zondag 19 april 2026

Notities bij 'Reset' van M. Elchardus

Toenemende ongelijkheid

      In zijn razend interessante boek Reset beweert Mark Elchardus om de zoveel bladzijden dat de ongelijkheid in de wereld toeneemt, dat dat erg is voor de maatschappelijke samenhang en voor de economische ontwikkeling, dat dat komt door de neoliberale deregulering, door de kwalijke praktijken van de financiële elite en door de de belastingsverlagingen voor de bedrijven.
     Ik ben het eigenlijk met geen van die beweringen erg eens. Het meest nog kan ik akkoord gaan met die kwestie van de maatschappelijke samenhang, maar al die andere dingen zitten geloof ik enigszins anders in elkaar. Ook Elchardus zelf laat af en toe doorschemeren dat hij eigenlijk wel weet dat de werkelijkheid genuanceerder is. Ergens schrijft hij over ‘haast een miljard mensen (vooral in Oost-Azië) die uit de armoede klommen en waarvan velen de middenklasse vervoegden.’ Als we dat miljard in rekening brengen, is het waarschijnlijk dat de mondiale ongelijkheid eerder afgenomen is dan toegenomen. Je kunt die berekening op verschillende manieren maken*. 
     Een ander voorbeeld. Als Elchardus het over de geïndustrialiseerde landen heeft, weet hij als socioloog best wel dat er meer aan de hand is dan deregulering, financiële malversaties en belastingsverlagingen. Hij spreekt bijvoorbeeld nooit over ‘de arbeidersklasse’ of ‘het proletariaat’ of de ‘loontrekkenden’, maar wel over ‘de laaggeschoolden’. Hij is dus op de hoogte van minstens één andere oorzaak van de toenemende ongelijkheid:  de groeiende productiviteitskloof tussen geschoolde en ongeschoolde arbeid, iets waar Hayek, Reagan, Thatcher en de bankiers van Goldman Sachs weinig voor tussen zitten. 
     Voor een liberaal als ik, is dat voortdurend hameren op de ongelijkheid, nogal ergerlijk. Nochtans heb ik het recht niet om mij te ergeren. Ik wist op voorhand dat ik een boek las van een socialist, en vooral een etatist. Je kunt niet uit je comfortzone komen, en dan klagen over gebrek aan comfort. Bovendien schrijft Elchardus zoveel dingen waar ik het wel mee eens ben.
    Af en toe is de fixatie van Elchardus trouwens ook een bron van hilariteit. In hoofdstuk 16 lees ik bijvoorbeeld over de emigratie-landen het volgende: ‘Er zijn de falende gemeenschappen, gekenmerkt door groeiende ongelijkheid, corruptie, grootschalig geprofiteer, onvoorspelbaarheid van het leven, grote ongelijkheid, onzekerheid, onveiligheid, en gebrek aan perspectief voor veel burgers.’ Die overbodige herhaling van ‘ongelijkheid’ is natuurlijk een klein slordigheidje, waar de eindredactie óver heeft gelezen, maar mij deed ze denken aan de western Blazing Saddles** waarin op zeker moment de opperschurk Hedley Lamarr een bende handlangers wil rekruteren. De bandieten komen een voor een naar voren om hun geloofsbrieven af te geven. Bij een van hen gaat de dialoog als volgt:

  • What are your qualifications?
  • Rape, murder, arson and rape.
  • You said rape twice. 
  • I like rape.

     Bij linkse auteurs heb je iets wat daarop lijkt: ze houden van hun stokpaard. En dan oreren ze over het neoliberalisme met zijn ongelijkheid, zijn geprofiteer, zijn corruptie en zijn ongelijkheid

* Andere stukjes over ongelijkheid staan hierhierhier en hier.
** Je vindt het fragmentje hier. 


Links of rechts

     Hierboven bespotte ik de ‘linkse auteurs zoals Elchardus’ die wat al te graag over de ‘toenemende ongelijkheid in de samenleving’ praten. Misschien zullen lezers nu reageren: ‘Dat je Elchardus nog links noemt, verbaast me.’
     ’t Is inderdaad niet altijd makkelijk om uit te maken wat ‘links’ of ‘rechts’ is. In mijn extreem-linkse jeugd was het eenvoudig. Je had vooreerst de échte communisten, dat waren wijzelf. Dan had je de knechten van het grootkapitaal, de fascisten en de contrarevolutionairen, waartoe ook een deel van extreem-links toe behoorde. Dat was allemaal één reactionaire pot nat. En dan had je de ‘eerlijke linksen’, dat wil zeggen iedereen die graag met de échte communisten wou samenwerken zonder het zelf te zijn.
     Later geloofde ik dat niet meer, en ging ik op zoek naar een wat genuanceerdere kijk op ‘rechts’ en links was. Bij De Slegte bladerde ik in het boekje De linkse traditie in Europa, van David Caute. De achterflap beloofde een antwoord op al mijn vragen: ‘Wat noemen wij links in Europa en waar precies ligt de scheidingslijn met rechts?’ Ik nam het boekje mee naar huis. Het was een beetje saai maar ik las het toch helemaal uit.
     Caute begint zijn onderzoek naar links en rechts met de Franse revolutie. Hij bekijkt de verschillende stromingen en bestudeert vooral hun houding tegenover de volkssoevereiniteit. Dat wordt voor hem de toetssteen. Links is de stroming die voor onbeperkte volkssoevereiniteit staat. Het volk, alleen het volk, en het gehele volk kiest zijn vertegenwoordigers en die nemen soeverein, meerderheid tegen minderheid, beslissingen over alles wat de res publica aangaat. Zij worden niet beperkt door eeuwenoude privileges, niet door een constitutionele monarch, niet door een erfelijke House of Lords, niet door cijnskiesrecht, en ook niet door aangeboren, natuurlijke, of door God geschonken rechten.
     Als we de begripsomschrijving van Caute volgen, is Mark Elchardus, in zijn boek Reset, een van de meest linkse denkers van Europa, want juist volkssoevereiniteit is de rots waarop hij zijn stelsel bouwt, tegen de oude beperkingen, en tegen de nieuwe, zoals: universele mensenrechten, activistische rechtspraak, eurocraten, multinationals en hun lobby’s, en ten slotte politici die ongestraft beslissingen nemen tegen de meerderheid van het volk in. Elchardus vertrekt trouwens in zijn politieke analyse net als Caute van de verschillende strekkingen binnen de Franse Revolutie.
     Maar het uitgangspunt van Caute heeft zijn beperkingen. Het verklaart bijvoorbeeld niet waarom linkse lezers het boek van Elchardus als ‘rechts’ verworpen hebben: Louis Tobback, Meyrem Almaci, Dimitri Van den Meersche, Pascal Debruyne, Jelle Versieren enzovoort*. Naar het schijnt hebben ook Marc Reynebeau en Walter Zinzen het boek door de mangel gehaald, maar die hun commentaren lees ik beter niet, want ik weet uit ervaring hoe ik daarop reageer. Aan de andere kant heeft rechts, bij monde van Bart De Wever, Tom van Grieken, Jean-Pierre Rondas en nog enkele anderen het boek geprezen.
     Een klassieke manier om die paradoxale reactie van links en rechts te verklaren is het gebruik van een dubbele as. In plaats van een algemene links-rechts-as neem je twee assen: de eerste is economisch (liberaal vs. socialistisch) en de tweede is sociaal-cultureel (conservatief vs. progressief). Dat levert een vierkant op met vier kwadranten erin. Ik heb voor het schrijven van dit stukje eventjes snel de Political Compass vragenlijst ingevuld en daaruit blijkt dat ik mij in het economisch rechtse, sociaal-progressieve (libertarian) kwadrant bevind. Dan zou Elchardus zich bijvoorbeeld in het economisch linkse, sociaal-conservatieve kwadrant kunnen bevinden en zouden wij wij diagonaal tegenover elkaar staan.



     Maar zo eenvoudig is het niet. Na het lezen van Reset, vermoed ik dat Elchardus en ik na het invullen van de vragenlijst op ongeveer gelijke hoogte zouden uitkomen komen wat de sociaal-culturele as betreft. Dat dat ons in de onderste sociaal-progressieve helft zou plaatsen, komt omdat de vragen van Political Compas té Amerikaans zijn, en ondertussen zelfs daar grotendeels achterhaald. Er wordt mij gevraagd of ik tegen het homohuwelijk ben, of tegen elke vorm van abortus? Natuurlijk niet, wat denken ze wel? Maar dat standpunt deel ik in ons land niet alleen met de progressieven maar ook met de meerderheid van de conservatieven. 
     De kwestie is deze. De meeste sociaal-progressieve strijdpunten uit het verleden zijn bij ons binnengehaald. Ze zijn een verworvenheid. Ondertussen heeft woke zijn opwachting gemaakt en dat heeft hele sociale as van een nieuwe ijking voorzien. Het achterhaalde Political Compas stelt geen vragen over positieve discriminatie, dekolonizering van de geesten, Zwarte Piet of genderinclusieve toiletten. Verder heb je controverses rond migratie waarvan niet duidelijk is of ze op de economische dan wel op de sociale as thuishoren. En wat doe je met standpunten rond seksuele vrijheid, pornografie, puritanisme en censuur die op de as van plaats verwisseld schijnen te zijn.  En wat met het secularisme? Is het dragen van een religieuze symbolen, of het tolereren ervan, sociaal-pogressief of sociaal-conservatief? 
     Er is nog een ander bezwaar tegen het kwadrantenvierkant. Aparte antwoorden op een vragenreeks doen geen recht aan de ideologische voedingsbodem waaraan die antwoorden ontspruiten. Zeker bij een in hoge mate coherent boek als dat van Elchardus is dat een nadeel. Het lijkt mij daarom beter om terug te vallen op een derde schema: de driehoek van Hayek, zoals die ontwikkeld wordt in The Constitution of Liberty. Hayek onderscheidt drie polen: conservatisme, liberalisme en socialisme. Ook die driehoek is niet perfect. Hij heeft geen aparte plaats voorzien voor nationalisme, dat hij onderbrengt bij het conservatisme. Ook het  ‘personalisme’ van Mounier, Karol Woytilla en onze eigen CD&V heeft hij – jammer, jammer – niet in zijn schema kunnen betrekken. Een enkeling kan niet met alles rekening houden, zoals Hayek maar al te goed weet.
     Hayek gaat met zijn driehoek ook in op de raakvlakken tussen de verschillende denkstromingen, en op de mogelijke bondgenootschappen. Als één van de polen erg dominant wordt, krijg je een vervorming van de driehoek en komen de andere twee polen dichter bij elkaar elkaar. De socialistische gedachte bijvoorbeeld beheerste, volgens Hayek en Elchardus, de politieke agenda in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Dan was het normaal dat conservatieven en liberalen elkaar in die tijd vonden, verenigd tegen de gemeenschappelijke vijand.  
    De vervormde driehoek zou ook een mooie verklaring kunnen zijn voor de huidige ideologische ontwikkeling waarin traditioneel rechts en links elkaar soms vinden. Dan zouden Tatcher en Reagen een neoliberale dominantie hebben ingeluid, waardoor socialisten en conservatieven dichter bij elkaar kwamen, en waardoor Mark Elchardus, Sarah Wagenknecht, Jean-Luc Mélenchon en de Deense sociaaldemocraten standpunten gaan delen met Bart De Wever, Georges-Louis Bouchez, Tom van Grieken en Marine Le Pen. Op dezelfde manier kan de conservatieve dominantie in de 19de eeuw het bondgenootschap tussen socialisten en liberalen verklaren.



     Die vervormde driehoeken bieden een mooie verklaring, maar zijn ze ook werkelijk meer dan ‘nen uitleg’? Zijn ze geldig in het huidige tijdsgewricht? Zelf twijfel ik eraan. Is er bijvoorbeeld al 40 jaar een liberale dominantie? De voortschrijdende invloed van woke kun je desnoods, als je dat echt wil, als een liberaal exces lezen –maar dat is geen reden waarom zogenaamd rechtse liberalen zich niet tegen dat exces zouden kunnen verzetten, samen met conservatieven en socialisten. En of het economisch neoliberalisme zó dominant geworden is vanaf de jaren 80, staat voor mij ook niet vast. De toenemende belastingsdruk vertelt in elk geval een ander verhaal. Maar misschien is de perceptie van een economie die losgeslagen neoliberaal is al genoeg om bepaalde conservatieven en socialisten dichter bij elkaar te brengen.

