donderdag 27 april 2017

Normaliter maak ik mij niet druk

     In zaken van taal ben ik verdraagzaam. Als een leerling een fout maakt, onderstreep ik die zonder boos te worden. Als op een klassenraad voor de zoveelste keer genotuleerd wordt dat Silke of Jeroen nog een kans maakt ‘mits een betere studiehouding’ blijf ik wezenloos voor mij uitstaren – wat ik anders ook doe. Dt-fouten, verkeerde voornaamwoorden, Engelse modewoorden, enkelvoudige werkwoorden bij meervoudige onderwerpen – ik kan me er met de beste wil van de wereld niet druk om maken. Wel word ik boos als een taalsocioloog me komt vertellen dat al die fouten geen fouten zijn, want zoiets hangt af van de context, nietwaar, en het gaat om de communicatie, nietwaar, en taal verandert voortdurend, nietwaar. Maar dat is een andere materie.
     Er zijn op taalgebied eigenlijk maar drie kwesties die mij raken.
     Ik word ten eerste heel ongelukkig van een o-klank die als een halve eu-klank wordt uitgesproken. Vroeger hoorde ik die alleen als Brigitte Raskin op de radio kwam, maar nu ik zelf in buurt van Aarschot en Leuven woon, hoor ik die ook van echte mensen. Ik heb daarnet een paar Youtube filmpjes van Brigitte beluisterd en ik was aangenaam verrast dat ze zo weinig o-woorden gebruikte. Maar als ze ze gebruikte, sneed het door mijn ziel. Deur mijn ziel, zou Brigitte zeggen.
     Wat ik ook heel slecht verdraag is de uitdrukking ‘geld ophoesten’. Je hoort dat vaak op het Journaal of het Nieuws. ‘De Brusselaars moeten via hun stroomfactuur 100 miljoen aan groenestroomsubsidies … ophoesten’. Vreselijk. Nu zeg je wellicht: Clerick, dat is omdat je de uitdrukking zo vaak gehoord en gelezen hebt, dat je ze als cliché bent gaan verachten. Maar zo is het niet gegaan. Het is helemaal anders gegaan. Ik heb die uitdrukking gehaat vanaf de eerste keer dat ik ze hoorde. ‘Ophoesten,’ dacht ik, ‘wat lelijk. Hopelijk wordt het geen mode.’ Meude, zou Brigitte zeggen.
     En dan heb je de groeiende groep mensen die het woord normaliter uitspreken alsof het een inhoudsmaat is, terwijl de correcte klemtoon natuurlijk niet op de voorlaatste lettergreep komt maar op de voorvoorlaatste. Dat je in het Latijn bijwoorden kunt vormen met de uitgang ‘iter’ leerden we al in de zesde klas, die nu om onbegrijpelijke redenen de eerste klas wordt genoemd. Fortis – fortiter, felix – feliciter en dus ook normalis – normaliter. Een vriend van mijn erg linkse jeugdjaren probeerde zich indertijd binnen te werken in de vakbond en kreeg daar te maken met verantwoordelijken en secretarissen die minder hadden doorgeleerd dan hijzelf. ‘Een van hen zegt altijd normaliter’, vertrouwde hij mij toe. Hij grinnikte daarbij, want hij grinnikte vaak.
     ’t Is natuurlijk geen schande als je, zoals die vakbondssecretaris, niet doorgeleerd hebt. Maar dan is het wel beter om moeilijke woorden te vermijden waar gemakkelijke volstaan. Je zegt dan beter: ‘normaal’ of ‘normaal gesproken’. Als je die moeilijke woorden toch gebruikt, dan gebruik je ze voor je het weet verkeerd en word je door geestige toneelauteurs belachelijk gemaakt. Ik denk nu aan de goede Dogberry van Much Ado About Nothing of de aan brutale Sganarelle van Le médecin malgré lui.
     Enkele jaren geleden hadden we op school een spreker die een nieuw strategisch plan kwam voorstellen. Die spreker had dat meer gedaan. Hij stelde zichzelf voor, sprak van zijn schooljaren, zijn studies, zijn kinderen, zijn beroepservaring en wat nog meer. Hij prees onze school uitvoerig. Maar nu was de tijd aangebroken, vond hij, om de stap te maken van een ‘uitstekende school’ naar een ‘relevante school’. En hij voegde eraan toe: ‘Normaliter kan dat voor een school met zulke uitmuntende collega’s geen probleem zijn.’
     Dat deed voor mij, zoals men zegt, de deur dicht. Dat ‘relevant’ was al op het randje; dat ‘normaliter’ was erover. Ereuver, zou Brigitte zeggen.

1 opmerking: