maandag 26 oktober 2015

Hugo gelooft in God

Henry Adams
   John Adams was de tweede president van de Verenigde Staten. Zijn zoon, John Quincy Adams werd de zesde president. Diens zoon, Charles-Francis, werd ambassadeur in Engeland, ook niet mis. En diens zoon Henry werd … journalist. Dat wil zeggen, hij is ook een tijdje professor geweest aan Harvard, heeft een aantal historische werken geschreven, dineerde met senatoren en presidenten, maar een eigen politieke carrière wilde niet lukken, ondanks zijn brandende ambitie. Toch is Henry heel beroemd geworden door de memoires die hij geschreven heeft. Amerikaanse studenten moeten die memoires lezen in hun eerste of tweede jaar ‘college’. Ik bezit er een eerste commerciële druk van, postuum uitgegeven in 1918.
     Het is een raar boek. Henry Adams spreekt over zichzelf in de derde persoon, heeft het voortdurend over zijn opvoeding – het boek heet ‘The Education of Henry Adams’ – en ontvouwt excentrieke theorieën over de dynamiek van de geschiedenis. Hij vond zichzelf een achttiende-eeuwer die verloren liep in een moderne tijd die hij niet begrijpen kon omdat zijn ‘opvoeding’ hem daar niet op had voorbereid.
     ‘The Education’ bevat treffende formuleringen en anekdotes. Beroemd is Adams’ beschrijving van Lincoln, die hij maar één keer gezien heeft, op een bal: ‘een lang, doorgroefd gezicht; de geest, deels verstrooid, deels gekweld door de glacé handschoenen; gelaatstrekken waar geen enkele zelfgenoegzaamheid van af te lezen viel, noch enig ander typisch Amerikaans kenmerk.’
     Adams had geen hoge dunk van de gemiddelde politicus. Hij citeert een medewerker van president Grant die kiesheid in de politiek een nutteloze eigenschap vond. ‘Je kunt geen kiesheid gebruiken bij een volksvertegenwoordiger. Een volksvertegenwoordigers is een varken. Je moet een stok nemen en op zijn snuit slaan.’ Daar kon Adams zich helemaal in vinden, maar senatoren, die mochten voor hem gerust nog iets steviger worden aangepakt.
     De mooiste anekdote vertelt Adams uit de tweede hand. Een kennis van hem had zojuist een bezoek gebracht aan de Franse schrijver Victor Hugo. “Ik werd binnengelaten in een grote kamer, vertelde hij, met mannen en vrouwen die gezeten waren op stoelen tegen de muur. Hugo troonde aan de andere kant. Niemand zei iets. Tenslotte verhief Hugo plechtig zijn stem en sprak de woorden: ‘Ik van mijn kant geloof in God!’ Er volgde een stilte. Toen zei een vrouw, in diepe gedachten verzonken: ‘Chose sublime! Un Dieu qui croit en Dieu!’


Oorspronkelijk geplaatst op 15 mei 2015

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen