zondag 20 september 2015

Dubbele helix

De ontdekkers van de DNA-structuur Watson, Crick en Wilkinson (gedeelde Nobelprijs 1954) waren maar van drie dingen bang.
Ten eerste waren ze afhankelijk van de röntgenfoto’s van Rosalind Franklin. Dat was een hele moeilijke dame om mee samen te werken. De heren vergaten bij hun vernuftige speculaties al eens een of ander onderdeel van de scheikundige theorie. Dan werd Rosalind zo boos dat de heren vreesden klappen te zullen krijgen. Wilkinson besteedde meer tijd aan het bedenken van middelen om Rosalind te laten overplaatsen naar een ander laboratorium dan aan het vinden van de correcte atoomverbindingen.
Ten tweede was er Linus Pauling. Die was ook op zoek naar de DNA-structuur en Pauling wist op zijn eentje meer van scheikunde af dan de drie toekomstige Nobelprijswinnaars samen. Als ze in hun onderzoek op een probleem stootten, moesten ze de oplossing halen uit een van de boeken van Pauling.
De derde vrees was de grootste. Wat als de gevonden DNA-structuur … saai was? Een onsystematisch zootje zonder geur, kleur of zaligheid? Een reeks uitwaaierende verbindingen zonder kraak of smaak? Een lelijke molecule?
Ze waren nodeloos bang geweest. Toen de dubbele helix gevonden was, bleek die dermate ingenieus in elkaar te zitten dat zo verscheiden zaken als het groeien van een kinderhandje en de verspreiding van gordelroos tot eenzelfde principe te herleiden was, even simpel als het openen van een ritssluiting. Rosalind Franklin vergaf op slag alle stommiteiten die de tennisspelende, rokkenjagende, de kantjes eraf lopende heren hadden uitgekraamd. Linus Pauling was verrukt. En de molecule was zo mooi dat ze op schaal werd nagebouwd als sierstuk voor intellectuele appartementen.
Boven: Watson, Crick – Onder: Wilkinson, Franklin 
Oorspronkelijk geplaatst op 11 februari 2015.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen