Het debat over protectionisme zal nog lang aanslepen. De Standaard van vandaag (20/1) is symptomatisch, met her en der over de krant verspreid standpunten van Mooijman, Glenn Ryap, Niclas Poitiers, Bart De Wever en nog enkele anderen. Pierre-Olivier Gourichas van het IMF is de duidelijkste tegenstander van protectionisme:
De beslissing gaat verder dan puur economische overwegingen. Maar tarieven hebben altijd een negatieve impact. In het land dat de tarieven oplegt, worden het aanbod en de concurrentie beperkt, wat weegt op de output.
De kritiek van Gourinchas is fundamenteel en gaat ervan uit van een scenario waarbij het protectionisme ‘werkt’, en waarbij de import wordt vervangen door eigen inefficiëntere binnenlandse productie. Het is ook mogelijk dat het protectionisme gedurende een bepaalde periode niet ‘werkt’. Dat is wat volgens de Duitse denktank IfW Kiel nu aan de hand is in de VS. Men blijft importeren en de verhoogde tarieven, die in de staatskas terecht komen, worden door middel van prijsstijgingen doorgerekend aan de Amerikaanse klanten. Dan is de hele operatie niet veel meer dan een soort BTW-verhoging.
Arturo Bris van de managementsschool IMD is de duidelijkste voorstander van het protectionisme.
We laten als Europeanen te veel toe, terwijl we zouden moeten handelen zoals de anderen. We zouden veel protectionistischer moeten zijn. Europa kan niet het paradijs van de vrijhandel zijn als de rest van de wereld dat niet is.
De Wever lijkt dat laatste standpunt te volgen:
Europa moet ook beseffen dat het niet de beste leerling van de klas kan zijn inzake handel en vrijhandel als andere landen dat multilateralisme niet volgen.
De argumenten vóór protectionisme in een onstabiele geopolitieke context zijn bekend. Als er vijandige of potentieel vijandige machtsblokken tegenover elkaar staan, moet elk machtsblok een economie hebben die voldoende gediversifieerd is om een eigen defensie, een eigen voedselvoorziening, een eigen grondstoffenbevoorrading, een eigen industrie en een eigen technologie te ontwikkelen. Dat is niet de internationale arbeidsverdeling zoals die zou moeten zijn, maar de wereld is ook niet zoals hij zou moeten zijn.
Dat betekent niet dat de vrijhandel er door het Europese protectionisme noodzakelijkerwijs op achteruitgaat. De Europese protectionisten als Bris en De Wever pleiten tegelijk voor méér vrijhandel en minder protectionisme binnen de Europese grenzen, en met landen buiten de vijandige machtsblokken. Het netto resultaat zou kunnen zijn, met een beetje geluk, dat het globale volume aan vrijhandel stijgt. Een beetje minder protectionisme aan de ene kant, een beetje meer (hopelijk veel meer) protectionisme aan de andere kant.
Vrijhandel is vandaag – helaas – geen eenvoudige kwestie van laissez-faire, laissez-passer. Het is – helaas – een relatieve vrijhandel, die vastgelegd wordt in akkoorden van duizenden bladzijden. Als vrijhandelaar hoop ik dat er binnen het Europa van de toekomst veel van dergelijke akkoorden zullen worden afgesloten, dat men niet zal wachten tot de laatste lidstaat mee aan boord is, dat ze geen 25 jaar zullen aanslepen zoals de Mercosur-akkoorden, en dat ze honderden bladzijden in plaats van duizenden bladzijden zullen tellen.
Geybels en ik denken verschillend over allerlei zaken. Zo schrijft hij:
‘Als leerlingen beter aanvoelen dan de meeste inrichtende onderwijsinstanties dat er te veel staatsinmenging is in het onderwijs, dan is er iets mis.’
