zondag 2 augustus 2026

The Odyssey: de film, de cultuurstrijd


De film
      Op de sociale media leef ik in twee bubbels. Ik ‘volg’ een groot aantal mensen en dagelijks lees ik hun lange of korte commentaren over de wereld – ‘alles wat het geval is’ – en over wat anderen over de wereld denken. In die bubbel ging het verleden week vaak over een uitspraak van zangeres Sophie Straat. Maar de mensen die ik volg posten ook artikels uit de meer reguliere media en daar ging het verleden week nogal vaak over de Odyssee-verfilming van Christopher Nolan.
     Ik heb de film nu twee keer gezien, één keer vanop de eerste rij in de IMAX-zaal in Brussel*, en één keer vanop de laatste rij in een gewone zaal. Bij de IMAX-projectie kun je bijvoorbeeld gelijktijdig het atelier van Penelope zien én daaronder de feestzaal van het paleis, een van de talrijke briljante vondsten van Nolan. Bij de gewone projectie op een breed rechthoekig scherm is dat minder indrukwekkend omdat men bovenaan of onderaan bijna de helft van het beeld heeft weggeknipt. Je wordt dat snel gewoon en na een poosje let je er niet meer op.
     Hoe meer ik over de film nadenk, door alle commentaren te lezen, hoe beter ik hem vind. Of misschien niet beter, maar slimmer. Nolan is zoals Odysseus een man van honderd listen en duizend vondsten. Maar misschien ligt daar ook zijn zwakste punt. Bij het nadenken valt de film geweldig mee, bij het kijken is hij lichtjes vervelend. Dat vond ik al de eerste keer, en die indruk was nog sterker de tweede keer.
      Veel recensenten hebben het gebruik van de flashbacks geprezen. Terecht. De flashbacks zijn naadloos, voelen volstrekt logisch aan, en verhelderen het verhaal. Ik zou mij geloof ik zonder die flashbacks onnoemelijk – in plaats van lichtjes – verveeld hebben. Even vakkundig is de parallelmontage, een zwak punt in veel epische films. Bij de Star Wars-saga voelde ik ergernis iedere keer dat de actie verlegd werd van de ene planeet naar de andere. Maar Nolan schakelt over van Odysseus’ schip, naar Telemachus’ reis, en naar Penelopes paleis op precies het juiste moment en op precies de juiste manier.
     De episode met Circe vat de sterke en zwakke punten van Nolans verfilming goed samen. Helder verteld, spannend opgebouwd, meesterlijk gemonteerd, en uitstekend  geacteerd door Samantha Morton. Nolan heeft een aantal keuzes gemaakt die de eenheid van toon verzekeren, zoals de weglating van de humor en de erotiek. Hij heeft de transformatie van mannen in varkens met visuele spitsvondigheid uitgewerkt. En hij heeft Circe een geloofwaardig motief gegeven voor haar gebruik van magie: ze haat mannen, en vooral soldaten, die elke gelegenheid te baat nemen om vrouwen te verkrachten. Men kan dat een nodeloze ‘actualisering’ vinden, maar ten eerste: rondzwervende soldaten hébben altijd vrouwen verkracht, en ten tweede, vrouwen zullen dat ook 3000 jaar geleden niet prettig gevonden hebben. Dat zijn allemaal sterke punten. Waarom, vraag ik mij af, blijft het toch allemaal lichtjes vervelend? Is het omdat kinderachtige sprookjes mij niet zo erg interesseren?
     Nolan zelf moet dat gevaar van kinderachtigheid onder ogen hebben gezien. De sprookjesachtige elementen probeert hij over het algemeen kort en bondig te behandelen en een volwassen thema mee te geven: de sirenen, Scylla en Charybdis, de Laestrygonen, zelfs de cycloop. Het helpt, maar niet voldoende, en bij de naturalistische episodes verliest hij zich dan weer in epische wijdlopigheid.
     Voor ik de film gezien had, was ik erg benieuwd naar de scène van de onderwereld. Zou Odysseus werkelijk neerdalen in een wijds decor zoals beschreven door Vergilius en Dante? Dat was niet het geval. Nolan heeft de goede smaak gehad om dicht bij de homerische tekst te blijven met de kuil en het bloedoffer, en hij heeft een filmische oplossing gevonden voor het ‘verschijnen’ van de geesten. Hij heeft de sombere visie op het hiernamaals en de sfeer van gevaar nog aangescherpt, en het levert de op een na beste scène van de film op. Het was tevens een van de twee scènes die bij een tweede visie meer indruk maakten dan bij de eerste. 
   
 De beste scène is de plundering en de brand van Troje. Dat is een waar meesterstuk waar gedurende de hele film naartoe wordt gewerkt en als het eindelijk zover is, wordt de kijker verpletterd door de wreedheid van de Griekse overwinnaars, die spaarzaam in beeld wordt gebracht, maar krachtig wordt onderstreept door de muziek. Het wreedste moment is de onthoofding van een standbeeld en het angstige gezicht van een Trojaanse priesteres. Odysseus is geschokt door wat hij ziet gebeuren. Met de vernietiging van Troje weten we eindelijk waarom Matt Damon de hele film lang met een vermoeid en gekweld gezicht zijn avonturen beleeft.
     Maar is het realistisch dat een vechtjas na tien jaar oorlog plots medelijden krijgt met de vijand, al zijn het dan burgers? Hij heeft veel van hun makkers weten sneuvelen onder de pijlen, speren en zwaarden van de Trojanen. Waarom zou hij geen recht hebben op meedogenloze wraak? Waarom zou hij, vol van adrenaline, niet ongeremd deelnemen aan verkrachting, brandstichting en massamoord, zoals hij dat ongetwijfeld in het verleden heeft gedaan?
      Kijk, ik was er niet bij, maar ik vind het niet onmogelijk dat een homo sapiens van 3.000 jaar geleden te midden van het zoveelste routineuze bloedbad plots wél wordt aangegrepen door hetzelfde medelijden en dezelfde weerzin als de kijker in de zaal 3000 jaar later. Ik acht het niet uitgesloten dat iemand die al veel geweld heeft meegemaakt en gepleegd, plots door de schaal en de omstandigheden van wreedheid wél gedegouteerd raakt als Odysseus in de film. Als een volle emmer kan overlopen door één toegevoegde druppel, waarom dan niet als er een hele kan wordt bijgegoten?  En omgekeerd, als zo’n onverwacht inzicht niét te rijmen valt  met een normale psychologie, als we met een soort goddelijke ingreep te maken hebben, wint de scène dan niet aan kracht? 
   
 Het is ondertussen zeker dat de menselijke neiging tot empathie en medelijden ook in de homerische tijd bestond. Er is een bekende passage in de Odyssee waarin de tranen van Odyssee vergeleken worden met die van een vrouw die slachtoffer is van oorlogsgeweld. Aan het hof van Alcinoüs vertelt een rapsode over de val van Troje:

 En nu zong de zanger, hoe het heilige Ilium verwoest werd door de Grieken … En weemoed vervulde Odysseus, zodat zijn wimpers nat werden van tranen, die hem rolden langs de wangen. Zo ook weent een vrouw, als ze toesnelt op haar geliefde man, die viel voor de muren van zijn stad, waar hij streed voor zijn volk. Heel de dag vocht hij om stad en kinderen van een wrede vernieling te redden. En nu ziet ze hem worstelen met de dood, en al snikkend werpt zij zich op hem en weeklaagt en schreit. Achter haar dringen de vijanden op, slaan haar bruut op de rug met hun lansen, grijpen haar bij haar schouders, binden haar vast en voeren haar weg als slavin naar een leven vol jammer en ellende, waar weldra haar blozende wangen verwelken. Zo deerniswekkend sloeg ook Odysseus aan ’t schreien.