* Conner Rousseau in De Tijd was opvallend positief. Hij vindt dat Elchardus op een heldere en overtuigende manier beschrijft waarom we meer nood hebben aan socialisme. Dat is zeker een van de stellingen van het boek. Of Rousseau het boek gelezen heeft, kunnen we niet met zekerheid zeggen. Van Meyrem Almaci kunnen we dat wel: ze heeft het niet gelezen. Haar reactie in De Tijd was zo naast de kwestie dat er geen andere verklaring overblijft.




Democratie


      Ik wilde eigenlijk graag iets schrijven over de verhouding tussen democratie en mensenrechten zoals Mark Elchardus die behandelt in zijn boek Reset. Maar bij het schrijven doken enkele aanverwante kwesties op waar ik mij eerst snel van af wil maken. 
     Zelf ben ik een koele minnaar van de democratie. Zeker, ze is tot nu toe het ‘minst slechte’ systeem gebleken. Zeker, ze is redelijk goed verenigbaar gebleken met vrije markt en mensenrechten. Zeker, ze blijft de beste manier om bij onvrede van regering te veranderen zonder bloedvergieten. Zeker, ze kan leiden tot alternance, waarbij de fouten van de ene partij periodiek worden rechtgezet door de fouten van een andere partij. Maar heel veel verder zou ik niet willen gaan. Elchardus gaat veel verder. Democratie is voor hem de geïncarneerde volkswil. Hij lijkt democratie niet het minst slechte, maar het beste systeem te vinden, niet een noodzakelijk kwaad, maar een wezenlijk goed.
     Laat mij eerst een meningsverschil tussen Elchardus en mij tussen haakjes zetten: dat over de gepaste omvang van het politieke domein, vergeleken met die van het economische domein. Mochten we elkaar op café treffen en onder elkaar als tijdverdrijf een politiek stelsel ontwerpen, dan zouden Elchardus en ik het over veel eens zijn. We zouden de politiek niet laten beslissen over de design van mobieltjes of de smaak van frisdrank, en we zouden de  vrije markt niet laten beslissen over de beteugeling van de misdaad. Maar er bestaat een grijze zone tussen die twee uitersten. Elchardus zou, geloof ik, een nogal groot stuk van de grijze zone aan de politiek overlaten, ik veel minder. James Buchanan en anderen hebben geprobeerd om aan te tonen dat politieke beslissingsprocessen nogal inferieur kunnen zijn aan die genomen in een vrije marktomgeving. Ik geloof Buchanan.
     Maar dàt belangrijke, maar ingewikkelde debat wil ik hier dus graag uit de weg gaan. Ik wil wel kort iets zeggen over een andere vraag, namelijk hoe het politieke domein – of het nu groot of klein is – best kan worden ingevuld. Is democratie een goede invulling, en zo ja, hoe goed is die invulling? 
     In een moderne context wegen we democratie vooral af tegen technocratie. Aristocratie, absolute monarchie, theocratie, militaire dictatuur, fascisme en communisme zijn bij ons uit de mode. Om dan de superioriteit van de democratie tegenover technocratie te bepleiten, gebruikt Elchardus een paar keer het beeld van ‘voelsprieten’. De vele miljoenen burgers zijn even zoveel voelsprieten van de samenleving. Met hun verschillende levens en ervaringen, hebben ze allemaal uitzicht op een klein stukje van de samenlevingspuzzel, en bij verkiezingen komen al die puzzelstukjes bij elkaar. ‘Met het algemeen enkelvoudig stemrecht,’ schrijft Elchardus, ‘werd in feite een van de meest presterende waarnemingsmachines ooit ontworpen.’ 
     Dat is een goed argument. Technocraten leven in een bubbel, kennen alleen andere technocraten, en kennen alleen hun eigen comfortabele levensomstandigheden. Ze hebben vaak een heel eenzijdig beeld van hoe het er in de ‘society at large’ toegaat. Ze hebben een beperkt waarnemingsveld. En als hun waarneming een ruimer veld bestrijkt, is die niet doorleefd. ‘I know all the statistics,’ zegt Sir Humphrey Appelby. Ja, ja, de statistieken, dat zal wel, denkt de kijker.
     De vraag is echter of de beste waarnemingsmachine ook de beste beslissingsmachine is. Een technocraat zou kunnen antwoorden dat voelsprieten geen denksprieten zijn. Dat het electoraat wel problemen kan signaleren, maar geen samenhangende oplossingen kan aanbrengen en zelfs niet in staat is om voorgestelde oplossingen te evalueren. Dat de verkiezingsresultaten in het beste geval signalen zijn waar de technocraat mee aan de slag kan. Ik ben geen voorstander van technocratie, maar je kunt die bezwaren niet zo makkelijk weerleggen.
    Toch deel ik Elchardus zijn voorkeur voor democratie boven technocratie. Ik volg gedeeltelijk zijn voelsprietenargument, maar meer nog een ander argument dat als achtergrond in heel Reset aanwezig is: het belangenargument. Verschillende mensen hebben in de samenleving verschillende belangen en noden. Hoogopgeleide grootverdieners, zoals technocraten nu eenmaal zijn, hebben andere noden en belangen dan laaggeschoolde kleinverdieners. 
     Een democratie met algemeen enkelvoudig stemrecht kan ervoor zorgen dat bij het nemen van beslissingen die verschillende belangen en noden allemààl op de weegschaal worden gelegd. Dat proces is natuurlijk onvolmaakt. Sommige zaken zijn voor hervorming vatbaar. Elchardus heeft zelf een aantal hervormingsvoorstellen om de belangen van de laaggeschoolde kleinverdieners meer te laten doorwegen dan nu het geval is. Andere nadelen zijn wellicht niet met hervormingen weg te werken maar zijn daarentegen inherent aan de democratie zelf.
     En daarmee ben ik weer bij mijn beginpunt: is democratie het ‘beste’ syteem, dan wel het ‘minst slechte’? Wie optimistisch is over de hervormbaarheid van de democratie zal ze het ‘beste’ systeem vinden. Wie pessimistischer is, zal blijven spreken van het ‘minst slechte’. Maar is dàt de moeite waard om ruzie over te maken? In een volgend stukje vind ik wel iets om echt ruzie te maken met de socioloog. De verhouding tussen mensenrechten en democratie bijvoorbeeld. 



