De Standaard en de energie-transitie
Als De Standaard zich voor één politiek programma-punt met overtuiging engageert, dan is het dat van een versnelde energie-transitie. Voor die versnelde transitie zijn allerlei redenen te bedenken, en sommige daarvan worden uitgelegd in het commentaar van Hans Cottyn in de weekendkrant (18/4).
Het nadeel van een overtuigd engagement is dat het je woordenstroom gaat bepalen. Je schrijft allerlei zaken die letterlijk genomen niet correct zijn, maar bij herlezing valt het je niet op omdat je tevreden bent dat de tendens er goed uitkomt.
Neem nu de titel van Cottyns stuk: ‘Bewust met energie omgaan is geen aanslag op onze vrijheden.’ Wat Cottyn schrijft, is het tegenovergestelde van wat er gebeurt. Bedrijven worden wel degelijk beperkt in hun vrijheid om energie te produceren op de voor hen rendabelste manier, en burgers worden wel degelijk beperkt in hun vrijheid om te kiezen voor de goedkoopste middelen om hun huis te verwarmen. Dat is minstens, zo niet een aanslag, dan toch een inbreuk op onze vrijheid. Overigens is die inbreuk misschien helemaal terecht – daar spreek ik mij niet over uit – maar juist is juist, vrijheid is vrijheid, en een inbreuk op de vrijheid is een inbreuk op de vrijheid
Cottyn somt nog eens de nadelen op van energie uit fossiele brandstoffen:
Energie is per definitie schaars en dus duur … Ook in tijden van ogenschijnlijke overvloed komt [fossiele] energie met een hoge prijs, waarvan het verborgen deel zich laat zien in uitstoot, sociale ongelijkheid, afhankelijkheid van dubieuze regimes, mensenrechtenschendingen of presidentiële oorlogszucht.
Hier wordt terecht een onderscheid gemaakt tussen een open en verborgen deel van de energieprijs. Maar het onderscheid tussen economische kosten en algemene nadelen wordt dan weer niet gemaakt. Ze worden allebei onder de algemene noemers ‘duur’ en ‘hoge prijs’ ondergebracht. De ene keer wordt het woord ‘prijs’ letterlijk, een andere keer figuurlijk gebruikt. De factor ‘uitstoot’ kan inderdaad als een ‘kost’ worden benoemd en berekend. Maar geldt dat ook voor ‘mensenrechten’?
Vooral opvallend is het nadeel ‘sociale ongelijkheid’. Dat moet veeleer omgekeerd zijn. Het is niet de fossiele energie die de sociale ongelijkheid vergroot, maar de energietransitie. De transitie brengt grotere kosten met zich mee, en het zijn de gezinnen met lagere inkomens zwaarder die daar het meeste onder lijden*.
Maar leidt versnelde energietransitie wel tot duurdere energie? Ecologisten antwoorden dat windenergie juist goedkoper is dan energie uit fossiele brandstoffen. Dat kan waar zijn voor de bouw van nieuwe projecten, maar meestal is de goedkoopste oplossing het draaiende houden van bestaande, afgeschreven centrales, ook als die op fossiele brandstoffen draaien. En daar komt nog bij dat windenergie vooral goedkoop is zolang het in de energie-mix een aanvullende rol speelt.
Het is heel moeilijk om de prijs van de verschillende vormen van energiewinning juist te schatten, rekening houdend met de bestaande en toekomstige mix, de bestaande en toekomstige technologie, en de verschillende termijnen: kort, middellang en lang. Maar als de versnelde transitie naar duurzame energie werkelijk de goedkoopste oplossing was, dan zou het bedrijfsleven, zonder dwang en duwtje in de rug, massaal voor de renewables kiezen. Het bedrijfsleven houdt van goedkope oplossingen die voor hoge winsten zorgen.
Wat is trouwens de definitie van een ‘versnelde’ transitie? Het is een transitie die sneller verloopt dan als ze zou worden overgelaten aan de economische actoren die alleen naar de prijs kijken. Een transitie met andere woorden die ‘een aanslag op onze vrijheden’ nodig heeft.
* Dat is trouwens de reden waarom politiek links de energietransitie wil koppelen aan sociale compensaties voor de armere gezinnen
Tom Naegels over Hongarije
Tom Naegels en ik hebben dezelfde commentaar bij de verkiezingsnederlaag van Viktor Orban, maar dan omgekeerd. We denken allebei dat er geen alleenzaligmakende strategie bestaat om een dam op te werpen tegen extreem, radicaal, autoritair of illiberaal rechts. Ik betwijfelde in een stukje* of een verenigd front van links de beste garantie op succes is, en Naegels drukt dezelfde twijfels uit over een verenigd front van centrumrechts (DS 18/4). We hebben, geloof ik, allebei gelijk, wat niet moeilijk is zolang je je beperkt tot algemene wijsheden.
Verder geef ik Naegels ook gelijk als hij schrijft dat progressieven hun idealen niet moeten opgeven vanwege een politieke strategie: ze moeten niet toegeven aan de chantage dat ze met hun idealen extreemrechts ‘provoceren’. Zo moeten ook rechtsliberalen en conservatieven niet toegeven aan de chantage dat ze met hun politiek extreem-recht ‘nabootsen’ of ‘in de kaart spelen’.
Verder houdt Naegels natuurlijk vast aan de overtuiging dat de activisten aan de linkerkant de goeien zijn, terwijl de activisten aan de rechterkant een soort beroepsmalcontenten zijn. Eerst legt hij uit wat het ‘feministische, antiracistische, queer of ecologische engagement’ inhoudt:
Anders dan rechtse mensen vaak denken, draait progressief zijn niet alleen om performatieve signalen uitsturen, zoals de juiste woorden gebruiken of de juiste snor dragen. Progressieven zetten zich in voor echte problemen van echte mensen …
Aan de overkant gaat het anders toe:
Er is ondertussen een hele bibliotheek volgeschreven over het profiel van de radicaal-rechtse kiezers. Ze voelen zich verweesd … Allerlei zaken kunnen symbool gaan staan voor dat gevoel niet meer meetellen, van een bushokje dat wordt afgeschaft over een botte uitspraak van een linkse schrijver tot de aanwezigheid van mensen met een andere huidskleur in de eigen wijk, in een stad niet zo veraf, of op de televisie. Dat zijn begrijpelijke gevoelens, maar er is geen politicus, zelfs geen hele regering, zelfs geen Europese Unie die daar iets aan kan verhelpen**.
Ik zal het wat scherper formuleren. De progressieve activisten zoeken een redelijke oplossing voor echte problemen van echte mensen. Rechts daarentegen is gefixeerd op symbolen en gevoelens van frustratie, kwesties waar geen oplossingen voor bestaan, en als er oplossingen bestaan, dan zijn het zeker niet die die door rechtse activisten worden voorgesteld.
Zelf denk ik dat de reële problemen, de gevoeligheid voor symbolen, en de problemen waar ‘een hele regering niets aan kan verhelpen’, nogal gelijk verdeeld zijn aan beide uiteinden van het politieke spectrum. En over wélke halfslachtige oplossingen de moeite zijn om te proberen, verschillen Naegels en ik vermoedelijk óók van mening.
* Zie mijn stukje hier.
** Naegels geeft blijk van een scherp inzicht in de ziel van de radicaal-rechtse kiezer: ‘Het meest op de zenuwen werkt de progressief, die de indruk wekt zich als enige goed te voelen in de nieuwe cultuur, en die zelfs nog verder in de ongewenste richting wil doen evolueren.’ How very true! En omdat ik nogal wat linkse kiezers onder mijn FB-vrienden heb en hun commentaren lees, kan ik verzekeren dat het omgekeerde, mutatis mutandis, evenzeer waar is: ‘Het meest op de zenuwen werkt de conservatief [c.q. de neoliberaal] die de indruk wekt ... ’
Ruud Goossens over Hongarije
Ik heb uit de stukken van Ruud Goossens over de verkiezingen in Hongarije heus wat opgestoken, maar het lange stuk in de weekendkrant (18/4) is weer twee derde commentaar, en een derde informatie. Een voorbeeld:
Wie vindt dat Europa de Hongaarse regering gewoon had moeten blijven sponsoren, is eigenlijk van mening dat Europa de rechtstaat en de vrije pers onder haar ogen had moeten laten vertrappelen.
Ik herken die stijl. Het is, op de metafoor ‘vertrappelen’ na, de stijl die ikzelf in mijn stukjes gebruik. Het is de stijl van een ‘persuasieve’ tekst. Het is de stijl die past in het opinie-katern. Voor een stijl die beter past bij berichtgeving kan Goossens inspiratie opdoen uit het stuk van Jan-Frederik Abbeloos over Theo Francken in dezelfde krant.
Nathalie Baye (1948 - 2026)
De Franse filmactrice Nathalie Baye is overleden. Mijn neiging om haar te verwarren met Anny Duperey. Ik vraag mij af in welke film ik Baye voor het eerst heb opgemerkt. La nuit américaine? La gifle? Mado? Telkens speelden er actrices mee die ik beter herkende : Jacqueline Bisset, Annie Girardot, Romy Schneider …
Verloren momenten
De psychologische wetenschap zal ondertussen al wel achterhaald hebben vanwaar onze indruk komt dat de tijd altijd maar sneller gaat. Als kind al voelde ik dat elk schooljaar korter duurde dan het vorige, en de tweede helft van de grote vakantie duurde veel korter dan de tweede. Een van de redenen moet zijn dat we ons met het ouder worden minder van onze dag herinneren. Als ik ’s morgens heen en weer ren tussen badkamer, wc, keuken en eetkamer is er altijd een moment dat ik mijn mobieltje niet meer vind. Ik weet dan dat het op een kast in de slaapkamer ligt, maar ik kan mij niet herinneren dat ik in die slaapkamer ben geweest. Dat moment ben ik verloren.

Ik kende wel de naam Nathalie Baye, maar kon me er geen gezicht (en de rest) bij voorstellen. Na enig nadenken lukte me dat laatste alsnog, en toen schrok ik: Was die al zo oud? Maar ik had de verkeerde voor: Béatrice Dalle. Ook al 61, las ik zojuist. Franse actrices worden snel oud als je even niet kijkt... 61, Béatrice Dalle, ooit was ze pas 37,2 's morgens vroeg. Of was dat weer een ander?
BeantwoordenVerwijderenDat was ook mijn probleem: Girardot, Schneider, Bisset en zelfs Duperey hadden wel een gezicht dat ik herkende.
Verwijderen