dinsdag 21 april 2026

Censuur, chatcontrol, etc.

De argumenten voor het vrije woord
     Wie argumenten zoekt voor het vrije woord, komt onvermijdelijk terecht bij J.S. Mill, met zijn boekje On Liberty. Ik heb daar in mijn boekenkast een exemplaar van dat toebehoord heeft aan een Labour-politicus A.W.F. Haycock. De uitgave dateert van 1905 maar Haycock heeft het verworven op 3 juli 1913, en hij heeft allerlei aantekeningen in de marge gemaakt. Bij Pinker vond ik een heel elegante samenvatting van de argumentatie.

There are three reasons why an unwelcome opinion should not be suppressed. For all we know, it might be true; even if it’s false, it may contain a grain of truth; and even it’s completely false, showing why it’s false gives us a sounder understanding of what is true.

     Zo'n mooie samenvatting  zou ik het nooit kunnen schrijven dacht ik. Maar ik heb eens in mijn oude stukjes gekeken, en daar vind ik er eentje van 11 oktober 2015 die op die van Pinker gelijkt.  

Dissidenten konden bijvoorbeeld gelijk hebben, zegt Mill, – of half gelijk – je wist maar nooit. En discussie was altijd verrijkend. 


Drie argumenten tegen het vrije woord
     Er worden drie argumenten ingebracht tegen onbeperkte vrije meningsuiting: de mogelijke verspreiding van hate speech, van fake news en van ‘gevaarlijke meningen.’ Bij die gevaarlijke meningen horen: klimaatscepticisme, desinformatie over gezondheid, woke ideeën, ‘verheerlijking van geweld’, subversie, en ‘buitenlandse beïnvloeding’. In vroeger tijden was ketterij de gevaarlijkste mening, want die bracht het zielenheil van de gelovigen in gevaar. 
     Het nieuwste gevaarlijke idee is AI-optimisme. Filosoof Stijn Bruers besluit een stuk in De Morgen als volgt: ‘Mensen die nu even stellig verkondigen dat AI niet zo gevaarlijk is, kunnen zo ook medeverantwoordelijk worden voor een grote ramp.’ Daar moet aan worden toegevoegd dat de argumenten van Bruers over het AI-gevaar helder zijn geformuleerd, en dat hij niet pleit om het AI-optisme als gevaarlijke mening te verbieden in de media of aan de universiteit. Dat deed hij wel met meningen over de Gaza-oorlog die hem niet bevielen*.

* Zie mijn stukjes hier en hier.


De grenzen aan de vrije meningsuiting
     Hoe helder een schrijver zich uitdrukt, kun je vaststellen als hij iets uitlegt wat je zelf ook al hebt proberen uit te leggen. Ik heb al verschillende keren geschreven over de kwestie van het vrije woord, en over de grenzen die daaraan kunnen worden gesteld. De formulering van Pinker in Common Knowledge vond ik bijzonder helder. Hij herhaalt dat het vrije woord ook geldt voor ‘crude, offensive and hateful speech’ en somt drie soorten van uitzonderingen op, terwijl ik er zelf maar twee zag. Ik heb de uitzonderingen van Pinker genummerd: 

  1. misdrijven die door hun aard zelf met woorden worden gepleegd, zoals afpersing, omkoping, laster, fraude en bedreigingen
  2. onmiddellijke aanstichting tot onwettig handelen 
  3. beperkingen op het tijdstip, de plaats en de wijze van uiting (Het Eerste Amendement geeft je niet het recht om om 3 uur ’s nachts je manifest door een luidsprekerwagen in een woonwijk te schallen, of om je zeepkist midden op een drukke snelweg neer te zetten.)

     Pinkers eerste punt verraadt dat hier een getrainde linguïst aan het woord is die weet heeft van de ‘performatieve taaldaden’-theorie.



Democratisch besliste censuur
     Begin januari was er op de opiniepagina’s van De Standaard een polemiek tussen juristen. Advocaat Joris Van Cauter had J.D. Vance gelijk gegeven over de kwestie van de vrije meningsuiting in Europa (DS 6/1). Die wordt volgens Van Cauter en Vance aan banden gelegd. Van Cauter haalde onder andere aan dat de Europese Raad sancties had uitgesproken (inreisverbod, beperking op gebruik van digitale diensten) tegen de Zwitserse oudkolonel Jacques Baud vanwege het verspreiden van pro-Russische standpunten en complottheorieën. Van Cauter noemde een en ander praktijken waar de ‘voormalige DDR alleen maar van kon dromen.’
     Die overdrijving werd meteen tegen hem gebruikt in het antwoord van twee professoren in EU-recht. Ik zou dat ook doen. Je moet geen stroman-argumentatie verzinnen als de opponent zelf een stroman in elkaar flanst. In hun antwoord legden de professoren dus uit dat er een heel verschil is tussen de DDR en de EU.  Binnen de EU worden nieuwe wetten en regelingen, in tegenstelling tot in de DDR vroeger, heel-heel-heel lang besproken in verkozen parlementen en onverkozen commissies. Ook gaven de professoren aan dat die oud-kolonel in beroep kon gaan tegen de beslissing van de Raad. Dan zou het Hof van Justitie nagaan of de kolonel écht, en op gecoördineerde manier, complottheorieën verspreid had.
     Maar dat maakt de zaak er niet veel beter op. Dat een censuurregeling veel tijd vergde en democratisch werd beslist, en dat sancties op grond van die regeling worden gecontroleerd door een gerechtelijke instantie, dat verandert niets aan de censuur zelf. Democratische en rechtstatelijke censuur is óók censuur.
     De professoren geven toe dat de EU met haar nieuwe regelgeving rond ‘verspreiden van desinformatie en Russische propaganda’ vragen doet rijzen zoals

‘hoe de scheidingslijn moet worden getrokken tussen informatie, misinformatie en desinformatie, maar dat is iets helemaal anders dan niet wenselijk geachte meningen sanctioneren.’

     Dat is helemaal niet iets anders! Het is precies hetzelfde. In een vrije maatschappij maakt noch de wet noch de rechter onderscheid tussen een informatie, misinformatie en desinformatie*. Er is geen censuur tegen wat sommigen desinformatie vinden, en anderen niet. Het enige aanvaardbare argument voor censuur is dat van de nationale veiligheid die bedreigd wordt door buitenlandse subversie**, en zelfs dat argument schept een gevaarlijke opening naar verdere censuur over andere onderwerpen.

* Een interessante uitzondering is wanneer een burger door een andere burger beschuldigd wordt van opzettelijke desinformatie en daarom een proces wegens laster inspant. Dan moet de rechter natuurlijk wel het onderscheid maken tussen informatie en desinformatie. Zie daarvoor de film Denial (2016) over holocaust-negationisme.


** Uiteindelijk is buitenlandse subversie ook het argument van de EU tegen de Zwitserse oud-kolonel, en de zaak bewijst hoe makkelijk dat argument kan worden misbruikt.



Chatcontrol als hefboom voor censuur
    
 Van Cauter had  in De Standaard (6/1) naar digitale supervisie via ChatControl verwezen als een hefboom voor censuur. Daar kwam een antwoord op van twee professoren in EU-recht die vonden uitlegden dat er verschillende niveaus van digitale supervisie bestaan. Zo bestond er volgens hen onder andere een verschil tussen het rondsturen 
van pedofiel beeldmateriaal en het verspreiden van discriminerende boodschappen’.
     Zeker is daar een verschil in, maar ik vraag mij of dat de professoren dat verschil erkennen. Mijn indruk is dat ze dat pedofiel beeldmateriaal en die discriminerende boodschappen allebei onder de noemer ‘onwettelijk’ samenbrengen. Vanuit hun vak hebben zij gelijk. Maar vanuit de liberale principes zou het eerste verboden moeten zijn en het tweede niet.
     En daar komt nog iets bij. V
oorstanders van de vrije mening zijn bang dat de technische mogelijkheden om pedofiele beelden te superviseren, later zullen worden aangewend om ‘discriminerende boodschappen’ te superviseren, plus eventueel andere niet wenselijk geachte meningen die na heel-heel-heel lange besprekingen in verkozen parlementen en onverkozen commissies aan de lijst van misdadige desinformatie worden toegevoegd.

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten