vrijdag 14 april 2017

Plaatsgebrek in de hel

Groucho Marx, links onder, demonstreert hoe je misbruik
kunt maken van een overvolle trein.
     Verleden zondag, zo las ik in het Nieuwsblad, was het drummen op de trein van Blankenberge naar Genk. Op één dubbeldekse wagon zaten en stonden 200 reizigers, waar er maar plaats was voor 172. Sommige reizigers werden onwel en er werd aan de noodrem getrokken. Die toestand ontlokte een reactie aan Jan Vanseveren van de reizigersvakbond TreinTramBus.  ‘Reizigers worden te vaak in de kou gezet,’  zei Jan.
     Kijk, dat is nu het nadeel van dode metaforen waar ik mijn leerlingen zo voor waarschuw. Die reizigers hadden helemaal geen kou. Dat weet ik uit ervaring. Ik heb eens acht uur doorgebracht in een overvolle trein van Parijs naar de Spaanse grens. Alhoewel die trein niet dubbeldeks was, zaten en stonden er in mijn wagon wel duizend reizigers. Of dat dacht ik toch. Naar het toilet gaan was schier onmogelijk. Je moest je met veel gezwoeg tussen de lichamen wurmen. Om één meter vooruit te komen had je een half uur nodig. En dan nog eens een half uur om de toiletdeur open en dicht te krijgen. En dan die hitte! Toch hebben we het er in onze wagon allemaal levend vanaf gebracht. Van de andere wagons weet ik het niet.
     Wie het ‘Portret’ van James Joyce gelezen heeft zal zich de beschrijving van de hel nog herinneren, die begint met de onheilspellende woorden: ‘De hel is een benauwde en donkere en kwalijkriekende gevangenis waarvan de muren vierduizend mijl dik zijn.’ En binnen die muren zijn de verdoemden, vanwege hun grote aantal, zo opeengehoopt, dat ze zich niet in het minst kunnen veroeren. Ze kunnen niet eens aan hun neus krabben als die jeukt. Ze kunnen niet eens, zegt Sint-Anselmus, ‘een worm verwijderen die aan hun oog knaagt’.
     Maar ’t is er wel warm. De verdoemden worden niet in de kou gezet.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen