Als je zo’n oud boek als Lucretius’ De rerum naturae leest, dan zou je willen dat er naast de tekst telkens een uitleg staat over wat de huidige natuurwetenschap zegt over die atomen en moleculen. En dan zou je willen dat Lucretius naast je staat en dat je hem die uitleg kunt voorlezen.
Lucretius in elk geval goed in het redeneren vanuit zijn premissen en waarnemingen. Zo heeft hij heel goed geraden dat de ongelijke snelheid waarmee zware en lichte voorwerpen vallen te maken heeft met de luchtweerstand.
‘Dus moeten in de kalme leegte alle dingen
ondanks hun ongelijk gewicht gelijk bewegen.’ (I, 238-239).
Of zie wat hij schrijft over het licht in (II, 388):
Ook laat een hoornen lamp het licht door, maar de regen
wordt erdoor teruggespuugd. Waarom? De lichtpartikels
zijn kleiner dan de deeltjes van het weldadige water
Dat heb ik moeten opzoeken, en jawel: Lucretius had gelijk. In de moderne termen van een AI-overzicht: ‘Licht bestaat uit deeltjes die fotonen heten … Fotonen vliegen ongehinderd door de lege ruimte tussen de atomen van het glas.’ Dat moet ongeveer de voorstelling zijn die Lucretius zich maakte, zonder evenwel de bijkomende uitleg over energie-niveaus en elektronensprongen. Verder schrijft hij dat er veel verschillende elementaire deeltjes zijn, maar dat dat aantal ook niet onbeperkt is. Hoeveel juist, dat weet hij natuurlijk niet. Misschien denkt hij aan een ordegrootte tussen de 118 verschillende atomen en de miljoenen verschillende moleculen.
Filosofisch is hij ook modern in zijn vraagstelling. Hij begrijpt vaag dat zijn materialistisch systeem moeite had om de wilsvrijheid van de mens in te passen, en hij probeert zich uit te lullen in II, 255-293. En als hij om zich heen kijkt, voelt hij dat het universum zich van de mensheid niets aantrekt en dat de aarde voor ons geen zorgzame moeder is: te veel bergen, bossen, zee, woestijn en ijs (V, 195-234).
De citaten hierboven komen uit de vertaling van Piet Schrijvers.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten