donderdag 21 mei 2026

Bedenkingen bij Boudry vs. de vrt


1.
 In het kader van haar lopende onderzoek ‘De foto van Vlaanderen’ heeft de VRT opdracht gegeven 2.261 Vlamingen te ondervragen over hun houding tegenover onder andere homoseksualiteit, transseksualiteit en vrouwenemancipatie. De primaire opdeling was die in leeftijdscategorieën: 12-17, 18-24, 25-44, 45-64, 65+.

2.
Een belangrijke vaststelling was dat de grootste onverdraagzaamheid en bereidheid tot discriminatie wordt vastgesteld bij de groep jonge mannen tussen 18 en 24 jaar.

3.
Dat komt overeen met internationaal onderzoek, waar ik enige tijd geleden over schreef. Ik schreef toen: ‘Komt het door de islamisering? Is het de invloed van Andrew Tate? Zien we hier een reactie tegen de excessen van woke? Is er een opstand aan de gang van jonge mannen tegen de feminisering van de maatschappij en haar waarden?’* Ik vond de verklaring van islamisering, Andrew Tate, anti-woke en feminisering zo evident, dat ik er toen niet verder op wou ingaan.

4.
 Mocht ik echter in een vrt-programma zijn uitgenodigd, dan had ik net als Boudry die verklaringen wél naar voren geschoven. En wellicht had ik ook dat eerste – islamisering – het meest benadrukt, al was het maar omdat je die verklaring anders niet zo vaak op de zender kunt horen. 

5.
Het was opvallend dat Maarten Boudry en Goedele Liekens het over die vier verklaringen ongeveer eens waren. Alleen belichtten zij bijna dwangmatig telkens als de ene gesproken had de ándere kant van de medaille. Je ziet dat vaak in panelgesprekken. Zei Liekens dat meisjes minder conservatief dachten over de gender-rollen, dan antwoordde Boudry iets over tradwifes. En al hadden ze ongeveer dezelfde opvatting over de invloed van de ‘islam’, sprak Goedele altijd zedig van ‘een bepaalde godsdienst’.

 6.
Waar Boudry zich wel in onderscheidde van Liekens was door zijn scherpe kritiek op de vrt. Hij zei dat de vrt er alles aan deed om de islamisering als verklaring buiten beeld te houden.

7.
Hij haalde ook een interne notitie boven over de onderzochte categorieën. Naast de leeftijdsgroepen had men ook een categorie Personen van Buitenlandse Herkomst (PBH) onderscheiden.  In die notitie stond: ‘De studiedienst vraagt om die groep niet mee op te nemen in onze artikels of berichten. De reden is dat de samenstelling van die groep PBH niet voldoende representatief is. Eerder iets hoger opgeleid ook**.’

 8. 
Boudry noemde dat een smoesje en sprak van wegmoffelen door de vrt.

9.
Het optreden van Boudry leidde tot veel reacties. Vanuit rechtse hoek kreeg Boudry bijval omdat hij iets over de islamisering had gezegd, en dan nog op de vrt niet vaak. Vanuit linkse en links-liberale hoek kreeg hij veel kritiek.

10.
Bij links en liberaal-links waren er zowel emotionele als inhoudelijke reacties. Ik citeer één emotionele reactie als voorbeeld: ‘Boudry is een extreemrechtse aandachtshoer, crapuul.’ 

11.
Ikzelf behoor binnen het rechtse kamp tot de verwijfde soort. Als ik heftige haatboodschappen lees tegen linkse mensen, voel ik plaatsvervangende schaamte. Bestaan er binnen het linkse kamp ook zo’n verwijfde sujetten die plaatsvervangende schaamte voelen bij de vulgaire haatboodschappen tegen Boudry?

12.
Van de inhoudelijke kritieken onthoud ik vooral deze: Boudry gebruikte de weggelaten categorie van PBH om te bewijzen dat de uitbreidende moslimsfeer mee verantwoordelijk is voor de misogyne en homofobe evolutie in onze samenleving. Terwijl achteraf bleek – ha, ha – dat die moslims amper vertegenwoordigd waren in de PBH-categorie: onder de 310 respondenten van die groep waren er bijvoorbeeld 95 Nederlanders en slechts 16 mensen van Marokkaanse afkomst en 5 van Turkse afkomst***.

13.
Vóór ik de uitzending gezien had, dacht ik dat die inhoudelijke kritiek streng maar rechtvaardig was. Nu weet ik dat ze fout is. Boudry heeft die PBH-categorie niét gebruikt om te bewijzen dat islamisering een van de factoren is van vrouwonvriendelijke tendenzen onder de jongere bevolking. Hij heeft onder andere gezegd: 

 Natuurlijk, herkomst, buitenlandse herkomst, daarmee heb je nog altijd het onderscheid niet gemaakt tussen moslims en niet-moslims … [Het onderzoek was inderdaad niet representatief ] omdat ze gekeken hebben naar herkomst, en herkomst, dat kan natuurlijk van alles zijn. Is dat niet-Europees? Is dat islamitisch? Het kunnen ook Hollanders zijn … **** [Men had naar religie in plaats van herkomst moeten vragen] maar dat is het punt. Dat gaan ze niet doen want dat is zo explosief. 

14.
Als de grafieken van de vrt op islamisering wijzen, dan zit die niet in de cijfers van de PBH, maar in de globale cijfers. Als de enquête een beetje goed gevoerd is dan zitten in al die leeftijdscategorieën samen 7,5 procent moslims die als nieuwe Vlamingen in de cijfers komen. 

15.
Heeft Boudry zijn hand overspeeld 
 hij gebruikt de uitdrukking zelf een paar keer  door de richtlijn van de studiedienst over het verzwijgen van de PBH-categorie zo sterk te benadrukken en door te spreken van een ‘smoesje’ en ‘wegmoffelen’? Ik denk het wel. De reden die de studiedienst opgaf is feitelijk min of meer correct. Ik weet niet of de groep op zich meer of minder representatief was dan de groep van de 18 tot 24-jarigen, maar de groep PBH was zeker niet relevant. 

16.
Boudry bezondigde zich aan een intentieproces.  Maar er bestaan plausibele en minder plausibele intentieprocessen. Boudry veronderstelde dat de echte reden voor het verzwijgen was dat de categorie ‘buitenlandse herkomst’ aanleiding zou geven tot speculatie over de islamisering, dat zoiets zou kunnen bijdragen tot stigmatisering van moslims, en dat zoiets de vrt een hoop kritiek zou opleveren vanuit politiek-correcte hoek. Ik geloof dat de drie veronderstellingen van Boudry plausibel zijn, maar niet bewijsbaar. Dan moet je minder hoog van de toren blazen.

17.
Voor de rest vond ik de bijdrage van Boudry aan het debat interessant, evenwichtig, en genuanceerd. Ik begrijp dan ook niet dag Gwendolyn Rutten zegt dat Boudry ‘over de hele lijn’ gebuisd is. Of misschien begrijp ik het wel.

18.
Ik kende de bijdrage van Boudry eerst alleen via de dagelijkse FB-post van Frank D’hanis. Nu dacht ik dat ik de vooringenomenheid uit die post zelf wel weg kon filteren, maar ik blijk D’hanis zijn talent om de zaken te verdraaien wat onderschat te hebben.

19.
De interessantste vraag aan Boudry kwam van auteur Maarten Inghels. Indien islamisering één van de verklaringen was van de toenemende vrouwonvriendelijkheid, waarom zou je die meer zien in de leeftijdscategorie 12-17, 18-24 en 25-45 dan in de andere leeftijdscategorie +65? Een deel van het antwoord kende ik ook. Het moslimaandeel in die jongere categorieën moet hoger zijn dan de +65-categorie die veel oud wit volk omvat. Om een idee te geven: men schat het aandeel van de moslims in de totale Vlaamse bevolking op 7,5 %. Het aandeel in de leeftijdscategorie van 18 tot 25 jaar wordt geschat op 10 à 15 procent.

20.
Boudry reikte het tweede deel van de verklaring aan. Onder de moslimjongeren vindt er, volgens onderzoek, een polarisering plaats. Een deel jongeren wordt religieuzer, en ander deel wordt liberaler. Dat lijkt mij een goede verklaring. Het toegenomen religieuze deel zorgt voor een toename in de intolerante antwoorden, het liberaler geworden deel zinkt weg in de bestaande tolerante meerderheid. Hetzelfde verschijnsel zal zich voordoen bij de woke en anti-woke jongeren. De anti-woke jongeren verminderen de gemeten tolerantie, terwijl de woke jongeren wegzinken in de brede linkse, links-liberale en gematigd-conservatieve consensus.

20.
Bij een van de Boudry-critici stootte ik op de volgende contradictie. Enerzijds verweet hij Boudry dat hij een ‘compleet onbewezen stelling’ over moslim invloed naar voren schuift, en wat later beweert hij dat men bij dergelijk onderzoek niet mag vragen of iemand moslim is ‘om dezelfde reden als waarom we ook niet vragen naar huidskleur.’

21.
Maarten Boudry zegt misschien te gemakkelijk dat islamisering door de VRT verzwegen wordt. Maar de zender heeft meer pijlen op de boog. Een van die pijlen is het wegnuanceren van de islam-verklaring. Een mooi staaltje vinden we in het antwoord van de vrt aan Boudry. Er wordt verwezen naar een stuk op de website dat uren voor De Afspraak was gepubliceerd, en waar de kwestie van herkomst en religie wel besproken wordt. En hoe!

Welke rol speelt herkomst? Het onderzoek daarover is beperkt, maar socioloog Cecil Meeusen (KU Leuven) ziet wel dat jongeren met een niet-Belgische origine conservatiever scoren wat gender betreft. ‘Dat valt te verwachten bij jongeren die meer religieus zijn opgevoed of met sterkere traditionele rolpatronen. Maar je kan het niet verengen tot religie of origine. Wanneer we rekening houden met sociaaleconomische status, opleidingsniveau van de ouders, enzovoort, vlakken die verschillen af. Het is zeker niet zo dat die groep van jonge, conservatieve mannen hoofdzakelijk bestaat uit jongens van niet-Belgische origine.

     Hoe voorzichtig! Het woord ‘islam’ valt niet. We moeten veeleer naar de ‘sociaal-economische status’ kijken. De groep ‘conservatieve’ jonge mannen bestaat ‘niet hoofdzakelijk’ uit jongens van niet-Belgische origine. Dat laatste zou er nog aan ontbreken. Dat bijvoorbeeld de moslimjongens met hun 10 à 15 procent de meerderheid zouden leveren voor de ‘conservatieven’.

22.
En natuurlijk is het woord ‘conservatief’ hier ongelukkig gekozen voor sommige van de onderzochte categorieën, zoals de groep die vindt dat een man het recht en de plicht heeft een ongehoorzame vrouw te slaan.

23.
Bij dat laatste had Boudry trouwens een mooie nuance. Het was niet, zei hij, omdat die jonge mannen (en vrouwen) op een enquête invullen dat dat slaan een recht en een plicht is, dat ze dat ook doen. Als ze heel gelovig zijn, vullen ze op zo’n vragenlijst gewoon in wat de Koran (4:34)  voorschrijft. 

24.
Een populaire inhoudelijke kritiek op Boudry is dat hij de complexe redenen voor statistisch toenemende intolerantie onder de jongeren toeschrijft aan één enkele reden: de islamisering.
Aan één enkele reden ...  dat is flagrant onwaar. Gelukkig staat de aflevering nog op vrtmax voor wie dat wil controleren. Boudry heeft alleen gezegd dat de islamisering óók een deel van de verklaring is, en wel een deel dat links en links-liberaal probeert weg te moffelen door er zo weinig mogelijk over te praten.   

25.
Wie een voorbeeld zoekt van iemand die de toenemende intolerantie wél aan één verklaring toeschrijft, kan beter terecht bij Bieke Purnelle (DS 22/5). Doordat Purnelle wat synoniemen gebruikt voor haar allesverklarende oorzaak, ontstaat de indruk dat ze naar een ‘gelaagde’ verklaring verwijst. Ze heeft het over de ‘macht van big tech’, ‘over de ‘kwalijke intenties van extremisten’, over ‘autocratische politici die simplistische oplossingen aanreiken’, en over het ‘sociaal isolement’ en de ‘economische onzekerheid’ die voortkomen uit het ‘laatkapitalisme.’ Ik moet denken aan een Suske en Wiske-album waar een leuk protestlied in voorkomt:

            Vrienden noem elkaar geen mietje
            Want eens zing je allemaal
            Allemaal hetzelfde liedje
            ’t Is de schuld van ’t kapitaal.

Het totaliserend karakter van Purnelles verklaring komt nog het beste tot uiting in de passage waar ze beslist wat ‘de kern van de zaak’ is. 

Terwijl pers, politici en opiniemakers over elkaar heen rollen vanwege een vaag rapport, blijft de kern van de zaak jammerlijk onaangeroerd.

26.
Ik vind het altijd vervelend als men in een polemiek begint te weerleggen wat niemand heeft gezegd. Nadat bekend raakte – achteraf – dat onder de 310 respondenten van de categorie PBH slechts 16 mensen van Marokkaanse en 5 van Turkse origine omvatte, waren er Boudry-critici die in alle ernst begonnen uit te leggen dat men uit de antwoorden van 5 Turken geen correct beeld kon afleiden van wat in de Turkse gemeenschap leefde. 

27. 
De uitleg van de vrt dat de categorie PBH was weggemoffeld omdat ze niet representatief was, noemde Boudry een smoesje. Dat was een overdrijving, of anders gezegd: het was tegelijk een smoesje en geen smoesje. 
  ‘Geen smoesje’ want de categorie was inderdaad niet representatief. ‘Wél een smoesje’, want de andere categorieën die niét werden weggemoffeld waren evenmin representatief. Ik citeer David De Coninck, postdoctoraal onderzoeker en gastprofessor aan de faculteit sociale wetenschappen van de KU Leuven, die in De Morgen hetzelfde punt maakte, maar minder polemisch dan ik hier net deed:

Dezelfde voorzichtigheid zou dan ook moeten gelden voor de uitspraken waarmee dit hele debat begon: dat 17 procent van de 12- tot 17-jarigen vindt dat mannen vrouwen mogen slaan. Hoeveel respondenten zitten er in die leeftijdsgroep? Wat is de foutenmarge op dat cijfer? Hoe verhoudt die zich tot de “16 procent” bij 18- tot 24-jarigen? Met andere woorden: is het verschil tussen die groepen statistisch onderscheidbaar van ruis, of zien we hier dezelfde subgroep-problematiek die elders wél tot terughoudendheid leidde. 

Bij representativiteit speelt zeker de grootte van de steekproef een rol. Dan is 310 personen in de categorie PBH inderdaad wat weinig. Maar hoe groot was de groep van 12-17-jarigen? En de groep van 18-24-jarigen? En waren die van een vergelijkbare grootte als bijvoorbeeld de groep van +65-jarigen?

28.
Een andere uitleg – achteraf – van de vrt was dat de groep van BPH een ‘zeer diverse’ groep was? Ook dit heeft iets van een smoesje? Heeft men dan de leeftijdscategorieën wél op diversiteit getest? Qua herkomst? Religie? Sociale status? Gebruik van sociale media? 

29.
David De Coninck was niet de enige die vond dat het vrt-onderzoek slecht was uitgevoerd. Noël Slangen, ook in De Morgen, betreurde de hedendaagse laksheid bij het samenstellen van representatieve steekproeven. In De Standaard (22/5) verscheen een opiniestuk van 8 academici. Ze vonden dat de vraagstelling in het onderzoek de respondenten in een bepaalde richting stuurde.
     Ik vond die 8 academici nogal streng in hun oordeel. Ik denk dat het bij sommige onderwerpen heel moeilijk is om álle bias weg te halen uit de vraagstelling. Ik heb er zelf geen probleem mee dat men tolerantie tegenover de islam bijvoorbeeld onderzoekt met vragen als ‘Vind je een nieuwe moskee in de buurt een probleem?’ Het is waar: zo’n vraag test inderdaad verschillende attitudes tegelijk, tegenover ‘religieuze zichtbaarheid, buurtverandering, verkeer, lawaai, schaal, locatie, lokale inspraak of algemene onzekerheid over maatschappelijke verandering.’ Daarin hebben de academici gelijk.
     Men moet dus voorzichtig zijn. Ik zou uit hoge percentages tegen de nieuwe moskee geen conclusies trekken over het ‘intolerante DNA’ van de Vlaming bijvoorbeeld. Maar als men representatieve cijfers gaat gebruiken voor
vergelijking, zijn ze interessant. Hoezeer verschillen de antwoorden met die van 20 jaar geleden? Hoezeer verschillen de antwoorden van die in andere landen? Hoezeer verschillen de antwoorden in de verschillende leeftijdscategorieën? Hoeveel verschillen de antwoorden van de stedelijke en landelijke bevolking? Enzovoort. Zo lang men maar dezélfde onzorgvuldige vragen gesteld heeft aan de vergeleken groepen, heeft men toch al een zekere aanwijzing.

30.
Een heel vaak terugkerende kritiek op Boudry is dat hij op de sociale media bijval krijgt van rechts en radicaal-rechts. Bij Frank D’hanis zijn het zelfs ‘openlijke fascisten’ die met Boudry ‘pronken’. Ik denk dat hier zowel de term ‘fascist’ als de term ‘openlijk’ een afwijkende betekenis krijgt. Bij de goede, oude term ‘cryptofascist’ kon ik mij tenminste nog iets voorstellen. 

31.
Als Boudry dan een stuk plaatst tegen radicaal-rechts, zoals dit weekend in de NRC, krijgt hij vanuit die radicaal-rechtse hoek het venijnige verwijt dat hij zijn credentials bij links wil herstellen. Dát is nu eens een ongeloofwaardig intentieproces. Zo dom is Boudry niet. Links zal precies hetzelfde zeggen als radicaal-rechts.
Die Boudry schrijft dat alleen om zijn credentials bij ons te herstellen. Daar tuinen wij niet in. 

32.
Maar we mogen niet veralgemenen, ook niet als het om radicaal-rechts gaat. Sam Van Rooy (VB) reageerde op het NRC-artikel: ‘Een compensatiestuk na de laatste 24 uur: alle begrip.’ Erg venijnig kun je dat niet noemen. Maar het is wel hetzelfde intentieproces.

33.
Boudry lacht De Standaard uit omdat ze de links-liberale bias op de vrt niet merken. ‘Ideologie is als een slechte adem. Je ruikt het niet bij jezelf.’ Het laatste deel van het argument heeft mijn leven veranderd. De tandarts gebruikte het veertig jaar geleden tegen mij, en sindsdien poets ik braaf mijn tanden. Waarschuwingen voor tandbederf hadden weinig uitwerking gehad.

34.
Boudry lijkt in de omgang een meegaande jongen, maar achter het klavier is hij een querulant. Bij mij is het omgekeerd. Als ik schriftelijk reageer ben ik zakelijk en verzoenend, maar zet mij op café naast een gelijkgezinde en na twee minuten heb ik een punt van meningsverschil gevonden. 

35.
Dirk Van Damme vat ‘de kern van de zaak’ goed samen:

Uiteraard kan je uit de data niet besluiten dat herkomst er iets mee te maken heeft. Maar dat is het punt niet. Indien de hypothese ernstig was genomen dat etniciteit of religie een rol spelen, dan had men dat in de sampling meegenomen. 

Ik zou nog een stap verder gaan. Als men een verklaring wilde zoeken waarom jongeren meer naar retrograde en intolerante meningen neigen, dan moest men de twee meest plausibele verklaringen in de sampling opnemen: de aard en mate van religiositeit én de relatie met de sociale media. Dus ook vragen over hoeveel uur men op welke platformen en op welke pagina’s vertoeft – waarbij die vragen natuurlijk aan alle leeftijdscategorieën moeten worden gesteld.

36.
Een algemene kritiek op Boudry is dat hij met zijn radicale Islam-kritiek de ‘verbinding tussen de gemeenschappen’ ondermijnt. Dat is een ernstig bezwaar dat een ernstig antwoord verdient. Ik beperk mij hier tot één opmerking.
     Er zijn lieden die beweren dat de islam nooit zal veranderen. Een islam die ‘door de wasmachine van de Verlichting gaat’ zou onmogelijk zijn. Met het christendom heeft dat gewerkt, zegt men,n maar met de Islam zal het niet werken.
     Ik wil daarover geen absolute, maar wel een conditionele uitspraak doen. Als de islam ooit moderniseert en liberaliseert – als – dan zal dat onder andere de verdienste zijn van zowel de radicale islamcritici van de Boudry-soort als van de islamitische modernisten van de Benhaddou-soort. Zo is het christendom immers geëvolueerd: door kritiek van buitenaf én door hervormingsbewegingen van binnenuit. En door een reeks spontane processen die niemand controleren kan natuurlijk.
 

37.
Ik lees ergens op FB dat Joël De Ceulaer zich 
in duizend bochten gewrongen heeft om Boudry niet te moeten afvallen. Zelf heb ik het gehouden op een bescheiden 37 bochten. Ik vind dat genoeg.



* Zie dat stukje over de misogynie van Gen Z: hier

* De laatste zin is cryptisch. Wordt hier bedoeld dat de groep PBH in de steekproef iets hoger opgeleid is? Of dat de groep ‘eerder iets hoger opgeleid’ niet representatief is? Ik vermoed het eerste. 

*** Van de 310 buitenlandse respondenten heeft de vrt nu na de rel gedeeltelijke informatie gegeven. Van 164 ervan is de nationaliteit nu geweten. De rest is blijkbaar: ‘overige’ 

*** Dat laatste zei hij op aangeven van Goedele Liekens. Dat was voor de ruwe cijfers waren vrijgegeven waaruit bleek dat de groep PBH 95 Nederlanders omvatte.

dinsdag 19 mei 2026

H. Vos over brexit, migratie, populisme


Hendrik Vos: de brexit-paradox
      De verkiezingsuitslag in Engeland waarbij Nigel Farages partij de verkiezingen won, stemt Hendrik Vos pessimistisch over de democratie. ‘Het is om alle geloof in de democratie te verliezen …’ schrijft hij (DS 19/5). Zijn argument is dat Farage de hoofdverantwoordelijke is voor de Brexit die het tegenovergestelde bracht van wat beloofd werd. Men dacht te stemmen voor minder migratie, en er kwam meer migratie. En helaas hebben de kiezers de les niet getrokken dat ‘simpele oplossingen de zaak maar erger maken.’
      Nu denken Vos en ik nogal verschillend  als het om migratie gaat. Moet ik hem op zijn woord geloven als hij schrijft: 

Migratie vanuit Europa viel stil  en om de arbeidsmarkttekorten op te vangen steeg die vanuit de rest van de wereld tot recordniveaus. Illegale migratie met bootjes nam sterk toe.

      Ik heb het eens aan Grok gevraagd en ja: het klopt wat Vos schrijft. Mijn achterdocht was ongegrond. Door de Brexit is de toevloed van Oost-Europese migranten gestopt, maar ze is vervangen door een toevloed van Indiërs, Pakistanen, Nigerianen, enzovoort die met een werkvisum binnenkwamen.
     En de illegale immigratie met bootjes over het kanaal waar we zoveel van horen? Ja, ook die is door de Brexit gestegen. In 2018 waren er naar schatting 300 illegale bootjesmigranten, in 2025 waren er dat rond de 40.000. En dat heeft wel degelijk met de Brexit te maken. Door het wegvallen van de Dublin-regeling kan het Verenigd Koninkrijk asielzoekers niet meer terugsturen naar het eerste EU-land van aankomst. Mensensmokkelaars promoten het VK als een ‘veilige’ bestemming voor definitieve vestiging.
     Je kunt dus zeggen dat de Brexit als anti-migratiemaatregel ‘contraproductief’ gewerkt heeft. Dat is overigens niet kenmerkend voor het populisme, want véél politieke maatregelen zijn ‘contraproductief.’  En hoezeer ik ook van mening verschil met Hendrik Vos over de massa-migratie naar Europa, hij verplicht mij hier om na te denken over productieve oplossingen.


     Goed, ik heb even nagedacht. Vos is een voorstander van een ‘genereus’ migratiebeleid en een tegenstander van het rechtspopulisme. Ik ben een voorstander van een ‘strikt’ migratiebeleid, en tussen populisme en elitisme sta ik pal in het midden. Dan is het nu tijd om eens na te denken over de verschillende conclusies die Vos en ik trekken uit de vermelde paradox. 

     Vos concludeert dat rechts-populistische kiezers

  1. een kort geheugen hebben
  2. dom zijn
  3. zich laten drijven door irrationele woede
  4. volharden in de boosheid als het gewenste beleid niet werkt 

       Over dat korte geheugen zal ik maar zwijgen. Ik heb daar zelf elke dag meer last van. Die domheid mogen we best relativeren. Met een gemiddeld IQ van 100 kom je een heel eind, al zijn er natuurlijk veel mensen die beduidend minder dan 100 halen, maar die waren er vóór de opkomst van het rechtspopulisme ook. Alleen lieten ze zich bij hun stemgedrag niet leiden door hun verstand, maar door tradities: de pachter stemde voor de landeigenaar, de katholiek stemde voor de katholieke partij, enzovoort. De vroegere staatsdragende partijen garandeerden een zeker sérieux, maar vandaag moet de individuele kiezer zelf het verschil zien tussen realistische oplossingen en loze beloften. Dat is niet makkelijk, ook voor wie zelf slim is.

     Met zijn verwijzing naar de irrationele woede van de kiezer heeft Vos gelijk. Die woede behoort tot het klimaat van onze tijd, en ze is heviger bij de lagere dan bij de hogere klassen. De redenen van de woede zijn de stagnatie van de welvaart die al enkele decennia aansleept en de in toenemende mate zichtbare massa-migratie. 

     Mensen als Vos geloven al snel dat die woede over de migratie veroorzaakt is door extreem-rechts en de populisten, maar zo werkt dat niet. Zoals Maarten Boudry laatst op De Afspraak zei: het is ‘niet zo makkelijk om mensen te indoctrineren’; er moet toch eerst een ‘zekere ontvankelijkheid zijn.’ 

     Walter Zinzen illustreerde onlangs het irrationele karakter van de volkse migratie-afkeer in een Humo-interview:


In Antwerpen sprak ik eens met Blok-kiezers. Aan de overkant van het plein zaten twee Marokkaanse mannen in lange gewaden. Ik vroeg: 'Wat hebben die mensen u misdaan?' Het antwoord: ‘Mor zie ze na eens zitten, menier!’ (lacht) Die haat komt uit de onderbuik, niet uit het hoofd. 


       Dat is een probleem dat niet snel zal weggaan, want die mannen met lange gewaden zullen ook niet snel weggaan. Wat niet helpt is om – zoals de rechts-populisen doen – olie op het vuur te gooien. Wat ook niet helpt is om – zoals de links-liberalen doen - vrome preken te houden,. Radicaal-links heeft zijn eigen remedie: migranten en autochtonen verenigen in de klassenstrijd. Dat kán werken, tot op zekere hoogte: de onderbuikgevoelens van haat richten op een ándere vijand. Maar heel goed werkt het niet, want de onderbuik laat zich niet zo gemakkelijk leiden naar een voorafbepaald doel. De ene doctrinatie lucht makkelijker dan de andere.

     De remedie van Vos is een variant van de vrome preken:

  1. de ‘zorgen’ van de rechts-populistische kiezers ‘als reëel erkennen,’ 
  2. onderwijs organiseren dat de jongeren ‘context biedt en het verleden in herinnering brengt’ 
  3. rationaliteit koppelen aan dezelfde bevlogenheid die de populisten aan de dag leggen, ‘zonder op dezelfde trommels te slaan als de [populistische] clowns’. 

     Aangezien Vos in voorkomen en optreden zelf de gravitas niet echt opzoekt, zou ik in zijn plaats het beeld van de clown niet te vaak gebruiken, maar ik apprecieer zijn pogingen om grappig en entertainend te schrijven. En zo onzinnig is zijn gepreek niet. Het is inderdaad beter om de ‘zorgen’ van de rechtspopulistische kiezers over migratie niet weg te lachen, niet te verzwijgen en niet al te veel te relativeren, als het tenmiste dat is wat hij bedoelt met ‘als reëel erkennen.’ Ook beter onderwijs kan helpen, als het maar geen politiek-correcte indoctrinatie is over ‘de lessen die we kunnen trekken uit de jaren 30’. En een scheut rationaliteit en bevlogenheid in het debat brengen kan nooit kwaad. 

     Maar het beste lijkt mij nog om de onderliggende samenlevingsproblemen ondertussen niet érger te maken met veel nieuwe asiel- en vervolg-immigratie uit Afrika en het Midden-Oosten. En hier verschillen Vos en ik wél van mening.

     En wat dat volharden in de boosheid betreft: het is verschrikkelijk moeilijk om uit te maken waarom een beleid niet werkt. Dat kan twee redenen hebben: omdat men de verkeerde maatregel genomen heeft, of omdat men de juiste maatregel niet ver genoeg heeft doorgedreven. 

 



maandag 18 mei 2026

Van Goethem over het Gaza-activisme

 


Van Goethem over het Gaza-activisme 
    De goede Herman Van Goethem, oud-rector van Antwerpen, maakte in een opiniestuk in De Standaard enkele kritische bedenkingen bij het Gaza-activisme. Hij steunt veel aspecten van het activisme, keert zich tegen het ‘schandelijke’ beleid van Israël, en vindt dat de EU het associatieverdrag met Israël moet opschorten ‘tot wanneer het land een fundamentele koerswijziging laat zien.’ Hij is het dus met veel doelstellingen van de activisten eens, maar daarnaast zijn er enkele aspecten van de beweging die hem niet bevallen. Ik parafraseer zijn standpunten:

  1. bezetting van universiteiten is een ongepast actiemiddel
  2. het boycotten van een Israëlisch dirigent getuigt van onverdraagzaamheid
  3. een deel van het Palestina-beweging heeft al te veel begrip voor Hamas en Hezbollah
  4. extreemlinkse partijen buiten de kwestie uit
  5. jonge ‘woelwaters’ verzinken door het gaza-activisme in onvruchtbaar extremisme
  6. de polarisatie wakkert het antisemitisme aan dat zich uit in agressie tegen chassidische joden*
  7. de Palestina-activisten staan niet open voor een rationele dialoog met de Israël-sympathisanten.

     Ik heb heel wat reacties gelezen op het stuk van Goethem, maar weinige daarvan gingen in op een van de zeven bedenkingen. Alleen de ‘Brusselse theatermaker’ Peter Vandenbempt schreef in De Standaard iets over het tweede punt, over het concert met een Israëlische dirigent: 

‘Heeft dat concert werkelijk zo’n maatschappelijk belang dat het belangrijker wordt geacht dan de dood van duizenden onschuldige burgers?’ ** 

     Als ik die redenering volg mag ik morgen uit protest Het meisje met de parel bekladden met rode verf omdat het maatschappelijk belang van dat schilderij niet opweegt tegen de dood van duizenden onschuldige burgers. 
     Maar de meesten reageerden dus niet op de concrete punten van kritiek, maar gooiden zich op de algemene uitspraken die Van Goethem deed over het activisme:

Activisme mag tot op zekere hoogte nodig zijn om moeilijke dossiers te agenderen en in de richting van een oplossing te stuwen, er zijn ook grenzen. En dan moet je ook tijdig op de rem staan … De vraag is wel: hoever anti-Israël activisme kan gaan? … Activisme staat voor extreem gedrag, voor een strategie met overdrijvingen en simplificaties, waarbij amper plaats is voor redelijkheid en nuance … Polarisering is een context van verblinding zonder luisterbereidheid … Zoiets staat haaks op de educatieve en maatschappelijke opdracht van universiteiten en hogescholen. In zulke polarisatie mogen we niet meestappen. Het effect van toegevingen is alleen van die aard om de polarisering verder aan te zwengelen, waarbij de instelling zelf in een extreme hoek belandt. Een instelling die zichzelf respecteert, laat ruimte voor een diversiteit aan opinies.

     Van Goethem spreekt de ene keer van ‘activisme’ en de andere keer van ‘extreem activisme’, maar het is duidelijk dat hij altijd die laatste, kwalijke variant bedoelt. Het is het extremisme dat kiest voor harde actie, onverdraagzame eisen, simplificatie boven nuance, en slogans roepen boven redelijke discussie.
     Wat is er eigenlijk verkeerd aan Van Goethems kritiek op het extreem activisme? Ik citeer een representatieve reactie die ik vond op de FB-pagina van EV:

Een merkwaardige uitspraak voor een historicus. En historisch blind bovendien. Zonder activisme geen vrouwenrechten, geen burgerrechten, geen sociale rechten. Macht noemt verzet altijd ‘extreem’ zodra ze werkelijk wordt uitgedaagd. Onder het mom van “verbinden” wordt vervolgens gevraagd om stiller, braver en minder confronterend te zijn. Activisme moet blijkbaar vooral ongevaarlijk blijven voor bestaande machtsstructuren. Maar vooruitgang kwam nooit voort uit gehoorzaamheid of beleefd zwijgen. Ze kwam van mensen die durfden te storen, blokkeren en weigeren.Wat vandaag op universiteiten gebeurt, is geen irrationaliteit of “gevaarlijke polarisering”, maar morele verontwaardiging. Studenten en academici die protesteren tegen oorlogsmisdaden en schendingen van het internationaal recht worden verdacht gemaakt omdat ze weigeren weg te kijken. Des te vreemder klinkt dit uit de mond van de voorzitter van het Hannah Arendt Instituut. Hannah Arendt waarschuwde net voor gedachteloze gehoorzaamheid, conformisme en het normaliseren van onrecht. Activisme is niet het probleem. Het toont dat een samenleving nog een geweten heeft. En dat sommigen nog de hoop koesteren dat zaken kunnen veranderen. Activisme is niet het probleem. Onverschilligheid en passiviteit zijn dat wel. En uitspraken als deze [van Van Goethem] ook.

     Er valt op de argumentatie van Van Goethem wel wat aan te merken, maar bij die van E.V. is dat nog meer het geval. Haar impliciete definitie van activisme is iets als een ‘opstand tegen de bestaande machtsstructuren vanuit een morele verontwaardiging.’ Daarbij lijkt ze te vergeten dat er ook een extreemrechts activisme bestaat dat eveneens vanuit een morele verontwaardiging in opstand komt tegen machtsstructuren. Ze kan bijvoorbeeld denken aan de acties van Dries Van Langenhove aan de UGent. En een historicus als Van Goethem zal misschien denken aan de studentenacties indertijd om Duitse universiteiten Judenfrei te maken.
      E.V. haalt de historische voorbeelden aan van ‘vrouwenrechten, burgerrechten en sociale rechten’. Dat zijn sprekende voorbeelden van wat Van Goethem noemt het ‘agenderen van moeilijke dossiers om ze in de richting van een oplossing te stuwen. Ik voel achteraf – want ik was er niet bij – veel sympathie voor de emancipatiebewegingen die E.V. aanhaalt, maar ik heb er mijn twijfels over hoe belangrijk die bewegingen geweest zijn bij de gunstige maatschappelijke ontwikkelingen die erop volgden*. Het activisme móet een rol gespeeld hebben, dat is evident, maar hoe gróót was die rol? Ik heb in mijn leven veel maatschappelijke ontwikkelingen gezien – democratisering van het onderwijs, vrijere seksualiteitsbeleving, minder autoritaire relaties tussen ouders en kinderen – waarbij de rol van het activisme, en al zeker het activisme in de strikte zin, veeleer klein was.
     Activisme, vindt E.V., mag niet stil, braaf, gehoorzaam of beleefd zijn. Het is door de confrontatie op te zoeken dat ‘de macht echt wordt uitgedaagd.’ Zelf vond ik dat als jeugdige activist ook, en er zit ook een kruimel waarheid in. ‘Weet dan dat uw stem door niemand wordt gehoord / zolang gij staam’lend bidt en bedelt voor de poort,’ citeerde ik instemmend.
     Maar ondertussen ben ik daarin veranderd. Mocht ik nu verbonden zijn aan de UGent, dan zou ik ernstige meningsverschillen hebben met ‘de macht’ en ‘de machtsstructuren’ aldaar. Ik zou het zeker niet eens zijn met de beslissing om elke samenwerking met Israëlische universiteiten stop te zetten. Maar ik zou mijn protest, misschien niet stil, maar dan toch zeker beleefd, formuleren. En ik zou zeker niet al trekkend en duwend universiteitsgebouwen binnendringen en bezetten om mijn eisen af te dwingen.
     Het is die langdurige bezetting van universiteitsgebouwen als drukkingsmiddel die mij nog het meeste dwarszit. Je kunt al eens de straat optrekken, een spandoek omhoogsteken, een kruispunt blokkeren, of je laten vastketenen aan de poort van een bedrijf dat handel drijft met Israël. Maar universiteiten vragen een andere aanpak. Die moeten, zoals Herman van Goethem schrijft, een ‘vrijhaven’ zijn, ‘met ruimte voor een diversiteit aan opinies.’ Het is een plaats om te discussiëren, niet om te roepen. Wie Palestina-sympathisant is, moet er de discussie opzoeken met een Israël-sympathisant. Het is een plaats waar je een tegensprekelijk debat moet kunnen organiseren tussen, zeg, Ilan Pappé en Georges Bensoussan.
      Met haar verwijzing naar Hannah Arendt aan het einde van haar reactie, gooit E.V. er nog een vals dilemma bovenop. Ze stelt het voor alsof er maar twee keuzes zijn: hard activisme enerzijds, en anderzijds: ‘gedachteloze gehoorzaamheid, conformisme en het normaliseren van onrecht.’ Dat is niet zo, en men moet het opiniestuk van Van Goethem al heel kwaadwillig lezen om er een oproep tot ‘onverschilligheid en passiviteit’ in te zien. 

* Van Goethem spreekt van straatagressie tegen mensen met een keppeltje, en van het ‘problematiseren van een duizendjarige praktijk van besnijdenissen.’ Die laatste verwijzing is ongelukkig omdat het protest tegen onhygiënische besnijdenissen volgens mij weinig te maken heeft met het Gaza-activisme.

** Als voorbeeld van hoe hij zelf een steentje heeft bijgedragen tot de bevrijding van Palestina, vertelt Vandenbempt dat hij twintig jaar geleden een voorstel heeft afgeslagen om op te treden in Israël. 

*** Chronologisch ging activisme vaak vooraf aan een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling, maar het vraagt subtieler onderzoek om uit te maken of er ook een causaal verband is. Het is de eeuwige vraag van ‘post hoc’ en ‘propter hoc.’




zondag 17 mei 2026

De fabel van JMMD en van Engelaar


     Ter gelegenheid van 1 mei werden enkele oude fabels opgefrist. Jean-Marie De Decker schreef een stuk over de nijvere mieren en de potverterende krekels. De nijvere mieren waren, geloof ik, de ondernemers en de kleine zelfstandigen. JMDD haalde een reeks cijfers aan waaruit bleek hoeveel belastingen die mensen wel niet betaalden – ook op hun inkomsten uit kapitaal. Ik vrees dat die cijfers niemand zullen overtuigen die al niet overtuigd is. Ten eerste zal men vanuit linkse hoek terecht opmerken dat inkomsten uit kapitaal, hoe zwaar belast die ook zijn, nog altijd minder zwaar belast worden dan arbeid. En ten tweede zullen die belastingen in de ogen van linkse mensen nooit genoeg zijn. Zelfs al bedroegen ze 70 procent, dan kunnen ze nog altijd op 75 procent worden gebracht.

     Bert Engelaar van het ABVV recycleerde een andere fabel: die van de maatschappij als menselijk lichaam. We leerden die kennen in het tweede middelbaar, toen we De viris illustribus urbis Romae lazen. In het oude Rome gingen de plebejers in staking. Dat was de zogenaamde plebejische secessie. Menenius Agrippa ging naar hen toe en vertelde de fabel van de ledematen die een staking begonnen tegen de maag. Dat was dom van de ledematen, want ook de maag had een functie, al was die niet zo zichtbaar als die van de ledematen. Toen de plebejers dat hoorden gingen ze weer aan het werk.


    Engelaar vult de fabel anders in. Onze maatschappij wordt vergeleken met een zieke man die bij de dokter komt. De dokter – ik geloof dat hiermee de staat wordt bedoeld – heeft alleen oog voor het bovenste deel van het lichaam, tot aan de schouders. Dat deel geniet een régime de faveur. Wat eronder komt wordt verwaarloosd.  Met die verwaarloosde ledematen en organen verwijst Engelaar naar de werknemers die te weinig verdienen en te veel moeten betalen, naar mensen met een burnout, naar alleenstaande moeders met een uitkering, naar langdurig zieken die gecontroleerd worden, naar de poetshulp met versleten handen, naar de leerkracht met wallen onder de ogen. Die laatste intrigeerde mij, maar in plaats van uitleg kreeg ik een metafoor: ‘De spieren van het onderwijs verkrampen.’ Nochtans heb ik zojuist in Knack gelezen (zie hierboven) dat de collega’s van Demir jaloers zijn op haar omdat Onderwijs bij de besparingen ‘grotendeels wordt ontzien.’ 


     Ook deze fabel zal weinig mensen overtuigen om van mening te veranderen.

 

 

zaterdag 16 mei 2026

Albanië-reis 1975

 


Albanië-reis 1975
   In 1975 nam ik met een vijftigtal geloofsgenoten deel aan een communistische studiereis  naar Albanië. We reden met de bus, eerst door een reeks kapitalistische landen, dan door het slechts half socialistische Joegoslavië, om dan ten slotte in het enige échte socialistische land van Europa enkele weken rond te toeren. De rivaliteit tussen Joegoslavië en Albanië indertijd was goed zichtbaar aan de grens. De Joegoslaven hadden in hun gebergte met rotsblokken de slogan ‘Leve Tito’ aangebracht. Dat was om de Albanezen te jennen. Maar de Albanezen lieten niet op hun kop zitten. Ze hadden aan hun kant van het gebergte de slogan ‘Leve Enver’ aangebracht. Gelukkig was de grensstreek niet dichtbevolkt, zodat slechts weinig Joegoslaven en Albanezen dagelijks die verheerlijking van de vijandige leider moesten ondergaan.
     Het oversteken van de grens was een heel ritueel. Geïllustreerde tijdschriften werden in beslag genomen omdat ze decadente luxe aanprezen. Westerse literatuur was ook niet welkom. Een medereiziger had een boek bij van Thackeray. Dat moest hij afgeven, ondanks zijn uitleg dat Thackeray een groot realist was die het Engelse kapitalisme van de 19de eeuw had aangeklaagd. Ook brede broekspijpen en lang haar werden beschouwd als kapitalistisch. Je moest je haar laten bijknippen en een broek lenen van iemand anders die de richtlijnen op voorhand beter had ingestudeerd. Dat werd allemaal goed gemaakt door de rode vlaggen die buiten en binnen de fabrieken hingen; zo’n rode vlag was in een Belgische fabriek niet denkbaar, wat mooi het verschil tussen socialisme en kapitalisme illustreerde. Na de reis ben ik kleine zaaltjes diavoorstellingen gaan geven waar veel van die rode vlaggen in voorkwamen.
     Vandaag herinner ik mij van de reis niet zoveel meer. We hebben geloof ik veel fabrieken bezocht, en veel minuten stilgestaan voor standbeelden van gevallen helden. Er stond een atheïstisch museum op het programma. Ons hotel lag op een mooi zandstrand. Een cynicus in het gezelschap – er is er altijd één - maakte er zelfs een grapje over: ‘Zie je hoe wit en fijn het zand hier is? Dat is dankzij kameraad Enver. Vóór het communisme was het zand hier ruw en asgrauw.’
     Wat mij nog het meeste bijgebleven is zijn de revolutionaire liederen die we zongen toen we verbroederden met communistische groepen van andere landen. Iedereen kende Bella Ciao. Maar vooral zongen we op de bus. De partijleiding had een brochure gemaakt met revolutionaire liedjes. Dirigente Lieve Fransen – zo staat ze vermeld op latere Palestina-manifesten – zorgde ervoor dat we maat hielden. Wat we het vaakst zongen was het Lied van de Revolutionaire Jeugd.

     Hajde të punojmë, 

     djersën të kullojmë, 

     se ndërtojme 

     Shqipërinë e re.

 

     Laten we werken

     laten we zweten

     want we bouwen

     het nieuwe Albanië.

     Ik zing die Albanese versie nog wel eens als ik alleen thuis ben.



vrijdag 15 mei 2026

De kritiek op Zuhal Demir


     Hoewel Ben Weyts een N-VA’er is, kreeg hij als minister van Onderwijs niet al te veel kritiek in onze pers. Dat maakte mij ongerust. Vandaag, met Zuhal Demir, moet ik mij geen zorgen meer maken. De kritiek is niet mals, en zo weet ik zeker dat Demir  de zaken doet die ik wel en de journalisten niet fijn vinden. 

     Ik zie een kop van Knack in mijn mailbox verschijnen: ‘Niemand durft iets te zeggen’: zwijgen is goud in het Vlaamse onderwijs. Met daaronder een foto van een streng toekijkende Demir. In het weekoverzicht van Knack verschijnt hetzelfde stuk onder de kop De angst voor Zuhal Demir.

     In het stuk zelf gaat het over een klimaat van terreur die in de hogere onderwijsregionen zou heersen, maar een smoking gun tref je er niet aan. Er worden wel heel wat oude koeien uit de gracht gehaald. Ook komt uitspraak in de kop Niemand durft iets te zeggen van een vertegenwoordigster van VVS, de Vereniging van Vlaamse Studenten. In mijn tijd was dat een extreem-linkse organisatie en ik kan alleen hopen dat ze ondertussen geëvolueerd is naar gewoon-links.

     Eigenlijk erger ik mij zoals zo vaak meer aan aan de kop dan aan het artikel. Dat heeft ook met het digitale medium te maken waar ik die koppen zie verschijnen. Let wel, ik heb er alle begrip voor dat eindredacteurs de aandacht willen trekken met provocatieve uitspraken. Maar als je zo’n kop ziet in een gedrukte publicatie is dat niet erg. Je overloopt kort de inhoud en je trekt je conclusies. In digitale tijden is dat anders. Je wordt op je scherm voortdurend geconfronteerd met die tendentieuze koppen zonder context. Het is alsof je kijkt naar spandoeken in een linksliberale betoging.

  

Taalsociologen over thuistaal op school


     In De Standaard verscheen een opiniestuk van vier experts, waaronder Wouter Duyck en Dirk Van Damme, over de vraag of de thuistaal van migrantenkinderen moest worden ingezet in het onderwijs. De vier experts vonden dat géén goed idee. Andere experts, taalsociologen bijvoorbeeld, denken daar anders over. Ze halen studies aan die het succes van thuistaalonderwijs documenteren. Maar, schrijven Duyck en co,  die studies zijn niet toepasbaar op onze superdiverse klassen. Ze gaan bijvoorbeeld over Mexicaanse migrantenkinderen in de VS waar kinderen in het Engels en het Spaans onderwezen worden door perfect tweetalige leerkrachten. Conclusie: ‘Dat is in geen enkel geval bruikbaar in Vlaanderen, waar je van leraren niet kunt verwachten de vijftien thuistalen in de klas te beheersen, een voorwaarde voor dat succes.

     Zonder dat te weten van die Mexicaanse kinderen had ik de taalsociologische studies ook niet geloofd*. Sociologie is maar een halve wetenschap. Ze is in staat om de conclusies van ons gezond verstand te bevestigen of te nuanceren, maar niet om ze, zoals de fysica, tegen te spreken. Ik zal nooit veel geloof hechten aan een sociologische studie die huis-tuin-en-keuken logica tegenspreekt. Ik zal er mijn mening niet door omgooien, maar hoogstens, na zelfonderzoek, wat bijstellen. Of het zou moeten gaan om héél grootschalig onderzoek dat op héél transparante wijze tot héél dwingende conclusies leidt. 

     Bij de economische wetenschap is dat anders. Het gezond verstand vertelt ons dat een land rijk is als het veel goud in de schatkist heeft, of meer uitvoert dan het invoert. Adam Smith toonde aan dat dat niet zo was. Het gezond verstand vertelt ons dat een land niets moet invoeren wat het zelf beter kan produceren. Ricardo toonde aan dat dat niet altijd opgaat. Het gezond verstand vertelt ons dat een ordelijk geleide economie beter functioneert dan de chaos van de vrije markt. Mises toonde aan dat het omgekeerd was.

     Laatst vond ik in de mémoires die Gérard Roland op substack publiceert een treffende illustratie van dat verschil tussen economie en sociologie. Roland heeft intensief bestudeerd hoe de overgang van socialisme naar kapitalisme verliep in Oost-Europa en China. Het is op zich niet erg logisch dat de invoering van de vrije markt in het ene geval tot economische groei, en in het andere geval tot economische achteruitgang leidt. Als econoom slaagde Roland erin om verfijnde modellen uit te werken die dat verschil verklaren. Die modellen, daar zou ik nooit opgekomen zijn.

