Ilja Leonard Pfeijffer vindt, in een gesprek met Piketty dat De Morgen publiceerde, dat we allemaal best wat armer mogen worden, als er maar meer gelijkheid is. Maarten Boudry antwoordt daarop
Is er iets bespottelijker (om niet te zeggen degoutanter) dan vanuit je parmantige palazzo in Genua pleiten voor collectieve verarming en de uitroeiing van ongelijkheid? “Wij moeten er niet bang voor zijn, zegt Pfeijffer, om armer te worden, want armoede maakt niet ongelukkig. Alles is relatief. Het enige dat ongelukkig maakt, is armer zijn dan anderen.” Wel Ilja, niemand houdt je tegen om 90% van je inkomen (verdiend dankzij kapitalisme) weg te schenken aan armoedebestrijding. Volgens je eigen logica zal je er al je buren dolgelukkig mee maken (niet mij hoor, het weze je gegund, want je hebt dat geld eerlijk verdiend).
Daarop antwoordt professor Jos Joosten (Radboud Universiteit Nijmegen):
Pfeijffer zegt de laatste jaren steeds vaker politiek zeer verstandige dingen, waar iemand met een democratisch-humanistische kijk op de wereld het alleen maar van harte mee eens kan zijn. Gênant in dat licht is de kritiek van de Belgische kardinaal Rik Torfs en zijn hulpbisschop Maarten Boudry op een interview dat Pfeijffer in ‘De Morgen’ hield met Thomas Piketty … Boudry raast: ‘Is er iets bespottelijker …’ Om op die laatste te vraag te antwoorden: eh...ja! Nóg bespottelijker (om niet te zeggen degoutanter) is wat jij hier doet, namelijk helemaal niet ingaan op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) te berde brengt en zijn opmerkingen reduceren tot zijn eigen woonsituatie … Om te beginnen zegt Pfeijffer niet: iedereen moet meer belasting betalen behalve ik (want reken maar dat hij zelf flink zal moeten betalen als het ooit zover komt).
Ik heb begrip voor de twee meningen. Boudry sluit aan bij een lange traditie van mensen die vinden dat je ‘consequent’ moet zijn. Als je de herverdeling predikt, begin dan met je eigen rijkdom te herverdelen, anders heb je geen recht van spreken. ‘Luister naar hun woorden, maar zie niet naar hun daden,’ zei Jezus over de Farizeeën.
Maar dat consequent zijn interesseert mij niet zo erg. Ik ben het zelf ook niet altijd. Ik ben een groot voorstander van een economie die voortgestuwd wordt door ondernemers, maar ik heb in mijn hele leven nooit iets in die richting geprobeerd.
Ik heb trouwens hetzelfde jeugdtrauma opgelopen als Joosten. Hij schrijft:
Ik moet denken aan mijn conservatieve katholieke middenstandsouders, voor wie Joop den Uyl de baarlijke duivel in persoon was. Ergens hadden ze iets opgevangen over zijn woonhuis. Steevast zodra Den Uyl wat dan ook te berde bracht zei mijn moeder: die heeft makkelijk praten vanuit zijn grote villa in Buitenveldert.
Dat was iets wat mijn ouders ook deden. Afgeven op de socialisten die mooie praatjes hadden terwijl ze in de luxe leefden. Mijn vader was vooral gebeten op de saloncommunisten. Ik heb hem daarin nooit gevolgd. Eerst vond ik dat met name die saloncommunisten gelijk hadden, ook al verbleven ze in salons en leefden ze in luxe; later vond ik dat ze ongelijk hadden, maar dat kwam niet door die salons of die luxe, maar omdat ze niet goed nadachten. Dan had ik liever dat ze zich in hun salons opsloten in plaats van opstanden aan te voeren.
Ik heb met andere woorden altijd vooral het eerste deel van Jezus’ oproep ter harte genomen: ‘Luister naar hun woorden.’ En als ik over die woorden iets te zeggen heb, dan zal ik dat ook doen, en de woonsituatie van wie dat zegt – een antieke villa of een protserig interieur –, dat zal ik er buiten laten.
Toch ben ik het ook niet helemáál met Joosten eens. Dat Pfeijffer af en toe iets verstandig zegt, geloof ik, maar het halfbakken communisme dat hij in in het gesprek met Piketty verdedigde, hoort niet bij die verstandige dingen. En vooral, Joosten stelt het voor alsof iemand met een ‘democratisch-humanistische kijk op de wereld’ niet anders kan dan het met dat halfbakken communisme eens te zijn. Dat roept bij mij een beeld op van jaren-50 retoriek: ‘Een democraat en een humanist kan vandaag niet anders dan een communist zijn.’ Je hoort het dichter Mark Braet met vaste stem verkondigen op een bijeenkomst van gelijkgezinden.
In polemiek kan ik wel wat hebben. Goed, het is kinderachtig om de uitval van Boudry – ‘bespottelijk en degoutant’ - tegen hemzelf te gebruiken. ‘Alles wat je zegt, ben je zelf’ past beter bij een kleuter dan bij een professor. Maar voor één keer kan het. Ook is het wreed om een hardnekkige vrijdenker als Boudry de ‘hulpbisschop van kardinaal Torfs te noemen.’ Eigenlijk is zo’n polemische wreedheid maar gerechtvaardigd als er iets grappig mee gebeurt, en of dat hier zo is moet de lezer maar beoordelen.
Erger – in de zin van bespottelijk, niet in de zin van dégoutant – is het volgende. Joosten verwijt Boudry dat hij ‘niet ingaat op de ideeën die Pfeijffer (en Piketty) te berde brengt.’ Terwijl Boudry heel vaak en heel uitgebreid, in boekvorm en op de sociale media, geargumenteerd heeft tegen degrowth-ideologie van Pfeijffer. Naar mijn smaak vertoont Boudry zelfs de neiging om die expliciete argumentatie té vaak te herhalen. Misschien weet Joosten dat niet maar hij zou zoiets toch even moeten controleren voor hij het schrijft. Vandaag kun je zoiets aan een chatbot vragen.
En in het tegenargument van de professor is er sprake van een misverstand. Hij zegt dat Pfeijffer voor zichzelf geen uitzondering vraagt op de belastingregeling die hij propageert. Maar dát was niet het argument van Boudry. Die stelde de argeloze vraag waarom Pfeiffer niet onmiddellijk de herverdelingsprincipes toepast door zijn vermogen en inkomen nú al met anderen te delen. In plaats van te wachten op de Piketty-belastingen en daarbij het risico te lopen dat ze nooit worden ingevoerd. Dan kan Pfeijffer toch beter het zekere voor het onzekere nemen. Toch?

'Boosheid omdat het eigen kamp belachelijk wordt gemaakt'.
BeantwoordenVerwijderenHeb jij een kamp, een kamp eigen aan jou dus, welke nu en dan eens belachelijk wordt gemaakt, vraag ik aan mijn vrouw. Heeft iedereen dat dan niet is haar korte antwoord waarmee ze me wat belachelijk maakt. Ik denk dat ze gelijk heeft, mijn extreemcentrum kamp wordt links en rechts tot mijn ongenoegen wel eens belachelijk gemaakt. Word ik dan boos? Soms wel, maar dat Sam Van Rooy op Doorbraak Maarten Boudry belachelijk maakt, volstaat deze keer. Schadenfreude, een lelijke zonde van mij.