donderdag 12 maart 2026

45 filosofen willen censuur


     Het woord ‘censuur’ in mijn titel is misschien niet helemaal juist.  Maar de lezer zal wel begrijpen wat ik bedoel. Hij of zij weze gerustgesteld: mijn stukje is niet zo lang als het lijkt. Zo snel schrijf ik ook weer niet. Het tweede stuk bestaat uit enkele lange citaten van Steven Pinker.
     Ook mag ik mijn inleiding weggooien. Boudry heeft ondertussen, ondanks mijn raad, de academische vrijheid van Cofnas tóch verdedigd. Wat een roekeloze jongen.

*** 

       Als ik Maarten Boudry was zou ik nu in alle talen zwijgen over de rel rond de Amerikaanse filosoof Nathan Cofnas. De U Gent zou die Cofnas aannemen als postdoctoraal onderzoeker terwijl hij, volgens een open brief van 45 Gentse filosofen (DS 12/3) ‘je reinste racisme verkondigt.’ Mocht Boudry nu het aannemen van die filosoof verdedigen in naam van de academische vrijheid, dan riskeert hij om zelf van racisme te worden beschuldigd. Wie anders dan een heks zou het in zijn hoofd halen om een andere heks te verdedigen? Ik zal er dus zelf maar iets over schrijven.
      De brief van de 45 filosofen klaagt aan dat Cofnas onderzoek doet naar ‘natuurlijke verschillen tussen rassen – niet alleen biologische verschillen, maar ook verschillen in intellectuele vermogens.’ Hij heeft op een blog geschreven: 

‘In een meritocratie zou Harvard-personeel uit de beste van de beste studenten gerekruteerd worden, wat betekent dat het aantal zwarte professoren 0 procent zou benaderen.’ 

