Posts tonen met het label Hans Rosling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hans Rosling. Alle posts tonen

maandag 23 september 2019

Het spuitje van 1,9 miljoen


     Door de week volg ik de toestand in de wereld maar met een half oog. Ik weet alles een dag later dan mijn buren en twee dagen later dan mijn collega’s. Toen ik van de week bijvoorbeeld eindelijk begrepen had dat er een actie was voor baby Pia en wat die actie inhield, was het te laat om nog mee te doen. Het bedrag was al verzameld. ’t Was een geluk dat mijn zoon al een sms’je had verstuurd.
     Zaterdag of zondag probeer ik dan de schade in te halen door hier en daar wat te lezen over wat er gebeurd is, en wat mensen met een mening daarvan denken. Over de Pia-zaak las ik bijvoorbeeld veel verontwaardigde commentaren: dat het medicijn Zolgensma veel te duur is, dat het bedrijf Novartis het spuitje gratis ter beschikking had moeten stellen, dat Big Pharma verziekt is, dat een chantagespel gespeeld werd met het leven van een kind, en dat nog maar eens blijkt dat ‘een absoluut vrije markt niet goed is’. Op die laatste gedachte ben ik een paar dagen aan het kauwen geweest. 
     Zeker is dat het medicijn voor SMA-patiëntjes erg duur is: 1,9 miljoen voor een éénmalige spuitje dat mogelijk de gevolgen van de aandoening langdurig verzacht. De grote baas van Novartis kwam op televisie en híj vond 1,9 miljoen niet te duur. Hij vergeleek het bedrag met de kost van een andere behandeling voor dezelfde aandoening. Die loopt over tien jaar tegen de 3,6 miljoen euro aan; dat is dus nog veel meer. Maar als wij gewone mensen iets horen van 1,9 miljoen, maken wij een ándere vergelijking: wij vergelijken met het bedrag dat op ons spaarboekje staat, en dat is aanzienlijk lager.
     Is 1,9 miljoen te veel? Ik geloof het wel. Maar je moet mij niet vragen wat dan wel het juiste bedrag is. 1,7 miljoen, of 1,2 miljoen, of misschien maar 0,9 miljoen? Dat is allemaal mogelijk. Het zal in elk geval veel meer zijn dan ik ooit zal kunnen betalen als ik een medicijn nodig heb. Journalisten hebben de mening gevraagd van onderzoekster Martine Barkats, die mee de gentechnologie ontwikkelde waar Zolgensma op voortborduurt. Ze antwoordde dat de prijs ‘te hoog’ ligt, maar ‘over wat een een redelijke prijs is, wil ze zich niet uitspreken’ 
(hier). Dat is heel voorzichtig van de onderzoekster.
     Minder voorzichtig is Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad (hier). De journalist werd er zelfs ‘lichtjes ziek’ van.  ‘De Zwitserse farmareus, schrijft hij, verdedigt zich, zoals alle farmabedrijven, met het verhaal dat onderzoek en ontwikkeling jaren arbeid en investering kosten. Het is een excuus om lichtjes ziek van te worden. Alleen al de miljardenwinst – meer dan tien miljard – toont aan dat de waarheid hier beentje wordt gelicht.’ Dat is weer echt Mijlemans.* Hoe, vraag je je af, kan een miljardenwinst ‘aantonen’ dat het jarenlange onderzoek en de zware investeringen niet meer dan een excuus zijn? Kun je van excuus spreken als het gaat om een feit ? De gemiddelde kostprijs om in Europa een medicijn te ontwikkelen is ongeveer 1,25 miljard (hier). Als 1,25 miljard investering een excuus is voor hoge prijzen, dan is het toch minstens een geldig excuus, zoals dat van een leerling die te laat komt door het openbaar vervoer. Zo’n hoog bedrag leidt overigens niet altijd tot problemen. Als het miljardenmedicijn aan miljoenen patiënten wordt verkocht, wordt de prijs per patiënt overzichtelijk. Als het daarentegen om zeldzame ziekten gaat, wordt de deler veel kleiner, het quotiënt veel groter en het probleem veel prangender.
    Ondanks die overwegingen geloof ik nog altijd dat 1,9 miljoen voor een Zolgensmaspuitje te veel is. Dat komt dan niet door een teveel aan vrije markt, maar door het omgekeerde, een gebrek aan vrije markt. Zolgensma wordt aangeboden door één verkoper, door één bedrijf, dat de technologie ontwikkeld of gekocht heeft. Dat bedrijf heeft het patent op die technologie voor 20 jaar, wat niet helemaal onredelijk is. Maar daardoor heeft het bedrijf een feitelijk monopolie. Het kan voor haar product hogere prijzen vragen dan het zou kunnen als het product ook door andere bedrijven werd gemaakt. De winst stijgt, het geld stroomt binnen.
     Waar gaat dat geld naartoe? Een deel komt bij de aandeelhouders terecht. Ik heb uit het boekje van Hans Rosling (hier) begrepen dat dat vaak gepensioneerden zijn omdat pensioenfondsen vaak investeren in soliede farmabedrijven. Ik gun die gepensioneerden een goed pensioen, te meer omdat het verwachte rendement van die farma-aandelen gemiddeld niet hoger ligt dan dat van andere aandelen. Als dat niet zo was hadden we De Tijd, Paul D’Hoore en het nieuwe schoolvak ‘Financiële Vaardigheden’ niet nodig. Dan moesten we gewoon met ons allen al onze centen in farma investeren en werden we allemaal zo rijk als Croesus.
     Zo’n monopoliebedrijf zou wel gek zijn om zijn aandeelhouders gemiddeld meer uit te keren dan een ander bedrijf. Maar dat extra geld is wel leuk meegenomen. Je moet dan niet meer zo op de kleintjes letten. Het zou mij niet verwonderen als in de farmawereld de kantoren ruimer zijn, de zakenlunches rijkelijker en de brochures mooier gedrukt. Misschien krijgen de onderzoekers een bovenmatige loon, de juristen een overdreven vergoeding en de reizende verkopers een buitensporige premie. Misschien worden er te veel marketingmensen en HR-mensen in dienst genomen. Misschien wordt er te veel zinloos vergaderd. Monopolie leidt tot hoge prijzen, tot hoge inkomsten én tot verspilling.**
     De gevolgen van monopolie – een markt met één verkoper – worden in zekere mate tegengewerkt door monopsonie – een markt met één koper. Dat is in de gezondheidswereld het geval. Veel medicijnen en behandelingen zijn te duur voor afzonderlijke patiënten. De betaling gebeurt door grote verzekeringsinstellingen die in Europa door de staat zijn ingericht. Die instellingen zijn in zekere zin de enige kopers; zij bepalen mee de prijs.  Als zij weigeren een medicijn terug te betalen, heeft de producent weinig verhaal. Er moet dan worden onderhandeld.
     Omdat die onderhandelingen de levenskwaliteit en soms zelfs het leven van de patiënten als inzet hebben, heeft de buitenstaander de indruk dat de partijen allebei een chantagespel spelen. Die indruk is terecht. De farmareus zegt: als je niet betaalt wat ik vraag, moeten de patiënten zelf maar zien hoe ze genezen. En verzekeringsinstelling antwoordt: als je het medicijn niet verkoopt aan de prijs die wij voorstellen, dan blijven onze verzekerden maar ziek. Uiteindelijk wordt een prijs overeengekomen die ergens in het midden ligt. ’t Is cynische bedoening, maar ik betwijfel of er een betere oplossing bestaat.
     Het spel van onderhandelingen beïnvloedt ook wat in de pers verschijnt. Ik las in Het Laatste Nieuws (hier) een interview met  Maggie De Block. De minister van Volksgezondheid is hard voor Novartis. Ze is ‘boos’. Het gevraagde bedrag is ‘absurd’. Ze weigert de Novartismensen op haar kabinet te ontvangen. Ze suggereert dat het bedrijf geen ‘geweten’ heeft. Ik vind dat allemaal slimme uitspraken van Maggie. Een goede manier om onderhandelingen voor te bereiden is om de publieke opinie aan je kant te krijgen. Meer zoek ik er niet achter.
    Het is dus waarschijnlijk dat monopsonie en harde onderhandelingen de prijs van medicijnen naar beneden kan brengen. Toch geloof ik dat de onvermijdelijke monopolies in de farmasector zullen blijven leiden tot hoge prijzen, tot hoge inkomsten en tot een zekere mate van verspilling. Maar die verspilling heeft lang niet alleen slechte kanten. Waarschijnlijk bestaat de grootste verspilling uit – achteraf gezien – mislukt onderzoek. Ik las ergens (hier) dat in de eerste onderzoeksfase  ongeveer 64 procent van het onderzoek tot niets leidt. In de tweede fase is dat 89 procent en in de derde fase 88 procent. Dat mislukte onderzoek kost miljarden, maar met de monopolieprijzen die de firma’s kunnen vragen, wordt dat verlies weer goedgemaakt.
     Als men erin zou slagen, door concurrentie,  door staatsinmenging, of door onderhandelingen, om die prijzen te verminderen, dan zouden besparingen zich opdringen en zou het aandeel van het mislukte onderzoek verminderen. De bedrijven zouden minder lichtzinnig beginnen aan een investering en minder koppig volhouden als de resultaten uitbleven. Er zou minder geld verspild worden, de geneesmiddelen zouden gemiddeld minder duur zijn, maar … er zouden er ook minder worden ontwikkeld.** Door een voorzichtig besparingsbeleid zou het totale aantal onderzoeken verminderen, het aantal mislukkingen zou dalen,  maar ook het aantal onverhoopte successen zou afnemen.  In zulke omstandigheden was het Zolgensma-spuitje misschien nooit op de markt was gekomen. Het zou niet te duur geweest zijn. Er zouden geen harde onderhandelingen nodig zijn geweest. Er zouden geen miljoen sms’jes verstuurd zijn. Het zou niet hebben bestaan.
     Ook de farmamedaille heeft twee kanten.
     En de lichtjes zieke Peter Mijlemans wens ik een spoedig herstel.

* En vandaag doet Mijlemans het weer (hier). De farmasector had voorgesteld om geen cent meer aan te rekenen voor nieuwe geneesmiddelen die een patiënt niet helpen. Daarmee ‘geeft de farma-industrie eigenlijk toe dat de prijzen verre van realistisch zijn.’ Dat is niet zo. De economische logica is helemaal anders. Als de firma geen geld ontvangt voor niet-werkende medicijnen – een redelijke voorstel – , wordt hun productiekost gedragen door de een nog hogere kostprijs voor de medicijnen die wel werken.

** Men begrijpt waarom Maggie De Block aan de farma-industrie een besparing heeft opgelegd van 1,1 miljard euro. 

*** Sommige deskundigen zoals professor De Nys (hier) stellen voor om dure medicijnen als Zolgensma niet meer te ontwikkelen. We kunnen het niet ontkennen: dan is het probleem van de dure medicijnen inderdaad van de baan. Er bestaat geloof ik een fabel van Aesopos die dat soort oplossing als onderwerp heeft, maar ik ben vergeten welke.

donderdag 16 mei 2019

Hoe zien onze pensioenen eruit in 2070?


     De laatste tijd lees ik veel van die optimistische boeken:  Steven Pinker, Hans Rosling, Bjørn Lomborg, Maarten Boudry, Matt Ridley, Johan Norberg. ’t Is zoals met andere zoetigheid – je voelt een lichte walging, maar je blijft ermee doorgaan. We eten beter, lees ik in die boeken, en we leven gezonder en we worden slimmer. Onze bejaarden worden vitaler en onze levensverwachting wordt langer. Wie vroeger leefde kwam jaarlijks netjes één jaar dichter bij zijn dood. Wie daarentegen in de twintigste eeuw leefde kwam jaarlijks maar zeven maanden dichter bij zijn einde. Denk daar maar eens over na.
     Op het hoofdkwartier van N-VA moet er ook iemand zijn die die boeken leest, iemand met name die heeft meegeschreven aan het partijprogramma. ‘Demografische projecties tonen aan,’ lees ik in dat programma, ‘dat de levensverwachting in België tegen 2070 nog verder zal stijgen. Een cruciale voorwaarde om de betaalbaarheid van de pensioenen te behouden, en zo de solidariteit met de jongere generaties te vrijwaren, is dat de wettelijke pensioenleeftijd die levensverwachting volgt.’ John Crombez heeft die passage gebruikt om het Bart De Wever knap lastig te maken. Het Nieuwsblad van 15 mei opende met de kop ‘De Wever wil pensioenleeftijd verder omhoog’, wat de zaak geloof ik niet helemaal juist samenvat*.
     Het was natuurlijk ook dom om speculaties over de toekomstige levensverwachting in het N-VA-programma op te nemen. Een verkiezingsprogramma moet niet speculeren over een mogelijke toestand in 2070**. Nu, in 2019, is de toestand ernstig genoeg. De gemiddelde pensioenleeftijd is vandaag nog geen 60 jaar. We werken gemiddeld 33 jaar en zijn 23 jaar op pensioen***. Wanneer wij hogere pensioenen willen – wat alle partijen beloven – zónder meer van ons loon af te dragen, dan moet dat werken een paar jaar langer en dat pensioen een paar jaar korter. Dáárom heeft Michel I de algemene norm verhoogd – van 65 naar 67 jaar – en is er een voorzichtig begin gemaakt met het afschaffen van de uitzonderingen.
     De partijen sp.a en Vlaams Belang beloven én hogere lonen én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd. Daar kan ik begrip voor opbrengen want het zijn drie mooie dingen. Helaas gaan ze niet samen binnen één budget. Partijen die daarom ronduit zeggen dat de hogere pensioenen moeten worden worden betaald met langer werken, langer bijdragen en dus hogere pensioenleeftijd – N-VA en Open-vld zeggen zoiets – moeten worden geprezen voor hun eerlijkheid.
     Maar móeten wij wel kiezen tussen de drie mooie dingen? PVDA-man Jan Dumolyn schreef op zijn Facebookpagina dat de ‘piepeltjes van N-VA’ er niets van begrepen hebben. Een flinke stijging van de productiviteit, schrijf Jan, kan ervoor zorgen dat we én hogere lonen, én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd krijgen. Daar zit iets in. Als ik met Jan daarover debatteerde voor de televisie zou ik misschien aanvoeren dat juist het PVDA-programma weinig garanties biedt voor zo’n productiviteitsstijging. Maar dat zou flauw zijn, want Jan heeft een punt. Uit mijn optimistische boeken weet ik dat de gemiddelde aardbewoner binnen honderd jaar – in 2119 dus – acht keer rijker kan zijn dan de huidige. Maar we móeten niet acht keer rijker worden. Wij kunnen er de voorkeur aan geven om in 2119 maar vier keer rijker te zijn en op ons veertigste op pensioen te gaan, of op ons achtenveertigste zoals vroeger de militairen, en de regentessen in het onderwijs. Wij kunnen dus, al is het binnen honderd jaar, tegelijk vier keer rijker worden én maar half zo lang werken.
     Ik heb hierboven zinsneden gebruikt als ‘wij willen’ en ‘wij moeten’ en ‘wij kunnen’. Er zit in in elk van die zinsneden een vies beestje dat ik er graag uit wil. Waarom zouden ‘wij’ iets moeten, of willen, of kunnen? En waarom zouden ‘wij’ allemaal hetzelfde kiezen? Ik zou het veel gezonder vinden als iedereen, binnen redelijke grenzen, zelf zijn eigen keuzes kon maken in zo’n gevoelige kwestie. Wie graag vroeg wil stoppen, kan wat harder werken en wat meer bijdragen, of zich met een kleiner pensioen tevreden stellen. Wie graag langer werkt, kan zijn bijdrage beperkt houden en aan het einde van zijn loopbaan toch een royale uitkering verwachten. Je krijgt dan als gepensioneerde ongeveer terug wat je tijdens je werkende leven  – kort of lang  – hebt bijgedragen, met interest. Veel en lang bijdragen levert een hoog pensioen op, kort en weinig bijdragen een klein pensioen.
     Het pensioenstelsel schijnt verder iets heel, heel ingewikkelds te zijn. Er zijn universiteitsprofessoren die hun hele leven wijden aan de studie ervan. Zo’n stelsel veranderen zal dus wat meer vragen dan een plannetje dat werd uitgetekend aan de keukentafel. Bovendien moet er in die delicate materie een zekere politieke overeenstemming bestaan. Alleen al de wettelijke norm met twee jaar verhogen naar 67 was zó delicaat dat die verhoging pas kan ingaan in 2030, ondanks de brede overeenstemming over de kwestie tussen N-VA, CD&V, Open-vld en Groen. Een geheel nieuw stelsel doorvoeren zal nog vele malen moeilijker zijn. Het beginsel is eenvoudig genoeg: rekening houden met het eenvoudige gegeven dat verschillende mensen verschillende dingen willen en belangrijk vinden. Maar het is het opruimen van de bestaande koterij die in zo’n gevallen voor de meeste moeilijkheden zorgt****. Ik zie het niet gebeuren vóór 2030. Het is meer iets voor 2070. Misschien kan N-VA dát eens opnemen in haar programma. 



*Liesbeth van Impe schrijft de dag erna dat De Wevers politieke tegenstanders zijn woorden ‘kort door de bocht geïnterpreteerd hebben. Dat is heel begrijpelijk van die tegenstanders, vindt ze - en dat vind ik ook. Maar waarom plaatste ze de dag ervoor zélf een kop op de voorpagina met een interpretatie die minstens even kort door de bocht ging? Zij is toch geen politieke tegenstander?

**Een uitspraak over een hypothetische situatie in de toekomst kan makkelijk worden verward met een politiek plan voor korte en middellange termijn. Zon onhandige uitspraak is in zekere zin erger dan een foute uitspraak.  Een foute uitspraak kun je achteraf weer intrekken. ‘Sorry, het was een vergissing.’ Een onhandige uitspraak kun je achteraf alleen nuanceren. En niet iedereen staat daarvoor open.

*** Zie hier  en hier . Ik heb vroeger al enkele stukjes geschreven over de pensioenkwestie, onder meer over de superioriteit van kapitalisatie vergeleken met repartitie:  hier, hier en hier

**** Het pensioenstelsel met punten, waar we niet zo veel meer over horen, zou een eerste aanzet kunnen zijn voor de opruimwerken.

zondag 24 februari 2019

Greta Thunberg en die ándere Zweedse activist

     De foto van de kleine Greta Thunberg die moederziel alleen – weliswaar opgewacht door de pers – de trappen van een Brussels station afdaalt, heeft mij ontroerd: een vlechtenmeisje met kleurige sokjes, anorakje, rugzakje, skimutsje en een piekfijn beschilderd, uit duurzaam materiaal vervaardigd, protestbordje: ‘Skolstrejk for klimatet’. Koppige Greta is helemaal van Zweden gekomen met de trein, over Kopenhagen en Keulen vermoed ik, alhoewel een reis met het vliegtuig sneller en goedkoper is. Ze doet me denken aan het koppige Veenmanneke van Louis-Paul Boon. Als die jongen bij een spelletje wordt aangeduid om een eindje zuidwaarts te lopen, loopt hij aan een stuk door tot hij een maand later de zuidkust van Frankrijk bereikt.
     Greta Thunberg kwam eigenlijk om deel te nemen aan de donderdagse klimaatbetoging, maar nu ze toch in Brussel was, mocht ze ook een toespraakje houden voor de Europese Commissie. Ze leek niet in het minst onder de indruk van het hoge gezelschap. Ze las gewoon haar tekstje voor. Hier was geen enthousiaste spring-in-’t-veld aan het werk als Anuna De Wever, die je makkelijk kunt verwarren met een deejay op een popfestival of een animator voor bejaarden in Torremolinos. Hier was het anders. Hier sprak een kind van vijftien haar zekerheden uit over het lot van de mensheid. Ik vond het nogal beangstigend. Ik stel mij geestdrijvers voor als oude mannen –  Savonarola in het vijftiende-eeuwse Florence of de High Sparrow in Game of Thrones. Ik denk niet meteen aan kleine meisjes.
     Het toespraakje zat anders goed in elkaar. Politici wilden niet met haar spreken, zei ze, en dat was goed, want zij wou ook niet met hen spreken. Haar enige eis was dat de klimaatakkoorden van Parijs zouden worden uitgevoerd, maar ook die uitvoering zou niets veranderen aan de klimaatramp die ons te wachten stond. ‘We have to focus every inch of our being to chimate change.’ Ons hele politieke en economische system, vond Greta, met vrije concurrentie en dergelijke, moest onmiddellijk worden omgegooid.  Politici spreken over de klimaatcrisis, zei ze, alsof het slechts één van de vele problemen is die ze moeten oplossen. Dat maakt hen tot de grootste schurken van de geschiedenis. De klimaatopwarming bedreigt ons bestaan en onze beschaving. Binnen elf jaar is het te laat en komt er een onomkeerbare kettingreactie op gang, ‘beyond human control’. Dat alles, zei ze nog, is geen onderwerp van discussie, het is een feit.
     Dat laatste is, geloof ik, niet waar. Greta verwijt de politici dat ze niet luisteren naar de wetenschap en naar het IPCC, maar zelf luistert ze ook maar met een half oor. Als ze de dikke rapporten van het IPCC doorneemt, onderstreept ze meest dramatische passages en redeneert daar logisch op verder. Dat op de volgende bladzijde een voorbehoud wordt gemaakt, een andere prognose worden berekend, een rooskleuriger scenario wordt uitgewerkt, past niet goed in haar manier van denken, vrees ik.
