zaterdag 17 oktober 2015

Oxfam en de éénprocenters

     Vanmorgen fietste ik naar de Delhaize om brood. Ik kwam langs de Patrijzendreef, de Mereldreef, de Nachtegalendreef en de Eksterdreef, waar allemaal mooie grote huizen staan. ‘Hier moeten veel van die één procent rijkste wereldburgers wonen,’ dacht ik bij mijzelf, want over die éénprocenters is van de week veel te doen geweest. Uit een pas verschenen rapport van Credit Suisse blijkt dat ze meer dan de helft van alle rijkdom op aarde bezitten. Het gaat dan om lieden met een vermogen van minstens 666.352 euro - huis inbegrepen. Daar zullen wel niet veel onderwijsmensen zoals ik bij zijn, hoewel – het kan ook niet worden uitgesloten. Met een bijverdienste uit een aanvullend beroep, flink sparen, niet scheiden van je vrouw en geen Arco-aandelen kopen, is veel mogelijk. Ik hoorde ooit een gepensioneerde schooldirecteur zeggen: ‘Wat is nu een half miljoen? Als je alles samentelt, kom je snel aan zo’n bedrag.’
     De groep van éénprocenters stel ik mij voor als een allegaartje van succesvolle bakkers, slagers en frituuruitbaters, gespecialiseerde artsen, zakenadvocaten, topambtenaren, kookboekenschrijvers, voetballers, zangers, internationale filmsterren, ceo’s en Erfgenamen van een Familiefortuin. Een organisatie als Oxfam, die zowel de armoede als de rijkdom wil bestrijden, maakt geregeld posters waarop die rijkdom beeldend wordt voorgesteld door een luxueuze boot of een vliegtuig. Het is dan niet helemaal duidelijk of die boot een Erfgenaam en zijn Minnares vervoert, of gewoon een partij gepensioneerde bakkers aan boord heeft. En of dat vliegtuig een privéjet is van een ceo, of een charter met vakantievierende slagers. De boodschap is wel duidelijk: ‘Even it up’ – Verdeel dat eens eerlijk, jongens.

     Want er is natuurlijk ook heel veel armoede in de wereld. Oxfam becijferde ooit dat de halve wereldbevolking, meer dan 3,5 miljard mensen, het moest stellen met een gezamenlijk vermogen van 1,7 biljoen dollar. Dat is dan minder dan 500 dollar per persoon. Oxfam had dat op een rare manier berekend. Bij die 3,5 miljard waren mensen met schulden en mensen met bezit. Men had de schulden van de enen afgetrokken van het bezit van de anderen, en was zo uitgekomen op die 1,7 biljoen. Die schulden vind je vanzelfsprekend even goed in de rijke landen, waar mensen hoge leningen aangaan om een huis te kopen. Als je het op de Oxfam-manier bekijkt, horen al die jonggehuwden die pas een huis hebben laten bouwen, bij de armsten der armen van de wereld. Toen mijn vrouw en ik pas ons huis hadden gekocht en onze schuld veel groter was dan ons bezit, waren wij volgens de Oxfam-logica ‘armer’ dan de Afrikaan die alleen de kleren om zijn lijf bezit. En toch gingen wij elke week op restaurant, wat meteen verklaart waarom ons gespaard vermogen nu zo ver onder de 666.352 euro ligt.
     De kromme berekeningen van Oxfam zijn geen teken van slechte wil of domheid. Ze zijn onvermijdelijk als je gaat redeneren in termen van bezit en vermogen. Wie iets over rijkdom en armoede wil zeggen, doet er beter aan om naar cijfers van inkomens te kijken. Zo bekeken gaat het voor de armen dezer wereld de goede kant uit. Het aantal mensen dat in extreme armoede leeft (een inkomen van minder dan 1,9 dollar per dag) daalt zowel in absolute als in procentuele cijfers. In 2000 ging het volgens de Wereldbank nog om 30 %, nu nog om 10 %. Talloos velen in de warme landen zagen hun inkomen verdubbelen. Een vermogen zullen ze er niet meteen mee opbouwen, maar voor een gezin met drie kinderen maakt het een heel groot verschil of je met 10 euro per dag moet rondkomen, dan wel met 20. En honderden miljoenen gezinnen hebben de laatste vijftien jaar de overgang gemaakt van het ene scenario naar het andere. Alleen kan ik daar geen poster bij verzinnen.

2 opmerkingen: