zondag 22 maart 2026

Tom Naegels over de Cofnas-kwestie


Tom Naegels over de Cofnas-kwestie

       Ik schreef eerder al iets over de 45 Gentse filosofen die Nathan Cofnas willen uitsluiten van hun universiteit omdat hij onderzoek doet naar de relatie tussen ras en IQ. Ik was tegen die vorm van censuur*. En nu heeft de Grand Old Man van de Amerikaanse filosofie Peter Singer lucht gekregen van de zaak en samen met andere professoren, een open brief opgesteld om de academische vrijheid in deze kwestie te verdedigen. Ik heb dus Singer aan mijn kant. Maar er zijn van de week ook enkele stukjes geschreven die de andere richting uitgaan. Eerst was er Seppe De Meulder in De Wereld Morgen. ‘Heb je dat stuk van De Meulder gelezen?’ vroeg een vriend gisteren met een brede grijns. Ik grijnsde terug**.
      Dan was er het stuk van Tom Naegels in De Standaard, dat een antwoord was op een stuk van Boudry. Bij de stukken van Naegels moet ik meestal niet grijnzen. Dan krijg ik veeleer een denkrimpel. Een beetje kort door de bocht vindt Naegels de academische vrijheid in dit geval schadelijk, nutteloos en onmogelijk. Dat is ook zijn standaardbenadering van de immigratiebeperking: schadelijk, nutteloos én onmogelijk.
    Met de schadelijkheid van het onderzoek heeft Naegels zijn beste argument te pakken. Een onderzoek naar ras en intelligentie, schrijft hij, is geen ‘spielerei’, geen ‘interessante piste’ of geen ‘statistisch model’. ‘Als je zwart bent … staat er veel meer op het spel.’ Naegels werkt het argument niet uit, maar dat hoeft ook niet. Anderen, zoals Chomsky, hebben het al gedaan. Zo’n onderzoek als dat van Cofnas kán tot conclusies leiden die mensen leed berokkenen. Of zoiets kan in elk geval niet worden uitgesloten.
     Ook dat het Cofnas-onderzoek nutteloos is, maakt niet de hoofdlijn van Naegels zijn redenering uit. Hij schrijft het nergens letterlijk, maar hij vergelijkt Cofnas met getuigen van Jehova, met klimaatontkenners en met lieden die beweren dat ‘de Joden doelbewust samenzweren om het blanke ras te verzwakken.’ De lezer kan dan zelf zijn conclusie trekken. Als de U Gent geen geld en middelen besteedt aan de bijbelstudie van de Getuigen, waarom zou ze dat wel doen met even onzinnig onderzoek naar ras en intelligentie?
      Zo geformuleerd vertoont dat argument verschillende zwakheden. Om te beginnen wordt de onzinnigheid van dat onderzoek op voorhand bewezen verondersteld, een werkwijze die men petitio principii noemt. Een belangrijker bezwaar is dit. De nutteloosheid van onderzoek kan in een academische context enkel worden gemotiveerd door een overduidelijk gebrek aan wetenschappelijke methode – zoals bij de bijbelstudie van de Jehova-getuigen – of door een inbreuk op een overduidelijke wetenschappelijke consensus – zoals die over de gemeten temperatuurstijging. Maar dat geldt allemaal niet over het ras-en-IQ-onderzoek. Het onderzoek, waar het gebeurt, gebruikt biologische, statistische of moraalfilosofische redeneringen die allemaal kunnen worden getoetst op hun wetenschappelijke methodiek.
     Bovendien hangt er rond dat onderzoek weliswaar een taboe, maar dat is niet hetzelfde als een consensus. Er bestaat een verpletterende hoeveelheid aan cijfermateriaal over de ongelijke IQ-scores van blanke, zwarte en Aziatische Amerikanen. Over die cijfers zelf is er geen controverse. De discussie gaat onder meer over de vraag óf, en in welke máte, deze verschillen teruggaan op een genetische basis. Op zijn Substack citeert Maarten Boudry bevragingen waaruit blijkt dat een belangrijke minderheid van IQ-onderzoekers en psychologen een zekere mate van genetische invloed niét uitsluiten. Als buitenstaander heb ik de indruk dat de hedendaagse genetica nog niet in staat is om de vraag definitief te beantwoorden. Je kunt uit die omstandigheid zelfs een voorlopig argument puren tegen ras-en-IQ-onderzoek op dit moment: is het niet beter om dergelijk onderzoek uit te stellen en om de genetische onderzoeksmethoden eerst verder te verfijnen aan de hand van minder gevoelige onderwerpen?
     Maar goed, de schadelijkheid en de nutteloosheid van het onderzoek is niet de echte invalshoek van Tom Naegels. Hem is het vooral te doen over de onmogelijkheid ervan. Daarmee bedoelt hij niet dat er geen statistische, biologische of moraalfilosofische methodologie rond het onderwerp mogelijk is, maar hij ziet geen ruimte voor een ‘vruchtbare’ academische discussie. Daarvoor moet er immers voldoende common ground zijn, moet er een sfeer van 
pluralisme, relativering en onthechting heersen, en een mentaliteit van let’s agree to disagree. ‘In deze context,’ schrijft Naegels,

 zou dat iets betekenen als: ‘Als jij accepteert dat ik onderzoek doe naar de lagere intelligentie van zwarte mensen, dan accepteer ik dat jouw onderzoek structureel racisme blootlegt … en daarna drinken we een pint.” 

     Voor mij is dat de ideale wereld, maar Naegels oordeelt terecht dat die mentaliteit vandaag in de verdrukking staat.

 Geen van de beide kampen wil dat [pluralisme]. Ze voelen zich bedreigd door elkaar. En ze verwijten de mensen in het midden, de gematigde progressieven en conservatieven, dat ze geen kant durven kiezen. Voor beide kampen betekent pluralisme lafheid. Wie denkt dat een universiteit zich aan die confrontatie kan onttrekken met een ‘vecht het onder elkaar uit, maar laat ons erbuiten, wij vinden dit gewoon heel erg boeiend’, die maakt zichzelf, weliswaar met een indrukwekkend notenapparaat onderbouwde – blaasjes wijs.

     Ik vind dat onnodig defaitisme. Waarom zouden we ons neerleggen bij een betreurenswaardige situatie? Waarom zouden de mensen in het midden niet terugvechten om het pluralisme te bewaren of te herstellen? Het is niet omdat ze door de extremisten laf genoemd worden dat ze dat ook moeten zijn. En ze hebben allerlei goede troeven. Ze kunnen zich beroepen op een traditie van academische vrijheid. Ze kunnen steun krijgen van een bestuur dat om pragmatische redenen het liefste de twee kampen binnen de universiteit houdt. De wetenschappelijke methodologie biedt een maatstaf om de prestaties van de ‘kampen’ te beoordelen en kan dezelfde functie hebben als de Marquess of Queensberry Rules bij een boksmatch. En er zijn faculteiten waar de discussies nog altijd bestaan uit botsende argumenten, in plaats van botsende waarden en wereldvisies. Waarom zouden de sobere wiskundigen het goede voorbeeld niet kunnen geven aan de filosofen en de sociologen?
      Verder is het niet helemaal duidelijk hoeveel kampen er in het geding zijn. Zijn er slechts twee kampen, rechts tegen woke, of is het ‘onthechte’ midden ook een kamp dat kan meestrijden? Dan is dat laatste, zoals ik hierboven betoogde, niet kansloos.  Maar beter nog lijkt het mij om aan de kampenverdeling een tweede as toe te voegen: die van verdraagzaamheid versus onverdraagzaamheid. Ik volgde enkele maanden geleden de discussie tussen Maarten Boudry en Stijn Bruers over Gaza. De twee namen allebei een radicaal, zo je wil, extreem standpunt in, alhoewel ze dat misschien allebei zullen ontkennen. Ik heb de argumenten van Bruers en Boudry over Gaza zonder opwinding gelezen. Mijn onthechting verdween echter toen Bruers begon aan te dringen op het ontslag van Boudry als hij niet ophield zijn mening te verdedigen.
       Daarmee plaatste Bruers zich in het kamp van de openlijk-onverdraagzamen, zelfs als hij over Gaza misschien gelijk had. Die twee kwesties – Gaza enerzijds en de academische verdraagzaamheid anderzijds – kunnen worden losgekoppeld. Singer, Pinker, Boudry etc. zijn ook tussengekomen in de Cofnas-kwestie zonder zich over de strekking van het onderzoek zelf uit te spreken. Dát is wat een universiteit moet doen. Ze kan zich ‘niet de confrontatie onttrekken,’ ze moet kamp kiezen, en wel voor het pluralisme en verdraagzaamheid***.
     Ten slotte mogen we de lat van het pluralisme gerust wat lager leggen dan Naegels doet: het móet niet altijd, en voor iedereen, en onmiddellijk, leiden tot een ‘vruchtbaar’ gesprek. Ideologische tegenstanders binnen dezelfde universiteit of vakgebied móeten samen geen pint gaan drinken. Ze móeten niet onthecht zijn. Ze mógen vernietigende reviews schrijven waar dan weer vernietigende antwoorden op volgen. De kans dat ze elkaar ‘overtuigen’ is ongeveer nihil. Ze moeten het inderdaad maar onder elkaar uitvechten –  als het kan met argumenten, als het moet met scheldwoorden – want het alternatief is dat je de ‘andere’ kant het zwijgen oplegt. En die censuur is voor de wetenschap erger dan een onvruchtbaar ‘dovemansgesprek.’
      Ik beweer niet dat het waardenvrije wetenschapsideaal van Max Weber binnenkort opnieuw zal overheersen aan onze universiteiten, maar iéts moeten we toch kunnen doen aan de huidige onverdraagzaamheid. Het is één zaak dat progressieve sociologen of neoliberale economen konkelen om geloofsgenoten aan benoemingen te helpen, of dat ze in reviews onrechtvaardig oordelen over de publicaties van hun ideologische tegenstanders. Maar het is een andere zaak als sommigen de onbeschaamdheid zo ver drijven dat ze openlijk benoemingen willen tegenhouden vanwege meningsverschillen, bijvoorbeeld door middel van petities en open brieven. Zo’n openlijke onbeschaamdheid moet openlijk worden aangeklaagd, zoals Peter Singer, Steven Pinker, en die anderen gedaan hebben. Ik had graag gehad dat Naegels dat ook had gedaan.

* Zie mijn stukje hier.

** Over De Meulder zijn stuk durf ik niets schrijven. Hij noemt The Bell Curve een racistisch boek omdat er in de voetnoten naar racistische onderzoekers verwezen wordt. Misschien ben ik nu ook een racist omdat ik op mijn beurt in deze voetnoot naar The Bell Curve verwijs. En dan wordt iemand die mijn blogje deelt ook een racist. Want wie anders dan een racist deelt een blogje van een racist die verwijst naar een racistisch boek waarin naar racisten verwezen wordt? 

*** Ik probeer mij, zo ver als mijn temperament dat toelaat, in het kamp van de verdraagzamen te plaatsen. Onlangs was er aan de VUB een rel rond de aanstelling van de extreem-linkse academicus Harry Pettit. Ik zwijg nu even over diens rare berichten op X, maar ik heb gelezen dat hij onderzoek doet op het gebied van de sociale geografie. Gezien de ideologische meningsverschillen tussen Pettit en mij, verwacht ik dat de conclusies van dat onderzoek ingaan tegen alles waarin ik geloof. Ik zou het daarom fijn vinden als andere sociaal geografen de methodologie van Pettit fileren. Maar ik zou het niet fijn vinden als ze in een moeite door de aanstelling van Pettit betwisten. 


Scholierenkoepel
     Als ik het woord ‘scholierenkoepel’ hoor, wordt de boomer in mij wakker, of eerder nog de Waldorf & Statler. Nochtans heb ik wel eens scholierenkoepelachtige leerlingen in de klas gehad en kon ik het prima met hen vinden. Maar dat hun halfwassen meningen ernstig worden genomen in de pers vind ik onverteerbaar.
      Nu heeft de koepel weer een onderzoek laten uitvoeren naar het welbevinden van de leerlingen. ‘De werkdruk is te hoog,’ zegt voorzitster Lieselore Wouters in De Standaard (20/3). Ach wat! Leerlingen vinden altijd dat ze teveel taken en toetsen krijgen. ‘Er is ook racisme van de leerkrachten,’ zegt een meisje van kleur op tv. ‘Als er rumoer in de klas is, kijkt de leerkracht altijd eerst naar ons.’ Kom nou. Als een leraar een opmerking maakt over een leerling voelt die zich altijd speciaal geviseerd.
     Ergerlijk vind ik het als die jongelui hun mening ventileren over iets waar ze met hun beperkte levenservaring niets van afweten. Voorzitster Wouters:

 Zeker voor het middelbaar denk ik dat er minder mensen zullen kiezen voor het beroep. Als ik zelf leerkracht zou zijn, zou ik me ook niet aangetrokken voelen door wat er vandaag beslist wordt. Door studiedagen af te schaffen en het onderwijs steeds complexer te maken, jaagt men mensen weg uit het beroep. En zo wordt het probleem alleen maar groter.

     Wat weet dat kind nu over de voor- en nadelen van de pedagogische studiedagen? Of neem de kwestie van de digitale deconectie. De Standaard schrijft:

De digitalisering van het onderwijs heeft duidelijk impact op het dagelijkse leven van leerlingen. Zo geeft 42 procent aan wekelijks ook buiten de schooluren berichten of opdrachten te ontvangen via digitale kanalen. Tegelijk zegt 38 procent moeite te hebben om na school het hoofd leeg te maken, om echt los te koppelen. Digitaal niet kunnen deconnecteren speelt een belangrijke rol voor het mentaal welzijn van leerlingen. “Het is de verantwoordelijkheid van de scholen om een goed digitaal kader uit te werken, bijvoorbeeld door telkens in twee dagen te voorzien om te antwoorden of ‘s avonds geen taken meer te posten”, zegt Wouters. “Dit is eigenlijk vrij simpel op te lossen met overleg tussen leerlingen en leerkrachten.”

     Dat de leerlingen moeite hebben om na de school hun hoofd leeg te maken, kan ik best geloven. Ik had daar als leerling de allergrootste moeite mee. De beste manier om van de school te deconecteren, is om onmiddellijk als je thuiskomt je taken te maken, je lessen te leren en je toetsen voor te bereiden. Daarna heb je nog een hele avond om te deconnecteren. Ik deed het als leerling omgekeerd: ik stelde alles uit en daardoor werd de mentale druk altijd maar zwaarder.
      En die digitale stress dan, dat is toch iets nieuws? Zeker, en ik weet precies hoe dat ging toen ik leraar was. Ik zei iets als: ‘Neem je schoolagenda en schrijf in voor volgende week dinsdag …’ en voor ik de zin had afgemaakt zeiden drie leerlingen tegelijk: ‘Ach meneer, zet het maar op Smartschool.’ Ik deed dat dan heel braaf, want ik begreep hen: als leerling schreef ik ook nooit iets in in mijn agenda.

 

Welbespraakte energie-expert
    Michael Liebreich wordt in De Standaard (21/3) een ‘veteraan in de wereld van de groene technologie genoemd.’ Hij vertelt honderduit over de energietransitie. Ik heb daar geen mening over, en ben al lang blij dat hij niet van de degrowth-strekking is. Wat mij wel opviel was het hoge gehalte aan treffende uitspraken. 

**Activisten en groene partijen hebben de problemen goed herkend. Maar je laat ze best die problemen niet oplossen. In het VK zou je ze niet eens vertrouwen om een feestje voor kleuters te organiseren.

**Ik heb met verbazing gekeken hoe iedereen na de oproep van Greta Thünberg plots begon te spreken over de opwarming beperken tot 1,5 graad. En niemand die zei: ‘Oké Greta, we begrijpen wat je wil, en in grote lijnen heb je gelijk, maar we gaan het toch anders doen.’

**China domineert de markt van de zeldzame aardmetalen. Dat is een totale markt van slechts een paar miljard dollar. Als we 10 miljard euro per jaar hadden vrijgemaakt om die strategische industrie te ondersteunen, zaten we vandaag in een andere situatie.

**Geef hernieuwbare energie er niet de schuld van dat kerncentrales dichtgaan. De schuldigen waren domme mensen, die bang waren voor het verkeerde spook. 

**Hiernieuwbare energie is niet goedkoop. Ze is goedkoop om op te wekken zolang je relatief weinig zonne- en windenergie produceert. Maar wanneer je dat aandeel naar 50 procent brengt, is de flexibiliteit op systeemniveau weg.

**Europa is eerst voor groene elektriciteit gegaan, terwijl dat slechts 30 procent van de totale energievraag is.  

**Om de opwarming tot 2 graden te beperken, zou de koolstofprijs kunnen oplopen tot 225 dollar per ton. Maar om tot 1,5 graad te komen zou dat tot 6.050 dollar per ton zijn. 

**Ik heb geen probleem met kernenergie, maar ik denk dat we onszelf voor de gek houden als we denken dat het woord ‘modulair’ het kostenprobleem zal oplossen.

**De enige manier om de kosten van modulaire kerncentrales omlaag te krijgen is dat je er veel – 50 of 100 – van bouwt. 

**Veel conservatieven vinden het niet prettig dat je om iets te doen tegen de klimaatverandering beleidsinterventies nodig hebt. Ze zijn daar zo fel tegen dat ze dan maar besluiten dat klimaatverandering niet bestaat.

 

Misleidende grafieken
     Ik heb zoals iedereen de ‘misleidende grafiek’ van Het Laatste Nieuws over de laatste peiling naar de Vlaamse kiesintenties. De percentages op die grafiek zijn juist weergegeven, maar de balkjes staan niet in verhouding tot de cijfers. Ik dacht: ‘Wat een stomme fout van HLN!’ maar boos opzet sloot ik uit. Ik heb er dan ook niets over geschreven, hoewel ik geïnteresseerd ben in grafieken.
     Het komt hierop neer: ik heb het altijd moeilijk om in boos opzet te geloven. Maar achteraf blijkt dat er met die grafiek inderdaad boos opzet mee gemoeid was, maar dan omgekeerd: iemand had die misleidende grafiek in elkaar geknutseld om dan HLN te kunnen beschuldigen van het plaatsen van een misleidende grafiek.



 
          Ik heb lang geleden het boekje gelezen How To Lie With Statistics. Daar ging het ook vaak over de grafieken. Men kon een stijging of daling groter voorstellen door de Y-as niet op nul te laten beginnen, of door die logaritmisch te maken. Maar dat is meestal geen misleiding; daar zijn vaak goede redenen voor. Bij een andere werkwijze zou het papier te klein zijn om de grafiek op af te drukken. Ik geloof dat er meer ‘gelogen’ wordt met de cijfers zelf, die men dan zorgvuldig uitkiest, dan met de grafische uitwerking. Maar de lezer moet wel aandachtig kijken natuurlijk.
      Ook de keuze van de grafiekvorm – lijn, balk, cirkel – kan een verkeerde indruk geven. Laatst zag ik een grafiek over het aantal gelovigen in Frankrijk. Men wilde het verschil laten zien tussen de verschillende leeftijdsgroepen: hoe ouder, hoe geloviger. Dat komt niet als een verrassing. Maar men had gekozen voor een lijngrafiek. Daardoor kreeg je de indruk dat het aantal katholieken (de groene lijn) aan het stijgen was en het aantal niet-godsdienstigen (de rode lijn) aan het dalen was. Ik kan alweer moeilijk geloven dat zoiets boos opzet is. 



Geen opmerkingen:

Een reactie posten