donderdag 12 maart 2026

45 filosofen willen censuur


     Het woord ‘censuur’ in mijn titel is misschien niet helemaal juist.  Maar de lezer zal wel begrijpen wat ik bedoel. Hij of zij weze gerustgesteld: mijn stukje is niet zo lang als het lijkt. Zo snel schrijf ik ook weer niet. Het tweede stuk bestaat uit enkele lange citaten van Steven Pinker.
     Ook mag ik mijn inleiding weggooien. Boudry heeft ondertussen, ondanks mijn raad, de academische vrijheid van Cofnas tóch verdedigd. Wat een roekeloze jongen.

*** 

       Als ik Maarten Boudry was zou ik nu in alle talen zwijgen over de rel rond de Amerikaanse filosoof Nathan Cofnas. De U Gent zou die Cofnas aannemen als postdoctoraal onderzoeker terwijl hij, volgens een open brief van 45 Gentse filosofen (DS 12/3) ‘je reinste racisme verkondigt.’ Mocht Boudry nu het aannemen van die filosoof verdedigen in naam van de academische vrijheid, dan riskeert hij om zelf van racisme te worden beschuldigd. Wie anders dan een heks zou het in zijn hoofd halen om een andere heks te verdedigen? Ik zal er dus zelf maar iets over schrijven.
      De brief van de 45 filosofen klaagt aan dat Cofnas onderzoek doet naar ‘natuurlijke verschillen tussen rassen – niet alleen biologische verschillen, maar ook verschillen in intellectuele vermogens.’ Hij heeft op een blog geschreven: 

‘In een meritocratie zou Harvard-personeel uit de beste van de beste studenten gerekruteerd worden, wat betekent dat het aantal zwarte professoren 0 procent zou benaderen.’ 

     Ik weet niet of die stelling van Cofnas waar is. Zelfs als zwarte mensen gemiddeld minder intelligent zouden zijn, dan zijn er nog andere kwaliteiten die de academische vaardigheid bepalen. Maar áls de veronderstelling over het IQ-verschil waar is, zou ze misschien wel opgaan voor de harde wetenschappen. De vraag is trouwens of in die faculteiten binnen afzienbare tijd nog blanken overblijven. Ik heb ergens gelezen dat men allerlei trucjes moet toepassen om het overwicht van de Aziaten niet te groot te laten worden.
      Maar goed, ik heb die kwestie natuurlijk niet onderzocht, en van de 45 filosofen zou ik ze dus ook niet mógen onderzoeken. Hun stelling over Cofnas is dubbel: zijn standpunten zijn ‘moreel beneden alle peil’ en ze zijn gebaseerd op de 
pseudowetenschap van mensen als ‘Emil Kirkegaard en Edward Dutton, die beiden geen achtergrond hebben in de psychologie of erfelijkheidsleer.’ Daarbij vergeten de 45 filosofen gemakshalve – ik overtreed hier mijn eigen stijlregel – dat ze als filosofen zelf ook geen achtergrond hebben in de psychologie of erfelijkheidsleer. Ik ben beschaamd om de polemische uitschuiver in de vorige zin, maar laat die toch staan als getuige van mijn slecht karakter.
     Enkele maanden geleden raakte ik op FB in een discussie verwikkeld met een geleerde vrouw, mét PhD, over die eigenaardige koppeling van ‘morele minderwaardigheid’ en ‘pseudowetenschap’. Omdat ik mij nogal warrig uitdrukte, werd mijn FB-correspondente ongeduldig. Ik ben daarom blij dat ik hieronder uitgebreid Steven Pinker kan citeren, iemand die zich wel helder uitdrukt. De 45 filosofen gebruiken onder andere als argument dat ‘de wetenschappelijke gemeenschap unaniem’ is in het oordeel dat het onderzoek  in kwestie ‘rommel’ is. Het antwoord van Pinker op dát argument heb ik eergisteren al aangehaald. Hieronder geef ik fragmenten uit zijn redenering over het verband tussen de moraliteit en de wetenschappelijkheid van academisch onderzoek.
      Vooraf nog enkele bemerkingen. Pinker ontwikkelt zijn redenering in het kader van een theorie over ‘gemeenschappelijke kennis.’ Gemeenschappelijke kennis is niet iets wat iedereen weet, maar iets wat iedereen weet én waarvan iedereen weet dat iedereen het weet dat iedereen het weet dat iedereen het weet … enzovoort. Emails en privé-gesprekken (als ze tenminste niet worden opgenomen door een microfoon van de Universiteit van Antwerpen) dragen niet bij tot gemeenschappelijke kennis, publicaties en posts op de sociale media doen dat wel. Pinker gelooft dat gemeenschappelijke kennis o.a. wegens haar expliciet en onomkoombaar karakter een veel grotere invloed heeft op ons gedrag in de samenleving dan andere kennis.
     Overigens is het niet zo dat Pinker a priori vindt dat raciale IQ-verschillen wél moeten worden onderzocht. Hij is tegen het soort censuur en schandpaal-politiek waar de 45 filosofen toe oproepen, maar somt zowel de voor- als tegenargumenten op inzake dat soort onderzoek. De ironie wil nu, geloof ik, dat de geviseerde Cofnas als filosoof juist die kwestie onder de loepe neemt: hoe zwaar wegen de voor- en nadelen van dat soort onderzoek. Als ik het goed begrepen heb wordt Cofnas niet gewraakt niet alleen omdat hij een debat wil openen over kwestie X, maar omdat hij een debat wil openen over de wenselijkheid van zo’n debat. En hopelijk word ikzelf niet gewraakt omdat ik de toelaatbaarheid van een debat over de wenselijkheid van zo’n debat wil bepleiten.
     Pinker begint zijn redenering met te verwijzen naar een studie over de doodstraf, en meer bepaald naar hoe men daarover argumenteert. De twee belangrijkste vragen zijn: 1) Is de doodstraf moreel gerechtvaardigd? en 2) heeft de doodstraf een afschrikwekkend effect? De ene vraag is van morele aard, en de andere is van feitelijke aard. Maar uit het onderzoek blijkt dat zeker tegenstanders van de doodstraf voortdurend de twee niveaus door elkaar gooien. Er is natuurlijk geen enkele reden waarom de twee niveaus niet in dezelfde richting zouden kunnen wijzen, maar iemand met wat zin voor zelfkritiek zou toch even mogen stilstaan bij wat Pinker noemt die ‘amazing coincidence’.
     Ik ken die kwestie vanuit een andere context. Bastiat verwonderde er zich expliciet over dat de liberale economie zowel de vrijheid als de welvaart bevorderde. Hij vond het geloof ik een kwestie van Goddelijke Voorzienigheid. Marx was implicieter, maar leek toch ook een verklaring te zoeken waarom zijn economische analyses zo goed overeenkwamen met de morele aspiraties van het proletariaat. Zijn verklaring zocht hij in de Geschiedenis die ‘de mensheid slechts voor taken stelt die waarvan ze de materiële voorwaarden geschapen heeft.’
      Nog een laatste bemerking. Pinker wijst erop dat tot taboe verklaarde onderwerpen voor nieuwsgierige mensen een extra uitdaging vormen om ze te onderzoeken. Wat moet zo’n nieuwsgierige mens dan doen als hij bang is om academische aanstellingen mis te lopen door boze brieven van 45 filosofen. Hij zou het voorbeeld kunnen volgen van oom Eberhard uit de roman Gösta Berling. Overdag wijdt de nieuwsgierige onderzoeker zich aan een ongevaarlijk onderwerp: de invloed van Kant op Hegel, of omgekeerd, en ’s nachts werkt hij onverdroten aan zijn manuscript waar de waarheid over raciale IQ-verschillen eens en voor altijd onweerlegbaar wordt uiteengezet. Maar om zijn tijdgenoten niet te kwetsen, verbergt hij dat manuscript in een kist, in een grote kast, onder de trap van een kerkgalerij. En in zijn testament bepaalt de onderzoeker dat die kist slechts mag worden geopend aan het eind van de eeuw. Dan zijn de 45 filosofen allemaal overleden.

* Zie mijn stukje hier.’

                                                    ***

     Maar nu Pinker:

      Universiteiten streven ernaar om objectieve kennis te ontwikkelen over grote vragen. Maar academici zijn ook maar mensen, en ondanks hun training in het maken van conceptuele onderscheidingen zijn ze geneigd om net die feitelijke claims te onderschrijven die hun morele geloofspunten sterker maken. Seksuele discriminatie en intimidatie zijn verkeerd, en ‘overigens zijn mannen en vrouwen precies hetzelfde.’ Verkrachting is een laf misdrijf, en ‘bovendien hebben mannen geen natuurlijke neiging om zoiets te doen.’ Oorlog is verschrikkelijk, en niet alleen dat, maar onze evolutionaire voorouders hebben zoiets nooit gedaan.’ 
     Zulke empirische overtuigingen kunnen gemeenschappelijke overtuigingen worden, van het soort dat een gemeenschap of stam bindt, en ze zijn bijzonder kostbaar in een tijdperk van groeiende politieke polarisatie … Het is dus gemakkelijk om de zoektocht naar objectieve kennis te vermengen met het handhaven van morele normen, zelfs in de academische wereld, en vooral in die sectoren van de academische wereld die zich nooit hebben aangesloten bij het ideaal van objectieve kennis.
    En dit brengt ons bij de rol van gemeenschappelijke kennis in de academische cancelcultuur. Volgens een eindeloos herhaald verhaal riep een vrouw (in verschillende versies een maagd, een oude vrijster of de vrouw van een bisschop) bij het horen van Darwins theorie uit: ‘Lieve hemel, afstammen van apen! Laten we hopen dat het niet waar is, maar als het waar is, laten we dan bidden dat het niet algemeen bekend wordt.’ 
     Hoewel de geschokte vrouw bijna zeker nooit heeft bestaan, vat haar reactie de houding van veel mensen ten opzichte van verontrustende ideeën samen. Ze hopen dat de ideeën niet waar zijn, maar of ze waar zijn of niet, ze willen niet dat ze algemeen bekend worden – of, preciezer, gemeenschappelijk bekend worden. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat wetenschappers maar al te graag gemeenschappelijke kennis willen controleren. In 2022 kondigden de redacteuren van een groot tijdschrift, Nature Human Behaviour aan dat ze vanaf dat moment elk artikel zouden afwijzen of intrekken waarvan zij dachten dat het een menselijke groep in een ongunstig daglicht zou stellen, zelfs als het artikel wetenschappelijk solide was. Veel tijdschriften hebben zulke beleidslijnen ingevoerd, waarbij peer-gereviewede artikels van hun websites werden gehaald en in de vergeetput werden gegooid omdat sommige lezers aanstoot namen aan de conclusies die eruit konden worden getrokken. Hoewel een meerderheid van de ondervraagde academici zegt gekant te zijn tegen harde censuur of ontslagen wegens het ventileren van controversiële meningen, vindt ongeveer een kwart dat prima, en, als een onheilspellend teken voor de toekomst van de universiteiten: hoe jonger de wetenschapper, hoe sterker de drang tot censuur. Een meerderheid van het faculteitspersoneel onder de 35 jaar zegt voorstander te zijn van het het zwijgen opleggen van sprekers met wie ze het oneens zijn over een bepaald onderwerp, en een vijfde steunt studenten die geweld zouden gebruiken om te voorkomen dat een spreker opvattingen ventileert die zij aanstootgevend vinden …. Laten we dat eens concreet maken. Stel dat mensen een mening koesteren over verschillen tussen seksen, rassen of etnische groepen, en die voor zichzelf houden. Er verandert misschien weinig. Maar stel nu dat dezelfde mening in het openbaar wordt geuit. Mensen kunnen zich gesterkt voelen om op basis van die overtuiging vooroordelen te koesteren tegen individuen en ze naar die vooroordelen te behandelen, niet alleen omdat de mening publiekelijk is bekend is, maar omdat men verwacht dat iedereen anders ook op basis van die informatie zal handelen. Sommige mensen zouden zelfs leden van een etnische groep kunnen discrimineren alhoewel ze zelf geen negatieve mening over hen hebben, maar omdat ze verwachten dat hun klanten of collega's zulke meningen wél hebben ….   Dat is waarom gemeenschappelijke kennis zo gevreesd wordt als het om gevaarlijke ideeën gaat. Het verklaart waarom een ketter die een idee in het openbaar uit, vervolgens in het openbaar gestraft moet worden. Schandpalen zijn passé, dus aan de universiteiten neemt dit de vorm aan van gepubliceerde manifesten en online petities met honderden ondertekenaars (makkelijk te verzamelen via sociale media) ...
Telkens wanneer het uiten van een mening wordt afgestraft, worden mensen ertoe aangezet om valse verklaringen af te leggen over wat ze geloven … Wanneer mensen in publiek hun ware mening verbergen, kan dat op zijn beurt een “spiraal van stilte” creëren die resulteert in pluralistische onwetendheid: … waarbij iedereen denkt dat iedereen een bepaalde mening is toegedaan, terwijl eigenlijk niemand die mening echt is toegedaan. Een voorbeeld dat onderzocht is, betreft het beleid van positieve discriminatie bij de inschrijving aan universiteiten. Aan de huidige universiteiten is verzet tegen die beleidslijnen een halsmisdaad, maar elke peiling toont aan dat ze niet populair zijn bij de meerderheid van de Amerikanen (inclusief de Afro-Amerikanen). Studenten overschatten hoeveel van hun medestudenten het beleid steunen en onderschatten hoeveel ertegen zijn…      Aangezien het argument ten voordele van academische vrijheid berust op de waarde van het overwegen van tegengestelde ideeën, is het passend dat ik ook de beste argumenten presenteer die ik kan bedenken voor het beperken van academische vrijheid. Dat zou in de geest zijn van een gemeenschap die rationaliteit betracht, en die aanbeveelt om een standpunt dat men bestrijdt zo sterk mogelijk voor te stellen – ‘steelmanning’, het tegenovergestelde van een stro-pop argument.
Hoewel ik geen redenen kan vinden ten voordele van censuur of straf, kan ik me wel een argumentatie voorstellen voor een ander beleid dan volledige academische vrijheid. Dat zou er zo uitzien: er bestaan onderwerpen waarbij je zegt: don’t go there. Onderdruk niet één kant van een controverse … maar laat de controverse bewust ononderzocht, houd het idee buiten de gemeenschappelijke kennis. Het model zou het alledaagse sociale leven zijn, waar we sommige observaties onuitgesproken laten, brute openhartigheid opofferend voor basisbeleefdheid. Elk beleid van bewust agnosticisme zou zich wel moeten beperken tot alleen de allergevaarlijkste ideeën, zodat we niet tot wijdverbreide onwetendheid veroordeeld worden. Neem het onderwerp dat Cory Clark en haar medewerkers bestempelden als het explosiefste van de tien onderwerpen die ze onderzocht hadden in hun onderzoek naar censuur in de wetenschap: de mogelijkheid dat gemiddelde raciale verschillen in gemeten intelligentie zowel genetische als omgevingsoorzaken hebben in plaats van alleen omgevingsoorzaken. Dat onderwerp heeft de intellectuele wereld al meer dan een halve eeuw in vuur en vlam gezet telkens wanneer het werd opgeworpen. Het don’t-go-there argument werd voor het eerst gebruikt in 1973 door Noam Chomsky, wiens geloofsbrieven als progressief en als kampioen van vrije meningsuiting onberispelijk zijn. Chomsky beriep zich op een afweging tussen wetenschappelijke betekenis en maatschappelijke schade:

Gezien de vrijwel zekere kans dat alleen al het doen van dit onderzoek enkele van de meest verwerpelijke kenmerken van onze samenleving zal versterken, hangt de ernst van het veronderstelde morele dilemma cruciaal af van de wetenschappelijke b etekenis van het onderwerp dat de onderzoeker kiest om te onderzoeken … Een mogelijke correlatie tussen gemiddeld IQ en huidskleur is van geen grotere wetenschappelijke interesse dan een correlatie tussen twee willekeurig gekozen andere eigenschappen, zeg gemiddelde lengte en oogkleur…. Het zou… dwaas zijn om te beweren dat ‘de samenleving niet in onwetendheid mag blijven.’ De samenleving verkeert gelukkig in onwetendheid over onbeduidende zaken van allerlei soort.  

We hebben al de belangrijkste mogelijkheid tot schade gezien. Als verschillen in gemiddelde intelligentie gemeenschappelijk bekend werden, vooral als ze genetisch bleken te zijn, zouden mensen verleid kunnen worden om ze als Bayesiaanse priors te gebruiken in hun behandeling van individuele Afro-Amerikanen, wat tot onrechtvaardige toestanden zou leiden. Het zou racisten kunnen aanmoedigen, het zou het gemakkelijk maken om systemisch racisme over het hoofd te zien, het zou het zelfvertrouwen van individuele Afro-Amerikanen ondermijnen, en het zou het land verder verdelen langs raciale lijnen … Maar eist de rationaliteit niet dat we altijd de volledige waarheid opzoeken? Zoals Chomsky al zei: niet noodzakelijkerwijs … Alleen moeten de in quarantaine geplaatste onderwerpen zeer beperkt zijn in aantal, en de voordelen van het beperkte agnostcisme moeten worden afgewogen tegen de kosten van onwetendheid. …      De don’t-go-there aanpak heeft zeker ook veel nadelen. Hij is bijna onmogelijk af te dwingen. Hij plaatst ons voor de bekende paradox: mensen vertellen niet aan een ijsbeer te denken dwingt hen om aan een ijsbeer te denken. Het kan moeilijk zijn om de precieze lijn rond de no-go-zone te trekken zodat die de omliggende gebieden niet opslokt, zoals het bestuderen van intelligentie op zich, of het bestuderen van de continentale afkomst van mensen. Het sluit de mogelijkheid af om doorslaggevend bewijs te verkrijgen dat raciale verschillen wél volledig door de omgeving bepaald zijn en dus kunnen verdwijnen, met alle maatschappelijke voordelen die dat zou meebrengen.
     En het kan te laat zijn. Ons tijdperk is geobsedeerd door raciale verschillen, die werktuigelijk worden toegeschreven aan racisme, wat nieuwsgierige mensen alleen maar uitnodigt zich af te vragen of die verschillen niet aan andere oorzaken toegeschreven kunnen worden, wat dan weer zorgt voor een criminalisering van die nieuwsgierigheid.

woensdag 11 maart 2026

Het loon van een bierbrouwer, e.a.


Het loon van een bierbrouwer
 
     Op het VTM-nieuws van 10 maart had Stef Wauters een ironische twinkeling in de ogen toen hij volgend berichtje voorlas:

Michel Doukeris, de topman van bierbrouwer AB-Inbev, kreeg vorig jaar meer dan 90 miljoen op zijn rekening vooral door aandelen en opties van vorige jaren die hij nu mocht incasseren. Met zijn gewone loon erbij verdiende hij bijna 1800 keer meer dan zijn minst betaalde werknemer.

        1800 keer, dat zou wel eens juist kunnen zijn, dacht ik. Maar toen ik het uitrekende, klopte het niet helemaal. 90 miljoen gedeeld door 1800 is ongeveer 50.000 euro. Dat is misschien het loon van de minst betaalde Inbev-werknemers in België, maar in Brazilië, Zuid-Afrika en Indië verdienen ze meestal minder dan 20.000 euro, ook al is dat bedrag dan vele malen hoger dan het gemiddelde loon in die landen. Had Wauters dus gezegd dat Doukeris vorig jaar 5000 keer meer verdiend had dan zijn minst betaalde werknemer, had hij ook gelijk gehad.
     Nu, het gaat in elk geval om een heel groot verschil. Mocht Doukeris willen, dan zou hij zijn reusachtige bonus kunnen verdelen over zijn 137.000 werknemers wereldwijd; dan hadden ze elk 657 euro aan aandelen en opties ontvangen. Maar als ze die allemaal gelijktijdig hadden verkocht, was de waarde van dat aandeel natuurlijk gedaald en hadden ze cash wat minder gekregen.
     En hoe zit dat met het ‘gewone loon’ van Doukeris dat in het nieuwsbericht ter sprake kwam. Dat wordt geschat op 1,5 miljoen per jaar. Wauters had ook dat bedrag wat meer ironisch reliëf kunnen geven. ‘Het gewone loon van Michel Doukeris bedraagt 1,5 miljoen per jaar; dat is dertien keer meer dan wat ik hier als nieuwslezer verdien.’ Dat is ook een groot verschil.


Nog enkele bedenkingen bij de pensioendiscriminatie

  1. Natuurlijk had Jambon gelijk toen hij zei dat vrouwen (maar ook mannen) hun gedrag zullen aanpassen rekening houdend met de nieuwe pensioenregeling. Als een vrouw (of een man) twijfelt tussen 40 % of 50 % werken, is die laatste keuze nu aantrekkelijker dan die eerste. Die jaren van 50 % werken tellen immers mee als volledige loopbaanjaren en die van 40 % werken tellen helemaal niet mee - althans voor de bonus/malus-regeling.
  2. Ik heb zelf verschillende jaren deeltijds gewerkt. Pensioen was toen het laatste waar ik aan dacht. Maar achteraf bekeken heb ik kunnen profiteren van een regeling die ik als neoliberaal niet erg rechtvaardig vind.
  3. Wie in het onderwijs staat of heeft gestaan, weet dat de keuze voor deeltijds werk lang niet altijd te maken heeft met het opnemen van zorgtaken. Het is vaak ook een keuze voor een rustiger leven. Dat ‘gedrag’ werd in het verleden zeker mede beïnvloed door gunstige regelingen waarbij de opbouw van pensioenrechten gewaarborgd bleef. Zelfs de hoogte van het pensioen werd er in de toenmalige regeling amper door beïnvloed. 
  4. Heleen De Bruyn is een van de stemmen die vinden dat zorg óók arbeid is. Ik vind dat een ongelukkige formulering, maar het drukt een ethisch aanvoelen uit waar ik mij helemaal in kan vinden. Zorg is menselijk gezien even belangrijk als, of nóg belangrijker dan, arbeid in de economische betekenis. Zeker. Maar niet alles wat menselijk belangrijk is moet financieel vergoed worden. Zelfs neoliberalen zoals ik geloven niet zonder meer in de homo economicus.
  5. Boudewijn Bouckaert schrijft: ‘Onbetaalde zorgprestaties door niet (op de arbeidsmarkt) werkenden volledig laten meetellen in de pensioenberekening is onfinancierbaar, organisatorisch onmogelijk, en kan tot nieuwe onrechtvaardigheden leiden.’ Over onfinancierbaar kun je blijven discussiëren, maar de twee andere argumenten lijken mij ijzersterk. 
  6. Frank D’hanis verwoordt in zijn FB-posts het klassieke linkse antwoord op het probleem: de zorg moet zoveel mogelijk worden doorgeschoven naar de staat: meer en beter gesubsidieerde crèches.


Reynebeau en het internationaal recht
     Marc Reynebeau (DS 11/3) noemt realisme in de internationale politiek een ‘mager excuus’. Matthias Diependaele bijvoorbeeld had gezegd dat initiatieven om Amerika te laten veroordelen door de VN toch zouden stuiten op een veto in de Veiligheidsraad. Waarop Reynebeau antwoordt:

 Dat gebeurt inderdaad geregeld, maar daarmee ga je dan wel voorbij aan alle diplomatie die aan een stemming in de Veiligheidsraad voorafgaat.

     Je vraagt je af of hiermee de uitspraak van Diependaele op enigerlei wijze is weerlegd. Al die diplomatie waar Reynebeau over spreekt, zal niets veranderen aan het feit dat de VS in de Veiligheidsraad niet kan worden veroordeeld voor de Iran-oorlog, net zoals Rusland niet kan worden veroordeeld voor de Oekraïne-oorlog, en China niet zal kunnen worden veroordeeld als het een Taiwan-oorlog begint.
     Reynebeau brengt tegen het realisme ook de Belgische Nobelprijzen voor de Vrede in stelling. Bart De Wever had gezegd dat hij een ‘historicus, geen hystericus’ was. Reynebeau antwoordt dat De Wever in zijn kijk op het verleden wel vaker eenzijdig is, en wat meer aandacht zou moeten besteden aan de geschiedenis van de drie Belgische Nobelprijswinnaars van ruim een eeuw geleden. Zo schrijft hij:

Nog eens vier jaar later, in 1913 ging de Nobelprijs naar een derde Belg, de sociaaldemocraat en vrijmetselaar Henri La Fontaine, een activist voor pacifisme en internationalisme … En zie, een jaar nadat La Fontaine de Nobelprijs voor de Vrede had gekregen, rommelden de grootmachten iedereen de Eerste Wereldoorlog in.

     Die naam van Henri La Fontaine roept bij mij herinneringen op. Die Brusselse advocaat was rond de jaren 1900 betrokken bij het Mundaneum-project waarmee men alle druksels ter wereld wilde verzamelen in één kenniscentrum. Toen ik nog in Brussel woonde, ben ik ooit op zoek gegaan naar wat er van dat archief overbleef. Een restant vond ik een naar kattenpis ruikende hangaar in de Rogierlaan, op honderd meter van waar ik woonde.
     Die La Fontaine was inderdaad een van de vele vurige pacifisten die aan het begin van de vorige eeuw congressen organiseerden voor de wereldvrede. Het is merkwaardig dat Reynebeau, meegesleept door zijn écriture automatique, niet merkt dat zijn verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog juist de krachteloosheid van dat pacifisme onderstreept. Karel van het Reve dacht zelfs dat er meer aan de hand was dan alleen krachteloosheid. Hij maakt ergens de veronderstelling dat de Eerste Wereldoorlog onder andere voortkwam uit ‘het wegvallen van het midden.’ Het getouwtrek en geschipper van de oude realistische diplomatie, balancerend tussen machtsverdeling en hegemoniestreven, werd vervangen door aan de ene kant hysterische oorlogszucht en aan de andere kant hysterisch pacifisme. ‘En zie …’


Het vermogen tot verontwaardiging
    
      Sinds Ludo De Witte hem een crapuul heeft genoemd, ben ik een zekere sympathie gaan koesteren voor Maxime Prévot. Af en toe zegt de minister dan iets waardoor mijn sympathie nog toeneemt. In De Standaard van 8 maart zegt hij bijvoorbeeld, als antwoord op een vervelende vraag over Theo Francken: ‘Het vermogen van de media om verontwaardigd te zijn zal mij altijd blijven verbazen.’ Jonathan Swift bedankte in zijn grafschrift de dood omdat ze hem van zijn ‘saeva indignatio’, zijn woeste verontwaardiging  had verlost. Maar we kunnen daar al tijdens ons leven wat op oefenen. 


Onverschilligheid
     Men kan de gelijkmoedigheid beoefenen om zelf niet al te ongelukkig te zijn in het leven. Maar Tom Naegels (DS 8/3) ziet er ook ook maatschappelijke voordelen in. ‘Een zekere mate van onverschilligheid is essentieel voor de harmonie en de tolerantie in een samenleving.’ Wijsheid!


Raadsel
      Het schijnt dat er in alle leeftijdsgroepen tussen 23 en 39 jaar meer mannen zonder partner zijn dan vrouwen. Ik zou op eigen kracht nooit de verklaring van dergelijk verschijnsel hebben gevonden. Gelukkig verklapt onderzoekster Laura Robberecht de  reden: ‘Vrouwen zijn geneigd om te daten met mannen die ouder zijn dan zijzelf.’ Dat begrijp ik, al zou ik het met een tekeningetje nog beter begrijpen.


Mooie foto’s
     De communistische landen van weleer prezen zichzelf aan in onvoorstelbaar saaie doctrinaire tijdschriften, zoals Pékin Information, maar ze hadden voor de kameraad in de straat ook glossy magazines waaruit de superioriteit van het socialisme moest blijken. In mijn geboortedorp woonde een oude communist die zulke DDR-publicaties bijhield. ‘Je kunt je niet voorstellen hoe het daar is,’ zei hij. ‘In de fabrieken hangt daar zelfs een rode vlag. Dat zou in ons land onmogelijk zijn.’ Ik herinner mij een foto uit zijn tijdschriftenverzameling. Vrolijke, nieuwsgierige fabrieksarbeidsters hebben zich (in plaats van vlijtig te werken) verzameld rond een collega die partijlid is. Het onderschrift luidde: ‘Na, was gab’s gestern auf der Partei?’


Geen nieuwe dingen
     Als ik stukjes schrijf, wil ik liefst geen ‘nieuwe’ dingen te verzinnen. Ik moet de indruk hebben dat wat ik schrijf geen nieuwe gedachte is, maar iets dat mij al lang bezighoudt, en nu pas aan de oppervlakte komt, bijvoorbeeld omdat ik een stuk van Reynebeau in de krant heb gelezen. Doelbewust op zoek gaan naar iets nieuwsl, speciaal om er een stukje over te schrijven, heeft iets oneerlijks. Het is aanstellerij.


Humor
     Als we in een gesprek iets grappigs zeggen, passen we daarbij altijd dezelfde kunstgrepen toe: overdrijving, understatement, ironie, enzovoort. Dat is niet moeilijk want we hebben in ons leven al honderden voorbeelden van die kunstgrepen waargenomen. Ze maken al bij al een beperkt arsenaal uit. Maar komt het ook voor dat men een kunstgreep op eigen kracht ontdekt, zonder dat men daarvan al voorbeelden had waargenomen? Mijn zoon had ooit een geslaagde bon mot. Een vriendin van mij had hem enthousiast uitgelegd wat het feminisme was, en hij antwoordde: ‘Als het zo zit, word ik morgen ook feminist. Of zeker overmorgen.’ Dat is dezelfde kunstgreep als toen Augustinus tegen God zei: ‘Da mihi castitatem, sed noli modo.’ ‘Geef mij kuisheid, maar doe dat niet onmiddellijk.’ Mijn vraag is nu, heeft mijn zoon dat humoristisch trucje zelf uitgevonden, of heeft hij het van Augustinus? Of van iemand anders?


Slecht
     Als mijn ouders spraken over iemand die ‘slecht’ was, verwezen ze daarmee altijd naar diens seksuele losbandigheid. Het omgekeerde is niet waar. Niet iedereen die seksueel losbandig was, werd als ‘slecht’ bestempeld, maar ik ben er nooit achter gekomen wat de precieze criteria waren. Zeker is dat de zonde van onkuisheid een apart statuut had, een beetje zoals racisme, homofobie en zionisme vandaag.

 

 

 

 

 

 

 

dinsdag 10 maart 2026

'Discriminerende' pensioenhervorming e.a.


Discriminerende pensioenhervorming?
     
Ive Marx (DS 10/3) sluit zich aan bij degenen die vrouwendiscriminatie ontdekken in de nieuwste pensioenregeling. De redenering gaat in twee stappen. Eén, deeltijds werken telt minder mee voor de opbouw van de pensioenjaren. Twee, de gemiddelde vrouw werkt vaker deeltijds dan de gemiddelde man (omdat ze gemiddeld vaker zorgtaken op zich neemt). Marx gaat nog verder. Hij vindt dat er aan die discriminatie iets moet worden gedaan. Hij schrijft: ‘Echte gelijkheid vergt compensaties voor feitelijke ongelijkheden.’ 
     Het woord 
feitelijk’ geeft het probleem niet goed weer. Een individuele vrouw met dezelfde loopbaan als een individuele man heeft niet alleen recht op een zelfde pensioen, ze zal ook feitelijk eenzelfde pensioen ontvangen. Maar Marx is met die individuele gelijkheid niet tevreden gesteld. Hij wil dat de vrouwen en mannen als collectiviteit evenveel pensioen ontvangen. De discriminatie die Marx wil compenseren speelt zich af op het niveau van de gemiddelde vrouw. Niet de individuele rechten, maar het collectieve resultaat moet hetzelfde zijn. Dat is een beginsel waar ik het als liberaal moeilijk mee heb, maar Marx mag daar natuurlijk anders over denken. Mensen verschillen nu eenmaal in de beginselen waar ze voorrang aan geven.
       Toch kan ik het niet laten om nog wat te vitten op enkele andere details in de column van Marx. Wie het onfatsoenlijk vindt dat het altijd de vrouwen zijn die met zorgtaken worden ‘opgezadeld’, moet ook overwegen dat een financieel gunstige regeling voor de zorg ertoe kan leiden dat de traditionele rolverdeling aangemoedigd wordt.
     Verder schrijft Marx dat de regel van voor 1990, waarbij vrouwen vijf jaar vroeger op pensioen konden gaan, een ‘compensatie’ was voor het feit dat ze meer zorgtaken op zich namen. Maar dat heeft er weinig mee te maken. Mijn moeder heeft haar loopbaan als lerares stopgezet toen ze trouwde, om voor de rest van haar leven ‘zorgtaken op te nemen.’ Maar de 7 jaar die ze les had gegeven, gaven door de pensioenleeftijd op 60 jaar geen recht op een hoger pensioen. Het aantal loopbaanjaren nodig voor een volledig pensioen was immers gelijk voor mannen en vrouwen. Mijn moeder kon er alleen vijf jaar vroeger van genieten. Maar het schamele bedrag dat ze ontving bleef even schamel.

       Ten slotte zet Marx zijn discriminatie-argument kracht bij door te schrijven: ‘Ook de Raad van State zegt het, niet meteen een instelling die bekend staat voor radicaal feminisme.’ Dat is de ‘zelfs X geeft toe’-truc. 


Pinker en de wetenschappelijke consensus
     Ik hou in polemieken niet erg van de ‘zelfs X geeft toe’-truc. Ik kreeg laatst zo’n reactie onder een van mijn stukjes. ‘Zelfs Bart De Wever geeft toe dat Trump geen betrouwbare bondgenoot is.’ Het is en blijft een autoriteitsargument, met de nadelen daaraan verbonden, en het suggereert van alles over De Wever, en over mij, zonder het te staven.
      Maar nu zou ik de formule zelf willen gebruiken: ‘Zelfs Steven Pinker geeft toe dat …’ Pinker is een geleerde die zich buiten zijn onderzoeksgebied op de wetenschappelijke consensus oriënteert als was het de poolster, en afwijkingen van die koers omstandig beargumenteert. Maar in zijn nieuwste boek, Common Knowledge, vond ik deze treffende passage:

 Zelfs wanneer de academische consensus vrijwel zeker juist is, zoals bij vaccins en klimaatverandering, kunnen sceptici nog altijd vragen: “Waarom zouden we die consensus vertrouwen als ze komt van een kliek die geen tegenspraak duldt?” Neem een recent voorbeeld: in 2024 was duidelijk geworden dat veel van de vroege maatregelen om de Covid‑19‑pandemie te bestrijden — sociale afstand, stoffen mondmaskers, het ontsmetten van oppervlakken, plexiglas schermen, strenge lockdowns, het sluiten van stranden, parken en scholen — op geen enkel wetenschappelijk bewijs waren gebaseerd, en waren opgelegd door het demoniseren of onderdrukken van wat uiteindelijk redelijke kritiek bleek te zijn. De kosten voor de economie, de mentale gezondheid, en het onderwijs van kinderen waren aanzienlijk, en de klap voor het vertrouwen in wetenschap en volksgezondheid was catastrofaal.

    Ik heb de polarisatie rond Covid-19 destijds als pijnlijk ervaren. Ik heb redelijke mensen voorgoed zien radicaliseren. Dat kwam omdat de wetenschap als instrument werd ingezet om ‘awareness’ te creëren. Het officiële discours van politici, media en telegenieke wetenschappers liet zo weinig ruimte voor discussie dat veel dissidenten op een onvoorzichtige manier voor ‘wappies’ werden uitgescholden. Het resultaat is dat ze het ook werden. Je kreeg twee kampen waarin de radicaalsten zich voorgoed schikten in hun rol: die van boze wappie of die van hautaine inquisiteur. En nog voor Covid was afgelopen was men in die rol vastgeroest, ongetwijfeld ook omdat men er aanleg voor had.
     Een aantal wetenschappers hadden de communicatie gemonopoliseerd en zich gedragen als propagandisten. Sommige gewone burgers gingen daardoor de wetenschap zien als een dogma dat blindelings moest worden gevolgd, of als een samenzwering die nodig moest worden bekampt. En de gevolgen voor het vertrouwen in de wetenschap waren catastrofaal. ‘Zelfs Steven Pinker moet dat toegeven.’


De grenzen aan de vrije meningsuiting
     Hoe helder een schrijver zich uitdrukt, kun je vaststellen als hij iets uitlegt wat je zelf ook al hebt proberen uit te leggen. Ik heb al verschillende keren geschreven over de kwestie van het vrije woord, en over de grenzen die daaraan kunnen worden gesteld. De formulering van Pinker in Common Knowledge vond ik bijzonder helder. Hij herhaalt dat het vrije woord ook geldt voor ‘crude, offensive and hateful speech’ en somt drie soorten van uitzonderingen op, terwijl ik er zelf maar twee zag. Ik heb de uitzonderingen van Pinker genummerd: 

  1. misdrijven die door hun aard zelf met woorden worden gepleegd, zoals afpersing, omkoping, laster, fraude en bedreigingen
  2. onmiddellijke aanstichting tot onwettig handelen 
  3. beperkingen op het tijdstip, de plaats en de wijze van uiting (Het Eerste Amendement geeft je niet het recht om om 3 uur ’s nachts je manifest door een luidsprekerwagen in een woonwijk te schallen, of om je zeepkist midden op een drukke snelweg neer te zetten.)
     Pinkers eerste punt verraadt dat hier een getrainde linguïst aan het woord is die weet heeft van de ‘performatieve taaldaden’-theorie.

Relativiteitstheorie
     Zoals iedereen heb ik ooit wel iets gelezen over de relativiteitstheorie en over kwantummechanica. Bij de relativiteitstheorie begrijp ik ongeveer wát ik niet begrijp. Maar bij de kwantummechanica heb ik geen idee wat er te begrijpen valt. Als ik er een vulgariserende uitleg over lees denk ik: wat is daar nu zo moeilijk aan?


De argumentatie van Frans Timmermans
     In De Standaard (DS 10 maart) draagt Frans Timmermans een aantal goede argumenten aan tegen de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen het Iraans regime. Ook legt hij krachtig de voordelen uit van het internationaal recht. Hij schrijft de lauwe houding van de Europese Unie terecht toe aan ‘de angst door de VS geheel in de steek te worden gelaten.’ Maar in zijn conclusies is zijn argumentatie minder stevig. De Europese Unie, schrijft hij, had een gezamenlijke verklaring moeten afleggen om het Amerikaanse optreden te veroordelen. 
     Zou dat helpen? Timmermans beweert van wel. Als de Europeanen ‘een gezamenlijke lijn weten te vinden, kunnen ze veel meer invloed uitoefenen dan elk voor zich.’ Zelf betwijfel ik of verklaringen zoals die van de Spaanse premier Sánchez veel indruk maken op Trump en Netanyahu, en ik betwijfel verder of het veel verschil zou maken als ze afgelegd werden door Ursula von der Leyen.
      Ik zou hier als Europeaan het sereniteitsgebed van de Anonieme Alcoholisten toepassen, en aanvaarden wat ik niet kan veranderen (Iran) terwijl ik probeer te veranderen wat ik – misschien – kan veranderen (Oekraïne). Wie dat te hoog gegrepen vindt, kan ook terugvallen op de regel:
 pick your battles, een regel die zeker voor een zwakke partij van levensbelang is. 


Metaforen over de olie-kwestie
     Mocht Iran niet over grote olievoorraden beschikken, dan zou de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten er anders uitzien, dat weet iedereen. Zonder die olie was er nu wellicht geen oorlog tegen het Iraanse regime. Maar het verband tussen de olie en de oorlog is er een met verschillende tussenschakels – waarvan China de belangrijkste is.
      In de radicaal-linkse agitatie heet het dat de imperialisten ‘beslag willen leggen’ op de Iraanse olie. Dat is een metafoor uit de juridische sfeer, met een deurwaarder die aanklopt. Door de metafoor vermijdt men om precies te zeggen wat er met die olie zou kunnen gebeuren. Tijdens de oorlog tegen het Iraakse regime werd de metafoor ook gebruikt. Het was zogezegd een oorlog van de Amerikaanse multinationals die ‘beslag wilden leggen’ op de olievoorraden. Achteraf is er in Irak weinig olie in beslag genomen. Er zijn wel veel olieconcessies toegewezen, maar vooral aan multinationals die niet Amerikaans waren.
     De beeldspraak van de inbeslagname is mij ondertussen zo gaan tegenstaan, dat ik blij ben met elke andere metafoor die ik in de olie-context tegenkom. Die van Inge Ghijs bijvoorbeeld in De Standaard van 9/3. Zij heeft het weliswaar over olievoorraad van Venezuela, maar het komt op hetzelfde neer. Trump wilde zich verzekerd zien van ‘een dikke vinger in de pap’. Met die vage metafoor geeft Ghijs aan dat ze wel weet dat de kwestie complexer is dan een 
inbeslagname. 


De analyse van Joren Vermeersch
     Ik probeer mij voor te stellen dat ik nog altijd radicaal-links ben en dat ik het achtergrondstuk van Joren Vermeersch over Iran (DS 9/3) onder ogen krijg. Dat is niet zo gemakkelijk. Ik moet mijn ogen sluiten en denken aan de stukken in Le Monde diplomatique die ik als 18-jarige probeerde te lezen. Dat stond vol met ‘analyses’, maar dat was niet wat ik wou. Ik wou vurige 
veroordelingen van het imperialisme lezen.’Wat had je aan analyses waarin niets veroordeeld werd?
     Ik veronderstel dat ik het vandaag zo zou aanpakken. Ik zou mijn aandacht niet verspillen aan de analyse van Vermeersch, maar wijzen op de kleine lettertjes onder het stuk: ‘Joren Vermeersch is adviseur op het kabinet van Defensie Theo Francken.’ Het stuk, zou ik mijzelf voorhouden, is ‘koren op de molen’ van Theo Francken die dit, of dat, of nog iets anders over Iran heeft gezegd.
 


Ludo De Witte over Iran
     Wie als radicaal-linkse vandaag  op zoek is naar vurige veroordelingen kan altijd terecht op de FB-pagina van Ludo De Witte. Veel van wat De Witte schrijft, wordt beschermd door een theoretisch pantser waar polemische spelden of kleine messen – mijn wapens –  niet doorheen kunnen. Maar soms schrijft hij, zoals in zijn bericht van 8 maart, ook zinnen die om een polemisch antwoord smeken. Zoals: 

De Zio-Amerikaanse agressie-oorlog heeft de strijd van brede Iraanse volkslagen voor democratische hervormingen en de val van de theocratie platgeslagen.

     Ik wil dan graag, een beetje demagogisch, antwoorden: die strijd was al eens ‘platgeslagen’ een maand geleden en wel door krachten die u enkele weken geleden ‘nog enige anti-imperialistische en revolutionaire legitimiteit’ toeschreef.
     De Wittes FP-bericht van 8 maart was door meer dan honderd mensen geliket. Voor een keer heb ik de namen eens snel doorgenomen en daar waren wel wat FB-vrienden bij die ik ken als redelijk-links. Als ikzelf een bericht like, betekent dat lang niet altijd dat ik met alles akkoord ga wat in dat bericht staat. Dat moet met die redelijk-linkse likers ook het geval zijn. Want de post van De Witte bevat zinnen als  

 Iran is een natie die vandaag de facto staat voor een wereldorde gebaseerd op internationale afspraken, diplomatie en respect voor soevereiniteit … Iran vecht vandaag voor ons allemaal – voor Gaza, voor Libanon, voor Europa en voor de wereld, want een nederlaag van de Zio-Amerikaanse moloch kan de wanhopige, onrealistische mars van Washington naar imperiale wereldhegemonie en een Derde Wereldoorlog stoppen. 

    ‘Iran vecht vandaag voor ons allemaal … ‘ dat is, hoop ik, binnen het linkse kamp, een minderheidsstandpunt. Je zou kunnen zeggen dat De Witte niets anders doet dan de algemeen-linkse anti-Amerikaanse lijn ‘consequent door te trekken.’ Dat is waar. Maar redelijkheid van links en van rechts bestaat er vaak in om een lijn niét al te consequent door te trekken. 


Naïviteit over Iran
     Wat je misschien nog het vaakst leest in opiniestukken over de oorlog tegen het Iraanse regime, is dat we niet in het ‘naïeve geloof’ moeten vervallen dat Trump en Netanyahu oorlog voeren met de ‘nobele bedoeling’ om de protestbeweging van de Iraanse burgers te helpen. Dat naïeve geloof zelf, ben ik echter nog niet vaak tegengekomen. Zoals ik ook nog niet veel linksen ben tegengekomen die de Ayatollahsteunen. Ja, De Witte in zekere zin ...


Sociaal-democraten en het communisme
     Laatst beweerde Ilja Leonard Pfeijffer dat een ‘democratische, communistische rechtstaat’ nog nooit echt was uitgeprobeerd. Ik heb daar toen op geantwoord dat daar een goede reden voor was, namelijk dat communisme als ideaal niet democratisch kan worden ingevoerd of in stand gehouden. Dat is ook de echte reden waarom de sociaaldemocratische partijen geëvolueerd zijn. In de 19de eeuw was hun einddoel een communistische maatschappij waarin ‘de productiemiddelen’ in bezit waren van ‘de gemeenschap’, dat wil zeggen de staat. Die partijen hebben na de Eerste Wereldoorlog een voor een dat ideaal eerst in de praktijk en later in de theorie verworpen.
     De reden voor die evolutie was niet dat de sociaaldemocratische politici zich lieten ‘omkopen’ door de bourgeoisie. Het was veeleer dat ze, zoals het tweede deel van hun naam aangaf, democraten wilden blijven. Toen de communisten zich van de sociaaldemocraten afscheurden, waren de twee strekkingen het over één kwestie eens: het communisme kon alleen door revolutie en dictatuur worden afgedwongen. De communisten dachten: oké dan maar, de sociaaldemocraten  dachten: dan liever niet.  


Romantiek als kunststroming
     Komiek Jens Dendoncker heeft een zaalshow in elkaar geknutseld over de Romantiek als kunststroming. De recensente van De Standaard is erg kritisch. ‘Dat er aan de romantiek een onfris reukje hangt van nationalistische en conservatieve reflexen wordt hier gemakshalve genegeerd’. Ik neem mij voor om in mijn eigen stukjes de uitdrukking ‘gemakshalve negeren’ of ‘gemakshalve vergeten’ nooit te gebruiken. (Ik heb ooit hetzelfde voornemen gemaakt voor de uitdrukking ‘onder het mom van’ in de polemische betekenis. Zie hier).

 

 

 


maandag 9 maart 2026

Kortjes

 Genderdiscussies en ironie
      Een interessante vond ik bij FB-vriend Luc de Coster. De lezer moet het zelf maar opzoeken, maar een briljant zinnetje wil ik ondertussen al meegeven:

Ik ga mij nu buigen over de vraag of dit soort misogynie een kwestie van geslacht of van gender is.

         De vondst zit in het woordje ‘nu’. Had er gestaan ‘Ik ga mij niet buigen over …’ dan hadden we met een doordeweekse, sarcastische praeteritio te maken, die ook nog eens ontsierd wordt door een cliché. Maar door dat ‘nu’ wordt de mededeling verheven tot het niveau van fijne ironie. Je ziet heel even het beeld van een schrijver die met een klein mesje zijn ganzenveer bijsnijdt om de rest van zijn opstel af te werken. En daarvoor moet hij zich inderdaad buigen over het papier dat voor hem ligt.


De Foer over Trumps State of the Union
     Het stuk van Steven De Foer over Trumps State of the Union heb ik helemaal uitgelezen. Voor zijn doen blijft De Foer in dat stuk zakelijk en informatief. Hij schrijft bijna als een journalist. Maar alles kan beter. Neem dit stukje.

 Trump hield zich in het eerste halfuur gedwee aan zijn voorbereide tekst over zijn wilde economische successen. Maar Trump kan het niet laten, hij is in zijn element als hij vijandig kan uithalen. Twee keer confronteerde hij de Democraten openlijk. In zijn naar gewoonte racistische betoog over immigratie, daagde hij alle Congresleden uit om op te staan als ze het eens waren ‘dat de overheid voor Amerikanen werkt, niet voor illegal aliens. Toen de Democraten bleven zitten, verhardde zijn toon en noemde hij hen ‘gek’ en ‘ziek’ en ‘erop uit om het land te vernietigen.’

      Het volstaat om de drie gecursiveerde woorden te schrappen en het stuk kan zo in de krant. 


Een sarcastische chatbot
     Laatst viel ik Gemini lastig met de volgende vraag: ‘Hoe probeerde de SU tijdens de koude oorlog de vredesbeweging te beïnvloeden?’ De chatbot moet aanstoot genomen hebben aan het tendentieuze toonzetting van mijn vraag en ik kreeg een sarcastisch, passief-agressief antwoord:  ‘Ik ben maar een taalmodel, dus ik kan je daar niet bij helpen.’


Legal alien
    Met al die berichten over de uitwijzing van illegal aliens, zouden we nog vergeten dat er ook  ook legal aliens bestaan en bestaan hebben.  Ik heb hier voor mij een documentje om dat te bewijzen. Dat gaat zo:

Register No 8374745. This is to certify that Raymond Clerick was admitted to the United States on 09/22/52 at 08.00 as a NP quota immigrant under section 6A3 of the Immigration Act of 1924 and has been registered under the Alien Registration Act of 1940. 

 

‘Fascisten’ 
    
 Ik ben in een biografie van Mussolini aan het lezen. Die staat vol zinnetjes als: ‘De fascisten trokken door de straten.’ ‘De fascisten lokten rellen uit.’ ‘De fascisten terroriseerden de arbeiderswijken.’ Hoewel die beschreven toestanden tragisch zijn, voel ik bij het lezen van die zinnetjes ook altijd een soort blijdschap. Dat komt omdat het woord ‘fascisten’ correct wordt gebruikt.


Hedebouw en Stalin
     Als een PVDA-leider geïnterviewd wordt, krijgt hij vaak de vervelende vraag of hij nog altijd zo enthousiast is over Stalin en Mao, de idolen van zijn jeugd. Daar kwam tot nog toe altijd een ontwijkend antwoord op. Maar nu heeft Raoul Hedebouw in een interview in De Morgen een ferme uitspraak gedaan. Stalin en Mao waren ‘totalitaire massamoordenaars’ al vertoeven ze ‘niet in dezelfde kring van de hel als Hitler.’
     Op die bocht van de PVDA ben ik trots. Zes jaar geleden wrong die andere PVDA-leider Jos D’haese zich nog in allerlei bochten om niet te moeten antwoorden. Alhoewel het mijn zaken niet zijn heb ik Jos toen de raad gegeven om het anders aan te pakken. Op 17 december 2020 schreef ik:

Alleen even op de tanden bijten en Stalin een ‘massamoordenaar’ noemen, dat is alles wat van je gevraagd wordt. Je kunt ook ‘Fuck Stalin’ antwoorden, zoals Peter Mertens ooit ‘Fuck Noord-Korea’ zei. Maar zo’n uitspraak blijft dubbelzinnig. ‘Fuck Stalin’ en ‘Fuck Noord-Korea’, dat kan van alles betekenen, maar vooral dit: ik ben die eeuwige vragen over Stalin en Noord-Korea meer dan beu.  Nee, ‘massamoordenaar’ is beter. Als je dat antwoord een paar keer geeft, ben je voor altijd van de vraag af. 

    En nu heeft niet Jos maar Raoul mijn raad opgevolgd. Er is in ons land toch één partij die naar mij luistert. 


Columns schrijven over het n-woord
 
     Vorige week zijn er twee incidenten geweest die enige aandacht kregen in de pers. Bij de uitreiking van de Bafta’s riep een toeschouwer heel luid het n-woord; de man leed aan het Gilles de la Tourette-syndroom. Bij een voetbalwedstrijd riep een blanke speler een beledigend woord tegen een zwarte speler; dat woord was wellicht ‘aap’. Raf Njotea (DS 5/3) schrijft dat dat ‘heerlijke incidenten’ zijn omdat ze een columnist inspiratie bezorgen ...  en bewijst daarna het tegendeel door daarrond een voor zijn doen middelmatige column te schrijven.


Art Memes
     Ik heb mijn FB zo afgericht dat ik dagelijks veel memes zie voorbijkomen van ‘Classical Sarcasm’, ‘I Love Louvre Art Memes’ en vergelijkbare pagina’s. Vaak zijn de tekstjes erg flauw, maar in combinatie met het schilderij zorgen ze vaak voor een glimlach en soms voor schaterlach. Soms wil ik met de personages een gesprek aangaan. Neem die dame die mij recht in de ogen kijkt en zegt: ‘For breakfast, I had some plain yogurt with protein powder mixed in, and not only is it super high in protein and very filling, it’s also disgusting.’ Ik wil die dame graag overtuigen om naast het noodzakelijk proteïne poeder ook 15 gram zoetstof, een halve versnipperde appel, 20 gram proteine-granola en eventueel een versnipperde kiwi toe te voegen.