woensdag 13 april 2016

Zuur

     Wanneer ik als kind zin kreeg in iets lekkers, sloop ik ongezien de keldertrap af, schroefde het deksel van een pot ingelegde uitjes en stak er één van in mijn mond. Ik doe dat nog altijd. Daarmee gaat de lekkere trek niet weg, integendeel zelfs. Ik moet daarna nog een glas water drinken, of iets anders eten. Maar ‘t is in elk geval beter dan snoep, want daar word je dik van -  en zuur is lekker. Mijn goede vriendin C. bestelt in het eetcafé waar we vaak komen meestal een slaatje ‘met iets zuurs’.
    Een woord als ‘zuur’  doet wat met je lichaam.  Als je het hoort of leest, vertrekt je gezicht een beetje, je mondspieren spannen zich op en je maakt meer speeksel aan, waardoor je geen trompet meer kunt spelen.  Misschien ook versnelt je hartslag een heel klein beetje en gaan de haartjes op je onderarmen een heel klein beetje rechtop staan. ’t Is alsof je lichaam zich schrap zet tegen een vijand, en dat is niet eerlijk, want zuur is, zoals gezegd, lekker.
     Van die vijandige reactie van ons lichaam op het woord ‘zuur’ wordt in de politiek flink profijt getrokken. In Vlaanderen is het vooral links dat erin geslaagd is zijn tegenstanders als zuurpruimen weg te zetten. Ik lees dat  ex-Groen politicus Luckas Vander Taelen nu voor ‘zure Brusselaar’ gescholden wordt omdat hij in een pas verschenen boek de multiculturele samenleving niet al te welwillend beschrijft (1).
     De zuurtruc is al oud. Eind jaren zestig, of begin jaren zeventig, werd de vormingsdienst van de christelijke vakbond geleid door Ward Bosmans (1934-2015). Ward was een man van nieuw-links, lid van het wonderbureau van de CVP (2) en een voorstander van saamhorige strijd tegen patronaat en multinationals. Maar bij verkiezingen van vakbondsafgevaardigden moest het geweer even van schouder veranderen. Dan moesten er zoveel mogelijk stemmen verzameld worden, en dat kon alleen maar ten koste van de oud-linkse socialistische broeders. Ward toog aan het werk en schreef een cursus hoe dat moest.
     Het christelijke vakbondslid, schreef Ward ongeveer, moest op uitgekiende manier het eigen programma kunnen uitdragen, maar dat was niet genoeg. Hij moest ook op zijn tijd een populaire socialistische kandidaat naar beneden kunnen halen. Je moest die socialistische kandidaat dan geen ‘vuile rooje’ noemen, want dat stond vulgair. Je moest hem geen gebrek aan dossierkennis verwijten, want wie interesseert zich nu voor dossiers? En je moest hem die verkeerd afgelopen staking van tien jaar geleden niet voor de voeten werpen, want wie herinnerde zich dat nog? Nee, dat was niet de goede aanpak. Je zei gewoon dat die socialist misschien wel een brave kerel was, maar toch ergens een beetje een ‘azijnpisser’.  Dat kostte hem al snel enkele tientallen of honderden stemmen (3).
     Luckas vander Taelen trekt zich daar allemaal niets van aan. Hij vindt dat je de problemen vooral moet durven benoemen. ‘Als je dat verzuurd noemt,’ zegt hij, ‘hoop ik dat ik altijd verzuurd zal blijven’ (hier). Maar ik betwijfel of uitspraken als die van Vander Taelen genoeg zullen zijn om het woord ‘verzuring’ op termijn een gunstige bijklank te geven, bijvoorbeeld die van ‘realisme’.
     Ik ken eigenlijk maar één schrijver die het woord wél in gunstige zin gebruikte en dat was Karel van het Reve. In Lenin heeft echt bestaan noteerde hij: ‘Er zijn mensen die in fictie van treurige, ‘tragische’ boeken houden en in het wereldbeschouwelijke van Marx en Teilhard. Bij mij is het omgekeerd: ik houd van verhalen met een happy ending en in het levenbeschouwelijke van de meer zure schrijvers: Schopenhauer, Benda, Aldanov, Orwell.’


(1) De grote verwarring, uitgegeven bij Houtekiet.
(2) Het Wonderbureau is de term die journalist Hugo De Ridder bedacht voor het nationaal bureau van de CVP-jongeren met ondermeer Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene en Miet Smet.
(3) Later werd Ward zelf socialist en nog later lid van Groen!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen