zaterdag 23 juni 2018

Worden de rijken rijker en de armen armer?

     Nu moet je eens in de zoekbalk van Google of van een andere internetverkenner het volgende zinnetje intikken: ‘De rijken worden rijker en de armen worden armer’. Je zult veel succes hebben. Je zult cijfers te weten komen over 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. In mijn linkse tijd probeerde ik zulke cijfers te onthouden. Dat ging heel moeizaam. Al die losse cijfers zonder achtergrond of samenhang beletten mij een overzicht te krijgen van het grote geheel.
     In het laatste boek van Steven Pinker, Enlightenment Now, kreeg ik zo’n overzicht wel, ondersteund met statistieken, tabellen en grafieken. Niet iedereen houdt daarvan. Sommige mensen geloven, in navolging van Mark Twain, dat cijfers en statistieken niets dan leugens zijn. Maar het is zoals met wapens: net zoals die niet kunnen doden, kunnen statistieken niet liegen*. Het zijn ménsen die liegen en die daarvoor cijfers vervalsen of, wat vaker voorkomt, heel eenzijdig uitkiezen.
     Pinker liegt niet. Zijn cijfers hebben goede bronnen, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes.** Ze maken één zaak duidelijk: ook vandaag is het niet waar dat ‘de rijken rijker en de armen armer’ worden.
     Als je de hele wereld overschouwt is er zelfs een duidelijke daling van de ongelijkheid. Die wereldongelijkheid was geleidelijk gestegen tot 1960, bleef dan even op dezelfde hoogte, en is dan beginnen dalen vanaf de jaren 1980. Je kunt dat op verschillende manieren uitrekenen. Je kunt de landen onder elkaar vergelijken, of de individuele wereldburgers, je kunt het inkomen als uitgangspunt nemen of de consumptie, telkens kom je weer uit op een daling van de wereldongelijkheid vanaf 1980. Ik denk dat veel godsdienstleraren en derdewereldactivisten blij zullen zijn met dat nieuws, nadat ze de kleine teleurstelling te boven zijn gekomen dat hun wereldbeeld wat achterliep op de feiten.
     Die daling van de wereldwijde ongelijkheid kun je ook weergeven met een sprekende  grafiek. In de grafiek is een kameelrug verborgen – de grijze lijn met twee bulten – die de toestand van de wereld weergeeft in 1975.  In dat jaar bevinden heel wat mensen zich in de eerste bult van de halve-tot-één-dollar-per-dagverdieners. Dan is er een ‘kloof’ en daarna komt er een tweede bult van de 10-tot-20-dollarverdieners. Hogere inkomens van 50 dollar zijn zeldzaam en komen alleen in de Westerse landen voor. Heel anders is de toestand in 2015. De ‘kloof’ is weg. Er is nu een dromedarisrug met één bult in de plaats gekomen. Wiskundigen zouden het een normaalverdeling noemen. Wereldwijd zitten de meeste mensen in die ene bult van 5-tot-20 dollarinkomens, en inkomens van 50 dollar zijn géén Westerse uitzondering meer.
     Goed. De ongelijkheid is wereldwijd is afgenomen. Maar hoe zit dat als je onze westerse wereld uit dat geheel licht? Daar, moet Pinker toegeven, heeft zich een omgekeerde ontwikkeling voltrokken. De auteur illustreert dat vooral met cijfers voor de Verenigde Staten. De ongelijkheid is daar in de 19de eeuw gestegen, in de twintigste eeuw gedaald, na 1940 lange tijd gelijk gebleven, en dan vanaf 1980 geleidelijk weer gestegen. In de 19de eeuw bedroeg de Gini-coëfficiënt 0,5, in 1940 was hij gedaald tot 0,35, en sinds 1980 is hij gestegen tot het huidige niveau van 0,4. (In België is de Gini-coëfficiënt na 1980 gestegen van 0,22 naar 0,25 maar de laatste tien jaar blijft hij stabiel).***
     Er zijn dus twee tegengestelde tendensen sinds 1980. In de hele wereld daalt de ongelijkheid, maar in de Westerse wereld – en vooral in de Verenigde Staten – neemt de ongelijkheid toe. Dat komt niet omdat de ene armer wordt, en de andere rijker, maar omdat de ene sneller rijker wordt dan de andere. Als men zegt dat de wereldwijde economie winnaars en verliezers voortbrengt, drukt men de stand van zaken dus niet helemaal correct uit. De wereldwijde economie heeft overal winnaars voortgebracht, maar de ene wint veel  en de andere heel wat minder. Ook die tendens kan worden voorgesteld in een grafiek waar een aardig dier in verborgen is.
     Let op. De grafiek geeft geen inkomens weer, maar de stíjging van de inkomens, over 30 jaar, en die stijging is overal positief en nergens gelijk aan nul. Aan de linkerkant van de grafiek, de staart van de olifant, zitten de 10 procent armsten ter wereld, veelal Afrikanen. Die zijn er 20% op vooruitgegaan. Daarna wordt het interessant. Het hele lichaam en de kop van de olifant stellen de inkomens voor van de mensen wier inkomen met 40 tot 60 procent gestegen is. Veel van die mensen zijn hardwerkende Aziaten, dus die hebben dat verdiend. Vervolgens komt het minst leuke deel van de grafiek: de krul van de slurf, waar zich de arbeidersklasse van de Westerse wereld bevinden. Die zijn er slechts 10 procent op vooruitgegaan. Wie in een autofabriek of bij een staalreus is blijven werken, is er natuurlijk veel meer op vooruit gegaan, maar het aantal van zulke arbeidsplaatsen is verminderd en er zijn er andere in de plaats gekomen bij koeriersdiensten, schoonmaakbedrijven en hamburgerrestaurants. Die nieuwe, minder betalende arbeidsplaatsen halen het gemiddelde loon van de arbeidersklasse naar beneden. Waar de slurf ten slotte weer steil de hoogte in gaat, vanaf de 4 procent rijkste wereldburgers, is de inkomensstijging weer interessant. Ik geloof dat ik daar als Vlaamse leraar nog net bij hoor. ’t Is ook het verhaal dat mijn loonbriefjes mij vertellen.
     Zal ik dat allemaal kunnen onthouden. Ik denk het wel. 1980. Daling van wereldwijde ongelijkheid. Stijging van ongelijkheid in het Westen. Kameel, dromedaris, olifant.  Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 0,35 naar 0,4. Belgische van 0,22 naar 0,25. Loon Vlaamse leraren in stijgende lijn.

* Sommige statistieken hebben, dat moet ik toegeven, een vrije verhouding met de werkelijkheid. In veel derdewereldlanden lees je aan het bruto binnenlands product maar een klein deel van de economische werkelijkheid af. Toch blijft dat product een redelijke graadmeter om te vergelijken met soortgelijke landen, of om tendensen van stijging of daling te onderkennen.

** De cijfers in dit stuk komen uit de primaire bronnen van Pinker en enkele andere internetpublicaties.
- Moatsos, M. e.a. 2014. Income inequality since 1820. In J. van Zanden e.a. (red) How was life? Global well-being since 1820. Paris: OECD. (Voor de niet gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen tussen 1820-2000)
 - Milanovic, B. 2012. Global income inequality by the numbers: In history and now – an overview. Washington: World Bank Development Research Group. (voor de gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen 1945-2012)
- Milanovic, B. 2016. Global inequality: A new approach for the age of globalization. Cambridge, MA: Harvard University Press. (Gini-index vergelijking tussen wereldburgers op basis van inkomen (1825-1890 en op basis van inkomen en consumptie tussen 1980-2015, daling en stijging van Gini-index in de Verenigde Staten 1775-2013, olifantgrafiek).
- Gapminder, via Ola Rosling, http://www.gapminder.org/tools/mountain. (voor de kameel- en dromedarisgrafiek)
- United Nations Development Program. 2004 [via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_landen_naar_inkomensverschillen]. (voor de Gini-index van Europese landen)
- De Ivoren Toren, http://www.ivorentoren.be/2017/08/07/dertig-jaar-inkomensverdeling-in-belgie/ (voor de evolutie van de Gini-index in België)

 *** De Gini-coëfficiënt geeft de mate van ongelijkheid weer. Een coëfficiënt van 0 betekent dat iedereen precies hetzelfde verdient. Een coëfficiënt van 1 betekent dat één iemand zich alle inkomen toe-eigent, en al de rest niets krijgt. De Gini-coëfficiënt in Europa schommelt tussen 0,25 (België, Finland, Zweden) en 0,33 (Frankrijk, Nederland, Zwitserland).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten