woensdag 11 maart 2026

Het loon van een bierbrouwer, e.a.


Het loon van een bierbrouwer
 
     Op het VTM-nieuws van 10 maart had Stef Wauters een ironische twinkeling in de ogen toen hij volgend berichtje voorlas:

Michel Doukeris, de topman van bierbrouwer AB-Inbev, kreeg vorig jaar meer dan 90 miljoen op zijn rekening vooral door aandelen en opties van vorige jaren die hij nu mocht incasseren. Met zijn gewone loon erbij verdiende hij bijna 1800 keer meer dan zijn minst betaalde werknemer.

        1800 keer, dat zou wel eens juist kunnen zijn, dacht ik. Maar toen ik het uitrekende, klopte het niet helemaal. 90 miljoen gedeeld door 1800 is ongeveer 50.000 euro. Dat is misschien het loon van de minst betaalde Inbev-werknemers in België, maar in Brazilië, Zuid-Afrika en Indië verdienen ze meestal minder dan 20.000 euro, ook al is dat bedrag dan vele malen hoger dan het gemiddelde loon in die landen. Had Wauters dus gezegd dat Doukeris vorig jaar 5000 keer meer verdiend had dan zijn minst betaalde werknemer, had hij ook gelijk gehad. Nu, het gaat in elk geval om een heel groot verschil. Mocht Doukeris willen, dan zou hij zijn reusachtige bonus kunnen verdelen over al zijn 137.000 werknemers wereldwijd; dan hadden ze elk 657 euro aan aandelen en opties ontvangen. Maar als ze die allemaal gelijktijdig hadden verkocht, was de waarde van dat aandeel natuurlijk gedaald en hadden ze cash wat minder gekregen.
     En hoe zit dat met het ‘gewone loon’ van Doukeris dat in het nieuwsbericht ter sprake kwam. Dat wordt geschat op 1,5 miljoen per jaar. Wauters had ook dat bedrag wat meer ironisch reliëf kunnen geven. ‘Het gewone loon van Michel Doukeris bedraagt 1,5 miljoen per jaar; dat is dertien keer meer dan wat ik hier als nieuwslezer verdien.’ Dat is ook een groot verschil.


Nog enkele bedenkingen bij de pensioendiscriminatie

  1. Natuurlijk had Jambon gelijk toen hij zei dat vrouwen (maar ook mannen) hun gedrag zullen aanpassen rekening houdend met de nieuwe pensioenregeling. Als een vrouw (of een man) twijfelt tussen 40 % of 50 % werken, is die laatste keuze nu aantrekkelijker dan die eerste. Die jaren van 50 % werken tellen immers mee als volledige loopbaanjaren en die van 40 % werken tellen helemaal niet mee - althans voor de bonus/malus-regeling.
  2. Ik heb zelf verschillende jaren deeltijds gewerkt. Pensioen was toen het laatste waar ik aan dacht. Maar achteraf bekeken heb ik kunnen profiteren van een regeling die ik als neoliberaal niet erg rechtvaardig vind.
  3. Wie in het onderwijs staat of heeft gestaan, weet dat de keuze voor deeltijds werk lang niet altijd te maken heeft met het opnemen van zorgtaken. Het is vaak ook een keuze voor een rustiger leven. Dat ‘gedrag’ werd in het verleden zeker mede beïnvloed door gunstige regelingen waarbij de opbouw van pensioenrechten gewaarborgd bleef.
  4. Heleen De Bruyn is een van de stemmen die vinden dat zorg óók arbeid is. Ik vind dat een ongelukkige formulering, maar het drukt een ethisch aanvoelen uit waar ik mij helemaal in kan vinden. Zorg is menselijk gezien even belangrijk, of nóg belangrijker, dan arbeid in de economische betekenis. Zeker. Maar niet alles wat menselijk belangrijk is moet financieel vergoed worden. Zelfs neoliberalen zoals ik geloven niet zonder meer in de homo economicus.
  5. Boudewijn Bouckaert schrijft: ‘Onbetaalde zorgprestaties door niet (op de arbeidsmarkt) werkenden volledig laten meetellen in de pensioenberekening is organisatorisch onmogelijk, onfinancierbaar en kan tot nieuwe onrechtvaardigheden leiden.’ Over onfinancierbaar kun je blijven discussiëren, maar de twee andere argumenten lijken mij ijzersterk. 
  6. Frank D’hanis verwoordt in zijn FB-posts het klassieke linkse antwoord op het probleem: de zorg moet zoveel mogelijk worden doorgeschoven naar de staat: meer en beter gesubsidieerde crèches.


Reynebeau en het internationaal recht
     Marc Reynebeau (DS 11/3) noemt realisme in de internationale politiek een ‘mager excuus’. Matthias Diependaele bijvoorbeeld had gezegd dat initiatieven om Amerika te laten veroordelen door de VN toch zouden stuiten op een veto in de Veiligheidsraad. Waarop Reynebeau antwoordt:

 Dat gebeurt inderdaad geregeld, maar daarmee ga je dan wel voorbij aan alle diplomatie die aan een stemming in de Veiligheidsraad voorafgaat.

     Je vraagt je af of hiermee de uitspraak van Diependaele op enigerlei wijze is weerlegd. Al die diplomatie waar Reynebeau over spreekt, zal niets veranderen aan het feit dat de VS in de Veiligheidsraad niet kan worden veroordeeld voor de Iran-oorlog, net zoals Rusland niet kan worden veroordeeld voor de Oekraïne-oorlog, en China niet zal kunnen worden veroordeeld als het een Taiwan-oorlog begint.
     Reynebeau brengt tegen het realisme ook de Belgische Nobelprijzen voor de Vrede in stelling. Bart De Wever had gezegd dat hij een ‘historicus, geen hystericus’ was. Reynebeau antwoordt dat De Wever in zijn kijk op het verleden wel vaker eenzijdig is, en wat meer aandacht zou moeten besteden aan de geschiedenis van de drie Belgische Nobelprijswinnaars van ruim een eeuw geleden. Zo schrijft hij:

Nog eens vier jaar later, in 1913 ging de Nobelprijs naar een derde Belg, de sociaaldemocraat en vrijmetselaar Henri La Fontaine, een activist voor pacifisme en internationalisme … En zie, een jaar nadat La Fontaine de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen, rommelden de grootmachten iedereen de Eerste Wereldoorlog in.

     Die naam van Henri La Fontaine roept bij mij herinneringen op. Die Brusselse advocaat was rond de jaren 1900 betrokken bij het Mundaneum-project waarmee men alle druksels ter wereld wilde verzamelen in één kenniscentrum. Toen ik nog in Brussel woonde, ben ik ooit op zoek gegaan naar wat er van dat archief overbleef. Een restant vond ik een naar kattenpis ruikende hangaar in de Rogierlaan, op honderd meter van waar ik woonde.
     Die La Fontaine was inderdaad een van de vele vurige pacifisten die aan het begin van de vorige eeuw congressen organiseerden voor de wereldvrede. Het is merkwaardig dat Reynebeau, meegesleept door zijn écriture automatique, niet merkt dat zijn verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog juist de krachteloosheid van dat pacifisme onderstreept. Karel van het Reve dacht zelfs dat er meer aan de hand was dan alleen krachteloosheid. Hij maakt ergens de veronderstelling dat de Eerste Wereldoorlog onder andere voortkwam uit ‘het wegvallen van het midden.’ Het getouwtrek en geschipper van de oude realistische diplomatie, balancerend tussen machtsverdeling en hegemoniestreven, werd vervangen door aan de ene kant hysterische oorlogszucht en aan de andere kant hysterisch pacifisme. ‘En zie …’


Het vermogen tot verontwaardiging
    
      Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie voor Maxime Prévot gaan koesteren. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn woeste verontwaardiging  had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen. 


Onverschilligheid
     Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!


Raadsel
      Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de  reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.


Mooie foto’s
     De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in onvoorstelbaar saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de kameraad in de straat ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’


Geen nieuwe dingen
     Als ik stukjes schrijf, wil ik liefst geen ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan naar iets nieuwsl, speciaal om er een stukje over te schrijven, heeft iets oneerlijks. Het is aanstellerij.


Humor
     Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?


Slecht
     Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.

 

 

 

 

 

 

 

dinsdag 10 maart 2026

'Discriminerende' pensioenhervorming e.a.


Discriminerende pensioenhervorming?
     
Ive Marx (DS 10/3) sluit zich aan bij degenen die vrouwendiscriminatie ontdekken in de nieuwste pensioenregeling. De redenering gaat in twee stappen. Eén, deeltijds werken telt minder mee voor de opbouw van de pensioenjaren. Twee, de gemiddelde vrouw werkt vaker deeltijds dan de gemiddelde man (omdat ze gemiddeld vaker zorgtaken op zich neemt). Marx gaat nog verder. Hij vindt dat er aan die discriminatie iets moet worden gedaan. Hij schrijft: ‘Echte gelijkheid vergt compensaties voor feitelijke ongelijkheden.’ 
     Het woord 
feitelijk’ geeft het probleem niet goed weer. Een individuele vrouw met dezelfde loopbaan als een individuele man heeft niet alleen recht op een zelfde pensioen, ze zal ook feitelijk eenzelfde pensioen ontvangen. Maar Marx is met die individuele gelijkheid niet tevreden gesteld. Hij wil dat de vrouwen en mannen als collectiviteit evenveel pensioen ontvangen. De discriminatie die Marx wil compenseren speelt zich af op het niveau van de gemiddelde vrouw. Niet de individuele rechten, maar het collectieve resultaat moet hetzelfde zijn. Dat is een beginsel waar ik het als liberaal moeilijk mee heb, maar Marx mag daar natuurlijk anders over denken. Mensen verschillen nu eenmaal in de beginselen waar ze voorrang aan geven.
       Toch kan ik het niet laten om nog wat te vitten op enkele andere details in de column van Marx. Wie het onfatsoenlijk vindt dat het altijd de vrouwen zijn die met zorgtaken worden ‘opgezadeld’, moet ook overwegen dat een financieel gunstige regeling voor de zorg ertoe kan leiden dat de traditionele rolverdeling aangemoedigd wordt.
     Verder schrijft Marx dat de regel van voor 1990, waarbij vrouwen vijf jaar vroeger op pensioen konden gaan, een ‘compensatie’ was voor het feit dat ze meer zorgtaken op zich namen. Maar dat heeft er weinig mee te maken. Mijn moeder heeft haar loopbaan als lerares stopgezet toen ze trouwde, om voor de rest van haar leven ‘zorgtaken op te nemen.’ Maar de 7 jaar die ze les had gegeven, gaven door de pensioenleeftijd op 60 jaar geen recht op een hoger pensioen. Het aantal loopbaanjaren nodig voor een volledig pensioen was immers gelijk voor mannen en vrouwen. Mijn moeder kon er alleen vijf jaar vroeger van genieten. Maar het schamele bedrag dat ze ontving bleef even schamel.

       Ten slotte zet Marx zijn discriminatie-argument kracht bij door te schrijven: ‘Ook de Raad van State zegt het, niet meteen een instelling die bekend staat voor radicaal feminisme.’ Dat is de ‘zelfs X geeft toe’-truc. 


Pinker en de wetenschappelijke consensus
     Ik hou in polemieken niet erg van de ‘zelfs X geeft toe’-truc. Ik kreeg laatst zo’n reactie onder een van mijn stukjes. ‘Zelfs Bart De Wever geeft toe dat Trump geen betrouwbare bondgenoot is.’ Het is en blijft een autoriteitsargument, met de nadelen daaraan verbonden, en het suggereert van alles over De Wever, en over mij, zonder het te staven.
      Maar nu zou ik de formule zelf willen gebruiken: ‘Zelfs Steven Pinker geeft toe dat …’ Pinker is een geleerde die zich buiten zijn onderzoeksgebied op de wetenschappelijke consensus oriënteert als was het de poolster, en afwijkingen van die koers omstandig beargumenteert. Maar in zijn nieuwste boek, Common Knowledge, vond ik deze treffende passage:

 Zelfs wanneer de academische consensus vrijwel zeker juist is, zoals bij vaccins en klimaatverandering, kunnen sceptici nog altijd vragen: “Waarom zouden we die consensus vertrouwen als ze komt van een kliek die geen tegenspraak duldt?” Neem een recent voorbeeld: in 2024 was duidelijk geworden dat veel van de vroege maatregelen om de Covid‑19‑pandemie te bestrijden — sociale afstand, stoffen mondmaskers, het ontsmetten van oppervlakken, plexiglas schermen, strenge lockdowns, het sluiten van stranden, parken en scholen — op geen enkel wetenschappelijk bewijs waren gebaseerd, en waren opgelegd door het demoniseren of onderdrukken van wat uiteindelijk redelijke kritiek bleek te zijn. De kosten voor de economie, de mentale gezondheid, en het onderwijs van kinderen waren aanzienlijk, en de klap voor het vertrouwen in wetenschap en volksgezondheid was catastrofaal.

    Ik heb de polarisatie rond Covid-19 destijds als pijnlijk ervaren. Ik heb redelijke mensen voorgoed zien radicaliseren. Dat kwam omdat de wetenschap als instrument werd ingezet om ‘awareness’ te creëren. Het officiële discours van politici, media en telegenieke wetenschappers liet zo weinig ruimte voor discussie dat veel dissidenten op een onvoorzichtige manier voor ‘wappies’ werden uitgescholden. Het resultaat is dat ze het ook werden. Je kreeg twee kampen waarin de radicaalsten zich voorgoed schikten in hun rol: die van boze wappie of die van hautaine inquisiteur. En nog voor Covid was afgelopen was men in die rol vastgeroest, ongetwijfeld ook omdat men er aanleg voor had.
     Een aantal wetenschappers hadden de communicatie gemonopoliseerd en zich gedragen als propagandisten. Sommige gewone burgers gingen daardoor de wetenschap zien als een dogma dat blindelings moest worden gevolgd, of als een samenzwering die nodig moest worden bekampt. En de gevolgen voor het vertrouwen in de wetenschap waren catastrofaal. ‘Zelfs Steven Pinker moet dat toegeven.’


De grenzen aan de vrije meningsuiting
     Hoe helder een schrijver zich uitdrukt, kun je vaststellen als hij iets uitlegt wat je zelf ook al hebt proberen uit te leggen. Ik heb al verschillende keren geschreven over de kwestie van het vrije woord, en over de grenzen die daaraan kunnen worden gesteld. De formulering van Pinker in Common Knowledge vond ik bijzonder helder. Hij herhaalt dat het vrije woord ook geldt voor ‘crude, offensive and hateful speech’ en somt drie soorten van uitzonderingen op, terwijl ik er zelf maar twee zag. Ik heb de uitzonderingen van Pinker genummerd: 

  1. misdrijven die door hun aard zelf met woorden worden gepleegd, zoals afpersing, omkoping, laster, fraude en bedreigingen
  2. onmiddellijke aanstichting tot onwettig handelen 
  3. beperkingen op het tijdstip, de plaats en de wijze van uiting (Het Eerste Amendement geeft je niet het recht om om 3 uur ’s nachts je manifest door een luidsprekerwagen in een woonwijk te schallen, of om je zeepkist midden op een drukke snelweg neer te zetten.)
     Pinkers eerste punt verraadt dat hier een getrainde linguïst aan het woord is die weet heeft van de ‘performatieve taaldaden’-theorie.

Relativiteitstheorie
     Zoals iedereen heb ik ooit wel iets gelezen over de relativiteitstheorie en over kwantummechanica. Bij de relativiteitstheorie begrijp ik ongeveer wát ik niet begrijp. Maar bij de kwantummechanica heb ik geen idee wat er te begrijpen valt. Als ik er een vulgariserende uitleg over lees denk ik: wat is daar nu zo moeilijk aan?


De argumentatie van Frans Timmermans
     In De Standaard (DS 10 maart) draagt Frans Timmermans een aantal goede argumenten aan tegen de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen het Iraans regime. Ook legt hij krachtig de voordelen uit van het internationaal recht. Hij schrijft de lauwe houding van de Europese Unie terecht toe aan ‘de angst door de VS geheel in de steek te worden gelaten.’ Maar in zijn conclusies is zijn argumentatie minder stevig. De Europese Unie, schrijft hij, had een gezamenlijke verklaring moeten afleggen om het Amerikaanse optreden te veroordelen. 
     Zou dat helpen? Timmermans beweert van wel. Als de Europeanen ‘een gezamenlijke lijn weten te vinden, kunnen ze veel meer invloed uitoefenen dan elk voor zich.’ Zelf betwijfel ik of verklaringen zoals die van de Spaanse premier Sánchez veel indruk maken op Trump en Netanyahu, en ik betwijfel verder of het veel verschil zou maken als ze afgelegd werden door Ursula von der Leyen.
      Ik zou hier als Europeaan het sereniteitsgebed van de Anonieme Alcoholisten toepassen, en aanvaarden wat ik niet kan veranderen (Iran) terwijl ik probeer te veranderen wat ik – misschien – kan veranderen (Oekraïne). Wie dat te hoog gegrepen vindt, kan ook terugvallen op de regel:
 pick your battles, een regel die zeker voor een zwakke partij van levensbelang is. 


Metaforen over de olie-kwestie
     Mocht Iran niet over grote olievoorraden beschikken, dan zou de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten er anders uitzien, dat weet iedereen. Zonder die olie was er nu wellicht geen oorlog tegen het Iraanse regime. Maar het verband tussen de olie en de oorlog is er een met verschillende tussenschakels – waarvan China de belangrijkste is.
      In de radicaal-linkse agitatie heet het dat de imperialisten ‘beslag willen leggen’ op de Iraanse olie. Dat is een metafoor uit de juridische sfeer, met een deurwaarder die aanklopt. Door de metafoor vermijdt men om precies te zeggen wat er met die olie zou kunnen gebeuren. Tijdens de oorlog tegen het Iraakse regime werd de metafoor ook gebruikt. Het was zogezegd een oorlog van de Amerikaanse multinationals die ‘beslag wilden leggen’ op de olievoorraden. Achteraf is er in Irak weinig olie in beslag genomen. Er zijn wel veel olieconcessies toegewezen, maar vooral aan multinationals die niet Amerikaans waren.
     De beeldspraak van de inbeslagname is mij ondertussen zo gaan tegenstaan, dat ik blij ben met elke andere metafoor die ik in de olie-context tegenkom. Die van Inge Ghijs bijvoorbeeld in De Standaard van 9/3. Zij heeft het weliswaar over olievoorraad van Venezuela, maar het komt op hetzelfde neer. Trump wilde zich verzekerd zien van ‘een dikke vinger in de pap’. Met die vage metafoor geeft Ghijs aan dat ze wel weet dat de kwestie complexer is dan een 
inbeslagname. 


De analyse van Joren Vermeersch
     Ik probeer mij voor te stellen dat ik nog altijd radicaal-links ben en dat ik het achtergrondstuk van Joren Vermeersch over Iran (DS 9/3) onder ogen krijg. Dat is niet zo gemakkelijk. Ik moet mijn ogen sluiten en denken aan de stukken in Le Monde diplomatique die ik als 18-jarige probeerde te lezen. Dat stond vol met ‘analyses’, maar dat was niet wat ik wou. Ik wou vurige 
veroordelingen van het imperialisme lezen.’Wat had je aan analyses waarin niets veroordeeld werd?
     Ik veronderstel dat ik het vandaag zo zou aanpakken. Ik zou mijn aandacht niet verspillen aan de analyse van Vermeersch, maar wijzen op de kleine lettertjes onder het stuk: ‘Joren Vermeersch is adviseur op het kabinet van Defensie Theo Francken.’ Het stuk, zou ik mijzelf voorhouden, is ‘koren op de molen’ van Theo Francken die dit, of dat, of nog iets anders over Iran heeft gezegd.
 


Ludo De Witte over Iran
     Wie als radicaal-linkse vandaag  op zoek is naar vurige veroordelingen kan altijd terecht op de FB-pagina van Ludo De Witte. Veel van wat De Witte schrijft, wordt beschermd door een theoretisch pantser waar polemische spelden of kleine messen – mijn wapens –  niet doorheen kunnen. Maar soms schrijft hij, zoals in zijn bericht van 8 maart, ook zinnen die om een polemisch antwoord smeken. Zoals: 

De Zio-Amerikaanse agressie-oorlog heeft de strijd van brede Iraanse volkslagen voor democratische hervormingen en de val van de theocratie platgeslagen.

     Ik wil dan graag, een beetje demagogisch, antwoorden: die strijd was al eens ‘platgeslagen’ een maand geleden en wel door krachten die u enkele weken geleden ‘nog enige anti-imperialistische en revolutionaire legitimiteit’ toeschreef.
     De Wittes FP-bericht van 8 maart was door meer dan honderd mensen geliket. Voor een keer heb ik de namen eens snel doorgenomen en daar waren wel wat FB-vrienden bij die ik ken als redelijk-links. Als ikzelf een bericht like, betekent dat lang niet altijd dat ik met alles akkoord ga wat in dat bericht staat. Dat moet met die redelijk-linkse likers ook het geval zijn. Want de post van De Witte bevat zinnen als  

 Iran is een natie die vandaag de facto staat voor een wereldorde gebaseerd op internationale afspraken, diplomatie en respect voor soevereiniteit … Iran vecht vandaag voor ons allemaal – voor Gaza, voor Libanon, voor Europa en voor de wereld, want een nederlaag van de Zio-Amerikaanse moloch kan de wanhopige, onrealistische mars van Washington naar imperiale wereldhegemonie en een Derde Wereldoorlog stoppen. 

    ‘Iran vecht vandaag voor ons allemaal … ‘ dat is, hoop ik, binnen het linkse kamp, een minderheidsstandpunt. Je zou kunnen zeggen dat De Witte niets anders doet dan de algemeen-linkse anti-Amerikaanse lijn ‘consequent door te trekken.’ Dat is waar. Maar redelijkheid van links en van rechts bestaat er vaak in om een lijn niét al te consequent door te trekken. 


Naïviteit over Iran
     Wat je misschien nog het vaakst leest in opiniestukken over de oorlog tegen het Iraanse regime, is dat we niet in het ‘naïeve geloof’ moeten vervallen dat Trump en Netanyahu oorlog voeren met de ‘nobele bedoeling’ om de protestbeweging van de Iraanse burgers te helpen. Dat naïeve geloof zelf, ben ik echter nog niet vaak tegengekomen. Zoals ik ook nog niet veel linksen ben tegengekomen die de Ayatollahsteunen. Ja, De Witte in zekere zin ...


Sociaal-democraten en het communisme
     Laatst beweerde Ilja Leonard Pfeijffer dat een ‘democratische, communistische rechtstaat’ nog nooit echt was uitgeprobeerd. Ik heb daar toen op geantwoord dat daar een goede reden voor was, namelijk dat communisme als ideaal niet democratisch kan worden ingevoerd of in stand gehouden. Dat is ook de echte reden waarom de sociaaldemocratische partijen geëvolueerd zijn. In de 19de eeuw was hun einddoel een communistische maatschappij waarin ‘de productiemiddelen’ in bezit waren van ‘de gemeenschap’, dat wil zeggen de staat. Die partijen hebben na de Eerste Wereldoorlog een voor een dat ideaal eerst in de praktijk en later in de theorie verworpen.
     De reden voor die evolutie was niet dat de sociaaldemocratische politici zich lieten ‘omkopen’ door de bourgeoisie. Het was veeleer dat ze, zoals het tweede deel van hun naam aangaf, democraten wilden blijven. Toen de communisten zich van de sociaaldemocraten afscheurden, waren de twee strekkingen het over één kwestie eens: het communisme kon alleen door revolutie en dictatuur worden afgedwongen. De communisten dachten: oké dan maar, de sociaaldemocraten  dachten: dan liever niet.  


Romantiek als kunststroming
     Komiek Jens Dendoncker heeft een zaalshow in elkaar geknutseld over de Romantiek als kunststroming. De recensente van De Standaard is erg kritisch. ‘Dat er aan de romantiek een onfris reukje hangt van nationalistische en conservatieve reflexen wordt hier gemakshalve genegeerd’. Ik neem mij voor om in mijn eigen stukjes de uitdrukking ‘gemakshalve negeren’ of ‘gemakshalve vergeten’ nooit te gebruiken. (Ik heb ooit hetzelfde voornemen gemaakt voor de uitdrukking ‘onder het mom van’ in de polemische betekenis. Zie hier).

 

 

 


maandag 9 maart 2026

Kortjes

 Genderdiscussies en ironie
      Een interessante vond ik bij FB-vriend Luc de Coster. De lezer moet het zelf maar opzoeken, maar een briljant zinnetje wil ik ondertussen al meegeven:

Ik ga mij nu buigen over de vraag of dit soort misogynie een kwestie van geslacht of van gender is.

         De vondst zit in het woordje ‘nu’. Had er gestaan ‘Ik ga mij niet buigen over …’ dan hadden we met een doordeweekse, sarcastische praeteritio te maken, die ook nog eens ontsierd wordt door een cliché. Maar door dat ‘nu’ wordt de mededeling verheven tot het niveau van fijne ironie. Je ziet heel even het beeld van een schrijver die met een klein mesje zijn ganzenveer bijsnijdt om de rest van zijn opstel af te werken. En daarvoor moet hij zich inderdaad buigen over het papier dat voor hem ligt.


De Foer over Trumps State of the Union
     Het stuk van Steven De Foer over Trumps State of the Union heb ik helemaal uitgelezen. Voor zijn doen blijft De Foer in dat stuk zakelijk en informatief. Hij schrijft bijna als een journalist. Maar alles kan beter. Neem dit stukje.

 Trump hield zich in het eerste halfuur gedwee aan zijn voorbereide tekst over zijn wilde economische successen. Maar Trump kan het niet laten, hij is in zijn element als hij vijandig kan uithalen. Twee keer confronteerde hij de Democraten openlijk. In zijn naar gewoonte racistische betoog over immigratie, daagde hij alle Congresleden uit om op te staan als ze het eens waren ‘dat de overheid voor Amerikanen werkt, niet voor illegal aliens. Toen de Democraten bleven zitten, verhardde zijn toon en noemde hij hen ‘gek’ en ‘ziek’ en ‘erop uit om het land te vernietigen.’

      Het volstaat om de drie gecursiveerde woorden te schrappen en het stuk kan zo in de krant. 


Een sarcastische chatbot
     Laatst viel ik Gemini lastig met de volgende vraag: ‘Hoe probeerde de SU tijdens de koude oorlog de vredesbeweging te beïnvloeden?’ De chatbot moet aanstoot genomen hebben aan het tendentieuze toonzetting van mijn vraag en ik kreeg een sarcastisch, passief-agressief antwoord:  ‘Ik ben maar een taalmodel, dus ik kan je daar niet bij helpen.’


Legal alien
    Met al die berichten over de uitwijzing van illegal aliens, zouden we nog vergeten dat er ook  ook legal aliens bestaan en bestaan hebben.  Ik heb hier voor mij een documentje om dat te bewijzen. Dat gaat zo:

Register No 8374745. This is to certify that Raymond Clerick was admitted to the United States on 09/22/52 at 08.00 as a NP quota immigrant under section 6A3 of the Immigration Act of 1924 and has been registered under the Alien Registration Act of 1940. 

 

‘Fascisten’ 
    
 Ik ben in een biografie van Mussolini aan het lezen. Die staat vol zinnetjes als: ‘De fascisten trokken door de straten.’ ‘De fascisten lokten rellen uit.’ ‘De fascisten terroriseerden de arbeiderswijken.’ Hoewel die beschreven toestanden tragisch zijn, voel ik bij het lezen van die zinnetjes ook altijd een soort blijdschap. Dat komt omdat het woord ‘fascisten’ correct wordt gebruikt.


Hedebouw en Stalin
     Als een PVDA-leider geïnterviewd wordt, krijgt hij vaak de vervelende vraag of hij nog altijd zo enthousiast is over Stalin en Mao, de idolen van zijn jeugd. Daar kwam tot nog toe altijd een ontwijkend antwoord op. Maar nu heeft Raoul Hedebouw in een interview in De Morgen een ferme uitspraak gedaan. Stalin en Mao waren ‘totalitaire massamoordenaars’ al vertoeven ze ‘niet in dezelfde kring van de hel als Hitler.’
     Op die bocht van de PVDA ben ik trots. Zes jaar geleden wrong die andere PVDA-leider Jos D’haese zich nog in allerlei bochten om niet te moeten antwoorden. Alhoewel het mijn zaken niet zijn heb ik Jos toen de raad gegeven om het anders aan te pakken. Op 17 december 2020 schreef ik:

Alleen even op de tanden bijten en Stalin een ‘massamoordenaar’ noemen, dat is alles wat van je gevraagd wordt. Je kunt ook ‘Fuck Stalin’ antwoorden, zoals Peter Mertens ooit ‘Fuck Noord-Korea’ zei. Maar zo’n uitspraak blijft dubbelzinnig. ‘Fuck Stalin’ en ‘Fuck Noord-Korea’, dat kan van alles betekenen, maar vooral dit: ik ben die eeuwige vragen over Stalin en Noord-Korea meer dan beu.  Nee, ‘massamoordenaar’ is beter. Als je dat antwoord een paar keer geeft, ben je voor altijd van de vraag af. 

    En nu heeft niet Jos maar Raoul mijn raad opgevolgd. Er is in ons land toch één partij die naar mij luistert. 


Columns schrijven over het n-woord
 
     Vorige week zijn er twee incidenten geweest die enige aandacht kregen in de pers. Bij de uitreiking van de Bafta’s riep een toeschouwer heel luid het n-woord; de man leed aan het Gilles de la Tourette-syndroom. Bij een voetbalwedstrijd riep een blanke speler een beledigend woord tegen een zwarte speler; dat woord was wellicht ‘aap’. Raf Njotea (DS 5/3) schrijft dat dat ‘heerlijke incidenten’ zijn omdat ze een columnist inspiratie bezorgen ...  en bewijst daarna het tegendeel door daarrond een voor zijn doen middelmatige column te schrijven.


Art Memes
     Ik heb mijn FB zo afgericht dat ik dagelijks veel memes zie voorbijkomen van ‘Classical Sarcasm’, ‘I Love Louvre Art Memes’ en vergelijkbare pagina’s. Vaak zijn de tekstjes erg flauw, maar in combinatie met het schilderij zorgen ze vaak voor een glimlach en soms voor schaterlach. Soms wil ik met de personages een gesprek aangaan. Neem die dame die mij recht in de ogen kijkt en zegt: ‘For breakfast, I had some plain yogurt with protein powder mixed in, and not only is it super high in protein and very filling, it’s also disgusting.’ Ik wil die dame graag overtuigen om naast het noodzakelijk proteïne poeder ook 15 gram zoetstof, een halve versnipperde appel, 20 gram proteine-granola en eventueel een versnipperde kiwi toe te voegen. 




 

zondag 8 maart 2026

Het internationaal recht (en Iran)


Internationaal recht geschonden?
      De VS hébben het internationaal recht geschonden door hun aanval op het Iraanse regime. Ze werden zelf niet aangevallen, er was geen imminente dreiging van een aanval, en ze hadden geen toestemming van de Veiligheidsraad. Als een jurist, staande op één been, mij kan uitleggen dat het internationaal recht niét geschonden is, dan zal ik mijn mening veranderen.    

Een stoute vraag
     In een column op Doorbraak stelt Rik Torfs een stoute vraag: ‘Is het heel erg dat het internationaal recht nu en dan wordt overtreden?’ Dat klinkt een beetje als de vraag: ‘Is het heel erg als er af en toe een kind wordt verkracht.’ Maar het is toch een wezenlijk andere vraag. Binnen de staatsgrenzen kunnen veel meer zaken geregeld worden met morele principes, sociale druk en afdwingbare wetten. In de internationale betrekkingen is dat veel moeilijker. 

Gouden regel en talio-principe
      Het zou van heel veel idealisme getuigen om in de betrekkingen tussen de staten de Gouden Regel te willen toepassen: ‘behandel anderen zoals je zelf behandeld wil worden’. Het talio-principe benadert al beter de werkelijkheid: ‘behandel anderen zoals je zelf behandeld wordt.’ Maar principes spelen hoe dan ook geen grote rol in de betrekkingen tussen de staten. 

Een stout argument
     Bij degenen die de Amerikaanse aanval verdedigen hoor je soms de regel: ‘Alleen landen die zelf het internationaal recht respecteren, moeten door het internationaal recht worden beschermd.’ In een discussie over internationale conflicten lijkt me dat eerder een ‘talking point’ dan een argument. Binnen een nationaal rechtssysteem zou de regel in elk geval niet geldig zijn. Daar wordt een individuele wetsovertreder wél beschermd door de wet, o.a. om willekeur en eeuwigdurende vendetta
s te vermijden. 

Doornaert over internationaal recht
     Mia Doornaert (DS 5/3) spot met de Europeanen die ‘zo nodig een zuur mondje opzetten over schending van het internationaal recht.’ Ze antwoordt dat ook Iran het internationaal recht schond door Hezbollah en Hamas te bewapenen, door de Syrische dictator Assad te helpen en door Hamas aan te moedigen met zijn bloedige pogrom van 7 oktober 2023. Uiteraard wijst ze erop dat er op dit moment geen geschikt orgaan bestaat om het internationaal recht af te dwingen, en dat de Verenigde Naties dat al zeker niet zijn.
     Doornaert had ook kunnen toegeven dat het internationaal recht – met respect voor de nationale soevereiniteit – een gezond beginsel is dat echter niet kan worden afgedwongen door het goede voorbeeld te geven. En dat er daarnaast nog andere beginselen bestaan: mensenrechten, economische welvaart, vreedzame coëxistenties en nationale veiligheid op lange termijn. Dat laatste is in de internationale politiek altijd het belangrijkste geweest. Wie eenzijdig de nadruk legt op bijvoorbeeld vreedzame coëxistentie of op mensenrechten heeft waarschijnlijk een verborgen agenda. Dat was zo tijdens de Koude Oorlog toen de Russen het eerste beginsel en de Amerikanen het tweede beginsel als tactisch wapen inzetten. 

Internationaal recht en oorlog
     Als China in de toekomst Taiwan aanvalt en verovert, tegen de zin van de bevolking, zullen sommige juristen ongetwijfeld beweren dat die aanval past binnen het internationaal recht. Maar daarom zal die oorlog niet minder erg zijn.

 Oorlog vermijden?
     Zijn er in de geschiedenis al oorlogen vermeden dankzij het internationaal recht? Dat is een moeilijke vraag. Het is gemakkelijker om een lijst op te stellen van oorlogen die wél hebben plaatsgevonden dan om een speculatieve lijst op te stellen van oorlogen die niet hebben plaatsgevonden – met nog eens in de kantlijn de vermelding waaróm ze niet hebben plaatsgevonden. Maar ik ben geneigd om Torfs gelijk te geven als hij schrijft: ‘Internationaal recht kan rust en bezinning brengen bij conflicten.’ Na WO II is het aantal gewapende conflicten tussen landen afgenomen. Het internationaal recht van de Verenigde Naties kan daar best een rol in hebben gespeeld.

Rechtvaardigheid
    Het doel van het internationaal recht is om de status quo en de vrede te bewaren. Status quo en vrede zijn niet noodzakelijk rechtvaardig. Maar vrede is op zich wel doel dat de moeite waard is om na te streven, naast andere behartigenswaardige doelen.      

Veiligheidsraad
      De Veiligheidsraad van de VN is de behoeder van het internationaal recht. Het is een verstandige regeling maar ze heeft niets met neutrale rechtspraak te maken, en alles met historische krachtsverhoudingen. Naast Engeland en Frankrijk hebben China, Rusland en de VS een vetorecht, terwijl die drie landen in veel internationale conflicten rechter én partij zijn. 

