En nog meer scherpe woorden. ‘Mill raskaalt,’ schrijft Elchardus, ‘als het over vrijheid gaat.’ Want het meest is Elchardus gebeten op Mills beginsel dat vrijheid onbeperkt moet zijn zolang men anderen geen schade toebrengt. Maar wie bepaalt wat schade is? vraagt Elchardus.
Dat is inderdaad een moeilijke vraag. Maar ook weer niet zó moeilijk. Als je iemand vermoordt, breng je hem schade toe. Ook als je hem slaat, verwondt, foltert, besteelt, beliegt, bedriegt, belastert, beledigt of dwingt dingen te doen of te laten die hij niet doen of laten wil. Dat is toch al een goed begin? ’t Is niet genoeg voor een wetgeving, dat weet ik, al was het maar omdat je niet alles wat schade toebrengt kunt of moet verbieden.
Over die kwestie kunnen beschavingen van mening verschillen. Maar als ze een wetgeving opstellen, houden ze best het beginsel van Mill als vuistregel in het achterhoofd. Als ze van alles verbieden dat niet onder klaarblijkelijke ‘schade aan anderen’ valt, dan moeten ze daar héél goede redenen voor hebben, of die nu uit een traditie dan wel uit een ideologie komen.
*
Als ik een politieke column lees van Elchardus, denk ik vaak: hoe kan een tegenstander nu weerleggen wat daar staat? Die onweerlegbare feiten? Die scherpe logica? Nu weet ik het wel. Ik heb namelijk het stuk van Tom Naegels gelezen over Elchardus’ boekje Vrijheid/Veiligheid. Je moet het als volgt aanpakken. Je zegt dat Elchardus ‘al lang de blik van de socioloog niet meer heeft’ en dat hij ‘zich verpopt heeft tot partizaan in de cultuuroorlog’. Ik krijg ook soms met zo’n weerlegging te maken, zij het in een primitievere vorm. Ik schrijf een stukje waarin ik probeer iets te beargumenteren, en dan antwoordt iemand dat wat ik schrijf ‘niet objectief’ is. Daar sta ik dan.
Als ik tot overdrijven geneigd was, zou ik de formulering van Naegels een karaktermoord noemen, maar het woord is veel te sterk. Om te beginnen is ‘partizaan in de cultuuroorlog’ niet eens zo’n negatieve kwalificatie. Naegels is dat zelf ook, en dat weet hij wel. Alleen staat hij in de oorlog aan de andere kant. En ten tweede is het natuurlijk waar dat Elchardus zijn columns niet schrijft als een waardevrije socioloog. Een beetje zoals Paul Krugmann zijn columns niet schrijft als een waardevrije econoom. Maar ik zou niet snel schrijven dat Krugmann ‘al lang de blik niet meer heeft van de econoom.’ Een goede econoom kan zich laten meeslepen door politieke passie, zijn pen in vitriool dopen, maar hij zal altijd blijven denken aan vraag en aanbod en aan marginale waarden. En een goede socioloog zal ook als polemist altijd zijn statistieken en opinie-onderzoeken in het achterhoofd houden.
Voor Naegels is het de taak van de socioloog om – onder andere – culturele breuklijnen te beschrijven bijvoorbeeld over migratie, klimaat en identiteit. En hij voegt daar terecht aan toe: ‘Vanuit sociologisch standpunt heeft geen enkele kant van zo’n breuklijn gelijk.’ Ja, natuurlijk. In een wetenschappelijk artikel voor een sociologisch tijdschrift moet je het ene kamp in een maatschappelijk debat niet omschrijven als bestaande uit ‘sympathieke volkse lieden’ en het andere kamp niet als ‘losgeslagen kruisvaarders’, maar als burger mag je dat gerust denken, en als columnist mag je dat gerust schrijven, en als je Elchardus heet, mag je dat gerust met argumenten ondersteunen die je uit eigen of andermans sociologisch onderzoek haalt.
Overigens is de grens tussen de waardevrije wetenschapper en de geëngageerde burger niet zo scherp te trekken. Neem een econoom als Mises die een hevig voorstander was van zo’n scherpe grens. Als hij de liberale, de socialistische en de gemengde economie tegenover elkaar stelt, probeert hij zich met alle geweld van een moreel oordeel onthouden. Alleen wil hij er graag op wijzen dat de socialistische en gemengde economie op langere termijn tot een catastrofale daling van de productie moet leiden. Of neem Mearsheimer. Hij zet op onpartijdige, waardevrije manier uiteen waarin een progressief (liberal) buitenlands beleid verschilt van een realistisch buitenlands politiek. Alleen wil hij er graag op wijzen dat het eerste beleid tot veel meer oorlogen leidt. Zo kan ook een socioloog op een onpartijdige manier de verschillen uitleggen tussen een progressief en een conservatief beleid, en tegelijk betogen dat het nadelig is voor de sociale cohesie als een progressieve minderheid haar dominantie oplegt aan een conservatieve meerderheid*. En dan kan hij zelfs waardevrij onderzoeken of die progressieven inderdaad een minderheid vormen en of ze inderdaad dominant zijn – twee stellingen die ik zelf niet graag zou moeten verdedigen.
‘Die partijdigheid komt de evenwichtigheid van Elchardus’ analyse niet ten goede,’ schrijft Naegels. Elchardus laat zien dat ‘witte mensen – tu quoque, Naegels? – redelijke bezorgdheden hebben’ aangaande omvolking. Maar dan moet hij met ‘evenveel inleving willen begrijpen wat mensen van kleur eigenlijk bedoelen als ze het hebben over dekolonisering of witte suprematie.’ Dat is bijna whataboutery. Waarom zou Elchardus, na zijn analyse van de bezorgdheden van ‘witte mensen’, per se ook die van mensen van kleur moeten analyseren, vooral als Naegels dat laatste al doet? Ik zou zo’n evenwichtigheid zelfs niet van een wetenschapper vragen. Wetenschappers moeten onderling elkaars eenzijdigheid maar rechtzetten. ’t Is waar, Elchardus gaat verder en noemt, geloof ik, het discours van wokers rond dekolonisering en witte suprematie ‘ideologische waanzin’. Ik vind dat zelf ook. Aan Naegels om te bewijzen dat Elchardus en ik ons vergissen.
Als ik tot overdrijven geneigd was, zou ik de formulering van Naegels een karaktermoord noemen, maar het woord is veel te sterk. Om te beginnen is ‘partizaan in de cultuuroorlog’ niet eens zo’n negatieve kwalificatie. Naegels is dat zelf ook, en dat weet hij wel. Alleen staat hij in de oorlog aan de andere kant. En ten tweede is het natuurlijk waar dat Elchardus zijn columns niet schrijft als een waardevrije socioloog. Een beetje zoals Paul Krugmann zijn columns niet schrijft als een waardevrije econoom. Maar ik zou niet snel schrijven dat Krugmann ‘al lang de blik niet meer heeft van de econoom.’ Een goede econoom kan zich laten meeslepen door politieke passie, zijn pen in vitriool dopen, maar hij zal altijd blijven denken aan vraag en aanbod en aan marginale waarden. En een goede socioloog zal ook als polemist altijd zijn statistieken en opinie-onderzoeken in het achterhoofd houden.
Voor Naegels is het de taak van de socioloog om – onder andere – culturele breuklijnen te beschrijven bijvoorbeeld over migratie, klimaat en identiteit. En hij voegt daar terecht aan toe: ‘Vanuit sociologisch standpunt heeft geen enkele kant van zo’n breuklijn gelijk.’ Ja, natuurlijk. In een wetenschappelijk artikel voor een sociologisch tijdschrift moet je het ene kamp in een maatschappelijk debat niet omschrijven als bestaande uit ‘sympathieke volkse lieden’ en het andere kamp niet als ‘losgeslagen kruisvaarders’, maar als burger mag je dat gerust denken, en als columnist mag je dat gerust schrijven, en als je Elchardus heet, mag je dat gerust met argumenten ondersteunen die je uit eigen of andermans sociologisch onderzoek haalt.
Overigens is de grens tussen de waardevrije wetenschapper en de geëngageerde burger niet zo scherp te trekken. Neem een econoom als Mises die een hevig voorstander was van zo’n scherpe grens. Als hij de liberale, de socialistische en de gemengde economie tegenover elkaar stelt, probeert hij zich met alle geweld van een moreel oordeel onthouden. Alleen wil hij er graag op wijzen dat de socialistische en gemengde economie op langere termijn tot een catastrofale daling van de productie moet leiden. Of neem Mearsheimer. Hij zet op onpartijdige, waardevrije manier uiteen waarin een progressief (liberal) buitenlands beleid verschilt van een realistisch buitenlands politiek. Alleen wil hij er graag op wijzen dat het eerste beleid tot veel meer oorlogen leidt. Zo kan ook een socioloog op een onpartijdige manier de verschillen uitleggen tussen een progressief en een conservatief beleid, en tegelijk betogen dat het nadelig is voor de sociale cohesie als een progressieve minderheid haar dominantie oplegt aan een conservatieve meerderheid*. En dan kan hij zelfs waardevrij onderzoeken of die progressieven inderdaad een minderheid vormen en of ze inderdaad dominant zijn – twee stellingen die ik zelf niet graag zou moeten verdedigen.
‘Die partijdigheid komt de evenwichtigheid van Elchardus’ analyse niet ten goede,’ schrijft Naegels. Elchardus laat zien dat ‘witte mensen – tu quoque, Naegels? – redelijke bezorgdheden hebben’ aangaande omvolking. Maar dan moet hij met ‘evenveel inleving willen begrijpen wat mensen van kleur eigenlijk bedoelen als ze het hebben over dekolonisering of witte suprematie.’ Dat is bijna whataboutery. Waarom zou Elchardus, na zijn analyse van de bezorgdheden van ‘witte mensen’, per se ook die van mensen van kleur moeten analyseren, vooral als Naegels dat laatste al doet? Ik zou zo’n evenwichtigheid zelfs niet van een wetenschapper vragen. Wetenschappers moeten onderling elkaars eenzijdigheid maar rechtzetten. ’t Is waar, Elchardus gaat verder en noemt, geloof ik, het discours van wokers rond dekolonisering en witte suprematie ‘ideologische waanzin’. Ik vind dat zelf ook. Aan Naegels om te bewijzen dat Elchardus en ik ons vergissen.
*
*
Het laatste onderdeel van Naegels’ redenering is nogal complex. Hij verwijt Elchardus dat hij door zijn polemiek niet bijdraagt aan de pacificatie van de culturele breuklijn, en dat hij dat wel zou kunnen als hij zich uit zijn partijdige positie terugtrok, en onbewogen onderzoek deed naar welke factoren die breuklijn tot stand brengen: opvoeding, opleiding, persoonlijkheid, waarden, cultuur, sociaal-economische positie, gender, geloof. Daar zit iets in. Maar ik moet ook even glimlachen bij de gedachte aan de ene partizaan die de andere partizaan oproept om zijn stellingen te verlaten. Misschien wil Elchardus wel éérst een bijdrage leveren om het ideologische machtsevenwicht te herstellen vóór de wapenstilstand getekend wordt.
*
* Zoals Elchardus bijvoorbeeld doet in Reset, dat bezadigder van toon is dan de stukjes in Vrijheid/Veiligheid. De stellingen van Mises, Mearsheimer en Elchardus zijn allemaal - juist of fout - waardevrij, behalve als je een stap verder gaat en een hoge productie, minder oorlog en sociale cohesie als waardevol definieert.
** Tegelijk betwijfelt Naegels of die pacificatie mogelijk is.
Ach, Naegels weet er wel een geleerde draai aan te geven, maar op het einde van de dag is hij een eerder misnoegd en nijdig onverdraagzaam burgermannetje. Gij zijt nog veel te toegeeflijk. Noem een koe toch gewoon 'koe', ... en stront 'stront'.
BeantwoordenVerwijderenSuperbe meta-analyse. Clericks is een erudiet fenomeen.
BeantwoordenVerwijderen