Ik ben geboren in het atoomtijdperk, drie jaar voor de wereldexpo in Brussel. Als kind las ik strips van de Jetsons. In de godsdiensles leerde ik dat kernenergie de wereld kon vernietigen, maar de wereld ook kon redden. Ik ben dat geloof van mijn kindertijd trouw gebleven. De ramp in Tjernobyl veranderde mijn mening niet. De Russische televisie verspreidde videobeelden van Andrei Sacharov die toen nog in binnenlandse ballingschap verkeerde. De dissident stond in een telefooncel en legde uit dat de ramp geen reden was om het kernenergieprogramma stop te zetten. Als zelfs Sacharov het zei, kon ik gerust zijn.
Maar later begon men in Europa kernenergie te vervangen door windmolens. Voor mij was dat de schuld van de geitenwollensokkendragers. Ik heb toen mijn blik op het Oosten gericht, waar de toekomst stralend is. In China, dacht ik, zijn er geen geitenwollensokkendragers, daar zullen de autoriteiten zonder complexen voor de beste en de goedkoopste energievorm kiezen. Het was dan ook een tegenvaller toen ik in de krant (DS 10/4) een grafiek zag die de energiemix in China weergaf. Het ging kennelijk alleen over de elektriciteit, en daarvan werd slechts een minuscuul deel opgewekt door kernenergie, naar de grafiek te oordelen niet meer dan 2 procent.
Ik heb mij dan in paniek tot Grok gewend, die mij geruststelde. De grafiek in de krant gaf de theoretische capaciteit weer. In de reële elektriciteitsproductie vertegenwoordigde Chinese kernenergie 4,5 procent. Er worden jaarlijks kerncentrales bijgebouwd zodat het aandeel binnen tien jaar of vijftien zou kunnen verdubbelen. Op korte en middellange termijn wordt het meest ingezet op zonne- en windenergie omdat die snelst en goedkoopst kan worden ontwikkeld. ‘Voor de allerlangste termijn (na 2040-2050),’ besluit Grok, ‘kan kernenergie nog belangrijker worden.’
maandag 20 april 2026
China en de kernenergie
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten