zaterdag 16 april 2016

Ekkehard en Karel de Dikke

     Dit stukje neemt je mee naar de tiende eeuw.
     In die tijd leefde monnik Ekkehard, van het klooster van Sankt-Gallen. Hij was heel geleerd en werd daarom door hertogin Hadwig van Zwaben uitgenodigd om haar Latijnse les te komen geven op haar kasteel. Hij schreef het Waltariuslied dat, zoals het Nibellungenlied, vertelt van de Germanen en de Hunnen, maar dan in het Latijn. Tenslotte werd hij raadgever van keizer Otto de Grote, zoon van Hendrik de Vogelaar. Sommige geleerden beweren dat er drie verschillende Ekkehards waren, waarvan er één Latijnse les gaf, één het Waltariuslied schreef, en één raadgever werd van Otto. ’t Is allemaal erg lang geleden.
    Iemand die niets moest hebben van die drie verschillende Ekkehards, was de Duitse schrijver Victor von Sheffel (1826-1886), die een roman schreef over de monnik. Von Sheffels Ekkehard is wel degelijk leraar, dichter en raadgever tegelijk. En minnaar, want Von Sheffel was een romantisch schrijver. In het tweede hoofdstuk al ontvlamt de tragische liefde tussen Ekkehard en de beweduwde Hadwig van Zwaben. De trotse hertogin wil een bezoek brengen aan het klooster van Sankt-Gallen, maar de regel van Benedictus verbiedt een vrouw – en een hertogin is ook een vrouw –  over de drempel van het klooster te stappen. Er is maar één mogelijkheid: iemand moet de edele vrouwe over de drempel dragen. Dat moet Ekkehard doen, die verantwoordelijk is voor de poort – Ekkehard die de blos der jeugd op de wangen draagt –  Ekkehard met zijn diepzinnige gelaatstrekken en zijn golvend blonde haar, ondanks de tonsuur. Hij neemt de hertogin in zijn sterke armen, zij vleit haar hoofd tegen zijn krachtige borst ... ja, het boek is nogal oubollig.
     Von Sheffels Ekkehard was voor de moffen, wat De leeuw van Vlaanderen was voor ons: een kloeke oproep om de grootse daden van weleer te gedenken. In het boek worden het klooster van Sankt-Gallen en Hadwigs kasteel op de Hogentwiel bedreigd door de Hunnen. Monniken en ridders trekken ten strijde en de veldslag verloopt wisselvallig. Dan, op het hoogtepunt van de strijd, verschijnt, een onbekende, machtige ridder die het tij doet keren.
     Conscience had dezelfde kunstgreep al toegepast toen hij Robrecht van Bethune liet verschijnen op de Groeningekouter. Het is dus best mogelijk dat Von Scheffel daar zijn reddende ridder vandaan heeft, want Conscience was bekend in heel Europa. In de veldslag tegen de Hunnen is het Karel de Dikke, gewezen keizer en achterkleinzoon van Karel de Grote, die de zaken recht komt zetten. Geschiedkundigen halen hun schouders op bij zulke verzinsels. Robrecht van Bethune zat in gevangenschap toen de Guldensporenslag plaatsvond en Karel de Dikke, de ongelukkige keizer die zijn hele leven last had van hoofdpijn, overleed kort nadat hij was afgezet.
    De naam van Karel de Dikke wordt trouwens niet vermeld in het boek. Maar de bijzonderheden die de schrijver prijsgeeft, zijn voldoende om, met behulp van Wikipedia, de identiteit van de geheimzinnige ridder te achterhalen. Laatst sprak ik met mijn vader over het boek. Ook hij was erachter gekomen dat de geheimzinnige ridder niemand anders dan Karel de Dikke kon zijn. Hij had dat gevonden zonder Wikipedia. Maar hij leest dan ook al bijna dertig jaar dagelijks in de Encyclopedia Britannica die hij bij zijn pensionering, op zijn vijfenzestigste, cadeau kreeg.
 
(1) Het is best mogelijk dat Von Scheffel zijn reddende ridder bij Conscience geleend heeft. In die tijd was Consciences werk, in Franse vertaling, bekend in heel beschaafd Europa.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen