zondag 16 november 2025

Rust en orde in de klas


       Zuhal Demir heeft een plan opgesteld om ‘gewenst gedrag’ op school te bevorderen en ‘ongewenst gedrag duidelijk te begrenzen.’  Demir wil, naar het schijnt, een taskforce oprichten – wellicht heeft ze ook de serie Task gezien op HBO – die in probleemscholen het beleid voor een afgebakende periode kan overnemen.’ 
     Of een taskforce de juiste remedie is, weet ik niet. Als ze er komt hoop ik dat die mensen op zware motoren de speelplaats komen opgereden. Stephanie D’Hose van Open VLD daarentegen heeft allerlei bezwaren en een deel daarvan kan best terecht zijn. Maar ik schiet wel in de lach als ik lees (DS 4/11) dat ze zich ‘als liberaal zorgen maakt over het feit dat de staat bepaalt wat gewenst en ongewenst gedrag is.’ 
     Dat laatste is nu echt de kwestie niet. Laatst raakte ik in gesprek met een lerares uit West-Vlaanderen die in multiculturele klassen – soms is er een Vlaming bij – lesgeeft. Wie voorbeelden van ongewenst gedrag wil, kan bij haar terecht. Een leerling die haar toesnauwt ‘Hou je bek, vuile hoer,’ daar schrikt ze niet meer van, want het is dagelijkse kost. Of een leerling die bij het begin van elke les een bepaalde leraar minutenlang toeroept: ‘Gij hebt een dikke kop. Gij hebt een dikke kop.’ Stuurt men hem naar de studiezaal, dan blijft hij daar roepen: ‘Hij heeft een dikke kop. Hij heeft een dikke kop.’ Hij wil zich daar niet voor verontschuldigen, want hij spreekt de waarheid, vindt hij.
     ‘Wat kun je daar tegen doen? 'vroeg ik. ‘Je mag zo’n gedrag niet negeren,’ luidde het antwoord. ‘Je maakt altijd een korte zakelijke opmerking. En als dat niet werkt geef je de leerling een time-out.’ ‘Wat is dat?’ ‘De leerling moet op een bank gaan zitten tegenover de muur, waar hij aankijkt tegen een zwart vlak, en hij krijgt een koptelefoon op zijn hoofd zodat hij niets hoort.’ ‘En doen ze dat dan als je hen dat vraagt?’ ‘Ja, ze doen dat.’ Dat viel nog mee, vond ik.
    Demir, lees ik in de krant, is ongelukkig dat een voorlopige versie van haar plan nu al gelekt is. Eén bepaling van die versie bevalt mij in elk geval niet. ‘Scholen moeten beter motiveren waarom ze een tuchmaatregel, zoals een schorsing, nemen.’ Ik vind dat helemaal niet. Die motivering van tuchtmaatregelen was nu al een heel bureaucratisch gedoe, met klasvergaderingen en juridisch overleg. Ik zou die motiveringsplicht juist afschaffen. Hopelijk gebeurt dat in de definitieve versie.


                                                                    ***

     
In een commentaarstuk (DS 14/11) betoogt Hans Cottyn dat een minister met decreten niet veel kan veranderen aan het gedrag van de kinderen in de klas. Of dat zo is, weet ik niet. Ik geloof dat er op de scholen de laatste 50 jaar wel degelijk veel veranderd is door ‘decreten’ van bovenaf, met inbegrip inzake het leerlingengedrag. En niet altijd ten goede. Maar ik beperk mij hier tot twee randbemerkingen.
     In de titel van het commentaarstuk stelt Cottyn de vraag: ‘Rust en orde, uiteraard, maar waarom precies?’ Op die vraag ken ik het antwoord. Zodat de leraar op een comfortabele manier les kan geven en de leerlingen de les kunnen volgen zonder afgeleid te worden.
      In zijn laatste alinea drukt Cottyn de vrees uit dat ‘nultolerantie en straf de emancipatie van de kinderen met de minste kansen in de weg gaat zitten, en dat brave, nette en stille leerlingen meteen ook de meeste kansen krijgen.’ Ik vind dat die brave, nette en stille leerlingen die kansen meer dan verdienen. Rumoerige leerlingen gooien zelf hun kansen weg, maar als dat rumoer kan beteugeld worden, nemen ook hún kansen toe – natuurlijk minder dan die van de brave, nette en stille leerlingen 
  maar toch.
     Ik was zelf geen al te brave, nette en stille leerling, maar ik zat in een schoolsysteem waar ik anderen niet te veel kon storen en waar ik, op een goede dag, wel eens iets kon bijleren in een les. Hoewel ik later op een brave school les gaf, had ik af en toe ook een rumoerige klas. Ik kon dat rumoer niet tolereren, maar had er een zeker begrip voor. Ik vermeed moraliserende praatjes tegen de leerlingen en venijnige roddels achter hun rug. Ik troostte me met de gedachte dat een klas die in het vierde jaar lastig was, in het vijfde jaar kalmeerde, na de Paasvakantie. En als niets werkte, en ik de wanhoop nabij was, had ik zo mijn eigen manier om in het niets te verdwijnen, zoals aangegeven in bovenstaande tekening van een artistieke leerling.


                                                                        ***

 In De Standaard (13/10) staat een interview met een Britse expert die de minister adviseert. Hij is een oud-leraar en veel van wat hij vertelt is behartenswaardig. Hij zegt ook iets wat mij minder bevalt.

 Vaak zijn leerkrachten niet goed opgeleid en krijgen ze te veel vrijheid. Directeurs moeten daarin een assertievere rol spelen. Hoe geeft een leraar les? Waarom wordt iets niet opgevolgd? Iedereen mag zijn eigen stijl hebben, maar die moet gebaseerd zijn op een professioneel oordeel. Het argument van ‘ik ken mijn klas,’ daar moeten we voorbij.

      Dezelfde redenering werd vroeger gevolgd door directies die hun leerkrachten een onderwijsstijl oplegden die chaotisch gedrag veroorzaakte. Mijn pedagogisch directrice had nog het liefst dat klassen een café-opstelling kregen, met lekker veel groepswerk en interactie. Dat was het professionele oordeel van de experts 30 jaar geleden.
     Als een directie mij bepaalde uniforme regels had willen opleggen voor het binnenkomen in de klas, dan had ik daar geen bezwaar tegen gemaakt. Er zijn jaren geweest dat ik de leerlingen naast hun bank liet staan aan het begin van de klas. Ze mochten gaan zitten als ik mijn jasje uitdeed. Er zijn jaren dat ze mochten gaan zitten zonder toestemming. 
      Als een directeur had gewild dat elke leraar die kwestie op dezelfde manier had aangepakt, mij niet gelaten. En als een onderwijsinspecteur mij had geëvalueerd op de orde en tucht in mijn klas, zou ik dat normaal gevonden hebben. Maar hoe ik die orde voor elkaar kreeg, daar had ik toch graag mijn eigen stijl in. In sommige zaken was ik lakser dan mijn collega’s, en in andere strenger. Zo lang het maar werkte. 


                                                                    ***

     Er zijn al veel, en er zullen nog veel, opiniestukken verschijnen over de meer-tucht-op-school campagne. Orthopedagogen leggen uit dat meer discipline  de oorzaken van de gedragstoornissen niet wegneemt. ‘De stoorzenders in de klassen zullen er niet mee geholpen worden, maar juist verder gecriminaliseerd.’ Dat kan best zijn, maar het helpen van de stoorzenders door ‘aanvaarding, verwelkoming, omarming en inclusie’, kan niet de éérste bedoeling van het schoolbeleid zijn. De éérste bedoeling is om de andere leerlingen te beschermen tegen die stoorzenders. Het is niet of-of, maar pedagogie voor de grote meerderheid moet zwaarder doorwegen dan orthopedagogie voor de kleine minderheid.




  

1 opmerking:

  1. De partij Zijn? De partij naar zichzelf noemen, Dedecker heeft het met zijn Lijst gepresteerd. (tussen haakjes Dedecker is/was die libertair?).

    BeantwoordenVerwijderen