     Ik weet niet of die stelling van Cofnas waar is. Zelfs als zwarte mensen gemiddeld minder intelligent zouden zijn, dan zijn er nog andere kwaliteiten die de academische vaardigheid bepalen. Maar áls de veronderstelling over het IQ-verschil waar is, zou ze misschien wel opgaan voor de harde wetenschappen. De vraag is trouwens of in die faculteiten binnen afzienbare tijd nog blanken overblijven. Ik heb ergens gelezen dat men allerlei trucjes moet toepassen om het overwicht van de Aziaten niet te groot te laten worden.
      Maar goed, ik heb die kwestie natuurlijk niet onderzocht, en van de 45 filosofen zou ik ze dus ook niet mógen onderzoeken. Hun stelling over Cofnas is dubbel: zijn standpunten zijn ‘moreel beneden alle peil’ en ze zijn gebaseerd op de 
pseudowetenschap van mensen als ‘Emil Kirkegaard en Edward Dutton, die beiden geen achtergrond hebben in de psychologie of erfelijkheidsleer.’ Daarbij vergeten de 45 filosofen gemakshalve – ik overtreed hier mijn eigen stijlregel – dat ze als filosofen zelf ook geen achtergrond hebben in de psychologie of erfelijkheidsleer. Ik ben beschaamd om de polemische uitschuiver in de vorige zin, maar laat die toch staan als getuige van mijn slecht karakter.
     Enkele maanden geleden raakte ik op FB in een discussie verwikkeld met een geleerde vrouw, mét PhD, over die eigenaardige koppeling van ‘morele minderwaardigheid’ en ‘pseudowetenschap’. Omdat ik mij nogal warrig uitdrukte, werd mijn FB-correspondente ongeduldig. Ik ben daarom blij dat ik hieronder uitgebreid Steven Pinker kan citeren, iemand die zich wel helder uitdrukt. De 45 filosofen gebruiken onder andere als argument dat ‘de wetenschappelijke gemeenschap unaniem’ is in het oordeel dat het onderzoek  in kwestie ‘rommel’ is. Het antwoord van Pinker op dát argument heb ik eergisteren al aangehaald. Hieronder geef ik fragmenten uit zijn redenering over het verband tussen de moraliteit en de wetenschappelijkheid van academisch onderzoek.
      Vooraf nog enkele bemerkingen. Pinker ontwikkelt zijn redenering in het kader van een theorie over ‘gemeenschappelijke kennis.’ Gemeenschappelijke kennis is niet iets wat iedereen weet, maar iets wat iedereen weet én waarvan iedereen weet dat iedereen het weet dat iedereen het weet dat iedereen het weet … enzovoort. Emails en privé-gesprekken (als ze tenminste niet worden opgenomen door een microfoon van de Universiteit van Antwerpen) dragen niet bij tot gemeenschappelijke kennis, publicaties en posts op de sociale media doen dat wel. Pinker gelooft dat gemeenschappelijke kennis o.a. wegens haar expliciet en onomkoombaar karakter een veel grotere invloed heeft op ons gedrag in de samenleving dan andere kennis.
     Overigens is het niet zo dat Pinker a priori vindt dat raciale IQ-verschillen wél moeten worden onderzocht. Hij is tegen het soort censuur en schandpaal-politiek waar de 45 filosofen toe oproepen, maar somt zowel de voor- als tegenargumenten op inzake dat soort onderzoek. De ironie wil nu, geloof ik, dat de geviseerde Cofnas als filosoof juist die kwestie onder de loepe neemt: hoe zwaar wegen de voor- en nadelen van dat soort onderzoek. Als ik het goed begrepen heb wordt Cofnas niet gewraakt niet alleen omdat hij een debat wil openen over kwestie X, maar omdat hij een debat wil openen over de wenselijkheid van zo’n debat. En hopelijk word ikzelf niet gewraakt omdat ik de toelaatbaarheid van een debat over de wenselijkheid van zo’n debat wil bepleiten.
     Pinker begint zijn redenering met te verwijzen naar een studie over de doodstraf, en meer bepaald naar hoe men daarover argumenteert. De twee belangrijkste vragen zijn: 1) Is de doodstraf moreel gerechtvaardigd? en 2) heeft de doodstraf een afschrikwekkend effect? De ene vraag is van morele aard, en de andere is van feitelijke aard. Maar uit het onderzoek blijkt dat zeker tegenstanders van de doodstraf voortdurend de twee niveaus door elkaar gooien. Er is natuurlijk geen enkele reden waarom de twee niveaus niet in dezelfde richting zouden kunnen wijzen, maar iemand met wat zin voor zelfkritiek zou toch even mogen stilstaan bij wat Pinker noemt die ‘amazing coincidence’.
     Ik ken die kwestie vanuit een andere context. Bastiat verwonderde er zich expliciet over dat de liberale economie zowel de vrijheid als de welvaart bevorderde. Hij vond het geloof ik een kwestie van Goddelijke Voorzienigheid. Marx was implicieter, maar leek toch ook een verklaring te zoeken waarom zijn economische analyses zo goed overeenkwamen met de morele aspiraties van het proletariaat. Zijn verklaring zocht hij in de Geschiedenis die ‘de mensheid slechts voor taken stelt die waarvan ze de materiële voorwaarden geschapen heeft.’
      Nog een laatste bemerking. Pinker wijst erop dat tot taboe verklaarde onderwerpen voor nieuwsgierige mensen een extra uitdaging vormen om ze te onderzoeken. Wat moet zo’n nieuwsgierige mens dan doen als hij bang is om academische aanstellingen mis te lopen door boze brieven van 45 filosofen. Hij zou het voorbeeld kunnen volgen van oom Eberhard uit de roman Gösta Berling. Overdag wijdt de nieuwsgierige onderzoeker zich aan een ongevaarlijk onderwerp: de invloed van Kant op Hegel, of omgekeerd, en ’s nachts werkt hij onverdroten aan zijn manuscript waar de waarheid over raciale IQ-verschillen eens en voor altijd onweerlegbaar wordt uiteengezet. Maar om zijn tijdgenoten niet te kwetsen, verbergt hij dat manuscript in een kist, in een grote kast, onder de trap van een kerkgalerij. En in zijn testament bepaalt de onderzoeker dat die kist slechts mag worden geopend aan het eind van de eeuw. Dan zijn de 45 filosofen allemaal overleden.

* Zie mijn stukje hier.’

                                                    ***

     Maar nu Pinker:

      Universiteiten streven ernaar om objectieve kennis te ontwikkelen over grote vragen. Maar academici zijn ook maar mensen, en ondanks hun training in het maken van conceptuele onderscheidingen zijn ze geneigd om net die feitelijke claims te onderschrijven die hun morele geloofspunten sterker maken. Seksuele discriminatie en intimidatie zijn verkeerd, en ‘overigens zijn mannen en vrouwen precies hetzelfde.’ Verkrachting is een laf misdrijf, en ‘bovendien hebben mannen geen natuurlijke neiging om zoiets te doen.’ Oorlog is verschrikkelijk, en niet alleen dat, maar onze evolutionaire voorouders hebben zoiets nooit gedaan.’ 
     Zulke empirische overtuigingen kunnen gemeenschappelijke overtuigingen worden, van het soort dat een gemeenschap of stam bindt, en ze zijn bijzonder kostbaar in een tijdperk van groeiende politieke polarisatie … Het is dus gemakkelijk om de zoektocht naar objectieve kennis te vermengen met het handhaven van morele normen, zelfs in de academische wereld, en vooral in die sectoren van de academische wereld die zich nooit hebben aangesloten bij het ideaal van objectieve kennis.
    En dit brengt ons bij de rol van gemeenschappelijke kennis in de academische cancelcultuur. Volgens een eindeloos herhaald verhaal riep een vrouw (in verschillende versies een maagd, een oude vrijster of de vrouw van een bisschop) bij het horen van Darwins theorie uit: ‘Lieve hemel, afstammen van apen! Laten we hopen dat het niet waar is, maar als het waar is, laten we dan bidden dat het niet algemeen bekend wordt.’ 
     Hoewel de geschokte vrouw bijna zeker nooit heeft bestaan, vat haar reactie de houding van veel mensen ten opzichte van verontrustende ideeën samen. Ze hopen dat de ideeën niet waar zijn, maar of ze waar zijn of niet, ze willen niet dat ze algemeen bekend worden – of, preciezer, gemeenschappelijk bekend worden. Verschillende onderzoeken wijzen uit dat wetenschappers maar al te graag gemeenschappelijke kennis willen controleren. In 2022 kondigden de redacteuren van een groot tijdschrift, Nature Human Behaviour aan dat ze vanaf dat moment elk artikel zouden afwijzen of intrekken waarvan zij dachten dat het een menselijke groep in een ongunstig daglicht zou stellen, zelfs als het artikel wetenschappelijk solide was. Veel tijdschriften hebben zulke beleidslijnen ingevoerd, waarbij peer-gereviewede artikels van hun websites werden gehaald en in de vergeetput werden gegooid omdat sommige lezers aanstoot namen aan de conclusies die eruit konden worden getrokken. Hoewel een meerderheid van de ondervraagde academici zegt gekant te zijn tegen harde censuur of ontslagen wegens het ventileren van controversiële meningen, vindt ongeveer een kwart dat prima, en, als een onheilspellend teken voor de toekomst van de universiteiten: hoe jonger de wetenschapper, hoe sterker de drang tot censuur. Een meerderheid van het faculteitspersoneel onder de 35 jaar zegt voorstander te zijn van het het zwijgen opleggen van sprekers met wie ze het oneens zijn over een bepaald onderwerp, en een vijfde steunt studenten die geweld zouden gebruiken om te voorkomen dat een spreker opvattingen ventileert die zij aanstootgevend vinden …. Laten we dat eens concreet maken. Stel dat mensen een mening koesteren over verschillen tussen seksen, rassen of etnische groepen, en die voor zichzelf houden. Er verandert misschien weinig. Maar stel nu dat dezelfde mening in het openbaar wordt geuit. Mensen kunnen zich gesterkt voelen om op basis van die overtuiging vooroordelen te koesteren tegen individuen en ze naar die vooroordelen te behandelen, niet alleen omdat de mening publiekelijk is bekend is, maar omdat men verwacht dat iedereen anders ook op basis van die informatie zal handelen. Sommige mensen zouden zelfs leden van een etnische groep kunnen discrimineren alhoewel ze zelf geen negatieve mening over hen hebben, maar omdat ze verwachten dat hun klanten of collega's zulke meningen wél hebben ….   Dat is waarom gemeenschappelijke kennis zo gevreesd wordt als het om gevaarlijke ideeën gaat. Het verklaart waarom een ketter die een idee in het openbaar uit, vervolgens in het openbaar gestraft moet worden. Schandpalen zijn passé, dus aan de universiteiten neemt dit de vorm aan van gepubliceerde manifesten en online petities met honderden ondertekenaars (makkelijk te verzamelen via sociale media) ...
Telkens wanneer het uiten van een mening wordt afgestraft, worden mensen ertoe aangezet om valse verklaringen af te leggen over wat ze geloven … Wanneer mensen in publiek hun ware mening verbergen, kan dat op zijn beurt een “spiraal van stilte” creëren die resulteert in pluralistische onwetendheid: … waarbij iedereen denkt dat iedereen een bepaalde mening is toegedaan, terwijl eigenlijk niemand die mening echt is toegedaan. Een voorbeeld dat onderzocht is, betreft het beleid van positieve discriminatie bij de inschrijving aan universiteiten. Aan de huidige universiteiten is verzet tegen die beleidslijnen een halsmisdaad, maar elke peiling toont aan dat ze niet populair zijn bij de meerderheid van de Amerikanen (inclusief de Afro-Amerikanen). Studenten overschatten hoeveel van hun medestudenten het beleid steunen en onderschatten hoeveel ertegen zijn…      Aangezien het argument ten voordele van academische vrijheid berust op de waarde van het overwegen van tegengestelde ideeën, is het passend dat ik ook de beste argumenten presenteer die ik kan bedenken voor het beperken van academische vrijheid. Dat zou in de geest zijn van een gemeenschap die rationaliteit betracht, en die aanbeveelt om een standpunt dat men bestrijdt zo sterk mogelijk voor te stellen – ‘steelmanning’, het tegenovergestelde van een stro-pop argument.
Hoewel ik geen redenen kan vinden ten voordele van censuur of straf, kan ik me wel een argumentatie voorstellen voor een ander beleid dan volledige academische vrijheid. Dat zou er zo uitzien: er bestaan onderwerpen waarbij je zegt: don’t go there. Onderdruk niet één kant van een controverse … maar laat de controverse bewust ononderzocht, houd het idee buiten de gemeenschappelijke kennis. Het model zou het alledaagse sociale leven zijn, waar we sommige observaties onuitgesproken laten, brute openhartigheid opofferend voor basisbeleefdheid. Elk beleid van bewust agnosticisme zou zich wel moeten beperken tot alleen de allergevaarlijkste ideeën, zodat we niet tot wijdverbreide onwetendheid veroordeeld worden. Neem het onderwerp dat Cory Clark en haar medewerkers bestempelden als het explosiefste van de tien onderwerpen die ze onderzocht hadden in hun onderzoek naar censuur in de wetenschap: de mogelijkheid dat gemiddelde raciale verschillen in gemeten intelligentie zowel genetische als omgevingsoorzaken hebben in plaats van alleen omgevingsoorzaken. Dat onderwerp heeft de intellectuele wereld al meer dan een halve eeuw in vuur en vlam gezet telkens wanneer het werd opgeworpen. Het don’t-go-there argument werd voor het eerst gebruikt in 1973 door Noam Chomsky, wiens geloofsbrieven als progressief en als kampioen van vrije meningsuiting onberispelijk zijn. Chomsky beriep zich op een afweging tussen wetenschappelijke betekenis en maatschappelijke schade:

Gezien de vrijwel zekere kans dat alleen al het doen van dit onderzoek enkele van de meest verwerpelijke kenmerken van onze samenleving zal versterken, hangt de ernst van het veronderstelde morele dilemma cruciaal af van de wetenschappelijke b etekenis van het onderwerp dat de onderzoeker kiest om te onderzoeken … Een mogelijke correlatie tussen gemiddeld IQ en huidskleur is van geen grotere wetenschappelijke interesse dan een correlatie tussen twee willekeurig gekozen andere eigenschappen, zeg gemiddelde lengte en oogkleur…. Het zou… dwaas zijn om te beweren dat ‘de samenleving niet in onwetendheid mag blijven.’ De samenleving verkeert gelukkig in onwetendheid over onbeduidende zaken van allerlei soort.  

We hebben al de belangrijkste mogelijkheid tot schade gezien. Als verschillen in gemiddelde intelligentie gemeenschappelijk bekend werden, vooral als ze genetisch bleken te zijn, zouden mensen verleid kunnen worden om ze als Bayesiaanse priors te gebruiken in hun behandeling van individuele Afro-Amerikanen, wat tot onrechtvaardige toestanden zou leiden. Het zou racisten kunnen aanmoedigen, het zou het gemakkelijk maken om systemisch racisme over het hoofd te zien, het zou het zelfvertrouwen van individuele Afro-Amerikanen ondermijnen, en het zou het land verder verdelen langs raciale lijnen … Maar eist de rationaliteit niet dat we altijd de volledige waarheid opzoeken? Zoals Chomsky al zei: niet noodzakelijkerwijs … Alleen moeten de in quarantaine geplaatste onderwerpen zeer beperkt zijn in aantal, en de voordelen van het beperkte agnostcisme moeten worden afgewogen tegen de kosten van onwetendheid. …      De don’t-go-there aanpak heeft zeker ook veel nadelen. Hij is bijna onmogelijk af te dwingen. Hij plaatst ons voor de bekende paradox: mensen vertellen niet aan een ijsbeer te denken dwingt hen om aan een ijsbeer te denken. Het kan moeilijk zijn om de precieze lijn rond de no-go-zone te trekken zodat die de omliggende gebieden niet opslokt, zoals het bestuderen van intelligentie op zich, of het bestuderen van de continentale afkomst van mensen. Het sluit de mogelijkheid af om doorslaggevend bewijs te verkrijgen dat raciale verschillen wél volledig door de omgeving bepaald zijn en dus kunnen verdwijnen, met alle maatschappelijke voordelen die dat zou meebrengen.
     En het kan te laat zijn. Ons tijdperk is geobsedeerd door raciale verschillen, die werktuigelijk worden toegeschreven aan racisme, wat nieuwsgierige mensen alleen maar uitnodigt zich af te vragen of die verschillen niet aan andere oorzaken toegeschreven kunnen worden, wat dan weer zorgt voor een criminalisering van die nieuwsgierigheid.

1 opmerking:

  1. Zouden er in Harvard in een méritocratie vrouwen werken, laat mijn vrouw vragen vanuit de keuken. Blanke weliswaar.

    BeantwoordenVerwijderen