      Homerus zegt niét dat Odysseus schreit vanwege het ongelukkige lot van de vrouw, maar door het naast elkaar plaatsen van zijn en haar tranen, lijkt het wel of hij schreit om het wereldleed, waar zijn beproevingen, het lot van de ongelukkige vrouw, en de vernietiging van Troje één geheel vormen.
      Na de vernietiging van Troje als emotioneel hoogtepunt, kon de rest van de film – de terugkeer in het paleis – niets anders dan een anticlimax worden. Dat hoefde geen bezwaar te zijn. Alleen heeft Nolan met het gevecht tussen Odysseus en de vrijers de geweldorgie in Troje nog proberen te overtreffen. Dié eindeloze vechtpartij vond ik een van de vervelendste stukken van de film. Een snelle afhandeling van die onverkwikkelijke zaak had volgens mij beter gewerkt. Liefhebbers van geweldscènes denken daar misschien anders over.


Woke casting als marketing
     In een pseudo-homerische stijl maakt boekhandelaar Steven van Ammel (DS 1/8) zich vrolijk over ‘bozige oude mannen’ die zich druk maken over de zwarte Helena in Nolans verfilming. 

Vertel, o muze, over een complexe man. Hoe hij in zijn burcht alle hexameters najaagt met zijn wijsvinger, op zoek naar een eeuwenoud gelijk. De Odyssee zal wit zijn, of niet zijn. Woke is een monster met meer koppen dan Scylla, te bestrijden met een computerklavier en een woordenboek Oudgrieks … Bozig [gaat hij na] hoe blank Helena wel niet was.

      Ik heb veel bewondering voor oude mannen die nu de moeite doen om de Odyssee in het Oudgrieks te lezen. Tien jaar geleden zou ik het misschien ook hebben geprobeerd, met behulp van de digitale Tufts University uitgave, maar daar ben ik nu te ongeduldig voor geworden. Ongeduld is vrees ik een groter gebrek bij oude mannen dan voortdurende bozigheid.
     Maar zelf heb ik mij dus, zoals ik in een vorig stukje uitlegde, veel minder aan de zwarte Helena en de zwarte Clytaemnestra gestoord dan ik had verwacht. Ik geloof trouwens, net als Van Ammel, dat de kleine provocatie van Nolan een marketingstunt was, zij het perfect gedoseerd. Achteraf kunnen we alleen vaststellen dat de gok met de zwarte Helena heeft geloond. Elon Musk is erin getuind en heeft met enkele boze tweets gezorgd voor extra reclame.
      Waar ik mij wel aan heb gestoord – lichtjes, want ik wil niet bozig overkomen – is aan de manier waarop sommigen de multiraciale casting mordicus wilden verdedigen. De redenering van Mary Beard, de bekende Britse classica, kan ik nog volgen. Ik heb een interview met haar gezien, en ik hoor haar liever praten dan dat ik haar lees. Ze wijst op de de multiracialiteit van de Homerische wereld. Daar zit iets in. Waarom zouden Agamemnon en Menelaus eigenlijk niet getrouwd kunnen zijn met Ethiopische prinsessen? Het klopt niet met de mythologie, maar Ethiopiërs maakten wel degelijk deel uit van het wereldbeeld. Helemaal in het begin van de Ilias, herinner ik mij, is Zeus met alle goden vertrokken van de Olympus voor een twaalf dagen durend feest bij de ‘voortreffelijke Ethiopiërs’.
     Ik word wel zenuwachtig als dichter bij ons professor Nadia Sels, gespecialiseerd in mythologie, er een principekwestie van maakt. In De Morgen schrijft ze:

Verder denk ik ook dat Nolan bewust voor een actrice van Afrikaanse afkomst kiest, omdat hij Helena in beeld wil brengen als een buitgemaakte vrouw, iemand die met geweld is meegesleept. Volgens mij is het geen vrijblijvende keuze, en wil hij de link leggen met de koloniale geschiedenis.

     Nu, om de naïviteit van Sels kunnen we nog lachen, maar het lachen vergaat mij als de gewiekste classica en Homerus-vertaalster Emily Wilson zich in het debat mengt: 

De kleurblinde casting werd in sommige kringen natuurlijk afgekeurd. Maar er is niets progressiefs aan. De meeste niet-witte acteurs – Zendaya, Lupita Nyong’o, Himesh Patel, Corey Antonio Hawkins, Travis Scott – spelen varianten van de ‘Black Best Friend’, wiens enige rol in het drama is om de blanke protagonist te helpen … 

    Wilson verwoordt het slim. Nolan is met zijn kleurblinde, multiraciale casting niet ‘progressief’ genoeg geweest. Maar wat had hij dan wél moeten doen? Had hij meteen enkele niet-blanken moeten kiezen voor de hoofpersonages? Een zwarte Odysseus? Een zwarte Penelope? Een Telemachus van gemengde afkomst? Is dat wat bedoeld wordt met een een echte progressieve kleurblinde (‘race-neutral’) casting? Misschien, maar Wilson laat het achterste van haar tong niet zien. 


Politieke boodschap?
     Als de casting van een zwarte Helena voor sommige lieden van rechts genoeg was om boos te reageren en de film in zijn geheel aan te vallen als woke, dan waren die reacties voor sommige lieden van links, waaronder recensenten, columnisten en academici, genoeg om de film in zijn geheel te verdedigen. Men ging de film daardoor, vanuit twee kampen, evalueren op een veronderstelde politieke boodschap. Zoiets is altijd mogelijk. Met een beetje fantasie kun je in The Odyssey een anti-Trump film zien zoals ik met enige fantasie in Lincoln van Spielberg een pro-Obama film zag.
  
     Het is waar: The Odyssey bevat tal van vederlichte verwijzingen naar eigentijdse politieke thema’s zoals oorlog, migratie, feminisme, pacifisme, handelsroutes, internationale rechtsorde, post-traumatic stress disorder, decadentie, standverschil, integer leiderschap …  Over geen van die kwesties wordt echter een woke of anti-woke boodschap meegegeven. De verwoesting van Troje is een hartverscheurende illustratie van generaal Shermans adagio: war is hell. Die boodschap is niet woke of anti-woke.
     Of neem migratie. Het is verleidelijk om Nolans voortdurende verwijzing naar de  Griekse gastvrijheid – de wet van Zeus – te beschouwen als een pleidooi voor open grenzen en een kritiek op xenofobie. Columniste Merel van Vroonhoven schreef in De Volkskrant (22/7):

 Xenofobie … is het tegendeel van het oud-Griekse gastvrijheidsideaal. Asielzoekers die worden weggezet als loslopende criminelen of vrouwenbelagers. Arbeidsmigranten die hutjemutje in een kamertje worden gepropt en onder mensonterende omstandigheden rotklussen doen waar we zelf de neus voor ophalen. Laat dat de vreemdeling maar doen … Wat me in de film raakt is het besef dat wanneer gastvrijheid niet wordt nageleefd, het broze weefsel van vredig samenleven afbrokkelt.

     Ik weet niet of die asielzoekers en die arbeidsmigranten veel met de oude Grieken of met Nolans film te maken heeft. De intrige van de film berust vooral op het misbruik van gastvrijheid door de vrijers in het paleis. Wie wil kan in de film evengoed een waarschuwing zien tégen migratie en overrompeling. En de grote misdaad, de vernietiging van Troje, heeft weinig met de thematiek van gastvrijheid of migratie te maken. Die vernietiging is een uiting van barbaarse wreedheid, een gevolg van wraakzucht dan wel van hebzucht, een flagrant misbruik van de gemeenschappelijke godsdienst, en een gebrek aan fairplay, fairplay die Odysseus wél aan de dag legt bij de hertenjacht. Maar die vernietiging heeft niets met migratie te maken.
       Ook de morele boodschappen in de film, van rationaliteit, van loyaliteit, van traumaverwerking, van verantwoordelijkheidszin, van huwelijkstrouw, van zelfbeheersing, van dankbaarheid en ondankbaarheid, van zelfredzaamheid en de grenzen ervan, ze overstijgen allemaal de tweedeling woke – anti-woke. Dat verklaart waarom veel conservatieven en progressieven niét in de val zijn getrapt om The Odyssey politiek-ideologisch te framen. Een columnist van de NYT noemde de film ‘conservatief met een kleine c’, dat wil zeggen het soort conservatisme waar ook veel mensen van links zich in kunnen herkennen.


Declinisme
     Tom Naegels ergert zich op zijn FB-pagina aan het ‘patina van declinisme over de film’. De omschrijving zelf is juist. De personages in de film voelen dat een beschaving ten einde loopt. Eerst ziet men de bedreiging in een vijand van buitenaf – de volkeren van de zee – maar bij Odysseus rijpt het inzicht dat de ondergang er komt doordat men de eigen waarden niet meer respecteert. Naegels noemt dat ‘pompeuze grootspraak.’
       Ik zie dat anders. Ten eerste vind ik dat een episch verhaal een beetje pompeus mag zijn. Ten tweede heb ik mijn epische verhalen liever melancholisch dan louter heroïsch en het thema van de ondergang helpt bij die toonzetting. Vandaar mijn liefde voor latere westerns zoals The Man Who Shot Liberty Valence,  The Wild Bunch, Judge Roy Bean en The Shootist, of de romans van James Fenimore Cooper die de ondergang van de Frontier-beschaving vertellen.
      Ten derde heeft Nolan de goede smaak gehad om geen moderne interpretatie op te leggen. Wie gelooft dat onze beschaving binnenkort ten val komt mag dat na het bekijken van de film nog altijd wijten aan de klimaatopwarming, de migratie, de maatregelen tegen de migratie, de opkomst van extreem-rechts of extreem-links, de artificiële intelligentie, de ongebreidelde economische groei, de degrowth ideologie, enzovoort.
     En ten vierde is declinisme een thema dat Nolan blijkbaar na aan het hart ligt. Ook in Interstellar beschrijft hij een beschaving die door gebrek aan morele kracht tot ondergang gedoemd lijkt. Ik hou van auteurs en regisseurs die een thema zo ernstig nemen dat ze er telkens op terugkomen, zo lang ze niet zeuren.
      Is onze moderne beschaving ook ten dode opgeschreven zoals die van de bronstijd? Wie zal het zeggen? Niemand behalve Tiresias kan de toekomst voorspellen, al durf ik wél voorspellen dat er altijd en in elk tijdperk mensen zullen zijn die door dat ondergangsgevoel gekweld worden. En anderen die vinden dat het zo’n vaart niet loopt. En nog anderen die vinden dat die beschaving zo weinig voorstelt dat ze best ten onder mag gaan.


Historische accuratesse en ecclectisme 
    
  Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als cultuurbarbaren van rechts, zoals Elon Musk – met alle respect –, weinig politieke argumenten vinden tegen Nolans film, gaan ze verwijten bovenhalen over het gebrek aan historische accuratesse. En van de weeromstuit gaan scribenten van links, die onder andere omstandigheden misschien dezelfde verwijten zouden hebben geformuleerd, nu uitvoerig uitleggen dat historische accuratesse bij een verfilming onmogelijk is.
       Die scribenten van links hebben in dit geval gelijk. We kunnen ons wel een historisch accurate muziekopvoering voorstellen, of misschien zelfs een historische accurate Shakespeare-opvoering, maar we kunnen ons geen historisch accurate verfilming voorstellen. Een correcte weergave van de antieke of middeleeuwse mentaliteit en esthetiek zoals die in een eeuwenoud literair werk zijn vervat, dat is een onmogelijke opdracht voor een publieksfilm. Eric Röhmer heeft het geprobeerd met de kunstfilm Perceval le Gallois, waarin de decors gelijken op geschilderde miniaturen en de personages de verzen van Chrétien de Troyes declameren. Maar de middeleeuwers die zouden kunnen beoordelen of die poging geslaagd is, zijn allemaal dood.
      Het hoogste wat men in een publieksfilm zou kunnen nastreven zijn gebouwen en kostuums die overeenstemmen met de archeologische vondsten. In het geval van The Odyssey zou de regisseur dan ook nog eens een keuze moeten maken tussen de Myceense tijd waarin de gebeurtenissen verondersteld worden plaats te vinden en de homerische tijd waarin de gebeurtenissen verondersteld worden op schrift te zijn gesteld. Nolan heeft het tegenovergestelde gedaan en sommige van zijn keuzes zijn zo opvallend anachronistisch dat het aan een expert of pedante leek geen voldoening meer schenkt om er op te wijzen.
      Men kan Nolan verwijten dat hij door zijn aanpassingen te weinig respect heeft opgebracht voor één canonieke tekst, maar de kwestie is veeleer dat hij uit een heel brede canon heeft geput: de Ilias, de Odyssee, de Griekse tragici, de Aeneïs, en verder de scènewisseling van Shakespeare, de horror van Goya, de cinematografie van de western, de ernst van Hollywood sandalenfilms, de iconografie van Amerikaanse comics. En dan rijst de vraag: heeft de regisseur voldoende artistieke, narratieve en stilistische kracht in huis om die hutspot als één consistent geheel te laten overkomen? Ik vind van wel, maar dat is een kwestie van smaak.
    Het is ook de artistieke kracht die maakt of men de onvermijdelijke anachronismen kan verteren. Telemachus die zijn vader aanspreekt als ‘dad’. Menelaüs die spreekt over de ‘controle over de handelsroutes.’ Op een bepaald moment valt de zin: ‘Our age of bronze is coming to an end.’ Dat is een heel flagrant anachronisme, want Odysseus kan evenmin weten dat hij in de bronstijd leeft, als de vissen van David Foster Wallace kunnen weten dat ze in het water zwemmen. En toch heeft de zin mij amper gestoord, dankzij, geloof ik, de natuurlijke dictie en de context.


De ‘voorhoofse’ verhaallijn
     De classica Mary Beard betreurde dat de film loads and loads and loads and loads of violence bevatte. Dat is een begrijpelijke kritiek. Die  loads of violence zijn eigenlijk meer iets van de Ilias dan van de Odyssee.
 
     Er zijn nogal wat verschillen tussen die twee homerische epen ook al ligt er tussen hun definitieve neerslag misschien maar enkele decennia. Men kan het enigszins vergelijken met het verschil tussen de tussen de voorhoofse en de hoofse ridderroman waar ik vroeger les over gaf. De voorhoofse ridderroman – type Chanson de Roland – is een verhaal over ruzies en veldslagen, en niet veel meer. De hoofse ridderroman daarentegen gaat over een zwerftocht, bevat erotische motieven en sprookjeselementen, voert draken en monsters ten tonele – zoals de Odyssee dus. De ontvangst van Odysseus aan het hof van de voorbeeldig gastvrije koning Alcinoüs – weggelaten in Nolans verfilming – verloopt volgens een etiquette die aan Carduel of Camelot doet denken. De vrijers in het paleis van Ithaka gedragen zich als onhoofse ‘chevaliers couards’. Bij de Telemachus-episode is er zelfs als je wil een element van Bildung aanwezig.
      Met veel overdrijving zou je kunnen zeggen dat Nolan door toevoegingen en weglatingen een nogal ‘voorhoofse’ versie van een nogal ‘hoofs’ verhaal heeft gemaakt.


Een ‘brave’ Odysseus 
   
 De Odysseus van Homerus is weliswaar een morele barbaar, maar hij is toch méér dan een eerzuchtige vechtmachine als Achilles, Ajax en Diomedes. Hij is nieuwsgierig. Hij is een handig vakman. Hij is sterk én slim én kwetsbaar. Hij is vaak de verliezende partij die het er op de valreep nog goed vanaf brengt. Hij staat in zijn moraal en gedrag ver van ons, maar is toch al een beetje een moderne mens. Hij is een held, maar toch al een beetje een antiheld. Maar Nolan gaat in dat antiheldendom veel verder – heel veel verder.
     Meer dan één criticus heeft opgemerkt dat de Odysseus van Nolan meer gelijkt op de plichtsgetrouwe Aneas van Vergilius dan op het homerische personage. Of om de vergelijking dichter op ons te betrekken: de Odysseus van Nolan is meer een christen dan een heiden. Dat was de oorspronkelijke Odysseus helemaal niet. Karel van het Reve schrijft: 

Die helden van Homerus zijn eigenlijk een stelletje dieven en moordenaars. Als Odysseus wegvaart van Troje, blaast de wind hem naar het land van de Kikonen. Daar verwoest hij zonder aanleiding, zuiver uit moord- en roofzucht, een stad. De mannen vermoordt hij, de vrouwen neemt hij mee. Hij vertelt dat later alsof het volkomen vanzelf spreekt dat als je aan een vreemde kust landt en er ligt een vreemde stad, dat je die stad dan verwoest, de mannen uitmoordt en de vrouwen rooft … Als Odysseus een bezoek brengt aan de onderwereld ontmoet hij daar Agamemnon, die toen hij hem voor het laatst zag nog leefde. Odysseus informeert hoe Agamemnon aan zijn einde is gekomen. Ben je soms met schip en al verzopen door toedoen van Poseidon? Of ben je door vijandige mannen om zeep gebracht toen je bezig was runderen te stelen of schapen? … Voor de helden van Homerus is het stelen van runderen of schapen of vrouwen een volstrekt legitieme bezigheid. De huichelarij, die sinds de invoering van het christendom als een waas over de Europese literatuur hangt – iedereen doet of hij zich streng aan de tien geboden houdt – ontbreekt hier helemaal.

      In de versie van Nolan is de Kikonen-episode anders. Odysseus zint op een vreedzame bevoorrading, maar de Kikonen zijn gevlucht nadat ze eerst hun huizen en voorraden in brand hebben gestoken om de plunderaars voor te zijn. De brave Odysseus is eraan voor de moeite.
     Moreel is de Odysseus van Nolan naar moderne normen goed aanvaardbaar. Plichtsbetrachting, berouw en verlangen naar huis en gezin, dat zijn zijn voornaamste drijfveren. De wreedheden die hij ná Troje begaat, zoals het afslachten van de vrijers, zijn het gevolg van een rationele keuze. De enige keer dat we de wrede Odysseus van Homerus te zien krijgen is als hij zonder reden een pijl afschiet op de weerloze Cycloop – het filmische equivalent van de sadistisch-komische tirade over de naam ‘Niemand’ die Nolan heeft weggelaten.
     Welke andere keuze had Nolan voor Odysseus’ karakter kunnen maken? Had hij er een cynische spotter moeten van maken? Een sympathieke schurk? Een wellustige vrouwenjager? Een onkwetsbare James Bond misschien? Ik vond het verstandig van Nolan om een voorbeeld te nemen aan getormenteerde helden zoals Jason Bourne, die een klap die hij ontvangt ook voélt. En Jason Bourne was ook sterk en snel en slim als het erop aankwam. Welke acteur speelde ook al weer die rol?
     Een keuze die niét openstond was die om de oorspronkelijke Odysseus ongecensureerd weer te geven met alle onbeschaamde wreedheid van de antieke beschaving, een Odysseus bijvoorbeeld die meedogenloos alle slavinnen laat ophangen omdat ze zich afgegeven hadden met de vrijers? De impuls om zulke vrouwen te straffen is sinds de oudheid niet verdwenen. Daarvoor moeten we maar denken aan de manier waarop meisjes en vrouwen behandeld werden die zich tijdens de oorlog afgegeven hadden met Duitse soldaten. Maar de ‘waas van huichelarij’ maakt dat zulke zaken in een film niet kunnen worden getoond worden zonder op zijn minst afkeuring van die behandeling te laten blijken.
     Een moderne kijker zou bij de terechtstelling van de slavinnen niets dan weerzin ervaren, en ik kan moeilijk geloven dat het opwekken van weerzin de bedoeling van Homerus was. Wij kunnen de instelling van de slavernij onmogelijk bekijken door de ogen van de antieken. We lezen Tacitus over de Romeinse keizers alsof hij een moderne historicus was die schrijft over Stalin. En dan schrijft hij een verloren zinnetje over slaven die gefolterd worden na de moord op hun meester, een moord waar ze niets mee te maken hebben. Tacitus lag van het lot van de slaven niet wakker, Clive James, een bewonderaar van Tacitus, kon er niet van slapen.
     Karel van het Reve vond het verfrissend dat de homerische helden niet beladen waren met morele scrupules. Hebzucht, eerzucht en wraakzucht lijken de grote drijfveren tot handelen, aangevuld met bevelen van de goden, familiebanden, sluwe berekening, buien van goed en slecht humeur, en intuïtieve sympathieën en antipathieën. Karel zou geloof ik weinig begrip gehad hebben voor de traumaverwerking die de centrale drijfveer is in Nolans versie.
     Dat betekent overigens niet dat de homerische helden geen morele normen of grenzen kennen. Ze zien een groot verschil tussen moed en lafheid, tussen trouw en verraad. Hun lichtgeraakte egoïsme wordt in bedwang gehouden door enerzijds een nogal wankele hiërarchie en anderzijds door onwankelbare tradities, zoals de reeds vermelde plicht tot gastvrijheid. Alleen heeft Nolan van die gastvrijheid – elke gast in je huis kan een vermomde godheid zijn – een anachronistisch symbool gemaakt van, geloof ik, burgerfatsoen, solidariteit, internationaal recht en rechtstatelijkheid. Zelfs als koning staat Odysseus niet boven de wet, en aanvaardt hij ballingschap als straf voor zijn nochtans gerechtvaardigde wraak op de vrijers die zich in zijn paleis bevonden. Ook deze verhaallijn is strijdig met de geest en de letter van Homerus’ boek.


Leren van de klassieken
     Een cultuurstrijd in de marge van de succesfilm betreft de plaats van de Griekse oudheid in onze cultuur en in het schoolsysteem. Velen verheugen zich dat de interesse voor de Griekse oudheid een boost kreeg door Nolans film. Anderen vinden dat er van de oude Grieken weinig te leren valt. Richard Hanania schrijft zoiets op zijn substack-pagina:

 Ik vind het prima dat de Odyssee en de Ilias worden behandeld als kernonderdelen van de Westerse traditie. Het is goed om gemeenschappelijke culturele referentiepunten te hebben, en er is iets inspirerends aan het lezen van hetzelfde verhaal dat mensen al bijna drieduizend jaar vertellen. Maar we moeten Agamemnon en zijn mede-verkrachters in geen geval benaderen als morele gelijken. Als je alle gevechtsscènes in de Ilias gaaf vindt, moet dat worden begrepen als een guilty pleasure, net zoals het genieten van achtervolgingen in een actiefilm. En we moeten niet doen alsof er een hogere waarde schuilt in het eren van het antieke verleden; in plaats daarvan moeten we onze eerbied bewaren voor hoe ver we in de afgelopen eeuwen zijn gekomen. De beste les die Homeros kan geven, is dankbaarheid dat we niet meer in zijn wereld leven. 

    De kritiek is niet nieuw. Ook de klassiek-liberale Frédéric Bastiat (1801-1850) wilde in het onderwijs van zijn tijd liever minder eerbied voor de klassieke oudheid op school. Door het lezen van Caesar en Livius, vond hij, werden de jonge hoofden gevuld met militarisme.
     Die visie correleert met de stelling van Stephen Pinker – die Hanania’s stuk aanbeveelt – dat we door de eeuwen heen een grote morele vooruitgang hebben geboekt. Als we zo’n morele vooruitgang hebben geboekt, kunnen we dan nog iets leren van literatuur die honderden of duizenden jaren oud is?
     Zelf vind ik het een uitstekend idee om de klassieke literatuur als ‘guilty pleasure’ te lezen. Maar als die literatuur op school onderwezen wordt, moet de leraar er ook iets over zeggen. Hij kan inderdaad, zoals Hanania, uitleggen hoeveel morele vooruitgang we gemaakt hebben in onze mentaliteit, regels en gedrag. Hij kan ook passages eruit halen die belichten hoe de menselijke natuur met haar vermogen tot wreedheid en medelijden, tot volharding en zelfbeklag, in 3000 jaar eigenlijk niét veel veranderd is – ondanks de evoluerende conventies. Een bijzonder sympathieke conventie in Homerus’ tijd is in elk geval dat de vijanden – de Trojanen – als gelijkaardige en gelijkwaardige mensen worden voorgesteld. Men zoekt de eigen wreedheid niet te rechtvaardigen door de vijand te demoniseren. Daar kan onze moderne tijd iets van leren. 

Morgen of overmorgen schrijf ik iets over de negatieve bespreking die Homerus-experte Emily Wilson aan de film heeft gewijd.

*Zie ook mijn eerste stukje over The Odyssey hier.