donderdag 30 augustus 2018

Cultuurracisme en westerse waarden

     In de krant lees je soms iets over racisme. Het is dan niet altijd helemaal duidelijk wat daarmee bedoeld wordt. Het woord is nogal ruim, zoals ook andere woorden dat zijn, zoals  ‘milieu’, ‘zorg’, ‘samenhang’, ‘preventie’ en ‘levenskwaliteit’. In de taalkunde noemt men dat verschijnsel ‘polysemie’.
     Ik heb daar geen moeite mee. Iedereen mag van mij het woord gebruiken in de betekenis die hij verkiest.* Ik heb nooit gehoord dat er op het woord een patent bestond, en mocht dat toch zo zijn, dan is het ondertussen allang verstreken.
     Je moet evenwel niet overdrijven. Walter Zinzen gebruikte het woord laatst in de betekenis van ‘discriminatie’. Dan wordt het verwarrend. Dan heb je racisme tegen vrouwen, racisme tegen mindervaliden, racisme tegen bejaarden, racisme tegen homoseksuelen en racisme tegen transgenders. Zinzen gaf als voorbeeld van religieus racisme het gedrag van IS tegenover de Jezidi’s, evenals onze godsdienstoorlogen en de Spaanse inquisitie.
     Een vergelijkbare ruime invulling van het begrip vind je bij diegenen die twee soorten racisten onderscheiden: de biologische racisten en de culturele racisten of cultuurracisten.* De eersten zouden geloven in de superioriteit van een bepaald ras, de anderen zouden geloven in de superioriteit van een bepaalde cultuur.
     Die superioriteit van een bepaald ras vind ik onzin. Het is natuurlijk best mogelijk dat Oost-Aziaten gemiddeld wat beter kunnen hoofdrekenen dan blanken, en dat zwarten gemiddeld wat beter kunnen voetballen, maar wat heb ik daarmee te maken? Ik ben er zeker van dat als ik lang zoek wel een Aziaat vind die nog slechter hoofdrekenen kan dan ik, en als ik heel erg lang zoek vind ik misschien ook wel een zwarte die slechter voetbalt. Mocht iemand bewijzen dat blanke Europeanen gemiddeld de beste aanleg hebben voor ruimtemeetkunde, dan verandert dat niets aan mijn bedroevende aanleg voor die discipline. Ik heb er niets aan dat de buren in mijn straatje daar wel goed in zijn. Het enige wat ik kan doen om mijn ruimtemeetkundig inzicht te verbeteren is om veel oefeningen te maken.
     De superioriteit van een bepaalde cultuur daarentegen vind ik geen onzin, als is het ook weer geen evidentie. Misschien wás de Griekse cultuur wel superieur aan de Perzische of aan de Romeinse. Zelfs Cato studeerde in zijn oude dag nog Griekse letterkunde. Maar het is zoals met boeken, schilderijen, muziekstukken, godsdienstige dogma’s en filosofische stelstels. Wellicht is het ene superieur aan het andere, maar bewijs het maar eens. Je kunt geloof ik niet eens bewijzen dat de muziek van Bach superieur is aan die van Bobbejaan Schoepen. En zelfs als een culturele gemeenschap een of andere waarde in het uitstalraam heeft waarvan wij hier onder elkaar overeenkomen dat ze superieur is, dan zijn we er nog niet. We weten dan nog niet of álle leden van de gemeenschap die waarde belijden. Niet of de beleden waarde ook metterdaad beoefend wordt. Niet of ze misschien overschaduwd wordt door even grote of nog grotere gebreken. Niet of ze in andere culturele gemeenschappen wellicht met nog meer vuur wordt aangehangen.
     Maar een culturele gemeenschap kán dus, in principe, een aantal waarden ontwikkeld hebben die door veel van haar leden gedeeld worden. En die waarden kúnnen dus, in principe, superieur zijn. Als je zo’n waarde aantreft, dan moet je ze koesteren, ze beschermen, ze verdedigen en er de nadelen van verdragen. Je moet beseffen dat ze geen verworven recht is, noch een kwestie van aanleg en genen. Ze is mensenwerk, en kan door mensen weer worden vernietigd.
      Neem de zogenaamde westerse waarden. Misschien heeft Europa daar een lijst van, of hebben Theo Francken en Etienne Vermeersch daar een brochure over geschreven. Ik weet het niet. Toen Karel van het Reve ze moest samenvatten noemde hij vrijheid, democratie en rechtsstaat. Steven Pinker noemt rede, wetenschap en humanisme. Ik stel voor dat we de waarden van Reve en van Pinker bij elkaar optellen, een bewerking waar de auteurs niet veel bezwaar tegen zullen hebben - vooral Reve niet, want die is dood. Dan hebben we al zes van die waarden. Is het nu cultuurracisme om die waarden superieur te noemen aan hun tegendeel: dictatuur, theocratie, godsdienstige rechtsspraak, dogmatisme en onderschikking van redelijke argumentatie aan de openbaring van één boek? Of is het alleen racisme als erop gewezen wordt dat dat tegendeel vandaag vooral leeft binnen de culturen die zich tot de Islam bekennen?


* Bijvoorbeeld om volgende activiteiten te benoemen: aansporen tot genocide, uitvoeren van genocide, roepen van ‘kutmarokkaan’ en ‘bleekscheet’ in een burenruzie, oerwoudkreten slaken in een voetbalstadion, denigrerende grapjes maken, je verzetten tegen een gemengd huwelijk van zoon of dochter, het woord ‘blanke’ en ‘neger’ gebruiken,  je ongemakkelijk voelen onder mensen die er anders uitzien, veronderstellen dat zwarten beter kunnen dansen en minder goed kunnen fietsen, het begrip politieke vluchteling strikt definiëren, weigeren om je te excuseren voor de trans-Atlantische slavenhandel …

** Aanhangers van het cultuurracismebegrip zijn onder andere: Bleri Lleshi, Walter Zinzen, Martijn de Koning en Anya Topolski. Voor de De Koning moet ik de lezer waarschuwen: dat is volgens de inleiding op het stuk niet alleen een antropoloog maar ook een autoriteit. Je merkt het aan zijn proza. Maarten Boudry en Thomas Rotthier willen van de term niet weten en formuleren hun bezwaren helder en naar mijn smaak overtuigend.




dinsdag 28 augustus 2018

Orde in de boekenkast

      Onlangs volgde ik een discussie onder vrienden over hun boeken en hun boekenkasten. ’t Is inderdaad een hele kwestie. Als je eens meer dan duizend, tweeduizend of zelfs drieduizend boeken hebt, kan het moeilijk worden om juist dát werkje terug te vinden dat je nodig heb. De ene vriend zwoer bij een alfabetische klassering, een tweede zag het thematisch en een derde had een databestand op zijn computer waarin elk boek een uniek nummer had gekregen.
     Maar waarom maakt men het altijd zo moeilijk? Ik doe het zo. In de woonkamer komen de mooie bandjes. Dan hebben we er plezier aan terwijl we aan het eten zijn.* In de studeerkamer komen de boeken die ik soms nodig heb als ik iets uitwerk voor mijn lessen, en ook de grotere boeken omdat daar een kast staat met verstelbare leggers. In de gang komen de boeken die te groot zijn voor de kast in de woonkamer, maar te klein om daarvoor de verstelbare leggers in te schakelen. Op de verdieping komen de boeken van Jan.
     Natuurlijk moet ook rekening worden gehouden met de taal van het boek: Nederlands, of een of andere vreemde taal, of geschreven in een vreemde taal maar vertaald naar het Nederlands. Dat kunnen we niet zomaar door elkaar gooien. We moeten redelijk blijven. Ook heb ik graag een scheiding tussen poëzie, fictie en non-fictie. De weinige toneelstukken die we bezitten moeten daartussen maar ergens een plaatsje vinden, al naar gelang ze een mooi bandje hebben, groot of klein zijn, bruikbaar zijn voor mijn schoolwerk, of aan Jan toebehoren.
     Omdat mijn vrouw en ik het goed met elkaar kunnen vinden, is er geen bezwaar tegen dat onze boeken door elkaar staan, althans wat fictie betreft. Voor non-fictie gaat dat niet, dat begrijp je wel. Non-fictie moet trouwens ook wat verder worden opgedeeld: politiek, geschiedenis, filosofie, koken – waardoor je al snel een kleine onderafdeling hebt die gewijd is aan de politiek-filosofische geschiedenis van het koken. En biografie komt natuurlijk apart want ik lees dat graag. Maar biografieën van politieke persoonlijkheden komen onder politiek, dat spreekt. En als het om levende politieke persoonlijkheden gaat, zet ik ze bij actualiteit.
     Als het enigszins kan is het beter de boeken van dezelfde auteur wat te groeperen, maar heel strikt ben ik daarin niet. Ik heb een mooi anderhalf plankje Elsschotiana, maar sommige werkjes moeten omwille van het formaat, het lelijke omslag, of de onzin die erin staat ergens anders een onderkomen vinden.
     Je hebt gemerkt dat ik nog niets over de kleur van het omslag heb gezegd. Ik ben daar breed in. Ruggetjes in zwart, groen of bruin leer mogen gerust naast elkaar op de plank. Met rood leer heb ik het wat moeilijker. Die hou ik liever wat afgezonderd. Voor materialen ben ik nog verdraagzamer. Waarom zouden linnen, leer en fatsoenlijk kunstleer gescheiden moeten worden als de kleuren samengaan? Apartheid is niet meer . deze tijd. Alhoewel ik nu ook weer geen papieren ruggen tussen die andere ga flikkeren.
     Er is eigenlijk maar één regel waar ik streng in ben, twee eigenlijk. De eerste is dat ik geen ronde en platte ruggen door elkaar wil. Ik begrijp eigenlijk helemaal niet dat iemand op het idee gekomen is om boeken met platte ruggen uit te geven. Een boek met een platte rug ziet er uit als een stuk plank. Vroeger was dat een tijdelijke staat waarin een boek verkeerde voor het door een bekwame boekbinder onder handen werd genomen.
     En mijn tweede strenge regel betreft de richting van de rugopdruk. Die richting is anders bij Nederlandse en Engelse boeken enerzijds, en Franse, Duitse en Spaanse anderzijds. Een Nederlands of Engels boek moet je op tafel met de bovenkant naar boven leggen om rugtitel te kunnen lezen. Bij een Frans, Duits of Spaans boek moet je de onderkant van het boek naar boven leggen om hetzelfde resultaat te krijgen. Je zou nu kunnen zeggen: dat probleem lost zich vanzelf op als je de boeken per taal groepeert. Was dat maar waar. Er bstaan immers Nederlandse, Engelse, Franse, Duitse en Spaanse uitgevers die niet op de hoogte zijn van hun eigen druktradities. Ik heb een alleraardigste reeks van Jane Austen-boekjes, maar de rugopdruk is volgt de Franse regel. Moet ik nu die door-en-door Engelse Tante Jane bij mijn Franse boeken onderbrengen?
     Die hele opdrukkwestie is des te pijnlijker omdat ze zo verdomd onnodig is. Waarom plaatst men die opdruk niet gewoon dwars, zoals men dat in vroeger en beschaafder tijden deed, zodat de titel leesbaar is als het boek rechtstaat. Dan is er geen probleem meer van Nederlands en Frans en Duits. En dan kun je de titels in een boekenkast lezen zonder je hals krom te trekken. Bij sommige hele dunne poëzieboekjes begrijp ik nog dat de rug geen plaats heeft voor een mooie dwarse titel. Zo’n titel moet dan wel evenwijdig met het boekplat worden gedrukt. Maar ik heb in mijn kast een boek van Borges van wel acht centimeter dik. Zo ergens dan toch daar had men die titel dwars en in grote letters op de rug kunnen plaatsen. Maar neen, ’t boek heeft een Spaanse opdrukrichting, terwijl een boek van Unamuno, dat nog niet half zo dik  is, een mooie dwarse opdruk heeft. Kan ik die twee boeken dan naast elkaar zetten op de plank?
     Maar ik dwaal af. Wat ik zeggen wou, was dat een boekenklasseersysteem helemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn. Laatst had ik Het proces van Kafka nodig. Eerst dacht ik even aan de studeerkamer omdat ik het boekje in mijn lessen ter sprake breng. Maar mijn dwaling was van korte duur. Vertaald, fictie – hoop ik –, mooi bandje, donkerblauw, rond rugje, klein formaat, dwarse opdruk … dat moet in de woonkamerkast te vinden zijn, bovenste plank links, naast een paar bleekblauwe bandjes van P.G. Wodehouse.
     En jawel hoor.


* Je kunt ook kiezen voor behangpapier dat een boekenkast voorstelt, zoals op het plaatje hierboven.

dinsdag 21 augustus 2018

Handjes kappen

     Voor één keer wil ik verontwaardigd zijn, al kost het me, bij gebrek aan oefening, wat moeite. Bij die racistische vulgariteiten op Pukkelpop lijkt enige verontwaardiging mij op haar plaats, al blijft het uitkijken want het is, geloof ik, ook allemaal met verontwaardiging begonnen. Een of meer opgeschoten jongens waren, nu ja, verontwaardigd, dat twee zwarte meisjes en een jongen zich op een nogal hardhandige manier tot bij het podium probeerden te wurmen. Zelfs als het waar is van dat wurmen – en in zulke gevallen bestaan meestal twee versies; Het Laatste Nieuws geeft ze  alletwee –, dus, zelfs als dat waar is, moet je in zo’n geval niet beginnen te schreeuwen, en al zeker geen racistische vernederingen*.
     ‘Handjes kappen / de Congo is van ons’ is, naast vulgair, krenkend en provocatief, ook een goed in het gehoor liggend gedicht. Het tweede vers heeft alles: ritme, branie, kolder. Dat verzin je niet in een zatte bui op een festival. Waar komt zoiets vandaan? De jongerenorganisatie Schild en Vriend schrijft dat het om een studentenlied gaat dat ‘op bijna elk feestje wordt gezongen’. Is dat zo? Er waren in elk geval heel wat mensen die er tot gisteren nog nooit van hadden gehoord. Jan zegt dat het iets uit de jeugdbeweging is. Dat weet hij van vrienden.**
      De jeugdbeweging – dat kan. Er zullen zeker wel hier en daar wel afdelingen bestaan met een traditie van platte, vulgaire en ook racistische liedjes. Ze worden op gezellige avonden gezongen, en wie daar niet bij is, heeft er geen last van. Het is een goedkope manier om heel erg stout en onvolwassen te zijn, zonder dat je iets breekt en zonder dat het iets kost. Maar het gevaar bestaat altijd dat de in besloten kring ingeoefende vulgariteiten ooit wel eens op een festival of op een voetbalwedstrijd opduiken.
     Wat kunnen we daaraan doen? Columnist Dijkshoorn stelt voor om de ‘onnozelen van Pukkelpop’ naar Congo te sturen, waar ze hun territoriale eisen aan de plaatselijke bevolking mogen verduidelijken. Dat lijkt mij een zware straf. Staatsscretaris Demir benadert de zaken eerder opvoedkundig: ‘Die jongens moeten een keer het Afrikamuseum bezoeken. Daar gaan ze zien wat zich tijdens ons koloniale verleden heeft afgespeeld. Daar zijn gruweldaden verricht.’
     Dat voorstel van Demir is wat zonderling. Het is juist omdát die zatte jongens weet hadden van de koloniale gruweldaden, dat ze zongen van ‘Handjes kappen’, want dat handjes-kappen wás één van die gruweldaden. In een column op vrtnws vertelt Tracy Bilbo-Tansia het volgende. In het vijfde middelbaar kreeg ze van de lerares Geschiedenis een ‘heldere uitleg’ over de ‘wandaden van Leopold II’. Er werd een stuk getoond uit de film White King, Red Rubber, Black Death, waarin heel wat verminkte ledematen te zien zijn. En het gevolg was dat tijdens de middagpauze een klasgenoot er flauwe grapjes over maakte. Als ze zich niet gedeisd hield, zei hij, zou hij háár hand wel eens afhakken … Zo’n verhaal verwondert mij niet. Het is nogal naïef om te denken dat historische kennis leidt naar morele vervolmaking. Het kan evengoed omgekeerd.
     Maar wát Demir en Dijkshoorn precies zeggen is voor één keer niet zo belangrijk. Wat telt is dat zulke vooraanstaande mensen hun afkeuring uitspreken. Daarmee wordt, zoals men dat noemt, een ‘signaal’ gegeven. Ik geloof meestal niet zo in signalen, maar misschien kan het voor één keer wel enkele zaken ten goede keren. Bij die jeugdbewegers bedekt de ruwe bolster van onvolwassen stoutigheid immers meestal een blanke pit van godsvrezende en gezagsvriendelijke braafheid.
     Het zou zó kunnen gaan. De nationale leiders van Chiro of Scouts lezen in de krant wat Dijkshoorn en Demir hebben gezegd. Ze denken: we moeten iets doen. Er wordt een algemene bevraging rondgestuurd over de gebruikte liederenschat. Er wordt een dialoog aangegaan met de plaatselijke leiders. En die leiders op hun beurt beslissen om op de volgende gezellige avond, de vulgariteit meer in het seksuele dan in het raciale te zoeken.
     Dat kan een stap vooruit zijn.


 
* Ik zie hier en daar op Facebook een aantal erg onsympathieke tweets opduiken van een van de zwarte meisjes. Ook die zijn geen excuus voor racistisch gebral.

** En waar heeft de jeugdbeweging het vandaan? Jan dacht het iets heel oud moest zijn, misschien wel honderd jaar oud. Daar twijfelde ik aan. Het leek mij meer iets van na de onafhankelijkheid, als een soort balorig Belgisch protest ertegen. Maar toen stootte ik op onderstaande illustratie die mij weer doet twijfelen. Ondertussen kan ik niet uitmaken of die oorspronkelijke tekst nu een cynische verheerlijking ván of een scherpe aanklacht tégen het kolonialisme is. Of geen van de twee, zoals dat Elsschotgedicht dat begint met: ‘In Congo vindt men kokosnoten / en negers op hun blote poten.’

maandag 20 augustus 2018

Foute kledij

     Erg veel van geschiedenis afweten, moet een zware last zijn om te dragen. Je krijgt voortdurend te maken met mensen die geen geschiedenis kennen, die het onderscheid niet kunnen maken tussen Karel de Grote en Keizer Karel en die niet goed kunnen inschatten of Napoleon nu voor of na de Franse revolutie kwam. En die mensen rijden ook allemaal met de auto.
     Zeker als er een historische film op de televisie is, moet de geschiedkundig gevormde op zijn tanden bijten. Die ridderhelm, zucht hij dan, werd pas twee eeuwen later gedragen. Kijk, en die Homerische Grieken beréden hun paarden niet, maar spanden ze in voor hun strijdwagens. En, nee hoor, de Romeinen rond de tijd van Christus hadden geen galeislaven, dat was iets van veel later, bij de Genuezen.  En, ach, dacht je nu echt dat zo’n kasteel van de Tudors iedere week gereinigd werd met een industriële stofzuiger? Allemaal fout, fout, fout. Het ergste is nog wanneer een Hollywoodse sandalenfilms van de jaren 60 wordt uitgezonden. Zelfs de kleur van de bomen, de lucht en de zee zit daar fout.
     Gelukkig weet ík niet zoveel van geschiedenis af, maar zelfs het kleine beetje dát ik weet, kan mij al flink wat ergernis bezorgen. Laatst waren we in Sint-Petersburg. Op allerlei pleinen en straten lopen daar mannen en vrouwen rond die beweren dat ze Peter de Grote en Catharina de Tweede zijn, en tegen een kleine vergoeding zijn ze bereid te poseren voor een foto. Je kan ook op die foto als je dat wil.
     Ik heb daar wel tien keer een opmerking over gemaakt tegen mijn zoon. Die Catherina was gekleed in een Marie-Antoinette-pakje; dat kon er nog mee door. Die twee leefden grofweg in dezelfde tijd. Maar Peter was gekleed als Marie-Antoinettes man, en dat is er toch minstens driekwart eeuw naast. Een 17de-eeuwer is geen 18de-eeuwer. En dat voor iemand die zoals Peter zóveel belang hechtte aan kleren dat hij aan zijn onderdanen de lengte van hun jassen voorschreef.
     Ik weet toevallig, of denk te weten, hoe dat vestimentair anachronisme kan worden verklaard. Die Petersburgse mannen en vrouwen lopen natuurlijk niet altijd rond in die historische kleren. In het gewone leven dragen ze gewoon een hemd en een spijkerbroek zoals u en ik. Die historische kostuums huren of kopen ze in een carnavalswinkel. En die winkels hebben nu eenmaal hiaten in hun assortiment. Je vindt er gemakkelijk de Marie-Antoinettemode, maar Engelse Restoration bijvoorbeeld, of Regency en Franse Empire, zijn veel moeilijker te pakken te krijgen.
     Enkele jaren geleden had ik met mijn klas afgesproken dat we ons voor de 100-dagenviering zouden kleden naar de mode van het Jane Austen-tijdperk. De carnavalwinkels in de buurt werden grondig doorzocht en de meisjes vonden al gauw wat ze zochten, of anders hadden ze een moeder of grootmoeder die handig was met naald en draad. Maar voor de jongens was het een heel andere zaak. In Huis Baeyens vond ik voor mijzelf een vest, broek en jas die min of meer voor Regency konden doorgaan, maar ik had geloof ik het laatste exemplaar te pakken. Voor de leerlingen bleef niets anders over dan een Biedermeierjas, -vest en broek aan te trekken. Ach, goed genoeg, vond ik.
     Dat Biedermeierkleren ook in Russische carnavalswinkels gemakkelijk te vinden zijn, blijkt overigens uit het volgende. Vanuit Petersburg maakten we een uitstapje naar Tsarskoje Tselo. Er is daar een mooi park en een mooi paleis en ook kun je er het lyceum bezoeken waar Poesjkin school gelopen heeft, al is die school niet goed aangeduid en moet je even zoeken. We liepen wat door de straten en al gauw zagen we een Catharina de Tweede en een Peter de Grote paraderen, op hun laat achttiende-eeuws. Maar wie was dat heertje dat naast hen liep, met zijn uitwaaierende haardos, zijn donkere geklede jas en zijn korte hoge hoed? ’t Was warempel Poesjkin. Zijn Biedermeier outfit paste hem prima. En historisch viel er niets op aan te merken.

zondag 19 augustus 2018

Het verbazingwekkende pianospel van mijn grootmoeder

 Godfried Bomans verbaasde zich erover dat Franse kinderen zo goed Frans spraken, beter dan hijzelf ooit spreken zou, al studeerde en oefende hij elke dag. Ik ken die verbazing. Vorig jaar had ik een Franstalige leerlinge in mijn klas en die hield een keer een voordracht over Flaubert in haar moedertaal. Nou, dat was nog eens Frans, vond ik. Als ik evenwel een Engelstalige leerlinge in de klas heb en die houdt een voordracht in háár moedertaal, dan ben ik helemaal niet onder de indruk. Hoe verklaar je dat verschil?* Soms vraagt mijn zoon mij om de vertaling van een moeilijk Engels woord, en soms kan ik die geven. Dat vindt hij heel normaal, want ik heb daarvoor doorgeleerd. Hij is zelfs een beetje verontwaardigd als ik dat woord niet ken. Maar soms vraagt hij mij om de vertaling van een moeilijk Frans woord. Als ik díe kan geven, is hij verbaasd. ‘Hoe ken je al die woorden,’ vraagt hij dan, terwijl ik daar ook voor heb doorgeleerd.
     Die selectieve verbazing is eigenlijk zelf iets verbazingwekkends. De selectiviteit kan zich daarbij richten op de betrokken zaken of op de betrokken personen. We gingen ooit in de Verenigde Staten rond met onze goeie vrienden G.V en M.V. Die konden allebei behoorlijk Frans maar niet zo goed Engels. Als we dus iets moesten zeggen of vragen deden mijn vrouw of ik dat. G.V. was dan iedere keer versteld dat mijn vrouw zo goed Engels kon, terwijl ook zij daarvoor doorgeleerd heeft.  ‘Wat zouden we zonder jou beginnen?’ zei hij dan. ‘Dat jij erbij bent is onze redding.’ Ik mocht een half uur in het Engels staan kletsen met zo’n Amerikaan over de sociale zekerheid in zijn land en ons land, en de verschillen tussen die twee, dat vond G.V. niets bijzonders.
     Eigenlijk verbazen we ons erg weinig. Wij gelijken een beetje op die kinderen van acteurs, nieuwslezers en weervoorspellers. Naar het schijnt vinden die dat ook heel normaal dat hun mama of papa op de televisie komt. Op school hadden we leraren die alles wisten over chemie, wiskunde, Grieks of Frans. We vonden dat de gewoonste zaak ter wereld. En eigenlijk waren we twee keer mis. Die leraren wisten helemaal niet álles over chemie, enzovoort, en dát ze zoveel wisten, was helemaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Kennis en kunde zijn nooit vanzelfsprekend, zelfs als je min of meer weet hoe ze tot stand zijn gekomen.
     Dat mijn vader vlot vier vreemde talen sprak, heeft mij nooit verbaasd. Maar toen ik hem eens zag rennen over het strand, was ik verbluft. Dat mijn moeder kleren kon ontwerpen en naaien, met binnenzakken en taillebandjes en tussenvoering en kragen waarvan ik niet eens weet hoe je ze moet strijken, ja, dat kon ze nu eenmaal. Maar dat ze op de autosnelweg vlot 150 reed en op rustige stukken 160, dat vond ik dan weer een hele prestatie. Mijn grootvader speelde prachtig piano, Mozart als het kon, Beethoven als het moest. Mijn moeder, die het talent geërfd had, kon als er een piano in de buurt was, best de ‘Sonate facile’ spelen, hoewel die sonate, geloof ik, helemaal niet zo gemakkelijk is als de naam laat vermoeden. Dat die twee dat konden, daar stond ik geen ogenblik bij stil. Maar eens op een avond zette mijn grootmoeder zich zonder iets te zeggen aan de piano en begon een stuk te spelen met een heleboel kleine vlugge nootjes die links en rechts uit het klavier werden gehaald. Ik kon mijn ogen niet geloven.
     Laatst sprak ik daarover met mijn moeder. ‘Ja,’ zei ze, ‘ik wist dat ze één stuk kon spelen, maar ik heb het zelf nooit gehoord. Het moet iets zijn dat ze geleerd heeft van papa, tijdens hun wittebroodsweken.’


* Simon Gelten heeft op die vraag een heel geloofwaardig antwoord gegeven: ‘Mogelijk heeft het iets te maken met het volgende: We hebben allemaal nog een idee van hoe ‘mooi klassiek’ Frans klinkt. Politici als Giscard d'Estaing en Mitterrand deden ook moeite om dat Frans te laten horen tijdens hun toespraken. Leerlingen aan lycées wordt het ook nog aangeleerd om dat fraaie Frans te declameren en sommigen kunnen het ook nog (als ze met leeftijdsgenoten babbelen, klinken ze heel anders). Bij Engels is dat lastiger. Wat is nu mooi, klassiek, correct Engels? Amerikaans? Australisch? Iers? De taal is overal, en overal en altijd klinken allerlei varianten. We weten niet meer wat mooi en correct is. In Cambridge (waar ik mijn Engels heb bijgewerkt) werd lacherig gedaan over Oxford English, het werd door docenten zelfs geparodieerd). Bijgevolg beschouwen we ieder Engels als toevallig en ervaren we geen enkel Engels nog als officieel. Toch een uitzondering: in de serie The Crown was zo nu en dan een Engels te horen waarvan ik bij mezelf zei: Mmmm, mooi, zo hoort het.’

dinsdag 14 augustus 2018

Racisme in Avelgem

     Toen ik het grote stuk las in Het Nieuwsblad van maandag over Tine en René was ik van mijn apropos gebracht. Een echtpaar had beslist om te verhuizen naar Costa Rica om het racisme in ons land te ontvuchten.  Ik las gehaast het artikel door: ‘gepest’, ‘gemene commentaren’, ‘toegesist in de winkel’, ‘beledigingen’, ‘het stopt nooit’, ‘bananenvreters’, ‘niet veel vluchtelingen in Avelgem’.
    In Avelgem? Wel heb je ooit! Ik ben van die streek. Avelgem, Bissegem, Zwevegem, Gullegem, Ledegem, Rollegem, Wevelgem - dorpen waar iedereen iedereen kent en iedereen op dezelfde school is geweest.
     Ik las het stuk opnieuw, met meer aandacht. De protagonisten zijn Tine (47) en René (42). René is Ecuadoraan maar woont al 22 jaar in België. Ze hebben drie kinderen: Inti (21), Nando (19) en Loria (15). Tine schrijft kinderboeken en René is aannemer. En ze verhuizen naar Costa-Rica waar ze een domein van twee hectaren hebben gekocht,  een oude cacaoplantage met een woonhuis en twee vakantiehuizen om te verhuren. ‘Met een tuin die overgaat in de jungle en op wandelafstand van het Caraïbische strand met palmbomen.’ We vernemen nog dat de oudste zoon en de dochter meereizen, maar dat de middelste hier blijft bij zijn lief ‘die hij niet kan missen’.
     Maar hoe zit dat nu met dat racisme waaronder het gezin zo geleden heeft? Hoe erg was dat allemaal? Het stuk spreekt van een ‘waslijst van kleine en grote incidenten’, maar dat ‘grote’ lijkt mij een onderdeel van een journalistiek cliché, want wat verder zegt Tine: ‘Het zijn allemaal kleine dingen, maar als ze élke dag gebeuren vreten ze aan je.’
      Kleine dingen dus. Een vrouw die sacoche ‘ostentatief’ aan de andere kant van haar winkelkarretje hangt. Iemand die René en zijn kinderen voor Syriërs houdt. Beledigingen op school en een leraar die sust. De kinderen die worden tegengehouden door de politie met opmerkingen als ‘Van wie is die fiets?’ en ‘Open die rugzak eens.’ René die de papieren van zijn aanhangwagen moet laten zien nadat er een andere aanhangwagen in de buurt gestolen is.
     Dat is allemaal erg onaangenaam om mee te maken. Hóe onaangenaam hangt van veel omstandigheden af: wat eraan voorafgaat, de toon, de blik, hoe lang het duurt. Neem die leraar die niet te zwaar tilt aan het scheldwoord ‘negerin’. Voor hetzelfde geld is dat een cryptoracist, een angsthaas, een luierik die er de kantjes afloopt of een verstandig man die weet hoe je de angel uit een conflict haalt. De belangrijkste omstandigheid is natuurlijk de frequentie van de voorvallen. ‘Elke dag,’ zegt Tine. Rekening houdend met de bijzonderheden van het geval  - Avelgem, al 22 jaar, geïntegreerd gezin, schrijfster en aannemer, geen Arabieren, geen moslims, West-Vlaams dialectsprekers – geloof ik dat Tine overdrijft. Heel erg vind ik dat niet. Ik heb daar begrip voor. Je zou míj eens moeten horen overdrijven in de lerarenkamer als ik het over een ‘moeilijke klas’ heb.
     Voor de aanpak van Het Nieuwsblad heb ik minder begrip. Als je andere informatie erbij haalt, een interview in de Krant van West-Vlaanderen,  of een blog van Tine, wordt de trek van Tine en René naar Costa-Rica een positief verhaal: de keuze voor het avontuur, de roep van de roots, de fascinatie die uitgaat van dat grote continent aan de andere kant van de wereld. ‘We hebben hier ontzettend graag gewoond,’ tweet Tine. ‘Maar nu is het tijd voor iets nieuws.’
     Het vertrek van Tine en René is een interessante fait-divers voor op de regionale bladzijden. Maar in de journalistiek wordt veel verknoeid door de ‘invalshoek’. We kennen dat van films en series. ‘What’s your angle,’ vraagt de hoofdredacteur in hemdsmouwen aan de jonge journaliste. Mensen als Tine en René zijn geloof ik bereid om honderduit te praten over alles wat met hun reis en hun leven samenhangt: schrijven, cultuur, dieren, toekomstplannen, en als het hen gevraagd wordt, willen ze best iets zeggen over een aantal onaangename West-Vlamingen waar ze te maken mee kregen. Had men het hun gevraagd, dan hadden ze waarschijnlijk ook wel iets willen zeggen over alle aangename niet-racistische West-Vlamingen die ze in die 22 jaar gekend hebben.
     Maar door de invalshoek ‘vlucht voor het toenemend racisme’ wordt het vertrek van het gezin voorpaginanieuws, wordt het breed uitgesmeerd op pagina 3, wordt het overgenomen door de websites van De Morgen, Het Laatste Nieuws, Het Belang van Limburg en De Gazet van Antwerpen. Peter Mijlemans wijdt er zijn commentaarstuk aan. Ach, Mijlemans* … Die distilleert natuurlijk een algemene trend uit een aantal Avelgemse anekdotes.  En hij beroept zich daarvoor Tine zelf.  ‘Het klimaat is veranderd,’ had ze gezegd. ‘Harder geworden. En dus wordt de taal ook harder. Wie vroeger ook al zo dacht over mensen met een kleurtje maar toen zijn mond hield, zwijgt nu niet meer.’ Maar dat zijn wijsheden die Tine, net als iedereen, zelf altijd in de krant leest.
     Wat mij eigenlijk het meest heeft gestoord in de hele zaak is Het Nieuwsblad van de dag erna. Op de voorpagina gaat men verder op het élan van de dag ervoor: ‘Gemengde koppels over racisme en vooroordelen – ‘Vroeger was het stiekem, tegenwoordig gooien ze het vlakaf in je gezicht.’ Er staat een foto bij van een mooie breed lachende Pakistaanse mama, een mooie breed lachende Vlaamse papa, een mooie breed lachende dochter van 2,5. Ik heb het bijhorende artikel op pagina 7 gelezen. De Pakistaanse mama heet Shaireen Aftab en ze is van het soort dat ik heel graag als buurvrouw of collega heb. Ze heeft wel al racisme gezien op internet  en ze maakt zich zorgen over de wereld waar haar kinderen zullen opgroeien, maar ‘eigenlijk hebben we nog geen enkele slechte ervaring gehad … We wonen in Antwerpen, dat is misschien de reden ** ... Ik heb vroeger wel al vreemde opmerkingen gekregen, maar dat was veeleer uit onhandigheid dan uit kwade wil … Dat is de boodschap voor de kinderen: probeer de anderen te begrijpen, maar als blijkt dat ze van slechte wil zijn, aarzel niet om te reageren.’
    En die kranige, behartenswaardige woorden worden op de voorpagina verdraaid tot een oprisping van rancune.



* Mijlemans beweert stellig : ‘Ze verhuizen niet omdat ze verlokt zijn door een exotisch avontuur.’ Tja. Heeft hij het artikel op pagina 3 van zijn eigen krant wel gelezen. Ik herhaal: ‘Een domein van twee hectaren, een oude cacaoplantage met een woonhuis en twee vakantiehuizen om te verhuren. Met een tuin die overgaat in de jungle en op wandelafstand van het Caraïbische strand met palmbomen.’
** Een ander echtpaar is blij dat hun kinderen van racisme gespaard zijn gebleven, maar dat komt dan weer omdat ‘Mechelen een tolerantere stad is dan Antwerpen’. Laten we met deze anekdotische bewijzen voor ogen en in het kader van een geode verstandhouding tussen de steden besluiten dat Antwerpen en Mechelen allebei even tolerant zijn.

Worteltjesgeheugen

     De erg vrome zuster Amata, die voor de klas bad met geheven armen en gesloten ogen, heeft indertijd mijn moeder ingewijd in de opvoedkunde, een vak waarin zij – de zuster, niet mijn moeder – doctoreerde. Er waren drie soorten geheugen, vertelde ze, het visuele geheugen, het auditieve geheugen en het motorische geheugen. Drie soorten … dat is gemakkelijk om te onthouden. Als je nú wordt ingewijd in de opvoedkunde is het wat moeilijker geworden, vrees ik.
     Over mijn eigen geheugen kan ik kort zijn – het gaat achteruit. Vooral bij eigennamen is de schade niet te overzien. Er was een tijd dat ik bij eigennamen genoeg had aan de voornaam om ook de achternaam te pakken te hebben. Dat is nu niet meer zo. Hoe heet die Franse schrijver weer, van Poil de carotte? Verdorie, zijn dagboeken zijn uitgegeven bij Privé-Domein; Maugham vond ze beter dan zijn romans; hij was het die zei dat we niet bang moesten zijn van wat na de dood kwam, als we ons maar lieten cremeren; ik mag hem niet verwarren met Jules Romains – voilà, hij heette Jules. Maar nu weet ik nog altijd zijn achternaam niet.
     Er is echter een soort geheugen dat goed standhoudt. Je zou het mijn worteltjesgeheugen kunnen noemen. Bijna elke week maakt mijn vrouw gekookte worteltjes en die lust ik niet zo. Om mij te troosten schilt mijn vrouw er een tiental die ik dan op mijn eigen tempo rauw opeet. Om het kwartier, het half uur, sta ik op om in de keuken een worteltje te halen, dat ik dan met veel genoegen naar binnen werk. En ik vergeet nooit wanneer het laatste exemplaar is versnoept. Zo lang de worteltjes niet op zijn, voel ik om de zoveel tijd die onweerstaanbare drang om op te staan en er eentje te halen. En als het laatste weg is, valt ook de drang weg. Nooit gebeurt het dat ik naar de keuken ga en dan moet vaststellen dat de verplaatsing tevergeefs was. Tenzij natuurlijk iemand anders buiten mijn weten het laatste weggegrist had. Dan is de teleurstelling bitter, maar het komt gelukkig niet vaak voor.*
     Werkt het ook met appels? In grote lijnen wel. Ik ben naar de televisie aan het kijken, schil een appel en snij die in vier stukken. Zo lang die vier stukken niet opgegeten zijn voel ik een dwingende behoefte om die appelsmaak in mijn mond te hebben, maar als het vierde stuk op is, valt die behoefte weg. Maar de laatste tijd loopt het soms fout. De appel is geschild, de stukken zijn gesneden, het kauwen is achter de rug. En wat blijkt als het televisieprogramma afgelopen is? Op het bordje ligt nog één stuk dat ik vergeten ben.
     Je zou je voor minder zorgen maken.


* Er kan zich de volgende complicatie voordoen. Ik ben laten we zeggen het voorlaatste worteltje aan het eten. Dat eten wordt halverwege onderbroken door laten we zeggen iemand die opbelt. Enige tijd later zoek ik de worteltjes weer op en, verhip, er is er maar eentje meer. Dat kan niet. Het moeten er meer dan één zijn, daarom nog geen twee, maar meer dan één. Langzaam komt alles terug. Er moet ergens nog een half worteltje rondslingeren. Maar waar, waar, waar?

dinsdag 7 augustus 2018

Vrouwenvoetjes

     Flaubert was naar het schijnt een voet- en laarsjesfetisjist. Toen ik op het examen bij professor Beyen een fragment uit Madame Bovary van commentaar moest voorzien, mompelde ik dus iets over dat fetisjisme. De belangstelling van de professor was meteen gewekt. Où est-ce que vous voyez donc ce fétichisme?* Ik las een zin voor over een voet. Mais ce n’est pas du fétichisme ça. Est-ce que vous savez bien ce que c’est que le fétichisme du pied? C’est quand on préfère le pied de la femme à la femme elle-même, à l’exclusion du reste. Professor Beyen was erg geïnteresseerd in zulke zaken.
     Ook Poejskin was naar het schijnt een voetfetisjist. Men concludeert dat onder andere uit de strofen 30 tot 34 van  het eerste hoofdstuk van Jevgeni Onegin. De dichter bezingt daarin ‘twee voetjes die ik nooit vergeet / hoewel de tijd mijn passie sleet’. Hij verkiest verder ‘het voetje van Terpsichore’ boven de ‘borstjes van Diana’, ‘het blosje van Flora’ en de ‘lippen van Armida’, en vindt het jammer dat je in Rusland met moeite drie paar fijngevormde vrouwenvoetjes vindt. Nabokov gebruikt in zijn vertaling van de bewuste strofen tien keer het woord ‘foot’ en ‘feet’. Die vertaling wordt weliswaar verfoeid door Edmund Wilson, Hans Boland en Marc Vanfraechem, maar dat Nabokov op zijn minst vertaalt wat er staat, wordt geloof ik door niemand ontkend.
     Vertalen wat er staat is evenwel niet zo gemakkelijk. In het Russisch van Poesjkin staat het woordje ‘нога’ (noga) dat zowel ‘voet’ als ‘been’ kan betekenen. Het is één van de vijf Russische woordjes die ik ken omdat ik er iets over zeg in mijn lessen taalkunde. De talen verschillen van elkaar, zeg ik dan, omdat de ene taal bijvoorbeeld wel een apart woord heeft voor ‘hand’ en ‘voet’ en een andere taal alleen in het algemeen spreekt van ‘arm’ en ‘been’, zonder een apart woord voor het uiteinde ervan.** Maar alle talen lijken dan weer wel op elkaar door de volgorde waarin ze woorden opnemen. Een taal vindt het bijvoorbeeld belangrijker om een woord te hebben voor ‘hand’ dan een woord voor ‘voet’. Of beter: als een taal, gelijk welke taal, een apart woord heeft voor ‘voet’ heeft ze ook gegarandeerd een apart woord voor ‘hand’.
     Maar het Russisch heeft dus géén apart woord – noch voor ‘hand’, noch voor ‘voet’. En toch hebben alle vertalers die ik ken Poesjkins ‘noga’ stelselmatig vertaald door ‘voet’: Nabokov, Boland, Jonkers, Mitchel, Van Stekelenburg-Van Agt, Toergenjev-Viardot. Het is de vertaling die zich opdringt. Het ‘vrouwenvoetje’ vervangen door een ‘vrouwenbeen’ zou van de vijf strofen een obsceen stuk hebben gemaakt, en Poesjkin spaarde zijn obsceniteiten op voor aparte gedichten. Als de dichter schrijft over Terpsichore denk je aan dansende voetjes, en niet aan benen. De Griekse godinnen dansten geloof ik niet in de stijl van Bob Fosse. Het zijn ook voetjes die sporen laten in de sneeuw. Het is aan die lieve voetjes dat de dichter zich neervlijt. Het is een voetje dat hij in de stijgbeugel helpt.
     Maar het kan anders. Douglas Hofstadter – professor in de computerwetenschappen en schrijver van Gödel, Esscher, Bach – heeft ook een vertaling gemaakt van Onegin. In de inleiding legt hij uit dat hij alleen een beetje schoolrussisch kent, maar dat hij na de dood van zijn vrouw de strofen van Onegin uit het hoofd begon te leren om zichzelf te troosten. Na enkele maanden was dat memoriseren niet genoeg meer en begon hij te vertalen. En omdat hij weinig van Poesjkin afweet – hij weet bijvoorbeeld niet dat diens manuscripten vol staan met getekende vrouwenvoetjes – gelooft hij dat de dichter bij ‘noga’ aan ‘benen’ dacht.*** ’t Is meteen een manier om zich van andere vertalers te onderscheiden en dat is ook iets waard. ‘Pushkin,’ schrijft Hofstadter, ‘is referring just as plausibly to “legs” as to “feet”. Indeed every single Russian friend whom I have consulted – mostly female I might add – has been absolutely convinced that “leg” and not “foot” is what Pushkin had in mind.’ Je zou daar kunnen op antwoorden dat Nabokov en Toergenjev, toch ook Russen, in hun vertaling wél ‘voet’ gebruikten.
     Hofstadter vindt de ‘voet’-vertaling ‘slightly puritanical’. Hij presenteert Poesjkin, zegt hij zelf, als een ‘leg man’*** en daarom vertaalt hij  ‘noga’ op verschillende manieren– limbs, legs, feet, ankle, thigh****. Hij spreekt van een ‘whole spectrum of words that run admiringly up and down milady’s limb, all the way from top to bottom.’
     Ik heb er verder niets mee te maken, maar ik vind ‘voetjes’ mooier.

 

* Zou Beyen mij echt gevousvoyeerd hebben? Zo herinner ik het mij toch.
**  In het Nederlands spreken wij van de ‘poot’ van een poes, terwijl het Engels een onderscheid kan maken tussen haar ‘leg’ en haar ‘paw’.

*** Nabokov noemt de vijf strofen ‘the pedal digression’. Iemand noemde Hofstadters versie een ‘iambic diversion’. Hoe goed moet een Amerikaan zijn Frans kennen en op de hoogte zijn van versificatie om die woordspeling te smaken? Hofstadter beledigt  trouwens door zijn keuze het grote Rusland en zijn inwoonsters als hij schrijft : ‘You’ll find in Russia three or fewer / Well-tapered pairs of legs.’ Met ‘voetjes’ vervalt naar mijn smaak de belediging. ‘Maar fijngevormde voetjes komen / In Rusland zelden voor – misschien / Kreeg ik er drie paar van te zien.’ Boland kreeg dan ook de grote Poesjkinprijs, en Hofstadter niet – prijs die Boland overigens weigerde omdat hij die uit handen van Poetin had moeten ontvangen.

**** De dansende dij van Terpsichore? Honestly?

donderdag 2 augustus 2018

De grijns van Voltaire en de neus van Locke

     Twee dingen vooral wilde ik in Sint-Petersburg niet missen: het Winterpaleis, dat tijdens de ‘rode oktober’ van 1917 door de bolsjevieken was ‘bestormd’, en de Hermitage, dat één van de grootste kunstmusea ter wereld is. Ter plekke bleek dat het niet om twee dingen ging, maar om één, want de Hermitagecollectie is ondergebracht ín het Winterpaleis. Als je niet veel weet en je bereidt je reis slecht voor, rol je van de ene verbazing in de andere.
     Wat ik dan wel weer wist, is dat je in de Hermitage de beeltenissen vindt van twee grote Verlichtingsdenkers: een marmeren beeld van Voltaire en een portret van John Locke. Die werken werden besteld door Catharina II die zelf ook heel verlicht was, al heeft zij in haar rijk de lijfeigenschap niet afgeschaft, maar juist uitgebreid naar de gebieden waar ze nog niet bestond. Op de ene plaats in haar rijk wél lijfeigenen en op de andere plaats níet, dat vond Catharina slecht stroken met het methodische rationaliteit van de nieuwe tijden.
     Van het marmeren Voltairebeeld heeft Ruslandreiziger Joseph de Maistre (1753-1821) een beroemde beschrijving gegeven: ‘Ga het maar eens bekijken in het Hermitagepaleis. Bekijk dat afstotelijke gezicht dat nooit kleurde van schaamte, die twee uitgedoofde kraters waarin wellust en haat nog altijd lijken te koken. Die mond - ik spreek nu misschien kwaad, maar ’t is mijn schuld niet – die afschuwelijke grijns die loopt van het ene oor tot het andere, die lippen die opgespannen zijn door wrede boosaardigheid, als een veer die klaar is om zich te ontspannen en een sarcastische godslastering uit te stoten.’
     Ik heb de raad van Maistre gevolgd en heb het beeld eens goed bekeken. Het voorhoofd en de ogen vallen best mee vind ik, maar die lippen en dat lachje, daar is inderdaad iets mee. Mijn vader citeerde af en toe de verzen die Alfred de Musset had gericht tot de overleden wijsgeer:


     Dors-tu content, Voltaire, et ton hideux sourire -
      Voltige-t-il encore sur tes os décharnés ?


’t Is een halve alexandrijn die blijft hangen – ‘et ton hideux sourire’.
     Goed, dat hadden we dus gehad: grote trap van Rastrelli, Raphaël loggia, Rembrandt, Rubens, Greco, impressionisten, Van Gogh, vijf Kuise Suzannes van verschillende meesters, en ten slotte – het beeld van Voltaire. We konden ons nu wel naar de cafetaria begeven voor koffie met gebak en daarna naar het hotel, want van slenteren raak je uitgeput.
     Maar bij de koffie viel mij plots te binnen: ik had het portret van Locke gemist! Er volgde een gezinsconclaaf waarop werd beslist dat mijn vrouw in de cafetaria zou blijven vanwege haar slechte knie en dat Jan en ik op zoek zouden gaan naar het portret. ‘Ik ga met je mee,’ zei Jan, ‘ want met die gebrekkige hippocampus van jou, vind je je weg nooit terug.’
     Jan en ik hebben dus het museum met versnelde pas doorgelopen met een welomschreven doel voor ogen: het portret van Locke, en niets anders. En kijk, plots werd alles wat niet tot dat welomschreven doel behoorde veel interessanter. Daar, nóg een Kuise Suzanne. En God, wat is die Bacchus dik. Aha, de luitspeler van Caravaggio, die had ik zo-even niet gezien – mooi. En wat is dat nu? Een hele gang Vlaamse primitieven die we daarnet zijn voorbijgelopen? Hugo van de Goes, Rogier van der Weyden, Gerard David. En dat daar? Is dat nu Bosch of Breughel? Bosch, blijkbaar. En nog een Bosch – één van die schilderijen waardoor Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot zich lieten inspireren voor hun psychedelische liederen.*
     Uiteindelijk, na veel verdwalen, heen en weer lopen, twee of drie keer dezelfde zalen doorkruisen,  maar telkens andere stukken opmerken, vonden we het portret van Locke. Het beeldt een ernstige man af die niet naar, maar naast ons kijkt. Op zijn lippen valt niets aan te merken, maar zijn neus is abnormaal groot. Jan heeft een foto van genomen van mij genomen waarop ik poseer naast de grote empirist en kampioen van de vrijheid.

* ‘Eva’, ‘Tuin der lusten’ en ‘Megaton’ op het album Picknick