Mensenrechten

     Volgens Elchardus moet in een fatsoenlijke Westerse maatschappij de democratie het laatste woord krijgen, boven al de rest. Er is een grondwet, er zijn internationale afspraken en bondgenootschappen, er zijn rechtbanken, er zijn mensenrechten, maar als puntje bij paaltje komt moet een meerderheid van de bevolking kunnen beslissen om een grondwet te wijzigen, een verdrag te verbreken, een bondgenootschap te  verlaten,  een jurisprudentie door nieuwe wetten ongedaan te maken of anderszins tegen te gaan, en mensenrechten toe te voegen, te schrappen of anders te interpreteren.
     Ik zal mij hier beperken tot de kwestie van de mensenrechten. Elchardus haalt aan dat er internationaal  ondertussen rond de driehonderd mensenrechten erkend zijn, zoals ‘recht op deelname aan het culturele leven’, ‘recht op rust en ontspanning’, ‘recht op de hoogste mentale en fysieke gezondheid’, ‘recht op goede gezondheid’, ‘recht op gunstige werkomstandigheden’, ‘recht op een adequate levensstandaard’, ‘recht op kinderopvang’,  ‘recht te genieten van wetenschappelijke vooruitgang’ … Elchardus bespot die overvloed aan inflatoire ‘universele’ rechten door erop te wijzen dat er in Nigeria geen loket bestaat waar de inwoner kan aankloppen om te zeggen dat hij onvoldoende geniet van de wetenschappelijke vooruitgang en daarvoor compensatie eist.
    Elchardus heeft een aantal verklaringen voor die exponentiële toename van rechten, maar hij vergeet de voornaamste. De harde kern van de mensenrechten bestond vroeger uit de oude individuele rechten: vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, gelijke behandeling van alle burgers, enzovoort (de zogenaamde ‘negatieve vrijheden’), een lijst die van nature nogal beperkt is*. Die liberale waarden werden later aangevuld met sociale rechten (de zogenaamde ‘positieve vrijheden’), waarvan de lijst oneindig kan worden uitgebreid**. De oude liberale vrijheden zijn gratis maar ze bieden geen garanties op daadwerkelijke invulling. Het kost de Nigeriaanse staat geen cent om de persvrijheid in te schrijven in de grondwet, maar dat biedt geen garantie dat elke Nigeriaan die dat wil ook een krant kan uitgeven. Maar als die staat het recht op goede gezondheid wil verzekeren, hangt daar een stevig prijskaartje aan vast. Er moeten ziekenhuizen gebouwd, apparatuur gekocht en lonen betaald worden. De liberale vrijheden kunnen dus onvoorwaardelijk worden toegekend, zonder naar geld om te zien, de nieuwe sociale rechten daarentegen hangen af van de budgettaire mogelijkheden.
    Maar de liberale vrijheden, zijn ook niet helemaal onvoorwaardelijk. Ze zijn ondermeer afhankelijk van de welwillendheid van de heersers en van de meerderheidsopinie van de bevolking. Niet elke cultuur koestert dezelfde opvattingen over eer, ouderlijk gezag, godsdienstvrijheid, kindhuwelijken, pornografie, homoseksualiteit, vrouwenrechten, kritiek op autoriteiten, enzovoort waardoor de vraag rijst of de mensenrechten die ermee samenhangen wel zo universeel zijn als de internationale verdragen laten uitschijnen. Elchardus meent van niet, en Patrick Loobuyck, die hem van antwoord diende in Knack, meent van wel. Het kan een kwestie van beroepsmisvorming zijn, want de ene is socioloog en de andere filosoof.
     Maar universeel of niet, interessanter is voor mij de vraag over de verhouding tussen democratie en mensenrechten. Kan of mag een democratie, meerderheid tegen minderheid, een bepaald mensenrecht afschaffen of invoeren?  Neem bijvoorbeeld een fundamenteel recht als dat om om niet gefolterd te worden. Dat recht staat ingeschreven in de Europees Verdrag van de Rechten van de Mens onder artikel 3. Ik zou het niet afgeschaft willen zien, ook niet als daar een democratische meerderheid voor bestaat. Dat mensenrecht is voor mij belangrijker dan de democratie.
     Daarnaast is rond dat artikel 3 een controverse ontstaan waar Elchardus uitgebreid op ingaat. Het Europees Hof van de Rechten van de mens heeft namelijk op grond van dat artikel 3 beslist dat immigranten niet mogen uitgewezen worden naar landen waar ze mogelijk gefolterd zouden kunnen worden. Met enige overdrijving zou je kunnen stellen dat het Hof dus een nieuw mensenrecht gecreëerd heeft namelijk het immigratierecht voor alle inwoners van landen waar wel eens gefolterd wordt. Dat zijn er heel wat. Elchardus vermoedt dat de meerderheid van onze landgenoten niet akkoord gaan met zo’n interpretatie, en dus moet er volgens hem een democratische procedure komen waarmee die interpretatie van het Hof ongedaan kan worden gemaakt. Ik volg hem volledig. De democratie is voor mij hier belangrijker dan dat nieuwe mensenrecht, of anders gezegd: de democratie moet hier beslissen wat wel en niet een mensenrecht is.
     Maar ’t is niet helemaal eerlijk van mij om, zoals mijn muts mij staat, de ene keer een mensenrecht boven de democatie te verkiezen en een andere keer de democratie boven een mensenrecht. Bovendien kan het mij eigenlijk niet zoveel schelen hoe een mensenrecht dat mij lief is tot stand komt, of hoe een onrecht dat mij tegenstaat wordt tegengehouden. Vrije immigratie lijkt mij een onrecht om redenen die ik hier niet zal uitleggen. Als het Europees Hof op grond van artikel 3 dat onrecht in het leven roept, wil ik dat teruggeschroefd zien en het maakt mij niet uit of dat gebeurt door een democratie, een autocratie of een andere gerechtelijke instantie. Ik ben die dag dan tegen het Europees Hof. Maar als morgen het Europees Hof onze racisme- en seksismewetgeving verwerpt omdat ze de fundamentele vrijheid van meningsuiting schendt, zou ik morgen vóór het Hof zijn. Ik blijf ronddraaien in dezelfde cirkel.
    Vroeg of laat moet ik toch een onderscheid maken tussen inhoud en procedure. Inhoudelijk vind ik de oude liberale vrijheden veel belangrijker dan de democratie. Maar democratie als procedure is een ultieme troefkaart. Als Elchardus aan de democratie het laatste woord wil geven, kan ik daar eigenlijk niet veel tegen inbrengen. Als iemand of iets ‘het laatste woord’ moet hebben, dan is democratie de minst slechte en in elk geval de meest logische kandidaat. Ik heb in mijn linkse jeugd vaak aan vergaderingen van ‘actiecomités’ deelgenomen. Wij beslisten daar bijvoorbeeld over het houden van een manifestatie. Een vraag die dan vaak terugkwam was deze: wordt aan de autoriteiten toestemming gevraagd om te manifesteren of doen we het zonder toestemming? De discussie kon hoog oplaaien, maar uiteindelijk moesten knopen worden doorgehakt. Dat kon door een stemming worden opgelost, maar wie zich in de minderheid wist, was tegen het houden van zo’n stemming. Ik heb meer dan één keer meegemaakt dat er dan na uren discussie gestemd werd over de vraag of er gestemd kon worden. Er zat niets anders op: democratie is in laatste instantie altijd 50 % plus één. 
     Die laatste instantie is natuurlijk de crux van de zaak. In veel gevallen is het beter als een consensus kan worden bereikt door een compromis. Of als er minstens een grote meerderheid verreist is. Voor verregaande beslissingen formuleert Elchardus als voorwaarde dat met een ‘bijzondere meerderheid’ beslist wordt. Dat is een goede, al lang bestaande praktijk: er moet dan een meerderheid zijn van 55 %, of van 66 %, of een meerderheid in de aparte regio’s van een land, enzovoort. Maar ook hier bots je op de brute rekenkunde van de democratie: 50 % + 1 heeft in laatste instantie alle macht. Als de volkswil toch het enige is wat telt, waarom moet een meerderheid dan ‘bijzonder’ zijn? vraagt Louis Tobback zich in zijn bespreking van Reset af. Hij heeft voor één keer gelijk. Wat doe je immers als een gewone meerderheid stemt om de bijzondere meerderheid af te schaffen?
     De democratische procedure, doorgedreven tot zijn ultieme logische consequentie, leidt dus onvermijdelijk tot de macht van 50% + 1, eventueel tot de dictatuur van 50% + 1, in sommige gevallen zelfs tot de tirannie van 50 % + 1***. Het enige kruid dat daartegen gewassen is, bestaat uit een vrijwillige democratische zelfbeheersing. De democratie legt zichzelf beperkingen op door een compromiscultuur maar ook door procedures als grondwettelijke bepalingen, bijzondere meerderheden, juridische toetsing van haar beslissingen, onvervreemdbare ‘natuurlijke’ mensenrechten, en is bereid om die beperkingen ook te aanvaarden als ze minder gelegen uitkomen. ’t Is een kwestie van mentaliteit. Als die mentaliteit verdwijnt, stellen de procedurele remmen niet veel meer voor.
     Elchardus drijft de spot met het ‘duizendjarig rijk van de mensenrechten’. Louis Tobback zag daar een verwijzing naar het nazisme in, en gaf lik op stuk. Elchardus was zelf in het voetspoor getreden van nazi-collaborateur Hendrik de Man, schreef hij nijdig. Maar ik denk niet dat Elchardus aan het nazisme dacht toen hij de uitdrukking gebruikte. Hij lijkt meer te verwijzen naar het mythische karakter van onvervreemdbare en universele rechten die niet wetenschappelijk zijn af te leiden uit wat we geleerd hebben van de wetenschappelijke psychologie, de antropologie en de etnografie. 
    Zelf hou ik van dat mythische karakter. De fundamentele mensenrechten zijn niet ‘natuurlijk’, zijn niet onvervreemdbaar, zijn waarschijnlijk niet door God gegeven, en zijn ook niet noodzakelijk een duizendjarig bestaan beschoren. Maar het is beter om te doen of we geloven dat dat wel het geval is. Het is beter om ze te beschouwen als totem en taboe van onze stam, boven discussie verheven, behalve op het meest theoretische niveau. Ze zijn trouwens niet wetenschappelijk te bewijzen, maar ze zijn ook niet wetenschappelijk te weerleggen. 
    Maar zo’n heiligverklaring van mensenrechten – Elchardus spreekt van ‘sacralisering’, in navolging van Durkheim – zal maar lukken als in de driehonderd internationale mensenrechten geschrapt en gesnoeid wordt tot slechts een harde kern overblijft**** die althans in het Westen sterk verbonden is met de Verlichtingstraditie, en waarover een sociaaldemocraat als Elchardus en een liberaal als ik het ongeveer eens kunnen zijn: verbod op foltering, vrijheid van meningsuiting, vrijheid om handel te drijven, gelijkheid van man en vrouw, onafhankelijke rechtspraak, scheiding van kerk en staat, gelijke rechten voor alle burgers ongeacht hun origine, vreedzame betrekkingen tussen de staten. Over de modaliteiten van die rechten kan worden gediscussieerd en moeten er beslissingen worden genomen. Democratisch dan maar.

 

 

* Het is verkeerd om te geloven dat er nieuwe individuele rechten ontstaan, zoals lgbt-rechten. In wezen zijn die niet meer dan het oude individuele recht om te doen wat je wil als je er niemand schade berokkent en het eveneens oude individuele recht om gelijk behandeld te worden. Het beginsel blijft hetzelfde. Maak je er echter groepsrechten van, dan heb je aan het alfabet niet genoeg. Lgbt wordt dan lgbti, lgbtiq, ligbtiqa, enzovoort.


* Het 19de-eeuwse onderscheid tussen ‘positieve’ en ‘negatieve’ vrijheden en rechten werd populair dankzij Isaiah Berlin met zijn Two Concepts of Liberty (1958). Bart De Wever gebruikte het in zijn laatste essay in De Standaard. Ook Elchardus gebruikt het onderscheid, zij het met een zekere tegenzin. Het verschil is niet altijd even duidelijk, biijvoorbeeld bij de migratie- en milieuproblematiek, maar in het algemeen is de negatieve vrijheid van de burger eerder abstract en inhoudloos en bestaat erin dat hijzelf om het even wat mag doen of zeggen, zolang hij niemand anders schade berokkent. De positieve vrijheid is concreet en houdt in dat de burger bepaalde goederen, diensten of garanties krijgt van anderen. Persvrijheid is bijvoorbeeld een negatieve vrijheid;  subsidies aan de pers zijn een positieve ‘vrijheid’. Recht op eigendom is een negatieve vrijheid omdat niemand vastlegt wat je met je eigendom moet doen. Een werkloosheidsuitkering is een positieve ‘vrijheid’ omdat de gerechtigde met dat geld, in de woorden van Elchardus ‘greep krijgt op zijn leven.’ Negatieve vrijheden worden in verband gebracht met liberalisme, positieve vrijheden met socialisme.


*** De tirannie van 50 % + 1 wordt vooral ondraaglijk als het politieke domein erg omvangrijk wordt, ten nadele van het privé-domein en het domein van de vrijwillige handelsbetrekkingen. De kwestie werd ook aan de orde gebracht door Philippe Nys (Open-Vld) in zijn antwoord op Reset (Knack.be, 22/10/2021) .


**** Ook Elchardus pleit voor van kern-mensenrechten, vooral in een internationale context.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten