zondag 19 april 2026

De elite en Tocquevilles aristocratie


      Af en toe vraag ik mij af wie nu eigenlijk deel uitmaakt van die elite waar populisten het altijd over hebben. Ik weet het ongeveer. Ian Buruma (DS 1/3) vatte het nog eens samen: ‘de pers, de universiteiten, rechters en politici.’ Verder vernoemt hij nog de ‘experts’ die overigens vooral door de universiteiten geleverd worden. Bij de ‘pers’ zou ik eraan toevoegen de lui die vaak door de pers worden opgevoerd.
      Buruma is niet gelukkig met de populistische kritiek op de elite. Ze verstrekt de roep om ‘een sterke man’ en dus om dictatuur. Maar hij begrijpt ook waar de kritiek vandaan komt. De elite is in zekere opzichten geprivilegieerd en zelfgenoegzaam, wat afgunst en wrevel veroorzaakt. De specialisatie van de universiteiten staat heel ver af van de interesses van de gemiddelde burger. En wat de pers betreft, schrijft Buruma:  ‘Wie heeft er nog journalisten nodig als iedereen zijn mening op het internet kan spuien?’
     Die laatste vraag kan worden uitgebreid. Wie heeft er überhaupt een elite nodig? Je kunt gemakkelijk argumenteren dat we computerspecialisten nodig hebben, net als rechters, goede journalisten, economen, sociologen, gezondheidsspecialisten, volksvertegenwoordigers en ministers. Maar moeten die samen een elite vormen, met een eigen smaak, met een eigen ideologie, met eigen voorkeuren? Misschien wel, maar wat is dan de functie van die elite?
     ‘Een liberale democratie is in veel opzichten afhankelijk van een elite,’ schrijft Buruma. Dat is een interessante gedachte. Tocqueville beschreef in 1835 de jonge, liberale democratie in de Verenigde Staten, die het grotendeels zonder elite – Tocqueville spreekt van ‘aristocratie’ – moest stellen. Het universitair onderwijs en de pers stelden niet veel voor, en de volksvertegenwoordigers onderscheidden  zich amper van het plebs. Alleen de juristen vormden een soort aristocratie, met een eigen maatschappelijke missie: de bescherming van tradities, de verspreiding van een verlichte beschaving, de begunstiging van ratio boven emotie, en de zorg voor een stabiel beleid ondanks de wispelturigheid van het volk.

6 opmerkingen:

  1. Toen Tocqueville schreef dat er geen elite in de VSA was Andrew Jackson president. Jackson was van bescheiden afkomst maar werkte zich op en werd een zeer machtig en welvarend man die honderden slaven bezat. Er was misschien niet onmiddellijk een elite in de ex-kolonie, maar het duurde niet lang of ze bestond en ze leeft nog door. Er was trouwens een elite (cfr. de familie Stuyvesant van New York) in de koloniale tijd. Zo gaat het altijd: er zijn altijd mensen met talent, ambitie, wilskracht en voldoende opportunisme om om het even waar de fundering voor elites te leggen.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Tocqueville noemt Andrew Jackson 'un domme d'un caractère violent et d'une capacité moyenne.' Ik geloof niet dat hij de elite (de 'aristocratie' in zijn woorden) gelijkstelde aan het meest dynamische deel van de maatschappij. In de erfelijke rijkom van de plantagehouders in de zuidelijke staten ziet hij wel een soort aristocratie, maar niet noodzakelijk van de beste soort.

      Verwijderen
  2. Tocqueville noemt Andrew Jackson 'un domme d'un caractère violent et d'une capacité moyenne.' Ik geloof niet dat hij de elite (de 'aristocratie' in zijn woorden) gelijkstelde aan het meest dynamische deel van de maatschappij. In de erfelijke rijkom van de plantagehouders in de zuidelijke staten ziet hij wel een soort aristocratie, maar niet noodzakelijk van de beste soort.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Hij zag daar misschien eerder mensen in van zijn eigen slag: "de bonne famille", van adel dus of minstens uit de hoge burgerij, zeer hoog opgeleid, erg beschaafd enzovoorts. De VSA in die dagen had dus volgens mij een elite in die tijd, maar die was gebaseerd de macht van geld, eigendom en, indien nodig, bruut geweld. Jackson was bijvoorbeeld nogal voorstaander van lijfstraffen en duels en heeft minstens één man gedood in een dergelijk treffen. Ik kan me goed voorstellen dat de filosoof Montesquieu dat slag van mensen niet erg kon appreciëren, maar dat neemt niet weg dat de "elite" van de VSA voor een groot gedeelte uit dergelijke figuren bestond.

      Verwijderen
  3. De Fransen kunnen er natuurlijk ook naast zitten wat de uitspraak van een naam betreft, of het daar niet over eens zijn. Zo heb ik decennia achtereen Louis de Funè gezegd, dus zonder slot-s. Een Française vertelde een aantal jaren geleden dat het Funès was, dus met slot-s, blijkbaar omdat hij van Spaanse afkomst zou zijn. Als die afkomst een rol speelt, hebben de Zweden misschien gelijk: zij spreken mijn naam uit als Jelten, niet als Gelten, en inderdaad: de naam is van oorsprong wellicht Scandinavisch en dan is de uitspraak Jelten. Helemaal zeker is het echter niet: mijn stamboom loopt ergens verloren in de 17de eeuw en de naam zou ook Duits of Pools kunnen zijn, en in het geval van Duits blijft de g een g (Pools spreek ik niet).

    BeantwoordenVerwijderen
  4. In sommige Duitse dialecten (Kölsch- Niederrhein) wordt de g als beginklank van een woord als een j uitgesproken. Namen werden enkele eeuwen geleden vaak in de streektaal geschreven.

    BeantwoordenVerwijderen