Posts tonen met het label Rusland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rusland. Alle posts tonen

dinsdag 22 november 2022

Qatar: voor of tegen?


      Ik was eigenlijk blij met de verklaring van Fifa-baas Infantino. Je zag meteen dat het een clown was, maar zijn verklaring ‘Today I feel Qatari. Today I feel Arab. I feel African today. I feel gay today,’ was mij in zijn dubbelhartigheid niet geheel onsympathiek. Vooral dat laatste vond ik mooi meegenomen. Het was alsof bij de opening van de Berlijnse Olympische Spelen van 1936 iemand op een persconferentie had gezegd: ‘Heute bin ich Deutscher. Heute bin ich Jude.’ Infantino verdedigde verder het gastarbeidersbeleid van Qatar door te verwijzen naar de lonen die voor de gastarbeiders tien keer hoger lagen dan in hun landen van herkomst. Dat cijfer zal wel niet ver bezijden de waarheid liggen. En dan zei Infantino nog iets over de schandelijke daden die het Westen nu al drieduizend jaar aan het plegen was. Dan schoot ik weer in de lach. Over wie had hij het? Over de Myceners? Over de Kelten?  Ik zei het al: het is een clown.
     Maar ik was toch blij dat iemand de moed had het voor Qatar op te nemen, zelfs mocht achteraf blijken dat die moed aangewakkerd is geweest door een dikke, bruine enveloppe. Iederéén is tegen Qatar. Groenen zijn tégen vanwege de fossiele brandstoffen, socialisten zijn tégen vanwege de sociale ongelijkheid, klassiek-liberalen zijn tégen vanwege de rentenierseconomie, feministen zijn tégen vanwege de vrouwenrechten, liberaal-democraten zijn tégen vanwege de LBTQ-discriminatie en de politieke alleenheerschappij, racisten zijn tégen vanwege de zedenfeiten met kamelen, secularisten zijn tégen vanwege de theocratie, orthodoxe moslims zijn tégen vanwege het wahabisme, en ik haast mij eraan toe te voegen dat ik ook tégen ben vanwege enkele van de hierboven vermelde redenen.
     Ik voel mij echter altijd wat ongemakkelijk als ik de argumenten van de tegenpartij niet goed ken. Er gaat mij niets makkelijker af dan tekeer te gaan tegen het marxisme of de progressieve pedagogie. Ik ken redelijk goed de argumenten van de marxisten en de pedagogen. Maar over Qatar hoor ik alleen de argumenten tégen en sommige daarvan vertrouw ik niet helemaal. Bijvoorbeeld: dat bij de bouw van de acht voetbalstadia 6500 arbeiders zijn verongelukt. Ik zie dat cijfer vaak in memes. 6500! Dat is 812 per stadion. Qatar heeft zich tegen de beschuldiging verdedigd. Er zouden maar 37 doden gevallen zijn bij de bouw van de stadions, en de sterftecijfers onder de gastarbeiders zouden demografisch normaal zijn. 
     Enig opzoekingswerk leert waar het getal van 6500 vandaan komt. The Guardian heeft de sterfte onder de gastarbeiders proberen te berekenen door bij de ambassades van de uitzendlanden de sterftecijfers op te vragen. Die 6500 slaat dus op álle sterftecijfers van álle gastarbeiders – van bouwvakkers tot kantoorbedienden en poetsvrouwen – die in Qatar werkzaam waren de laatste tien jaar, hetzij in verband met de bouw van stadions, van hotels, van wegen, of van gelijk welke andere economische activiteit. Qatar heeft ongeveer twee miljoen gastarbeiders en The Guardian heeft cijfers verkregen van ongeveer de helft, dus één miljoen, en heeft in die groep een mortaliteit vastgesteld van 0,65 procent of jaarlijks 0,065 procent. In België is de jaarlijkse mortaliteit ongeveer 1 procent, dat wil zeggen twintig keer hoger.
    Nu mag je de gastarbeiders van Qatar niet vergelijken met de vergrijsde bevolking van ons land. Het gaat in Qatar voornamelijk om jonge mannen die bovendien in goede gezondheid verkeerden, want voor ze een contract kregen, moesten ze een een medisch onderzoek ondergaan. Als we daarmee rekening houden, bevat het sterftecijfer van 6500 bijna zeker een flink deel aan ‘oversterfte’*, en die kan in direct verband worden gebracht met de werkomstandigheden. Het harde werk in hitte en stof, met blootstelling aan zonnestraling en hoge vochtigheid, veroorzaakt veel gezondheidsproblemen, zoals hartkwalen en nierinsufficiëntie, met dodelijke afloop. Weliswaar wordt er reglementair niet gewerkt tussen 11.30 en 15 uur. Maar dat is als maatregel onvoldoende, er zou minstens een strikt regime van frequente pauzes moeten zijn. Bovendien is aangetoond dat reglementen in Qatar vaak niet worden nageleefd. 
     Bon. Ik heb ondertussen dus een hekel gekregen aan dat cijfer van 6500. Het is alsof men Stalin beschuldigt van het vergassen van 15 miljoen Oekraïense boeren, of Hitler van het verhongeren van 20 miljoen Joden, of Pinochet van het vermoorden van 30 000 politieke tegenstanders. Ik kan daar moeilijk tegen, tegen die onnauwkeurigheid en die overdrijvingen. Maar de boodschap achter het cijfer bevat dan weer méér dan een kern van waarheid:  de vermijdbare oversterfte is een humanitair schandaal, ook al omdat Qatar rijk genoeg is om zich betere werkomstandigheden en betere gezondheidszorg voor zijn gastarbeiders te veroorloven. Neem ik, naar de gewoonte van factcheckers, de meme van 6500 doden als uitgangspunt, dan concludeer ik: ONWAAR! Neem ik de verdediging van Qatarese overheid als uitgangspunt, met 37 doden en verder demografisch normale sterftecijfers, dan concludeer ik alweer: ONWAAR!
    Zijn er nog redenen ingeroepen om het WK in Qatar te verdedigen? Ik heb er een aantal gevonden in een artikel van Jef van Baelen in Knack waarin hij Midden-Oostenkenner James Dorsey aan het woord laat. Dorsey ziet in het WK vooral een investering van Qatar in de nationale veiligheid. Met het WK wil het land zich ‘op een positieve manier verankeren in het Westerse bewustzijn.’ Het land wordt door het WK, om die uitdrukking maar eens te gebruiken, ‘op de kaart gezet.’ Dat is geen overbodige luxe voor iemand zoals ik die niet weet of Dubai een stad of een land is, en of de Verenigde Arabische Emiraten iets zijn als de Europese Gemeenschap dan wel als de Verenigde Staten. Maar nu weet ik ten minste dit: Qatar is een soeverein land, en Iran en Saoedi-Arabië moeten er niet aan denken om het te annexeren.* Als ze dat wel doen, zal ik minstens stilletjes protesteren. Niet dat zo’n annexatie veel verschil zou maken voor de twee miljoen gastarbeiders, maar grenzen zijn grenzen; die laat men beter gerust, al was het maar om het goede voorbeeld te geven. Dorsey heeft mij hier overtuigd.
     Veel van de redenen die Dorsey verder opgeeft overtuigen mij minder, omdat ze een te groot fellow traveller-gehalte hebben. Dat het Westen óók boter op zijn hoofd heeft, dat het met de mensenrechten in Saoedi-Arabië nog slechter gesteld is dan in Qatar, dat we ons toch ook niet gaan moeien met het ‘harde’ Deense immigratiebeleid, dat er in Qatar geen vakbonden zijn maar wel worker’s councils,  dat Qatar vrouwenrechten steunt in ándere landen zoals Afghanistan, dat Qatar Airways de beste luchtvaartmaatschappij ter wereld is, en natuurlijk, dat er veel vooroordelen over Qatar bestaan bij mensen die er nooit geweest zijn en die het land niet kennen.
     Nu we het toch over vooroordelen hebben, hoe zit dat eigenlijk met de situatie van de homoseksuelen in Qatar? Want daar hebben de Westerse voetbalploegen het toch moeilijk mee, had ik begrepen. Dorsey meldt daar het volgende over: ‘ Net zoals in de meeste moslimlanden staat de overgrote meerderheid van de Qatarezen blijkens opiniepeilingen uiterst negatief tegenover de lgbtq-gemeenschap. Zelfs al zou je lgbtq-rechten wettelijk verankeren, in de praktijk zou het weinig veranderen.’ Dat is magertjes. In Qatar gaat het immers niet om discriminatie van homoseksuelen bij adoptie van kinderen of iets van die strekking. In Qatar wordt homoseksualiteit bestraft met deportatie voor gastarbeiders, met zeven jaar gevangenisstraf voor niet-moslim Qatarezen, en met de doodstraf voor moslim-Qatarezen. Die doodstraf geldt eigenlijk voor alle buitenechtelijk seksueel verkeer van moslims, heteroseksueel of homoseksueel. Homoseksuele paren zouden de doodstraf op twee manieren kunnen ontlopen: door met elkaar te trouwen of door zich bij de groep van niet-moslims aan te sluiten. Helaas doet zich een catch 22 voor: het homohuwelijk is verboden, en op geloofsafval staat eveneens de doodstraf. Wie dat allemaal weet, zal het zinnetje ‘zelfs al zou je lgbtq-rechten wettelijk verankeren’ een beetje wrang vinden.
     En Dorsey had nog een zinnetje dat mij niet beviel. Hij bespreekt de moeilijke relatie tussen Qatar en enkele andere Arabische landen. ‘De Verenigde Arabische Emiraten zijn doodsbenauwd, zegt Dorsey, voor de politieke islam en de Moslimbroederschap. Ze eisten dat Qatar zijn relatie met de Broederschap opgaf, wat van het land een politieke vazalstaat zou maken.’ Dat laatste slaat natuurlijk nergens op. Natuurlijk kan Qatar soeverein beslissen om de Broederschap te steunen of niet te steunen. En natuurlijk kunnen de Verenigde Arabische Emiraten druk uitoefenen om die steun stop te zetten. Maar als Qatar die steun stopzet, met of zonder druk van buitenaf, dan is het daarom bijlange na nog geen vazalstaat***.
     Noch Infantino, noch Dorsey zijn erin geslaagd om mij te overtuigen. Bij mij is de ‘positieve verankering’ van het Qatar-WK mislukt. Ik kijk trouwens zo al niet naar het WK, want ik ben geen voetballiefhebber. Was ik dat wel, dan keek ik, zonder mij zoals Nico Dijkshoorn in duizend grappige bochten te wringen. En mopperde ik, zoals mijn zoon, dat ze het WK moeten houden in een écht voetballand, en in de zomer. 

     

 

* Die oversterfte kan ook worden vastgesteld door de sterfte onder de gastarbeiders in Qatar te vergelijken met die van Qatarezen van dezelfde leeftijd. De verschillen waren significant. Je kunt nog verdergaan en de mortaliteit onder de gastarbeiders vergelijken met die van een vergelijkbare groep in het land van herkomst.
** De militaire macht van Qatar is vooral zwak door de kleine bevolking (300 000 Qatarese burgers). Je kunt nu eenmaal geen oorlog winnen zonder kanonnenvoer. Wellicht is het ook daarom dat Qatar de mogelijkheid overweegt om een deel van de gastarbeiders de Qatarese nationaliteit toe te kennen.

*** Je kunt de eis van de VAE niet vergelijken met Moskous eis dat Oekraïne zich buiten de Navo moet houden. Toegeven aan die eis zou van Oekraïne niet meteen een vazalstaat hebben gemaakt. Maar dat dát het uiteindelijke doel van Moskous eis was, is voor mij ondertussen duidelijk geworden. 

donderdag 21 juli 2022

Oekraïne: de economische boycot.



1. Ik wacht geduldig op goede argumenten, maar ondertussen zie ik weinig voordeel in de economische boycot van Rusland. We zetten de Russische bevolking onder druk door haar levenstandaard te verlagen. Akkoord. Daardoor zou ze haar steun aan de oorlog kunnen opzeggen. Misschien. Maar op welke termijn? Die druk kan op korte termijn evengoed leiden tot vernieuwde haat tegen het Westen en toegenomen steun aan de oorlog. Je kunt niet weten in welke richting de balans zal doorslaan, en wanneer. Het is niet erg origineel wat ik hier zeg, maar het is wel waar.

2. We zetten trouwens ook de levenstandaard van onze eigen bevolking onder druk, en we weten niet goed wat dáár de gevolgen van zullen zijn. Misschien wordt onze bevolking boos op Poetin. Dat zou mooi zijn. Maar het is niet altijd makkelijk om boos te zijn op een intimiderende bullebak. Misschien wordt onze bevolking in plaats daarvan wel boos op Zelenski, die er minder gevaarlijk uitziet en toch koppig is. Misschien hoor je dan bij de kapper: Als die Zelenski maar wilde capituleren, zaten we nu niet in de kou. En onze kappersklanten hebben meer middelen dan de Russische om het beleid onder druk te zetten.

3. De hele boycotgeschiedenis is vooral een emotionele kwestie. Toen mijn vader als gedeporteerde tewerkgesteld was in een Duitse wapenfabriek, was hij razend toen hij zag dat de machines daar vanuit Chicago waren ingevoerd. Dat was weliswaar van voor de oorlog, maar ik begrijp toch die woede. Je kunt niet tegelijk oorlog voeren en handel drijven. Maar we zíjn niet in oorlog. Je kunt dus wél militaire steun geven aan Oekraïne – iets waar ik helemaal achter sta – en tegelijk allerlei betrekkingen onderhouden met Rusland.

4. Ik herhaal: wij zíjn niet in oorlog. Er is geen oorlogsverklaring geweest. Er is nog steeds handel, er zijn nog steeds diplomatieke betrekkingen, er is nog steeds toeristisch verkeer. Al die dingen kunnen blijkbaar principieel in verschillende compartimenten worden ondergebracht. Waarom moeten ze dan beperkt worden in omvang?

5. Natuurlijk was een zekere mate van economische boycot onvermijdelijk. Emoties en symboliek moeten hun plaats krijgen. Politici, en zeker ‘toppolitici’ moeten de indruk krijgen dat ze iets dóen. Het is ook begrijpelijk dat ze door de dramatische gebeurtenissen in een ‘Churchillian mood’ raakten. Ik heb het elders ‘folie des grandeurs’ genoemd.

6. Na de heroïsche modus moet echter bezinning komen in plaats van blind voort te galopperen op de ingeslagen weg. Maatregelen moeten worden geëvalueerd voor er nieuwe worden genomen. Maar dat is niet gebeurd. Ik geloof niet dat die Europese toppolitici dom zijn, maar koortsachtig vergaderen en snelle beslissingen nemen over dossiers die ze vroeger nooit bestudeerd hebben, zoiets leidt niet tot evenwichtige beslissingen.

7. Toen Poetin de boycot beantwoordde met eigen boycotmaatregelen, spraken de Europese politici van ‘economische oorlog’ en ‘chantage’. Ik heb niets tegen een beetje hypocrisie, maar je moet proberen je daarbij niet belachelijk te maken.

8.  Tot mijn verbijstering wordt de economische boycot van Rusland voorgesteld als een beleid voor de lange termijn. Biden wil sancties die ‘maximize the long-term impact on Russia’. De redenering is dat Rusland met een verzwakte economie ook militair zwakker zal staan en geen agressie meer zal kunnen plegen. Dat lijkt mij een dubieuze stelling. Rusland is economisch en militair al zwak genoeg. Hoe zwakker het wordt, hoe meer het alleen nog op zijn nucleair arsenaal kan terugvallen, en daar schuilt het grootste gevaar voor de wereldvrede. We moeten eigenlijk hopen op een economisch en militair sterker Rusland.

9.  Kortom: wat mij betreft, moeten onze handelsbetrekkingen met Rusland genormaliseerd worden op het ogenblik zelf dat de oorlog ten einde is. Zoiets is goed voor de Russische economie én onze economie. En het verhoogt, zonder garantie te bieden, de kansen op vrede. Bastiat wist het al in de 19de eeuw:  ‘Si les marchandises ne peuvent traverser les frontières, les armées le feront.

10. Ten slotte: om met mijn maître à penser te eindigen: Karel van het Reve heeft van alles gedaan om de Russische dissidenten te steunen en de sovjetmacht te ondermijnen. Maar hij was geen voorstander van boycotpolitiek. Hij was juist een groot voorstander van uitwisseling van studenten en ander vrij verkeer. Hoe meer Sovjetburgers het Westen bezochten, hoe meer tegengif ze kregen tegen de staatspropaganda. Die redenering is nog altijd van kracht. We zouden het de Russiche burgers nu makkelijker moeten maken om naar het Westen te reizen. Misschien zullen er onder die burgers enkele spionnen, saboteurs en provocateurs zijn. Maar die zijn er nu ook, vrees ik. Zoveel verschil zal het niet maken.

woensdag 20 juli 2022

Oekraïne - over moraliteit, en de rest


     Veel van wat ik meen te weten over het menselijke bestaan, heb ik gehaald uit de televsiereeks Yes Minister. Neem moraliteit en ethiek. Eerste minister Hacker en zijn kabinetschef Sir Humphrey discussiëren over dubieuze wapenleveringen. ‘We cannot close our eyes to something that is as morally wrong as this,’ zegt Hacker. Uit het antwoord van Sir Humphrey blijkt het voordeel van een klassieke opleiding aan Oxford, met bijhorend enkele degelijke cursussen filosofie. ‘Very well, Minister, if you insist on making me discuss moral issues, may I point out that something is either morally wrong or it isn’t. It can’t be slightly morally wrong.’
     Een wereld ging voor mij open. Ik had altijd gedacht dat het domein van moraal één grote grijze zone was, en Sir Humphrey – of all people – leerde mij nu dat het wel degelijk een kwestie was van zwart óf wit. Na lang nadenken begreep ik mijn fout. Onze keuzes, beslissingen, handelingen zijn complex. Als je ze opsplitst krijg je een reeks witte en zwarte vakjes, maar als je die vakjes samenlegt en vanop afstand bekijkt, krijg je een grijs beeld. Voor iets als de militaire inval in Irak, bestonden ongetwijfeld een aantal moreel goede, naast een aantal moreel slechte redenen. Maar daardoor is het niet een eenvoudig een ondubbelzinnig eindoordeel uit te spreken.
    Daar komt bij dat mensen verschillende opvattingen kunnen hebben over goed, kwaad, waarden en ethiek. Een gemakkelijke manier om ondanks die verschillende opvattingen met elkaar te kunnen praten bestaat erin tijdelijk een utilitaire zienswijze aan te nemen. Moreel goed is dan alles wat het grootste geluk van het grootste aantal mensen (en dieren) bevordert. 
     Een nadeel van die zienswijze is dat ze het domein van de moraal heel erg uitbreidt. Vroeger waren er lieden – misschien bestaan ze nog – die beweerden dat ‘álles politiek is’. Met het utilitarisme krijg je hetzelfde: alles wordt moraal. Alles wat we doen kan immers bijdragen tot, of afdoen aan, het geluk van de ene of de andere, en dat geluk moeten we dan gaan wegen, en de bevoordeelde en benadeelde partijen moeten we gaan tellen. En als álles moraal is, wordt ook het onderscheid van de oude Talleyrand – c’est pire qu’un crime, c’est une faute – zinloos want een fout is dan een misdaad.
    De laatste tijd is de Oekraïense oorlog van de voorpagina’s verdwenen, en het aantal opiniestukken erover is fel verminderd. In de pers geldt nu het adagium ‘Van het oostelijk front geen nieuws’. Maar als in de winter energieschaarste zal heersen, wij thuis onze aangename comfortwarmte moeten missen, en in de winkels weer alles duurder wordt, dan kan de oorlog en het debat erover weer actueel worden. Mocht dat gebeuren, dan zou ik, voor een zindelijk verloop ervan, ook binnen de utilitaire zienswijze een afbakening van een aantal domeinen voorstellen. Ik denk bijvoorbeeld aan 

  1. sentiment 
  2. humanitarisme 
  3. ideologie 
  4. krijgskansen 
  5. moraliteit en immoraliteit 
  6. geopolitiek 
  7. internationaal recht
     Ik heb in eerdere stukjes al iets over sentiment en het daarmee samenhangend humanitarisme geschreven. Er is niets mis met overwegingen in die sfeer, maar ze mogen geen al te groot gewicht krijgen. Ze wijzen misschien de juiste marsrichting voor de geschiedenis aan, maar wie te snel loopt kan lelijk vallen, zelfs al loopt hij in de juiste richting. 
     Als het over ideologie en systemen gaat, wordt het moeilijker. Liberale democratieën en autocratieën kunnen best lange tijd vreedzaam naast elkaar bestaan. Dat is in het verleden vaak het geval geweest.  Maar met de botsing tussen het Russisch panslavisme en het Oekraïens nationalisme is het anders gesteld. Daar is het buigen, barsten, of water in de wijn. Gezien de huidige krijgskansen, met een relatief militair evenwicht – dank zij de Westerse steun –, duim ik voor het laatste. 
     Een oorlog waarin géén immorele middelen gebruikt worden is niet goed denkbaar. De twee partijen – Russen en Oekraïeners – beschieten en bombarderen soldaten, burgers en kinderen van de overkant. Leugenachtige propaganda wordt aangewend om het moreel van de bevolking en de troepen te verhogen. Dat betekent niet dat de twee partijen zich éven schuldig maken aan die misdaden, maar voor een buitenstaander is het moeilijk om na te gaan wie de zwaarste inbreuken pleegt, en zelfs neutrale verslaggevers kunnen door propaganda worden beïnvloed.
     Je kunt daarnaast ook proberen de moraliteit van het Westen met die van Poetin te vergelijken. Sommigen vinden dat het Westen een laffe proxy war voert, waarbij de Oekraïners het vuile werk doen, terwijl de kranige Russen tenminste boots on the ground hebben. Daar zit iets in. Ik aanvaard het verwijt van lafheid. Ik ben als burger van het Westen niet zo laf dat ik élk risico van een open conflict met Rusland wil vermijden, maar ben wel laf genoeg om een gróót risico op zo’n conflict te willen vermijden, zeker gezien de mogelijkheid van een nucleaire escalatie. Aan de andere kant suggereert de uitdrukking proxy war dat Zelenski wordt opgestookt door het Westen om oorlog te voeren. Dat is zeker hoe de Russen het zien. De meeste mensen die ik ken daarentegen hebben vooral de indruk dat het omgekeerd is en dat het Westen door Zelenski wordt opgestookt om meer en meer steun te geven.
     Een andere manier om de moraliteit van het Westen ongunstig te belichten is te wijzen op de schandelijke ‘gebiedsuitbreiding’ van de NATO naar het oosten. Waarom, vraagt men zich dan af, mag Poetin zijn invloedssfeer niet uitbreiden in Oekraïne, als het Westen dat in heel Oost-Europa gedaan heeft? Het antwoord op die vraag, is voor mij heel eenvoudig. Ik heb er geen enkel probleem mee dat gelijk welk land zijn ‘invloedssfeer’ probeert ‘uit te breiden’. Dat is een respectabele doelstelling. Maar de moraliteit gaat over de middelen die daartoe worden gebruikt. Breidt men zijn ‘invloedssfeer’ of ‘bufferzone’ uit door handelsbetrekkingen, beloften en wederzijdse akkoorden, zoals het Westen gedaan heeft, dan is dat in orde. Valt men een ander land binnen om een vazalregering te installeren of om een stuk van dat land te veroveren, dan is dat een heel andere zaak.
     Met die invloedszones zijn we bij de geopolitiek beland. Daar heb ik als leek weinig over te melden. Ik kan alleen hopen dat staatslieden zich hier opstellen als schoonheidskoninginnen die de wereldvrede als doel nastreven. Hoe ze dat moeten doen, dat weet ik niet, al zijn er een paar vuistregels. Zorg dat je voldoende sterk bent om je eigen veiligheid te garanderen. Ga bondgenootschappen aan. Laat je door je vijanden noch provoceren noch intimideren. Probeer enkele decennia vooruit te kijken. Allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan. 
    Ten slotte nog iets over het internationaal recht, zoals het vastgelegd is in verdragen en zoals het zou móeten zijn. Hier is één regel die boven alle andere uitsteekt: je mag een soeverein land niet aan- of binnenvallen. Zelfs niet als dat land vroeger van jou was. Zelfs niet als in dat land straten genoemd worden naar je historische vijanden. Zelfs niet als de regering van dat land andere bondgenootschappen aangaat dan degene die jij wenselijk acht. Zelfs niet als je de taalpolitiek in dat land discriminerend vindt. En ten slotte: zelfs niet als andere landen in het verleden ook zoiets gedaan hebben. 
     Wat poetinisten tegen dát argument kunnen inbrengen, is mij een raadsel. 

 

* Je kunt in het beste geval de pre-emptive strike uitzondering inroepen, maar dan moet je een beetje geloofwaardig blijven. 

zondag 17 juli 2022

Oekraïne - ethiek en sentiment. Vijf bedenkingen


1.    Onder de talrijke slachtoffers van een oorlog zijn er altijd die een grotere sentimentele waarde krijgen. Voor mijzelf hebben ze vooral feitelijke waarde. De bloedbaden van Kafr Quasim (1956) en My Lai (1968) bewijzen twee dingen die ik al wist: ‘war is hell’, en de Israëli’s en Amerikanen zijn, net als andere mensen, tot de ergste wreedheden in staat. Zij maken mij echter niet noodzakelijk een tegenstander van Israël en Amerika, of een voorstander van de Palestijnen en de Vietnamese communisten. 

2.   Hetzelfde geldt voor het bloedbad van Odessa (2014), met tientallen pro-Russische activisten die levend verbrand raakten, en dat van Boetsja (2022), waar honderden Oekraïense lijken werden gevonden. Mijn houding tegenover Moskou en Kiëv zal van meer zaken afhangen*. 

3.   Algemener. De symboolwaarde van bepaalde misdaden verhoogt zeker mijn morele verontwaardiging. Maar die geeft mij niet het recht om al de rest te vergeten: de duizenden andere slachtoffers, de verschillende verantwoordelijkheden, enzovoort. Die iconische misdaden zijn ook onvoldoende om neutraliteit in een conflict tot de enige mogelijke keuze te decreteren.

4.   Mensenrechtenorganisaties zijn wél aan zichzelf verplicht om neutraal te blijven. Amnesty International pleit ervoor om zowel de misdaden begaan door de Oekraïense als door de Russische en separatistische troepen en milities te onderzoeken. Amnesty heeft al verschillende keren onderzocht hoe de twee partijen de eigen misdaden proberen te verbergen maar ook die van de andere partij te overdrijven. De organisatie geeft het voorbeeld van Lavrov, de Russische minister van Buitenlandse Zaken. Als in 2014 bij Komunar in de Donetsk een graf wordt gevonden met vier gedode burgers, maakt hij daar een massagraf met vierhonderd lijken van (zie hier).

5.   De westerse pers doet zeker mee aan eenzijdige sentimentele verontwaardiging, al doet ze in haar berichtgeving vaak ook een poging om kort de Russische versie weer te geven. De Russen, als direct betrokken partij, gaan in hun sentimentele eenzijdigheid veel verder.  Al vele jaren zie je in Moskou langs de straten en in de winkels foto’s van in de Donbas omgekomen kinderen - alsof de separatisten in dat gebied géén kinderen doden. Het is dat soort foto’s dat er mee voor gezorgd heeft dat de Russische man in de straat de oorlog steunt. De ethiek van de man in de straat is overal sentimenteel, maar in het land van Dostojevski nog meer dan ergens anders geloof ik.

 

* Zie mijn stukje hier. 

donderdag 14 juli 2022

De oorlog in Oekraïne: een morele kwestie?



      Inzake Oekraïne zijn er in ons land drie soorten mensen. Je hebt een kleine groep bewonderaars van Poetin, een aanzienlijker groep die in gedachten – af en toe – meeleeft met de Oekraïense strijders, en een eveneens aanzienlijke groep die zich min of meer neutraal opstelt. Alhoewel ik zelf tot de tweede groep behoor, de Oekraïne-sympathisanten, volg ik met belangstelling de argumenten van de neutralen. Eén argument vooral houdt mij bezig: dat je de oorlog in Oekraïne niet als een morele kwestie moet bekijken. 
     Dat lijkt op het eerste gezicht een rare stelling. Hoe moeten gewone burgers die oorlog dan wel bekijken? Militair-tactisch? Geostrategisch?  Als een straf van God? Maar wij zijn generaal noch diplomaat noch theoloog. Nee, de morele afweging lijkt mij voor de meesten onder ons de meest natuurlijke. ’t Is in elk geval zo voor mij.

     Ik zie ook wel het nadeel van de morele zienswijze. Onze morele regels, zoals de Tien Geboden, zijn gemaakt voor individuele mensen, niet voor staten. Staten zijn niet precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken, waarover je in een fabeltjeskrant kunt lezen. In staten wonen krantenlezers, consumenten, kiezers, vakbondsafgevaardigden, verkozenen des volks, staatshoofden, kleinhandelaars, grootindustriëlen, militairen, diplomaten, en allemaal nemen ze kleine en grote beslissingen die hun weerslag hebben op de betrekkingen tussen staten, en op oorlog en vrede.
    Ondertussen probeer ik nog altijd te achterhalen wat lieden wezenlijk bedoelen met de stelling dat een morele zienswijze op de oorlog in Oekraïne - en op elke oorlog? - moet worden vermeden. Mijn reflex is dan om dan zo’n massieve stelling op te splitsen. ‘Distinguo’ is het begin van de wijsheid, zei een van onze leraren, en hij schreef het woord op het bord. Laat mij dat eens proberen. De oorlog in Oekraïne ‘niet als een morele kwestie bekijken’ kan dan volgende betekenissen krijgen

  1. pragmatische vrede komt altijd vóór morele gerechtigheid; als iedereen dood op het slagveld ligt, is het met de morele gerechtigheid voorgoed afgelopen
  2. er is in Oekraïne helemaal geen strijd aan de gang tussen ‘goeden’ en ‘slechten’
  3. de strijd wordt er net aangedreven door morele idealen – panslavische solidariteit, Oekraïens nationalisme – die nooit op het morele niveau verzoend, maar enkel op een ander niveau overstegen kunnen worden
  4. moraal in de politiek leidt onvermijdelijk tot fanatisme en in de internationale politiek tot oorlog
  5. er bestaat voor staten slechts één spelregel, en dat is een pragmatische, namelijk dat ze zich nooit inmengen in aangelegenheden van andere staten; alle andere overwegingen, bijvoorbeeld van humanitaire aard, moeten daarvoor wijken 
  6. minder ambitieus: er bestaat voor staten maar één spelregel, namelijk dat ze een andere staat niet als eerste mogen aanvallen 
  7. nog minder ambitieus : er bestaat voor staten géén enkele spelregel – ook niet die van non-agressie –  omdat een staat nooit de garantie heeft dat een andere staat zich aan die spelregel zal houden; daarom moet de mogelijkheid van een pre-emptive strike altijd open worden gehouden
  8. een staat moet zonder morele scrupules alleen aan zijn eigen veiligheid en welvaart denken** 
  9.  internationale politiek mag nooit een kwestie zijn van ‘signalen’, goede bedoelingen, symbolische gestes, nobele sentimenten en hoogdravende retoriek, maar altijd van praktische resultaten*** 
  10. sterker: internationale politiek die drijft op goede bedoelingen etc. heeft in de werkelijkheid altijd averechtse gevolgen
  11. omgekeerd: goede bedoelingen in de politiek zijn niets anders dan hypocrisie, mooie principes die men bovenhaalt als ze goed uitkomen en die men in alle andere gevallen vergeet
  12. eigen staat eerst; altruïsme dat binnen een goed geordende staat geldt als deugd, is daarentegen een misdadige naïviteit in de internationale betrekkingen; daar geldt, ondanks Volkenbond of Verenigde Naties slechts één wet van kracht is: die van de sterkste.

     Ik ben het eigenlijk met al die stellingen eens, behalve met de woorden ‘iedereen’, ‘voorgoed’, helemaalonvermijdelijk, ‘enkel’, ‘alleen’, ‘alle,’ ‘slechts één’, ‘géén enkele’, niets anders dan en verschillende keren ‘nooit’ en ‘altijd’. Dat zijn woorden waar ik zuinig op ben. In de tweede stelling zou ik graag een woord toevoegen voor ik ze onderschrijf: er is in Oekraïne geen strijd aan de gang tussen absoluut ‘goeden’ en absoluut ‘slechten’. 

    Wat er ook van zij: geen van de negen stellingen kan, na nuancering, mijn positie van sympathie voor de Oekraïeners ondermijnen. Stelling 5 (non-agressie) vormt zelfs een stevig fundament voor die sympathie, te meer daar de nuance daarop aangebracht door stelling 6 (pre-emptive strike) niet van toepassing is. De bewering dat Rusland een pre-emptive strike uitvoerde omdat het land een aanval vanuit Oekraïne moest vrezen, mist elke plausibiliteit. 
     Alleen met stelling 7 (eigenbelang) in samenhang met stelling 1 (vrede), kom ik in moeilijkheden. Het behoud van de Europese vrede is zonder twijfel het hoogste eigenbelang dat wij ons kunnen voorstellen. De financiële en militaire steun die het Westen aan Oekraïne geeft, brengt risico’s voor onszelf mee. Een ‘irrationele’ respons van Poetin blijft altijd mogelijk. 
     Aan de andere kant houdt het ook risico’s in als Oekraïne aan Rusland wordt overgeleverd en met huid en haar wordt opgepeuzeld. Ik ben er vrij zeker van dat Poetin nooit de ambitie heeft gehad om West-Europa aan te vallen. Maar ik mis die zekerheid als het om Noord- en Oost-Europese landen gaat die vroeger tot de Russische invloedssfeer behoorden, en die nu onze formele bondgenoten zijn. Een militaire aanval op die bondgenoten was niet uitgesloten als de Russen moeiteloos Oekraïne als vazalstaat hadden geannexeerd. Gokkers worden overmoedig bij winst. 
     In geval van zon aanval op een formele bondgenoot was een directe oorlog, ook met nucleaire wapens, het enige mogelijke antwoord van het Westen geweest. Voor ons eigenbelang heb ik liever de – voor ons althans – indirecte oorlog, zoals die nu aan de gang is. Laten we voor onszelf hopen dat die niet te lang meer duurt. En voor de Oekraïeners al zeker, want ons eigenbelang is niet de enige maatstaf.

 

* Bijvoorbeeld omdat de twee partijen boter op hun hoofd hebben

** Dat nastreven van eigenbelang kan best tegelijk het eigenbelang van andere staten ten goede komen. Dat is het principe van de internationale handel.

*** Het heeft mij wat tijd gekost voor ik begreep dat veel tegenstanders van moraliseren in de politiek niet de ethiek als dusdanig bedoelen, als wel de sentimentele, retorische variant ervan die rationele afweging verwerpt.

dinsdag 10 mei 2022

Poetins dekentje


      Op de 9-meiparade liet Poetin zich fotograferen met een dekentje over zijn benen om zich tegen de kou te beschermen. Een aantal bejaarde generaals die naast hem zaten hadden van zo’n dekentje afgezien. Je denkt meteen aan de mantel die over de schouders van Franklin D. Roosevelt hing in Yalta. Of aan de zware overjas die Gorbatsjov droeg in Reykjavik, anders dan Reagan die alleen een colbertje aan had. Roosevelt en Gorbatsjov zagen er bij die gelegenheden wat zwakjes uit. Was dat de indruk die Poetin wou geven, hij, die zich anders graag laat fotograferen terwijl hij met ontblote borst op een paard zit? Ik dacht meteen aan Charles De Gaulle die zich in 1958 klaarmaakte om, na twaalf jaar in ‘de politieke wildernis’, weer aan de macht te komen. Als hij bezoekers had deed hij alsof hij ziek was, verscheen in kamerjas, en kuchte voortdurend. Zodra zijn bezoeker weg was, veerde hij recht en begon weer energiek zijn politieke ‘comeback’ voor te bereiden.
     De wat slappe verschijning van Poetin was min of meer in eenklank met zijn ‘gematigde’ Calimero toespraak over het stoute westen dat hem tot oorlog gedwongen had? Wou Poetin dan sympathie en medelijden opwekken? Bij mij is dat in elk geval een héél, héél klein beetje gelukt. Ik weet namelijk wat het betekent om kouwe benen te hebben. Ik heb jarenlang op voetbaltribunes gezeten om vanaf de zijlijn mijn zoon op het veld aan te moedigen. Wat heb ik toen in de herfst, winter en vroege lente kou geleden! Nochtans zaten naast mij tachtigjarigen die geen krimp gaven. Zelf beschermde ik mijn romp met een flanelletje, een overhemd, twee truien, een jas en een overjas. Maar mijn benen! Als ik rechtstond was het al erg, maar als ik zat was het nog veel erger, omdat de broek dan nauw aansluit op de huid en het isolerende luchtlaagje afwezig was. Ik heb enige tijd geprobeerd het ongemak te verhelpen door een lange onderbroek aan te doen, maar dat maakte nauwelijks verschil. Uiteindelijk heb ik een goede oplossing gevonden. Ik trok boven mijn broek een waterdichte regenbroek aan. Dat hielp. 
     Over de ‘gematigde’ toespraak van Poetin nog dit. De autocraat beweerde dat Oekraïne op het punt stond om Rusland aan te vallen, met hulp van het westen. Dat is een buitennissige uitspraak die het op de Russische staatszender misschien goed doet, maar ergens anders op ongeloof wordt onthaald. Misschien bedoelde hij wel dat Oekraïne plannen had om de Krim terug te veroveren. Ook dat is niet erg geloofwaardig, en het is in elk geval ver verwijderd van de ‘existentiële’ bedreiging, waar hij enige tijd geleden over sprak, een bedreiging die dus het voortbestaan zelf van zijn land in gevaar bracht.
     Laat ik echter niet moeilijk doen, de toespraak was, naar Poetins doen, inderdaad gematigd. Nu kun je de vraag stellen of het westen dat gematigd discours niet moet beantwoorden met een even gematigde versie. ’t Is in elk geval wat Peter Mijlemans voorstelt in Het Nieuwsblad. ‘Pas als de oorlogstaal stokt, kan er echt gepraat worden.’ Ik kan dat billijken. In een conflict waar het niet de bedoeling is om Moskou in te nemen – Napoleon heeft daar slechte ervaringen mee gehad – moet er vroeg of laat onderhandeld worden, en dan kan het goed zijn om, met het oog op het psychologische steekspel dat daarbij hoort, de ene keer ferme taal te spreken en de andere keer verzoenende woorden in de mond te nemen. De verzoenende taal biedt dan ten minste de schijn van een eerbare oplossing voor beide partijen.
     Ik weet niet of Mijlemans een uitgebreide strategische en diplomatieke achtergrond heeft. Ik heb die in elk geval niet. Ik weet dus niet wannéér het tijd is voor ferme, en wannéér voor verzoenende taal. Maar het principe van afwisseling lijkt mij gezond. Varietas delectat. Alleen, net zoals je je door je eigen oorlogstaal niet mag laten meeslepen, mag je evenmin de dupe worden van je verzoenende taal. Als Poetin wil dat het westen haar wapenleveringen vermindert, zal zijn gematigde taal niet volstaan, maar zal hij troepen moeten terugtrekken. ‘Speak softly and carry a big stick,’ zei Theodore Roosevelt. Wij zijn ondertussen helaas in het stadium dat van beide kanten met de stokken geslágen wordt. Zolang Poetin met zijn stok blijft slaan, zal het westen dat vermoedelijk ook blijven doen met de hare. Alle gematigde taal en Poetins dekentje ten spijt. 

maandag 9 mei 2022

Poetin: rationeel of madman?

 


      Vandaag lees ik in Het Nieuwsblad een stuk over Abbas Gallyamov, een ex-speechschrijver van Poetin. De man voorspelt dat Poetin vandaag een nucleair ultimatum zal stellen. Ik ben benieuwd of die voorspelling zal uitkomen.
    Ik hou wel van die ex-speechschrijvers. Ik heb indertijd veel geleerd van de memoires van Peggy Noonan, een ex-speechschrijfster van Ronald Reagan. Ik haalde haar altijd aan in de klas, als ik over ‘de redevoering’ sprak. Noonan had de gewoonte om tijdens het schrijven van een speech – een karwei dat weken kan duren – urenlang jambische verzen te lezen. Dat leek mij erg slim. Een goede, moderne redevoering moet een jambisch karakter hebben. Vergelijk maar eens bij Shakespeare de redevoering van Brutus, naar het klassieke voorbeeld van Cicero, met de moderne aanpak van Marcus Antonius, die van de hak op de tak springt, maar alles mooi aan elkaar lijmt door het meeslepend metrum.
     Toch overheerste een gevoel van spijt toen ik het stuk in Het Nieuwsblad las. Het stelt de vraag in hoeverre we Poetins dreigementen als een madman strategy moeten bekijken. Ik had daar gisteren nog van alles over opgezocht om daar een stukje over te schrijven en nu is de auteur van Het Nieuwsblad, Peter Mijlemans nota bene, mij voor. Hij legt correct uit hoe Nixon tijdens de Vietnamese oorlog met opzet de indruk gaf van irrationeel en impulsief te reageren, zodat de communistische vijand zich verzoenend zou opstellen om een nucleair conflict te vermijden. Nixon verklaarde aan zijn stafchef Haldeman: ‘I call it the Madman Theory, Bob. I want the North Vietnamese to believe I've reached the point where I might do anything to stop the war. We'll just slip the word to them that, "for God's sake, you know Nixon is obsessed about communism. We can't restrain him when he's angry—and he has his hand on the nuclear button" and Ho Chi Minh himself will be in Paris in two days begging for peace.’
    Anti-Amerikaans links schreef toen gretig dat Nixon de wereld ‘op de rand van een kernoorlog’ bracht, en het was precies die indruk die de president wilden wekken. In werkelijkheid dácht hij er niet aan om een nucleaire escalatie op gang te brengen waar hij zelf het slachtoffer van kon worden. Tussen twee haakjes: Mao kon er ook iets van. Die liet herhaaldelijk optekenen dat hij niet bang was van een kernoorlog. Er waren toch – in die tijd – 600 miljoen Chinezen. Als er daarvan 300 miljoen omkwamen bleven er nog 300 miljoen over om zegevierend het socialisme op te bouwen.
     Er is aan die historische parallel één nadeel.  Terwijl we van Nixon ongeveer weten wat zich indertijd in zijn hoofd afspeelde, weten we dat niet van Poetin nu. Zijn extravagante praatjes over ‘Oekraïne bevrijden van de neonazi’s’ en zijn bespottelijk lange onderhandelingstafel lijken inderdaad die van een madman? Maar is die indruk juist? Is Poetin gek, of speelt hij voor gek, zoals Hamlet doet in dat toneelstuk en zoals Macchiavelli als wijs beleid aanprijst in de Discorsi? Er is een groot verschil tussen een kernoorlog beginnen – wat irrationeel en waanzinnig zou zijn – en een kernoorlog in het vooruitzicht te stellen – wat weliswaar gevaarlijk, maar helemaal niet waanzinnig of irrationeel hoeft te zijn.
     Professor Goddeeris, die anders wel ‘begrip’ wil opbrengen voor het Russische standpunt, heeft Poetin al verschillende keren ‘irrationeel’ genoemd. In De Standaard van 3 maart schreef hij: ‘Moskou is onverwachte dingen aan het doen … Poetin waagt zich aan een oorlog die hij niet kan winnen. Bij zoveel irrationaliteit moeten we escalatie vermijden.’
     Nou ja, onverwachte dingen… Goddeeris had de brutale agressie niet voorspeld, dat geef ik toe, maar gewezen schaakkampioen en politiek opposant Gari Kasparov voorspelde zo’n evolutie al in 2015 in zijn boek Winter is Coming. Ook is niet duidelijk waarom Poetin de oorlog niet kan – of kon – winnen. Door de westerse militaire steun aan Oekraïne is dat nù misschien zo, maar juist die substantiële westerse steun kwam nogal ‘onverwacht’. Van Amerika weet je nooit op voorhand welke reflex zal overheersen: de imperiale of de isolationistische. En wat kon Poetin van het slappe Europa verwachten? Veel geblaat en weinig wol? Ook Goddeeris had verwacht dat de ‘progressieve krachten’ – sociaaldemocraten en groenen – zich tegen wapenleveringen zouden verzetten en ze dus onmogelijk zouden maken.
     Wat Europa betreft heeft Poetin zich misrekend. Hij heeft zowel het humanitarisme als de folie des grandeurs van de Europese leiders onderschat. Dat humanitarisme, zul je zeggen, is faciel en hypocriet en die folie des grandeurs belachelijk en stuitend. ’t Is waar. Maar ondertussen doen de Oekraïense strijdkrachten er hun voordeel mee en moet Poetin op zoek naar een oplossing. Misschien kan hij zich spiegelen aan Nixon’s ‘peace with honor’, wat geloof ik, uiteindelijk op een algehele terugtrekking van zijn troepen neerkwam. ’t Is een te volgen voorbeeld.

zaterdag 7 mei 2022

Professor Goddeeris over Poetin


    
 Deze week kreeg ik weer een portie professor Goddeeris op mijn bord. Op 2 mei zat hij in het panel van ‘De Afspraak’ en op 4 mei stond een interviewtje met hem in Het Nieuwsblad. Goddeeris is, naar eigen zeggen, geen ‘Poetinsupporter’, maar wel iemand die ‘begrip’ vraagt voor het Russische standpunt. Verder wil hij dat het westen in de Oekraïense kwestie stopt met de confrontatie op te zoeken, kiest voor dialoog en onderhandeling, bemiddelend optreedt en alle wapenleveringen stopzet.
     De argumentatie van Goddeeris vind ik weinig overtuigend, en zijn woordkeuze is ongelukkig. Ik wil best een poging doen om de motieven van Poetin te ‘begrijpen’, ook als die worden toegelicht door iemand als Goddeeris, maar daarom moet ik voor die motieven nog geen ‘begrip opbrengen’. Goddeeris beweert dat de Russische inval in Oekraïne ‘niet zonder aanleiding’ gebeurde. De aanleiding was, nog altijd volgens Goddeeris, dat Oekraïne lid wilde worden van de Navo. Goed, dan is dat de aanleiding. Maar is het ook een goede aanleiding? Zelf zag ik tot voor kort geen reden waarom Oekraïne bij de Navo moest komen, maar sinds Poetins aanval zie ik de reden maar al te goed. Een buurland van Rusland dat geen lid is van een internationale alliantie, is voor Poetin loslopend wild, en al zeker als het in het verleden ooit tot Rusland of tot de Sovjet-Unie behoorde.
    Goddeeris pleit voor een ‘bemiddelende rol’ van het westen. Maar dat voorstel past slecht bij zijn eigen analyse. Volgens Goddeeris zoekt Zelenski naar een compromis door voor zijn land een neutraal statuut te overwegen, terwijl het westen, bij monde van Boris Johnson het extreme standpunt inneemt ‘dat Rusland uit Oekraïne moet verdwijnen’. Je duizelt bij zoveel absurditeit. Ten eerste zijn de aangehaalde standpunten – neutraal statuut, Rusland weg uit Oekraïne – niet tegenstrijdig. Ten tweede is het standpunt van Johnson helemaal niet extreem – wil Goddeeris dan dat Rusland blijft?* –, en ten derde ziet iedereen dat het Zelenski is die het westen aanvuurt en niet het westen Zelenski. Straks gaat Goddeeris nog beweren dat het westen zijn wapenleveringen aan Zelenski ‘opdringt’. Ten slotte, als Goddeeris toch gelijk heeft – dat Zelenski de gematigde partij, en het Westen de extreme partij is – dan is het Zelenski die bemiddelend zal moeten optreden.
     Goddeeris wordt geprezen door een aantal gelijkgezinden om de intellectuele moed waarmee hij zijn standpunt verdedigt. Maar er zijn verschillende soorten van intellectuele moed. Een soort bestaat erin om iets anders te zeggen dan wat de meerderheid zegt. Die eigenschap heeft Goddeeris inderdaad. Een andere soort bestaat erin om niet te veel om de hete brei heen te draaien en te zeggen waar het op staat. Daar is hij veel minder sterk in. In ‘De Afspraak’ kwam het tot een discussie met professor De Grauwe die hem verweet de appeasement politiek van de jaren 30 tegenover Hitler te imiteren. Door de dialoog met Hitler na te streven heeft men indertijd zijn oorlogsplannen aangewakkerd, en dat zou nu met Poetin ook gebeuren, aldus De Grauwe. Goddeeris antwoordde met een verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog en het boek van Christopher Clark dat liet zien dat men toen door gebrek aan dialoog als slaapwandelaars de oorlog tegemoet liep.
   Wat biedt de beste historische parallel om de Oekraïnse toestand te benaderen: de Eerste of de Tweede Wereldoorlog? Is de roep om dialoog een uiting van diplomatiek evenwichtstreven, of is het angst om een gevaarlijke en onberekenbare pestkop iets in de weg te leggen? Op zeker ogenblik in het debat verliet Goddeeris, nogal inconsequent, de parallel van de Eerste en ging over naar de Tweede Wereldoorlog. Hij verwees naar de beroemde vraag van eind de jaren dertig: Mourir pour Dantzig?** Was het de moeite om een wereldoorlog te riskeren alleen om Dantzig/Gdansk bij Polen te houden en uit de klauwen van Hiter? ‘Vandaag,’ zei Goddeeris, ‘kunnen we de vraag stellen: Mourir pour Kiev?’
     Inderdaad, ’t is een belangrijke vraag, en het antwoord ligt ook voor mij niet voor de hand, vooral gezien de nucleaire dreiging die er nu bij is gekomen***. Maar ’t is beter de zaken duidelijk te stellen in plaats van praatjes te verkopen over ‘begrip voor de Russische positie’, de ‘aanleiding voor de inval’ en het ‘gestook van het westen’. Dat geldt ook voor de wollige taal over ‘dialoog in plaats van wapenleveringen’, ‘geweldloosheid en overleg’ en ‘beëindigen van de polarisatie’. Ik wil de moed van de Oekraïners niet onderschatten, maar zonder de Westerse militaire hulp wacht hen een spoedige nederlaag. Het zal mij benieuwen of Poetin na een Oekraïnse nederlaag nog veel interesse zal hebben voor ‘dialoog’ en ‘overleg’. Waarom wil Goddeeris die waarheid niet onder ogen zien? En als hij pleit voor ‘onderhandelen’ en ‘toegeven’, bedoelt hij dan iets anders dan een volledig capitulatie voor de Russische eisen: permanente seccessie van de Krim, van de volledig Donbas, van de veroverde gebieden, en een neutraal statuut dat de deur openlaat voor nieuwe ‘speciale operaties’?
     Vergeleken met het gebabbel, gedraai en geklets van Goddeeris is het rechtlijnige discours van Mark Elchardus een verademing. Hij stelt ongeveer hetzelfde voor, maar zonder vergoelijking en zonder mooie woorden. West-Europa moet zich uit het conflict terugtrekken en moet Poetin zijn zin geven, wat Elchardus als volgt samenvat: Donetsk en Luhansk worden onafhankelijk, de Krim blijft Russisch, en Oekraïne wordt lid noch van de Navo, noch van de EU. Elchardus probeert die keuze niet mooier voor te stellen dan ze is: ze is, zegt hij, ‘vreselijk’.
     Ik ben het niet eens met het anti-Amerikanisme van Elchardus, met zijn scherpe tegenstelling tussen ‘ethiek’ en ‘koele berekening’**** en met zijn beginsel om in de internationale politiek helemaal geen onderscheid te maken tussen iberaal-democratische en dictatoriale regimes. Maar ik hou van zijn duidelijkheid. 
     Ik hoop trouwens net als Goddeeris en Elchardus op een onderhandelde oplossing. Mijn dagen van ‘hasta la victoria siempre’ liggen ver achter mij.  Een onvoorwaardelijke capitulatie – het unconditional surrender van Ulysses S. Grant en van Franklin D. Roosevelt – is niet aangewezen. Oekraïne en de Nato moeten Rusland niet binnentrekken, Moskou niet veroveren, Poetin niet arresteren en ophangen, het Russische leger niet ontbinden, het land niet jarenlang bezetten, en de geleden schade niet laten vergoeden. Het beste zou zijn dat Poetin tijdens bilaterale of multilaterale onderhandelingen, zoals in een Shakesperiaanse komedie, tot inkeer komt, zijn troepen uit Oekraïne terugrekt en de integriteit en soevereiniteit van het land erkent. Als dat niet kan, is voor mij een compromis ook goed. Maar het mag voor de Oekraïeners iets meer zijn dan wat Elchardus luidop en Goddeeris stilletjes aanvaarden. En door de westerse wapenleveringen is de kans daarop niet helemaal uitgesloten.

 

* Goddeeris interpreteert die eis als zou Boris Johnson ook willen dat Rusland zich uit de Krim wegtrekt. Dàt heeft Johnson in elk geval niet gezegd.

** Titel van een editoriaal van Marcel Déat van 4 mei 1939. Het antwoord van de auteur op zijn eigen vraag was dat de Fransen niet moesten sterven voor Gdansk, ook al was Hitler een geweldenaar. Déat is een treffend voorbeeld van iemand die door een mengeling van pacifisme én realisme tot capitulatie en later tot collaboratie komt. Het is opmerkelijk dat Goddeeris die vraag overneemt. Wie een Chamberlain-politiek verweten wordt, verdedigt zich meestal door de parallel te ontkennen. Hier is het of Goddeeris Chamberlain (en in casu Déat) gelijk geeft.

*** Goddeeris spreekt impliciet over de nucleaire dreiging als hij het heeft over de ‘irrationaliteit van Poetin’ die zich ‘aan een oorlog gewaagd heeft die hij niet kan winnen.’ Maar Poetin had die oorlog wél kunnen winnen als het westen niet gereageerd had met militaire steun. Gokken, wat Poetin gedaan heeft, is niet hetzelfde als irrationeel handelen. Of zijn herhaalde dreigingen met nucleaire escalatie een staaltje zijn van irrationeel gedrag dan wel van berekende intimidatie, wie zal het zeggen? Het is waar, Hitlers militair-strategisch gokspel eindigde na een hele reeks nederlagen in een romantische droom van een allesvernietigende Götterdämmerung. Poetin is, net als Hitler, een gokker. Maar is hij ook een romanticus?

**** Ethiek kun je in buitenlandpolitiek niet uitschakelen, net zomin als je er het leidende principe van kunt maken. Het onderscheid tussen een pragmatische en een ethische politiek heeft overigens, wat de doelstellingen betreft, vaak te maken met het onderscheid tussen de korte en de lange termijn.

vrijdag 6 mei 2022

Professor Goddeeris en het bloedbad van Katyn

 



     Professor Idesbald Goddeeris, een van de weinige  Vlaamse experts die in zijn stukken meer begrip vraagt voor Poetin, maakte bij het begin van de oorlog een valse start toen hij in De Standaard  terloops sprak over het ‘Duitse bloedbad in Katyn’, een fout die de dag erna in de krant werd rechtgezet. In de bossen van Katyn werden in 1940 vele duizenden Poolse officieren doodgeschoten en begraven, maar dat gebeurde niet door de Duitsers, maar door de Russen. Dat was een vervelende fout voor een historicus.
     Katyn is natuurlijk lang een controversiële materie geweest, en al zeker ten huize Clerick in de jaren 70 van vorige eeuw. Mijn vader haalde Katyn vaak aan om de moordlust van de communisten te illustreren. Niets van aan, antwoordde ik, het waren de nazi’s die het bloedbad hadden aangericht. En dan ging het minutenlang over de juiste datering van de executies, de grenslijn tussen Duitse en Russische zones, de herovering van Smolensk, het effect van de vrieskou op de staat van de lijken, de rapporten van het Rode Kruis, de koehandel tussen Churchill, Roosevelt en Stalin, de Poolse regeringsleider Sikorski die omkwam in een mysterieus vliegtuigongeval, het proces van Neurenberg, enzovoort. We kwamen er niet uit en het geluidsvolume, altijd al hoog aan onze keukentafel, moest weldra het gebrek aan nieuwe argumenten goedmaken.
     Ook elders was de materie controversieel. Ik herinner mij een ‘vorming’ van Ludo Martens die ergens een spitsvondige uitleg over Katyn gevonden had bij de Pools-Franse gauchist K.S. Karol: ’t waren de Duitsers geweest maar Martens en Karol konden precies verklaren hoe de ‘verkeerde’ versie van de feiten was ontstaan. Ik stak voorzichtig mijn hand op en zei iets over de datering, de grenslijn, de vrieskou en het Rode Kruis, in de hoop die argumenten definitief weerlegd te zien. Martens antwoordde echter laconiek: ‘Als je liever de propaganda van Goebbels gelooft, kan ik daar ook niets aan doen.’ Ik vond dat zwak van onze voorzitter.
     Dat was allemaal in de jaren 70 of 80 van vorige eeuw. Sinds 1990 is de mist opgetrokken. De Russen zelf, van Gorbatsjov tot Poetin, geven nu toe dat de moorden gebeurden op bevel van Stalin en zijn trawanten. Er zijn een aantal films aan de kwestie gewijd – zoals Katyn van Andrzej Wajda (2007), en Inspeckja (2017), die vooral de interne machinaties van de NKVD nader bekijkt. Stalin wou met liquidatie van de officieren de Poolse elite elimineren als mogelijke bron van verzet. Die officieren waren trouwens allemaal militaristen, reactionairen, primaire anticommunisten en contrarevolutionairen. Je vraagt je af waarom Ludo Martens hun terechtstelling eigenlijk niet toejuichte. 
     In elk geval: de Russische verantwoordelijkheid staat vast. Ik ben er zo goed als zeker van dat professor Goddeeris als Polen-specialist dat ook weet. Zijn fout moet een lapsus geweest zijn. Als ik een stuk over Katyn schrijf moet ik er ook voor oppassen dat de adjectieven ‘Duits’, ‘Russisch’ en ‘Pools’ niet van plaats verwisselen en ook nog eens verkeerd gespeld worden. Ik ga Goddeeris zijn vergissing dan ook niet gebruiken om zijn discours te ondermijnen, wat ik nochtans graag wil doen. Misschien kan ik dat wel zonder Katyn erbij te betrekken. Ik zal morgen eens zien hoe ver ik geraak.

woensdag 23 maart 2022

Medialeugens over Oekraïne



    Ik ben, zoals ik in mijn stukje van gisteren toegaf, geen dossiervreter als het op buitenlandse politiek aankomt. Ik geef mijn mening dus graag voor een betere. Maar is mijn veronderstelling fout dat de leugens vandaag vooral in de Russische media komen? Heeft men daar niet maandenlang geschreven dat de militaire maneuvers aan de grens met Oekraïne geen voorbereiding waren op een inval? En nu die inval er toch gekomen is, is er weer iets anders. De inval mag nu geen inval of oorlog worden genoemd. Er is, als je de Russische media leest, geen oorlog aan de gang, en die oorlog die niet aan de gang verloopt naar wens. Als een burgerdoelwit wordt gebombardeerd, is het altijd een gecamoufleerd militair doelwit. Als er vluchtelingen onder vuur worden genomen, dan zijn het altijd de Oekraïense troepen die op hun eigen burgers hebben geschoten.  Ik geloof daar allemaal niet veel van, vooral niet omdat het in Rusland nu bij wet verboden is om die berichtgeving tegen te spreken. 

     Nu geloof ik evenmin  alles wat Zelenski zegt. Hij herhaalde een paar keer dat er al 14.000 Russische soldaten gedood zijn. Als ik zoiets hoor, deel ik dat getal in gedachten onmiddellijk door twee. Maar in onze media wordt de Zelenski-versie ook altijd met een zeker voorbehoud gegeven. Dat betekent overigens niet dat onze media over Oekraïne helemaal neutraal zijn. In het Het Nieuwsblad van gisteren las ik over het ‘heldhaftige’ verzet van de Oekraïners. Een journalist schrijft, vind ik, beter over ‘hardnekkig verzet. Maar heel erg vind ik die woordkeuze ook niet, want eigenlijk zijn die Oekraïners wel echt heldhaftig.

     Wie in onze Oekraïne-verslaggeving - hardnekkig of heldhaftig - zoekt naar een bron van ergernis, zal die vroeg of laat wel vinden. De eerste dagen na de inval, hoorde ik op het vtm-nieuws Carolien van Nunen vanuit Moskou enthousiast vertellen dat alle Russen die ze kende zich tegen Poetin hadden gekeerd. Ik dacht toen bij mijzelf dat Carolien alleen een bepaald soort Russen kende, zoals Pauline Kael alleen een bepaald soort Amerikanen kende*. Maar ondertussen weten we dat heel veel Russen Poetin wel steunen – hopelijk alleen voorlopig – en die steun wordt door onze media niet verzwegen. 

     Waar ik verder last van heb, is het emotionele timbre van de verslaggevers ter plaatse. Dat heeft altijd al op mijn zenuwen gewerkt, gelijk welke ramp die mensen verslaan, en nu, met die bombardementen is het niet anders. Enfin, ik moet daarmee leren leven. Anderzijds, als die verslaggevers voor de camera’s verklaren dat er die nacht drie bombardementen zijn geweest, neem ik aan dat ze niet liegen, en als ze de dodentol ‘vreselijk’ vinden, wie kan ze ongelijk geven?

    Hier en daar lees ik het bezwaar dat onze berichtgeving ‘eenzijdig’ is. Ik lees het vooral bij mensen die vinden dat de toespraak van Verhofstadt op het Maidanplein in 2014 het grootste onrecht is dat het Oekraïense volk ooit is aangedaan. Dat zegt iets over hun zin voor proporties. Maar op zich genomen is het bezwaar niet helemaal onterecht. Er zullen in de jarenlange strijd tegen de separatische ‘volksrepublieken’ in Donetsk en Loehansk heus wel misdaden begaan zijn door de twee kampen. Ook kan het niet anders of er vallen in de huidige oorlog eveneens burgerslachtoffers onder de kogels van, en de bombardementen door, de Oekraïense troepen. Verder zou het mij mij verwonderen als gevangen Russische soldaten altijd netjes worden behandeld. 

     Maar, onder ons gezegd, het zou mij nog meer verwonderen als het menselijke leed dat het invallende leger nu al heeft aangericht niet vele keren erger is – in mijn Amada-tijd zou ik gezegd hebben ‘duizend keren erger is’ -  dan alles waar de Oekraïense regering rechtstreeks of onrechtstreeks verantwoordelijk voor is. Als onze berichtgeving dan eenzijdig is, dan is zelfs die eenzijdigheid tot op zekere hoogte proportioneel.
     Natuurlijk heb ik er  geen enkel bezwaar tegen als onze media lijvige dossiers of grondige reportages zouden opstellen of maken over bijvoorbeeld de wreedheden begaan door Oekraïense strijders. De waarheid heeft haar rechten. Helaas is het voor de leek vaak moeilijk om in zulke dossiers en reportages, die waarheid te vinden die bedolven wordt onder details, coïncidenties, speculaties, emoties, en al dan niet betrouwbare of al dan niet representatieve getuigenissen. Vaak heeft een mens dan geen zin om dat allemaal te gaan lezen en bekijken. En soms is dat ook niet nodig om je een mening te vormen. Er zijn van die kwesties waar de grote lijnen duidelijk genoeg zijn voor wie toe wil zien. 


 

* Mijn stukje van gisteren: zie hier.
** Over Pauline Kael: zie hier. 

dinsdag 22 maart 2022

Buitenlandse politiek vind ik moeilijk


     Toen ik zeventien was, heb ik een poosje pijp gerookt en Le monde diplomatique gekocht. Die pijp heb ik een poosje volgehouden, maar dat Franse weekblad … tja … dat stond vol met stukken die ik niet begreep, over landen die ik niet kende, waar zich problemen voordeden die mij niet interesseerden. Ik ben er snel mee gestopt. Ook toen ik in het maoïstisch milieu terechtkwam, bleef mijn interesse in vreemde landen – China uitgezonderd – beperkt. Mijn klasgenoot en beste vriend destijds vond internationale politiek de enige echt interessante. De inzet was er hoog: oorlog of vrede, hongersnood of welvaart, dictatuur of vrijheid. Ik was bij wijze van spreken meer geïnteresseerd in de kwestie van de ‘democratische school’. De school was iets wat ik kende, maar die buitenlandse politiek leek mij een te moeilijk onderwerp om zelf veel over na te denken. De studie van de Pentagon Papers en andere ingewikkelde dossiers, liet ik graag aan Ludo Martens en Patrick De Boosere over.
     Je kunt je nu afvragen: waaróm is buitenlandse politiek eigenlijk zo moeilijk? Dat komt natuurlijk omdat álles moeilijk is als je iets echt goed wil kennen of kunnen. Een perfecte tuin aanleggen is moeilijk. Een vreemde taal spreken zoals ‘native speakers’ dat doen is ook moeilijk, en áls je dat niveau bereikt, gaat het vaak ten koste van je eigen moedertaal. Wiskunde is voor wie daar geen aanleg voor heeft héél moeilijk; en wie er wél aanleg voor heeft, stoot vroeg of laat evengoed op een muur: hij moet zich specialiseren op één domein van de wiskunde om daar meer van af te weten dan zijn collega-wiskundigen, en dan moet hij aanvaarden dat hij in andere domeinen van het vak alleen nog de klok hoort luiden zonder te weten waar de klepel hangt.
     Ook is buitenlandse politiek zo moeilijk omdat het buitenland zelf ongrijpbaar blijft voor wie de broodnodige achtergrondkennis mist. Wij zijn allemaal min of meer expert in binnenlandse materies. Neem de economie. Het Bruto Binnenlands Product of de GINI-coëfficiënt van ons land moet ik telkens weer opzoeken, maar ik heb wel een ruw idee van de welvaart en de inkomensverdeling. Ik weet ongeveer  hoeveel je een poetsvrouw of een loodgieter betaalt en hoe moeilijk het is om er een pakken te krijgen. Om te weten hoe de huizen van de rijken eruitzien moet ik maar naar het meer van Keerbergen fietsen. Op de autostrada tel ik onbewust het aantal Ford Fiesta’s en het aantal Jaguars. Als Paul D’Hoore mij op de televisie iets vertelt over de levensduurte kan ik dat aftoetsen aan mijn ervaring in de winkel. Als ik lees over de stijgende of dalende werkloosheid, kan ik mij, in mijn confortabele positie van gepensioneerde, toch een voorstelling maken van het bestaan van de werkloze die samen met mij boodschappen doet in de Aldi. Ik heb een soort basisintuïtie die mij helpt om de realiteit achter de cijfers te zien.
      Dat is allemaal anders als het over het buitenland gaat. Mensen die zich storen aan mijn neoliberale en libertaire opvattingen gooien mij vaak de sociale wantoestanden in de Verenigde Staten voor de voeten. Is dát soms wat ik wil, vragen zij. Wat moet ik daar op antwoorden? – ik, die ik amper het verschil ken tussen social security, pension en welfare of tussen medicare, medicaid en health insurance. Trouwens, als ik doorvraag, blijkt meestal dat mijn gesprekspartner die verschillen ook amper kent. En zelfs als die gesprekspartner of ikzelf die zaken gaan opzoeken, kennen we eigenlijk nog alleen maar de theorie. Ik zou jaren in de VS moeten hebben gewoond om de intuïtieve expertise te verwerven waarmee de geboren Amerikaan die begrippen een plaats geeft.
     Kun je die expertise niet verwerven door vlijtig de buitenlandkatern in de krant te lezen? Ik vrees ervoor. Als ik in Spaanse krant iets lees over België, valt dat vaak vreselijk tegen. Ik krijg de indruk dat die krant over een ánder land schrijft dan dat waar ik woon. Zou onze pers dan zoveel beter zijn als zij over Spanje schrijft, of over een ander land? Zijn ónze experten zoveel beter? Ik denk het niet. Het buitenland is zo groot en onze buitenlandredacties zijn zo klein. Zo’n buitenlandredacteur kan zich niet in álle landen specialiseren. En zelfs als hij één, twee of drie landen goed kent, zal wat hij neerschrijft nog altijd het armzalige, gefilterde materiaal zijn en niet het ruwe materiaal met al zijn rijkdom van context.
     Ik schreef onlangs iets over de economie in Oekraïne. Het BBP per inwoner in dat land was in 2021, volgens het IMF, $ 4 384, dus minder dan de helft van dat van Rusland en tien keer minder dan dat van België. Maar betekent dat werkelijk dat een Rus twee keer zo rijk, en een Belg tien keer zo rijk, leeft als een Oekraïner? Ik zou het niet weten. Zo’n BBP is interessant maar zegt niet alles. Het voorbeeld is bekend: als ik het gras maai in mijn tuin en mijn buurman doet hetzelfde in zijn tuin, dan gebeurt er niets met het BBP; mocht ik echter het gras van mijn buurman maaien, en hij maaide mijn gras, en we betaalden elkaar, dan ging het BBP wel omhoog. Nu ken ik ongeveer de grasmaai-toestand in onze wijk maar ik heb geen idee wat de Oekraïners met hun gras doen, en met al de rest.
    Je kunt dat gebrek aan achtergrondkennis van een vreemd land proberen te compenseren door reisverslagen te lezen, televisiereportages te bekijken, of door dat land te bereizen. Maar reisverslagen lees ik niet zo graag, televisiereportages vind ik vaak te belerend; en reisformules waarbij je overnacht bij de plaatselijke bevolking zijn mij te avontuurlijk. Zo blijft het buitenland natuurlijk een onbekende. En als de verschillende onderdelen van dat buitenland met elkaar slaags raken – wat men ‘oorlog’ noemt – dan begrijp ik er al helemaal niets meer van, want zulke conflicten spelen zich af in een ander moreel universum dan dat van mij en mijn omgeving. Daar zou ik eens een ander stukje over moeten schrijven.