dinsdag 19 september 2017

De troost van de muziek


     Ik was niet van plan om zondag naar de uitzending over Theodore Dalrymple te kijken. Ik zou ze wel opnemen en er later eens naar kijken. Maar omdat mijn vrouw en mijn zoon wel aan het kijken waren, heb ik me ook maar op de sofa genesteld. Dalrymple was vriendelijk – met een tikje zelfspot –,  minder zelfzeker dan in zijn boeken, aarzelend zelfs. Over de godsdienst was hij erg middle-of-the-road. Hij was niet gelovig, dat niet, maar hij was ook niet antireligieus. Veel mensen haalden troost uit hun geloof, zei hij.
     Zou dat waar zijn, van die troost? In de generatie van mijn ouders en grootouders geloofden ze allemaal min of meer – toch in mijn familie. Zouden die allemaal troost in hun godsdienst hebben gevonden? Je kunt zoiets aan de gelovigen zelf vragen natuurlijk, maar de antwoorden die je dan krijgt, zijn niet erg betrouwbaar. De mensen zijn slecht ingelicht over hun eigen motieven, schreef Karel van het Reve.
     Waar ik wel in geloof is de troost van de muziek, en wel op die ogenblikken dat je troost nodig hebt. Niemand zal mij kunnen verwijten dat ik te veel aandacht besteed aan huishoudelijk werk. Als ik gegeten heb, laat ik gewoon alles op de eettafel staan, behalve de bederfelijke waren die in de koelkast moeten. Soms breng ik iets naar het aanrecht. Maar een uur voor mijn vrouw thuiskomt – en dat is ‘s avonds laat – slaat de angst toe. Dan begin ik met tegenzin de tafel af te ruimen, bruikbare etensresten op te bergen, de vaatwas van gisteren leeg te maken, de nieuwe vaat voor te spoelen, de vaatwas te vullen, pannen schoon te maken, enzovoort. Ik doe dat niet graag. En omdat ik heel traag werk, en mijn werk voortdurend onderbreek, duurt het ook nog eens lang. Schopenhauer beweert dat de mens heen en weer wordt geslingerd tussen ellende en verveling, maar tijdens huishoudelijk werk slaag ik erin me tegelijk ellendig te voelen én me te vervelen.
     Dat is nu allemaal anders. Ik heb onlangs het Wohltemperierte Klavier in huis gehaald, in de versie van Glenn Gould. Sindsdien verlang ik bijna naar de avondlijke huishoudklus, want het is een reden om de preludes en de fuga’s in de woonkamer te laten weerklinken. Wat is dat toch voor wonderlijke muziek! Nochtans was er een tijd dat ik dat Wohltemperierte niet lustte. De stukjes muziek leken mij een onbegrijpelijke klankenbrei. Ik heb ze eens, vijftien jaar geleden ongeveer, allemaal beluisterd op een lange busreis. Ik werd er lichtjes misselijk van. Dat kan natuurlijk ook aan het geschommel van de bus hebben gelegen.
     In een beroemd gedicht* schrijft Lars Gustafsson dat er ooit een wereld moet zijn geweest waar de muziek van Bach nog niet bestond. Dat kan best waar zijn voor laat ons zeggen de Brandenburgse Concerten. Prachtige muziek, maar ‘t is muziek uit de pruikentijd. Die muziek bestond niet in de vroege middeleeuwen, en ook niet in de antieke wereld. Maar Das Wohltemperierte Klavier? Die muziek moet altijd hebben bestaan, zoals het Amerikaanse continent en het periodieke stelsel altijd hebben bestaan. Alleen moest ze nog worden ontdekt, net zoals dat continent en dat stelsel. Bach heeft hier de rol gespeeld van Columbus vóór hem en Mendeljev na hem.
     Gufstafsson moet dat geweten hebben. Als je het gedicht aandachtig leest, zegt hij nergens dat de muziek vroeger niet bestond – alleen dat hij niet werd gehoord, dat hij niet werd gespeeld. Het Muzikalisches Opfer en het Wohltemperierte ‘waren nog nooit over een claviatuur gegaan,’ schrijft hij. Overal had je ‘onwetende instrumenten’. En dat is waar natuurlijk. Maar die noten, die volgorde en die samenklank, die moeten altijd hebben bestaan. Die zijn eeuwig.


Zie ook hier en hier.

* DE STILTE VAN DE WERELD VOOR BACH
Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,

maar hoe zag die wereld eruit?Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,

overal onwetende instrumenten
waar ‘Musikalisches Opfer’ en ‘Das Wohltemperierte Klavier’
nooit over een claviatuur waren gegaan.
Eenzaam gelegen kerken
waar de sopraanstem uit de Johannes Passion
zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde
rond de mildere windingen van de fluit,
weidse zachtmoedige landschappen
waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen zijn
het gezonde geluid van sterke honden in de winter
en - als een slingerklok - schaatsen klauwend in glansijs;
zwaluwen zwermend in zomerlucht
schelp waar het kind aan luisterten nergens Bach, nergens Bach

schaatsstilte van de wereld voor Bach.


 

 

 











1 opmerking:

  1. In dit stukje zit iets van schrijvers die ik bewonder: Couperus, Rudy Vandendaele, Luc Devos, Bernard Dewulf ... Het gebeurde ergens rond "wat is dat toch voor wonderlijke muziek". Troostbiedende lectuur welhaast.

    BeantwoordenVerwijderen