niet teloor gaat. 


De Foer over Breakdown 1975
   
     Omdat ik in vorige stukjes niet mals was over het Bardot-stuk van De Foer in De Standaard, wil ik graag vermelden dat ik het helemaal eens ben met zijn recensie van vandaag over Breakdown: 1975. In die documentaire wordt aan de hand van interviews en filmfragmenten een verband geschetst tussen de politiek, de algemene cultuur en de Hollywood-films rond 1975. Ik heb zelf bij het bekijken het meeste doorgespoeld, om slechts af en toe stil te staan bij een filmfragment. Voor de 90 minuten durende film had ik genoeg aan een kwartier kijktijd . Mijn vrouw vroeg of ik altijd zo naar films keek als ze niet thuis was. 


Hedda (Gabler)
     In de nieuwe verfilming van Hedda Gabler wordt Hedda gespeeld door een zwarte actrice, en is ze niet verliefd op een man maar op een vrouw. Ik zal zeker kijken, om te bewijzen dat ik ruimdenkend ben, en omdat een gecultiveerd mens in zijn leven toch minstens vier of vijf versies van dat stuk van Ibsen moet hebben gezien. Ik ken voorlopig alleen de versie met Glenda Jackson. Hopelijk valt de nieuwe film mee. Een paar jaar geleden zag ik Miss Julie met Colin Farrell en Jessica Chastain, acteurs die ik graag bezig zie, en toch heb ik mij erg verveeld. Misschien lag het aan de omstandigheden. Ik had toen een zware verkoudheid. Ik heb nu weer een zware verkoudheid. 


The Abandons en Yellowstone
      Werkelijk iedereen zegt dat de westernserie The Abandons slecht is. En omdat iedereen het zegt zal ik dan ook maar niét kijken, ondanks Gillian Anderson en Aisling Fraciosi (Cersei Lannister in Game of Thrones). Pim Raes (DS 30/12) schrijft dat de reeks ‘een feminien antwoord is op Yellowstone, een macho succesreeks die met elk nieuw seizoen aan kwaliteit verloor.’ Dat kwaliteitsverlies in Yellowstone heb ik niet opgemerkt. Het verwonderde mij zelfs dat de serie overeind bleef nadat de charismatische Kevin Kostner halverwege het laatste seizoen uit de reeks werd geschreven.

* Over Yellowstone schreef ik ook hierhier en hier.


Pluribus
     In de tv-serie Pluribus wordt de mensheid, op enkele individuen na, door een buitenaardse tussenkomst, verbonden tot één geheel*. Elke individuele kennis is gemeengoed geworden en als een iemand iets voelt, voelt ook iedere aardbewoner hetzelfde. Er is geen ‘ik’, ‘gij’ of ‘hij’ meer. Er is alleen nog een wereldziel. Tat Tvam Asi. Het Atman en het Brahman vallen samen.
     Dit leidt onmiddellijk tot een integraal communisme. Als er geen ‘ik’ en ‘gij’ meer is, vervalt ook het onderscheid tussen ‘mijn’ en ‘dijn’. Het oude bezwaar tegen het communisme (‘great theory, wrong species’) valt weg. De mensheid is de ‘right species’ geworden. En planning van de economie wordt kinderspel want alle informatie is overal gelijktijdig voorhanden. Ook Hayeks bezwaar valt dus weg.
     Tegelijk is de mensheid ook integraal libertarisch. Het non-agressie principe wordt de basis van alle menselijke verhoudingen. Waarom zou je agressief willen zijn tegen jezelf? En de nieuwe mensheid breidt het non-agressie principe ook uit tot de dieren- en plantenwereld, en tot de enkele individuen die niet getransformeerd zijn.
     De nieuwe mensheid is altijd rustig, altijd vriendelijk**, altijd efficiënt, altijd gelukkig. Voor iemand die de transformatie niet heeft doorgemaakt, zoals die enkele individuen in de serie en de kijkers naar de serie, werkt dat op de zenuwen. We wantrouwen al te vrolijke, al te brave, al te vriendelijke mensen. We geloven, vaak terecht, dat ze naïef en hypocriet zijn dan wel dat ze ons willen manipuleren. Of we geloven dat ze zelf gemanipuleerd zijn, zoals in Brave New World. Maar dat komt omdat we vanuit ónze realiteit redeneren. In de getransformeerde wereld is geen plaats voor naïeviteit, hypocrisie en manipulatie.
     Hoezeer de nieuwe Pluribus-mensheid mij ook op de zenuwen werkt, ik kan er niets tegenin brengen. Misschien vallen de maskers af in een volgende seizoen, maar voorlopig kan ik er niets op aanmerken. Ik probeer daarin onpartijdig te zijn. Ook in andere science-fiction verhalen sta ik niet per definitie aan de kant van de mensheid. Een universum zonder intelligentie is voor mij een moeilijke gedachte om te verdragen, maar die intelligentie moet niet per se menselijk zijn. Ik wil van de menselijke onvolkomenheden geen deugden maken. Brel zingt: ‘Toi, tu n’est pas le Bon Dieu, toi tu es beaucoup mieux, tu es un homme.’ Die pathos is mij vreemd.
     Eén ding vraag ik mij af. Is er in de perfecte collectivistische Pluribus-maatschappij plaats voor kunst? Of is die verbonden met ons individualisme, met onze onvolkomenheden en misschien zelfs met onze agressieve instincten. Het is een vraag die George opwerpt in Who’s Afraid of Virginia Woolf: 

I’m really very mistrustful. I read somewhere that science-fiction is really not fiction at all... That you people are rearranging my genes so that everyone will be like everyone else... I suspect we will not have much music, much painting, but we will have a civilization of sublime young men, very much like yourself. Cultures and races will vanish. The ants will take over the world... 

* Over sciencefiction gedachte-experimenten rond individualisme en collectivisme, zie ook mijn stukje hier.
** De nieuwe mensen zijn vooral vriendelijk tegenover de overgebleven, niet getransformeerde individuen. Onder elkaar lijken ze  onverschillig. Het spreekt vanzelf dat ze elkaar niets te vertellen hebben.