Principes, politieke ideologie, resultaten
     Je kunt de oorlog tegen het Iraanse regime beoordelen vanuit de principes, vanuit de politieke ideologie en – het belangrijkste – vanuit de te verwachten resultaten. Mocht ik mij geroepen voelen om op straat te komen, dan zou ik vanuit de principes een bordje meedragen tégen de oorlog, vanuit de politieke ideologie een bordje vóór de oorlog, en vanuit de te verwachten resultaten een bordje met een vraagteken. Met dat laatste zou ik veel bekijks hebben, zo tussen al die bordjes met uitroeptekens.

Principes en Realpolitik
      In de internationale politiek is het gevaarlijk je te laten leiden door morele principes. Daar zijn veel voorbeelden van in wat we nu kennen als 
de aanloop van de tweede wereldoorlog. Rond 1935 waren er redelijk goede betrekkingen tussen Italië en Engeland, en redelijk slechte betrekkingen tussen Italië en Duitsland. Maar Mussolini wou graag Ethiopië veroveren als kolonie, hoewel dat land een onafhankelijk lid van de Volkenbond was. Engeland kon daar op drie manieren op reageren: 1) Italië laten begaan, waardoor het land een bondgenoot kon worden tegen Hitler-Duitsland; 2) krachtig optreden tegen Italië door militair in te grijpen; 3) de militaire invasie in Ethiopië diplomatiek ‘veroordelen’. Engeland koos, onder druk van de publieke opinie, voor de derde oplossing, die ook de slechtste was. Mussolini werd in de armen van Hitler geduwd, en werd in zijn vooroordeel bevestigd dat de Engelsen laffe bourgeois waren. 

Faoud Gandoul vs Friedrich Mertz
     Politicoloog Faoud Gandoul (DS 7/3) argumenteert terecht dat het internationaal recht niet alleen  geldt als het ons uitkomt. Hij bekritiseert de Duitse bondskanselier Mertz die gezegd had dat ‘volkenrechtelijke kwalificaties relatief weinig uithalen omdat ze doorgaans zonder gevolgen blijven’ en dat het daarom niet het moment is om ‘bondgenoten de les te spellen.’ Gandoul gaat daar niet mee akkoord. Hij schrijft:

Wat Mertz eigenlijk zegt, is dit: het recht telt wanneer het ons uitkomt. Europa roept terecht artikel 2 (4) in als Rusland Oekraïne binnenvalt. Maar wanneer bondgenoten in het Midden-Oosten soeverein grondgebied aanvallen, wordt dezelfde bepaling plots ‘relatief weinig waard.’

     Dat doet denken aan de Ethiopische toestanden van hierboven. Europa kan 1) de VS laten begaan, waardoor ze een halve bondgenoot aan de VS overhouden; 2) krachtig optreden tegen de VS door Iran militair te steunen en een ferme boycot tegen de VS op touw zetten; 3) de militaire aanval op het Iraanse regime diplomatiek veroordelen op grond van het Handvest van de Volkerenbond, pardon, de Verenigde Naties. Hier is de tweede oplossing de slechtste, maar de derde zal geloof ik ‘relatief weinig uithalen.’ 

Het slechte voorbeeld
     In een interview in DSL (7/3) neemt de sympathieke Columbiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez het op voor de internationale orde. Over de Amerikaanse interventie in Venezuela zegt hij:

Dat is een van de ernstigste schendingen van de internationale orde die ik ooit heb meegemaakt … Misschien vinden velen het een goede zaak dat Venezuela bevrijd is van een afschuwelijke dictator. Begrijpelijk, want de Venezolanen hebben erg geleden onder het corrupte, repressieve regime van Maduro, maar zo’n invasie is nooit te rechtvaardigen, omdat het schenden van de soevereiniteit van een staat een precedent schept voor Rusland en China.     

     Alsof Rusland (en China) precedenten nodig hebben. 

zaterdag 7 maart 2026

Alicja vs. Ilja


      Alicja Gescinska schreef deze week een aardig polemiekje tegen Ilja Leonard Pfeijffer. Pfeijffer was in discussie gegaan met Guy Verhofstadt en die laatste had toen gezegd dat het communisme ‘het bloed van miljoenen aan zijn handen had.’ De schrijver had daarop geantwoord: ‘Eigenlijk is het communisme nooit uitgeprobeerd.’ 
     Gescinska herkent daarin twee oude deuntjes van links. ‘Het communisme dat men tot nu toe heeft toegepast was geen écht communisme’ – de No True Scotsman-drogreden –, en ‘de misdaden van het communisme vloeien niet rechtstreeks voort uit de ideologie.’ Gescinska vat haar antwoord als volgt samen:

 Het communisme heeft kansen te over gehad. En overal waar men het communisme in de praktijk wilde brengen, volgden verarming, vernietiging van het milieu, verontmenselijking en verdrukking op massale schaal … We zijn het verschuldigd aan zijn miljoenen slachtoffers om het woord ‘communisme’ niet lichtzinnig te hanteren of te begrijpen.

    Dat laatste had ze niet mogen schrijven. Als je een polemiek voert met een tegenstander die dom, lui, oneerlijk, fanatiek of  in het geval van Pfeijffer – niet goed op de hoogte is, dan moet je vermijden om hem een al te makkelijke uitweg te bieden. In zijn antwoord op Gescinska kiest Pfeijffer zonder aarzelen die uitweg. Hij geeft Gescinsca gelijk op de secundaire kwestie van de woordkeuze.

 Zo'n samenleving hoeven we van mij niet communistisch te noemen. Uit respect voor de slachtoffers van de in naam communistische dictaturen moeten we misschien inderdaad een ander woord kiezen.

      En dan kan hij in een moeite door laten uitschijnen dat Gescinska hem verkeerd begrepen heeft:

Een democratische, communistische rechtsstaat heeft nog nooit ergens bestaan. Dat is wat ik bedoelde toen ik zei dat het communisme eigenlijk nog nooit is uitgeprobeerd.