Maar is dat ‘aanvoelen’ de reden waarom leerlingen willen staken? Of is het omdat ze gehoord hebben dat ze vrije dagen zouden verliezen, omdat ze de opwinding van een stakingsdag verkiezen boven een doordeweekse same-old-same-old schooldag, omdat ze van hun leraren iets gehoord hebben over de waarde van lange deliberaties, of omdat ze niet gewapend zijn tegen drogredenen als ‘er moet iets gedaan worden aan het lerarentekort en daarom moeten de pedagogische studiedagen behouden blijven.’ Ik heb op twitter een paar stakingsoproepen van leerlingen gezien, en die jongens leken mij van het type dat ‘zijn voet in brand zou steken om een dag geen les te moeten volgen.’
In elk geval, toen ik veertien jaar was, voelde ik in de verste verte niet aan wat er fout kon lopen in het nationaal onderwijsbeleid, en toen mijn zoon veertien jaar was, had hij in dat aanvoelen niet meer vorderingen gemaakt dan ik op zijn leeftijd. Mijn zoon had een uitgesproken oordeel over wat er op het menu moest staan in het schoolrestaurant, en over welke leraren goed of slecht les gaven, maar over algemeen onderwijsbeleid zou hij mij hebben nagepraat, totdat hij op zijn zestiende bij mijn wijsheden vraagtekens ging zetten – een neiging tot kritisch en zelfkritisch scepticisme die mij deugd deed toen ik ze vaststelde.
Er zijn ook zaken waar Geybels en ik hetzelfde over denken. Hij heeft een hekel aan oppervlakkige invulboekjes. Ik ook. Hij betreurt de nadruk die in het verleden werd gelegd op ‘vaardigheden’. Ik ook. Hij beweert dat de kwaliteit van het onderwijs decennialang achteruit is gegaan. Dat beweer ik ook. Geybels wil net als Zuhal Demir ‘kwaliteitsvol onderwijs. ‘Alleen,’ zo schrijft hij, ‘lopen de meningen van de minster en die van mij over kwaliteit nogal uiteen.’
Waar gaat het meningsverschil over? Geybels vreest dat onze minister aanstuurt op ‘strenge scholen waar tucht en discipline heersen’, en dan doemt voor hem het angstaanjagende beeld op van de autoritaire Juf Bulstronk uit Matilda en van de sadistische directrice Dorothea Omber uit Harry Potter*. Ik heb begrip voor die angst. Ik heb ook zo’n angsten die voortkomen uit films. Uit Entre les murs (2006) bijvoorbeeld, of uit de Netflix-serie Adolescence (2025). Wij kunnen allemaal akkoord gaan dat een school het juiste evenwicht moet vinden tussen vrijheid en discipline. De vraag is in welke richting de meeste scholen vandaag afwijken. Zelf denk ik dat Demir gelijk heeft als ze het in de richting van meer discipline zoekt**. Maar het blijft een moeilijke discussie, en we kunnen ze niet oplossen door met angstaanjagende films te zwaaien.
Verder is Geybels bang dat Demir het onderwijs stuurt in een eenzijdig technocratische richting.
Geen algemene en brede vorming, maar nuttige kennis. De klemtoon ligt alleen op wiskunde, wetenschappen en taal. Volgens de minister dragen de levensbeschouwelijke vakken niet bij aan de kwaliteit van het onderwijs. In het verslag van de Onderwijscommissie van 8 januari beweert ze daarover: ‘Ik wil duidelijk meegeven dat dit voor mij geen prioriteit is. Ik heb andere katjes te geselen, die veel belangrijker zijn.’ Leerkrachten van levensbeschouwelijke vakken hoeven ook niet meer in de klassenraden te zitten, en ook lichamelijke opvoeding, kuntzinnige en literaire*** vakken verdwijnen naar de achtergrond.