     En zoals wel meer alarmisten heeft Greta een voorkeur voor rampen met spektakelwaarde. De gewone voorspellingen van meer hittegolven, hogere zeespiegel - 30 tot 90 cm* -, overstromende rivieren, grotere verspreiding van de malariamug, op de ene plek meer droogte en op de andere plek meer neerslag, misschien zelfs heviger orkanen – dat alles is op zichzelf wel erg, maar daarmee overtuig je niemand dat het bestaan zelf van de mensheid op het spel staat. Greta maakt er in haar toespraakje dan ook geen woorden aan vuil. Als het over dat soort eenvoudige rampen gaat, begint een mens al snel aan prozaïsche oplossingen te denken: afkoelstystemen in huis, zeedammen, afgebakende overstromingsgebieden, muskietennetten en insectenverdelgers, irrigatie, bouwkundige voorzorgsmaatregelen …
     Het enige gevolg van de opwarming waar Greta wél even over spreekt is de kans dat ‘extremely powerful’ methaangas uit de toendra opstijgt, waardoor het klimaat definitief en onomkeerbaar op hol slaat. Ja, dán zijn we natuurlijk allemaal de sigaar. Enkele jaren geleden bestond het spektakelscenario uit de plotse onderbreking van de Golfstroom, die in enkele dagen tijd Europa in een ijsvlakte zou veranderen. Daar is toen een spannende film over gemaakt, maar nu hoor je er niet veel meer over.
    Misschien hebben sommige mijner lezers na het beluisteren van Greta Thunberg niet goed de slaap kunnen vatten, of hebben ze hun arts om angstremmers gevraagd. Of misschien hebben ze gedroomd van een terroristische aanslag waarbij ze corrupte politici uitschakelen en een groene dictator aan de macht te brengen. Hen wil ik de raad geven om nog wat te wachten met die angstremmers en dat terrorisme, en even het boekje Feitenkennis te lezen van een andere Zweedse activist, de onlangs overleden arts en epidemioloog Hans Rosling.
     Hans heeft meer dan alleen zijn geboorteland met Greta gemeen. Hij wil zoals zij ook altijd iedereen overtuigen en bekeren. Op Youtubefilmpjes zie je hem met verbetenheid en humor – een zeldzame combinatie – verkondigen hoe de wereld wél en hoe de wereld niet in elkaar zit. Kort gezegd komt het hier op neer dat de arme landen de laatste veertig jaar een geweldige vooruitgang gemaakt hebben die de meeste mensen in de rijke landen nog altijd niet beseffen. Hans is het ook met Greta eens dat de klimaatverandering een bedreiging vormt waar iets moet aan moet worden gedaan.** Hij aanvaardt de gemiddelde  cijfers van het IPCC als uitgangspunt, zoals hij de cijfers van álle internationale instellingen aanvaardt, of die nu in zijn kraam te pas komen of niet. Zelfs cijfers die hij maar half gelooft, neemt hij als uitgangspunt aan, zolang hij zelf geen betere cijfers kan verzamelen.
     Maar in tegenstelling tot Greta, beschikt Hans over een kennis van de wereld die tot stand gekomen is door een jarenlange strijd tegen zijn eigen vooroordelen. Zijn kennis, zegt hij, komt niet uit statistieken, maar uit gesprekken met mensen uit heel verschillende milieus en in heel verschillende landen – van VN-bureaucraten tot stamhoofden in zwart Afrika. Het waren die mensen die hem op zijn misvattingen wezen. Daardoor kwam hij te weten wat de problemen niet waren, wat ze wel waren, en waar naar oplossingen moest worden gezocht. Pas daarna begon hij cijfermateriaal te verzamelen dat hij dan in prachtige, bewegende grafieken wist weer te geven. De eerste keer dat ik zo’n grafiek zag, was ik even ontroerd als door het beeld van Greta op de Brusselse stationstrappen. Maar tóen had mijn grootvaderleeftijd daar niets mee te maken.
     Hans Rosling gelooft niet, zoals Greta Thunberg dat doet, dat het klimaat het enige wereldprobleem is. Het is één van de wereldproblemen.*** Daarnaast heb je onder andere het gevaar van een mondiale griepepidemie, een derde wereldoorlog, een instorting van het financiële systeem en het voortbestaan van de extreme armoede.**** Dat laatste is overigens geen gevaar in de toekomst, maar een realiteit van nu.
     Rosling heeft lang nagedacht over de vraag waarom we de wereld zo slecht begrijpen. We besteden te veel aandacht aan extremen en aan negatieve berichtgeving. We letten niet op geleidelijke veranderingen. We onderschatten hoe grillig de zaken evolueren. We laten ons leiden door angst en veralgemeningen. We zijn te snel onder de indruk van grote cijfers. We zijn op zoek naar boosdoeners die verantwoordelijk zijn voor alles wat misgaat – denk aan Greta’s schurken van politici. En we zijn ten prooi aan het ‘urgentie-instinct’ waardoor we de zaken niet meer nuchter bekijken.

    In 2009 werd Rosling gecontacteerd door de Amerikaanse ex-vicepresident Al Gore, die de wereld rondreisde om te spreken over de komende klimaatramp. Of Rosling zo’n mooie bewegende grafiek kon maken waaraan je kon aflezen wat er zou gebeuren als niet onmiddellijk-nu-meteen een alomvattende klimaatpolitiek in werking trad. Nu was Al Gore een van Roslings helden, maar toch weigerde de Zweed om mee te werken. Hij was net als Greta Thunberg niet snel onder de indruk van hoog gezelschap.***** Hij had begrepen dat Gore een grafiek wou met een ‘worstcase’-scenario om de mensen angst aan te jagen. ‘Ik kon niet voldoen aan wat hij vroeg,’ schrijft hij. ‘Ik hou niet van overdrijving. Overdrijving ondermijnt de geloofwaardigheid van goed onderbouwde data … En ik hou niet van angst … Angst plus urgentie levert domme, drastische beslissingen op, met onvoorspelbare neveneffecten. Daarvoor is de klimaatverandering te belangrijk. Die vraagt om systematische analyse, doordachte beslissingen, stapsgewijze maatregelen en zorgvuldige evaluatie ….’
     ‘Stapsgewijze maatregelen en zorgvuldige evaluatie …’ wat zou de jonge Greta daar op antwoorden?

 

* In het zeer, zeer, zeer onwaarschijnlijke geval dat de zeespiegel geleidelijk zes meter zou stijgen over een periode van honderd jaar, zouden grote gebieden onder water kunnen lopen. Er zouden grote werken nodig zijn om dat te vermijden. Zulke werken zouden jaarlijks één procent van het bruto wereldproduct kosten maar ze zouden uiteindelijk het ondergelopen gebied wereldwijd beperken tot een oppervlakte ter grootte van Nederland. Slechts 15 miljoen mensen zouden in de loop van de eeuw moeten verhuizen. Je kunt zoiets moeilijk laten doorgaan voor het einde van de menselijke beschaving.

 ** Bij Rosling is niet helemaal duidelijk hoe prioritair hij het klimaatprobleem inschat. Hij gelooft dat we door nú de CO2-uitstoot te beperken, we grotere kosten in de toekomst vermijden. Hij vindt dat de rijke landen, die per inwoner de grootste CO2-uitstoot hebben, die uitstoot dringend en drastisch moeten beperken. Anderzijds wil hij niet dat de landen met lage inkomens (Afrika) en middeninkomens (Indië, China) ook al meteen op duurdere energie of duurdere energiebesparing overstappen. Zo’n dubbel beleid zal, vermoed ik, op wereldvlak onvermijdelijk leiden tot een grotere totale uitstoot van CO2.

*** Hans Rosling houdt er evenmin van dat alle andere wereldproblemen worden teruggebracht tot de klimaatverandering. Heel zorgwekkend vindt hij in dat verband de term “klimaatvluchtelingen”. ‘Voor zover ik weet, schrijft hij, is het verband tussen klimaatverandering en migratie zeer, zeer zwak.’

 **** Een uitgebreide lijst van wereldproblemen is uitgewerkt in het kader van de Kopenhagen Consensus, met een voorgestelde rangorde van belang, kostprijs en kans op snelle resultaten. Verminderen van CO2-uitstoot staat op de dertigste plaats, na een hele reeks interventies die vooral de arme landen betreffen: verstrekken van vitamines, vaccinaties, ontworming, betaalbare scholen, goedkope hartmedicijnen, bestrijding van de malariamug, opsporen en behandelen van tbc, HIV-preventie, waterzuivering …

  ***** Toen Rosling uitgenodigd werd om in Cuba onderzoek te doen naar een dodelijke epidemie, werd hij op zijn werkplek opgezocht door Fidel Castro die zich zoals gewoonlijk persoonlijk op de hoogte wilde stellen van het nieuwe initiatief. Veel buitenlanders voelden zich vereerd door zo’n bezoek, maar Rosling vond Castro een moeial.

woensdag 13 februari 2019

Stakers en de psychologische wetenschap

     Staken doen de mensen om allerlei redenen. Leraar Peter Van Menen, lees ik in Het Nieuwsblad, staakt vanwege zijn ‘gevoel dat leraars te weinig respect krijgen’. Dat gevoel ken ik. Anderen doen het misschien uit opstandigheid, uit solidariteit of om een overleden vader of moeder te eren die hen geleerd heeft ‘never to cross a picketline’. Over dat soort persoonlijke gevoelens heb ik niets te melden.
    Mij gaat het hier om lui die zeggen hun ‘koopkracht’ te willen verdedigen. Die koopkracht heeft onder andere te maken met de hoogte van de lonen en die wordt in ons land afgesproken bij onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Maar de staat legt bij die onderhandelingen een ‘marge’ op voor mogelijke verhogingen– dit keer een marge van 0,8 procent.  De vakbonden vinden dat te weinig en zelf vind ik het ook niet veel.
     Maar eigenlijk vind ik die hele staatstussenkomst maar niks. Ik vind het verkeerd als bedrijven door de staat verplicht worden om loonsverhogingen toe te kennen – bij indexoverschrijding – maar ik vind het ook verkeerd als het aan bedrijven verboden wordt loonsverhogingen toe te kennen boven een zekere marge. Anderzijds zal zo’n dubbele aanpak ook wel zijn voordelen hebben. Voor de werknemer telt in elk geval alleen het eindresultaat, zijn koopkracht, waarin hij, zoals iedereen, graag een stijgende lijn ziet.
     En is die lijn nu stijgend of dalend? Om dat te weten moet er gerekend worden. Lonen – en in mindere mate uitkeringen – zijn sinds 2013 flink gestegen, maar de prijzen zijn ook flink gestegen.  Je moet die prijsstijgingen dus aftrekken van de inkomensstijging om de verandering in koopkracht te kennen. Dat is allemaal erg ingewikkeld. In zo’n geval kijk ik naar de consensus binnen de wetenschap, want dat moet van Tom Naegels. De economen van het planbureau hebben uitgerekend dat de gemiddelde koopkracht sinds 2013 gestegen is met 3,5 procent*. En econoom Philip Defeyt heeft uitgerekend dat de koopkracht sinds 1998 gestegen is met 16 procent. (hier) Die cijfers betreffen dus de netto stijging van de inkomens, nadat de prijsstijgingen zijn afgetrokken.
     Maar als onze koopkracht gestegen is, waarvandaan komt dan het gevoel bij de stakers, en bij de anderen, dat die gedaald is? Daarmee komen we aan de psychologische wetenschap. Amos Tversky en Daniel Kahneman beschreven voor het eerst het verschijnsel van ‘loss aversion’. Dat verschijnsel houdt in dat we meer verdriet hebben als we een briefje van 50 euro verliezen, dan vreugde als we een briefje van 50 euro vinden. Ik heb als student ooit een briefje van 2000 frank verloren en als ik daaraan terugdenk voel ik nog altijd de pijn.

     Veronderstel dat ik boeken verzamel van Jean Ray. Ik bezit een mooie eerste uitgave van Les contes du Whisky en een andere verzamelaar wil er mij 120 euro voor betalen. Ik denk er niet aan om het boek te verkopen. Wat later zie ik bij De Slegte, in de glazen kast, een mooie eerste uitgave van Les derniers contes de Canterbury. Die zou ik eigenlijk nog liever hebben, maar de prijs schrikt mij af: 100 euro. Ik koop het boek dan maar niet. Dat is heel irrationeel van mij. Had ik die Canterburyverhalen gékocht en mijn Whiskyverhalen vérkocht, dan had ik nog 20 euro over om mij een goedkope uitgave van Le grand nocturne aan te schaven.
     Die ‘aversion loss’ maakt het voor een regering moeilijk om beleid te voeren. De tax shift was een gezond economisch beginsel. Voor werknemers betekende het een broekzak-vestzakkwestie. We betalen minder directe belastingen, en meer indirecte belastingen – in de vorm van prijsstijgingen. Wat we winnen aan de ene kant, verliezen we aan de andere kant. Maar, en daar gaat het over, ook al is het bedrag dat we winnen en verliezen hetzelfde, het verlies weegt psychologisch zwaarder. Voor wie prijsbewust door het leven gaat, is het nog erger, want zo iemand ziet zijn winst één keer per maand op zijn loonbriefje, maar hij voelt het verlies elke keer opnieuw als hij naar de winkel gaat.
      Mijn vrouw heeft een grote, luxueuze firma-auto met tankkaart. Er is sprake van dat die auto’s worden afgeschaft en vervangen door een gelijkwaardige geldelijke vergoeding. Verstandelijk bekeken is dat voor ons een verbetering. We kunnen dan zelf beslissen of we met dat geld weer een grote luxueuze auto kopen, of omgekeerd voor een goedkoop karretje kiezen dat ons even goed van A naar B brengt. Met het geld dat we over hebben gaan we dan naar New York. Maar iedere keer dat we met de nieuwe auto bij de benzinepomp staan – zonder tankkaart – zal dat een steek zijn door ons hart.
     Bij onze koopkracht speelt nog een ander pschychologisch verschijnsel. Hans Rosling noemt het ons ‘grootte-instinct’, dat een onderdeel is van ons ‘drama-instinct’. We zijn bijzonder onder de indruk van grote getallen en spectaculaire veranderingen. Bij de prijsstijgingen van de laatste 20 jaar zijn nogal wat van die grote getallen: elektriciteit: + 97 procent, brandstof + 95,7 procent, brood + 69, 1 procent, groenten + 47,1 procent. Maar dat zijn de uitschieters. We moeten die zien in het geheel van onze aankopen, en daarvan zijn de prijzen veel, veel minder snel gestegen, en soms zelfs gedaald. Maar gevoelsmatig hebben we dat overzicht niet. Wij zijn blind voor gemiddeldes.
    En daarom moeten we ons verlaten op de ‘consensus binnen de wetenschap’.

    

* Die 3,5 procent is een gemiddelde en is vooral representatief voor de middeninkomens. De 10 procent rijksten kregen er maar 3,1 procent bij, en de 10 procent armsten maar 0,7 procent. Dat laatste houdt, geloof ik, verband de regeringspolitiek die meer belang gaf aan lonen dan aan uitkeringen.

 ** De vakbond aanvaardt die consensus niet, verwijst naar de jaren 2016 en 2017 en haalt er de indexsprong bij. Misschien denkt de vakbond dat een niet gekregen loonstijging hetzelfde is als een loondaling.  Of dat het planbureau en Defeyt die overgeslagen loonindexering niet in rekening hebben gebracht.

maandag 29 februari 2016

Leonardo en het klimaat

      Een kandidate bij een schoonheidswedstrijd hoort iets te zeggen over de wenselijkheid van wereldvrede. Daar sta ik volledig achter. Er is niets mooiers dan een goede verstandhouding. Een acteur die een Oscar uitgereikt krijgt hoort dan weer iets te zeggen over zijn moeder ‘die er altijd voor hem geweest is’, of zijn grootmoeder, of zijn tante. Ook daar sta ik achter, want er is niets mooiers dan dankbare kinderen.
     Leonardo DiCaprio heeft meer gedaan dan zijn ouders bedanken. Nu hij zijn eerste Oscar kreeg (eindelijk – proficiat Leonardo!) heeft hij iets gezegd over het klimaat. ‘Global warming is real’, zei hij vanop het podium.
     Sinds David Hume (1711-1776) weten we dat er twee soorten uitspraken zijn: die over ‘wat is’ en die over ‘wat moet’. We moeten met zijn allen werken aan de wereldvrede (en stoppen met ruziemaken met de buurvrouw, wat trouwens veel gemakkelijker werd sinds ze verhuisd is). We moeten vaker met de fiets rijden. We moeten de hongerigen spijzen en de dorstigen laven. Dat is allemaal ‘wat moet’.
     Bij ‘wat is’ ligt het moeilijker. Er is veel oorlog in de wereld, maar in welke landen allemaal weet ik niet precies. Door wat meer te fietsen zullen er wellicht minder files zijn, maar hoeveel verschil dat zal maken, daar heb ik geen idee van. En ook hoe dat nu zit met de honger in de wereld weet ik niet. Ik moet dan de cijfers van de Wereldbank erbij halen (hier) , of de filmpjes van Hans Rosling  opnieuw bekijken (hier).
     De klimaatuitspraak van Leonardo DiCaprio behoorde tot de tweede categorie – de categorie van ‘wat is’. En zulke dingen verneem ik eigenlijk liever van een deskundige, Bjorn Lomborg bijvoorbeeld, of Pascal van Ypersele, zolang die laatste zijn bestrijders niet voor de rechtbank wil slepen tenminste (hier).
     Of heeft Leonardo een leven van studie aan het klimaat gewijd? Dan trek ik mijn woorden weer in. Filmregisseur Paul Verhoeven heeft een heel aardige boekenkast over het leven van Jezus bij mekaar verzameld en gelezen. Zijn boekje over Jezus wil ik wel eens lezen. Mocht Paul ooit een Oscar winnen, misschien zegt hij dan ook wel iets over Jezus. Maar ik betwijfel het.