     Maar na 20 jaar modelbouw wilde Roland eens iets anders proberen. Hij wilde zijn geluk proberen met empirische studies die een meer sociologische methodiek vergen. Zo wou hij weten wat de voorwaarden waren voor het ontstaan van ondernemerschap. Welk soort mens werd een ondernemer? Welk soort mens werd een succesvol ondernemer? En wat bleek uit zijn uitgebreid onderzoek? Vooral kinderen van ondernemers werden ook ondernemer. En vooral slimme ondernemers waren succesvol. Beroepskeuze was gelinkt aan familie en succes was gelinkt aan intelligentie. Had Roland het tegenovergestelde ontdekt, dan had ik moeite gehad om hem te geloven.
     ‘We found no smoking gun,’ schrijft hij. Precies. Sociologische studies die wel een ‘smoking gun’ vinden zijn verdacht. Om nog te zwijgen van psychologische studies, waar ‘smoking guns’ schering en inslag waren tot de replicatiecrisis van 2015 iedereen weer met beide voetjes op de grond zette.

 

* Ik heb in het verleden al enkele stukjes gewijd aan de ‘thuistaal’-kwestie. Zie o.a. hier, hier, hier en hier.    

Verzamelde kortjes

 Koffiecapsules
     Vergeetachtigheid bij oude mensen zoals ik betreft vooral het geheugen op korte en op zeer korte termijn. ’s Morgens is mijn eerste werk het plaatsen van een capsule in de koffiecupmachine. Ik kan dat als de beste. Maar soms treedt er een complicatie op en is het waterreservoir leeg. Dan moet ik eerst nog het water bijvullen. Ook dat werkje is aan mij wel toevertrouwd. Maar nadat ik het water heb bijgevuld, weet ik niet meer zeker of ik wel een capsule in de machine heb geplaatst. Ik moet dan de machine openen, waardoor de capsule in het vergaarbakje valt, waar ik ze dan weer uit moet opvissen. 
    Vandaag wou ik het anders aanpakken. Het waterreservoir was weer leeg. Ik plaatste een capsule en pauzeerde enkele seconden. Ik liet de handeling goed tot mij doordringen. Als ik dan water had bijgevuld, zou ze mij nog altijd voor de geest staan. Zo gezegd, zo gedaan. Maar toen ik het water had bijgevuld wist ik weliswaar dat ik een capsule had geplaatst, maar ik wist niet meer zeker of het er een met koffie of met deca was. Mijn concentratie had niet geholpen. Es war alles umsonst gewesen.


’s Morgens en s avonds
     ’s Morgens en ’s avonds gebeurt iets raars met de tijd. De klok geeft aan dat een half uur verstreken is tussen het moment van opstaan en het moment dat ik, in mijn pyjama, aan mijn ontbijt en aan mijn krant kan beginnen. Het klaarmaken van het ontbijt, dat ik eerder al beschreven heb, vergt enige tijd, maar toch geen half uur, zou ik denken. Ik weet niet waar dat half uur naartoe gaat. ’s Avonds gebeurt hetzelfde, maar anders. Tussen het moment dat we de tv uitzetten en dat we in bed liggen, zit er een half uur, terwijl ik alleen mijn tanden moet poetsen en mijn pyjama aantrekken. Maar dit keer weet ik wel ongeveer waar de tijd naartoe gaat. We lopen een tiental keer van de living naar de slaapkamer en van de slaapkamer naar de badkamer en van de badkamer naar de keuken. Maar wat we daar doen, daar heb ik het raden naar.


 

Hail Mary Project

     Behalve de scenes met Sandra Hüller had de film Project Hail Mary weinig dat me kon bekoren. De humor was flauw, de spannende scènes waren niet spannend, en er scheelde iets aan de settings, maar ik weet niet goed wat. De alien van dienst, Rocky, had tegelijk iets van een knuffel, een aapje en R2D2. Hij drukte zich met behulp van een vertaalmachine uit in pidgin Engels. Ik ben zeer ontgoocheld dat onze vrienden van woke in het personage geen aanleiding zagen om kolonialistisch-paternalistische clichés over inheemse volkeren te bekritiseren.  

 

    Mary Beard

     Van Mary Beard las ik niet zo lang geleden het boek Keizer van Rome. Ik kon toen aan mezelf niet uitleggen waarom dat boek mij niet beviel. Vandaag zie ik op FB een citaat van Beard uit een ander boek voorbijkomen: ‘The history of Rome is not simply a story of great men and heroic deeds; it is also a story of conflict, debate and disagreement.’ Ook hier kan ik aan mezelf niet goed uitleggen wat mij in dat citaat niet bevalt. Is het omdat het een cliché is? Maar ik heb helemaal niets tegen clichés.

 


Chinese auto’s

     Zijn de lage prijzen van de Chinese auto’s in de eerste plaats het gevolg van staatssubidies? Gisteren schreef ik een stukje waarin ik die overal herhaalde mantra op face value aannam. Maar Stijn Decock geeft in De Standaard van vandaag (DS 6/5) een andere verklaring:

 

De toenemende concurrentie binnen China. BYD zit er in een hyperconcurrentiële markt met flinterdunnen marges waarin nieuwe modellen in een waanzinnig temp worden gelanceerd.

 

Robespierre als egalitair

     De denkwereld van Robespierre interesseert mij slechts matig. Ik kan mij niet voorstellen dat ik een van de mij resterende levensjaren zal besteden aan de studie van zijn Verzameld Werk . Maar in de FB-Dagklapper van Wildo Borel vond ik een merkwaardig citaat. Ik wist al dat l’incorruptible versterkte kastelen met de grond wou gelijk maken, omdat tegenstanders van de de revolutie zich daar konden verzamelen. Maar blijkbaar had hij het ook op kerktorens gemunt 

 

die door hun verhevenheid boven de andere gebouwen de beginselen van de gelijkheid lijken tegen te spreken.

 

     Het is alsof hier een karikaturale schurk uit een Ayn Rand-boek, Ellsworth Toohey bijvoorbeeld, aan het woord is.

 

AI didn’t do it 

      Een door mij gepubliceerd blogje vindt normaal in enkele dagen tijd tussen de 200 en de 500 lezers. Omdat ik vaak meer dan 30 blogjes per maand plaats en ook mijn oude blogjes nog worden opgepikt, kom ik maandelijks aan ongeveer 20.000 gelezen stukjes. Maar sinds drie maanden is dat aantal plots meer dan verdubbeld. Eerst vond ik dat fijn, maar daarna begon ik mij de vraag te stellen: had ik hier te maken met echte lezers, of met crawlers en AI-bots, die mijn teksten alleen lazen als trainingsmateriaal? Ik heb het aan AI zelf gevraagd, en die ontkent alles. Het kwam door een aanpassing in Google Search, door influencers die mijn blogjes verspreidden, en door honderd andere oorzaken. AI-bots hadden er misschien iets mee te maken, maar weinig, weinig. Ik moest aan de catch phrase van Bart Simpson denken: I didn’t do it.