Ik interpreteer die uitspraak van Demir helemaal anders. In de eerste plaats wil ze de oude discussie over de levensbeschouwelijke vakken niet oprakelen: moet het vak Godsdienst autonoom blijven of opgaan in een breder vak Levensbeschouwing? Ten tweede wil ze de kwaliteitsverhoging niet gelijktijdig over de hele lijn doorvoeren, maar in een eerste fase in de genoemde vakken. De reden kan gedeeltelijk technocratisch zijn, maar het heeft zeker ook te maken met de meetbare ravages die in die vakken zijn aangericht. Ten derde is de vrijstelling van sommige leerkrachten om klassenraden bij te wonen een kwestie van gezond verstand. Die leerkrachten geven een beperkt aantal uren, moeten op te veel klassenraden aanwezig zijn, en hun vakken hebben weinig belang bij de toekenning van A-, B- of C-attesten****, en evenmin voor het kiezen van een verdere studiecarrière. Dat betekent helemaal niet dat die vakken niet belangrijk zijn.
Geybels brengt nog een andere, veel moeilijker, kwestie ter sprake.
Worden leraren er in de toekomst werkelijk vrolijker van om door de staat geleide programma’s uit te voeren? Zonder eigen inspiratie, zonder de mogelijkheider iets van zichzelf in te leggen? … Ik ben bezorgd over de controlerende wijze waarop het ministerie zich opdringt aan het werkveld. Nooit in het verleden is de inmenging op scholen zo groot … geweest … Zoals iedere ouder wil ik mijn kinderen de beste mogelijke opvoeding geven. Daarvoor denk ik terug aan mijn eigen schooltijd en aan de leraren die mij het meest zijn bijgebleven. Dat waren vaak degenen met een dikke, zelfgeschreven cursus (kennis!) met veel gezag (zonder autoritair te zijn), maar vooral degenen van wie ik voelde dat ze bevlogen waren, dat ze hun job graag deden omdat ze er nog een eigen invulling aan konden geven. Hun bevlogenheid gaf mij vleugels*****.
Ik weet niet of ik als leraar ‘bevlogen’ was, veel ‘gezag’ had, of mijn leerlingen ‘vleugels gaf’. Zeker is dat ik heel dikke, zelfgeschreven cursussen gebruikte en dat ik mijn job alleen graag deed als ik mijn eigen invulling kon geven. Ik heb daar veel last mee gekregen van de kant van doorlichtingsteams en directieleden die vonden dat ik te veel afweek van de vakoverschrijdende eindtermen, te veel aandacht besteedde aan literatuur, de Algemeen-Pedagogische Richtlijnen in de wind sloeg, en de leerplannen alleen consulteerde om te weten wát ik moest geven, en niet om te weten hoe ik dat moest aanpakken. De tyrannieke inmenging die ik ondervond bracht er mij soms toe om tegen mijn zoon te zeggen: ‘Je mag later alles worden wat je wilt, maar als je voor het onderwijs kiest, sla ik je dood.’
En nu denkt Geybels dat Demir die tirannieke inmenging nog verder wil opdrijven. Ik denk dat het anders is. Gedurende 50 jaar is vanuit het ministerie en vanuit de koepels een schadelijke onderwijsstijl opgedrongen aan scholen en leraren. Dat is een langzaam proces geweest, met af een toe een stroomversnelling, en met veel weerstand van leraren die koppig de oude kwaliteitsnormen nastreefden. Vandaag wil Demir met de haar kenmerkende voortvarendheid de tegenovergestelde richting uit. Ze wil zoals dat heet ‘de tanker keren’. Dat is ook een vorm van ‘inmenging’ en de uitdaging lijkt mij om die inmenging te verzoenen met tegelijk een grotere autonomie van de leraren. Dat moet mogelijk zijn als drie voorwaarden vervuld zijn. De discipline in de scholen moet verbeteren zodat leraren zich in het klaslokaal meer kunnen permitteren******. Doorlichtingsteams moeten focussen op resultaten en niet op het volgen van pedagogische regeltjes. En je mag niet alle vakken tegelijk willen ‘hervormen’; begin met duidelijk omschreven domeinen zoals … wiskunde, wetenschappen en talen.
Tot slot, mocht ik leraar zijn van een levensbeschouwelijk vak, dan zou ik het fijn vinden dat mijn vak met rust gelaten werd. Ik weet dat er collega’s zijn die daar anders over denken. Hoe meer richtlijnen ze krijgen voor hun vak, hoe meer ze gecontroleerd worden, hoe liever ze dat hebben. Ze beschouwen die richtlijnen en controle als een bewijs dat hun vak ernstig wordt genomen. Dat is iets wat ik nooit zal begrijpen.
* Scholen en directies zoals geschetst in de Matilda- en Harry Potter-films hebben misschien echt bestaan, maar ik heb er persoonlijk geen ervaring mee gehad. De scholen en klassen van mijn jeugd geleken meer op die van films als Doubt en The Holdovers. Voor een nog verder verleden denk ik aan The Browning Version en Goodbye Mr. Chips.
** Over discipline op school, zie mijn stukjes hier en (terloops) hier. Over het Demir-plan waar de leerlingen tegen willen staken, zie mijn stukje hier. Mijn eerste bedenkingen bij de scholierenstaking staan hier.
*** Ik geloof niet dat er in het middelbaar ‘literaire vakken’ bestaan die onafhankelijk van de taalvakken worden onderwezen.
**** Ik heb altijd gevonden dat mijn eigen vak Nederlands ook niet erg belangrijk was voor het toekennen van die attesten.
***** Ik heb een aantal woorden en zinnen weggelaten die verwijzen naar kwesties die ik hier niet wil behandelen: de verhouding tussen ‘kennis’ en ‘vorming’, en de rol van ‘inspraak’. Voor wie naar mijn mening nieuwsgierig is: ik zie weinig voordelen in ‘inspraak’ en ik geloof dat ‘vorming’ op school grotendeels impliciet langs ‘kennisverwerving’ verloopt. Wel geloof ik dat de levensbeschouwelijke vakken bij die ‘vorming’ een aparte en belangrijke plaats innemen. Ik wil hier graag toegeven dat godsdienst het enige vak was waar ik in het middelbaar goede punten voor haalde.
****** Een gedisciplineerde omgeving creëert ruimte voor types zoals John Keating in Dead Poets Society … waar ik nooit veel sympathie heb gehad.
Ik vraag me af waarom al die knullen in het middelbaar die vooral zo weinig mogelijk les en zo gemakkelijk mogelijke examens willen, ja waarom leren die gewoon niet een stiel? Ik kende een binnenhuisarchitecte die uiteindelijk herscholing voor machinist deed. Goeie verdienste, je kan vroeg beginnen enz.
BeantwoordenVerwijderenLap! De "ziel van het kind" komt hier weer voorbijgevlogen. Dat was honderd jaar en meer ook al een dooddoener in de discussie rond het thema "wie is de baas in het onderwijs." Voor mij is het eenvoudig: wie betaalt, mag bepaalde voorwaarden stellen. Als de staat - dat wil dus zeggen mijnheer Clerick, ikzelf en ieder belastingbetaler in Vlaanderen - elk jaar 17 miljard in het Onderwijs stopt mag dat wel wat resultaten opleveren waar de gemeenschap iets aan heeft. Het "welbevinden" van de individuele leerling weegt daar zeker niet tegen op. De hele "staking" van vandaag was trouwen een luid klinkende scheet in een fles.
BeantwoordenVerwijderenGoed artikel hierover in DS: https://www.standaard.be/opinies/dat-kinderen-meer-vakantie-willen-is-tot-daaraan-toe.-van-ouders-mag-men-meer-verwachten/125745100.html.
Een goed art
Als lesgevers levensbeschouwelijke vakken niet meer mee delibereren dan zal voor een deel hunner volgelingen een A-attest niet in de schoot vallen. In het GO!-onderwijs wedijveren ze om de hoogst mogelijke cijfers toe te kennen. Om een A-attest voor HUN leerlingen durven ze strijden, als een kat om haar jongen.
BeantwoordenVerwijderen