     Maar Gescinska had het maar al te goed begrepen. Haar argument was juist dat het communisme, waar men het ook heeft uitgeprobeerd, tot nu toe altijd de democratische rechtstaat heeft vernietigd, en dat zoiets wel geen toeval zal zijn geweest. Dat is het inductief-empirisch-historische argument. Er hebben allerlei soorten kapitalistische maatschappijen bestaan – democratisch, autoritair, totalitair – maar de communistische maatschappijen van hun kant waren nóóit democratisch.
     Nu kan Pfeijffer antwoorden: ‘Wat niet is, kan nog komen.’ In een openbaar debat zal hij daar geen punten mee scoren, maar vanuit de logica is het geen slecht argument. Het is niet omdat we tot nu alleen witte zwanen hebben gezien, dat er morgen geen zwarte zwaan kan opduiken. Daarom wil ik Gescinska galant ter hulp schieten met een logisch-deductief argument dat zij ongetwijfeld kent, maar Pfeijffer misschien niet. Het komt hierop neer: die zwarte zwaan van het democratisch communisme kán niet bestaan.
     De redenen zijn eenvoudig. Het communisme houdt in dat een aantal als natuurlijk aangevoelde vrijheden worden afgeschaft: de vrijheid om handel te drijven, om te ondernemen, om vrijwillige contracten af te sluiten, om te kopen en te verkopen aan onderhandelde prijzen, om eigendom te verzamelen, en om eigendom door te geven aan je kinderen. Maar de afschaffing van die vrijheden heeft een prijs. Als men bijvoorbeeld de vrije markt vervangt door een ander distributiesysteem, ontstaat vanzelf een zwarte markt en een wijdvertakte corruptie. En die toestanden moeten dan met harde hand worden onderdrukt*.
     Ten tweede kan men zich moeilijk voorstellen dat een overheid haar macht gebruikt om de economische vrijheid te beknotten, en er tegelijk alles aan doet om de politieke vrijheid wél in stand te houden. Dat zou een heel idealistische overheid moeten zijn. Politieke vrijheid is voor de overheid een veel grotere bedreiging dan economische vrijheid. Politieke vrijheid kan per definitie gebruikt worden om de overheid, of minstens de regering, ten val te brengen. Met economische vrijheid (vrije markt) is dat veel minder het geval. Vandaar dat er best wat autocratische regimes zijn die een grote mate van economische vrijheid tolereren, van het Chili van Pinochet tot het China van Xi Jinping. Zolang ondernemers en handelaars zich in een min of meer vrije economie kunnen verrijken, voelen ze niet noodzakelijk de drang om politieke vrijheid te eisen en oppositie te voeren**.
      Ten derde creëert een kapitalistische economie meer welvaart dan een communistische economie. Dat betekent dat een belangrijk deel van de samenleving 
– niet altijd, maar meestal een meerderheid – de voorkeur zal geven aan een of andere variant van de kapitalistische economie. Bij democratische verkiezingen zal die voorkeur zich vertalen in de overwining van niet-communistische en anticommunistische partijen. Wie het communisme wil beschermen zal die democratische verkiezingen dus aan banden moeten leggen en ‘kapitalistische propaganda’ moeten verbieden, zo niet dreigt een kapitalistisch herstel.
     Dat laatste argument zal op Pfeijffer weinig indruk maken. Hij hoopt juist, om ecologische redenen, dat de algemene welvaart daalt, zolang die maar maar eerlijk verdeeld wordt***. En hij heeft niet veel vertrouwen in ‘democratische meerderheden’. Vandaar dat hij zijn ideaal omschrijft als een ‘democratische, communistische rechtstaat****.’  Niet een democratische, communistische staat,  maar een democratische, communistische rechtstaat’. Wat bedoelt Pfeijffer met die nuance in de context van een communistisch ideaal? 
     Ik vermoed dat hij het zo ziet: de burgers verkiezen een parlement, dat parlement schrijft in de grondwet enkele principes waar niemand tegen kan zijn, over sociale rechten en bescherming van het leefmilieu, en de rechters en opperrechters zorgen ervoor dat die binnen een communistisch kader worden geïnterpreteerd. Verkiezingsuitslagen, meerderheden en wetten die dat kader bedreigen, zijn van geen tel want dat zijn vormen van verwerpelijke ‘absolute democratie’, ‘populisme’ en ‘tirannie van de meerderheid.’*****
      De vraag is niet of Pfeijffer voor zijn ideaal het woord ‘communisme’ moet gebruiken, de vraag is veeleer of hij het woord ‘democratie’ moet gebruiken. Democratie is voor hem, geloof ik, een ding dat  geëngageerd, geïnformeerd, institutioneel, rechtstatelijk, liberaal en beperkt ******moet zijn. Dat zijn allemaal zeer goede eigenschappen. Maar is het ding ook nog democratisch?


* Daar komt nog het argument bij dat Hayek ontwikkelde in The Road to Serfdom. Als je de vrije markt vervangt door overheidsplanning, dan moet de overheid de tegenstrijdige belangen van economische actoren op arbitraire wijze verzoenen. Dat gebeurt in het beste geval door compromissen. Maar zoals dat bij compromissen gaat, is dan niemand tevreden, is er een permanente bron van ontevredenheid waardoor de overheid zich bedreigd voelt en waarbij ze dan evolueert van arbitrair naar autoritair.

** Een politiek autoritair systeem met een vrije markt blijft een precaire evenwichtsoefening, want economisch machtige spelers kúnnen op termijn een politieke bedreiging vormen. 

 *** Zie mijn eerdere stukje over Pfeijffer hier

**** Uiteraard weken de in naam communistische landen af van de rechtstatelijke traditie omdat de rechters niet onafhankelijk waren, en omdat er geen natuurrechtelijke basis van de wetgeving erkend werd.

***** Voor een verdediging van de democratie, zie mijn stukje hier.

****** Beperkt ... behalve als het op economische regulering en planning aankomt. 

 

** Zie mijn eerdere stukje over Pfeijffer hier.

 

*** Voor een verdediging van de democratie, zie mijn stukje hier.